Verslag
Brontekst
Versie 120b9458029b01f4 · officiële bron36958 Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en de Wet arbeid vreemdelingen in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2024/1233 van het Europees Parlement en de Raad van 24 april 2024 betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om te verblijven en te werken op het grondgebied van een lidstaat, alsmede inzake een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven (Implementatiewet GVVA-richtlijn 2024) Nr. 5 Verslag Vastgesteld 3 juli 2026 De vaste commissie voor Asiel en Migratie, belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen. Onder het voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakte opmerkingen voldoende zullen zijn beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het voorstel van wet genoegzaam voorbereid. INHOUDSOPGAVE I. ALGEMEEN DEEL 2 1. Inleiding 2 2. Implementatiewetgeving 3 2.1 Algemeen 2.2 Toepassingsbereik 3 2.2.1 Toepassingsbereik GVVA-richtlijn 3 2.2.2 Gunstigere bepalingen 3 2.3 Implementatie eerste GVVA-richtlijn 3 2.3.1 Artikel 7, eerste lid, GVVA-richtlijn 3 2.3.2 Artikel 10 GVVA-richtlijn 3 3. Hoofdlijnen van het voorstel 4 3.1 Toelatingsprocedures 4 3.2 Versterking positie werknemers uit derde landen 4 3.2.1 Het recht om van werkgever te veranderen 4 3.2.2 Bescherming bij (kortdurende) werkloosheid 6 3.2.3 Aanvullende bescherming bij (kortdurende) werkloosheid wegens arbeidsgerelateerde uitbuiting 7 3.3 Recht op gelijke behandeling 8 4. Gevolgen (m.u.v. financiële gevolgen) 8 5. Financiële gevolgen 9 II. Artikelsgewijze toelichting 9 III. Overig 10 I. ALGEMEEN DEEL 1. Inleiding De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel Implementatiewet GVVA-richtlijn 2024 (hierna: het wetsvoorstel) en hebben hierover nog enkele vragen. De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden hebben met betrekking tot de implementatie nog enkele vragen. De leden van de PRO-fractie hebben met interesse kennisgenomen het wetsvoorstel. Zij hebben hier nog enkele opmerkingen en vragen bij. De leden van de PRO-fractie lezen dat onderdeel van het doel van deze richtlijn is om arbeidsuitbuiting tegen te gaan. Deze leden vragen wat er concreet verbetert voor arbeids- en kennismigranten met deze implementatie. Daarnaast lezen zij dat de aanvraagprocedure eenvoudiger en efficiënter wordt voor arbeidsmigranten. Zij vragen of het op enige manier makkelijker wordt door deze implementatie voor uitzendbureaus om werknemers uit derde landen aan te trekken. De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en hebben hierover nog vragen. De leden van de CDA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden maken graag van de gelegenheid gebruik om enkele vragen te stellen aan de regering over dit wetsvoorstel. Zij vragen aan de regering wat de reden is dat de implementatiedeadline van 21 mei 2026 niet is gehaald en wat hiervan de gevolgen zijn. De leden van de JA21-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel en hebben hierover de volgende vragen. De leden van de BBB-fractie lezen dat bij de omzetting van de richtlijn geen beleidskeuzes worden gemaakt. Kan de regering dit nader onderbouwen? Op welke onderdelen is daadwerkelijk sprake van een dwingende implementatieverplichting en op welke onderdelen bestaat nog nationale ruimte? De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden hebben nog een enkele vraag over de termijnen, uitvoerbaarheid en handhaving van het voorstel. De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat de regering stelt dat de herziene richtlijn mede tot doel heeft de bescherming tegen arbeidsuitbuiting te verbeteren. Deze leden vragen of de regering concreet kan aangeven op welke punten de rechtspositie van werknemers uit derde landen in Nederland daadwerkelijk verbetert ten opzichte van de huidige situatie. De implementatie van deze richtlijn had uiterlijk op 21 mei 2026 voltooid moeten zijn. