Overwogen opties voor dekking van het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 2025 in de liquidatieverliesregeling
Brontekst
Versie 85fa96dd81f7a44c · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 812Wijziging van enkele belastingwetten en enigeandere wetten (Belastingplan 2026)Nr. 117 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 12 januari 2026De leden Van Eijk (VVD) en Stultiens (GL-PvdA) hebben tijdens debehandeling van het pakket Belastingplan 2026 vragen gesteld over dedoor het kabinet overwogen opties om de derving het arrest van de HogeRaad van 21 maart 2025 over de liquidatieverliesregeling (hierna: hetArrest) te dekken.1 Zij vroegen meer specifiek of het kabinet heeftoverwogen de structurele derving van het Arrest in de liquidatieverliesre-geling zelf te dekken en zo ja welke opties dat waren. In reactie heb iktoegezegd uw Kamer hierover per brief te informeren.2Met deze brief kom ik aan mijn toezegging tegemoet. Ik ga eerst in op deliquidatieverliesregeling en vat het Arrest samen. Daarna licht ik dederving als gevolg van het Arrest toe. Vervolgens ga ik in op de opties diehet kabinet heeft overwogen om de derving van het Arrest binnen deliquidatieverliesregeling te dekken. Het kabinet heeft in de periode kort nahet Arrest een eerste inschatting gemaakt van verschillende opties.Daarbij sta ik op verzoek van het lid Stultiens extra stil bij de zogenoemde«voor-zover-benadering» en de zogenoemde «alles-of-niets-benadering».Ik rond de brief af met een conclusie.1. De liquidatieverliesregeling en de kern van het Arrest 1.1 De liquidatieverliesregeling op hoofdlijnen De liquidatieverliesregeling is een uitzondering op de deelnemingsvrij-stelling. De deelnemingsvrijstelling zorgt ervoor dat economisch dubbelebelastingheffing binnen een concern wordt voorkomen. De door dedochtermaatschappij (deelneming) uitgedeelde winsten worden door dewerking van de deelnemingsvrijstelling niet nogmaals bij de moedermaat-schappij belast. De toepassing van de deelnemingsvrijstelling op1Hoge Raad 21 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:417.2Handelingen II 2025/26, nr. 17, item 19, p. 34. kst-36812-117ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1171 buitenlandse dochtermaatschappijen heeft tot gevolg dat de belastingdrukop de winst van de dochtermaatschappij in principe alleen wordt bepaalddoor de belastingdruk in het land waar de dochtermaatschappij isgevestigd. Daarmee worden Nederlandse bedrijven die in het buitenlandactief zijn zoveel mogelijk in staat gesteld onder gelijke fiscalevoorwaarden te concurreren met lokale bedrijven die aldaar gevestigdzijn. Onder de deelnemingsvrijstelling zijn winsten ontvangen van eenbinnenlandse of buitenlandse dochtervennootschap onder voorwaardenvrijgesteld, maar zijn ook verliezen niet aftrekbaar. Dit is een internationaalgebruikelijke methode en de Europese moederdochterrichtlijn is ook opeen dergelijk uitgangspunt gebaseerd.3Door de liquidatieverliesregeling is een (liquidatie)verlies op eendeelneming onder voorwaarden wel aftrekbaar. De reden is dat het verliesniet meer bij die deelneming in mindering kan worden gebracht (envoorgoed verloren zou gaan). Het liquidatieverlies is het verschil tussenhet voor de deelneming opgeofferde bedrag en de liquidatie-uitkering. Deliquidatieverliesregeling is vanwege grote praktische bezwaren bewustzodanig opgezet dat voor de omvang van het te nemen liquidatieverliesgeen koppeling bestaat met de omvang van bij de ontbonden dochteronverrekend gebleven verliezen.4 Anders gezegd, het