KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een schriftelijk overleg over de vaststelling van de geactualiseerde Masterplannen kantoorhuisvesting

30 jun 2016 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 083e85054b3d36d9 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2015–2016 31 490Vernieuwing van de rijksdienst Nr. 210 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG Vastgesteld 30 juni 2016 De algemene commissie voor Wonen en Rijksdienst heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Wonen en Rijksdienst over de brief van 20 april 2016 over de vaststelling van de geactualiseerde Masterplannen kantoorhuisvesting (31 490, nr. 202). De vragen en opmerkingen zijn op 19 mei 2016 aan de Minister voor Wonen en Rijksdienst voorgelegd. Bij brief van 29 juni 2016 zijn de vragen, voorzien van een inleiding, beantwoord. De voorzitter van de commissie,Geurts De griffier van de commissie,Van der Leeden kst-31490-210ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2016Tweede Kamer, vergaderjaar 2015–2016, 31 490, nr. 2101 1. Inbreng VVD-fractie De leden van de VVD-fractie hebben naar aanleiding van vragen tijdens het algemeen overleg Rijksdienst van 11 februari 2016 per brief van 4 maart 2016 aanvullende informatie verstrekt over de ontwikkeling van de werkgelegenheid in de regio, berekend vanaf 2013. Deze cijfers geven een scherpere daling van de werkgelegenheid in diverse regio’s weer dan op basis van het basisjaar 2015 was berekend. U schrijft dat de forse daling in de cijfers voor de werkgelegenheid in Groningen per 2020 te wijten is aan een tijdelijke impuls aan rijkswerkge-legenheid voorafgaande aan 2020. De leden van de VVD-fractie horen graag van u wanneer deze impuls aan werkgelegenheid is gestart, wat de reden was van deze impuls en waarom en wanneer deze impuls stopt. Naast de al eerder door u in het algemeen overleg van 11 februari 2016 genoemde provincies blijkt ook de werkgelegenheid in Flevoland fors lager te liggen bij hantering van 2013 als basisjaar. De leden van de VVD-fractie horen graag van u wat aan dit verschil ten grondslag heeft gelegen. Ten slotte hebben de leden van de VVD-fractie nog vragen over signalen die zij uit de regio hebben ontvangen over aankoop en verkoop van gronden en gebouwen tussen rijksoverheid en lokale overheden. Deze leden bereiken signalen dat prijzen voor aankoop door het Rijksvastgoed-bedrijf op een andere manier worden berekend dan wanneer kantoor-panden door het Rijksvastgoedbedrijf aan lagere overheden worden verkocht. De leden van de VVD-fractie horen graag van u of dit klopt. En zo ja, waarom daar een verschil tussen zit. Verder zouden ook andere criteria gelden bij aan- dan wel verkoop van gronden. Verkoop van gronden aan lagere overheden blijkt «as is» te gebeuren, terwijl bij verkoop van gronden door lagere overheden aan het Rijk de gronden schoon dienen te worden opgeleverd. Herkent u dit en zo ja, kan u dit toelichten? 2. Inbreng PvdA-fractie De leden van de PvdA-fractie hebben kennis genomen van de noodzaak bij u om nog voor een nog in te plannen algemeen overleg Krimp de uitvoering van de geactualiseerde masterplannen kantoorhuisvesting ter hand te moeten nemen. Deze leden maken graag gebruik van de mogelijkheid om u nog enkele vragen te stellen over de gevolgen van de masterplannen kantoorhuisvesting. Allereerst hechten de leden van de PvdA-fractie er aan dat u zich in de plannen voor de kantoorhuisvesting van rijksdiensten rekenschap geeft van de motie De Vries c.s.(31 490, nr.126) om de werkgelegenheidsef-fecten van reorganisaties voor de provincies Friesland, Drenthe, Zeeland en Limburg niet bovengemiddeld te laten zijn. Daarvoor hechten deze leden aan cijfers die de volledige regeerperiode van deze regering beslaan. Kunt u toezeggen dat deze gegevens in de toekomst altijd op deze manier aangeboden worden? Het kabinet neemt de effecten van de reorganisatie van de Nationale Politie niet mee in de cijfers over de werkgelegenheid bij het Rijk, omdat sommige regio’s meerdere provincies beslaan. De leden van de PvdA-fractie lezen echter in de bijlage over regionale werkgelegenheids-cijfers per sector wel een uitsplitsing van de werkgelegenheid bij de politie per provincie. Daarom vragen deze leden naar de waarde van deze tabel en waarom deze gegevens niet meegenomen kunnen worden in de geaggregeerde cijfers. Hoe zouden de meest recente cijfers uitvallen als deze tabel wel opgenomen wordt? De leden van de PvdA-fractie constateren dat het kritische gesprek met de burgemeester van Leeuwarden over de werkgelegenheid bij het Centraal Justitieel Incassobureau tot relevante aanpassingen heeft geleid. Daarom Tweede Kamer, vergaderjaar 2015–2016, 31 490, nr. 2102 vragen deze leden zich af hoe solide uw cijfers zijn en of u openstaat voor visies van andere regionale bestuurders die kritisch meerekenen. Uit de cijfers van de ontwikkeling van de werkgelegenheid blijkt een forse daling van de werkgelegenheid bij de rijksoverheid in Groningen. Deze provincie valt buiten de motie De Vries, maar kent wel een tweetal krimpgebieden. De leden van de PvdA-fractie lezen dat de verklaring ligt in tijdelijke werkgelegenheid, die tussen 2015 en 2020 beëindigd wordt. Graag ontvangen deze leden meer informatie over deze tijdelijke werkgelegenheid. De effecten van de reorganisatie voor de provincie Limburg zijn over de volledige periode bovengemiddeld en ook in de periode 2015–2020 zakt het niet onder het gemiddelde. Dat vinden de leden van de PvdA-fractie