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen welke gevolgen het niet tijdig implementeren van deze richtlijn heeft. Daarnaast vragen deze leden hoe dit wetsvoorstel voorkomt dat verdienmodellen gebaseerd op goedkope arbeidsmigratie in stand blijven. 2. Implementatiewetgeving 2.1 Algemeen De leden van de ChristenUnie-fractie vragen welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat werknemers uit angst voor ontslag of verlies van hun verblijfsrecht afzien van het indienen van een klacht. 2.2 Toepassingsbereik 2.2.1 Toepassingsbereik GVVA-richtlijn De leden van de JA21-fractie vragen de regering, mede aan de hand van het schema GVVA (bijlage 2 bij de memorie van toelichting), per beperking die met het oog op werk onder het toepassingsbereik van de GVVA-richtlijn valt, aan te geven welke looneis geldt. Kan de regering daarbij bevestigen dat voor de beperking ‘arbeid in loondienst’, anders dan bij arbeid als kennismigrant en de Europese blauwe kaart, geen verhoogd looncriterium geldt, maar in beginsel kan worden volstaan met het wettelijk minimumloon? Deelt de regering de zorg van de leden van de JA21-fractie dat de gestroomlijnde GVVA-procedure, bij gebreke van een verhoogd looncriterium, kan worden ingezet voor laagwaardige, laagbetaalde arbeid van buiten de Unie? Is de regering, gelet op de exclusieve nationale bevoegdheid van artikel 79, vijfde lid, Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en overweging 7 van de richtlijn, die uitdrukkelijk bepaalt dat de richtlijn de bevoegdheid van lidstaten om de voorwaarden voor verstrekking te reguleren onverlet laat, bereid om voor de beperking ‘arbeid in loondienst’ een minimaal looncriterium (bijvoorbeeld gekoppeld aan een percentage van het modaal inkomen dan wel aan het looncriterium voor kennismigranten) in te voeren? Zo nee, waarom niet? De leden van de JA21-fractie vragen of de regering erkent dat de arbeidsmarkttoets weliswaar toetst op prioriteitgenietend aanbod, maar op zichzelf niet verhindert dat structureel laagbetaalde functies door derdelanders worden vervuld, met mogelijke verdringing van en neerwaartse druk op de lonen van Nederlandse en EU-werknemers. Acht de regering een looncriterium in dat licht niet een doeltreffender waarborg dan de arbeidsmarkttoets alleen? 2.2.2 Gunstigere bepalingen De leden van de BBB-fractie zijn kritisch op het gevolg dat bij niet tijdig beslissen een positieve fictieve beschikking ontstaat. Klopt het dat een vreemdeling dan van rechtswege toestemming kan krijgen, ook wanneer de inhoudelijke toets nog niet volledig is afgerond? Welke waarborgen zijn er om te voorkomen dat vergunningen van rechtswege ontstaan doordat uitvoeringsorganisaties de termijn niet halen? 2.3 Implementatie eerste GVVA-richtlijn 2.3.1 Artikel 7, eerste lid, GVVA-richtlijn De leden van de ChristenUnie-fractie hebben vragen bij de stellinginname dat de bevoegdheden van de Nederlandse Arbeidsinspectie voldoende zijn. Waarom acht de regering aanvullende maatregelen niet noodzakelijk, terwijl juist de richtlijn beoogt de bescherming van uitbuiting te versterken? 2.3.2 Artikel 10 GVVA-richtlijn De leden van de JA21-fractie vragen waarom de incidentele kosten van maximaal 0,5 miljoen euro worden gedekt uit de begroting van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in plaats van via (kostendekkende) leges te worden doorberekend aan de aanvrager of de werkgever die van de regeling profiteert. Acht de regering het rechtvaardig dat de Nederlandse belastingbetaler opdraait voor de uitvoeringslasten van arbeidsmigratie van buiten de Unie? De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering of toezicht wordt gehouden op de naleving van de beleidslijn dat een werkgever die de kosten van de aanvraagverwerking heeft voldaan, deze niet mag terugvorderen van de onderdaan van een derde land. Welke sancties volgen indien een werkgever deze kosten toch inhoudt op het loon? Zijn werknemers voldoende op de hoogte van hun recht om dergelijke kosten niet te hoeven betalen? 