uitgangspunt is hetopgeofferde bedrag (de investering in de deelneming) door de (groepvan) belastingplichtige waarbij het gehele recht op een liquidatieverlies bijde aandeelhouder vervalt indien rechtens sprake is van enig recht op eentegemoetkoming voor die verliezen. Het liquidatieverlies wordt eerst ophet tijdstip waarop de vereffening van de deelneming is voltooid inaanmerking genomen. De liquidatieverliesregeling is de afgelopen jarenverschillende malen herzien en ingeperkt om oneigenlijk gebruik tegen tegaan.51.2 De kern van het Arrest De belangrijkste feiten van het Arrest zijn als volgt. De belanghebbende,een Nederlandse naamloze vennootschap, hield indirect alle aandelen intwee Ierse deelnemingen, een Plc en een Ltd. In 2013 zijn de Plc en de Ltdgeliquideerd. Bij de Plc resteerde een verlies, bij de Ltd een overschot. DePlc heeft tijdens haar bestaan gebruik gemaakt van de Ierse zogenoemdegroup-reliefregeling, op grond waarvan een groepsvennootschap een ineen jaar geleden verlies kan overdragen aan een andere groepsvennoot-schap die in hetzelfde jaar winstgevend was. Daardoor wordt de winstbe-lasting bij Ltd lager en neemt haar waarde toe, hetgeen onbelast blijft bijde aandeelhouder. Plc heeft ruim € 115 miljoen van haar verlies overge-dragen aan Ierse vennootschappen. Ten tijde van de voltooiing van devereffening beschikte de Plc nog over afgerond € 110 miljoen aanniet-verrekende, en volgens de Ierse belastingdienst verder onverre-kenbare, verliezen. De belanghebbende heeft voor de toepassing van deliquidatieverliesregeling uiteindelijk een liquidatieverlies van ruim€ 202 miljoen in aanmerking genomen en dit bedrag als liquidatieverliesten laste van de winst gebracht.In geschil is of de vraag of toepassing van de Ierse group-reliefregelingaan toepassing van de liquidatieverliesregeling in de weg staat. Derechtbank en het gerechtshof beantwoorden deze vraag ontkennend enstellen de belastingplichtige in het gelijk. Ook de Hoge Raad oordeelt in3Richtlijn (EU) 2011/96/EU van de Raad van 30 november 2011 betreffende de gemeenschappe-lijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillendelidstaten PbEU 2011, L345/8.4Kamerstukken II 1968/69, 6000, nr. 22, p. 29 rechterkolom5Zie bijvoorbeeld de Wet beperking liquidatie- en stakingsverliesregeling (Stb. 2020, nr. 539).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1172 het voordeel van de belastingplichtige dat de beoordeling of «geen rechtgeldt op enigerlei tegemoetkoming» moet worden uitgevoerd naar hettijdstip waarop de vereffening van het ontbonden lichaam is voltooid. DeHoge Raad oordeelt dat het daarbij om die reden niet zo kan zijn dat onder«enigerlei tegemoetkoming» mede de tegemoetkomingen vallen die zijnverkregen of hadden kunnen worden verkregen door toepassing van deIerse group-reliefregeling voorafgaand aan het moment van liquidatie vande dochtervennootschap.6 De crux zit in het moment waarop wordtgetoetst of van enigerlei tegemoetkoming sprake is.72. De derving als gevolg van het Arrest De incidentele derving van het Arrest wordt ingeschat op € 840 miljoen.De structurele derving wordt ingeschat op € 65 miljoen per jaar. Bij deraming van dit bedrag gaat het om het volledige bedrag aan liquidatiever-liezen dat in aanmerking genomen kan worden. In dit bedrag is ook hetdeel van de verliezen meegenomen waar al via een buitenlandse grouprelief op een eerder moment tegemoetkoming is gegeven. Op basis vanhet Arrest kunnen deze verliezen ook via de liquidatieverliesregelingmeegenomen worden.3. Overwogen dekkingsopties in de liquidatieverliesregeling 3.1 Achtergrond In de begrotingsregels is vastgelegd dat de budgettaire gevolgen vangerechtelijke uitspraken meetellen voor het inkomstenkader. Het Arrestlevert daarom een substantiële dekkingsopgave op. Het kabinet is om diereden op zoek gegaan naar dekking binnen de liquidatieverliesregelingzelf. Daartoe zijn de volgende opties op hoofdlijnen overwogen:•Optie 1: Afschaffen van de liquidatieverliesregeling.