KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een commissiedebat, gehouden op 12 maart 2025, over Personen- en familierecht

15 apr 2025 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 51fb6ff355a342e6 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202533 836Personen- en familierechtNr. 121 VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBATVastgesteld 15 april 2025 De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid heeft op 12 maart 2025overleg gevoerd met de heer Struycken, Staatssecretaris Rechtsbe-scherming, over:–de brief van de Minister voor Rechtsbescherming d.d. 26 april2024 inzake stand van zaken uitvoering motie van de ledenVan Vroonhoven en Diederik van Dijk over het wetsvoorstel«Wijziging vermelding geslacht in geboorteakte» binnen eenmaand intrekken (Kamerstuk 33 836, nr. 91) (Kamerstuk35 825, nr. 20);–de brief van de Minister voor Rechtsbescherming d.d. 21 mei2024 inzake uitvoering aangenomen moties interlandelijkeadoptie (Kamerstuk 31 265, nr. 128);–de brief van de Minister voor Rechtsbescherming d.d. 14 juni2024 inzake invulling motie van de leden Van Nispen enTseggai over meer hulp voor geadopteerden en laagdrempeligeen onbeperkte toegang tot het eigen dossier (Kamerstuk33 836, nr. 93) en motie van de leden Van Nispen en Ellian overoverdracht naar het Nationaal Archief van alle dossiers enarchieven over de tragedie van binnenlandse afstand enadoptie van 1956 tot 1984 (Kamerstuk 33 836, nr. 94) (Kamer-stuk 31 265, nr. 129);–de brief van de Staatssecretaris Rechtsbescherming d.d.4 oktober 2024 inzake adviesrapport van de Raad voorStrafrechttoepassing en Jeugdbescherming over meerouder-schap en -gezag en meerpersoonsgezag (Kamerstuk 33 836,nr. 99);–de brief van de Staatssecretaris Rechtsbescherming d.d.17 oktober 2024 inzake WODC-rapport Het Gedragen Kind.Prevalentie en Praktijk van Draagmoederschap in Nederland(Kamerstuk 36 390, nr. 6);–de brief van de Staatssecretaris Rechtsbescherming d.d.21 oktober 2024 inzake reactie op verzoek commissie over debrief van twee VN-rapporteurs over gedwongen adoptie vankinderen van ongehuwde moeders in Nederland tussen1956–1984 (Kamerstuk 31 265, nr. 131); kst-33836-121ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 836, nr. 1211 –de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 12 november 2024 inzake reactie op verzoekcommissie om kabinetsreactie op brief Stichting Verleden inZicht (Kamerstuk 31 265, nr. 132);–de brief van de Staatssecretaris Rechtsbescherming d.d.9 december 2024 inzake afbouwplan interlandelijke adoptie(Kamerstuk 31 265, nr. 133);–de brief van de Staatssecretaris Rechtsbescherming d.d.13 januari 2025 inzake voortgangsbrief internationale kinder-ontvoering (Kamerstuk 33 836, nr. 102);–de brief van de Staatssecretaris Rechtsbescherming d.d.20 februari 2025 inzake advies internationale positie vermel-ding transgender ouder uit wie een kind wordt geboren opgeboorteakte (Kamerstuk 36 481, nr. 15);–de brief van de Staatssecretaris Rechtsbescherming d.d.3 maart 2025 inzake reactie op verzoek commissie over deWet introductie gecombineerde geslachtsnaam (Kamerstuk35 990, nr. 14);–de brief van de Staatssecretaris Rechtsbescherming d.d.4 maart 2025 inzake voortgang ondersteuning en dossiers vangeadopteerden (Kamerstuk 31 265, nr. 134);–de brief van de Staatssecretaris Rechtsbescherming d.d.10 maart 2025 inzake onderzoeksresultaten meerouderschapen meerpersoonsgezag (Kamerstuk 33 836, nr. 104).Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijkverslag uit.De voorzitter van de commissie,PoolDe griffier van de commissie,BroodTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 836, nr. 1212 Voorzitter: Van NispenGriffier: PaauweAanwezig zijn acht leden der Kamer, te weten: Bikker, Diederik van Dijk,Koops, Michon-Derkzen, Van Nispen, Smitskam, Sneller en Tseggai,en de heer Struycken, Staatssecretaris Rechtsbescherming.Aanvang 14.01 uur.De voorzitter:Goedemiddag. Welkom bij de vaste Kamercommissie voor Justitie enVeiligheid. Ik open dit commissiedebat over personen- en familierecht. Ikheet van harte welkom de Staatssecretaris Rechtsbescherming met zijnondersteuning, alle mensen op de publieke tribune en alle mensen die ditdebat op een andere wijze volgen. Welkom ook aan de aanwezigeKamerleden.Tegen de Kamerleden zou ik willen zeggen dat wij vier minuten spreektijdhebben afgesproken. Er zit ook een strikte eindtijd aan dit debat, van 17.00uur. De ervaring is dat dit toch altijd snel dichterbij komt, oftewel: deambitie is om dit debat volwaardig af te ronden. Daarom zou ik willenvoorstellen om het aantal interrupties in de eerste termijn van de Kamerte beperken tot drie vragen. Er zijn drie interrupties mogelijk, dus geenvraag en vervolgvraag, maar drie spreekmomenten. Doet u dat vooral korten bondig, want dan kunnen we straks het debat met de Staatssecretarisvoeren en het daarna afronden. Als niemand daar bezwaar tegen maakt,gaan we dat op die manier doen. Ik geef als eerste het woord aan de heerKoops, die spreekt namens NSC.De heer Koops (NSC):Meneer de voorzitter, dank u voor het woord. Laat ik mij allereerst richtentot de toeschouwers in de zaal en misschien ook thuis. Er staat dezemiddag een enorm aantal onderwerpen op de agenda. Ik vind de tijd diedaarvoor is uitgetrokken beperkt. Dat is tot op zekere hoogte betreurens-waardig, simpelweg omdat elk van deze onderwerpen botweg gaat overliefde, over het overgaan van liefde en over zelfliefde of hoe je het ook wilnoemen. Dit zijn onderwerpen waarover de Kamer beslissingen moetgaan nemen die elk individu in de maatschappij kunnen raken. Daar zijnwe ons allemaal buitengewoon van bewust. Ik ben ook van plan om mij zovoorzichtig mogelijk, maar wel duidelijk uit te drukken. Dat zeg ik forstarters. Ik beperk mij in het aantal onderwerpen. Ik heb gewoon niet detijd om over alles iets te zeggen.De eerste vraag betreft de Transgenderwet. Daar is vorig jaar in de lenteeen hele hoop gedoe over geweest. Er is toen een motie aangenomen dieertoe strekte dat de wet werd ingetrokken. De voorganger van deStaatssecretaris heeft gezegd: dat doe ik niet, want ik vind het een goedewet. Dat staat met zoveel woorden in de brief aan de Kamer. Mijn vraagaan de Staatssecretaris is: waarom is deze wet nog steeds nietingetrokken? Deelt hij het standpunt van zijn ambtsvoorganger dat ditinderdaad een goede wet is? Daar voeg ik aan toe dat ik het namensNieuw Sociaal Contract eenvoudigweg geen goed idee vind als minderja-rigen zelf de beslissingsbevoegdheid krijgen om hun geslacht te latenveranderen.Het tweede punt in diezelfde Transgenderwet betreft het afschaffen van dedeskundigenverklaring die op dit moment vereist is. Ik heb er heel goedover nagedacht of dat helemaal moet worden afgeschaft. Ook dat lijkt mijgeen goed idee. Ik vind het dus geen wet waar ik voor zou gaan stemmen,vandaar de vraag waarom die nog niet is ingetrokken.De voorzitter:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 836, nr. 1213 Een korte interruptie van mevrouw Michon-Derkzen.Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):Dit is dus precies de reden waarom we het over deze wet moeten gaanhebben. Dat valt mij dus zeer tegen van de fractie van NSC, die goedbestuur en al dat soort goede punten eigenlijk in het DNA heeft zitten. Alsje inhoudelijk van mening kan verschillen over een wet – dat zullen wijhier allemaal aan tafel doen – moeten we het daar in een debat overhebben. Dat is dus precies de reden waarom de VVD-fractie niet voor diemotie heeft gestemd en waarom ik de Minister zou willen oproepen omhet wél over deze wet te hebben in een debat in de plenaire zaal. Daarwisselen we standpunten uit, maak je de balans op en kies je of je vooreen wet bent of tegen; dat staat iedereen vrij. Maar ik vind het nou juistgeen teken van goed bestuur als er wordt aangedrongen op het intrekkenvan een wet als die een partij niet aanstaat. Wat is de reactie van de heerKoops daarop?De voorzitter:De interruptie was al ietwat aan de lange kant. Misschien kan hetantwoord wat beknopter.De heer Koops (NSC):Zo werkt het toch niet, meneer de voorzitter? Ik mag dezelfde tijd nemen.Ik ben niet verbaasd over de interruptie. Ik ga niet in herhaling vallen overde merites van de motie die vorig jaar is ingediend. Ik focus geheel op hetfeit dat de motie bij meerderheid is aangenomen door de Tweede Kameren dat je in zo’n situatie, naar mijn inzicht, niet voorbij kan gaan aan watde meerderheid van de Kamer wil: geen debat over deze wet. Voor hetoverige ondersteun ik die wet inhoudelijk dus niet. Dat is de reden om tepersisteren in de vraag aan de Minister.De voorzitter:Gaat u verder met uw betoog. O, er is een interruptie van de heer Sneller.De heer Sneller (D66):Ja, omdat dit geen antwoord is op de terechte vraag van mevrouwMichon-Derkzen. Je kunt hierover van mening verschillen. De heer Koopsbegint hier over meerderjarig of minderjarig, maar daarmee hoeft die helewet niet meteen van tafel te zijn. Dit kan ook gewoon een inhoudelijkdebat zijn. Dan kunnen wij als Kamer het recht van amendementgebruiken om dat soort dingen ter discussie te stellen. Het feit dat hetkabinet een eigenstandige positie heeft als het gaat om het uitvoeren vandie motie doet daar toch niets aan af? Volgens mij is dat ook wat ditkabinet gezegd heeft, want dit voorstel zat niet bij de lijst van in te trekkenwetsvoorstellen. Dan blijft het punt van