3. Hoofdlijnen van het voorstel 3.1 Toelatingsprocedures De leden van de PVV-fractie vragen of de toepassing op de bredere groep derdelanders leidt tot verruiming van de toegang tot de arbeidsmarkt voor onder andere studenten en gezinsmigranten. Kan de regering uitsluiten dat personen die oorspronkelijk voor een ander verblijfsdoel naar Nederland zijn gekomen via deze richtlijn eenvoudiger toegang krijgen tot de arbeidsmarkt? Hoeveel extra personen zullen een GVVA aanvragen, uitgesplitst naar doelgroep? De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering de beslistermijn voor het al dan niet toekennen van een GVVA verkort naar 90 dagen en dat de arbeidsmarkttoets binnen de beslistermijn moet plaatsvinden. De regering geeft ook aan dat geen aanpassing nodig is van Nederlandse wetgeving. Deze leden vragen aan de regering of deze termijn doorgaans wordt gehaald, of dat er maatregelen genomen (moeten) worden om hieraan vaker te kunnen voldoen. Ook vragen zij wat de consequentie is als niet aan deze termijn wordt voldaan. De leden van de ChristenUnie-fractie hebben vragen over de beperking van de mogelijkheden tot verlenging van de beslistermijn. Deze leden vragen de regering toe te lichten of de verkorting van de beslistermijn in de uitvoering haalbaar is, ook in het licht van de argumentatie bij paragraaf 5 uit de memorie van toelichting over de financiële gevolgen. Welke overwegingen liggen aan deze keuze ten grondslag? Waarop baseert de regering de verwachting dat deze termijn in de praktijk haalbaar is? Welke gevolgen verwacht de regering voor de uitvoeringsorganisaties? 3.2 Versterking positie werknemers uit derde landen De leden van de CDA-fractie lezen dat het wetsvoorstel uitvoering geeft aan nieuwe bepalingen van de richtlijn die zien op de bescherming van werknemers uit derde landen bij werkloosheid. Deze leden lezen ook dat in hoeverre de huidige werkwijze volledig voldoet aan de GVVA-richtlijn, nader wordt onderzocht. Zij vragen of dit onderzoek inmiddels is verricht en wat de uitkomsten daarvan zijn. De leden van de CDA-fractie vragen aan de regering of wordt verwacht dat de aanvullende verblijfsbescherming voor slachtoffers van arbeidsuitbuiting zal leiden tot meer meldingen van misstanden. Kan de regering hier nader op ingaan en aangeven in hoeverre daarop wordt geanticipeerd vanuit de Arbeidsinspectie? Welke rol krijgen gemeenten hierin? 3.2.1 Het recht om van werkgever te veranderen De leden van de VVD-fractie constateren dat lidstaten door de implementatie van de GVVA-richtlijn nog slechts 45 dagen de tijd hebben om bezwaar aan te tekenen indien een vergunninghouder van werkgever wisselt. In de Nederlandse context zou dit volgens de regering betekenen dat een niet-tijdige beslissing in beginsel leidt tot een positieve (fictieve) beslissing. In hoeverre acht de regering het scenario realistisch waarbij het onwenselijk wordt geacht dat een vergunninghouder van werkgever verandert, maar waarbij vanwege capaciteitsgebrek of andere onvoorziene omstandigheden de regering niet in staat is om tijdig te beslissen, waardoor er dus een onwenselijke fictieve beslissing volgt? Ziet de regering ruimte om, met inachtneming van artikel 11 lid 3 van de GVVA-richtlijn, zich in dit scenario op een andere, simpelere manier te verzetten tegen de verandering van werkgever? De leden van de PVV-fractie vragen de regering om nader te duiden wanneer houders van een GVVA zonder nieuwe aanvraag, van werkgever kunnen veranderen. Ook vragen deze leden of er bij verandering van werkgever een volledige markttoets wordt uitgevoerd door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV), of dat dit slechts een beperkte toets is. De leden van de JA21-fractie vragen of de regering kan bevestigen dat een derdelander die bij de eerste werkgever vertrekt (ongeacht of de beëindiging van het dienstverband