KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een schriftelijk overleg over o.a. de geannoteerde agenda Raad Buitenlandse Zaken van 11 mei 2026 (Kamerstuk 21501-02-3389)

8 mei 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 2a913d07f1e79c1f · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202621 501-02Raad Algemene Zaken en Raad BuitenlandseZakennr. 3395 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 8 mei 2026 De vaste commissie voor Buitenlandse Zaken heeft een aantal vragen enopmerkingen voorgelegd aan de Minister van Buitenlandse Zaken over deGeannoteerde agenda voor de Raad Buitenlandse Zaken van 11 mei 2026(Kamerstuk 21 501-02, nr. 3389), de brief van 17 april 2026 over deNederlandse inzet tijdens de Toetsingsconferentie van het Non-Prolife-ratieverdrag (NPV) 2026 op het terrein van nucleair ontwapening,non-proliferatie en het vreedzaam gebruik van nucleaire technologie(Kamerstuk 33 783, nr. 53) en de brief van 10 april 2026 over de Neder-landse diplomatieke presentie in Venezuela (Kamerstuk 29 653, nr. 92).De vragen en opmerkingen zijn op 4 mei 2026 aan de Minister vanBuitenlandse Zaken voorgelegd. Bij brief van 8 mei 2026 zijn de vragenbeantwoord.De voorzitter van de commissie,KlaverDe griffier van de commissie,Westerhoff kst-21501-02-3395ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 33951 InhoudsopgaveIVragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de bewindspersoon2Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie2Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie6Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie8Vragen en opmerkingen van de leden van de DENK-fractie12Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie15IIVolledige agenda25 I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van debewindspersoon Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerdeagenda voor de Raad Buitenlandse Zaken van 11 mei 2026. Zij hebbenhierover de volgende vragen en opmerkingen.De leden van de VVD-fractie benadrukken dat de onverminderde militaire,financiële en humanitaire steun aan Oekraïne, zoals ook vastgelegd in debudgettaire tabel van het regeerakkoord, essentieel blijft om de Russischeagressie het hoofd te bieden en de Europese veiligheid te waarborgen.Deze leden verwelkomen de inzet van de Minister om tijdens de Raad aante dringen op de voorspoedige implementatie van de steunlening voorOekraïne. Wat betreft het sanctieregime wijzen de leden van deVVD-fractie op het belang van eenheid van beleid en een geharmoni-seerde uitvoering binnen de Europese Unie (EU). In het verlengde van deVVD-inbreng over het wetsvoorstel «internationale sanctiemaatregelen»vragen deze leden of de Minister bereid is van striktere handhaving in deRaad een speerpunt te maken. Specifiek doelen deze leden op het snellerdetecteren van complexe omzeilingsconstructies via derde landen ofbuiten territoriale wateren en het verbeteren van gegevensuitwisselingover omzeilingsconstructies. Is de Minister bereid om tijdens de Raad tepleiten voor een EU-brede aanpak die «red flags» direct vertaalt naargezamenlijke actie?1. Antwoord van het kabinet:In de context van de Ruslandsancties beschikt de EU over eeninstrument waarmee gerichte exportcontrolemaatregelen kunnenworden ingesteld tegen bedrijven die betrokken zijn bijomzeiling. Conform de motie Van der Lee c.s.1 levert het kabineteen substantiële bijdrage aan de aanvulling van deze lijst. Bijaanname van het twintigste sanctiepakket zijn in totaal921 bedrijven op deze lijst opgenomen. Voorts zet het kabinet inop versterking van de Europese naleving van sancties, waarondereen sterkere gezamenlijke aanpak van omzeiling door bijvoor-beeld EU-brede risicoanalyses. Het kabinet blijft zich inzettenvoor een structurele versterking van sanctie-capaciteit middelseen Europese sanctie-instelling.Verder vragen de leden van de VVD-fractie het kabinet wat het verwachtvan het versterken van de International Coalition for the Return ofUkrainian Children. Wat houdt die versterking concreet in? En wordengerichte sancties overwogen tegen de entiteiten die de logistiekeinfrastructuur achter deze illegale deportaties faciliteren?1Kamerstuk 36 045, nr. 141 dd. 21 februari 2023.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 33952 2. Antwoord van het kabinet:De Europese Unie stelde tot op heden gerichte sancties in tegentientallen personen en organisaties die betrokken zijn bij deillegale deportaties van Oekraïense kinderen. Nederland onder-steunt deze aanpak. Wat het kabinet betreft blijven aanvullendesancties in verband met illegale kindontvoeringen onderdeel vanvolgende sanctiepakketten.De bijeenkomst van de International Coalition for the Return ofUkrainian Children is gericht op effectievere internationalesamenwerking bij het opsporen, identificeren en terugbrengenvan gedeporteerde Oekraïense kinderen. Daarnaast moet deversterking bijdragen aan betere ondersteuning van kinderen naterugkeer, grotere diplomatieke druk op Rusland en intensiveringvan accountability- en sanctie-inspanningen tegen verantwoorde-lijken voor deze deportaties. De EU stelde tot op heden gerichtesancties in tegen tientallen personen en organisaties diebetrokken zijn bij de illegale deportaties van Oekraïensekinderen. Nederland ondersteunt deze aanpak. Wat het kabinetbetreft blijven aanvullende sancties in verband met illegalekindontvoeringen onderdeel van volgende sanctiepakketten.Daarnaast levert Nederland bilateraal steun aan het opsporen,terugbrengen en ondersteunen van door Rusland illegaal gedepor-teerde Oekraïense kinderen, o.a. via het UN DevelopmentProgramme (UNDP).De leden van de VVD-fractie zijn bezorgd over de situatie in het Midden-Oosten en de gevolgen daarvan voor de wereldeconomie. De eersteprioriteit zou wat deze leden betreft dan ook moeten zijn het heropenenvan de Straat van Hormuz op zo kort mogelijke termijn. Dat het kabinetvoorstander is van een actieve EU-rol ter ondersteuning hiervan, juichende leden van de VVD-fractie toe. Deze leden horen graag van de Ministerwaar hij dan aan denkt en wat hij namens Nederland tijdens de Raad gaatinbrengen?3. Antwoord van het kabinet:Het is van essentieel belang dat de Straat van Hormuz weeropengaat. Als open economie is Nederland meer dan anderelanden kwetsbaar voor verstoringen van internationale waarde-ketens. Doordat de wereldhandel sterk internationaal vervlochtenis, kunnen verstoringen elders in de wereld doorwerken inNederland. Openheid van de Straat van Hormuz is ook vanessentieel belang voor lage-inkomenslanden. Deze landen zijnover het algemeen afhankelijker van de import van olie, gas enook kunstmest uit de Golfregio. Daarnaast worden deze landensnel overboden op internationale markten, waardoor daar al deeerste energietekorten waargenomen worden.Nederland steunt de diplomatieke outreach van de EU en delidstaten richting de VS, Iran en de Golfstaten om toe te werkennaar een politieke oplossing en te kijken waar een rol vanmeerwaarde kan worden gespeeld. Hierbij steunt Nederland ookde VN-inzet om doorvoer van essentiële goederen zoalskunstmest te faciliteren.Daarnaast is Nederland betrokken bij het Frans-Britse initiatiefdat diplomatiek-economische sporen uitloopt om druk te zettenop Iran om de Straat te heropenen en om de industrie en vastge-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 33953 zette schepen te ondersteunen. Voor een internationale missiekijkt Nederland met voorrang naar het tevens Frans-Britseinitiatief, waar Nederland al langere tijd betrokken is bij devoorbereiding en planning van een dergelijke inzet, zodra desituatie dat toelaat.Nederland deed tijdens de vorige RBZ voorstellen voor hetcreëren van mogelijkheden om met sancties de druk op Iran teverhogen om de Straat van Hormuz zo spoedig mogelijk teheropenen. Dit wordt momenteel juridisch uitgewerkt in Brussel.Tijdens de aankomende RBZ zal Nederland aandringen op snelleaanname hiervan ter ondersteuning van het diplomatieke spoor.Nederland is voornemens een leidende rol op zich te nemen in deondersteuning van (humanitaire) initiatieven gericht op vrijedoorvaart in de Straat van Hormuz.In het verlengde van de huidige situatie moedigen deze leden de Ministeraan om in de Raad te pleiten voor het blijvend verkennen van een bredehandelsovereenkomst tussen de EU en de Gulf Cooperation Council (GCC)met een specifieke focus op de Verenigde Arabische Emiraten, zeker nudie zich uit de Organisatie van olie-exporterende landen (OPEC) heeftteruggetrokken. Een dergelijk akkoord is niet alleen van economischbelang, maar verstevigt ook de politieke relatie met betrouwbare partnersin een roerige regio.De leden van de VVD-fractie spreken hun grote zorg uit over de aanhou-dende humanitaire crisis in Gaza en de alsmaar zorgwekkender wordendesituatie op de Westelijke Jordaanoever. Zij ondersteunen de kabinetsinzetvoor de volledige implementatie van VN-veiligheidsraadresolutie 2803 enbenadrukken dat ongehinderde humanitaire toegang tot Gaza eenprioriteit moet blijven. Deze leden vragen