KamerkringInloggen
Kamerbrief

Reactie op de moties en toezeggingen, naar aanleiding van het commissiedebat zzp van 12 september 2024 en het tweeminutendebat van 25 september 2024

8 nov 2024 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 195ded611602282d · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202531 311Zelfstandig ondernemerschapNr. 277 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN ENWERKGELEGENHEID Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 8 november 2024Met deze brief informeer ik uw Kamer, mede namens de Staatssecretarisvan Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst, over de invulling van devolgende moties en toezeggingen zoals vastgelegd tijdens het commissie-debat zzp (12 september 2024) en het daaropvolgende tweeminutendebat(25 september 2024).Daarnaast treft uw Kamer als bijlage bij deze brief de uitvoeringstoets ophet opheffen van het handhavingsmoratorium van de Belastingdienst aan.In deze brief wordt een korte toelichting op deze uitvoeringstoetsgegeven.Toezegging over pensioenfondsen en sociale zekerheidTijdens het commissiedebat zzp heeft het lid Aartsen verzocht om in eenbrief nader in te gaan op de gevolgen van het innen van premies doorpensioenfondsen bij werkgevers in geval van schijnzelfstandigheid en hierook de gevolgen met betrekking tot de sociale zekerheid in mee tenemen.1Het is belangrijk dat werk plaatsvindt onder de wettelijke voorwaarden diedaarbij horen. In te veel gevallen gebeurt dat nu niet en laten opdracht-gevers werk verrichten door zelfstandig werkenden, terwijl in juridischezin sprake is van werknemerschap op basis van een arbeidsovereenkomst.Aan schijnzelfstandigheid zitten echter belangrijke risico’s verbonden,onder andere op het gebied van pensioenen en de sociale zekerheid. Indeze paragraaf informeer ik uw Kamer over de gevolgen van schijnzelf-standigheid voor de pensioenopbouw en premie-inning. Daarbij ga ikeerst in op pensioenopbouw door schijnzelfstandigen in de context vanhet principe «geen premie, wel recht» en vervolgens op de gevolgenhiervan voor het pensioenfonds, werkgever en werkende. Als laatste1TZ202409–033, Kamerstukken II 2024/25, 31 311, nr. 276. kst-31311-277ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 311, nr. 2771 schets ik welke oplossingsrichtingen ik zie om dit probleem op te lossen.In de volgende paragraaf komen de gevolgen voor de sociale zekerheidaan de orde.Geen premie, wel recht en pensioen bij schijnzelfstandigheidVoor verplichtgestelde pensioenfondsen geldt het beginsel «geen premie,wel recht». Dit beginsel zorgt ervoor dat zij die onder de verplichtstellingvallen moeten worden aangemeld als deelnemer en dat zij zich geenzorgen hoeven te maken bij iedere salarisbetaling of hun werkgever ookde verschuldigde pensioenpremie afdraagt.2 Wanneer na een jarenlangdienstverband blijkt dat hier iets fout is gegaan, kunnen zij erop rekenendat dit geen invloed heeft op hun pensioenaanspraken.3Dit solidariteitsprincipe functioneert effectief om individuele werknemerste beschermen tegen de financiële gevolgen van nalatige werkgevers engeldt als één van de solidariteitskenmerken in het pensioenstelsel.4Hoewel pensioenfondsen vergaande bevoegdheden hebben om premiesbij werkgevers te innen, blijft er wel een risico voor de premie-inning.Wanneer een pensioenfonds de achterstallige premies niet op eenwerkgever kan verhalen, bijvoorbeeld door faillissement, komen definanciële gevolgen voor het toekennen van pensioenaansprakenuiteindelijk ten laste van het fondscollectief.Dit