op initiatief van de werkgever of de werknemer plaatsvindt) gedurende de geldigheidsduur van de vergunning een nieuwe aanvraag tot verandering van werkgever kan indienen, zonder dat een minimale arbeidsduur bij de eerste werkgever is vervuld. Waarom heeft de regering ervoor gekozen geen minimumperiode bij de eerste werkgever voor te schrijven, terwijl artikel 11, derde lid, onder c, van de richtlijn deze mogelijkheid uitdrukkelijk biedt en de overweging deze juist presenteert als instrument “om mogelijk misbruik van de bepalingen inzake verandering van werkgever te voorkomen”? De leden van de JA21-fractie vragen of de regering de opvatting deelt dat een minimumperiode het risico verkleint op constructies waarbij de eerste dienstbetrekking enkel als toegangsticket dient. Zo nee, waarom niet? Is de regering bereid alsnog een minimumperiode in te voeren, met de in de richtlijn voorziene uitzondering voor gevallen van ernstige schending door de werkgever? Welke andere lidstaten maken, voor zover bij de regering bekend, wél gebruik van de mogelijkheid een minimumperiode voor te schrijven, en hoe verhoudt de Nederlandse keuze zich tot het streven te voorkomen dat Nederland binnen de Unie een relatief aantrekkelijke bestemming wordt voor deze vorm van arbeidsmigratie? De leden van de JA21-fractie vragen of de regering erkent dat het ontbreken van een minimumperiode bij de eerste werkgever in combinatie met de vergunning van rechtswege de drempel verlaagt voor het opzetten van constructies waarbij de eerste dienstbetrekking slechts dient als toegangsticket tot Nederland. Hoe wordt dit risico gemitigeerd? De leden van de JA21-fractie vragen de regering precies te beschrijven hoe de arbeidsmarkttoets bij een verandering van werkgever eruitziet. Wordt deze volwaardig uitgevoerd (inclusief de toets op prioriteitgenietend aanbod), of betreft het een lichtere toets? Geldt deze toets voor alle beperkingen die onder de wijzigingsprocedure vallen, of zijn er beperkingen waarbij van werkgever kan worden veranderd zonder volledige arbeidsmarkttoets? Hoe verhoudt de eis van een volwaardige arbeidsmarkttoets binnen 45 dagen zich tot de constatering in de memorie van toelichting dat de huidige streeftermijn voor deze procedure zeven weken bedraagt? Wordt de arbeidsmarkttoets door de verkorte termijn niet feitelijk uitgehold, met als sluitstuk de vergunning van rechtswege? Bij de beperking ‘arbeid als kennismigrant’ en bij verandering binnen een erkend referentschap geldt een vereenvoudigde- of meldingsprocedure. Klopt het dat in dat geval geen volwaardige arbeidsmarkttoets plaatsvindt? De leden van de JA21-fractie vragen wat de gevolgen zijn wanneer een vergunning van rechtswege wordt verleend doordat het UWV niet tijdig een arbeidsmarkttoets heeft kunnen afronden. Erkent de regering dat in dat geval een verblijfs- en arbeidsrecht ontstaat zonder dat de inhoudelijke arbeidsmarkttoets daadwerkelijk is verricht? Hoe verhoudt zi ch dattot het uitgangspunt dat arbeidsmigratie van buiten de Unie selectief en gestuurd dient te zijn? De leden van de JA21-fractie vragen of de regering het risico reëel acht dat aanvragers (of bemiddelende werkgevers) bewust inzetten op het laten verlopen van de beslistermijn, in de wetenschap dat niet-tijdig beslissen eerder tot een positieve beschikking leidt. Welke waarborgen zijn er tegen een dergelijke strategische benutting van de van-rechtswege-bepaling? 