de Minister wat hij kan doen omte voorkomen dat deze toegang wordt misbruikt voor de smokkel vanwapens of dual-use goederen?4. Antwoord van het kabinet:Nederland levert concrete bijdragen aan de monitoring van deinvoer van humanitaire hulp, onder meer via financiering van hetdoor de Veiligheidsraad van de VN ingestelde 2720-mechanisme,en heeft bijdragen geleverd aan de capaciteit van Israël omhulpgoederen te scannen vóór ze Gaza binnen worden gebracht.Israël heeft de internationaalrechtelijke verplichting om adequatetoegang te faciliteren voor professionele humanitaire hulporgani-saties, dat betreft ook toegang voor essentiële goederen –bijvoorbeeld materialen voor onderdak of medische hulpmiddelen– die door Israël als dual use worden beschouwd.De leden van de VVD-fractie willen graag van de Minister weten waar hetkabinet aan denkt bij de gedragsverandering die het van Israël het liefstziet en op welke manier het kabinet de druk op Israël zou willen verhogen?5. Antwoord van het kabinet:Het kabinet maakt zich ernstige zorgen over de humanitairesituatie in de Gazastrook. Daarnaast is de snel verslechterendesituatie op de Westelijke Jordaanoever, inclusief Oost-Jeruzalem,zeer zorgelijk. Het kabinet onderstreept dat het nederzettingen-beleid van Israël een halt moet worden toegeroepen, de Weste-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 33954 lijke Jordaanoever niet mag worden geannexeerd en dat hettoenemende kolonistengeweld onacceptabel is. Daarnaast blijfthet kabinet pleiten voor duurzame verlenging van de bankingwaiver en de vrijgave van belastinginkomsten die de PalestijnseAutoriteit toebehoren. Het kabinet erkent de legitieme veilig-heidszorgen van Israël ten aanzien van Hezbollah in Libanon,maar zet vraagtekens bij de proportionaliteit van het militairoptreden van Israël in Libanon.Zoals bekend in uw Kamer heeft Nederland, naar aanleiding vanzorgen over de situatie in de Gazastrook en op de WestelijkeJordaanoever, het initiatief genomen om de Israëlische nalevingvan Artikel 2 van het EU-Israël Associatieakkoord te evalueren.De kabinetsinzet blijft er op gericht om voldoende steun tevergaren voor de door de EU voorgestelde maatregelen, naaraanleiding van deze evaluatie en de aanhoudende verslechteringvan de situatie op de Westelijke Jordaanoever. Daarbij onder-streept het kabinet dat maatregelen tegen Israël zijn bedoeld omde druk op te voeren zodat Israël van koers verandert op debovengenoemde kwesties.De leden van de VVD-fractie steunen de High-Level Political Dialoguetussen de EU en Syrië ter bevordering van de betrekkingen met deSyrische overgangsregering. Deze leden zijn het met het kabinet eens datwederopbouw, economisch herstel en transitional justice belangrijkevoorwaarden zijn om duurzame terugkeer te realiseren. De leden van deVVD-fractie verwelkomen de hernieuwde samenwerking tussen de EU enhet Verenigd Koninkrijk (VK), zeker binnen kopgroepen met Europeselanden ten behoeve van Oekraïne.De leden van de VVD-fractie verwelkomen gesprekken over de WestelijkeBalkan. Deze leden willen graag weten op welke manier de landen in deWestelijke Balkan gestimuleerd kunnen worden om het EU buitenland- envisumbeleid te implementeren. Wat staat daar voor hen tegenover? Enzijn alle landen in de Westelijke Balkan bereid de EU-sancties tegenRusland over te nemen? Op welke manier kan Nederland hen daarinondersteunen?6. Antwoord van het kabinet:Van (potentiële) kandidaat-lidstaten zoals de landen in deWestelijke Balkan verwacht het kabinet volledige aansluiting bijhet EU Gemeenschappelijk Buitenlands- en Veiligheidsbeleid(GBVB), inclusief de sancties tegen Rusland. Het kabinetverwelkomt de aandacht van de Europese Commissie hiervoor inhet toetredingsproces en spreekt landen waar dit een zorgpunt isaan, conform de motie-Van Wijngaarden c.s.2 Niet alle landen inde Westelijke Balkan hebben de EU-sancties tegen Ruslandovergenomen. In een aantal landen blijft implementatie eenaandachtspunt. Dit is onderdeel van de dialoog die de EuropeseCommissie voert met deze landen. Nederland ondersteunt dezeinzet en is in contact met enkele kandidaat-lidstaten over waarspecifieke Nederlandse kennis en ervaring op gebied van sanctie-naleving en bijbehorende nationale wetgeving hieraan kanbijdragen.2Kamerstuk 21 501-02, nr. 2565Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 33955 Ook aan aansluiting bij het EU-visumbeleid van kandidaat-lidstaten wordt door de Commissie en het kabinet aandachtbesteed in het toetredingsproces.3Eén van de doelstellingen van de Hervormings- en Groeifaciliteitvoor de Westelijke Balkan is verdere visumaansluiting van delanden in de Westelijke Balkan. Kandidaat-lidstaten committerenzich in hun hervormingsagenda’s aan verdere aansluiting bij hetEU-visumbeleid. In ruil voor het doorvoeren van deze hervor-mingen ontvangen de landen in de Westelijke Balkan steun uit deFaciliteit.De leden van de VVD-fractie vragen in hoeverre de Minister bereid is omte pleiten voor het opschorten van IPA-middelen (Instrument forPre-accession Assisstance) voor landen die weigeren EU-sancties over tenemen.7. Antwoord van het kabinet:Onder het huidige MFK (2021–2027) is GBVB-aansluiting geenvoorwaarde voor het ontvangen van IPA-middelen. Bij de onder-handelingen over steun aan kandidaat-lidstaten onder het nieuweMFK is het kabinet voorstander van prestatiegerichte pre-accessiesteun. Tevens pleit het kabinet voor het meewegen vande strategische oriëntatie van alle landen uit Uitbreidings- enOostelijk Nabuurschapsregio bij het uitbetalen van EU-fondsen.Tot slot willen de leden van de VVD fractie graag geïnformeerd wordenover de dreigingsanalyse van de Single Intelligence Analysis Capacity vande EU (SIAC). Zou dit op vertrouwelijke basis met de Kamer gedeeldkunnen worden?8. Antwoord van het kabinet:De dreigingsanalyse van SIAC betreft een officieel EU-documentdat is gerubriceerd. Het kabinet is niet geautoriseerd om derge-lijke vertrouwelijke stukken met uw Kamer te delen.Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van degeannoteerde agenda voor de Raad Buitenlandse Zaken van 11 mei 2026en stellen daarover graag nog enkele vragen.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het kabinet blijftoproepen tot gebruik van de mogelijkheid om militair materieel via dePrioritised Ukraine Requirements List (PURL) voor Oekraïne in te kopen.Deze leden maken zich zorgen dat door de oorlog van de VS en Israël metIran de krapte op de defensiemarkt voor vertraging bij de levering vanAmerikaans militair materieel via PURL zorgt. Is de Minister er zeker vandat nieuwe bestellingen via PURL nog binnen een jaar aan Oekraïnegeleverd kunnen worden, of op zijn minst binnen de termijnen diegebruikelijk waren voor 28 februari 2026? Zo nee, is de Minister metEuropese partners bezig met het bedenken van alternatieven voor delevering van kritieke militaire goederen?9. Antwoord van het kabinet:3Zie tevens Kabinetsappreciatie uitbreidingspakket 2025, Kamerstuk 23 987, nr. 398.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 33956 Via het Amerikaanse Prioritised Ukraine Requirements List(PURL) initiatief ontvangt Oekraïne cruciale Amerikaansegoederen, waaronder essentiële luchtverdediging. Volgens deNAVO zullen alle goederen waarvoor NAVO-lidstaten en -partnersbetaald hebben via PURL aan Oekraïne geleverd worden envinden de leveringen ook momenteel doorgang. De VS heeftmeermaals onderstreept dat het de militaire PURL-steun zalblijven leveren. De goederen die de in de huidige openstaandePURL-pakketten worden aangeboden zijn door de VSmede-geselecteerd op basis van een snelle levertermijn. Erbestaat evenwel een risico dat de escalatie in het Midden-Oostenin de toekomst effect zal hebben op de beschikbaarheid vanAmerikaans materieel, met name luchtafweer. Daarom is hetzowel in het Europese als het Oekraïense belang om gelijktijdigte investeren in de respectievelijke defensie-industrieën om in detoekomst een breder aanbod te hebben voor kritieke capaci-teiten. Zo zet het kabinet zich in om de Oekraïense en Neder-landse defensie-industriesamenwerking te versterken, waarondervia de coproductie van drones in Nederland.De leden van GroenLinks-PvdA-fractie hebben vernomen dat de EUmogelijk voorbereidingen treft voor een trainingsmissie voor het Libaneseleger, ter vervanging van de VN-missie UNIFIL die binnenkort afloopt. Watis het standpunt van het kabinet ten aanzien van een dergelijke missie?Overweegt het kabinet steun aan een dergelijke missie? Zo ja, in welkevorm?10. Antwoord van het kabinet:Tijdens de EU-Libanon Associatieraad van 15 december 2025heeft de EU de bereidheid getoond om de Libanese veiligheids-sector te blijven steunen. Daarbij werd de mogelijke inzet van deEuropese Vredesfaciliteit genoemd en ook de mogelijkheid vanaanvullende GVDB-missie inzet. Op dit moment is er nog veelonduidelijkheid over post-UNIFIL opties in Libanon. Nederlandspreekt voortdurend steun uit voor initiatieven die bijdragen aanstabiliteit in Libanon, draagt daar ook concreet aan bij enverwelkomt hierbij zowel initiatieven en additionele steun vanuitde VN als vanuit EU. Mede door de recente ontwikkelingen inLibanon en de bredere regio zijn de contouren van een mogelijkEU-initiatief nog onduidelijk. Wel is duidelijk dat een eventueelnieuw EU-initiatief geen directe vervanging kan zijn voor hethuidige UNIFIL mandaat. Zodra meer bekend is over nieuweGVDB-inzet in Libanon, en het kabinet zou willen overgaan toteen Nederlandse deelname, zal het kabinet de Kamer hieroverinfomeren.