goed bestuur – dat betekent: hetdebat aangaan – staan.De heer Koops (NSC):Dit is de tweede interruptie over hetzelfde onderwerp. Ik blijf het herhalen:ik focus mij hierop omdat de meerderheid van de Kamer zich al hieroverheeft uitgesproken. Dan lijkt het mij niet logisch om dat debat, de vraag ofdie wet moet worden ingetrokken, nogmaals over te doen vanwege hetsimpele feit dat de wet niet op de «bijlslaglijst» – het is zo’n soort woord –of in ieder geval op de lijst met de in te trekken voorstellen stond. Ik weetniet waarom dat zo is. Misschien kan de Staatssecretaris die vraagbetrekken bij het antwoord; dat is wat ik aan hem vraag.Ik kom bij iets van een volkomen andere orde, iets wat ik nog niet eerderheb gedaan in deze Kamer, geloof ik. Ik ga een heel groot complimentgeven aan de Staatssecretaris. Ik weet niet eens of dat mag, maar ikgebruik daar toch een stukje van mijn vier minuten voor. Dan heb ik hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 836, nr. 1214 over dat afbouwplan voor internationale adoptie. Ik heb dat stuk gewoonmet bewondering gelezen. Ik vond het prachtig en zorgvuldig. Ik vond detaal- en woordkeuzes ook zeer terecht en zeer goed. Voor de dames enheren in de zaal die dat stuk niet hebben gelezen: het gaat hier inderdaadom een uitermate emotioneel onderwerp. Daarbij heeft het kabinet ooggehad voor alle verschillende stadia waarin adoptieprocessen zich op ditmoment bevinden. Ik vind de manier waarop het kabinet dit moeilijkeonderwerp heeft aangepakt en nu aan ons heeft voorgeschoteld ronduitmoedig.Dan ga ik bliksemsnel door naar een volgend onderwerp.De voorzitter:Maar eerst is er nog een interruptie van de heer Van Dijk.De heer Diederik van Dijk (SGP):Juist dat royale compliment lokt een interruptie uit, omdat er juridischgezien – en ik weet dat de heer Koops wel gevoelig is voor dat aspect –nog wel wat vragen te stellen zijn, heel veel vragen zelfs. Ik vat ze evenkort samen. Als je al van interlandelijke adoptie zou willen afkomen, zul jede Wobka in de ijskast moeten zetten. Als je dat zou willen doen, zul je ookaf moeten van het Haags Adoptieverdrag. Die route wordt op dit momenthelemaal niet gevolgd. Zitten we dan juridisch gezien niet in een helemistige situatie, die veel verwarring geeft voor mensen die zo’n procedurezouden willen starten?De voorzitter:De heer Koops.De heer Koops (NSC):...De voorzitter:Sorry, ik deed iets verkeerd met de microfoon. Probeert u het nog eens.Sorry.De heer Koops (NSC):Voorzitter, ik begrijp hieruit dat u liever niet ziet dat ik op deze interruptieinga. Ik heb het grootste respect voor de steller van deze vraag, net alsvoor de standpunten van de SGP. Ik deel die standpunten op dit momentalleen niet. Ik wil me graag beperken tot de opmerking dat ik de strekkingvan de notitie over dat afbouwplan zoals die nu op dit moment voorligt,dusdanig onderschrijf dat ik met een uiterst welwillende blik kijk naar dejuridische problemen die daarachter schuil kunnen gaan. Dat wilde ikdaarover zeggen.De voorzitter:De heer Diederik van Dijk heeft een vervolgvraag.De heer Diederik van Dijk (SGP):Inderdaad met alle respect: u zegt dat u de strekking van de briefonderkent. In mei 2024 heeft de toenmalige Minister gezegd dat hij gaatstoppen met de uitvoering van de Wobka, maar die Wobka geldt noggewoon! Daarom zijn er ook na die datum nog steeds nieuwe aanvragenin behandeling genomen; dat zegt al heel wat. Dus nogmaals: als je dat alzou willen, die Wobka in de ijskast zetten, vergt dat onder meer dat je ookafscheid neemt van het Haags Adoptieverdrag. Heeft de heer Koops datook voor ogen? Erkent hij daarmee ook dat die procedure niet gevolgd isen dat we daarom nu in een heel problematische juridische situatie zitten?Het kabinet is namelijk, op grond van het Haags Adoptieverdrag endergelijke, gewoon gehouden aan zijn verdragsrechtelijke verplichtingen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 836, nr. 1215 De heer Koops (NSC):Noemt u mij een leek op dit gebied? Mijn kennis over dit onderwerp komtvoort uit de stukken die aan deze vergadering ten grondslag liggen. Ikvind dat het lid van de SGP een uitermate zinvolle vraag stelt. Die pass ikgraag door naar de Staatssecretaris, in de hoop dat hij ook op die vraagantwoord zal geven. Het is namelijk gewoon een belangrijk onderwerp;dat ben ik helemaal met u eens.Ik kom daarmee bij het volgende onderwerp: internationale kinderontvoe-ringen. De directe aanleiding om hierover te beginnen is een werkbezoekdat ik afgelopen maandag heb afgelegd aan een stichting die zichbezighoudt met zowel de preventie van internationale kinderontvoeringals de oplossing van internationale kinderontvoering, mocht het onver-hoopt toch gebeuren. Ik hecht er meteen aan om op te merken dat hetwoord «kinderontvoering» stigmatiserend werkt. We hebben het hier defacto over «het onttrekken aan het gezag». Je kan elk woord gebruiken datje wilt, maar feit is dat er een directe samenhang bestaat tussen demogelijkheid dat een kind uit huis wordt geplaatst en de actie van deouder die dat kind dan, zoals het heet, ontvoert. Op het moment dat deRaad voor de Kinderbescherming aankondigt een onderzoek te starten omte beoordelen of een kind thuishoort in het huis waar het verblijft, kan datescalerend werken. Die kans is er ongeacht of het kind verblijft bij demoeder, de vader of bij welke ouder dan ook. Ik heb zelf kinderen. Ik weetniet wat ik zou doen als ik de kans liep dat mijn kind bij mij werd wegge-haald. Ik weet niet wat ik zou doen om dat te voorkomen, maar dat is veel,zo niet alles, want ik houd nu eenmaal van mijn dochters. Dat is hetgevolg ervan.Vergeef me dat ik over mijn tijd heen ga. Ik ga direct door. Heel kort. Daarhoort ook het volgende bij. Als twee ouders op dit moment uit elkaar zijn,kan een van hen een kind laten uitschrijven van het GBA-adres, zonder datde ander daarvan op de hoogte is of op de hoogte wordt gesteld. Datbetekent dat die voor een voldongen feit kan worden geplaatst en te laatachter de situatie komt. De vraag aan de Staatssecretaris is of hij op datonderwerpje wil ingaan. Kan de ouder die niet de uitschrijving doet,hiervan op de hoogte worden gesteld?De voorzitter:Ik dank u wel. Dan geef ik het woord aan de heer Smitskam namens dePVV.De heer Smitskam (PVV):Dank u wel, voorzitter. Het lijkt wel of de heer Koops mijn spreektekstheeft gekopieerd. Een aantal zaken zijn een-op-een vergelijkbaar.De heer Koops (NSC):Dat is een first!De heer Smitskam (PVV):Voorzitter. De wereld om ons heen verandert in verschillende opzichten.Zo hebben we in de voorbije jaren onder andere kunnen constateren dater veel genderdiscussies zijn geweest, dat het behoud van de traditionelegezinsstructuur voor bepaalde groepen in de samenleving niet heilig is endat er ouders zijn die met elkaar overhoopliggen en hun kinderen alsspeelbal gebruiken. Kortom, er liggen, waar het familierecht betreft,uitdagingen die om oplossingen vragen. Voor dit debat over familierechtwil ik daarom vier punten onder de aandacht brengen bij de Staatssecre-taris.Voorzitter. De Tweede Kamer heeft met een meerderheid een motieaangenomen die oproept tot intrekking van het wetsvoorstel over dewijziging van de geslachtsvermelding in de geboorteakte. Echter, devorige Minister heeft ervoor gekozen om de democratische wil te negeren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 836, nr. 1216 Dat is een schoolvoorbeeld van bestuurders die identiteitspolitiekbelangrijker vinden dan de volksvertegenwoordiging. In plaats vanenergie te steken in wokesymboliek zou de regering zich moeten richtenop urgente problemen. Hoe denkt deze Staatssecretaris over het uitvoerenvan de aangenomen motie?Dan punt twee. Ook met betrekking tot gezinsmodellen met meerouder-schap en meeroudergezag kunnen we onszelf afvragen: gaat het om eenvooruitstrevende stap naar de toekomst of om een kortstondigexperiment dat voortkomt uit een tijdgeest die zomaar weer tot hetverleden kan gaan behoren? Het kan leiden tot juridische complicaties,met name rond ouderlijke verantwoordelijkheden, erfrecht en gezagsver-houdingen. Het kan conflicten veroorzaken, vooral als de wensen vanmeerdere juridische ouders uiteenlopen. Daarnaast roept het vragen opover de stabiliteit en emotionele belasting voor het kind, dat zich in eencomplexe dynamiek met meerdere gezagsdragers kan bevinden. Dezeexperimentele modellen lijken eerder de belangen van volwassenen tedienen dan die van het kind, wat tot complexe situaties kan leiden.Daarom zullen wij dit niet steunen.Voorzitter. Dan het volgende. Een duidelijk registratiesysteem voorkinderontvoering ontbreekt bij het Openbaar Ministerie. Hoeveel zakenworden er daadwerkelijk vervolgd? Hoeveel veroordelingen komen hieruitvoort? Dat is nu niet inzichtelijk. Wat de PVV betreft moet de Staatssecre-taris daarom zorgen voor een centrale en transparante registratie. Is hijdaartoe bereid?Daarnaast is het zorgwekkend dat een ouder met gezag een kind kanuitschrijven uit het bevolkingsregister zonder toestemming van de anderegezaghebbende ouder. Zonder de wet te hoeven wijzigen, kan deStaatssecretaris gemeenten verplichten om de andere ouder op de hoogtete stellen van het voornemen om zijn of haar kind uit te schrijven bij hetbevolkingsregister, zodat er eventueel een bezwaarprocedure kan wordeningesteld. Bij bezwaar mag uitschrijving dan pas plaatsvinden na eenrechterlijke toetsing. Is