3.2.2 Bescherming bij (kortdurende) werkloosheid De leden van de D66-fractie lezen dat lidstaten op grond van het nieuwe artikel 11, vierde lid, GVVA-richtlijn een derdelander gedurende de geldigheidsduur van de gecombineerde verblijfsvergunning met het oog op werk ten minste drie maanden op hun grondgebied moeten laten verblijven op het moment dat een derdelander zijn baan verliest. Deze periode bedraagt zes maanden, indien de derdelander langer dan twee jaar houder is van de combineerde vergunning. De regering geeft aan nog te onderzoeken in hoeverre de huidige werkwijze voldoet aan de GVVA-richtlijn. Kan de regering toelichten op welke informatie dan wel onderzoeksresultaten zij nog wacht om te kunnen vaststellen of de huidige Nederlandse werkwijze reeds voldoet aan de richtlijn? Op welke termijn kan de Kamer deze informatie verwachten? De leden van de VVD-fractie constateren dat nog niet volledig duidelijk is of de Nederlandse praktijk, waarbij werkloosheid pas na drie maanden leidt tot de verplichting voor de vergunninghouder om Nederland te verlaten, en de praktijk waarbij na kortdurende werkloosheid een nieuwe vergunning moet worden aangevraagd, voldoen aan de GVVA-richtlijn, en dat de regering dit nog nader onderzoekt. Binnen welke termijn worden de uitkomsten van dit onderzoek verwacht, en is de regering bereid de uitkomsten van dit onderzoek, en de impact hiervan op de wetsbehandeling van deze implementatiewet, met de Tweede Kamer te delen? De leden van de PVV-fractie vragen hoeveel gevallen de regering jaarlijks verwacht waarin personen zonder arbeid toch rechtmatig verblijf behouden. Welke inkomensvoorzieningen kunnen gedurende die periode ontvangen worden? Deze leden vragen daarnaast of de genoemde periodes (3 of 6 maanden) zullen worden opgeteld bij de huidige zoekperiode van 3 maanden. De leden van de JA21-fractie vragen of gedurende de toegestane periode van werkloosheid (drie of zes maanden) in die periode aanspraak op bijstand bestaat op grond van de Participatiewet of op andere inkomensondersteunende voorzieningen. Indien ja, kan de regering per voorziening aangeven of, en onder welke voorwaarden, die aanspraak bestaat? Hoe verhoudt de verlenging van de verblijfsperiode naar zes maanden zich tot het koppelingsbeginsel en tot het uitgangspunt dat het verblijfsdoel (arbeid) bij baanverlies is komen te vervallen? Acht de regering het wenselijk dat een derdelander zonder werk en zonder geldend verblijfsdoel tot zes maanden rechtmatig in Nederland verblijft? De leden van de JA21-fractie vragen waarom ervoor is gekozen deze belangrijke waarborg niet reeds op wetsniveau te verankeren, mede gelet op het feit dat de implementatietermijn is verstreken en er thans een periode bestaat waarin de richtlijn geldt maar de nationale uitwerking ontbreekt. Welk recht geldt voor de middeleneis in de tussenliggende periode? Geldt de middeleneis ook in de periode tussen drie en zes maanden voor houders die langer dan twee jaar een vergunning hebben? Kan de regering uitsluiten dat juist deze groep met een reeds langere verblijfsduur gedurende maximaal zes maanden zonder werk én zonder middeleneis een beroep op voorzieningen kan doen? De leden van de JA21-fractie vragen hoe wettelijk geborgd is dat een derdelander die na baanverlies langer dan drie maanden in Nederland verblijft, gedurende die periode geen aanspraak kan maken op bijstand of andere inkomensondersteunende voorzieningen, en op welke concrete wettelijke grondslag die uitsluiting berust. Kan de regering bevestigen dat de aangekondigde middeleneis bij werkloosheid van meer dan drie maanden daadwerkelijk en onverkort zal worden toegepast, op welke termijn en in welke regeling dit vereiste wordt vastgelegd en welke concrete middelennorm daarbij zal gelden? Acht de regering die grondslag toereikend nu de middeleneis niet in dit wetsvoorstel maar in lagere regelgeving wordt vastgelegd? Kan deze lagere regelgeving voorafgaand aan de wetsbehandeling met de Kamer worden gedeeld? De leden van de JA21-fractie constateren dat uit de transponeringstabel blijkt dat de kennisgeving van werkloosheid door de vreemdeling zelf bij de IND wordt gedaan. Erkent de regering dat het beleggen van deze meldplicht bij de derdelander een verkeerde prikkel bevat, namelijk dat de derdelander er belang bij heeft om baanverlies níet te melden teneinde zijn rechtmatig verblijf en de daaraan verbonden aanspraken te behouden? Hoe beoordeelt de regering dit