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen in de beantwoording vanKamervragen van het lid Piri d.d. 23 april 2026 (2026D19946) dat hetkabinet het belangrijk vindt dat eventueel gebruik van uithongering, c.q.de vernietiging van Libanese waterinstallaties door Israël, als methodevan oorlogsvoering onderzocht wordt «en dat bewijsmateriaal vanvermeende schendingen wordt verzameld, op basis waarvan een rechterkan bepalen of hier sprake van is.» De Minister stelt later, in antwoord opvraag 19 van deze Kamervragen, dat het kabinet momenteel «te weinig»onderzoek ziet «naar, en berechting van, internationale misdrijven doorIsraël zelf.» De Minister vervolgt dat «als een staat niet bereid of niet instaat is om zelf internationale misdrijven te onderzoeken en degenen diedaarvoor verantwoordelijk zijn te vervolgen en te berechten», «deinternationale gemeenschap in beeld» komt. Is de Minister dan ook vanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 33957 mening, dat de oorlogshandelingen van Israël in Libanon door eenonafhankelijke en onpartijdige instantie zouden moeten worden onder-zocht? Welke onafhankelijke, onpartijdige instantie zou volgens hetkabinet hiernaar onderzoek moeten doen? Is de Minister bereid dezeonafhankelijke, onpartijdige instantie hiertoe op te roepen? En zodra ditbewijsmateriaal er is, is het kabinet dan bereid om naar de rechter testappen? Zo nee, waarom niet?11. Antwoord van het kabinet:Nederland dringt waar nodig en mogelijk aan op onderzoek naarvermeende internationale misdrijven, ook in de context vanLibanon. In principe is het in eerste instantie aan de nationaleautoriteiten om onderzoek te doen naar mogelijke misdrijven. Deinternationale gemeenschap komt in beeld als een staat nietbereid of niet in staat is om zelf op te treden. In dit geval is hetdus in eerste instantie aan Libanon zelf. Omdat de capaciteit inLibanon om effectief bewijs te vergaren op dit moment beperktlijkt, onderzoekt Nederland de mogelijkheden hoe deze nationalecapaciteit verder versterkt kan worden.Daarnaast beziet Nederland de internationale mogelijkheden voorbewijsvergaring. Het Internationaal Strafhof heeft momenteelgeen rechtsmacht in Libanon, en kan daarom geen onderzoekdoen naar de misstanden in Libanon. Daarom kijkt Nederlandnaar andere opties die bijdragen aan onafhankelijk en onpartijdigonderzoek naar de feiten. De VN Hoge Commissaris voor deMensenrechten (OHCHR) kan de situatie in Libanon reedsmonitoren. Het OHCHR landenkantoor in Libanon richt zich onderandere op het rapporteren over mensenrechtenschendingen inhet conflict tussen Israël en Hezbollah. Nederland steunt hetVN-mensenrechtenkantoor (OHCHR) in Libanon met een bedragvan USD 1,5 mln. over de jaren 2025–2026.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen tevens in de beant-woording op de genoemde Kamervragen dat Israël niet alleen Slovenië,maar ook Nederland onder druk heeft gezet om geen interventie te plegenin de zaak van Zuid-Afrika bij het Internationaal Gerechtshof. De ledenvinden het goed dat het kabinet alsnog heeft besloten om de interventie teplaatsen. Kan de Minister aangeven op welke manier Israël de weerstandtegen de interventie kenbaar heeft gemaakt? Heeft Israël met tegenmaat-regelen gedreigd? En is de Minister niet van mening dat de dreigingenvan Israël tegen EU-lidstaten die zich inzetten tegen straffeloosheid,besproken zouden moeten worden in de Raad, zeker in het licht van dediscussie over de naleving van artikel 2 van het EU-Israël Associatieak-koord? Zo nee, waarom niet?12. Antwoord van het kabinet:Het kabinet heeft een eigenstandige afweging gemaakt bij debesluitvorming omtrent het indienen van een verklaring totinterventie bij genoemde zaak. Het kabinet herkent zich niet inhet geschetste beeld dat sprake zou zijn van dreigementen doorIsraël jegens Nederland.Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractieDe leden van de fractie van JA21 hebben kennisgenomen van degeannoteerde agenda voor de Raad Buitenlandse Zaken van 11 mei 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 33958 en de kabinetsbrief «Nederlandse diplomatieke presentie in Venezuela.»Zij hebben een aantal vragen en opmerkingen.De leden van de fractie van JA21 zijn benieuwd naar de laatste standrondom de 90 miljard doorlening aan Oekraïne. Hoewel deze leden dekeuze voor deze manier van EU-financiering aan het land niet hebbengesteund, onderschrijven zij het belang van een Oekraïne dat zichzelf kanblijven verdedigen tegen de aanhoudende Russische agressie. Kan deMinister toelichten hoe groot de financiële tekorten momenteel zijn voorde Oekraïense staat?13. Antwoord van het kabinet:De noden van Oekraïne zijn sterk afhankelijk van het verdereverloop van de oorlog. Bij de aankondiging van de steunleningschatte de Europese Commissie dat het ongedekte financierings-tekort van Oekraïne voor de periode 2026–2027 EUR 135 mld.bedroeg, voor zowel militaire als macro-financiële noden. Met desteunlening van EUR 90 mld. streeft de EU ernaar twee derdehiervan te dekken, waarbij het resterende tekort door andereinternationale partners gedekt dient te worden. Met dezeschatting van de Commissie werd aangenomen dat de oorlog eind2026 ten einde zou komen. Gegeven de voortgaande oorlogssi-tuatie is het denkbaar dat de noden van Oekraïne groter worden,ook in 2027. Het kabinet blijft hierom naast het bereikte akkoordop de steunlening van EUR 90 mld. bij lidstaten en partnerlandenoproepen tot het vergroten van hun bilaterale steun aanOekraïne.Deze leden lezen in verschillende berichtgeving dat de eerste uitbeta-lingen van de doorlening waarschijnlijk eind mei of begin juni zullenplaatshebben. Kan het kabinet hier een preciezere toelichting over geven?14. Antwoord van het kabinet:De Raad heeft op 23 april jl. formeel akkoord bereikt op desteunlening en de benodigde financieringsstrategie voor 2026.Voordat tot uitbetaling van de begrotingssteun over kan wordengegaan, zijn enkele formele stappen nodig op basis van deVerordening. Voor de eerste uitbetalingen in de vorm vanmacro-financiële bijstand dient Oekraïne een Memorandum ofUnderstanding overeen te komen met de Europese Commissie,die hiervoor namens de EU optreedt. In de Memorandum ofUnderstanding worden beleidsvoorwaarden vastgelegd waaraanuitbetaling van de macro-financiële bijstand wordt gekoppeld.Hierover wordt op dit moment gesproken in Brussel. Nainstemming door de lidstaten, moet Oekraïne een uitbetalings-verzoek indienen voordat tot uitbetaling over kan wordengegaan. Hierover wordt op dit moment eveneens gesproken inEuropese Raadswerkgroepen in Brussel. Naar verwachting zal ditop korte termijn worden afgerond en zal inderdaad eind mei ofbegin juni een eerste uitbetaling kunnen plaatsvinden. Deprecieze tijdlijn hangt af van de voortgang van de besprekingen.De leden van de fractie van JA21 hebben zich eerder kritisch uitgelatenover de verhoudingsgewijs achterblijvende steun van met nameEU-lidstaten Spanje en Frankrijk. In dit licht steunen zij het voornemen vanhet kabinet om bij de komende Raadsvergadering deze lidstaten te«wijzen op het belang van substantiële bilaterale steun in aanvulling opde gezamenlijke steunlening.» Hoe denkt het kabinet in EU-verband dezeoproep om te zetten in concrete resultaten? In het verlengde hiervanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 33959 danken deze leden de Minister voor de Nederlandse oproep tijdens deRaad Buitenlandse Zaken van 21 april om de import van Russisch gas testaken.15. Antwoord van het kabinet:Het kabinet deelt de kritische houding ten opzichte vanEU-lidstaten waar de steun aan Oekraïne verhoudingsgewijsachterblijft. In dit kader blijft het kabinet van alle mogelijkhedengebruik maken om lidstaten erop te wijzen dat de steunleningaan Oekraïne ter waarde van EUR 90 mld. niet voldoende zal zijnom in de urgente militaire en budgettaire noden van Oekraïne tevoorzien, om deze reden de bilaterale steun aan Oekraïneverhoogd moet worden en dat de huidige verdeling van bilateralesteun onder lidstaten daarbij niet duurzaam is. Het kabinet doetdeze oproep in de bilaterale gesprekken die zij met lidstatenvoert, bij de verschillende Raadsvergaderingen in Brussel evenalsin de Europese Raad en andere gelegenheden, en bepleit hetbelang van een eerlijkere lastenverdeling richting de EuropeseCommissie.De leden van de fractie van JA21 maken zich grote zorgen over degevolgen voor de mondiale economie nu de situatie rondom de Straatvan Hormuz nog altijd hoogst onzeker is. Deze leden zouden de Ministerwillen vragen