zorgelijk, daarom vragen deze leden u welke keuzes zijn gemaakt om de werkgelegenheidseffecten voor de provincie Limburg te beperken. Meer in het algemeen vragen de leden van der PvdA-fractie wat u nog verwacht te doen aan de bovengemiddelde effecten, die de provincies Limburg en Friesland nu nog treffen terwijl u geen reden tot aanpassing ziet. De leden van de PvdA-fractie constateren dat er nog reorganisaties voorbereid of uitgewerkt worden bij in ieder geval het justitieel apparaat, de Belastingdienst en de Dienst Justitiële Inrichtingen. Het is niet zeker of en hoe deze nog in deze regeringsperiode tot definitieve besluiten leiden, maar deze leden vragen u hoe in het uitwerken van voorstellen uitvoering wordt gegeven aan de motie De Vries c.s. De leden van de PvdA-fractie zien uit naar de beantwoording van hun vragen. 3. Inbreng SP-fractie De leden van de SP-fractie lezen dat er in de provincies Groningen en Gelderland een daling van resp.12,5% en 9,4% aan werkgelegenheid te verwachten valt in 2020 ten opzichte van 2015. In uw brief wordt het effect op Groningen geduid doordat een omvangrijk tijdelijk programma in de stad Groningen in de cijfers is meegenomen. Dit programma eindigt voor 2020. Deze toelichting nuanceert volgens de brief het beeld bij de forse daling van de rijkswerkgelegenheid in 2020 in de provincie Groningen. Hoewel het verschil hierdoor verklaarbaar is, relativeert het echter allerminst. Het betekent immers een verlies van werkgelegenheid in een provincie waar al meerdere grote problemen spelen. De leden van de SP-fractie vragen daarom om voldoende aandacht voor dit verlies van werkgelegenheid. Tevens vragen deze leden bij toekomstige projecten van de rijksoverheid buiten de grenzen van de Randstad te kijken en ook deze provincies in ogenschouw te nemen. Hoewel het centraliseren van overheidsdiensten op korte termijn een besparing kan opleveren zijn de leden van de SP-fractie daarvan niet overtuigd. De effecten van krimp brengen immers ook weer andere kosten met zich mee. Daarnaast is het goed voor de mensen die in deze provincies wonen dat er voldoende werkgelegenheid is, waar de overheid dus haar steentje aan bij kan dragen. 4. Inbreng CDA-fractie De leden van de CDA fractie hebben kennis genomen van uw brief betreffende de vaststelling van de geactualiseerde Masterplannen kantoorhuisvesting (31 490, nr. 202). Deze hebben daarover nog enkele vragen. De leden van de CDA-fractie constateren dat de werkgelegenheidseffecten toch groter zijn buiten de randstad dan in de randstad, en dat specifieke provincies door een samenloop van omstandigheden zwaarder getroffen Tweede Kamer, vergaderjaar 2015–2016, 31 490, nr. 2103 worden. Zeker in krimpgebieden is dit pijnlijk nu die gebieden al te kampen hebben met forse werkgelegenheidsproblemen. Graag vernemen deze leden hoe werkgelegenheidseffecten daar voorkomen kunnen worden. De leden van de CDA-fractie zien dat bij verschillende reorganisaties bij de rijksoverheid specifieke gevolgen hebben, maar dat een overall-beeld moeilijk is aan te geven, evenmin is centrale sturing mogelijk. Daardoor kunnen de reorganisaties bij Defensie, de Nationale Politie, de Dienst Justitiële Inrichtingen, het Openbaar Ministerie en de Rechtspraak separaat verantwoord zijn, maar is samenhang bezien toch sprake teveel negatieve effecten in een bepaald gebied. Graag vernemen deze leden of en hoe aan deze problematiek het hoofd geboden kan worden. De leden van de CDA-fractie vernemen graag of de verwachting leeft dat het inzicht in alle werkelijke kosten op pandniveau en een kostprijsmodel op basis van werkelijke kosten veel zal veranderen aan de Masterplannen. Is het wenselijk om na het verkrijgen van dat inzicht wederom tot een actualisatie over te gaan? De leden van de CDA-fractie vinden dat de verwachte verkoopopbrengst een van de criteria moet zijn bij de beslissing over welke panden wel en niet af te stoten. Is dat altijd in beeld en welke rol speelt het vervolgens bij de integrale afweging van alle belangen? Daarbij vernemen deze leden ook graag of het denkbaar is dat andere belangen dan financiële (bijvoor-beeld de werkgelegenheid in een bepaald gebied, of de huisvesting van statushouders) zwaarder zouden kunnen wegen. De leden van de CDA fractie vragen op welke wijze u gevolg gaat geven op de recente adviezen van de Algemene Rekenkamer. Met name het advies om de actuele marktwaarde in beeld te brengen vanwege de grote afstootopgave, is een zeer relevant advies volgens deze leden. De leden van de CDA-fractie delen van harte het advies van de Algemene Rekenkamer dat inzicht in alle kosten nodig is om transparant te kunnen zijn over de bijdrage van vastgoed aan maatschappelijke doelen en de financiële kosten en opbrengsten die daarmee samenhangen. Graag vernemen deze leden uw visie op die aanbeveling. Deze leden vinden dat helder moet zijn wie deze afweging kan maken en welke factoren bepalend zijn voor een gemaakte keuze. Deelt u dat standpunt? De leden van de CDA-fractie hebben vernomen dat u in antwoord op de bevindingen van de Algemene Rekenkamer heeft gesteld u in overleg is met provincies en gemeenten over zaken die betrekking hebben op rijksvastgoed. Graag vernemen deze leden de voorgang van dat overleg en of ook de huisvesting van statushouders daarbij een rol speelt en zo ja, welke rol. De leden van de CDA-fractie delen ook het standpunt van de Algemene Rekenkamer dat de informatie naar de Tweede Kamer beter kan zodat de Tweede Kamer een afweging maken over het rendement van de master-plannen en kan beoordelen of de uitvoering van de plannen volgens schema verloopt. Deze leden vernemen graag op welke wijze de Minister inhoud gaat geven aan deze conclusie. 