Nadere duiding brief Europese Commissie over verzoek Nederland om een nieuwe derogatie
Brontekst
Versie 4f6998fe78c3cc77 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202633 037MestbeleidNr. 641 BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, VISSERIJ, VOEDSEL-ZEKERHEID EN NATUUR Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 19 februari 2026Op 19 december 2025 heb ik uw Kamer geïnformeerd over het besluit vanhet kabinet om het 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn (8e AP) niet vast testellen en de besluitvorming daarover over te laten aan het volgendekabinet1. Vervolgens heb ik uw Kamer op 23 december 2025 geïnformeerdover de reactie van de Europese Commissie (EC) op het derogatieverzoekvan Nederland2. Met deze brief wil ik meer duidelijkheid bieden aanagrariërs over de regels die vanaf 1 januari 2026 gelden nu er geennieuwe derogatiebeschikking is en geen 8e AP is vastgesteld.Regels vanaf 1 januari 2026Op grond van de derogatiebeschikking 2022–2025 (hierna: derogatiebe-schikking) konden Nederlandse agrariërs die aan de voorwaardenvoldeden gebruikmaken van de voor die jaren verleende derogatie. Dederogatie is in de afgelopen jaren stapsgewijs afgebouwd. Voor 2026krijgt Nederland geen nieuwe derogatie. Daarnaast zullen, vanwege hetniet vaststellen van het 8e AP, de in het concept 8e AP voorgenomenwijzigingen van regelgeving niet worden doorgevoerd. Dit betekent ookdat de voorgenomen wijzigingen in het 8e AP die een aanpassing zoudenhebben betekend van maatregelen uit de derogatiebeschikking, zoals deaanwijzing van aandachtsgebieden, nu niet ingaan.Een en ander betekent ten algemene dat in 2026 alle mestregels geldendie op 31 december 2025 golden. Dit betreft de regels zoals opgenomen inde Meststoffenwet of de daarop gebaseerde regelgeving (Uitvoeringsbe-sluit Meststoffenwet (Ubm), de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet(Urm)), de mestregels opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving(Bal) en de Omgevingsregeling. Het gaat daarbij om regels ter implemen-tatie van het 7e actieprogramma en eerdere actieprogramma’s of andere1Kamerstukken II 2025/26, 33 037, nr. 6352Kamerstukken II 2025/26, 33 037, nr. 637 kst-33037-641ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 037, nr. 6411 nationale regels. Het gaat ook om regels ter implementatie van algemenevoorwaarden uit de derogatiebeschikking of eerder verleende derogatie-beschikkingen. Dit betreft voorschriften die niet gericht zijn tot bedrijvenwaaraan een derogatievergunning was verleend.Zonder een derogatiebeschikking kunnen geen derogatievergunningenaan bedrijven worden verleend. Dat betekent dat de aan die vergunningverbonden verplichtingen voor derogatiebedrijven niet meer vantoepassing zijn.Doordat de EC geen derogatie aan Nederland verleent voor 2026, geldt degebruiksnorm dierlijke meststoffen van 170 kg stikstof uit dierlijke mestper hectare per kalenderjaar in 2026. Dit volgt uit de Nitraatrichtlijn.Hieronder licht ik per onderwerp toe op welke wijze de regels terimplementatie van de bepalingen van de derogatiebeschikking al dan nietblijven gelden.Voorwaarden derogatiebeschikking 2022–2025 (artikelen 4, 7, 8 en 9)1.Aanwijzing met nutriënten verontreinigde gebieden (NV-gebieden)Op grond van artikel 4, eerste lid van de derogatiebeschikking zijnNV-gebieden aangewezen voor stikstof en fosfor. In deze gebiedengeldt, gelet op de in het vijfde lid opgenomen voorwaarde, een kortingvan 20% op de stikstofgebruiksnorm. Dit is opgenomen in de Urm. Inhet kader van de voorbereiding van het 8e AP is in oktober 2025 opbasis van geactualiseerde kennis een concept wijzigingsregeling voorde wijziging van de stikstofgebruiksnormen en aanwijzing vanzogenoemde aandachtsgebieden stikstof in internetconsultatiegebracht. Nu het 8e AP niet is vastgesteld, blijven de NV-gebiedengelden, inclusief de bijbehorende korting op de stikstofgebruiksnorm.2.Mestproductieplafonds:In artikel 4, tweede lid, van de derogatiebeschikking is bepaald dat detotale hoeveelheid in Nederland geproduceerde mest niet meer magbedragen dan 440 miljoen kg stikstof en 135 miljoen kg fosfaat(nationale mestproductieplafonds). Dit gewijzigde plafond is in deMeststoffenwet opgenomen. De sectorale