naar de laatste kabinetsvisie op de huidige conflictsituatie.En zijn er hiernaast nog laatste ontwikkelingen in de voorbereiding vaneen eventuele internationale missie in de zeestraat?16. Antwoord van het kabinet:Het kabinet volgt de situatie nauwlettend. De huidige status quo,met een Iraanse blokkade van de Straat van Hormuz is uiterstonwenselijk. Het verdere onderhandelingsproces is onduidelijk enonvoorspelbaar, zoals recente aanvallen door Iran op de VAEaantonen. Het kabinet streeft naar de-escalatie en steunt dediplomatieke inzet om de betrokken partijen richting eenduurzame politieke oplossing te bewegen. Essentieel is dat devrije doorvaart in de Straat wordt hersteld, hierbij moet enigevorm van een tolsysteem worden afgewezen.Nederland steunt de VN-inzet om doorvoer van essentiëlegoederen zoals kunstmest te faciliteren, en wijst op het belangvan diplomatieke inspanning om dit initiatief verder te brengen.Het kabinet onderzoekt eveneens de wenselijkheid van eeneventuele Nederlandse militaire inzet om bij te dragen aan hetwaarborgen van vrije doorvaart in de Straat van Hormuz. Deplanning van de internationale coalitie van inmiddels meer danveertig landen onder leiding van het VK en Frankrijk vordert, enNederland blijft nauw betrokken. Indien het kabinet besluit overeen Nederlandse militaire bijdrage aan het waarborgen van devrije doorvaart in de Straat van Hormuz, zal uw Kamer conformartikel 100 van de Grondwet nader worden geïnformeerd.Deze leden hebben kennisgenomen van het besluit van de VerenigdeArabische Emiraten om per 1 mei jongstleden OPEC te verlaten. Met dehaven van Fujairah heeft het land een alternatief voor energie-export viade Straat van Hormuz in handen. Ziet het kabinet mede in het licht van deonderhandelingen in EU-verband over een handelsovereenkomst kansenom in te zetten op extra samenwerking op het gebied van energie? Wil deMinister toezeggen zich hiervoor in Europees verband hard te maken? IsTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 339510 de Minister bereid deze opties te verkennen als onderdeel van deuitvoering van de motie-Hoogeveen/Maes (Kamerstuk 23 432, nr. 743) ende motie-Maes c.s. (Kamerstuk 23 432, nr. 727)?17. Antwoord van het kabinet:Het kabinet is bekend met het besluit van de Verenigde ArabischeEmiraten (VAE) om per 1 mei jl. uit OPEC te treden en onderkentdat de VAE, mede dankzij de haven van Fujairah, een belangrijkerol speelt in de regionale energie-infrastructuur en de veiligheidvan energie-aanvoerroutes.Energiezekerheid is een belangrijk thema in de relatie met deVAE. Afspraken over energie en grondstoffen zijn onderdeel vande onderhandelingen over een handelsovereenkomst tussen deEU en de VAE, op basis van het daarvoor vastgestelde onderhan-delingsmandaat. Daarbij is de inzet van zowel het kabinet als deEuropese Commissie om ambitieuze afspraken te maken overmarkttoegang en intensievere samenwerking op het gebied vande energiesector, met inachtneming van een gelijk speelveld.Op bilateraal niveau vindt tweejaarlijkse Joint EconomicCommittee (JEC) plaats met de VAE, waarin onder meer energie-zekerheid, energietransitie en samenwerking op het gebied vanenergie-infrastructuur en logistiek worden besproken. Hetkabinet benut deze JEC en andere bilaterale contacten om, inaanvulling op de inzet in EU-verband, verdere mogelijkheden voorsamenwerking met de VAE op energiegebied te verkennen.In lijnmet de motie-Hoogeveen/Maes (Kamerstuk 23 432, nr. 743) en demotie-Maes c.s. (Kamerstuk 23 432, nr. 727) zal het kabinet zichin Europees verband blijvend inzetten voor voortgang in deonderhandelingen met de VAE en voor het verkennen van verderesamenwerking met de Golfstaten op het gebied van energie.Hierbij geldt dat eventuele nieuwe afspraken moeten passenbinnen het bredere EU-beleid ten aanzien van de Golfregio.De leden van de fractie van JA21 bedanken de Minister voor de spoedigeuitvoering van de motie-Hoogeveen (Kamerstuk 36 800 V, nr. 63). Dezeleden onderschrijven het belang voor het Koninkrijk om een goedediplomatieke presentie in Venezuela te hebben te midden van deuitvoering van het Amerikaanse driestappenplan voor het land. Graagontvangen deze leden een duiding van de Minister over de voorlopigeeffecten van dit plan. Kan de Minister tevens toelichten welke proactieverol hij ziet voor het Koninkrijk in dit proces, op zowel economisch alspolitiek vlak? Hoe wordt binnen dit kader rekening gehouden met debelangen en wensen van de landen Aruba en Curaçao? Hoe wil hijinvulling geven aan de specifieke motie-Hoogeveen (Kamerstuk 21 501-02,nr. 3328) hierover?18. Antwoord van het kabinet:Het kabinet ziet dat er een stabielere situatie in Venezuela is daneen aantal maanden geleden, zonder acute veiligheidsdreigingvoor het Koninkrijk. De Amerikaanse inzet is met name gerichtop herstel van de economie en infrastructuur voor diversesectoren waaronder de oliesector. De laatste stap in het driestap-penplan, de democratische transitie, lijkt nog het minst uitge-werkt en afhankelijk van voortgang in eerdere stappen.Het kabinet benadrukt, ook richting de Venezolaanse autoriteiten,dat verdere concrete stappen richting herstel van de rechtsstaaten democratie in Venezuela noodzakelijk zijn, ook om de sociaal-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 339511 economische situatie duurzaam te verbeteren. Dit deed ik ooktijdens het gesprek met mijn Venezolaanse collega Gil in DenHaag op 4 mei jl. Het kabinet is bereid een constructieve rol tespelen om de situatie te verbeteren waardoor in de toekomstmogelijk ook de randvoorwaarden ontstaan voor verantwoordeeconomische kansen. Het recente herstel van de diplomatiekepresentie is daarin een eerste stap. Over de inzet van het kabinetvindt veelvuldig overleg plaats met de Caribische delen van hetKoninkrijk. Met betrekking tot de motie-Hoogeveen4 heeft hetkabinet aangegeven dat het de motie onderschrijft mits er geensprake is van een uitbreiding van het handelsinstrumentarium.Het bedrijfsleven kan gebruik maken van de bestaande instru-menten.De leden van de fractie van JA21 hebben uit verschillende berichtgevingook vernomen dat vanuit Caracas met speciale interesse wordt gekekennaar het EU-Mercosur akkoord; gegeven het feit dat het land geschorst is,maar formeel nog altijd de status van volwaardig lid van Mercosur heeft.Ook Bolivia, Panama en Colombia hebben elk een rol in mogelijkeuitbreiding van het Zuid-Amerikaanse handelsblok. Hoe kijkt het kabinetnaar deze ambities?19. Antwoord van het kabinet:Het EU-Mercosur akkoord is gesloten tussen de EU en Argentinië,Brazilië, Paraguay en Uruguay. Andere leden van Mercosur zijngeen verdragspartij bij het akkoord. Indien een Mercosur-lid wiltoetreden tot het EU-Mercosur akkoord, moet daarover wordenonderhandeld met de Europese Commissie. Dit is momenteel nietaan de orde.Vragen en opmerkingen van de leden van de DENK-fractieDe leden van de DENK-fractie hebben kennisgenomen van de geanno-teerde agenda.De leden van de DENK-fractie constateren dat de Raad zal spreken over desituatie in het Midden-Oosten. Deze leden wijzen erop dat de associatie-overeenkomst tussen de EU en Israël expliciet is gebaseerd op eerbie-diging van mensenrechten en democratische beginselen. Op welke wijzespant het kabinet zich concreet in om binnen de Europese Unie eenmeerderheid te organiseren voor het opschorten van (ten minste) hethandelsdeel van het EU-Israël-associatieakkoord? Welke lidstaten steunendit standpunt reeds en welke lidstaten verzetten zich hiertegen? Hoe gaathet kabinet actief coalities vormen met gelijkgezinde lidstaten om ditvoorstel te agenderen en door te voeren?20. Antwoord van het kabinet:Zoals bekend in uw Kamer heeft Nederland, naar aanleiding vanzorgen over de situatie in de Gazastrook en op de WestelijkeJordaanoever, het initiatief genomen om de Israëlische nalevingvan Artikel 2 van het EU-Israël Associatieakkoord te evalueren.De kabinetsinzet blijft er op gericht om voldoende steun tevergaren voor de door de EU voorgestelde maatregelen naaraanleiding van deze evaluatie en de aanhoudende verslechteringvan de situatie op de Westelijke Jordaanoever. Daarbij onder-streept het kabinet dat maatregelen tegen Israël zijn bedoeld om4Kamerstuk 21 501-02, nr. 3328Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 339512 de druk op te voeren zodat Israël van koers verandert, o.a. tenaanzien van de humanitaire situatie in de Gazastrook en desituatie op de Westelijke Jordaanoever. Het kabinet spreekthierover met EU-lidstaten om het draagvlak voor deEU-maatregelen te vergroten en staat daarvoor in contact metzowel gelijkgezinde lidstaten als lidstaten die aanname vanEU-maatregelen nog niet steunen. Over de standpunten vanindividuele EU-lidstaten doet het kabinet geen uitspraken.Op welke wijze zet het kabinet zich in voor gerichte EU-sancties tegenIsraëlische Ministers, waaronder Ben Gvir en Smotrich, gezien hun rol bijhet aanzetten tot geweld en uitbreiding van nederzettingen?21. Antwoord van het kabinet:Zoals bekend in uw Kamer steunt het kabinet