5. Inbreng D66-fractie De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het voornemen de geactualiseerde masterplannen kantoorhuisvesting vast te stellen. Deze leden beseffen dat het spanningsveld tussen een efficiëntere rijksdienst enerzijds, en de regionale werkgelegenheidseffecten ander-zijds, niet gemakkelijk is. Zij hebben nog een aantal vragen die zij graag beantwoord zouden willen zien. De leden van de D66-fractie merken uit de brief van 4 maart over de ontwikkeling rijkswerkgelegenheid op, dat voor de spreiding van de ontwikkeling van rijkswerkgelegenheid een betere balans gewenst zou zijn. Zo verdubbelt de werkgelegenheid in Zeeland, terwijl Groningen een Tweede Kamer, vergaderjaar 2015–2016, 31 490, nr. 2104 daling van meer dan 12% zal meemaken. Hoewel de provincie Groningen geen onderdeel uitmaakte van de motie De Vries c.s., vinden deze leden aandacht voor deze provincie toch gewenst. De daling van de werkgele-genheid ten opzichte van het landelijke gemiddelde is hier zelfs het sterkst. U geeft aan dat dit voor een deel komt door het effect van een omvangrijk tijdelijk programma, dat voor 2020 zal eindigen. Hoe groot is dit effect, precies? Hoe zien de rijkswerkgelegenheidscijfers van Groningen eruit als dit programma buiten beschouwing wordt gelaten? Daalt de rijkswerkgelegenheid in de periodes 2013–2020 en 2015–2020 dan nog steeds meer dan het landelijke gemiddelde? De leden van de D66-fractie merken op, dat in de aandachtsprovincie Limburg de daling ten opzichte van het landelijke gemiddelde nog steeds fors is. Wat is uw opvatting hierover? Heeft u een visie hoe de daling van Limburg beperkt kan worden? En hoe zullen de cijfers van de Rechtspraak en regionale inzet van de Nationale politie de daling beïnvloeden? Inleiding In het Algemeen Overleg Rijksdienst van 11 februari 2016 is mijn brief van 19 januari 2016 inzake de actualisering van de masterplannen rijkshuis-vesting kantoren (Kamerstuk 31 490, nr. 195) behandeld. Nadien zijn diverse brieven over dit onderwerp naar de Tweede Kamer gestuurd. Het betreft de brief van 4 maart 2016 (aanvullende informatie over de ontwikkeling van de rijkswerkgelegenheid per provincie naar aanleiding van het verzoek van de Kamer in het Algemeen Overleg om bij de berekeningen, naast 2015, ook 2013 als basisjaar ten opzichte van 2020 te gebruiken, Kamerstuk 31 490, nr. 197), de brief van 24 maart 2016 (toelichting definitiekwestie bij het bepalen van de omvang van de werkgelegenheid bij het CJIB in Leeuwarden, Kamerstuk 31 490, nr. 199) en de brief van 20 april 2016 (verzoek aan de Kamer om in te stemmen met het vaststellen van de geactualiseerde masterplannen, Kamerstuk 31 490, nr. 202). In reactie op laatstgenoemde brief heeft u mij op 26 april 2016 bericht dat er een schriftelijk overleg zou plaatsvinden, en heeft u mij verzocht in de tussentijd geen onomkeerbare stappen inzake de masterplannen te nemen. Op 19 mei 2016 heeft u mij het verslag van het schriftelijk overleg doen toekomen, met daarbij enkele tientallen vragen en opmerkingen. Per brief van 2 juni 2016 heeft uw Kamer een overzicht ontvangen van alle rijkshuisvestingsprojecten, zonder provinciegrensoverschrijdende werkgelegenheidseffecten (Kamerstuk 31 490, nr. 206), die gestart zijn en de komende maanden tot verplichtingen leiden. In de thans voorliggende brief reageer ik op de vragen en opmerkingen die in het schriftelijk overleg zijn gemaakt. Het merendeel van de vragen en opmerkingen betreft ontwikkelingen in de rijkswerkgelegenheid. Ik heb mijn reactie gegroepeerd rond drie thema’s: –de ontwikkeling van de rijkswerkgelegenheid in specifieke provincies, de motie-De Vries c.s. (Kamerstuk 31 490, nr. 126) en de reorganisatie bij de Rechtspraak, Belastingdienst, Dienst Justitiële Inrichtingen e.d.; –het onderliggende cijfermateriaal dat gebruikt is om de rijkswerkgele-genheid en de huisvestingsvraag in de masterplannen te bepalen; –het rijksvastgoed, de aan- en verkoop van gronden en gebouwen en adviezen van de Algemene Rekenkamer. In het Algemeen Overleg van 11 februari 2016 (Kamerstuk 31 490, nr. 200) en in het schriftelijk overleg van 19 mei 2016 (Kamerstuk 31 490, nr. 87) hebben verschillende Kamerleden gevraagd om, als er bij provincies en Tweede Kamer, vergaderjaar 2015–2016, 31 490, nr. 2105 gemeenten behoefte is aan een toelichting bij de masterplannen en de daarin verwerkte cijfers, hieraan gevolg te geven. In de afgelopen maanden is dit gebeurd. Mochten er nieuwe verzoeken om een aanvul-lende toelichting komen, dan ben ik gaarne bereid daaraan te voldoen. Op de agenda van het Algemeen Overleg Krimp en bevolkingsdaling van 6 juli 2016 staat een aantal van bovengenoemde brieven. Ik geef uw Kamer in overweging om mijn reactie op de vragen en opmerkingen uit het schriftelijk overleg hierbij te betrekken. Ik vertrouw erop dat uit de reactie blijkt dat de thans voorliggende geactualiseerde masterplannen rijkshuisvesting kantoren na een zorgvuldig proces tot stand gekomen zijn, waarbij er met meerdere belangen rekening is gehouden. De masterplannen zijn primair bedoeld om de huisvesting van het Rijk te optimaliseren, waarbij de huisvestingsvraag van departementen en rijksdiensten wordt gematcht met de vastgoedportefeuille van het Rijksvastgoedbedrijf. Door verhoging van de efficiency in het ruimtege-bruik daalt de leegstand en worden besparingen behaald. Ik hoop dat uw Kamer naar aanleiding van de in deze brief verstrekte informatie kan instemmen met mijn voornemen om de geactualiseerde masterplannen rijkshuisvesting kantoren op korte termijn vast te stellen. 