solidariteitsprincipe speelt ook bij schijnzelfstandigheid. Wanneer bijeen werkrelatie blijkt dat er geen sprake was van een opdrachtgever-opdrachtnemersrelatie maar een verhouding werkgever-werknemer,brengt dit met zich mee dat vanaf de aanvang van de werkzaamheden dewerkende werknemer is geweest.5 Vanuit het principe «geen premie, welrecht» volgt daarom ook dat de werkende, bij toepasselijkheid van eenverplichtgestelde pensioenregeling, vanaf het moment van aanvang vande werkzaamheden pensioenaanspraken heeft opgebouwd. Dat hetpensioenfonds in de periode van schijnzelfstandigheid nog niet bekendwas met de werkende, is niet relevant voor de opbouw van pensioenaan-spraken.6Verplichtstelling en eigendomsrechtEen verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds is in beginsel monopolistwat betreft de uitvoering van de bedrijfstakpensioenregeling.7 Dezeinbreuk op het mededingingsrecht is onder andere gerechtvaardigdvanwege de solidaire voorwaarden van de pensioenregeling. Eén van diesolidariteitskenmerken is zoals hierboven al aangegeven «geen premie,wel recht».8 Geen navolging geven aan deze risicodeling zou afbreukdoen aan de solidariteit van het pensioenstelsel.Aanspraak op pensioen geldt vanaf het moment dat er arbeid wordtverricht waar pensioenopbouw als arbeidsvoorwaarde geldt. Wanneer2Handelingen II 2006/07, nr. 3, p. 108.3Zoals recentelijk nog bij wanbetaling van pensioenpremies door het faillissement vanelektronicaketen BCC.4HvJ EU 21 september 1999, ECLI:EU:C:1999:430 (Albany), HvJ EU 21 september 1999,ECLI:EU:C:1999:434 (Brentjens), HvJ EU 21 september 1999, ECLI:EU:C:1999:437 (DrijvendeBokken).5Uitgaande van een constante situatie gedurende de arbeidsverhouding.6HR 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT8462.7Asser/Lutjens 7-XI 2023/342.8HvJ EU 21 september 1999, ECLI:EU:C:1999:430 (Albany), HvJ EU 21 september 1999,ECLI:EU:C:1999:434 (Brentjens), HvJ EU 21 september 1999, ECLI:EU:C:1999:437 (DrijvendeBokken).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 311, nr. 2772 deze rechten al blijken te bestaan, kunnen zij, in het licht van debescherming van het eigendomsrecht, niet zonder meer met terugwer-kende kracht worden beperkt dan wel worden geclausuleerd doorbijvoorbeeld een verjaringstermijn.Grenzen aan geen premie, wel rechtHet recht op pensioen in geval van schijnzelfstandigheid is overigens nietonbegrensd. In de wetsgeschiedenis bij de Pensioenwet is al overwogendat in gevallen van onder andere boze opzet bij werkgever en werkendevan het principe «geen premie, wel recht» afgeweken kan worden.9 Ditzou in de context van schijnzelfstandigheid het geval kunnen zijn alspartijen opzettelijk en langdurig de arbeidsrelatie verkeerd kwalificeren.Het is aan het pensioenfonds om in de specifieke omstandigheden van hetgeval gemotiveerd te bepalen dat geen pensioenaanspraken of -rechtenworden toegekend zolang er geen premiebetaling heeft plaatsgevonden.10Daarnaast is van belang dat een schijnzelfstandige in een procedure tegenhet pensioenfonds een arbeidsovereenkomst dient aan te tonen.Schijnzelfstandigheid en handhavingsmoratoriumDe opheffing van het handhavingsmoratorium leidt ertoe dat de Belas-tingdienst vanaf 1 januari 2025 weer volledig kan handhaven op dekwalificatie van arbeidsrelaties. Dit betekent dat bedrijven en organisatiesdie mensen als zzp’er inhuren voor werk dat zij niet zelfstandig uitvoeren,weer met terugwerkende kracht correctieverplichtingen, naheffingsaan-slagen loonheffingen en boetes kunnen krijgen.11 Met betrekking tot deperiode vóór 