de voorstellen voorEuropese sancties tegen extremistische Israëlische Ministers. Ditomdat zij uit hoofde van hun functie als bewindspersoon herhaal-delijk geweld door kolonisten tegen de Palestijnse bevolkinghebben aangewakkerd, zij voortdurend de uitbreiding vanillegale nederzettingen bepleiten en oproepen tot etnischezuivering in de Gazastrook. In de Raad bestaat vooralsnog geenunanimiteit voor een dergelijke stap. Nederland blijft zichhiervoor inzetten en heeft bij het uitblijven van unanimiteitbinnen de EU de Israëlische Ministers Smotrich en Ben-Gvir totpersona non grata verklaard en hen als ongewenste vreemde-lingen in het Schengen Informatie Systeem (SIS) geregistreerd.Deze ongewenstverklaring en SIS-registratie waren uitzonderlijkestappen en de onderliggende motivering gold ten aanzien van despecifieke situatie van deze twee Ministers en de toen aanwezigeomstandigheden.De leden van de DENK-fractie maken zich ernstige zorgen over hetvoortdurende geweld van Israëlische kolonisten en de uitbreiding vanillegale nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever. Zij hebbenhierover de volgende aanvullende vragen. Is het kabinet bereid om inEU-verband te pleiten voor een uitbreiding van het bestaande sanctie-regime tegen gewelddadige kolonisten naar bredere groepen betrokkenen(financiers, organisaties, politieke aansturing) en voor structurele sanctiesin plaats van incidentele listings?22. Antwoord van het kabinet:Zoals bekend in uw Kamer zet Nederland zich in voor de aannamevan het derde sanctiepakket tegen gewelddadige kolonisten enorganisaties. Daarnaast heeft Nederland tijdens de Raad Buiten-landse Zaken van april jl. aangekondigd te werken aan een vierdepakket sancties, in lijn met de moties Van Lanschot/Van derWerf5, Hirsch6 en van Baarle.7 Deze inzet is gericht op het verderverhogen van de druk op betrokkenen die zorgen voor verdereverslechtering van de situatie op de Westelijke Jordaanoever. Ditis onderdeel van een voortdurende aanpak van het kabinet,waarbij pakketten van individuele listings van personen enorganisaties onderdeel uitmaken van een bredere diplomatiekeinzet, bestaande uit meerdere instrumenten.5Kamerstuk 23 432, nr. 7426Kamerstuk 21 501-02, nr. 30487Kamerstuk 21 501-02, nr. 3378Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 339513 Is het kabinet bereid te pleiten voor een EU-breed verbod op producten uitillegale nederzettingen, inclusief een importverbod (in plaats van enkeletikettering), handhaving en controlemechanismen op EU-niveau?23. Antwoord van het kabinet:Parallel aan de inzet voor nationale maatregelen om productenuit de onrechtmatige nederzettingen in de door Israël bezettegebieden te weren van de Nederlandse markt, blijft het kabinetzich in EU-verband inspannen om het draagvlak voor maatregelenin EU-verband te vergroten. Bij voldoende steun kunnen maatre-gelen op het gebied van handel daarvan deel uitmaken.EU-maatregelen hebben de voorkeur van het kabinet, omdat deimpact daarvan groter is en zij daarmee effectiever zijn dannationale maatregelen. De benodigde meerderheid in EU-verbandblijft hiervoor vooralsnog echter uit.Is het kabinet bereid om te pleiten voor het opschorten van samenwerkingmet Israëlische entiteiten die actief zijn in nederzettingen, waaronderdeelname aan EU-programma’s (zoals Horizon Europe), onderzoeks- eninnovatiepartnerschappen?24. Antwoord van het kabinet:Het kabinet blijft zich in EU-verband inspannen om het draagvlakvoor EU-maatregelen gericht tegen de onrechtmatige nederzet-tingen te vergroten. De inzet van het kabinet is er verder zoalsbekend in uw Kamer op gericht om steun te vergaren voor dedoor de Commissie voorgestelde EU-maatregelen die al op tafelliggen. Het kabinet blijft steeds bezien welke andere stappenkunnen bijdragen aan een verbetering van de situatie op degrond.Op welke wijze zet het kabinet zich in voor een EU-brede aanpak tegenbedrijven die bijdragen aan de bezetting?25. Antwoord van het kabinet:Het kabinet blijft zich in EU-verband inspannen om het draagvlakvoor EU-maatregelen gericht tegen de onrechtmatige nederzet-tingen te vergroten. Bij voldoende steun kunnen maatregelen ophet gebied van handel daarvan deel uitmaken. Het kabinetverkent ook, in lijn met de motie Van Baarle,8 de mogelijkhedenom deze inzet mee te nemen in het vierde pakket aan EU-sanctiesonder het mensenrechtensanctieregime. EU-maatregelen hebbende voorkeur van het kabinet, omdat de impact daarvan groter isen zij daarmee effectiever zijn dan nationale maatregelen. Debenodigde meerderheid in EU-verband blijft hiervoor vooralsnogechter uit. Zie ook het antwoord op vraag 23.De leden van de DENK-fractie vragen tevens naar verdere mogelijkemaatregelen op EU-niveau. Is het kabinet bereid te pleiten voor eenEU-wapenembargo tegen Israël, gezien de aanhoudende schendingen vanhet internationaal humanitair recht? Is het kabinet bereid te pleiten vooropschorting van militaire samenwerking en exportvergunningen opEU-niveau?26. Antwoord van het kabinet:8Kamerstuk 21 501-20, nr. 2386Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 339514 Elke vorm van defensiesamenwerking met Israël wordtzorgvuldig en afzonderlijk afgewogen. Vanwege de huidigeontwikkelingen en de zorgen die het kabinet heeft over hetmilitaire optreden van de Israëlische regering in Gaza leidt dezeweging in de praktijk tot minimale samenwerking, beperkt totmaterieel. Israëlische bedrijven leveren diverse essentiëlemilitaire systemen of onderdelen hiervan waarvoor geen, mindergeschikte of geen tijdige alternatieven beschikbaar zijn. Hetstopzetten van de bestaande samenwerking met Israëlischebedrijven heeft daarom grote gevolgen voor de slagkracht en hetvoortzettingsvermogen van de krijgsmacht, alsmede voor deveiligheid van onze militairen. Eventuele nieuwe materieel-aankoop uit Israël wordt reeds per geval zorgvuldig gewogen,waarbij het Ministerie van Defensie onderzoekt of het materieelessentieel is voor de gereedstelling van de krijgsmacht, of ergeschikte alternatieven zijn en of deze alternatieven tijdigleverbaar zijn. Hiermee geeft Defensie tevens invulling aan demotie van het lid Teunissen9 om de afhankelijkheid van deIsraëlische wapenindustrie af te bouwen.Het kabinet is van mening dat het staande exportcontrolebeleidvolstaat om ongewenste transacties te voorkomen. Wat betreftde uitvoer van militaire goederen worden alle individuelevergunningaanvragen voor de uitvoer van militaire goederen pergeval zorgvuldig getoetst aan de daarvoor geldende wapenex-portcontrolekaders (het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzakewapenexportcontrole en het Wapenhandelsverdrag), zo ook voorIsraël. Daarbij geldt dat een vergunningaanvraag wordtafgewezen indien er een duidelijk risico wordt geconstateerd datmilitaire goederen kunnen bijdragen aan ernstige schendingenvan de mensenrechten of het humanitair oorlogsrecht.Gezien de situatie in de Gazastrook en op de Westelijke Jordaan-oever, verleent Nederland op dit moment geen vergunningen voorde uitvoer van militaire goederen die kunnen bijdragen aan deactiviteiten van de Israëlische krijgsmacht in de Gazastrook of opde Westelijke Jordaanoever vanwege het risico op ongewensteindgebruik. Binnen de bestaande kaders is er wel ruimte voor deuitvoer van militaire goederen die enkel voor zelfverdedigings-doeleinden kunnen worden gebruikt, zoals onderdelen voor hetIron Dome-luchtafweersysteem. Een wapenembargo zou ookeffect hebben op de levering van deze goederen.Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractieDe leden van de SP-fractie willen de aandacht vestigen op de genocide inSoedan. Deze leden zien dat de oorlogsmisdaden zich blijven voortzetten,waarbij seksueel geweld wordt ingezet als oorlogsmiddel, zoals aange-toond in het rapport van Artsen Zonder Grenzen van 31 maart. Het kabinetgeeft aan, naar aanleiding van het rapport, een extra vrijwillige bijdragevan 6 miljoen euro toe te voegen aan het Internationaal Strafhof terversterking van algemene onderzoekscapaciteit van het Hof. Kan hetkabinet toelichten hoe dit geld specifiek wordt ingezet om het seksueelgeweld in kaart te brengen en individuen te vervolgen?27. Antwoord van het kabinet:9Kamerstuk 22 054, nr. 478Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 339515 Nederland steunt het Internationaal Strafhof onder andere metvrijwillige bijdragen, waaronder in de afgelopen jaren EUR6 miljoen voor de versterking van de onderzoekscapaciteit vanhet Hof. Een deel daarvan is ook ten goede gekomen aan hetversterken van de capaciteit voor onderzoek naar conflict-gerelateerd seksueel geweld. Het is aan het Hof om dezemiddelen in te zetten naar gelang de behoeften. Nederlandrespecteert deze onafhankelijkheid van het Hof. Inmenging in debesteding van deze middelen is, gelet op die onafhankelijkheid,niet mogelijk en niet aan de orde.Naast de vrijwillige bijdragen aan het Internationaal Strafhof,steunt Nederland ook het landenkantoor van de VN-HogeCommissaris voor de Mensenrechten (OHCHR) in Soedan met EUR2 mln. Het landenkantoor