mogelijke effect? Hoe wordt de juistheid en tijdigheid van de zelfmelding gecontroleerd? Vindt er een actieve controle plaats zodat baanverlies ook zonder melding wordt gesignaleerd? Zo nee, waarom niet? De leden van de JA21-fractie vragen of de regering het risico reëel acht dat een derdelander die zijn baan verliest en dit niet meldt, na afloop van de (niet-aangevangen) werkloosheidstermijn in de illegaliteit verdwijnt. Welke handhavings- en terugkeerinstrumenten staan ter beschikking, en hoeveel van dergelijke gevallen verwacht de regering jaarlijks? Welke sanctie staat op het niet (tijdig) melden van baanverlies door de derdelander, en hoe vaak is een vergelijkbare meldplicht in het verleden daadwerkelijk gehandhaafd? 3.2.3 Aanvullende bescherming bij (kortdurende) werkloosheid wegens arbeidsgerelateerde uitbuiting De leden ven de PRO-fractie vragen waarom de verlenging van de toegestane periode van verblijf voor mensen die zijn uitgebuit niet bij de implementatie is geregeld, maar pas later word tuitgewerkt in het Vreemdelingenbesluit 2000. Wat gebeurt er tot die tijd met mensen die zijn uitgebuit en wel recht hebben op langer verblijf? Waarom wordt de aanvullende bescherming van werknemers die te maken hebben pas later uitgewerkt in het Vreemdelingenbesluit 2000? De leden van de JA21-fractie vragen aan de hand van welke criteria de bevoegde instantie vaststelt dat er ‘redelijke gronden’ zijn om aan te nemen dat sprake is geweest van arbeidsgerelateerde uitbuiting. Welke bewijslast rust daarbij op de derdelander? Hoe wordt voorkomen dat een enkele, niet nader onderbouwde melding van uitbuiting volstaat om de toegestane periode van werkloosheid en daarmee het verblijfsrecht te verlengen? Deelt de regering de opvatting dat de combinatie van (a) ontslagbescherming na een klacht, (b) verlenging van de werkloosheidsperiode bij vermoede uitbuiting en (c) het recht om van werkgever te veranderen, ertoe kan leiden dat een beëindiging van het dienstverband langer en complexer wordt dan bij reguliere werknemers? Kan de regering dit uitsluiten voor de leden van de JA21-fractie? De leden van de ChristenUnie-fractie delen de noodzaak om aanvullende bescherming bij werkloosheid wegens arbeidsgerelateerde uitbuiting op te nemen. Wel vragen deze leden wanneer er sprake is van ‘redelijke gronden’ om arbeidsuitbuiting aan te nemen en wie dat vaststelt. Daarnaast vragen zij hoe de werkgever in deze gevallen actief onderzocht wordt door de Arbeidsinspectie. Tot slot vragen zij waarom deze bescherming nader wordt uitgewerkt in het Vreemdelingenbesluit 2000 en niet rechtstreeks in de wet wordt vastgelegd. 3.3 Recht op gelijke behandeling De leden van de JA21-fractie vragen de regering per beperkingsmogelijkheid uit de richtlijn (waaronder de mogelijkheid de gelijke behandeling te beperken tot werknemers die in loondienst zijn of na een minimumperiode als werkloos geregistreerd staan, en de mogelijkheid gezinsbijslagen uit te zonderen voor wie ten hoogste zes maanden mag werken) aan te geven of Nederland daarvan gebruikmaakt, en zo nee, waarom niet. De staande Nederlandse praktijk is, blijkens de toelichting, dat “alle in Nederland rechtmatig verblijvende derdelanders in gelijke mate aanspraak maken op socialezekerheidsbescherming als Nederlanders”. Kan de regering becijferen welke meeraanspraken op socialezekerheidsuitkeringen en toeslagen voortvloeien uit het feit dat de groep rechtmatig verblijvende derdelanders door dit voorstel via het recht op verandering van werkgever en de verlengde werkloosheidsperiode in omvang en verblijfsduur kan toenemen? De leden van de JA21-fractie vragen of het arrest van het Hof van Justitie van 25 november 2020 erop wijst dat socialezekerheidsuitkeringen niet kunnen worden geweigerd op de enkele grond dat gezinsleden in een derde land verblijven. Welke budgettaire gevolgen heeft dit voor uitkeringen en toeslagen die mede zien op (in het buitenland verblijvende) gezinsleden van houders van een gecombineerde vergunning? 