1) Vragen en opmerkingen over de ontwikkeling van de rijkswerkgele-genheid in specifieke provincies, de motie-De Vries c.s. en de reorgani-satie bij de Rechtspraak, Belastingdienst, Dienst Justitiële Inrichtingen e.d. Vraag De leden van de CDA-fractie stellen dat reorganisaties bij de rijksoverheid specifieke gevolgen hebben, maar dat een overall beeld moeilijk is te geven. Evenmin is centrale sturing mogelijk. Daardoor kunnen de reorganisaties bij Defensie, de Nationale Politie, de Dienst Justitiële Inrichtingen, het Openbaar Ministerie en de Rechtspraak separaat verantwoord zijn, maar in samenhang bezien zou er toch sprake zijn van te veel negatieve effecten in een bepaald gebied. Zij willen vernemen of en hoe er aan deze problematiek het hoofd geboden kan worden. In de vragen en opmerkingen van de andere fracties wordt deze zorg ook naar voren gebracht. Antwoord De problematiek die de leden van de CDA-fractie en de andere fracties schetsen, herken ik. In sommige regio’s kan spanning ontstaan tussen de wens om te komen tot een efficiëntere Rijksdienst, de organisatieontwik-keling van verschillende onderdelen van de Rijksdienst in het licht van wat de maatschappij vraagt, en de regionale spreiding van de rijkswerkgele-genheid. Vanuit mijn Rijksdienstportefeuille zijn huisvesting en personeelsbeleid aanknopingspunten en heb ik een coördinerende bevoegdheid. De motie-De Vries c.s. (Kamerstuk 31 490, nr. 126) die de regering verzoekt om zich in te spannen dat de provincies Friesland, Drenthe, Zeeland en Limburg niet meer dan gemiddeld werkgelegenheid verliezen, is meegenomen bij het opstellen van de geactualiseerde masterplannen rijkshuisvesting kantoren. Overigens is er geen direct verband tussen de huisvestingsbehoefte van het Rijk aan kantoren in een bepaalde regio en de in mijn brieven van 19 januari en 4 maart 2016 gepresenteerde cijfers voor de rijkswerkgelegenheid in die regio. Weliswaar is de huisvestings-behoefte volgend aan de ontwikkeling van de rijkswerkgelegenheid, maar, zoals ik hieronder bij de beantwoording van de vragen zal toelichten, zijn de cijfers voor de rijkswerkgelegenheid niet in alle gevallen volledig. Met Tweede Kamer, vergaderjaar 2015–2016, 31 490, nr. 2106 de systematiek van de masterplannen wordt slechts een deel van de rijksbrede ontwikkeling van werkgelegenheid transparant gemaakt. Op het gebied van personeelsbeleid heb ik begin dit jaar een brief over mobiliteit en flexibele inzet van personeel voor een toekomstbestendige rijksoverheid (Kamerstuk 31 490, nr. 193) naar de Kamer gestuurd. Daarin heb ik een drietal maatregelen aangekondigd die relevant zijn in het kader van de door u geschetste problematiek: –Aandacht voor meerjarige personeelsplanning. Dit draagt bij aan meer inzicht in toekomstige ontwikkelingen en creëert mogelijkheden om tijdig maatregelen te nemen als een veranderende vraag van invloed is op het bestaande aanbod aan personeel. Hierbij wordt gekeken naar zowel capaciteit als expertise. –Invulling geven aan een rijksbrede transparante interne arbeidsmarkt. Dit betreft maatregelen die ertoe moeten leiden dat de matching van vraag naar én aanbod van werk steeds meer op een rijksbrede schaal plaatsheeft. –Hernieuwde aandacht voor regionale samenwerking in netwerken die tot doel hebben om ambtenaren te ondersteunen bij het vinden van ander werk. Het gaat hierbij zowel om Van Werk Naar Werk als om vrijwillige mobiliteit van personeel. Vraag De leden van de PvdA-fractie constateren dat er nog reorganisaties voorbereid of uitgewerkt worden bij het justitieel apparaat, de Dienst Justitiële Inrichtingen en de Belastingdienst. Hoewel het niet zeker is of en hoe deze nog in deze regeringsperiode tot definitieve besluiten leiden, vragen deze leden hoe bij het uitwerken van voorstellen uitvoering wordt gegeven aan de motie-De Vries c.s. Antwoord De motie-De Vries c.s. wordt nadrukkelijk in de afwegingen betrokken. Over de besluitvorming inzake de Dienst Justitiële Inrichtingen is de Kamer bij brief van 14 juni 2016 van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie geïnformeerd (Kamerstuk 24 587, nr. 655). Voor wat de Belasting-dienst betreft acht ik het besluitvormingstraject op dit moment nog te prematuur om indicaties te geven. Zodra duidelijk is wat de consequenties van de reorganisatie bij de Belastingdienst zijn qua aantal fte’s en de regionale spreiding, zal bezien worden welke noodzakelijke aanpassingen in de vastgoedportefeuille hieruit voortvloeien en zullen wijzigingen in de masterplannen worden aangebracht. Vraag De leden van de VVD-fractie stellen naar aanleiding van de in de brief van 4 maart 2016 (Kamerstuk 31 490, nr. 197) verstrekte aanvullende infor-matie over de ontwikkeling van de rijkswerkgelegenheid in de regio, berekend vanaf 2013, dat deze cijfers een scherpere daling van de werkgelegenheid in diverse regio’s weergeven dan op basis van het basisjaar 2015 was berekend. In aanvulling hierop stellen de leden van de PvdA-fractie dat de effecten van reorganisaties op de daling van de rijkswerkgelegenheid voor de provincie Limburg over de volledige periode bovengemiddeld zijn en ook in de periode 2015–2020 niet onder het landelijk gemiddelde zakken. Zij vragen welke keuzes zijn gemaakt om de werkgelegenheidseffecten