documenteert, monitort en rapporteertover de mensenrechtensituatie in Soedan, en brengt ook hetconflict-gerelateerd seksueel geweld in deze context in kaart.Afgelopen maand is het rapport van de Fact Finding Mission van deVerenigde Naties (VN) over Soedan gepubliceerd. Daarin wordt zeerduidelijk beschreven dat er genocidale stappen worden gezet in Soedan,specifiek door de Rapid Support Forces (RSF) bij de belegering vanEl-Fasher. Wat is de reflectie van het kabinet op dit rapport?28. Antwoord van het kabinet:Het kabinet heeft kennisgenomen van het rapport van de FactFinding Mission genaamd «Sudan: Hallmarks of Genocide inEl-Fasher» en heeft als reactie hierop op 26 februari jl. eengezamenlijk statement gepubliceerd met de leden van de Soedankerngroep in de Mensenrechtenraad, bestaande uit het VerenigdKoninkrijk, Duitsland, Noorwegen, Ierland en Nederland.Hoe wordt de accountability, waar het rapport toe oproept, concreetgemaakt?29. Antwoord van het kabinet:Het is aan een (internationale) rechter om schendingen eninternationale misdrijven vast te stellen, om daaropvolgenddaders van deze schendingen te bestraffen en te berechten. HetInternationaal Strafhof doet reeds actief onderzoek naar desituatie in El-Fasher, waarbij bewijsmateriaal van deze misdrijvenwordt verzameld ten behoeve van toekomstige vervolging.Nederland respecteert de onafhankelijkheid van het Hof, enmengt zich daarom niet in de inhoudelijke beoordeling van defeiten die nog worden onderzocht. Wel steunt Nederland hetInternationaal Strafhof zodat gedegen en onafhankelijkonderzoek naar vermeende schendingen kan worden voortgezet(zie het antwoord op vraag 27). Daarnaast zet Nederland zich alslid van de kerngroep Soedan in de Mensenrechtenraad in voor hetmandaat van de Independent International Fact Finding Missionfor the Sudan, zodat onderzoek naar mensenrechtenschendingenen schendingen van het humanitair oorlogsrecht wordt voort-gezet. Deze Soedan kerngroep heeft in februari de Coalition forAtrocity Prevention in Sudan opgericht, zoals vermeld in hetgezamenlijke statement van 26 februari jl. als reactie op hetrapport van de Fact Finding Mission genaamd «Sudan: Hallmarksof Genocide in El-Fasher».Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 339516 De leden van de SP-fractie zien dat een staakt-het-vuren in Soedanuitblijft, ondanks inspanningen van Nederland en Europa. Ook op deconferentie in Berlijn zijn er geen nieuwe stappen gezet voor eenvredesbestand. Welke vervolgstappen is dit kabinet bereid te nemen omde druk op de strijdende partijen op te voeren om te komen tot eenstaakt-het-vuren, zodat deze bloederige oorlog na drie jaar stopt?30. Antwoord van het kabinet:Het kabinet deelt de zorgen over het voortduren van het geweldin Soedan en blijft zich inzetten voor een einde aan het conflict.Hoewel de Berlijn conferentie niet heeft geleid tot een onmid-dellijk staakt-het-vuren hebben de belangrijkste betrokkenpartijen waaronder de co-hosts van conferentie, de leden van deQuad (VS, Saoedi-Arabië, VAE, Egypte), landen uit de regio envertegenwoordigers van het Quintet (VN, EU, LAS, IGAD, AU) op30 april jl. de Berlin Principles for Sudan aangenomen waarinwordt opgeroepen tot een onmiddellijke wapenstilstand,bescherming van burgers, berechting van verantwoordelijkenvoor oorlogsmisdaden en het stoppen van externe steun aan destrijdende partijen.Naast o.a. de EU Raadsconclusies voor Soedan vormt ditdocument een uitgangspunt voor de verdere inzet van het kabinetom de druk op de conflictpartijen op te voeren. In EU-verbandspeelt Nederland een aanjagende rol bij de vormgeving van dediplomatieke inzet richting Soedan en benadrukt Nederland bijalle betrokken partijen de noodzaak van een onmiddellijkstaakt-het-vuren. Verder zet Nederland zich in voor aanvullendeEU-sanctiemaatregelen tegen actoren en sectoren die het conflictvoeden.Afgelopen maand is er een motie-Dobbe aangenomen (Kamerstuk21 501-02, nr. 3373), die oproept om in de Raad Buitenlandse Zaken ennaar aanleiding van de conferentie in Berlijn te pleiten voor extramiddelen en steun voor Soedan. Heeft het kabinet hierop ingezet en wat isdaar uitgekomen?31. Antwoord van het kabinet:Tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 21 april jl. benadrukteNederland het belang van intensivering van humanitaire inspan-ningen in Soedan, in lijn met de motie van het lid Dobbe.10 Op dedag van de RBZ werd een EU-verklaring uitgebracht, waarin deEU de strijdende partijen opriep tot een staakt-het-vuren enexterne actoren opriep te stoppen met hun steun voor hetconflict. Ook benadrukte de EU het belang van ongehinderdehumanitaire toegang. Tijdens de conferentie in Berlijn werd voorEUR 1,5 miljard aan toezeggingen gedaan voor noodhulp,waarvan EUR 812 mln. door de EU en EU-lidstaten.Het kabinet geeft aan zich in te blijven zetten voor uitbreiding vanEU-sancties tegen entiteiten en individuen met betrokkenheid bij hetgewapend conflict en grove mensenrechtenschendingen. Kan de Ministeraangeven welke entiteiten en individuen het kabinet het liefst op deze lijstziet staan en of de Minister dit haalbaar acht?32. Antwoord van het kabinet:10Kamerstuk 21 501-02, nr. 3373Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 339517 Het kabinet blijft voorstander van het verder uitbreiden vansancties tegen entiteiten en individuen met betrokkenheid bij hetgewapende conflict en grove mensenrechtenschendingen. Hetkabinet pleitte tijdens de RBZ van 21 april jl. voor aanvullendesancties om de druk op de strijdende partijen op te voeren en omde oorlogseconomie in te perken. Wegens de vertrouwelijke aardvan onderhandelingen en het belang van het verrassingseffectvan sancties, kan het kabinet niet ingaan op de status vanspecifieke aanvullende sancties.De Verenigde Arabische Emiraten (VAE) spelen een belangrijke rol in dewapenstromen richting Soedan. Meerdere moties hebben opgeroepen tothet stoppen van wapenstromen vanuit de VAE richting Soedan. Toch blijftde VAE een bondgenoot en handelspartner, zowel voor Nederland als deEU. Hoe rijmt het kabinet deze positie met het handelen van de VAE inSoedan, en eerder in Yemen?33. Antwoord van het kabinet:Nederland onderhoudt een brede bilaterale relatie met de VAE,een belangrijke partner voor Nederland en de EU. Binnen dezerelatie spreekt het kabinet op politiek en hoogambtelijk niveaumet de VAE over de situatie in de regio en regionale stabiliteit,waaronder ook de crises in Soedan en Jemen. Daarbij zetNederland in op constructief engagement met de VAE waarbijaandacht wordt besteedt aan de humanitaire situatie, degevolgen van de oorlog voor Soedan, de regio en de EU, en overwapenleveranties van derde partijen aan de strijdende partijen.Op het gebied van wapenexportcontrole, toetst Nederland alleaanvragen voor de uitvoer van militaire goederen en dual-usegoederen met militair eindgebruik zorgvuldig en per geval aan decriteria van het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapen-exportcontrole en het Wapenhandelsverdrag, waarbij duidelijkerisico’s op ernstige schendingen van mensenrechten of hethumanitair oorlogsrecht tot een afwijzing leiden. Daarbij is erspecifiek aandacht voor het risico op omleidingsrisico naarongewenste eindgebruikers. Dit geldt ook voor het omleidings-risico naar Soedan en Jemen.Nederland is solidair met de Golfstaten, waaronder de VAE, diedirect doelwit zijn van Iraanse aanvallen. Met inachtneming vande zorgvuldige wapenexportcontroletoets aan het EuropeesGemeenschappelijk Standpunt inzake Wapenexport heeft hetkabinet tevens oog voor de legitieme veiligheidsbehoefte vandeze landen gedurende de crisis. Binnen dat kader verkennen wijde mogelijkheden voor gerichte bijdragen.De VAE moet het internationaal recht volgen, maar doet dat duidelijk niet.Als er niks verandert aan de inzet van de VAE, is het kabinet dan bereidom zich publiekelijk uit te spreken?34. Antwoord van het kabinet:Het kabinet verwacht van alle landen, waaronder de VAE, dat zijhet internationaal recht naleven. Nederland spreekt landen hieropaan, zowel bilateraal als in EU-verband. Het kabinet maakt steedseen zorgvuldige afweging welke inzet en welke kanalen hetmeest effectief zijn om naleving van het internationaal recht tebevorderen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 339518 Kan de Minister ook reflecteren op het rapport11 van Clingendael vanafgelopen zomer waarin duidelijk wordt aangegeven dat er geenstrategische afhankelijkheid is voor EU, en dus ook Nederland, om zichniet harder en openlijker uit te spreken tegen de VAE. Het kabinet geeftaan dat bij alle vergunningsaanvragen voor de uitvoer van militairegoederen en dual-use goederen met militair eindgebruik per geval enzorgvuldig wordt getoetst, waarbij wordt gekeken naar het omleidings-risico naar Soedan. Volgens het kabinet voldoet het staande beleid engeeft het invulling aan de motie-Van Baarle/Dobbe (Kamerstuk 22 054,nr. 470) en de motie-Dobbe c.s. (Kamerstuk 22 054, nr. 474). In een artikel12van Follow the Money van 2 maart 2026 over de wapenexportvergun-ningen