de Staatssecretaris ertoe bereid dit spoedig in ordete maken?De heer Koops (NSC):Ik begrijp onmiddellijk wat het lid van de PVV bedoelt met de «overlap»tussen onze standpunten, maar op dit laatste punt heb ik een verhel-derend bedoelde vraag. Het fenomeen waar ik de grootst mogelijke hekelaan heb, zijn de vechtscheidingen. Er volgt zo’n bak ellende als ouders hetconflict escaleren in plaats van de-escaleren. Daar moet iets aan gebeurenwat mij betreft. Maar als we het hebben over het voornemen totuitschrijven en een bezwaarprocedure die daarop kan volgen, vraag ik meaf of dat niet ook escalerend kan zijn. Daar zouden ouders elkaar mee inde haren kunnen gaan vliegen. Zou het niet beter zijn om de verplichtingin het leven te roepen om de andere ouder meteen op de hoogte testellen, maar geen beslissingsmacht te geven over het uitschrijven zelf?Dat is mijn open vraag.De heer Smitskam (PVV):Ik begrijp u volledig. Het gaat ons er vooral om dat de andere ouder demogelijkheid krijgt om bezwaar te maken tegen het uitschrijven. Hoe jedan zit in een situatie van vechtscheidingen en dergelijke, daar wil ik meeven buiten houden. Het gaat erom dat het nu mogelijk is om een kind uitte schrijven zonder dat de andere ouder daarvan op de hoogte is. Datwillen we aangepakt zien.De voorzitter:Gaat u verder.De heer Smitskam (PVV):Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 836, nr. 1217 Tot slot, voorzitter. Jaarlijks worden naar schatting tussen de 30 en 50kinderen geboren met behulp van een draagmoeder. Wensouders moetennu na de geboorte een adoptieprocedure doorlopen om juridisch ouder teworden. Met het afbouwen van interlandelijk adoptie betekent dit dat erstraks geen gebruik meer kan worden gemaakt van draagmoeders uit hetbuitenland. Dat neemt veel risico’s weg. Denk bijvoorbeeld aan demisstanden die aan het licht zijn gekomen bij de commerciële draagmoe-derschapsindustrie in Oekraïne. Slechte behandeling van draagmoeders,dwang en uitbuiting, soms grenzend aan mensenhandel; dat is allemaalzeer zorgelijk. We gaan interlandelijke adoptie afbouwen omdat wemisstanden niet kunnen voorkomen. Met diezelfde insteek beoordelen wijhet wetsvoorstel inzake draagmoederschap. Kan de Staatssecretarisaangeven in hoeverre misstanden hiermee kunnen worden tegengegaan?De voorzitter:Dank u wel. Dan geef ik het woord aan de heer Diederik van Dijk, diespreekt namens de SGP.De heer Diederik van Dijk (SGP):Dank u wel, voorzitter. Niemand zo kwetsbaar als een kind. Hetuitgangspunt van de SGP is daarom dat bij wetgeving en beleid rondomkinderen het belang van het kind voorop wordt gesteld. Dit principebenoem ik allereerst bij het wetsvoorstel draagmoederschap. Dit is eencomplex en gevoelig onderwerp. Bij het aangaan van een draagmoeder-schapstraject wordt te veel gerekend met de belangen van wensouders enwordt te weinig stilgestaan bij het feit dat draagmoeders wordengereduceerd tot baarmoeder en kinderen als handelswaar worden gezien.De SGP heeft grote zorgen over de autonomie van de draagmoeder en dehechting van het kind. Twee vragen. Eén. Moet je elke wens van een inomvang zeer marginale groep in wetgeving vastleggen? Zijn we daarbijniet vooral bezig met het creëren van problemen? Twee. Kan de Staatsse-cretaris in het licht van dit voorstel reflecteren op artikel 7 van hetInternationaal Verdrag inzake de rechten van het kind? Kort gezegd staatdaarin dat het kind recht heeft op de eigen ouders.De voorzitter:U heeft op dit punt een interruptie van mevrouw Michon-Derkzen.Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):Iedere partij en iedere collega heeft recht op een eigen mening, maar ikvind het wel belangrijk dat we de feiten benoemen als die er zijn. Overdraagmoederschap hebben we bij de stukken het WODC-rapport met detitel Het Gedragen Kind. Dat gaat heel uitvoerig in op de bescherming vanhet kind en de bescherming van de draagmoeder. In dat kader zou ik – laatik het als een vraag stellen – aan de collega van de SGP willen vragen ofhij kennis heeft genomen van dat rapport. Is hij het met de fractie van deVVD eens dat het goed zou zijn als wij het met elkaar inhoudelijk over diewet gaan hebben, die voorligt, maar nog steeds in de boezem van hetministerie ligt? Dan kunnen we namelijk met elkaar bekijken of die wetvoldoet aan alle onderzoeken en aan alle standpunten die we hier aantafel ook op dit onderwerp hebben.De heer Diederik van Dijk (SGP):Dank voor deze vraag. Ik heb uiteraard het WODC-rapport gelezen, maarook allerlei andere zaken, zoals het wetsvoorstel zelf, met alles watdaarover verschenen is, ook vanuit het kabinet destijds. Ik zie daar heelvaak het regenboogakkoord et cetera in terugkomen. Er zit een heel sterkevooropstelling in van de wensen van wensouders. Bij een kinderwens kanik me van alles voorstellen, maar ik kan me er niks bij voorstellen dat je erbewust voor kiest om al voor de geboorte te besluiten een kind los teTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 836, nr. 1218 snijden van de moeder. Daarbij komt dan ook nog eens al het misbruik datkan plaatsvinden van kwetsbare vrouwen die hun baarmoeder terbeschikking stellen aan derden. Dus hoe eerder dit wetsvoorstel zalworden ingetrokken door het kabinet, hoe liever het mij zou zijn.De voorzitter:U was beiden tegelijk en u wijst ook nog beiden naar elkaar. Ik geef eerstde heer Koops het woord en daarna de heer Van Nispen.De heer Koops (NSC):Dat onthoud ik, meneer de voorzitter. Na dit vurige en vlammende betoogover zo’n beladen onderwerp als het draagmoederschap heb ik devolgende vraag. Hoe kijkt het lid van de SGP ertegen aan als wij aan deregering, aan de Staatssecretaris, zouden vragen om nader onderzoek tedoen naar de consequenties voor het kind en de moeder op het momentdat er sprake is van draagmoederschap? Ik begrijp heel goed hoeprincipes hier ook een rol spelen, maar voor mij zou vooropstaan of hetecht zo ís. Zouden we de schaarse capaciteit die we hebben om dergelijkeonderwerpen te onderzoeken om daar echt zorgvuldige besluiten in tenemen, voor dit onderwerp moeten inzetten? Dat is mijn vraag.De heer Diederik van Dijk (SGP):Ik ben op zich nooit tegen onderzoeken. Tegelijkertijd, als iets evident is enook is neergelegd in verdragen ... Ik verwees niet voor niks naar hetInternationaal Verdrag inzake de rechten van het kind. Die verdragen zijngestoeld op de onvervreemdbare band tussen een kind en zijn biologischemoeder. Eerlijk gezegd kunnen we dat onderzoeken tot we een ons wegen– er zullen altijd wetenschappers te vinden zijn die zeggen dat het allemaalwel los zal lopen – maar daar geloven wij niet in. Nogmaals, dat zou ookstrijdig zijn met het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kinden andere verdragen. De band tussen een kind en de biologische moederis onvervreemdbaar. Daar moeten we echt van afblijven, daar moeten werespect voor hebben en die moeten we juist op allerlei manieren bij elkaarhouden.De heer Sneller (D66):Ik was het Oude Testament aan het lezen. Daarin kwam ik Hagar, Abrahamen Sara tegen. Daar weet de heer Van Dijk een stuk meer van dan ik, dusik zal dit niet theologisch proberen uit te diepen, ook niet wat er metIsmaël gebeurde. Wat ik hiermee wil zeggen, is dat dit soort dingengebeuren, ruim voor elke wettelijke regeling. Die wettelijke regeling kan erjuist voor zorgen dat je waarborgen kan inbouwen. Het zou uiteindelijktoch ook in het belang van het kind kunnen zijn om dat soort waarborgente hebben, in plaats van weg te kijken, geen wettelijke regeling te hebbenen het te laten gebeuren op de manieren zoals het gaat als we het nietgereguleerd hebben?De heer Diederik van Dijk (SGP):Ik begrijp wat de heer Sneller zegt. Ik juich het van harte toe dat mijnD66-collega veel in de Bijbel leest, ook in het Oude Testament. Ik zal ergeen lang verhaal over houden, maar inderdaad, dit soort toestandenkomen we ook tegen in het Oude Testament. Het geeft alleen maarellende. Het wordt ook op geen enkele manier goedgekeurd door God,maar dat terzijde. Dan uw vraag. Als ik u goed begrijp, gaat dat toch uitvan de gedachte dat burgers dingen met elkaar bedenken en bepaaldewensen hebben. Maar is de overheid dan gehouden dat te gaan faciliterenof dat in een regeling vast te leggen? Dan zeg ik dus: nee, hier past voorde overheid een heel duidelijk nee tegen draagmoederschap. Dat is hoehet in de ogen van de SGP zit. We moeten hier gewoon niet aan beginnen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 836, nr. 1219 We moeten dit niet gaan faciliteren en regelen, want als vanzelf norma-liseer je het daarmee, en daar moeten we ver van blijven.De voorzitter:U kunt vervolgen.De heer Diederik van Dijk (SGP):Voorzitter. Het belang van het kind is al decennialang geïncorporeerd inverdragen. De SGP blijft interlandelijke adoptie in geval van uiterstenoodzaak zien als kinderbeschermingsmaatregel. Het wegvallen van dezemogelijkheid zou in strijd zijn met verdragen die dit belang beschermen.Het voorgestelde afbouwpad voor interlandelijke adoptie waarbij sprake isvan een ontmoedigingsbeleid strijdt met verdragsrechtelijke verplich-tingen, zoals artikel 21 en 35 van het IVRK en het Haags Adoptieverdrag.Hoe wil de Staatssecretaris aan deze verdragen blijven voldoen als hij deWobka intrekt? Gaat hij het Haags Adoptieverdrag ook opzeggen? HetHaags Adoptieverdrag is juist opgesteld om problemen rondom interlan-delijke adopties te voorkomen