voor de provincie Limburg te beperken, en meer in het algemeen wat ik nog verwacht te doen aan de bovengemid-delde effecten die de provincies Limburg en Friesland treffen. De leden van de D66-fractie vragen eveneens aandacht voor een betere balans bij de spreiding van de ontwikkeling van rijkswerkgelegenheid. Tweede Kamer, vergaderjaar 2015–2016, 31 490, nr. 2107 Antwoord Ik verwijs naar mijn brieven van 19 januari, 4 maart en 24 maart 2016 (Kamerstuk 31 490, nrs. 195 197 en 199). Daarin geef ik aan dat de cijfers met als basisjaar 2013 inclusief de Rechtspraak zijn. De cijfers met als basisjaar 2015 zijn exclusief de Rechtspraak. Beide basisjaren zijn daarom moeilijk vergelijkbaar. •In Friesland bedraagt de geprognosticeerde daling van de rijkswerkge-legenheid in de periode 2013–2020 – 7%. De daling is hoger dan het gemiddelde in heel Nederland (– 6,2%). In mijn brief van 24 maart 2016 heb ik aangegeven dat er op dit moment geen reden tot bijsturing is. •Drenthe zit met – 7% ook boven het landelijk gemiddelde, maar het absolute cijfer aan rijkswerkgelegenheid (4.940 fte’s in 2020) is hoger dan in 2013 werd voorzien (circa 4.500 fte’s in 2020). Eind 2013 is op verzoek van de Tweede Kamer in de provincie bijgestuurd door fte’s bij de Belastingdienst, het Ministerie van Economische Zaken en het Nationaal Archief voor Drenthe te behouden. •Zeeland kent een substantiële groei aan rijkswerkgelegenheid (een toename met circa 1.800 fte’s in 2020) als gevolg van de vestiging van de kazerne van het Korps Mariniers in Vlissingen. •In Limburg is de voorziene procentuele afname met als basisjaar 2013 hoger dan het landelijk gemiddelde, maar het absolute aantal in 2020 (5.351 fte’s) op basis van de prognose in 2015 wijkt nauwelijks af van de prognose in 2013 voor 2020 (5.405 fte’s). Ik zie op dit moment dan ook geen reden tot bijsturing. In mijn brief van 24 maart 2016 (Kamerstuk 31 490, nr. 199) heb ik aangegeven dat ik bij toekomstige ontwikkelingen de situatie in Friesland en de andere provincies die genoemd worden in de motie-De Vries c.s. nadrukkelijk in besluitvormingstrajecten over de vestigingslocatie van nieuwe rijksdiensten betrek. Vraag De leden van de D66-fractie merken op dat in de provincie Limburg de daling ten opzichte van het landelijk gemiddelde fors is. Zij vragen hoe de daling beperkt kan worden en hoe de cijfers van de regionale inzet van de Nationale Politie en de Rechtspraak de daling beïnvloeden. Antwoord Voor de ontwikkeling van de totale rijkswerkgelegenheid in de provincie Limburg verwijs ik naar mijn voorgaande antwoord. De Nationale Politie werkt momenteel aan het vastgestelde inrich-tingsplan, waarin onder meer een substantiële vermindering van de niet-operationele sterkte is opgenomen. Dit raakt alle eenheden en alle provincies. De niet-operationele sterkte is met name belegd in het Politiedienstencentrum (PDC). De drie geconcentreerde onderdelen van het PDC worden gehuisvest in de provincies Overijssel (Zwolle), Zuid-Holland (Rotterdam) en Noord-Brabant (Eindhoven). Voor de niet-operationele sterkte van de politie-eenheid Limburg geldt dat tot 2020 een resterende daling van de formatie met 103 fte’s is voorzien. Deze daling is procentueel gezien minder dan het landelijk gemiddelde. De provincie wordt dan ook niet onevenredig belast met de concentratie en daling van de niet-operationele sterkte. De nieuwe werkgelegenheid in de niet-operationele sterkte die ontstaat bij het PDC, onder meer in Eindhoven, is ook toegankelijk voor werknemers uit de provincie Limburg. Operationele taken blijven in de hele politie-eenheid Limburg uitgevoerd en gehuisvest. Door de vorming van de Nationale Politie en de nieuwe inrichting van een aantal operationele taken ontstaan mogelijk wel werkgelegenheidseffecten in de operationele sterkte. Daarbij gaat het met name om beperkte effecten als gevolg van de bundeling en herschikking Tweede Kamer, vergaderjaar 2015–2016, 31 490, nr. 2108 van samenhangende operationele taken binnen de politie-eenheid Limburg. De Rechtspraak maakte medio 2015 in het kader van het Meerjarenplan van de Rechtspraak 2015–2020 het voornemen bekend om een deel van de kantoorfunctie van de rechtbank Limburg in de zittingsplaats Maastricht naar de zittingsplaats Roermond te verplaatsen. Dit voornemen zou geen gevolgen hebben gehad voor de totale werkgelegenheidsont-wikkeling binnen de provincie Limburg. Wel zouden de krimpgebieden in het zuiden van Limburg er door zijn geraakt. Naar aanleiding van het voorgenomen locatiebeleid van de Rechtspraak heeft uw Kamer tijdens de begrotingsbehandeling van het Ministerie van Veiligheid en Justitie de motie-Oskam c.s. (Kamerstuk 34 300 VI, nr. 34) aangenomen. Hierin wordt de regering verzocht haar eerdere toezegging gestand te doen en bij de Voorjaarsnota 2016 voldoende middelen vrij te maken om de rechtbanken in Alkmaar, Almelo, Assen, Dordrecht, Lelystad, Maastricht en Zutphen volwaardig open te houden, zonder leegstand te financieren. Voor de Rechtspraak betekent de motie dat de zaaksverdeling in de zeven arrondissementen, inclusief de kantoorfunctie, in elk geval tot en met de evaluatie van de Wet herziening gerechtelijke kaart gelijk blijft aan de situatie op het moment van het bekend maken van het meerjarenplan. Er wordt dus voorlopig geen beïnvloeding van de werkgelegenheidsontwik-keling in de provincie Limburg c.q. de krimpgebieden in het zuiden van Limburg voorzien als gevolg van het locatiebeleid van de Rechtspraak. Het is echter wel mogelijk