•Optie 2: De liquidatieverliesregeling beperken tot deelnemingenwaarin de belastingplichtige een belang van ten minste 95% heeft.•Optie 3: De aftrek van het liquidatieverlies verlenen tot de omvang vande niet verrekende verliezen van de deelneming.•Optie 4: De aftrek van het liquidatieverlies verlenen voor het opgeof-ferde bedrag, voor zover geen sprake is of had kunnen zijn vanverliesoverdracht binnen de groep (voor-zover-benadering).•Optie 5: Codificatie van het Besluit deelnemingsvrijstelling.•Optie 6: Het verlagen van de drempel van € 5 miljoen.3.2 Optie 1 | Liquidatieverliesregeling afschaffen De eerste optie die is onderzocht is of de liquidatieverliesregeling kanworden afgeschaft. Door afschaffing van de liquidatieverliesregeling kaneen belastingplichtige niet langer een liquidatieverlies in aftrek brengen.Deze optie brengt wetstechnische vragen met zich mee, bijvoorbeeld overhet al dan niet bieden van overgangsrecht en hoe om te gaan met destakingsverliesregeling.Deze optie is op hoofdlijnen beoordeeld op de volgende punten:•EU-rechtelijke aspecten: Het afschaffen van de liquidatieverliesregelingbrengt een EU-rechtelijk risico met zich ten aanzien van verliezen dieelders niet meer benut kunnen worden.6Hoge Raad 21 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:417, rechtsoverweging 3.3.1.7Zie ook: Kamerstukken II 2025/26, 36 812, nr. 16, p. 115.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1173 •Budgettair: Het budgettaire belang van de liquidatieverliesregeling(inclusief de additionele derving als gevolg van het Arrest) wordt(zonder gedragseffecten) geschat op € 506 + € 65 = € 571 miljoen voor2025.•Uitvoering: De liquidatieverliesregeling is een erg complexe regelingen afschaffing hiervan komt de uitvoering ten goede. Wel is hetbelangrijk te kijken naar overgangsrecht en de uitvoeringsgevolgendaarvan.•Vestigingsklimaat: Het afschaffen van de liquidatieverliesregeling heefteen negatieve impact op het binnenlandse ondernemingsklimaat voorzuiver binnenlandse situaties. Daarnaast wordt Nederland voorbedrijven die investeren in het buitenland minder aantrekkelijk dus eennegatieve impact op het vestigingsklimaat.3.3 Optie 2 | Liquidatieverliesregeling beperken tot belang van minstens95% De tweede optie die is onderzocht is of de liquidatieverliesregeling kanworden beperkt tot situaties waarin de belastingplichtige een belang heeftvan ten minste 95% in de geliquideerde deelneming. Voor de huidigeliquidatieverliesreling dient er sprake te zijn van een deelneming (dat wilzeggen in de regel een belang van ten minste 5%). Deze optie lost hetprobleem van dubbele verliesneming in grensoverschrijdende situatiesniet op, maar beperkt wel het aantal aftrekbare liquidatieverliezen. Dezeoptie brengt wetstechnische vragen met zich mee, zoals het bieden vanovergangsrecht en hoe de stakingsverliesregeling op een gelijke wijze kanworden vormgegeven.Deze optie is op hoofdlijnen beoordeeld op de volgende punten:•EU-rechtelijke aspecten: neutraal ten opzichte van de huidige situatie.