1 januari 2025 geldt dat Belastingdienst – met inachtnemingvan de vijfjaarstermijn – alleen correcties kan opleggen indien sprake isvan kwaadwillendheid of als een eerder gegeven aanwijzing niet involdoende mate is opgevolgd. In die gevallen kan er worden gecorrigeerden nageheven tot het moment waarop sprake was van kwaadwillendheidmet een maximum van vijf jaren dan wel tot het moment dat de Belasting-dienst de aanwijzing heeft gegeven. De verwachting is dat vanwege depubliciteit rondom de opheffing van het handhavingsmoratorium veelwerkgevers en werkenden hun afspraken tegen het licht zullen houden enwaar nodig in overeenstemming zullen brengen met de wettelijke kaders.Dit is noodzakelijk, ook om het hier geconstateerde probleem vanschijnzelfstandigheid te verminderen.Voor in het verleden opgebouwde pensioenaanspraken ligt dit meercomplex: pensioenfondsen zullen op basis van eigen informatie,informatie via de loonaangifteketen, de werkgevers en/of de werkende inkaart moeten brengen welke rechten zijn opgebouwd, en de hiervoorverschuldigde premie vervolgens moeten verhalen bij de betreffendewerkgever.In dit kader is het belangrijk om te benadrukken dat het handhavingsmo-ratorium geen opschorting van de wettelijke verplichtingen met zichmeebracht. Werkgevers zijn gedurende het moratorium bijvoorbeeldsteeds wettelijk verplicht geweest om alle werknemers aan te sluiten bijeen pensioenfonds en premie af te dragen. Ook voor de schijnzelfstan-digen die zij inschakelden. De instelling en de opheffing van het handha-9Kamerstukken II 2005/06, 30 413, nr. 3, p. 63.10Kamerstukken II 2005/06, 30 413, nr. 24, p. 25.11Voor de boetes geldt een overgangsperiode van 1 jaar. Aan partijen die aantoonbaar actief aande slag zijn met de juiste beoordeling van de arbeidsrelatie en in overeenstemming daarmeehandelen worden over het jaar 2025 geen vergrijpboetes opgelegd bij correcties die zien op debeoordeling van de arbeidsrelatie. Dit geldt zowel voor de werkgevenden als de werkenden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 311, nr. 2773 vingsmoratorium leidt niet tot een wijziging van deze onderliggendewettelijke verplichtingen. Het invorderen van deze premies door pensioen-fondsen kan complex zijn, maar er is geen sprake van nieuwe verplich-tingen of lasten voor werkgevers die hun werkenden arbeidsrechtelijkcorrect hebben gekwalificeerd.Verhalen van de premieNu schijnzelfstandigen pensioen over het verleden kunnen claimen zonderdat daar premies voor zijn betaald, volgt het vraagstuk van betaling enverhaling van de verschuldigde premie.Uitgangspunt is dat het oplopen van de premieschuld voor rekening enrisico van de werkgever komt. De werkgever was, en is, immers premie-plichtig. Bovendien zou het onwenselijk zijn als de premie voor rekeningkomt van het pensioenfonds. Dan worden de kosten gedragen door hetfondscollectief, de werkgevers en werknemers die wél premie hebbenbetaald voor pensioenopbouw. Dit ondermijnt het draagvlak van hetpensioenstelsel. De kosten volledig bij de schijnzelfstandige beleggen iseveneens onwenselijk, nu naast bovengenoemde redenen zij ook de minstdraagkrachtige partij zijn en zij niet de dupe mogen worden van wanbe-taling van pensioenpremies van de werkgever.Pensioenfondsen zullen zich inzetten om de premies te verhalen tenbehoeve van het collectief van deelnemers. Dit betekent dat zij in beginselactief achterstallige premies zullen innen bij werkgevers zodra opdrachtre-laties worden geherkwalificeerd. Dit proces kan complex zijn, zekerwanneer het gaat om langlopende