vanuit Nederland naar de VAE staat echter duidelijk dat, ondanksde risico’s, er nog steeds wapenexportvergunningen zijn verleend. Dehuidige maatstaven voldoen dus niet of het kabinet heeft daar lak aan.Hoe gaat de Minister opvolging geven aan de genoemde twee moties,zodat dit niet nogmaals gebeurt?35. Antwoord van het kabinet:Het kabinet toetst alle vergunningaanvragen voor de uitvoer vanmilitaire goederen en dual-use goederen met militair eindgebruikper geval en zorgvuldig. Daarbij is specifieke aandacht voor hetomleidingsrisico naar Soedan. Als een duidelijk risico bestaat opongewenst eindgebruik, zoals een bijdrage aan ernstige mensen-rechtenschendingen of omleiding, dan wordt een vergunningaan-vraag afgewezen. Uw Kamer is op 31 maart jl.13 geïnformeerdover de invulling van de twee genoemde moties. Voor de beant-woording van vragen naar aanleiding van het artikel van Followthe Money verwijs ik graag naar de beantwoording van deschriftelijke vragen hierover op 21 april jl.14Nederland is solidair met de Golfstaten, waaronder de VAE, diedirect doelwit zijn van Iraanse aanvallen. Met inachtneming vande zorgvuldige wapenexportcontroletoets aan het EuropeesGemeenschappelijk Standpunt inzake Wapenexport heeft hetkabinet tevens oog voor de legitieme veiligheidsbehoefte vandeze landen gedurende de crisis. Binnen dat kader verkennen wijde mogelijkheden voor gerichte bijdragen.In het rapport «Hulp onder vuur: bescherming van hulpverleners inconflictsituaties»15 van de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV)en de Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken(CAVV) wordt nogmaals bevestigd hoe belangrijk het is om als interna-tionale gemeenschap hulpverleners, naast burgers, te beschermen binnende humanitaire ruimte. Het kabinet onderschrijft dit belang. Op welkemanier, naast de hiervoor al aangegeven monitoring, zet het kabinet zichin voor bescherming van hulpverleners in Soedan?36. Antwoord van het kabinet:11Policy brief «A critical friendship needs no courtship: Alignments and misalignments inEU-UAE relations», Clingendael, 2 juni 2025, A critical friendship needs no courtship:Alignments and misalignments in EU-UAE relations | Clingendael12Kabinet overtrad beperking wapenexport die schending mensenrechten moest voorkomen –Follow the Money – Platform voor onderzoeksjournalistiek13Kamerstuk 29 237, nr. 257142026D1930415Hulp onder vuur: bescherming van hulpverleners in conflictsituaties | Adviesraad Interna-tionale VraagstukkenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 339519 Nederland hecht veel waarde aan het ondersteunen van deveiligheid van hulpverleners en brengt het belang van dit themaop in diplomatieke contacten. Hulpverleners in Soedan lopeniedere dag gevaar bij het uitoefenen van hun cruciale werk. Bij derecente Soedan conferentie in Berlijn heeft Nederland daaromspecifiek aandacht gevraagd voor de veiligheid van hulpver-leners, waaronder van gemeenschapsorganisaties zoals deEmergency Response Rooms.Nederland is in voortdurende dialoog met humanitaire partners,zoals de VN, de Rode Kruis- en Halve Maanbeweging en de DutchRelief Alliance, over de omstandigheden waarin hulpverlenersmoeten werken, en over manieren waarop hun toegang totmensen in nood zo goed mogelijk kan worden ondersteund. Hetis essentieel dat hier voortdurend, en expliciet, aandacht aanwordt geschonken door alle organisaties die betrokken zijn bij dehulpprogramma’s, en dus niet alleen door de (lokale) implemente-rende hulporganisaties. Nederland blijft financiering vrijmakenvoor ondersteunende organisaties, zoals INSO en HumanitarianOutcomes, die onder andere zorg dragen voor het aanleveren vanactuele veiligheidsinformatie aan hulporganisaties en UNHAS diehumanitaire vluchten verzorgt waardoor hulpverleners opbepaalde trajecten veilig kunnen reizen.Tenslotte denkt Nederland mee over manieren om een mogelijkstaakt-het vuren in Soedan te handhaven en te monitoren.Effectieve monitoring van een staakt-het-vuren helpt met hetverkleinen van de kans dat het geweld weer oplaait, waarondertegen hulpverleners.Kan de Minister reflecteren op de verschillende stappen die het rapportbeschrijft inzake escaleren in diplomatieke middelen?37. Antwoord van het kabinet:Het kabinet zet politieke en diplomatieke middelen in – bilateraal,in EU- en VN-verband – om de strijdende partijen op te roepen hethumanitair oorlogsrecht na te leven. Nederland spreekt zich, viadezelfde kanalen, ook uit wanneer hulpverleners worden gewondof gedood. Daarnaast faciliteert Nederland het werk vanonderzoeks- en monitoringsmechanismen, waaronder hetlandenkantoor van de VN-Hoge Commissaris voor de Mensen-rechten (OHCHR) en de Independent International Fact FindingMission for the Sudan. In reactie op het recente rapport van dezemissie, «Sudan: Hallmarks of Genocide in El-Fasher», is deoprichting van de Coalition for Atrocity Prevention in Sudanaangekondigd. Verder blijft het kabinet zich inzetten voor verdereuitbreiding van sancties tegen entiteiten en individuen metbetrokkenheid bij het gewapende conflict en grove mensenrech-tenschendingen, zoals bijvoorbeeld bij de RBZ van 21 april jl. Zieook de beantwoording van vragen 27, 29 en 36.Op welke manier is het kabinet in gesprek met (lokale) hulpverleners inSoedan en komt het tegemoet aan hun noden?38. Antwoord van het kabinet:Nederland levert humanitaire hulp in Soedan via de verschillendeVN-organisaties en door de VN beheerde fondsen, evenals via deRode Kruis- en Halve Maanbeweging en de Dutch Relief Alliance.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 339520 Deze organisaties werken met en via lokale hulpverleners enorganisaties waaronder de Emergency Response Rooms.Nederland onderhoudt nauw contact met de genoemde humani-taire partners, en is via hen ook in dialoog met hulpverleners. Ditcontact geschiedt zowel vanuit Den Haag als vanuit deambassade in Nairobi. Er vinden bijvoorbeeld regelmatigbezoeken aan Soedan plaats samen met onze humanitairepartners, waarbij ook direct contact wordt gezocht met lokalehulpverleners en de gemeenschappen die zij helpen. Deze dialoogdient ter uitwisseling van informatie, onder meer over deuitdagingen waar (lokale) hulpverleners zich in Soedan voorgesteld zien, en help Nederland om onze partnerschappen, enonze diplomatieke inzet, zo in te richten dat onze humanitairepartners en lokale hulpverleners het beste worden ondersteund.Het is evident dat de Nederlandse manier van financieren, metveel flexibiliteit voor hulporganisaties zodat zij wendbaar zijn enkunnen reageren op de meest urgente noden, bijdraagt aan deeffectiviteit en efficiëntie van de humanitaire respons.Bij de uitvoering van de motie-Dobbe c.s. (Kamerstuk 29 237, nr. 242)geeft de Minister aan dat hulporganisaties al bescherming van hulpver-leners, waaronder psychosociale hulp, hebben opgenomen. De leden vande SP-fractie zien echter dat hulporganisaties zwaar ondergefinancierdzijn en dat vanwege veiligheidsoverwegingen maar weinig organisaties inSoedan aanwezig kunnen zijn. Hierdoor is de psychosociale beschermingminimaal, ondanks eerder genoemde implementatie van de hulporgani-saties. Is het kabinet bereid om een leidende rol te nemen binnen de VNom te zorgen dat de VN steviger aanwezig is in het conflictgebied vanSoedan, ook in door RSF gecontroleerde gebieden?39. Antwoord van het kabinet:Nederland maakt zich reeds sinds het uitbreken van de oorloghard voor duurzame terugkeer van de VN in de gebieden met deallerhoogste noden, waaronder in Darfoer en andere door RSFgecontroleerde gebieden. Dit blijkt een grote uitdaging, temeeromdat dit stuit op weerstand aan zowel de zijde van SAF als vanRSF zijde. Nederland onderhoudt nauw contact met de VN,waaronder de Humanitair Coördinator van de VN, over mogelijk-heden om de aanwezigheid van de VN in Soedan diplomatiek teondersteunen, en zal in EU-verband, evenals in diplomatiekecontacten met landen die invloed kunnen uitoefenen op destrijdende partijen, het belang van sterke aanwezigheid van deVN in heel Soedan blijven onderstrepen.Dan de situatie in Gaza. De leden van de SP-fractie hebben aanhoudendezorgen over de situatie van de Palestijnen. De Israëlische regering blijft, instrijd met humanitair oorlogsrecht, humanitaire hulp voor Gaza blokkeren.Wanneer gaat de Minister maatregelen nemen om de humanitairegrensovergang structureel te openen en hoe gaat hij ervoor zorgen datdeze niet opnieuw gesloten kan worden, zoals is afgesproken tijdens hetstaakt-het-vuren?40. Antwoord van het kabinet:Het kabinet maakt zich ernstige zorgen over de humanitairesituatie in de Gazastrook.