•Budgettair: De structurele opbrengst moet nog bepaald worden, maardeze wordt ingeschat in ordegrootte van € 30–50 miljoen per jaar. Deresterende structurele derving wordt dan ingeschat op € 15–35 miljoenper jaar.•Uitvoering: Deze optie zou de uitvoering enigszins ten goede komen,omdat het aantal belastingplichtigen dat voor toepassing van deliquidatieverliesregeling in aanmerking komt daalt. Wel is hetbelangrijk te kijken naar overgangsrecht en de uitvoeringsgevolgendaarvan.•Vestigingsklimaat: Het beperken van de liquidatieverliesregeling heeftals gevolg dat belastingplichtigen in minder gevallen zijn toegestaaneen liquidatieverlies in aanmerking te nemen. Dit heeft enerzijds eenimpact op het in aanmerking nemen van liquidatieverliezen in zuiverbinnenlandse situaties en daarmee het binnenlandse ondernemingskli-maat. Anderzijds wordt Nederland voor bedrijven die investeren in hetbuitenland minder aantrekkelijk.3.4 Optie 3 | Aansluiten bij de niet verrekende verliezen van dedeelneming De derde optie die is onderzocht is of voor de berekening van hetliquidatieverlies kan worden aangesloten bij de niet verrekende verliezenvan de deelneming. Deze optie betekent een fundamentele wijziging vande liquidatieverliesregeling, omdat de aansluiting met het «opgeofferdebedrag» wordt losgelaten. Om die reden brengt deze optie wetstechnischevragen met zich mee. Gedacht kan worden aan hoe om te gaan met eenjuridische mogelijkheid van verliesverrekening (of een consolidatie-regime) versus het feitelijk hebben verrekend van verliezen en de invullingvan de bewijspositie van belastingplichtigen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1174 Deze optie is op hoofdlijnen beoordeeld op de volgende punten:•EU-rechtelijke aspecten: deze optie is Europeesrechtelijk mogelijk.•Budgettair: Deze optie geeft naar voorlopige schatting een opbrengstvan maximaal € 20–30 miljoen per jaar. Het aansluiten bij de nietverrekende verliezen van de deelneming ook kan leiden tot een groterin aanmerking te nemen liquidatieverlies. De resterende structurelederving wordt dan ingeschat op minimaal € 35–45 miljoen per jaar.•Uitvoering: Bij de vormgeving van de huidige liquidatieverliesregelingis om grote praktische (uitvoeringstechnische) bezwaren niet aangeslo-ten bij de niet verrekende verliezen van de deelneming.8 Ook nu zullendeze praktische bezwaren gelden als wordt aangesloten bij de nietverrekende verliezen van de deelneming. Die bezwaren zijn sterker alsde verliezen naar Nederlandse maatstaven moeten worden omgere-kend.•Vestigingsklimaat: Aansluiten bij het niet verrekende verlies van dedeelneming heeft als gevolg dat een belastingplichtige in Nederlandnog steeds een liquidatieverlies in aftrek kan nemen. Dat is positiefvoor het vestigingsklimaat. Tegelijkertijd kan deze nieuwe systematiekleiden tot rechtsonzekerheid en discussies met de Belastingdienst,zeker als het verlies naar Nederlandse maatstaven moet wordenbepaald.3.5 Optie 4 | Introductie van een «voor-zover-benadering» De vierde optie die is onderzocht is of voor de berekening van hetliquidatieverlies een zogenoemde «voor-zover-benadering» kan wordengeïntroduceerd. Dit betekent in beginsel dat de huidige wijze om hetliquidatieverlies te berekenen (het opgeofferde bedrag minus deliquidatie-uitkering) blijft staan. In deze door het kabinet onderzochte optiewordt verrekening van het liquidatieverlies slechts toegestaan voor zoverer geen sprake is geweest of had kunnen zijn van enigerlei tegemoet-koming (lees: verliesoverdracht) voorafgaand aan het tijdstip van devereffening van de dochtermaatschappij. Deze optie brengt wetstech-nische vragen met zich mee. Gedacht kan worden aan hoe om te gaanmet een juridische mogelijkheid van verliesverrekening (of een consolida-tieregime) versus het feitelijk hebben verrekend van verliezen.Deze optie is op hoofdlijnen beoordeeld op de volgende punten:•EU-rechtelijke aspecten: In beginsel is deze voor-zover-benaderingEuropeesrechtelijk houdbaar, want het is hoogstwaarschijnlijk eenproportionele wijze om dubbele verliesverrekening te voorkomen.