werkrelaties waarbij de premiebeta-lingen over meerdere jaren moeten worden nageheven. Verplichtgesteldepensioenfondsen hebben hiertoe de wettelijke mogelijkheid omzelfstandig dwangbevelen uit te brengen als premiebetaling uiteindelijkuitblijft.Hoewel de exacte financiële gevolgen moeilijk te voorspellen zijn, bestaater een reëel risico dat sommige werkgevers de achterstallige premies nietkunnen betalen, bijvoorbeeld vanwege faillissement. In dergelijkegevallen worden de kosten van de niet-betaalde premies alsnog gedragendoor het fondscollectief.Ook voor de schijnzelfstandige kan vordering van de pensioenpremiegevolgen hebben. Wanneer het pensioenfonds de volledige premie bij dewerkgever verhaalt, kan de werkgever een eventuele werknemersbijdrageverhalen op de schijnzelfstandige, wanneer verjaring en de plicht vangoed werkgeverschap daartoe niet in de weg staan. Naast gevolgen voorpensioenpremies kunnen er ook andere gevolgen zijn voor de schijnzelf-standige, bijvoorbeeld op fiscaal gebied. Zo kan de toekenning vanpensioenaanspraken aan de werkende in bepaalde gevallen gevolgenhebben voor de lijfrentepremieaftrek. In het algemeen kan de herkwalifi-catie van de arbeidsrelatie ook gevolgen hebben voor de genotenzelfstandigenaftrek, die mogelijk ten onrechte is geclaimd.ConclusieAlhoewel het navorderen van pensioenpremies na toekenning vanpensioenaanspraken op basis van «geen premie, wel recht» niet nieuw is,begrijp ik goed dat dit voor onzekerheid zorgt bij betrokken partijen.Het is belangrijk dat werkrelaties op een goede manier worden gekwalifi-ceerd. Daarom is de publiekscommunicatie «zzp ja of nee» opgezet,waarin werkgevers en werkenden worden geïnformeerd over het belangTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 311, nr. 2774 van het juist beoordelen van hun arbeidsrelatie. Deze communicatie wordtvoortgezet en komende periode verder uitgebreid.Het is ook belangrijk dat werkgevers en (schijnzelfstandige) werknemersgevolg geven als er wordt geconstateerd dat er (ook) in het verledensprake is van een werkgever-werknemer relatie. Daarom wordt geadvi-seerd dat werkgevers en werkenden in gesprek gaan over de juistebeoordeling van hun werkrelatie, ook over de afgelopen periode. Daarbijis het van belang dat ze zich er van vergewissen dat deze herkwalificatieen de aanspraak op pensioen(premies) voor beiden ingrijpende gevolgenkan hebben. Dit is ook belangrijk voor het pensioenfonds.Om deze duidelijkheid te bevorderen wil ik met betrokken partijen,waaronder sociale partners en pensioenfondsen kijken welke inzet quacommunicatie er nodig is om te bevorderen dat werkgevers en werkendenop de hoogte zijn dat er mogelijk pensioenaanspraken niet goed zijngeregistreerd en wat hiervan de consequenties zijn.Gevolgen voor sociale zekerheidSchijnzelfstandigheid heeft niet alleen gevolgen als het gaat om pensioen-aanspraak. Ook voor de sociale zekerheid is de juiste kwalificatie van dearbeidsrelatie van belang. Zo valt een werkende onder het toepassings-bereik van de werknemersverzekeringen, wanneer er sprake is van eenarbeidsovereenkomst. Ook wanneer de werkende een schijnzelfstandigebetreft, en er dus geen premie is afgedragen. Dit betekent dat dewerkende altijd verzekerd is voor de Werkloosheidswet (WW), Ziektewet(ZW), Arbeidsongeschiktheid (WIA) en zwangerschaps- of bevallingsverlof(Wazo) als er sprake is, of had moeten zijn, van een arbeidsovereenkomst.In dat geval betekent dit dat de werkgever alsnog premies werknemers-verzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswetverschuldigd is. Daarnaast moet de werkgever de werknemer opnemen inde loonadministratie en voldoen aan de administratieve verplichtingen diedaarbij horen. De werkgever dient loonbelasting, premie volksverzeke-ringen, premie werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijkebijdrage Zorgverzekeringswet (gezamenlijk loonheffingen geheten) in tehouden over het loon en via een aangifte loonheffingen af te dragen aande Belastingdienst.In grote lijnen geldt hiervoor dus hetzelfde als voor de pensioenfondsen.Alleen is het principe «geen premie, wel recht» in de sociale zekerheidanders verankerd. Een naheffing voor de premies werknemers-verzekeringen kan via loonheffingen hooguit met vijf jaar terugwerkendekracht worden opgelegd aan werkgevers. Zoals op pagina 3 reedstoegelicht zijn de mogelijkheden hiervan beperkt door het handhavings-moratorium, maar wordt een naheffing vanaf 1 januari 2025 weermogelijk met terugwerkende kracht tot 1 januari 2025.Als de werkgever geen premies afdraagt, heeft afgedragen of als dedienstbetrekking al is geëindigd, dan heeft dat geen nadelige gevolgenvoor het recht op een uitkering. Een zelfstandige die van mening is dat ersprake was van een dienstverband kan, als de termijn daarvoor nog nietverstreken is een WIA- of WW-uitkering aanvragen. UWV neemt dieaanvraag dan in behandeling en zal, als daar aanwijzingen voor zijnbeoordelen of er toch sprake was van een dienstbetrekking.Indien dat het geval is en er geen recht meer is op loondoorbetaling kan –als ook aan de overige voorwaarden voor het recht op een uitkering isvoldaan – recht bestaan op een dergelijke uitkering, ook als er geenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 311, nr. 2775 premies zijn afgedragen. De werkgever kan, na opheffing van hethandhavingsmoratorium per 1 januari 2025, van de Belastingdienst eennaheffing opgelegd krijgen over de periode vanaf 1 januari 2025.Aantal WIA- en WW- uitkeringsaanvragen door schijnzelfstan-digenNaar aanleiding van vragen van het lid Patijn over het aantal WIA- enWW-aanvragen door (schijn)zelfstandigen, heb ik toegezegd deze vraagbij het UWV uit te zetten en uw Kamer schriftelijk te informeren over deuitkomsten.Op basis van een eerste zoekslag door UWV is duidelijk geworden dat hetaanleveren van specifieke cijfers over aanvragen voor WW en WIA van degroep zelfstandigen die van mening is een dienstverband te hebben, nieteenduidig te geven is. Daar liggen verschillende oorzaken aan tengrondslag. De voornaamste is dat UWV bij de aanvraag niet registreert ofde werkende voorheen als zelfstandige werkzaam was.Er is wel gekeken naar het totaal aantal onderzoeken naar de verzekerings-plicht. Er zijn ongeveer 1.400 verzekeringsplichtonderzoeken gedaan in deafgelopen drie jaar. In iets minder dan de helft van de onderzochtegevallen blijkt er toch een dienstbetrekking te zijn. Dit aantal is nietrepresentatief voor de gehele groep zelfstandigen, want een verzekerings-plichtonderzoek is alleen aan de orde als de werknemer aannemelijkmaakt dat er mogelijk een dienstverband is. Daarbij is ook relevant dat deverzekeringsplichtonderzoeken niet alleen uitgevoerd worden voor degroep schijnzelfstandigen. In deze groep zitten ook mensen die inkomenhebben opgegeven als resultaat overige werkzaamheden, maar bijvoor-beeld ook mensen waarbij een fout is gemaakt door de werkgever,waardoor zij niet in de polisadministratie zijn opgenomen of ten onrechteals niet-verzekerd in de polisadministratie staan.UWV heeft tevens geteld hoe vaak het voorkomt dat voorafgaand aan deuitkering