en voorziet in het subsidiariteitsbeginsel.De commissie-Joustra deed onderzoek naar de periode van vóór ditverdrag. Is het niet onzorgvuldig om deze verregaande conclusies tetrekken met betrekking tot de huidige situatie op basis van dit rapport?Hoe voorkomt de Staatssecretaris dat we teruggaan naar de situatie vanvóór deze verdragen, waarbij het niet ondenkbaar is dat er ongeregu-leerde kinderhandel plaatsvindt?Voorzitter. Het is verstandig dat het kabinet een streep zet door de plannenom meer dan twee juridische ouders of gezagsdragers mogelijk te maken.De doelgroep is bijna nihil, hun problemen zijn beperkt, maar decomplexiteit in de uitvoering is enorm en het risico op getouwtrek rondkinderen neemt toe. De SGP vindt het bevreemdend hoe meerouderschapwordt onderbouwd. In de zeven kernen voor goed ouderschap van destaatscommissie wordt de biologische relatie schaamteloos gebagatelli-seerd. Als je de RSJ leest, zou je bijna denken dat het ideaal zou zijn alsalle kinderen meer dan twee ouders hebben, want dan heb je bij eenscheiding extra volwassenen die de twist kunnen dempen. Dit is tochwereldvreemd?Voorzitter. De reactie op de motie van mijn collega Flach over de moederin de burgerlijke stand is onbevredigend, zowel wat betreft de uitleg alswat betreft de toepassing. De commissie internationaal privaatrecht steltdat de bewijskracht van de geboorteakte los zal staan van het woord«moeder». Dat is een vreemde redenering. De wet verbindt de bewijs-kracht toch uitdrukkelijk aan de geboorte uit een moeder? Is de Staatsse-cretaris er bovendien mee bekend dat de internationale modellen waaraanNederland zich heeft gebonden alleen een vader en een moeder kennen?Dan kunnen we toch als Nederland niet een eigen uittreksel gaan makendat er uiterlijk op lijkt?Voorzitter, mijn laatste punt. Bijna een jaar geleden nam de Kamer eenmotie aan om de Transgenderwet in te trekken. Op de agenda vanvandaag staat de afdoeningsbrief waarin staat dat de motie niet zalworden uitgevoerd. Hiermee blijft het wetsvoorstel boven de markthangen. Het kabinet komt vervolgens zelf ook op generlei wijze in actie. Isde Staatssecretaris voornemens dit besluit te herzien en dit wetsvoorstelalsnog binnen een maand in te trekken?Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel. Het woord is aan de heer Sneller, die spreekt namens D66.De heer Sneller (D66):Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 836, nr. 12110 Dank, voorzitter. Goed dat we dit debat weer eens hebben, want het zijnonderwerpen die diep ingrijpen in menselijke levens, terwijl we het veelvaker over strafrechtelijke onderwerpen hebben.Laat ik beginnen met de relatie tussen kinderen en ouders. Ten eerstemeerouderschap. Veel kinderen in ons land groeien natuurlijk gewoon opmet meer dan twee ouders, bijvoorbeeld met een stiefouder of eenbetrokken draagmoeder. Er zijn wel 150.000 van zulke meerouderge-zinnen. Uit het WODC-onderzoek blijkt dat een op de vijf problemenervaart. Zo’n 15.000 gezinnen zouden wettelijke erkenning voor hunsituatie aanvragen als dat kon. De RSJ vindt een erkenning van meerou-derschap in het belang van kinderen. Ik hoor dat daar door sommigenanders naar wordt gekeken, maar dit vindt D66 ook al jaren. Ook destaatscommissie werd gememoreerd. Die adviseerde daar in 2016 al toe.De Staatssecretaris zegt in de brief eigenlijk: die trein stopt hier. Dat is nietomdat het niet kan, want volgens mij moet hij erkennen dat het technischgezien allemaal wel mogelijk is, maar omdat het geld niet beschikbaar is.We vinden dit te veel geld kosten. Welk bedrag zou dan wel acceptabelzijn? Of laat hij hier duizenden ouders en kinderen in de steek?Wat D66 betreft is die regeling ook niet helemaal optioneel. Juistgeredeneerd vanuit het belang van het kind is het belangrijk dat diegevallen juridisch kunnen worden vastgelegd. Dat onderstreept de RSJook. Het lijkt dus meer een politiek ingegeven redenering om er nuhelemaal mee te stoppen. Ik hoor daar toch nog graag wat meer over vande Staatssecretaris. Hoe zit dat nou? Is het bijvoorbeeld wel mogelijk omer in nieuwe regelgeving rekening mee te houden, zodat het in detoekomst wel geregeld wordt? We zijn nu soms onomkeerbare stappenaan het zetten die het weer moeilijker maken om deze regeling ooit in tevoeren. Ik hoor dus graag wat er mogelijk is. Datzelfde geldt voor demogelijkheden om dit voor te bereiden. In de brief staat namelijk eencapaciteitsargument. Is het mogelijk om dit wel voor te bereiden voor hetmoment dat er een coalitie zou komen die wel bereid is om hier 5 miljoenvoor uit te trekken?Dan het draagmoederschap. Daarbij zien we eigenlijk eenzelfde soortdynamiek. Het bestaat al jaren en het gebeurt tientallen keren per jaar. Dejuridische waarborging is ruim onvoldoende. Dat geldt niet alleen voor demensen met een aangeboren aandoening. Ook voor regenbooggezinnenkan het een oplossing zijn, ook in het belang van het kind. Waar wacht deStaatssecretaris bij deze wet op? De vragen zijn namelijk al een tijdgeleden gesteld. Ik hoop dat we die snel kunnen gaan behandelen in deKamer.Mensen die scheiden, krijgen vanaf dat moment het predicaat«gescheiden» in de BRP. Dat dragen ze de verdere rest van hun leven mee,tenzij ze opnieuw trouwen; dan staat er opeens weer «gehuwd». Onlangsstond er in de krant het verhaal van een vrouw, een 60-plusser, die in haarjeugd een paar jaar getrouwd was geweest en de rest van haar leven dus«gescheiden» was, terwijl haar ex-partner die hertrouwd is vervolgens als«gehuwd» te boek staat. Is er nou niks te regelen om ervoor te zorgen datdat op een gegeven moment vervalt? Het herinnert deze mensen aan eenpijnlijke situatie en een pijnlijk verleden. Is er geen mogelijkheid om dit inde BRP op een betere manier te regelen, die wel recht doet aan watMinister Dekker in het verleden heeft gezegd, namelijk het belang van hetnavolgbaar houden van wat er in iemands levensloop is gebeurd?Uiteindelijk zijn er op een gegeven moment toch geen juridische gevolgenmeer uit dit feit.Voorzitter. Dan als laatste adoptie. Ik ga de discussie over het principebe-sluit niet helemaal overdoen, maar ik sluit mij aan bij de vraag over dezorgvuldige afbouw. Mijn vraag is vooral wat er wordt gedaan aan desluiproutes die eigenlijk vóór deze wetgeving ook al bestonden. Die warener met een reden en die komen nu weer op, want mensen zullen toch omTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 836, nr. 12111 de wet heen werken. Wat wordt er gedaan om die te monitoren en voorzover mogelijk goed af te bakenen?Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel. Het woord is aan mevrouw Michon-Derkzen. Die spreektnamens de VVD.Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):Dank, voorzitter. Ik wil beginnen met binnenlandse adoptie. Voor de VVDzit hier een nieuw gezicht, maar de lijn is consistent. Vorig jaar heeft mijncollega Ulysse Ellian samen met de heer Van Nispen een motie ingediendom te vragen om volledige en onbeperkte inzage in de dossiers van deafstandsmoeders en de groep kinderen die in de periode «56 tot «84 zijngeadopteerd. De commissie-De Winter doet daar ook onderzoek naar. Hetis een zwarte of in ieder geval heel sombere zaak. We kijken erg uit naarde resultaten van commissie-De Winter.Er was brede steun in de Kamer voor onbeperkte en volledige toegang totde dossiers. Maar dat is niet de praktijk. Wat ik ingewikkeld vind, is dat hetvoor alle betrokken een pijnlijk feit uit hun bestaan is. Collega’s voor mijhebben dat ook al gezegd. De motie heeft in april vorig jaar een Kamer-meerderheid gekregen. We krijgen er nu, een jaar later, een reactie op. Hetis een lange brief met veel juridische adviezen daarachter. Maar in de brieflees ik geen concludente passages. Daarom vraag ik in dit debat wie nuécht die onbeperkte en volledige toegang heeft. Geldt dit ook voor hetnageslacht van de geadopteerde? Dat is juist ook voor hen van belang,want zij willen ook weten waar ze vandaan komen. Waarom is erüberhaupt geen afstemming geweest over de uitvoering van deze motiemet de groepen belanghebbenden, vraag ik de Staatssecretaris.Waarom volgt de Staatssecretaris niet direct het advies van de landsad-vocaat op? Ik zal het niet al te technisch maken, maar die zegt dat je opbasis van de Archiefwet juist ruimhartiger kunt zijn in het toegankelijkmaken van deze informatie, omdat degene waar het om gaat daar directbelang bij heeft. Deze afstammingsinformatie is een recht van iedereendie hierbij betrokken is; dat hebben we hier volgens mij allemaalvastgesteld. Het gaat niet alleen om weten waar je vandaan komt. Het isook belangrijk omdat het kan gaan over je gezondheid en andereessentiële zaken.Ik zou ook graag aan de Staatssecretaris willen vragen wat hij vindt vaniets wat ik heel sympathiek vind, namelijk de wens van afstandsmoedersom een brief toe te voegen aan de dossiers, zodat je ook nog aan jenageslacht een eigen visie op het verleden kunt toevoegen.Er is voor een heel aantal betrokkenen een restarchief bij de Raad voor deKinderbescherming. Kan daar in het archief dat naar het Nationaal Archiefgaat melding van worden gemaakt, zodat je in ieder geval weet dat er nogmeer is en dat dit wellicht op een ander moment komt? Voor wanneer datdan komt, is weer een wettelijke bepaling nodig. Ik zou de Staatssecretariswillen vragen om echt snelheid te betrachten hiermee. De afstands-moeders kunnen al op hoge leeftijd zijn. We kunnen niet nog jarenlangwachten op een wetstraject. Als ik het goed begrijp, wordt deze wetsbe-paling meegenomen in het wetstraject dat eraan zit te komen voor deafbouw van interlandelijke adoptie. Dat gaat wat mij betreft veel te langduren.Voorzitter. Dan nog twee andere punten die ik in dit debat naar voren wilhalen: draagmoederschap en meerouderschap. Van het draagmoeder-schap vind ik kort gezegd dat we het debat daarover in de Kamer moetenvoeren op basis van de wet die voorligt. We hebben in 2016 een adviesgekregen van de staatscommissie. Sinds het voorjaar van 2023 ligt er eenwetsvoorstel. Er liggen vragen sinds oktober. We wachten nu op deantwoorden. Wanneer gaan we die zien?