•Budgettair: Deze optie geeft naar voorlopige schatting een opbrengstvan € 20–30 miljoen. De voor-zover-benadering houdt in dat er nogsteeds een liquidatieverlies in aftrek kan worden genomen. Deresterende structurele derving wordt dan ingeschat op € 35–45 miljoenper jaar.•Uitvoering: Met deze optie zal de complexiteit van de al complexeliquidatieverliesregeling verder toenemen. Het omrekenen vanverliezen naar Nederlandse maatstaven heeft grote impact op deuitvoeringsgevolgen.•Vestigingsklimaat: Deze optie heeft naar verwachting een beperktenegatieve impact op het vestigingsklimaat. Hoewel het nog steedsmogelijk is om een liquidatieverlies in aftrek te nemen, is de hoogtevan dat verlies in voorkomende gevallen lager.8Kamerstukken II 1968/69, 6000, nr. 22, p. 29 rechterkolom.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1175 De «voor-zover-benadering» die het kabinet eerder heeft overwogen wijktaf van het amendement9 dat het lid Stultiens tijdens de behandeling vanhet pakket Belastingplan 2026 heeft ingediend. Aan de door het kabinetoverwogen optie lag ten grondslag dat de buitenlandse verliezen wordenomgerekend naar Nederlandse maatstaven. In het hiervoor genoemdeamendement is niet voorzien in een omrekening van het buitenlandseverlies naar Nederlandse maatstaven en is in die zin wat minder complexdan de door het kabinet eerder onderzochte optie. Aangezien in verschil-lende bepalingen in de Wet Vpb wordt aangesloten bij omrekening naarNederlandse maatstaven, is bij het onderzoeken van optie 4 vooral van dituitgangspunt uitgegaan. Dit is echter geen noodzakelijk uitgangspunt. Ikheb het amendement van het lid Stultiens desalniettemin ontraden. Hetkabinet onderzoekt momenteel een alternatieve dekkingsoplossing die terinternetconsultatie wordt aangeboden (ik verwijs ook naar onderdeel 4van deze brief). Als bij de uitwerking blijkt dat een beter alternatiefvoorhanden is, kan dat eventueel worden heroverwogen. De in hetamendement van het lid Stultiens voorgestelde «voor-zover-benadering»zou een optie tot heroverweging kunnen zijn. In het licht van de aangekon-digde internetconsultatie vind ik het op dit moment te vroeg om daartoeover te gaan.103.6 Optie 5 | Codificatie van het Besluit deelnemingsvrijstelling De vijfde optie die is onderzocht is of het huidige onderdeel 8.14.2 van hetBesluit deelnemingsvrijstelling kan worden gecodificeerd. Dit betekent datvan enigerlei tegemoetkoming sprake is als de (buitenlandse) verliezenvan de te liquideren deelneming zijn of hadden kunnen worden overge-dragen aan een ander (concern)lichaam, dus gedurende het gehelebestaan van de deelneming tot en met het moment van het voltooien vande vereffening. Dat betekent dat het van toepassing (kunnen) zijn vanbijvoorbeeld een group-reliefregeling zoals in het Arrest tot gevolg heeftdat aftrek van het liquidatieverlies niet mogelijk is. Ook bij deze optiespelen wetstechnische vragen, zoals de vraag met welke buitenlandsesystemen rekening dient te worden gehouden en hoeveel jaar moetworden teruggekeken.Daarnaast is deze optie op hoofdlijnen beoordeeld op de volgendepunten:•EU-rechtelijke aspecten: Deze benadering lijkt op dit moment eenEuropeesrechtelijke risico met zich te brengen.