dat andere ontwikkelingen binnen de Rechtspraak, zoals het programma Kwaliteit en Innovatie Rechtspraak, de werkgelegen-heidsontwikkeling in de provincie Limburg op termijn zullen beïnvloeden. Vraag Naar aanleiding van de opmerking in de brief van 4 maart 2016 (Kamerstuk 31 490, nr. 197) dat de forse daling van de rijkswerkgele-genheid in Groningen per 2020 te wijten is aan het aflopen van een tijdelijke impuls aan rijkswerkgelegenheid, vragen de leden van de VVD-fractie, de PvdA-fractie, de SP-fractie en de D66-fractie nadere informatie over deze tijdelijke impuls. In aanvulling hierop vragen de leden van de SP-fractie om voldoende aandacht voor het verlies van werkgelegenheid in de provincie Groningen. Antwoord De in de brief aangeduide tijdelijke impuls betreft de vestiging van DUO. DUO is al vóór 2012 gestart met het Programma Vernieuwing Studiefinan-ciering (PVS). Het doel van dit programma is vervanging van de geauto-matiseerde uitvoeringsprocessen voor de studiefinanciering. De beoogde einddatum van het programma ligt in 2017. PVS heeft tijdelijk geleid tot inzet van meer personeel, zowel intern als extern. In het kader van het programma Compacte Rijksdienst is in 2013 de Shared Service Organisatie Noord (SSO-Noord) opgericht en onderge-bracht bij DUO. SSO-Noord levert inkoop- en ICT-diensten aan diverse overheidsorganisaties en opereert zowel landelijk als regionaal. Dit heeft geresulteerd in een structurele personeelsuitbreiding van 50 fte’s. Voor wat betreft toekomstige projecten kan ik u slechts in meer algemene zin melden dat er bij (tijdelijke) uitbreiding van bestaande rijksdiensten of huisvesting van nieuwe diensten mede gekeken zal worden naar de mogelijkheden in Groningen. Vraag De leden van de SP-fractie stellen dat het centraliseren van overheids-diensten weliswaar op korte termijn een besparing kan opleveren, maar dat de effecten van krimp andere kosten met zich meebrengen. Daarnaast Tweede Kamer, vergaderjaar 2015–2016, 31 490, nr. 2109 wijzen zij op de bijdrage die de overheid kan leveren aan voldoende werkgelegenheid. Antwoord Over de business cases die ten grondslag liggen aan het opstellen van de masterplannen rijkshuisvesting kantoren heb ik in 2013 met u van gedachten gewisseld. De berekeningen voor de kantoorhuisvesting laten vanaf 2020 een structurele besparing voor het Rijk zien. Voor wat betreft de huisvestingsplannen van de rijksoverheid heb ik toegezegd de krimpgebieden te willen ontzien waar mogelijk, en daar handel ik naar. Tegelijkertijd merk ik op dat het op peil houden van de rijkswerkgele-genheid geen doel op zich is. Het streven is immers een efficiënte rijksdienst. De integrale opgave waar bevolkingsdaling om vraagt, is in de eerste plaats een taak van de betreffende regio’s zelf. Voor de acties van rijkszijde die ik coördineer, verwijs ik naar het Actieplan bevolkingsdaling. Ik heb u dit plan op 18 maart 2016 aangeboden. In het actieplan is een integrale aanpak per regio opgenomen. Vraag De leden van de CDA-fractie stellen dat de werkgelegenheidseffecten buiten de Randstad groter zijn dan in de Randstad, en dat specifieke provincies door een samenloop van omstandigheden zwaarder worden getroffen. In de krimpgebieden is dit pijnlijk nu die gebieden al te kampen hebben met forse werkgelegenheidsproblemen. De leden van de CDA-fractie vragen hoe werkgelegenheidseffecten daar voorkomen kunnen worden. In aanvulling daarop vragen de leden van de SP-fractie om bij toekomstige projecten van de rijksoverheid ook de niet-Randstadprovincies in ogenschouw te nemen. Antwoord In mijn brief van 4 maart 2016 (Kamerstuk 31 490, nr. 197) wijs ik op mogelijke consequenties als gevolg van de beoogde verkleining van de Rijksdienst en geef ik aan dat telkens de afweging wordt gemaakt welke mogelijkheden er zijn om bij sectoren van de Rijksdienst te sturen op regionale spreiding. In de brief concludeer ik dat, als het totaalbeeld en het beeld per provincie in ogenschouw wordt genomen, er op dit moment geen aanleiding tot bijsturing is. De taakstellingen die per departement gelden, laten het ook niet toe de doelstelling om de Rijksdienst efficiënter en goedkoper te huisvesten, los te laten. De huisvestingsbehoefte van departementen en diensten, in combinatie met de vastgoedportefeuille van het Rijksvastgoedbedrijf, leidt tot de gekozen oplossingen die in de geactualiseerde masterplannen zijn vervat. Wél zeg ik u toe dat ik bij eventuele nieuwe rijksdiensten of uitbreiding van bestaande rijksdiensten aandacht zal vragen voor het benutten van de mogelijkheden in de provincies uit de motie-De Vries c.s. en de overige niet-Randstadprovincies, uiteraard rekening houdend met het primair proces van de betreffende diensten. 