productieplafonds in deMeststoffenwet zijn hiermee in lijn gebracht, en er zijn maatregelengetroffen om te borgen dat de mestproductie (op termijn) onder dezeplafonds komt. Deze plafonds blijven ook na afloop van de derogatie-beschikking gelden. In mijn Kamerbrief van 20 november 20253 heb iku geïnformeerd over de verwachte mestproductie 2025. In het voorjaarwordt uw Kamer opnieuw geïnformeerd.3.Geen derogatievergunningen in derogatievrije zones rondomstikstofgevoelige Natura 2000-gebieden en in grondwaterbescher-mingsgebiedenIn artikel 4, derde en vierde lid, van de derogatiebeschikking isopgenomen dat er in Natura 2000-gebieden en grondwaterbescher-mingsgebieden geen derogatievergunningen worden verleend. Dezevoorwaarden zijn in de Urm opgenomen en gekoppeld aan eenderogatievergunning. Nu Nederland in 2026 geen derogatiebeschik-king krijgt, zijn deze voorwaarden niet meer van toepassing.4.Aanpak in grondwaterbeschermingsgebiedenDaarnaast is in artikel 4, vierde lid, van de derogatiebeschikkingbepaald dat Nederland uiterlijk per 1 januari 2024 een aanpakontwikkelt in grondwaterbeschermingsgebieden waar het grondwateris verontreinigd door nitraten. In de afgelopen periode is ter imple-mentatie hiervan met betrokken partijen gewerkt aan de problematiekin de grondwaterbeschermingsgebieden. Er is een start gemaakt met3Kamerstukken II, 2025/26, 33 037, nr. 626Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 037, nr. 6412 een aanpak die in eerste instantie bestaat uit monitoring en onderzoek.Hiermee is inzicht verkregen in de nutriëntenopgave in een aantalgrondwaterbeschermingsgebieden. Daarover bent u eerder geïnfor-meerd met een Kamerbrief van 11 november 20244.5.BemestingsplanOp grond van artikel 4, vijfde lid, van de derogatiebeschikking moetenalle agrariërs jaarlijks voor het kalenderseizoen een bemestingsplanopstellen waarin het bouwplan en de beoogde bemesting voor hetaankomende seizoen is opgenomen. In artikel 7 van de derogatiebe-schikking zijn aanvullende (administratieve) verplichtingen opgeno-men. Deze verplichtingen zijn voor alle agrariërs al opgenomen in hetUbm en de Urm en blijven dus gelden. De verplichting voor derogatie-bedrijven om het bemestingsplan binnen zeven dagen te wijzigennadat zich een wijziging in de landbouwpraktijk heeft voorgedaan,komt te vervallen.6.Elektronisch mestregisterBepalingen over het elektronisch mestregister, zoals benoemd inartikel 4, vijfde lid, van de derogatiebeschikking zijn opgenomen in hetUbm en de Urm. Sinds 1 januari 2025 moeten alle landbouwbedrijvengebruikmaken van dit register, dit blijft gelden.7.BufferstrokenDe bufferstroken zijn op grond van artikel 4, vijfde lid, van de deroga-tiebeschikking opgenomen in het Bal. De verplichting tot het aanhou-den van bufferstroken geldt daarnaast als conditionaliteit voordeelnemers aan het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). Deverplichting tot het aanhouden van bufferstroken blijft ook nabeëindiging van de derogatie gelden.8.Versterkte handhavingsstrategie (VHS)De activiteiten in het kader van de versterkte handhavingsstrategie(VHS) worden ook na beëindiging van de derogatiebeschikkingonverminderd voortgezet. Het geautomatiseerde systeem voorverantwoording van mesttransporten (rVDM) is ingevoerd. DeVHS-mest is in 2023 geactualiseerd en uitgebreid met aanvullendemaatregelen. De gebiedsgerichte handhaving (GGH) in gebieden waarde waterkwaliteit achterblijft en waar de kans op niet-naleving van demestregels het grootst is, wordt voortgezet en uitgebreid met enkeleaanvullende gebieden. Daarnaast is een taskforce mestmarkt ingericht,gericht op monitoring, signalering en inzet vanuit de uitvoeringsprak-tijk (LVVN, RVO en NVWA). Deze taskforce maakt het mogelijk om snelen effectief te reageren op signalen uit het veld.Het toezicht door de NVWA en de inzet van RVO op de naleving van demestregelgeving worden onverkort voortgezet. Hiervoor is inspectieca-paciteit beschikbaar gesteld.9.Verplichtingen scheuren graslandDe algemene verplichtingen over het scheuren van grasland, genoemdin artikel 7, zesde lid, van de derogatiebeschikking blijven gelden op dezand- en lössgronden. Dit betreft onder andere de momenten waaropgrasland mag worden gescheurd en de hoogte van de verlaging