4. Gevolgen (m.u.v. financiële gevolgen) De leden van de JA21-fractie vragen de regering het volgende scenario te beoordelen: een (al dan niet daartoe opgerichte) werkgever vraagt voor een groot aantal derdelanders een gecombineerde vergunning aan. Na de kortst mogelijke periode maken deze derdelanders gebruik van het recht om van werkgever te veranderen of melden zij zich werkloos, en benutten zij vervolgens de toegestane werkloosheidsperiode. Welke wettelijke belemmeringen staan een dergelijke constructie in de weg, nu géén minimumperiode bij de eerste werkgever wordt voorgeschreven? Welke instrumenten hebben de IND en de Arbeidsinspectie om schijnconstructies, schijndienstverbanden en malafide of uitsluitend op vergunningverlening gerichte werkgevers (waaronder uitzendbureaus, die blijkens de richtlijn onder de werkingssfeer vallen) te detecteren en te weren, en worden deze instrumenten met dit voorstel versterkt of juist verzwakt? De leden van de JA21-fractie vragen de regering uiteen te zetten of, en hoe, bij de aanvraag wordt getoetst op de reële economische substantie van de werkgever en de dienstbetrekking (waaronder de vraag of er daadwerkelijk werk, loon conform cao en bedrijfsactiviteit is), en welke gevolgen het heeft voor zowel werkgever als ingevlogen werknemer indien achteraf blijkt dat de dienstbetrekking fictief was. De leden van de BBB-fractie vragen in het bijzonder naar de verkorting van de beslistermijn bij verandering van werkgever naar 45 dagen, met een mogelijke verlenging van 15 dagen. De regering schrijft dat hiervoor werkprocessen bij de IND en het UWV moeten worden aangepast. Kan de regering toelichten of de IND en het UWV op dit moment aantoonbaar in staat zijn om deze termijnen structureel te halen? Welke risico’s ziet de regering als dat niet lukt? De leden van de BBB-fractie vragen ook naar de financiële en personele gevolgen. De regering stelt dat het voorstel geen structurele extra personele capaciteit vereist, maar schrijft ook dat extra fte nodig kan zijn om meer niet-tijdige beslissingen te voorkomen. Kan de regering dit verduidelijken? Hoeveel extra capaciteit is volgens de IND en het UWV nodig om de kortere termijnen betrouwbaar te halen? Waarom wordt nu volstaan met een incidentele dekking van maximaal 0,5 miljoen euro? Verder vragen deze leden hoe de arbeidsmarkttoets binnen deze kortere termijnen goed kan blijven plaatsvinden. Kan de regering garanderen dat snelheid niet ten koste gaat van de toets op beschikbaar arbeidsaanbod, arbeidsvoorwaarden en mogelijke verdringing op de Nederlandse arbeidsmarkt? 5. Financiële gevolgen De leden van de D66-fractie lezen dat de verkorte beslistermijnen eventueel kunnen leiden tot een hoger percentage van niet tijdige beslissingen. Deze leden lezen voorts dat om dat te voorkomen mogelijk extra fte beschikbaar moet worden gesteld, waarvan de kosten worden geschat op 0,5 miljoen euro. Deze kosten dienen te worden gedekt binnen de begroting van de IND. Kan de regering toelichten welke mogelijkheden voorgaande kan hebben op de bedrijfsvoering binnen de IND? Ziet de regering nog mogelijke risico’s wat betreft het niet tijdig kunnen realiseren van deze extra capaciteit? Welke mitigerende maatregelen staan hiervoor ter beschikking? De leden van de JA21-fractie lezen in de memorie van toelichting dat het voorstel “geen financiële gevolgen” heeft en raamt uitsluitend incidentele uitvoeringskosten van maximaal 0,5 miljoen euro bij de IND. Kan de regering bevestigen dat in deze raming géén rekening is gehouden met mogelijke meeruitgaven aan bijstand, toeslagen en overige sociale voorzieningen? Acht de regering die raming volledig, gelet op de hiervoor geschetste mogelijke aanspraken? II. Artikelsgewijze toelichting De leden van de VVD-fractie constateren dat artikel 8 lid 3 van de GVVA-richtlijn bepaalt dat de termijn voor het nemen van een besluit