2) Vragen en opmerkingen over het onderliggende cijfermateriaal dat gebruikt is om de rijkswerkgelegenheid en de huisvestingsvraag in de masterplannen te bepalen Vraag De leden van de VVD-fractie wijzen erop dat de werkgelegenheid in Flevoland fors lager ligt bij hantering van 2013 als basisjaar. Zij vragen om een verklaring van het verschil. Tweede Kamer, vergaderjaar 2015–2016, 31 490, nr. 21010 Antwoord De rijkswerkgelegenheid in 2015 ligt 236 fte’s lager dan in 2013. Dit is het gevolg van het vertrek van het Openbaar Ministerie uit Flevoland en de geleidelijke vermindering van de omvang van Rijkswaterstaat in Lelystad. Een en ander was reeds opgenomen in het masterplan uit 2013 en is in 2014 met uw Kamer besproken. Vraag De leden van de PvdA-fractie geven aan dat zij hechten aan cijfers die de volledige regeerperiode van de regering beslaan. Zij vragen of er toegezegd kan worden dat de gegevens in de toekomst altijd op deze manier worden aangeboden. Antwoord Ik kies voor een presentatiemethode die het beste aansluit bij het ritme van de masterplannen. Dat kan de volledige regeerperiode van het kabinet beslaan, maar ook anderszins. Bij het hanteren van een langjarig ritme is het noodzakelijk om over de grens van een regeerperiode te kijken. Ik streef daarbij naar een verdere verbetering van de kwaliteit van het cijfermateriaal. Vraag De leden van de PvdA-fractie merken op dat de effecten van de reorgani-satie van de Nationale Politie niet zijn meegenomen in de cijfers voor de werkgelegenheid bij het Rijk, omdat sommige regio’s meerdere provincies beslaan. In de bijlage over regionale werkgelegenheidscijfers per sector is wel een uitsplitsing gemaakt van de werkgelegenheid bij de politie per provincie. De leden van de PvdA-fractie vragen naar de waarde van deze tabel en waarom de gegevens niet meegenomen kunnen worden in de geaggregeerde cijfers. Zij vragen hoe de meest recente cijfers zouden uitvallen als deze tabel wel wordt opgenomen. Antwoord De tabel in de bijlage met werkgelegenheidscijfers per sector en per provincie, met als basisjaar 2015, heeft voor de politie uitsluitend betrekking op de niet-operationele sterkte. Dit betreft 9.446 fte’s van de 60.888 fte’s totale sterkte van de politie per 1 januari 2015. Voor de operationele sterkte van de politie, 51.442 fte’s per 1 januari 2015, geldt dat sinds de vorming van de Nationale Politie deze niet meer aan een binnen één provincie liggende politieregio(s) wordt toebedeeld, maar aan een politie-eenheid. In veel gevallen is een politie-eenheid provincieover-stijgend en kan er binnen het gebied van de eenheid flexibel met de inzet van fte’s worden omgegaan. Verder is op dit moment nog niet vastgelegd wanneer de uiteindelijk beoogde omvang van de operationele sterkte van de politie, 49.500 fte’s, bereikt moet zijn. Daarom is deze doelsterkte van de politie niet in het cijfermatig beeld van de brede Rijksdienst per provincie verwerkt. Het toegroeien naar een operationele sterkte van de politie van 49.500 fte’s is eerder met de Tweede Kamer afgesproken. Vraag De leden van de PvdA-fractie constateren dat het gesprek met de burgemeester van Leeuwarden over de werkgelegenheid bij het Centraal Justitieel Incassobureau tot aanpassingen heeft geleid. Zij vragen hoe solide de cijfers zijn en of ik opensta voor visies van andere regionale bestuurders die kritisch meerekenen. Antwoord Achter de tabellen met cijfers in de brieven van 19 januari en 4 maart 2016 gaat een grote complexiteit schuil. Cijfers kunnen van elkaar afwijken door Tweede Kamer, vergaderjaar 2015–2016, 31 490, nr. 21011 het hanteren van een andere peildatum of andere criteria over wat precies onder rijkswerkgelegenheid wordt verstaan (vast dienstverband, tijdelijk, extern, payroll). De cijfers zijn ook gevoelig voor veranderingen in de organisatie van rijksdiensten. De voor de masterplannen verzamelde cijfers met betrekking tot het aantal fte’s zijn niet primair bedoeld om werkgelegenheidseffecten te meten, maar om tot een zo efficiënt mogelijke toedeling van kantoorhuisvesting te komen. De masterplannen geven daarom slechts een partieel beeld van de werkgelegenheidsontwik-keling bij het Rijk. Ik ben altijd bereid met regionale bestuurders in gesprek te gaan over de ontwikkeling van de rijkswerkgelegenheid in hun regio en hun perceptie ten aanzien van de masterplannen rijkshuisvesting kantoren. Vraag De leden van de CDA-fractie delen het standpunt van de Algemene Rekenkamer dat de informatie naar de Tweede Kamer beter kan, zodat de Tweede Kamer een afweging kan maken over het rendement van de masterplannen en kan beoordelen of de uitvoering van de plannen volgens schema verloopt. Deze leden vragen op welke wijze ik inhoud geef aan deze conclusie. Antwoord Informatie over de voortgang van de masterplannen wordt opgenomen in de jaarrapportages bedrijfsvoering Rijk. Ik verwijs naar de recent uitgebrachte Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk 2015, hoofdstuk 4. Hieruit blijkt dat de uitvoering van de masterplannen uit 2013 in z’n algemeenheid op schema ligt. Vraag De leden van de CDA-fractie vragen of inzicht in alle werkelijke kosten op pandniveau en een kostprijsmodel op basis van werkelijke kosten veel zal veranderen aan de masterplannen. Zij vragen of het wenselijk is om na het verkrijgen van dat inzicht wederom tot een actualisatie over te gaan. Antwoord Het thans door het Rijksvastgoedbedrijf gehanteerde kostprijsmodel maakt de kosten van rijkshuisvesting op pandniveau transparanter dan voorheen. In essentie is het geen wijziging ten opzichte van de bij de masterplannen gehanteerde methode. Een actualisatie op basis van dit inzicht is dus niet nodig. 