vanstikstofgebruiksnorm op zand- en lössgronden (50 kg stikstof perhectare bij graslandvernieuwing en met 65 kg stikstof per hectare voorde teelt van maïs na gescheurd grasland).10.Voorwaarden meststoffengebruik bij de teelt van vlinderbloemigenDe in artikel 7, zevende lid, van de derogatiebeschikking opgenomenvoorwaarde over het meststoffengebruik bij de teelt van vlinderbloe-migen is verwerkt in de huidige stikstofgebruiksnormen, en blijvendaarmee ook gelden.4Kamerstukken II, 2024/35, 33 037, nr. 563Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 037, nr. 6413 11.Emissiearme aanwendingstechniekenDe in artikel 9 van de derogatiebeschikking opgenomen voorwaardenover de emissiearme aanwending van dierlijke mest op graslandbedrij-ven, golden in Nederland al vóór de derogatiebeschikking 2022–2025voor alle agrariërs en blijven ook na afloop van de derogatiebeschik-king gelden. Deze voorwaarden zijn opgenomen in het Best Beschik-bare Technieken (BBT)-document emissiearm aanwenden, waarnaar inhet Bal wordt verwezen, en gelden voor alle bedrijven. Uitzonderinghierop is de in de Urm opgenomen voorwaarde voor derogatiebedrij-ven dat een sleepvoetbemester niet mag worden gebruikt als detemperatuur 20 graden Celsius of hoger is. Deze voorwaarde is in 2026niet meer van toepassing omdat derogatievergunningen niet meerworden verleend.12.Aflopende regels en voorwaarden voor bedrijven met eenderogatievergunningTot slot geldt dat het voor bedrijven die in 2025 nog gebruik maaktenvan de derogatie in 2026 niet langer de verplichting geldt om 80% vanhun areaal te benutten voor grasland. Daarnaast is in 2026 het uitrijdenvan fosfaatkunstmest op deze bedrijven weer mogelijk. Ook vervalt deverplichting voor derogatiebedrijven om eenmaal per vier jaar eenstikstof- en fosfaatanalyse uit te voeren en daartoe grondmonsters telaten nemen.De verplichting voor derogatiebedrijven om het vernieuwen vangrasland op klei en veen bij RVO te melden, waarbij op deze perceleneen korting van 50 kg op de stikstofgebruiksnorm gold, is niet meervan toepassing. Deze verplichting geldt per 2026 alleen nog voorpercelen op de zand- en lössgronden. Tenslotte hoeft op derogatiebe-drijven in NV-gebieden op klei- of veengronden per 2026 geenvanggewas na maïs meer te worden geteeld.Naast de hierboven genoemde regels zullen, zoals eerder aangegeven, dereeds geïmplementeerde regels uit het 7e actieprogramma blijven gelden,zoals de stimulering van de teelt van vanggewassen op de zand- enlössgronden, de 1 op 4 rotatieverplichting met rustgewassen en destimulering van organisch stofrijke meststoffen.Monitoring waterkwaliteit (artikel 10)Artikel 10 van de derogatiebeschikking vereist dat Nederland eenmonitoringsnetwerk opzet van ten minste 300 derogatiebedrijven datgegevens levert over de nitraat- en fosfaatconcentratie in het water uit dewortelzone. Nederland heeft hieraan invulling gegeven door binnen hetLandelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) een apart derogatiemeetnetop te zetten. Met het vervallen van de derogatiebeschikking, zal ook hetderogatiemeetnet per 2026 komen te vervallen, wat consequenties heeftvoor de betrouwbaarheid en zeggingskracht van het LMM.In mijn kamerbrief van 7 maart 20255 heb ik u reeds geïnformeerd over deuitkomsten van de verkenning naar hoe het LMM er in de toekomst na hetvervallen van het derogatiemeetnet uit zou moeten zien. Uit dezeverkenning komt naar voren dat een aanpassing van het LMM nodig is omde betrouwbaarheid en zeggingskracht van het LMM te borgen, indien hetderogatiemeetnet vervalt. Ik heb daarbij ook aangegeven te kijken naareen mogelijke verfijning van het LMM voor wat betreft de monitoring inde Zandregio.Met het definitief vervallen van de derogatie heb ik besloten een verfijningvan de monitoring in de Zandregio door te voeren voor het basismeetnetvan het LMM in de deelgebieden zand Noord, -Midden en -Zuid. Uit de5Kamerstukken II, 2025/26, 33 037, nr. 586Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 037, nr. 6414 huidige monitoring blijkt dat de waterkwaliteitsopgave per deelgebied inde Zandregio grote verschillen laat zien. Een verfijning van de monitoringin de Zandregio brengt deze ruimtelijke differentiatie beter in beeld. Ditmaakt het ook gemakkelijker