geen dienstbetrekking in de polisadministratie staat. Dit kan eenindicatie zijn voor het aantal uitkeringsaanvragen van zelfstandigen. Alshet gaat om de WW- en WIA- uitkeringen die zijn toegekend en waarbijdaarvoor geen dienstverband bekend was in de polisadministratie dan zijndat er vanaf 2022 tot nu 571. Hierbij moeten twee kanttekeningen gemaaktworden. De reden dat er een voorafgaande dienstbetrekking ontbreekt,kan ook andere redenen hebben dan het werken als zelfstandig onder-nemer. Daarnaast is deze groep niet volledig. Er kunnen namelijk ookuitkeringen verstrekt zijn aan schijnzelfstandigen die naast het werk alszelfstandige ook in loondienst werkzaam waren (en dus wel in depolisadministratie zichtbaar waren, maar niet voor het werk als schijnzelf-standige). Deze groep ontbreekt in dit aantal van 571 uitkeringen zondervoorafgaande dienstbetrekking.Het aantal aanvragen WW en WIA zonder voorafgaande dienstbetrek-kingen schommelt een beetje maar is de afgelopen jaren stabiel gebleven.De aantallen verzekeringsplichtonderzoeken zijn redelijk constant. Maarook gezien het aantal verzekeringsplichtonderzoeken is het niet aanne-melijk dat het aantal WW- en WIA- aanvragen van zelfstandigen meer isdan enkele honderden per jaar.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 311, nr. 2776 Moties inzake handhavingNaar aanleiding van de motie Rikkers-Oosterkamp12 heeft de Belasting-dienst op 4 oktober 2024 zijn website aangepast zodat duidelijker iswanneer er wel en niet sprake is van een dienstbetrekking. Op de websitezijn ook de criteria van het Deliveroo-arrest toegevoegd.13 De keuzehulpdie in de rijkscommunicatie wordt gebruikt, is hier ook op gebaseerd.14Daarnaast is een link opgenomen naar de webmodule beoordelingarbeidsrelatie en het Handboek Loonheffingen. Vanuit SZW wordt dewebmodule opnieuw beoordeeld op actualiteit.15Daarnaast zijn er drie moties inzake de handhaving zzp aangenomen; demotie Aartsen c.s. over de handhavingsstrategie wijzigen ten behoeve vaneen zachtere landing bij het opheffen van het handhavingsmoratorium16;de motie Flach-Aartsen over in de handhaving coulant omgaan metonbewust onbekwame zelfstandigen en niet direct overgaan tot hetopleggen van boetes17 en de motie Van Oostenbruggen c.s. overvooroverleg over beoordeling van arbeidsrelaties faciliteren en reedsgoedgekeurde modelovereenkomsten effectief van kracht laten blijven.18Zoals in de brief Opheffen handhavingsmoratorium van 6 september jl.opgenomen, geeft de Belastingdienst de handhaving op arbeidsrelatiesvorm op basis van het Handhavingsplan arbeidsrelaties. Dit gebeurt indrie tranches. In tranche 2023 van het handhavingsplan is ingegaan op hetversterken en verbeteren van de handhaving.19 Tranche 2024 bevat debeschrijving van de handhaving in aanloop naar het opheffen van hethandhavingsmoratorium20 en in tranche 2025 zal worden ingegaan ophandhaving zonder handhavingsmoratorium. Vanaf 2026 moet dehandhaving op het onderwerp «genormaliseerd» zijn binnen de reguliereklantbehandeling. Dit houdt in dat de handhaving op dit thema weer vormkrijgt binnen de reguliere handhavingsplannen. Inmiddels is het handha-vingsplan arbeidsrelaties 2023 afgerond, loopt het handhavingsplanarbeidsrelaties 2024 en wordt het handhavingsplan arbeidsrelaties 2025opgesteld. De moties zullen worden uitgewerkt in het handhavingsplanarbeidsrelaties 2025. Dit plan wordt op de website van de Belastingdienstgepubliceerd. De Kamer zal over deze publicatie geïnformeerd worden.Toezegging over het verschil tussen de ondernemerscheck en