•Budgettair: Deze optie geeft naar voorlopige schatting een opbrengstvan € 50 miljoen. De aanpassing van het beoordelingstijdstip houdt indat er nog steeds een liquidatieverlies in aftrek kan worden gebracht.De resterende structurele derving wordt ingeschat op € 15 miljoen perjaar.•Uitvoering: De gevolgen voor de uitvoering zijn relatief beperkt omdatdeze optie blijft aansluiten bij de huidige ruwe en forfaitaire bereke-ning van het liquidatieverlies. Wel is het ook hier mogelijk dat ervragen/rubrieken worden toegevoegd aan de aangifte waarvoorcapaciteit en budget nodig zullen zijn (hoewel minder dan bij opties 3en 4).•Vestigingsklimaat: Deze optie heeft een negatieve impact op hetvestigingsklimaat, omdat in minder gevallen een liquidatieverlies kanworden geclaimd dan in de huidige situatie (na het Arrest). Het effectop het vestigingsklimaat is om die reden waarschijnlijk mindernegatief dan de afschaffing van de liquidatieverliesregeling (optie 1),9Kamerstukken II 2025/26, 36 812, nr. 69.10Handelingen II 2025/26, nr. 17, item 19, p. 36–37.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1176 maar groter dan de voor-zover-benadering (optie 3), omdat hier sprakeis van een «alles-of-niets-benadering».Tijdens de plenaire behandeling van het pakket Belastingplan 2026 heefthet lid Stultiens verzocht om in deze brief nader stil te staan bij demogelijkheid om een alles-of-niets-benadering in de wet op te nemen. Opgrond van de huidige wettekst komt, samengevat, een liquidatieverliesslechts in aftrek mits bij de belastingplichtige of een met hem verbondenlichaam geen recht geldt op enigerlei tegemoetkoming bij de belasting-heffing ter zake van verliezen die bij het ontbonden lichaam onverrekendzijn gebleven. In feite kent de huidige wettekst van de liquidatieverliesre-geling daarmee reeds een alles-of-niets-benadering. De crux zit derhalvein het moment waarop wordt getoetst of van enigerlei tegemoetkomingsprake is (zie onderdeel 1.2).11 Ter dekking van de structurele derving vanhet Arrest kan in dat kader de vraag op komen of het moment waaropenigerlei tegemoetkoming bestaat, naar voren kan worden gehaald.Hierbij kan worden gedacht aan een beperking van het in aftrek nemenvan een liquidatieverlies indien in bijvoorbeeld in de vijf jaar voorafgaandaan de vereffening van de deelneming enigerlei tegemoetkoming voorniet-verrekende verliezen is genoten. Hoewel een voorzichtige eerste engrove inschatting is dat de structurele opbrengst van deze beperking in deordergrootte van € 300 miljoen tot € 400 miljoen per jaar bedraagt, is hetkabinet hier geen voorstander van vanwege de impact op het vestigings-klimaat en EU-rechtelijke vraagstukken.3.8 Optie 6 | Het verlagen van de € 5 miljoen drempel De zesde optie die is onderzocht is of de € 5 miljoen drempel kan wordenverlaagd ter dekking van de budgettaire derving. Om de structurelederving van het Arrest te dekken, moet de franchise voor zowel deliquidatieverliesregeling als de stakingsverliesregeling worden verlaagdvan € 5 miljoen naar € 700.000.Er is uiteindelijk om verschillende redenen niet voor deze optie gekozen.Een verlaging van de drempel een (grote) verslechtering van hetNederlandse ondernemingsklimaat en het investeringsklimaat met zichbrengt, omdat een groot aantal bedrijven, waarbij voor een groot deel ookhet mkb, zal worden geraakt. Hierdoor treedt een herverdelingseffect op inhet nadeel van het mkb. Bij eerdere aanpassing van de liquidatieverliesre-geling 12 is in dit kader de drempel van € 1 miljoen juist verhoogd naar€ 5 miljoen om het midden- en kleinbedrijf (mkb) te ontzien.13 Daarnaastwordt een toename van de uitvoeringslasten voor de Belastingdienst eneen toename van de administratieve lasten voor het bedrijfslevenverwacht.Ook is onderzocht in hoeverre deze drempel zou moeten worden verlaagdom samen met het eerder genoemde amendement van het lid Stultiensde structurele derving van het Arrest te dekken. De in het amendementvan het lid Stultiens opgenomen voor-zover-benadering leidt op basis vaneen eerste inschatting tot een budgettaire opbrengst van € 25 miljoen.Om de resterende structurele derving van het Arrest van € 40 miljoen tedekken, zou de drempel van € 5 miljoen moeten worden verlaagd naar€ 2 miljoen. Ook dit betreft een voorzichtige eerste inschatting. Het11Zie ook: Kamerstukken II 2025/26, 36 812, nr. 16, p. 115.12Initiatiefwetsvoorstel Wet aanpassing liquidatie- en stakingsverliesregeling in de vennoot-schapsbelasting, 16 april 2019, van de leden Snels (GroenLinks), Leijten (SP) en Nijboer(PvdA).13Kamerstukken II 2020/21, 35 568, nr. 3, p. 15.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1177 kabinet is dan ook geen voorstander van deze optie, onder meer vanwegede verwachtte negatieve impact op het bedrijfsleven, in het bijzonder hetmkb.4. Conclusie Uit de in deze brief geschetste optie 2 tot en met 5 voor aanpassing vande liquidatieverliesregeling volgt dat deze niet leiden tot de benodigdebudgettaire opbrengst om de gevolgen van het Arrest te dekken en ookniet tot een betere situatie in termen van EU-aspecten, uitvoerbaarheid envestigingsklimaat dan wanneer de wet niet wordt gewijzigd (optie 6). Omdie reden is nader onderzocht of de liquidatieverliesregeling in het geheelkan worden afgeschaft. Dit onder de veronderstelling dat daarbij ook eenmaatregel zou worden betrokken die een positieve impact heeft op hetvestigingsklimaat, met als doel de negatieve impact van het afschaffenvan de liquidatieverliesregeling te mitigeren. Uiteindelijk is niet beslotentot afschaffing van de liquidatieverliesregeling, omdat dit EU-rechtelijkeen risico met zich brengt ten aanzien van verliezen die elders niet meerbenut kunnen worden. Ook is niet gekozen voor het verlagen van de€ 5 miljoen drempel naar € 700.000 (noch naar € 2 miljoen in combinatiemet het door het lid Stultiens ingediende amendement), vanwege degrote verslechtering van het Nederlands ondernemingsklimaat en hetinvesteringsklimaat die dit met zich brengt en de daarmee gepaardgaande herverdeling naar het mkb.Omdat aanpassing binnen de liquidatieverliesregeling niet eenvoudigmogelijk was gegeven deze randvoorwaarden stelt het kabinet voor omde structurele derving van het Arrest te dekken door met ingang van1 januari 2027 de fiscale behandeling van valutaresultaten op afdekkings-instrumenten die op verzoek onder de deelnemingsvrijstelling kunnenworden gebracht aan te passen.14 Het kabinet werkt momenteel eenconcept wettekst en toelichting uit en verwacht deze teksten aan het beginvan dit jaar ter internetconsultatie aan te bieden. Belangstellenden zijnvan harte uitgenodigd om te reageren. Het kabinet herhaalt daarbij deopmerking dat ook dit voorstel zal worden getoetst op uitvoerbaarheid envestigingsklimaat. Als in de uitwerking blijkt dat een beter alternatiefvoorhanden is, kan deze maatregel worden heroverwogen.De Staatssecretaris van Financiën,E.H.J. Heijnen14Kamerstukken II 2025/26, 36 800, nr. 1, p. 48.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1178
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.