een onderscheid in maatregelen perZandgebied in te voeren en de effecten hiervan op de waterkwaliteit tevolgen. Dit sluit aan bij de reeds toegepaste differentiatie in het huidigemestbeleid en het strategisch advies van de Commissie van DeskundigenMeststoffenwet dat is opgesteld in het kader van de Evaluatie Meststof-fenwet 2024.6 Met deze aanpassing zal worden blijven voldaan aan deeisen die gelden voor de monitoring van de waterkwaliteit en landbouw-praktijk vanuit de Nitraatrichtlijn. Hiermee wordt ook invulling gegevenaan de motie van het lid Van der Plas7.Rapportage Nederlands mestbeleid en derogatierapportage (artikel 12)Met de afloop van de derogatiebeschikking vervalt ook de monitorings- enrapportageverplichting over de waterkwaliteit op derogatiebedrijven.Daarnaast vervalt ook de verplichting om jaarlijks een verslag aan de ECte sturen met gegevens over onder meer de nationale mestproductie enresultaten van het toezicht en de handhaving op zowel derogatie- alsniet-derogatiebedrijven zoals beschreven in artikel 12 van de derogatiebe-schikking 2022–2025. De afgelopen jaren werd hieraan invulling gegevenmiddels de Rapportage Nederlands Mestbeleid en de derogatierap-portage.Omdat ik het van belang acht uw Kamer jaarlijks te blijven informerenover de waterkwaliteit onder landbouwbedrijven, heb ik besloten dezejaarlijkse derogatierapportage met monitoringsgegevens, ook dekomende twee jaren op te stellen en te versturen aan uw Kamer. Dit zijnmonitoringsresultaten over de laatste twee jaren van de derogatieperiode(2024 en 2025).Om de rapportage over de monitoringsgegevens over de waterkwaliteit tekunnen continueren, heb ik besloten vanaf 2028 een jaarlijkse kennisno-titie over de waterkwaliteit en landbouwpraktijk op LMM-bedrijven op telaten stellen door het RIVM en Wageningen Social & Economic Research.In vergelijking met de derogatierapportage, zal deze kennisnotitie minderomvangrijk zijn. In de kennisnotitie zullen de belangrijkste resultaten overde waterkwaliteit en landbouwpraktijk in relatie tot het mestbeleid wordenbehandeld. De precieze inhoud van een dergelijke kennisnotitie laat ik aanhet nieuwe kabinet.Gevolgen afbouw derogatie voor de agrarische praktijkIk realiseer mij dat het aflopen van de derogatie een grote invloed heeftop de Nederlandse veehouderij. Zoals ik ook in mijn brief van23 december 2025 al aangaf heeft het beëindigen van de derogatie eengrote impact op het inkomen en het toekomstperspectief van agrariërs.Ook is het risico groot dat grasland zal worden omgezet naar (economischmeer perspectiefvolle) bouwland.Om de negatieve effecten van de afbouw van de derogatie te mitigeren,heb ik reeds in september 2024 een aanpak mestmarkt8 gepresenteerd,waarvan ook de inzet op een nieuwe derogatie onderdeel was. Nuduidelijk is dat er in 2026 geen nieuwe derogatie komt, blijft het vanbelang om de inzet op de andere in deze aanpak opgenomen maatregelenvoort te zetten, waaronder de inzet op mestverwerking en mestexport. Ikben dan ook verheugd dat de Europese Commissie het voorstel formeel6Kamerstukken II, 2025/26, 33 037, nr. 5617Kamerstukken II 2023/24, 33 037, nr. 5058Kamerstukken II 2024/25, 33 037, nr. 559Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 037, nr. 6415 heeft vastgesteld en dat de richtlijn hiertoe op 9 februari jl. is gepubli-ceerd. In de tussentijd wordt gewerkt aan de benodigde nationaleregelgeving ter implementatie hiervan. De inzet is om deze nog in hetvoorjaar van 2026 in werking te laten treden. Voor bedrijven die tot en met2025 in het kader van de pilots mineralenconcentraat en KunstmestvrijeAchterhoek al Renure produceerden, is voorzien in een overgangssi-tuatie9.Tot slotMet deze brief heb ik uw Kamer op hoofdlijnen geïnformeerd over degevolgen van het niet vaststellen van het 8e AP en het niet verlenen vaneen nieuwe derogatie aan Nederland. Conform de motie Grinwis c.s.10wordt de inrichting en de besluitvorming over het 8e AP aan het nieuwekabinet gelaten.De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,F.M. Wiersma9Kamerstukken II 2025/26, 33 037, nr. 63610Kamerstukken II, 2025/26, 33 037, nr. 634Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 037, nr. 6416
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.