3) Vragen en opmerkingen over het rijksvastgoed, de aan- en verkoop van gronden en gebouwen en adviezen van de Algemene Rekenkamer Vraag De leden van de VVD-fractie hebben signalen uit de regio ontvangen over aan- en verkoop van gronden en gebouwen tussen de rijksoverheid en lokale overheden, volgens welke de prijzen voor aankoop door het Rijksvastgoedbedrijf op een andere manier worden berekend dan wanneer kantoorpanden door het Rijksvastgoedbedrijf aan lagere overheden worden verkocht. Ook hebben zij vernomen dat andere criteria zouden gelden bij aankoop dan wel verkoop van gronden. Verkoop van gronden aan lagere overheden zou «as is» gebeuren, terwijl bij verkoop van gronden door lagere overheden aan het Rijk de gronden schoon dienen te worden opgeleverd. Antwoord De Staat hanteert marktconforme prijzen als uitgangspunt bij aan- en verkoop, zowel bij kantoren als bij gronden. Hierbij wordt geen onder-scheid gemaakt of er wordt gekocht van of verkocht aan gemeenten of Tweede Kamer, vergaderjaar 2015–2016, 31 490, nr. 21012 particulieren. Van invloed op de marktconforme prijs zijn onder andere de locatie, de bestemming of toekomstige bestemming, en de kwaliteit van de opstal. De Staat koopt en verkoopt in principe altijd «schone grond». In een enkel geval kan het voorkomen dat de Staat gronden verkoopt die niet schoon zijn, maar dan is de vervuiling in kaart gebracht en beprijsd. De koper betaalt dan een prijs waarin rekening is gehouden met de kosten voor het schoonmaken van de grond. Veelal komt dit voor als de koper de gronden gaat ontwikkelen en daarom veel grondverzet moet verrichten. Het is dan efficiënter om de sanering van de vervuilde grond tegelijk met de ontwikkeling te doen. Vraag De leden van de CDA-fractie stellen dat de verwachte verkoopopbrengst een van de criteria moet zijn bij de beslissing over het al dan niet afstoten van panden. Zij willen weten of dit altijd in beeld is en welke rol dit speelt bij de integrale afweging van alle belangen. Ook vragen zij of het denkbaar is dat andere belangen dan financiële (bijvoorbeeld de werkge-legenheid in een bepaald gebied of de huisvesting van statushouders) zwaarder zouden kunnen wegen. Antwoord De geschatte verkoopopbrengsten worden door het Rijksvastgoedbedrijf in kaart gebracht voordat besloten wordt om panden al dan niet af te stoten. De geschatte verkoopopbrengsten vormen inderdaad een van de overwegingen in het besluitvormingstraject. Een belangrijke overweging is voorts de locatievoorkeur die departementen aangeven (hoeveel fte’s moeten in welke provincie(s) worden gehuisvest). Andere belangen kunnen op verzoek van departementen ook worden meegenomen. In het besluitvormingstraject worden uiteraard ook de wensen vanuit de Kamer, zoals vastgelegd in onder meer de motie-De Vries c.s., betrokken. Uiteindelijk wordt een afweging gemaakt van voor het Rijk doelmatige huisvestingsoplossingen. Vraag De leden van de CDA-fractie vragen op welke wijze ik gevolg geef aan recente adviezen van de Algemene Rekenkamer, met name het advies om de actuele marktwaarde in beeld te brengen vanwege de grote afstoot-opgave. Antwoord De marktwaarde is een afwegingscriterium bij business cases en afstootbeslissingen. Zolang mogelijke afstoot niet aan de orde is, is vastgoed een bedrijfsmiddel voor de rijksoverheid. Waardering tegen historische kosten minus afschrijving is hierbij de geijkte waarderings-grondslag. Deze sluit ook aan bij de financieringswijze van vastgoed. Met de marktwaarde is dat niet het geval. Ik zal daarom dit advies van de Algemene Rekenkamer niet opvolgen. Vraag De leden van de CDA-fractie geven aan dat zij het advies van de Algemene Rekenkamer delen dat inzicht in alle kosten nodig is om transparant te kunnen zijn over de bijdrage van vastgoed aan maatschappelijke doelen en de financiële kosten en opbrengsten die daarmee samenhangen. Zij vinden dat helder moet zijn wie de afweging kan maken en welke factoren bepalend zijn voor een gemaakte keuze. Antwoord De huisvesting van kantoorhoudende diensten van het Rijk gebeurt op basis van doelmatigheidsafwegingen. In beginsel kan op verzoek van een beleidsverantwoordelijke partij (een departement of een andere overheid) Tweede Kamer, vergaderjaar 2015–2016, 31 490, nr. 21013 rijksvastgoed voor maatschappelijke doelen worden ingezet, voor zover die doelen niet reeds in wet- en regelgeving zijn vastgelegd. Het Rijksvast-goedbedrijf brengt in die gevallen de directe kosten en opbrengsten in beeld en denkt mee over oplossingen waarbij de financiële kaders worden gerespecteerd. De keuze om voor bepaalde doelen een integrale maatschappelijke kosten-batenanalyse in te zetten, is aan de betreffende beleidsverantwoordelijke partij. Vraag De leden van de CDA-fractie hebben vernomen dat ik in overleg ben met provincies en gemeenten over zaken die betrekking hebben op rijks-vastgoed. Zij vragen naar de voortgang van het overleg en of ook de huisvesting van statushouders daarbij een rol speelt. Antwoord Onlangs is een rijksbrede analyse afgerond van mogelijkheden om rijksvastgoed in te zetten voor beleidsdoelen van het omgevingsbeleid van het Rijk en de regio. In samenwerking met provincies, departementen en vastgoedhoudende rijksdiensten is per provincie een rijksvastgoedplan opgesteld. Deze plannen en de uitvoering ervan worden onder meer besproken in het Bestuurlijk Overleg Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT). Het Rijksvastgoedbedrijf biedt overtollig rijksvastgoed met voorrang aan het COA en gemeenten aan voor de huisvesting van respectievelijk asielzoekers en statushouders. Naast de reguliere optie om te kopen, kunnen gemeenten overtollig rijksvastgoed voor de huisvesting van statushouders tegen een kostendekkende prijs huren, mits passend binnen de Leegstandswet. Desgewenst kunnen gemeenten dat combi-neren met de huisvesting van andere doelgroepen, zoals arbeidsmi-granten en studenten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2015–2016, 31 490, nr. 21014

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · abbaa665608aa323

14 okt 2026 · 7570e61782250cf3

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.