dewebmoduleDeze toezegging is gedaan naar aanleiding van de vraag van het lidRikkers hoe het mogelijk is dat ondernemers en opdrachtgevers verschil-lende uitkomsten krijgen uit de ondernemerscheck en de webmodulebeoordeling arbeidsrelaties.21 De reden is dat de ondernemerscheck en de12https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/moties/detail?id=2024Z14230&did=2024D34923,Kamerstuk 31 311, nr. 26513https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/nl/arbeidsrelaties/14Zie www.hetjuistecontract.nl15Zie https://ondernemersplein.kvk.nl/webmodule-beoordeling-arbeidsrelatie/16https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/moties/detail?id=2024Z14229&did=2024D34922,Kamerstuk 31 311, nr. 26417https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/moties/detail?id=2024Z14232&did=2024D34925,Kamerstuk 31 311, nr. 26618https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-31311-275.odt, Kamerstuk 31 311, nr. 27519https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/bldcontentnl/themaoverstijgend/brochures_en_publicaties/handhavingsplan-arbeidsrelaties20https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/bldcontentnl/themaoverstijgend/brochures_en_publicaties/handhavingsplan-arbeidsrelaties-2024-perspectiefnota-memo21https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/nl/ondernemers/content/hulpmiddel-checken-of-ik-ondernemer-ben-voor-de-inkomstenbelasting?cid=cpc:2023_3_55&gad_source=1&gclid=Cj0KCQjwj4K5BhDYARIsAD1Ly2ousuZkhjMmonWebZJtSNocFN2VwfHco5R6Iis_qMYNWNXQ3-uPsikaAkFiEALw_wcBTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 311, nr. 2777 webmodule niet hetzelfde doel hebben. De ondernemerscheck is bedoeldvoor de ondernemer om na te gaan of hij aan alle voorwaarden voldoetom ondernemer te zijn voor de inkomstenbelasting. De webmodulebeoordeling arbeidsrelatie is bedoeld voor opdrachtgevers om na te gaanof een opdracht kan worden uitgevoerd buiten dienstbetrekking of dat ersprake moet zijn van een arbeidsovereenkomst. Het gaat daarbij om debeoordeling van een specifieke arbeidsrelatie. Het is mogelijk dat eenondernemer voor de inkomstenbelasting ondernemer is maar daarnaastvoor een specifieke opdracht bij een opdrachtgever in loondienst is.Uitvoeringstoets opheffen handhavingsmoratoriumDe Belastingdienst heeft een uitvoeringstoets uitgevoerd op de opheffingvan het handhavingsmoratorium per 1 januari 2025. Deze uitvoeringstoetsis als bijlage bij deze brief gevoegd. De Belastingdienst houdt er rekeningmee dat er als gevolg van het opheffen van het handhavingsmoratoriumonrust in de arbeidsmarkt ontstaat (het scenario «onrust»). De ondersteu-nende maatregelen zijn bedoeld om onrust zoveel mogelijk te voorkomenen op te vangen. In de uitvoeringtoets is rekening gehouden met hetverwachte effect van de ondersteunende maatregelen. Naar verwachtingheeft de opheffing van het handhavingsmoratorium in het scenario«onrust» een fors incidenteel effect op de inzet van de Belastingdienst. DeBelastingdienst is van oordeel dat het scenario «onrust» uitvoerbaar is,waarbij het uitgangspunt is dat de ondersteunende maatregelenvoldoende effectief zijn en bepaalde risico’s in de uitvoering wordengeaccepteerd.De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,Y.J. van HijumTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 311, nr. 2778

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · fd24b4466f78c510

14 okt 2026 · 7791feb135482225

13 okt 2026 · 6b164b177e843d26

Gerelateerde bronnen

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.