over een aanvraag voor een gecombineerde vergunning in uitzonderlijke omstandigheden kan worden verlengd. Wat kunnen volgens de regering deze ‘uitzonderlijke omstandigheden’ zijn? Voorts constateren deze leden dat de gevolgen van het overschrijden van de beslistermijn volgens artikel 5 lid 2 van de GVVA-richtlijn worden bepaald aan de hand van het geldend nationaal recht. Wat zijn in dit geval de gevolgen van het overschrijden van de beslistermijn voor de aanvrager? Acht de regering het waarschijnlijk dat het beperken van de verlengingsmogelijkheden tot meer overschrijdingen van de beslistermijn zullen lijden? De leden van de CDA-fractie lezen dat niet-tijdige beslissing op de nieuwe aanvraag tot een positieve beslissing moet leiden. Het gevolg is dat niet-tijdig beslissen leidt tot een beschikking van rechtswege waarin de aanvraag wordt ingewilligd. Acht de regering de kans groot dat dit vaak zal voorkomen? Hoe groot is het risico dat hierdoor vergunningen worden verleend zonder dat de arbeidsmarkttoets volledig is afgerond? De leden van JA21-fractie vragen de hoe wordt omgegaan met aanvragen die ná 22 mei 2026 zijn ingediend maar waarop vóór de inwerkingtreding van deze wet nog niet is beslist. Welk recht is op deze categorie van toepassing, en kan een derdelander zich in deze periode rechtstreeks beroepen op de voor hem gunstige bepalingen van de richtlijn (waaronder de verkorte termijnen en het recht van verandering van werkgever)? III. Overig De leden van de D66-fractie lezen dat uitsluitend aanvragen die vóór 22 mei 2026 zijn ingediend onder de werking van het overgangsrecht vallen. Deze leden constateren voorts dat hierdoor een periode is ontstaan waarin de implementatietermijn van de richtlijn reeds is verstreken, terwijl de nationale implementatiewetgeving nog niet in werking is getreden en dat het wetsvoorstel voor aanvragen in deze tussenperiode zijn of worden ingediend, geen afzonderlijke overgangsbepaling bevat. Hoeveel aanvragen zijn dan wel worden naar schatting in deze tussenperiode ingediend? Kan de regering toelichten hoe wordt omgegaan met aanvragen die zijn ingediend na 22 mei 2026? Kan de regering bevestigen of deze aanvragen worden beoordeeld met rechtstreekse toepassing van de richtlijn? De leden van de PVV-fractie vragen hoeveel fraude of misbruik met GVVA’s de afgelopen vijf jaar is geconstateerd. De leden van de PVV-fractie lezen dat bij omzetting van deze richtlijn geen beleidskeuzes hoeven te worden gemaakt. Kan de regering toelichten waarom er geen ruimte bestaat voor een restrictievere implementatie? De leden van de JA21-fractie vragen wat de oorzaak is van de vertraging waardoor de implementatietermijn van 21 mei 2026 niet is gehaald, en welke risico’s (waaronder een ingebrekestelling door de Europese Commissie en rechtstreekse werking van de richtlijn) Nederland loopt zolang de implementatie niet is voltooid. De leden van de JA21-fractie vragen of de regering bereid is de ontwerpbesluiten tot wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 ter zake van de bescherming bij werkloosheid, de middeleneis, de uitwerking van de arbeidsmarkttoets bij verandering van werkgever en de regeling bij arbeidsgerelateerde uitbuiting aan beide Kamers voor te hangen, zodat de Kamer zich kan uitspreken over de wijze waarop de waarborgen tegen een beroep op bijstand en tegen oneigenlijk gebruik worden vormgegeven. Zo nee, waarom niet? De leden van de JA21-fractie vragen op welke termijn de aangekondigde wijzigingen van het Vreemdelingenbesluit 2000 aan de Kamer worden voorgelegd, en of de regering kan toezeggen dat de hiervoor bevraagde waarborgen (middeleneis, beperking van de werkloosheidsperiode tot de richtlijnminima, en toetsing op schijnconstructies) daarin daadwerkelijk en onverkort worden opgenomen. De voorzitter van de commissie, Peter de Groot De adjunct-griffier van de commissie, Nouse 2
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.