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 339521 Nederland blijft onderstrepen dat veilige, ongehinderde enonvoorwaardelijke humanitaire toegang cruciaal is. Nederlandblijft Israël hier consequent op aanspreken. Tevens onderstreepthet kabinet nadrukkelijk en consistent het belang van de nalevingvan de afspraken tussen Israël en Hamas over de eerste fase vanhet vredesplan, waaronder op het gebied van humanitaire hulp ende structurele opening van grensovergangen. Dat doet hetkabinet zowel in EU-verband als bilateraal in contact met Israël.Zoals bekend in uw Kamer heeft Nederland, naar aanleiding vanzorgen over de situatie in de Gazastrook en op de WestelijkeJordaanoever, het initiatief genomen om de Israëlische nalevingvan Artikel 2 van het EU-Israël Associatieakkoord te evalueren.De kabinetsinzet blijft er, mede voor het verbeteren van dehumanitaire situatie in de Gazastrook, op gericht om voldoendesteun te vergaren voor de door de EU voorgestelde maatregelennaar aanleiding van deze evaluatie en de aanhoudende verslech-tering van de situatie op de Westelijke Jordaanoever. Daarbijonderstreept het kabinet dat maatregelen tegen Israël zijnbedoeld om de druk op te voeren zodat Israël van koers verandertop de bovengenoemde kwesties.Ook zien we nog steeds dodelijke aanvallen van Israël op de Palestijnen,terwijl dit tegen het staakt-het-vuren in gaat. Non-gouvernementeleorganisaties (NGO’s) tellen tot nu toe meer dan 700 Palestijnse doden. Isde Minister bereid de Israëlische ambassadeur te ontbieden en publie-kelijk druk op Israël uit te oefenen?41. Antwoord van het kabinet:Het kabinet maakt zich ernstig zorgen over de humanitairesituatie in de Gazastrook en de burgerslachtoffers. Het kabinetbeziet steeds hoe het op een effectieve wijze kan bijdragen aanverbetering van de situatie ter plaatse en blijft zorgen consistentonderstrepen in bilaterale gesprekken met Israëli en in multila-teraal verband.Afgelopen maand is de motie-Dobbe c.s. (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3371)met betrekking tot het blocking statute aangenomen. Kan de Ministerinzage geven hoe hij aan deze motie uitvoering heeft gegeven in de RaadBuitenlandse Zaken?42. Antwoord van het kabinet:Het kabinet spreekt zich voortdurend uit ter verdediging van deonafhankelijkheid van het ICC. Het is aan de Europese Commissieom een voorstel te doen ter activering van de antiboycotveror-dening (het Blocking Statute). Dat vergt een zorgvuldigeafweging. Het kabinet pleit in lijn met motie-Dobbe c.s.16 bij deEuropese Commissie, de Raad en het Europees Parlement voorhet treffen van de noodzakelijke voorbereidingen om hetBlocking Statute zo snel mogelijk toe te passen zodra deCommissie een voorstel hiertoe heeft gedaan. Indien de VSnieuwe sancties afkondigen die het functioneren van het Hofnaar verwachting ernstig zullen belemmeren, dan zal het kabinetzich conform de moties in EU-verband hard maken voor hetdaadwerkelijk activeren van de antiboycotverordening.16Kamerstuk 21 501-02, nr. 3371Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 339522 Mocht de gehele Raad hiertoe nog niet gewillig zijn, is de Minister bereidom, dan wel als Nederland, dan wel met een coalition of the willing, alvooruitstrevende stappen te nemen om het blocking statute nationaal inte stellen?43. Antwoord van het kabinet:Het kabinet acht het met het oog op de effectiviteit en hetfunctioneren van de interne markt niet wenselijk om eennationale constructie te ontwikkelen. Het kabinet blijft daarominzetten op het Europese spoor.et kabDe leden van de SP-fractie zien dat de Sloveense Minister Fajon zichpubliekelijk heeft uitgesproken met betrekking tot het blocking statute. Isde Minister bereid om het Sloveense voorbeeld te volgen?44. Antwoord van het kabinet:Het is aan de Europese Commissie om een voorstel ter activeringvan de antiboycotverordening (het Blocking Statute) bij de Raaden het Europees Parlement in te dienen. Dat vergt een zorg-vuldige afweging ten aanzien van timing en voor- en nadelen vanhet instrument.Sinds de grootschalige genocide in Gaza door Israël zijn er al meer dan200 journalisten vermoord, een afgrijselijke oorlogsmisdaad waar door deinternationale gemeenschap niks aan wordt gedaan. Nu zien deze ledenook dat het Israëlische leger de verantwoordelijkheid van een aanvalbevestigt, namelijk die van 28 maart 2026 en 22 april 2026 in Libanon metvier dode journalisten tot gevolg. Journalisten zijn van cruciaal belangvoor de bewijsgaring van mensenrechtenschendingen, waar onderzoek enrapporten veelal op vertrouwen als bron, iets wat het kabinet ondersteunt.Wat is de inzet van het kabinet als het gaat om het beschermen van dejournalistieke vrijheid in oorlogsgebieden en hoe zorgt deze Ministerervoor dat het internationaal recht wordt gehandhaafd als het gaat om hetstraffeloos vermoorden van deze groep?45. Antwoord van het kabinet:Persvrijheid, en in ruimere zin veiligheid van journalisten envrijheid van meningsuiting, is en blijft één van de prioriteitenbinnen het Nederlandse mensenrechtenbeleid. Journalistenworden beschermd onder het humanitair oorlogsrecht en moetenhun belangrijke werk in conflictgebieden in veiligheid kunnenuitvoeren. Het kabinet onderstreept deze uitgangspunten enveroordeelt doelbewuste aanvallen op journalisten, overal terwereld en nadrukkelijk ook in het Midden-Oosten. Vermeendeinternationale misdrijven vragen in algemene zin om gedegen enonafhankelijk onderzoek, ook waar het journalisten betreft.Nederland vraagt ook al geruime tijd om meer internationaleaandacht voor de toenemende straffeloosheid voor geweld tegenjournalisten wereldwijd – onder andere in de context van deMedia Freedom Coalition. Bovendien blijft Nederland het belangvan persvrijheid en veiligheid van journalisten consistentonderstrepen tegenover Israël, zowel publiek als achter deschermen.Welke specifieke actie gaat dit kabinet ondernemen, dan wel nationaal danwel in de Media Freedom Coalition? Is de Minister bereid onafhankelijkonderzoek te starten, mogelijk in EU-verband, naar Israëls doelgerichteTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 339523 moord van 28 maart op journalisten, waartoe verschillende VN-expertsoproepen?46. Antwoord van het kabinet:Nederland spreekt zich structureel uit voor de bescherming vanjournalisten en spant zich in voor het vergroten van interna-tionale aandacht voor de toenemende straffeloosheid voorgeweld tegen journalisten wereldwijd. Zoals vermeld onder vraag11, dringt Nederland waar nodig en mogelijk aan op onderzoeknaar vermeende internationale misdrijven, ook in de context vanLibanon. In de context van de Media Freedom Coalition heeftNederland verschillende verklaringen ondersteund die zien op deveiligheid van journalisten, waaronder op World Press FreedomDay (3 mei jl.), het tegengaan van straffeloosheid (3 november jl.)en toegang tot Gaza (21 augustus jl.).Tot slot staan de leden van de SP-fractie stil bij de energiecrisis in Cuba.Sinds de blokkade van de Verenigde Staten met betrekking tot fossielebrandstoffen, bovenop de al bestaande sancties, heeft Cuba te maken meteen grote energiecrisis met grote gevolgen voor de leefbaarheid,gezondheid en veiligheid van de Cubaanse burgers. Is de Minister zichbewust van deze belasting van de Cubaanse bevolking?47. Antwoord van het kabinet:Ja. Er is al langere tijd sprake van een energiecrisis in Cuba. Ookin 2025 werd het land veelvuldig geplaagd door langdurigeperiodes van stroomuitval, onder meer door achterstalligonderhoud aan energiecentrales. Momenteel is sprake van eenzich verder verdiepende crisis, die de Cubaanse bevolking hardraakt. De EU kende daarom voor 2026 een bedrag van EUR 4 mln.toe aan humanitaire hulp. Dit is in april met EUR 2 mln. verhoogdtot EUR 6 mln.Op welke manier wordt er, bilateraal dan wel in EU-verband, gesprokenmet de Amerikaanse regering over Cuba?48. Antwoord van het kabinet:Nederland spreekt regelmatig met de Amerikaanse overheid overhet Westelijk Halfrond, waaronder Cuba, op verschillendeniveaus. De Nederlandse ambassadeur op Cuba spreekt samenmet andere ambassadeurs van EU-lidstaten regelmatig met zijnAmerikaanse counterpart.Is dit onderwerp van bespreking tussen premier Jetten en presidentTrump?49. Antwoord van het kabinet:Op dit moment is de energiecrisis in Cuba geen onderwerp vangesprek tussen Minister-President Jetten en president Trump.De leden van de SP-fractie verzoeken de Minister om alle vragen in dezeinbreng afzonderlijk te beantwoorden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 339524 II Volledige agenda –de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken van 28 april 2026 overde Geannoteerde agenda voor de Raad Buitenlandse Zaken van 11 mei2026 (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3389);–de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken van 17 april 2026 overde Nederlandse inzet tijdens de Toetsingsconferentie van het Non-Proliferatieverdrag (NPV) 2026 op het terrein van nucleair ontwape-ning, non-proliferatie en het vreedzaam gebruik van nucleairetechnologie (Kamerstuk 33 783, nr. 53);–de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken van 10 april 2026 overde Nederlandse diplomatieke presentie in Venezuela (Kamerstuk29 653, nr. 92).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 339525

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · d6984cb441b2356a

14 okt 2026 · 9e81b6ad8048ec90

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.