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 836, nr. 12112 Voorzitter. Dan meerouderschap. Ik zal het kort houden. Ik wil mijnteleurstelling uitspreken omdat de Staatssecretaris onderzoek oponderzoek stapelt. Ik zie geen enkele actie om het daadwerkelijk van degrond te krijgen. Ik vraag hier dan nog maar een keer: klopt dit, kan deStaatssecretaris het bevestigen? Waarom dan wel al die onderzoeken?Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel. U heeft nog een interruptie van mevrouw Tseggai.Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):Ten aanzien van het laatste punt over meerouderschap vraag ik mij hetvolgende af. Ik ken de VVD als een principieel ondertekenaar van hetregenboogakkoord. Mocht er vanuit de Kamer een tegenvoorstel komenom toch aan de slag te gaan met dat advies, zou de VVD dat dan steunen?Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):Ik weet niet zo goed wat u bedoelt met «dat advies», maar als mevrouwTseggai mij vraagt wat ik van meerouderschap vind, dan is mijn antwoorddat ik inderdaad vind dat we het met elkaar moeten gaan opstarten. Datzeg ik niet zozeer omdat we nou eenmaal andere gezinsvormen hebben indit land. Ik vind overigens dat daar, als je niet uitkijkt, een soort karikatuurvan wordt gemaakt dat we allemaal over een paar jaar met tien ouders ennog veel meer opa’s en oma’s zitten. Ik zou me dus kunnen voorstellendat je intentioneel meerouderschap heel goed mogelijk kunt maken,omdat er nou eenmaal andere gezinsvormen zijn in deze tijd. Je moeternaar kijken vanuit het belang van het kind. Dat wil ik hier ook nog maarweer gezegd hebben, want ik hoor daar allerlei opvattingen over die iktotaal niet deel. Al die onderzoeken gaan uit van het belang van het kind,van weten wie je ouders zijn. Als jij in een niet-traditionele gezinsvormopgroeit, heb je wellicht ook geen traditionele ouders zoals in hetverleden. We moeten onze wet wat mij betreft dus gewoon aanpassen aande praktijk.De voorzitter:Eerst mevrouw Tseggai, dan de heer Koops en dan de heer Diederik vanDijk.Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):Ik ben het eigenlijk helemaal eens met wat mevrouw Michon-Derkzenzegt. De Staatssecretaris heeft eergisteren laten weten dat het 5 miljoenplus nog een beetje extra kost. Dat geld is er nu niet. Als er een voorstelvanuit de Kamer zou komen om dat geld wel vrij te maken en dit gewoonte regelen voor de 15.000 gezinnen waarover de heer Sneller het net had,kan ik dan rekenen op de steun van de VVD? Wat is de handtekening vande VVD onder het regenboogakkoord anders dan waard, vraag ik mij af.Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):Mevrouw Tseggai kijkt mij heel streng aan.Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):Nee, hoor!Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):Mijn handtekening is mijn handtekening. Daar sta ik voor. Elk wetsvoorstelbekijk ik natuurlijk goed. Ik heb net tegen mevrouw Tseggai geprobeerd tezeggen dat ik positief sta tegenover uitvoering van het meerouderschapzoals ook de staatscommissie dat in 2016 adviseerde. Ik ben dusbenieuwd of de Staatssecretaris daar nog met enig initiatief voor komt. Ikben daar eerlijk gezegd niet erg hoopvol over, maar misschien gaat hij onsTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 836, nr. 12113 vanmiddag verrassen. Wat ik er wel ingewikkeld aan vind, is dat weer deVNG, de Stichting van de Arbeid, de SER en ongeveer elke andere club inNederland wordt gevraagd wat die ervan vindt. Dan denk ik: als je datallemaal wilt weten, doe er dan ook wat mee. Maar iedereen overvragenom vervolgens de lades weer met papier te vullen, vind ik echt een wasteof time voor heel veel mensen.De voorzitter:Mevrouw Tseggai met haar laatste interruptie.Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):Voor de notulen wil ik even zeggen dat ik nu lief kijk naar mevrouwMichon-Derkzen. Ik ben het, nogmaals, helemaal eens met wat mevrouwMichon-Derkzen zegt. Zij zegt ook: doe er dan wat mee. Mijn vraag is dus:als de Kamer dat voorstelt en het gaat 5 miljoen plus nog wat extrakosten, heb ik dan de steun van de VVD?Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):Mevrouw Tseggai vraagt nu aan mij of ik 5 miljoen voor haar heb.Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):Nee, niet voor mij!Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):Ik kan nu niet zeggen: ik heb wel geld. Dat kan ik helemaal niet zeggen. Ikzeg alleen: ik ben inhoudelijk voor het regelen van meerouderschap alshet gaat om een intentionele manier om de nieuwe gezinsvormen ook bijwet te beschermen en daar ook rechten van het kind mee te beschermen.Ik sta dus voor die handtekening. Elk wetsvoorstel zal ik op zijn meritesbeoordelen. Ik vind dat de Staatssecretaris ermee aan de slag moet, heb ikgezegd. Als er andere voorstellen uit de Kamer komen, kijk ik daar ookmet veel interesse naar. En ik sta voor die handtekening.De voorzitter:De heer Koops met zijn laatste interruptie.De heer Koops (NSC):Ik herhaal, tot mijn treurnis, dat dit debat heel kort duurt voor dergelijkebelangrijke onderwerpen. Het betreft onder andere het intentioneelmeerouderschap, waar Nieuw Sociaal Contract ook van alles van vindt.Deze interruptie aan mevrouw Michon-Derkzen plaats ik met het volgendeidee. De samenlevingsvorm van meeroudergezinnen bestaat al. Er zijnallerlei variaties op, laten we zeggen, de klassieke vorm van een gezin. Datis evident. Dat daar respect voor moet worden opgebracht, is evengoedevident. Maar we zijn hier bezig met het maken van wetten die bedoeldzijn om een slechte situatie te reguleren, niet om een goede situatie vastte leggen. Dat zeg ik zo, omdat ik mij bij die meeroudergezinnen afvraagof je niet een exponentiële stijging aan problemen krijgt als het met hetmeeroudergezin slecht afloopt.Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):De heer Koops geeft precies aan waarom dit een moeilijk onderwerp is: erwordt heel snel een karikatuur van gemaakt. Het gaat mijn fractie juist om– daar hecht ik zeer aan en ik zal elk voorstel daar ook op beoordelen –juist om preconceptie, dus intentioneel meerouderschap. Voordat erüberhaupt een zwangerschap aan de orde is, ga je dus met elkaarafspreken hoe je met de niet-klassieke situatie van drie of vier oudersomgaat. Overigens gebeurt dat nu al via de civiele route. Ik zou vinden datwe dat ook gewoon goed moeten regelen in ons wetboek. Het gaat dusjuist niet om allerlei gescheiden types, extra ouders en dergelijke; daarTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 836, nr. 12114 gaat het helemaal niet om. Dat vind ik altijd zo vervelend aan dezediscussie. In de ogen van mijn fractie gaat het om intentioneel meerouder-schap, dus om preconceptie. Dan heb je dus vóór de zwangerschap metelkaar besloten dat je in een niet-klassieke vorm een kind gaat groot-brengen en daarvan een ouder zou willen zijn.De voorzitter:Dan de heer Diederik van Dijk met zijn laatste interruptie.De heer Diederik van Dijk (SGP):Ik heb nog een vraag aan de VVD-collega over wat zij zei over hetdraagmoederschap. De VVD is er een warm voorstander van datinterlandelijke adoptie helemaal wordt afgebouwd, geredeneerd vanuithet belang van het kind, want we hebben tegenwoordig meer het inzichtdat je een kind uit zijn vertrouwde cultuur, familiebanden en taalgebied etcetera, et cetera haalt. Ik kan me daar op zich heel veel bij voorstellen.Maar wat ik oprecht niet begrijp, is dat we er bij draagmoederschapbewust voor kiezen om een kind nota bene los te maken van de aller-nauwste band die er is, namelijk die tussen moeder en kind. Ik kan dateigenlijk heel moeilijk met elkaar rijmen. Zou mevrouw Michon-Derkzendat kunnen uitleggen?Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):Over de achtergrond van de steun voor de afbouw van interlandelijkeadoptie is het in voorgaande debatten, ook met collega Ellian, uitvoeriggegaan. Dat zit ook heel erg bij de commissie-Joustra en alles wat wedaarover hier met elkaar hebben gewisseld. Dat heeft geleid tot steunvoor het afbouwplan. Ik zou het vervelend vinden als je zegt: lieveradoptie dan een draagmoeder. Het is niet een soort van «waar halen weeen kind vandaan?», want zo komt dat dan een beetje over. Er zijnredenen, in de ogen van mijn fractie valide redenen, om te stoppen metinterlandelijke adoptie. Tegelijkertijd vind ik dat je draagmoederschap –dat gebeurt nu al; het is al staande praktijk – gewoon netjes moet regelen.Het bestaat. U kunt uw ogen daarvoor sluiten, zeg ik via de voorzitter aande heer Van Dijk, maar het bestaat. Het gaat niet alleen maar omregenbooggezinnen. Er zijn ook genoeg vrouwen die om medischeredenen niet zwanger kunnen worden. Het kan via ivf zelfs zonder eeneigen eicel van de draagmoeder. Al die zaken nopen ons in de Kamer omzorgvuldige wetgeving te maken. Dat luistert natuurlijk allemaal nauw; ikben het totaal eens met iedereen die dat zal zeggen. Maar ik zou het welwillen doen. Daarom heb ik de Staatssecretaris gevraagd om de nota naaraanleiding van het verslag zo snel mogelijk naar de Kamer te brengen.Dan kunnen we het daarover hebben en in alle zorgvuldigheid bekijkenhoe de wetgeving eruit moet zien.Mevrouw Bikker (ChristenUnie):Toch een vervolgvraag aan de VVD. Juist dat rapport-Joustra overmisstanden in de interlandelijke adoptie vestigt ook de aandacht op demisstanden bij internationaal draagmoederschap. Ik kan me voorstellendat de Kamer, gezien de bevindingen van Joustra, juist op dat punt snellertot maatregelen komt om de hele commerciële kant en de internationalekant van draagmoederschap zo snel mogelijk nog strikter te reguleren. Isde VVD daar ook voor in?Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):Een mooie vraag van mevrouw Bikker. We lopen dan eigenlijk iets vooruitop een wetsvoorstel waar we het dus nog niet over gaan hebben, wantdat ligt bij de Staatssecretaris. Maar ik ben het mevrouw Bikker eens. Ookbij mij zitten de vragen – dat hebben we ook in de schriftelijke rondegedaan – erg op buitenlands draagmoederschap. Dat lijkt daarmeeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 836, nr. 12115 namelijk ook commercieel draagmoederschap, want we moeten hier nietdoen alsof de bijdrage die wordt gegeven aan een buitenlandse draag-moeder inkomen zal zijn. Dat is ook vaak in de vorm van onkosten. Maarik begrijp heel goed waar de vraag vandaan komt. Ik vind dus dat we zekerniet naar een commercialisering van draagmoederschap moeten,integendeel. Het voorstel dat er lag voor Nederlands draagmoederschap,met daarbij een onkostenvergoeding en een hele sobere bijdrage dieongeveer het equivalent is van de vrijwilligersbijdrage, vond ik heelpassend; laat ik het zo zeggen. Ik ben het mevrouw Bikker eens. Buiten-landse draagmoeders, en daarmee ook de gevraagde bijdrage voorbuitenlandse draagmoeders, zouden voor mijn fractie ook onderwerp vandebat zijn.Mevrouw Bikker (ChristenUnie):Dan beluister ik het bijna zo dat we het erover eens zijn dat internationaaldraagmoederschap een pad is dat Nederland niet verder in moet gaan,ook gezien de grote risico’s en bijvoorbeeld de inkomensverschillentussen de bedragen die wij in Nederland gewend zijn en die in sommigeandere landen.Ten aanzien van het Nederlandse, binnenlandse draagmoederschap vondik het toch ook indrukwekkend om in het rapport van het WODC te lezenvoor welke gigantische dilemma’s je komt te staan, bijvoorbeeld als eendraagmoeder na een NIPT-onderzoek tot de wens komt dat zij dezwangerschap graag zou uitdragen, ook al zijn er bij het kindje gezond-heidsproblemen, en daar voor de wensouders een andere afweging in zit.Ik vind dus dat ook daar echt een ethische bezinning nodig is. Is dit nou degewenste stap vooruit? Of is dit een keus waarmee we als samenlevingook een hele hoop ingewikkelde nieuwe situaties naar ons toe trekken ophet moment dat we dat verder reguleren?Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):Mevrouw Bikker geeft met deze interruptie aan hoe belangrijk enwaardevol het onderwerp is dat wij vanmiddag bespreken en waar we ookniet lichtzinnig over moeten spreken met elkaar. Daarom zou ik dus zograag over die wet spreken. Ik zou namelijk in reactie op deze interruptievan mevrouw Bikker willen stellen: juist omdat het allemaal al zoingewikkeld is en omdat emotie, gevoelens en ethiek natuurlijk onvermij-delijk zijn, is het belangrijk dat je het wettelijk en juridisch goed regelt.Daarmee is namelijk in elk geval duidelijk wat er duidelijk kan zijn. Dan ishet nog steeds ingewikkeld genoeg, want het gaat natuurlijk om emotiesen om ethiek. Maar dat pleit in mijn ogen juist voor een wettelijkeregeling, zodat ook alle betrokkenen en vooral het ongeboren kind op eenmanier zijn beschermd zoals wij die hier met elkaar in meerderheid voorons zien.De voorzitter:Nog een interruptie?Mevrouw Bikker (ChristenUnie):Ja. Ik denk dat we op de meest fundamentele keuzes een verschillendeafslag maken. Met een verwijzing naar de interruptie van collega Sneller:voor de ChristenUnie is het zo dat je juist ook al ... Allerlei gebrokenomstandigheden komen inderdaad al heel lang voor, maar kunnen ooklessen zijn van dat je het als overheid ingewikkelder maakt als je het inregelgeving vat en daarmee normaliseert. Dat debat kunnen we ook opeen ander moment voeren, maar ik denk wel dat het belangrijk is om onste realiseren dat wet- en regelgeving niet altijd betekent dat de boel erhelderder door wordt of dat ingewikkelde situaties daarmee opgelost zijn.Dat geldt volgens mij temeer op dit terrein. Ik denk dat we dat nog ietswisselend wegen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 836, nr. 12116 De voorzitter:Nog een reactie van mevrouw Michon-Derkzen.Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):Een korte reactie. Ik zou ook richting mevrouw Bikker willen zeggen: hetgebeurt. Het gebeurt. Het is staande praktijk. Daar kunnen we van zeggen:we sluiten onze ogen, want we vinden het ingewikkeld. Ik zou zeggen: wekijken het aan. Ik zeg niet dat u dat zegt, want ik hoor u mompelen in mijnlinkeroor. Ik zeg niet dat u dat zegt. Mevrouw Bikker zei: nee. Maar ik vinddus dat we het moeten aankijken en ook met elkaar moeten kijken of wedit op een zorgvuldige en nette manier kunnen regelen, met respect vooralle posities en standpunten die er zijn, ook hier aan tafel, die allemaalheel verschillend zijn. Dat doen we in het belang van het kind. Dat zoumijn pleidooi zijn, want het bestaat. Als we het niet regelen, is het ook nietbeter of is het ook niet opgelost. Het is een feit.De voorzitter:Dan geef ik opnieuw het woord aan mevrouw Bikker, maar ditmaal voorhaar eigen bijdrage namens de ChristenUnie.Mevrouw Bikker (ChristenUnie):Voorzitter, dank u wel. Er staan dit commissiedebat veel belangwekkendestukken op de agenda. Ik ga mijn best doen om die belangrijke inhoud zoveel mogelijk in vier minuten recht te doen, maar weet dat ik af en toe eenbinnenbocht moet nemen die ik liever zorgvuldiger had gereden.Voorzitter. Allereerst over het afbouwplan adoptie, het plan van deStaatssecretaris om de mogelijkheden tot interlandelijke adoptie inNederland af te bouwen. Voordat ik een aantal inhoudelijke vragen overde precieze vormgeving van dit voorstel stel, heb ik een meer overkoepe-lende vraag. Aan dit plan gaat een Kameruitspraak vooraf die sterk leundeop het rapport van de commissie-Joustra en de misstanden die er metbetrekking tot interlandelijke adoptie zijn geweest in het verdere enrecentere verleden. Maar ik heb me na die Kameruitspraak ook welgerealiseerd dat dit onverlet laat dat heel veel adoptieouders met liefdekinderen hebben geadopteerd en daarvoor hebben gezorgd, en ook datdeze kinderen heel veel liefde hebben ervaren. Soms kan een motie metbolletjes een heel ander beeld geven dan deze ouders en adoptiekinderenverdienen. Ik vind het goed om dat hier uit te spreken, ook namens mijnfractie. Daar waar mensen zich weggezet hebben gevoeld, is dat niet oké.Ik zou ook aan de Staatssecretaris willen vragen om daar kort op tereflecteren.Voorzitter. Dat brengt mij bij de inhoudelijke vragen over dit afbouwplan.In de overgangsperiode van het afbouwstelsel wordt ruimte geboden aande vergunninghouders. Tegelijkertijd hoor ik dat een aantal vergunning-houders inmiddels al is gestopt. Klopt dit? Kan de Staatssecretarisaangeven of er wel vergunninghouders overblijven voor deze fase in hetovergangsstelsel? Hoe gaat hij binnen het overgangsstelsel om metnieuwe bijeffecten? Ik hoorde bijvoorbeeld al geruchten van mensen dieoverwegen naar het buitenland te gaan of een poosje in Duitsland te gaanwonen. Wat vindt de Staatssecretaris daarvan? Hoe ziet hij die effecten?Voor mijn fractie is de archivering, de vindbaarheid en toegankelijkheidvan de dossiers van enorm groot belang. Het is immers wezenlijk voorgeadopteerde kinderen dat zij later hun gegevens op een goede manierkunnen terugvinden. Het is goed dat de dossiers naar het NationaalArchief gaan, maar hoe is die archivering geborgd, ook in financiële zin?Welke bedragen zijn hiervoor incidenteel maar ook structureel gereser-veerd? En is dat genoeg voor een adequate en toegankelijke archivering?In het verlengde daarvan het volgende. In de brief wordt gesproken over26.500 adoptiedossiers die naar het Nationaal Archief gaan. Mijn beeld isdat er veel meer adopties zijn geweest. Ik kwam zelf op zo’n 40.000. KanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 836, nr. 12117 de Staatssecretaris de exacte cijfers geven en ook, indien dat zo is, hetverschil toelichten?Wat betekent de afbouw van interlandelijke adoptie voor de adoptiemoge-lijkheden binnen Nederland? Ik hoor ook graag van de Staatssecretarishoe hij dat ziet.Het gaat in het afbouwplan nu vooral om het voorkomen van misstanden.Tegelijkertijd – collega’s wezen daar ook al op – wijzen de artikelen 3 en 21van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind juist ook opinterlandelijke adoptie als een mogelijke optie voor kinderen zonderadequate zorg. Hoe verhouden beide zich tot elkaar? Hoe heeft deStaatssecretaris daarop gereflecteerd?Voorzitter. Dan op dit punt nog één vraag over de periode na 2030. Devergunninghouders mogen hun licentie verlengen tot 2030, maar wordendaarna opgeheven, zo heb ik begrepen. Wie waarborgt daarna de kennisen expertise over interlandelijke adoptie? Dat is ook belangrijk voor denazorg voor adoptiegezinnen en geadopteerden na 2030, want wat mijbetreft blijven die. Hoe ziet de Staatssecretaris dit?Voorzitter. Nog twee korte vragen. De eerste vraag ziet op adoptie binnenNederland van volwassenen. Ik zie dat daar in Nederland eigenlijk nogonvoldoende op gereguleerd is, terwijl dat in andere landen wel het gevalis. Ziet de Staatssecretaris op dit punt kansen voor actualisatie van dewetgeving?Voorzitter. Dan ten aanzien van het WODC-rapport over draagmoeder-schap. Daar staat een heel aantal conclusies in waar ik mij oprecht zorgenover maak. Hoewel dit onderzoek niet eens gericht was op het detecterenvan problemen of bezwaren omtrent betalingen bij draagmoederschap-strajecten, kwamen de genoemde zorgen als vanzelf bovendrijven bijdeelnemers van dit onderzoek. Zo is er veel meer kritiek. Hoe leest deStaatssecretaris die? Is hij het met mij eens dat we, juist gelet op dedunne scheidslijnen die we in het draagmoederschap niet moetenfaciliteren, dat al helemaal niet moeten doen in het internationaaldraagmoederschap? Welke conclusies verbindt hij daaraan, mede in hetlicht van de commissie-Joustra?Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel. Dan geef ik het woord aan mevrouw Tseggai, die spreektnamens GroenLinks-PvdA.Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):Dank u wel, voorzitter. Ik moet mij, gezien de spreektijd, ook beperken totadoptie, meerouderschap en draagmoederschap. Zoals mevrouw Bikkerzei, doet dit eigenlijk niet helemaal recht aan dit belangrijke onderwerp.Maar ik ga mijn best doen.Voorzitter. Ik begin bij adoptie. We kennen de voorgeschiedenis. Na hardekritiek van de commissie-Joustra in 2021 heeft het toenmalige kabinet alleinterlandelijke adopties on hold gezet. Daarna zou adoptie alleen nogmaar uit een beperkt aantal landen mogelijk moeten zijn. Mijn fractie wasdaar toen geen voorstander van. Ik denk dat niemand gebaat is bijzwabberbeleid, zeker bij zo’n gevoelig onderwerp als adoptie. Ik richt menu dus dan ook vooral op duidelijkheid en zorgvuldigheid van hetafbouwen.Het afbouwplan waar de Staatssecretaris eind vorig jaar mee kwam,voorziet in een afbouwperiode van zes jaar. Je zou zeggen dat dit langgenoeg zou moeten zijn om lopende procedures af te kunnen ronden. Hetuitgangspunt daarbij is dat procedures die voor mei 2024 gestart zijn, toteen afgeronde adoptieprocedure zouden moeten kunnen leiden. Dat wilechter niet zeggen dat, bij het aflopen van die termijn, al die ouders eenkind hebben kunnen adopteren. Ik lees namelijk dat er bijna 600 adoptie-procedures lopen, in verschillende fases van behandeling. Er worden nuTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 836, nr. 12118 per jaar ongeveer 50 kinderen vanuit het buitenland geadopteerd. Dat isdalende. Zelfs voor adoptieouders die in mei 2024 zijn begonnen, wordtde kans op een geslaagde adoptie steeds kleiner. Ik snap dat het moeilijkzal zijn voor ouders om zich daarbij neer te leggen. Maar toch wil ik wetenhoe daar in het kader van verwachtingsmanagement mee omgegaanwordt. Hoe voorkomen we dat we ouders valse hoop geven? Ik ben ookbenieuwd hoe we ervoor zorgen dat dit ook niet weer tot nieuwemisstanden gaat leiden. Ik heb daar dus wel zorgen over.Die vraag speelt weer als we het hebben over aspirant-adoptieouders dienu ook nog weer een nieuwe procedure starten. Want dat kan noggewoon, weliswaar niet meer bij Fiom, maar wel nog bij de Centraleautoriteit. Daar krijgen ze dan wel te horen dat er nauwelijks kansen zijnom tot een afronding van de procedure te komen. Ook de Staatssecretariszelf geeft aan, zeg ik even in mijn woorden, dat het enigszins kansloos isom een procedure te beginnen. Maar tot er een wetswijziging komt, blijfthet indienen van een aanvraag mogelijk. Ook weer in het kader van valsehoop: zou de Staatssecretaris hierop kunnen reflecteren? Hoe verhoudtzich dat tot het afbouwplan, waarmee we juist duidelijkheid willenverschaffen? Dan heb ik nog een meer technische vraag. Is een wetswij-ziging op alleen dit punt nou echt zo ingewikkeld? Is dat niet mogelijk?Dan de toegang tot adoptiedossiers. Daar is al wat over gezegd. Ik hebdaar ook eerder met collega Van Nispen een motie over ingediend. DeStaatssecretaris zegt aan te lopen tegen privacybelangen van de adoptie-ouders en laat de landsadvocaat onderzoek doen. Ik ben benieuwd.Mevrouw Michon-Derkzen zei daar net al iets over. Maar wat mijn fractiebetreft zou het afstammingsrecht toch zwaarder moeten gelden dan deprivacyvraag. Ik zou de Staatssecretaris dat graag mee willen geven.Dan meerouderschap. De Staatssecretaris heeft eergisteren een briefgestuurd. Het kabinet gaat niet met wetgeving komen. De reden daarvooris dat het geld kost, en dat geld is er niet. Ik dacht bij het lezen van debrief: «Is dit het nou echt? Laat het kabinet die meeroudergezinnen nutoch niet een beetje in de steek?» Meneer Sneller zei: 15.000 gezinnenzouden graag erkenning voor hun situatie willen krijgen. De kinderen vande meeroudergezinnen zijn gedupeerd. Het leidt tot onpraktische, maarsoms ook tot gevaarlijke situaties; denk aan medische keuzes en derge-lijke. Wat heeft de Staatssecretaris nog meer nodig, vraag ik mij eigenlijkaf. Is dat geld? Of is het gewoon geen prioriteit en vindt de Staatssecre-taris dit niet wenselijk? Ik zou ook op dit gebied een stukje duidelijkheidvan de Staatssecretaris willen.De voorzitter:Dank u wel. Uw tijd zit erop, maar u heeft wel nog een interruptie van deheer Smitskam.De heer Smitskam (PVV):Mevrouw Tseggai had het over de risico’s of de gevaren die kunnenontstaan. Ik ben benieuwd of u het ook van de andere kant heeft bekeken.Meerouderschapsgezag kan namelijk ook tot conflictsituaties leiden op hetmoment dat er conflicten ontstaan tussen de ouders. Het kan ookproblemen veroorzaken als er erfrecht of iets dergelijks ter sprake komt.Hoe kijkt u daartegen aan?Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):Als kind van een «modern family», zou ik willen zeggen, heb ik dit zekervan meerdere kanten bekeken. Ik ben ook kind van gescheiden ouders. Erwaren stiefouders in het spel. Ik heb halfzusjes. Ik heb het dus zeker vanmeerdere kanten bekeken. Maar juist daarom denk ik dat het heel ergbelangrijk is om er iets voor te gaan regelen, want de onduidelijkheid leidttot conflicten en gevaarlijke situaties. Als er wetgeving komt, dan komt erTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 836, nr. 12119 juist duidelijkheid over de rechten van de verschillende ouders die in hetspel zijn.Mag ik nog één ding zeggen over draagmoederschap?De voorzitter:Een allerlaatste opmerking dan.Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):Ik weet even niet meer wie het zei – volgens mij was het de heer Sneller; onee, het was mevrouw Michon-Derkzen, excuus – maar ik kan meaansluiten bij het voorstel om de wet over draagmoederschap gewoonsnel in de Kamer te bespreken. Dat lijkt me heel goed.De voorzitter:Dank u wel. Dan draag ik tijdelijk het voorzitterschap over aan de heerKoops, in de hoop dat hij mij het woord zal geven om mijn bijdrage televeren namens de SP.Voorzitter: KoopsDe voorzitter:Kan ik daarbij eerst constateren dat alle interrupties inmiddels op zijn?Nee? O, de heer Smitskam heeft nog interrupties. Mooi. Dank. Dan geef ikhet woord aan het lid Van Nispen.De heer Van Nispen (SP):Dank u wel. Allereerst zal ik enkele vragen stellen over het afbouwplaninterlandelijke adoptie van de Staatssecretaris. Dat is inderdaad bepaaldgeen makkelijk onderwerp. Hoe gaat de Staatssecretaris ervoor zorgen datin de procedures van de 587 aspirant-adoptiefouders die zich al gemeldhadden, geen misstanden zullen plaatsvinden in de komende zes jaarwaarin deze procedures nog worden afgerond? Misschien is het eengewetensvraag, maar is de opsomming in de brief van de reeds genomenmaatregelen die van kracht blijven voldoende? Hoe worden de rechtenvan ieder kind dat nog naar Nederland komt, gewaarborgd? Weet deStaatssecretaris dat er nog specifieke zorgen zijn over twee landen:Zuid-Afrika en Hongarije? Want ook Denemarken en Noorwegen zoudenper direct met die twee landen zijn gestopt, en niet zomaar. Is deStaatssecretaris bereid deze landen specifiek te heroverwegen? Is nog zesjaar doorgaan ten aanzien van die landen wel verantwoord?De voorzitter:Meneer Van Nispen, u heeft een interruptie van het lid Michon-Derkzen.Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):Omdat de heer Van Nispen als eerste over landen begint – hij doet ditonderwerp als woordvoerder veel langer dan ik – zou ik hem willenvragen hoe hij de beoordeling van landen ziet. Want ik las ook in veelstukken die we voorafgaand aan dit debat kregen dat er best veel onvredeen onbegrip is over het landsbesluit VS. Hoe beoordeelt de heer VanNispen überhaupt het proces om landen wel of niet toe te staan?De heer Van Nispen (SP):Ik vind dit een moeilijke vraag. Ik kan zelf een heel verhaal houden over deVS, maar ik heb dat nu gedaan over Zuid-Afrika en Hongarije. Het besluitom met de VS te stoppen, heeft mijn fractie gesteund. Wij vonden dat nietconform het subsidiariteitsbeginsel. Maar als u mij vraagt «wat vindt uvan het proces en hoe is de Staatssecretaris tot die landen gekomen?» –dat is uw vraag – dan moet ik zeggen dat ik dat de afgelopen jarenbepaald niet als transparant heb ervaren. Er zijn steeds veel vragenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 836, nr. 12120 gerezen, bijvoorbeeld: hoe kan het nou dat je stopt met bepaalde landenen doorgaat met bepaalde Europese landen? Daar zijn altijd heel veelvragen over gerezen. De analyses waarop de besluiten zijn genomen,hebben we weleens opgevraagd. Met wie was er dan gesproken? Hoeweet je dan hoe het er in bepaalde landen precies aan toegaat? Dat is échtrazend ingewikkeld. Zo zijn we dus altijd aangewezen op signalen vanorganisaties of uit de praktijk. Je hebt zelf ook niet de mogelijkheid omoveral naartoe te gaan. En al ga je erheen, zie je dan alles? Dat probleemheeft de Staatssecretaris natuurlijk ook. Dit toont juist aan hoeingewikkeld dit onderwerp de afgelopen jaren is geweest. Ik hoop dat ikbeknopt genoeg was en een antwoord op de vraag heb gegeven.De voorzitter:U zat op het randje. Gaat u door.De heer Van Nispen (SP):Dan over hulp en steun aan geadopteerden. De Tweede Kamer nam onzemotie aan over meer hulp voor en steun aan geadopteerden. Dat is hardnodig. We zijn hen dat verplicht. Denk aan zoektochten, herstel vanidentiteit et cetera. De brief van de Staatssecretaris is teleurstellend. Hijerkent dat de hulp die er nu is door veel geadopteerden als te beperktwordt ervaren. Vervolgens is er een groslijst van ondersteuningsbe-hoeften – heel goed – maar dan stopt het eigenlijk. De SP pleit opnieuwvoor compensatie, een regeling waarmee geadopteerden financieel enorganisatorisch ondersteund worden in het zoeken naar hun oorsprong ofherkomst. Is de Staatssecretaris bereid om INEA meer ruimte te biedenom datgene te doen waar geadopteerden ook echt concreet behoefte aanhebben? Zouden dat ook individuele zoektochten kunnen zijn? Dat mag nunamelijk niet.Dan een ander voorstel. Ook vindt de SP dat we het zo eenvoudig enkosteloos mogelijk moeten maken voor geadopteerden om hun identiteitte herstellen. Denk aan herstel van namen, geboortedatum en geboorte-plaats. Is de Staatssecretaris bereid die kosten te vergoeden en dit gratiste maken? Ook het opnemen van de biologische ouders op de geboor-teakte is een wens, zonder je adoptieouders daarvan verplicht te moetenverwijderen. Want dat is ook onderdeel van de identiteit. Wordt dat noumogelijk of niet? Ik vind de Kamerbrief op dat punt niet helder. Gaat hetMinisterie van Justitie en Veiligheid ook eindelijk stoppen met het beroepop verjaring? Gaat het ook stoppen met doorprocederen tegen geadop-teerden die erkenning en genoegdoening willen voor hun illegale adoptie,in alle gevallen, zoals de aangenomen Kamermoties ook verzoeken?Graag een reactie daarop.Dan kom ik op de dossiers. Daarover is nog heel veel onvrede. Dit gaatover interlandelijk geadopteerden en over binnenlands geadopteerden.Denk aan het schandaal van de gedwongen afstand, waar mevrouwMichon-Derkzen al over sprak. Normaal gesproken houd ik die tweegroepen strikt gescheiden, maar nu zijn het vraagstuk en het probleemhetzelfde, namelijk niet of nauwelijks toegang tot het dossier. Interlan-delijk geadopteerden zeggen: het zijn onze dossiers, want ze gaan overonze levens, maar nog steeds worden we buitenspel gezet. Ze hebbengelijk: waarom gaat het zo? Van binnenlands geadopteerden hoor ik dat zedoodmoe zijn van al het gesol met hun geschiedenis, die ze alleen maarwillen kennen. Ondertussen tikt de klok door en sterven veel afstands-moeders, afstandsouders en ook steeds meer afgestanen, zeggen zij tegenmij. Ik vind dat echt schrijnend. Ik snap die verontwaardiging heel erggoed.De Staatssecretaris maakt het volgens mij onnodig ingewikkeld in zijnbrief. Hij komt ook niet tegemoet aan de wensen. Het gaat hier niet overzomaar iets. Het gaat over mensen, hun identiteit en hun geschiedenis. Ikwil echt volledige betrokkenheid en prioriteit van de Staatssecretaris omTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 836, nr. 12121 dit zo snel mogelijk, goed en zorgvuldig te regelen voor de groep mensendie slachtoffer zijn van deze misstanden uit het verleden van gedwongenafstand, voor binnenlands geadopteerden en voor interlandelijk geadop-teerden. Inmiddels is onderbouwd dat het gewoon kan. Zie de brief vanDNA en VIZ. Geef betrokkenen, afgestanen en hun moeders vollediginzage. Draag archieven van Fiom over aan JenV en daarna aan hetNationaal Archief. Maak het mogelijk dat afstandsmoeders met eentoegevoegde brief aan het dossier onjuistheden kunnen corrigeren.De voorzitter:Dank u, meneer Van Nispen. Dan geef ik het voorzitterschap weer terugaan u.De heer Van Nispen (SP):Ik had nog een laatste opmerking. Ik heb nog twintig seconden.De voorzitter:Als u dat binnen twintig seconden kunt, mag dat.De heer Van Nispen (SP):Dat kan. U bent heel streng, voorzitter. Terecht!Ik had ook nog iets willen zeggen over meerouderschap en gezag. Dat isin het belang van het kind, blijkt uit de onderzoeken. Maar de Staatssecre-taris heeft er nu even geen geld voor. Ik moet zeggen dat ik dat echt eenslecht argument vind. Ik sluit mij aan bij het voorstel om dan in iedergeval alvast de wet te gaan schrijven, zoals door de heer Sneller geformu-leerd is.De voorzitter:Dank u. Dan geef ik nu echt meteen het woord en het voorzitterschapterug.Voorzitter: Van NispenDe voorzitter:Ik schors de vergadering tot 15.40 uur, zodat de Staatssecretaris zijnbeantwoording kan voorbereiden. Dan zullen we vervolgen. Dank u wel.De vergadering wordt van 15.08 uur tot 15.41 uur geschorst.De voorzitter:Welkom terug bij de vaste Kamercommissie voor Justitie en Veiligheidvoor het commissiedebat Personen- en familierecht. We zijn toegekomenaan de beantwoording van de Staatssecretaris Rechtsbescherming. Ik stelwederom maximaal drie interrupties voor. Het is weinig. Houdt u hetalstublieft kort, want de tijd is beperkt. Het gaat toch altijd snel. Het woordis aan de Staatssecretaris Rechtsbescherming. Ik verzoek hem om aan tegeven welke thema’s langs gaan komen, zodat we dat weten en een soortinhoudsopgave hebben.Staatssecretaris Struycken:Voorzitter. Na een aantal inleidende opmerkingen zal ik het eerst hebbenover interlandelijke adoptie, met de volgorde afbouw, scenario binnen-landse adoptie, de archivering van dossiers en alle overige ondersteuning.Na de interlandelijke adoptie zal ik opmerkingen maken over interna-tionale kinderontvoering, over meerouderschap, over draagmoederschap,over de transgenderwetgeving, kort gezegd, en ten slotte zal ik nog eenopmerking maken over de inschrijving van «gescheiden» in de basisregis-tratie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 836, nr. 12122 Voorzitter. Het is bijna een jaar geleden dat er voor het laatst met uwKamer is gesproken over het personen- en familierecht. Het is voor mijpersoonlijk de eerste keer dat ik over deze belangrijke onderwerpen magspreken. Ik echo de gevoelens die uitgesproken zijn door uw Kamer dat ditbelangrijke en gevoelige onderwerpen zijn die eigenlijk veel meeraandacht verdienen dan hier in deze twee, drie uur die wij met elkaardoorbrengen. Het zijn emotioneel beladen onderwerpen en inderdaadvoor vrijwel iedereen in Nederland relevant op de een of andere manier.De grote opkomst op de publieke tribune bevestigt dit ook. Ik wil u vanharte danken voor uw interesse in dit debat en de onderwerpen die wevandaag bespreken.Opgaven rond personen- en familierecht raken aan de persoonlijkeidentiteit van mensen en daarmee dus ook aan hun ziel en zaligheid, hunemoties. Het gaat om het aangaan van familiebanden, het starten ofvormen van een gezin en ook het uiteenvallen van een gezin, nieuwerelaties, nieuwe verbanden. Het is goed om vandaag met uw Kamerhierover te spreken. Het gaat allemaal om onderwerpen die ons nopen omoog te hebben voor de belangen van de betrokken kinderen en ook voorde belangen van de ouders; onderwerpen ook waarbij de beschermingvan fundamentele rechten, zoals ook neergelegd in het InternationaalVerdrag inzake de rechten van het kind en allerlei andere wetgeving, extraaandacht verdient, met mogelijk ook een belangrijke rol voor de Staat,voor de overheid, ter bescherming van kwetsbaren.Een belangrijk onderwerp voor vandaag is de interlandelijke adoptie,waarvoor een nieuwe koers is uitgezet, na veel wikken en wegen. Het is destem van de volwassen geadopteerden geweest die heeft geleid tot hetonderzoek dat door de commissie-Joustra naar adoptie in het verleden isverricht. Het is ook die stem die doorklinkt in de wijzigingen in het stelselwaar we vandaag voor staan. Waar vorig jaar nog met u is gesproken overtransformatie van het systeem voor interlandelijke adoptie, gaat hetvandaag over de wijze waarop het systeem wordt afgebouwd.Uw Kamer heeft de regering in april vorig jaar verzocht met eenafbouwplan te komen en ervoor te zorgen dat die afbouw op eenzorgvuldige wijze zal geschieden. De reden die uw Kamer destijds heeftgegeven, is dat de kans op misstanden bij internationale adoptie ook ineen aangescherpt systeem niet volledig kan worden weggenomen. Hetverzoek dat uw Kamer de regering heeft gedaan, laat dus zien dat hetperspectief op interlandelijke adoptie onder andere als gevolg van hetrapport van de commissie-Joustra uit 2021 in de samenleving deafgelopen jaren is veranderd. Met het afbouwplan geef ik gehoor aan dezeontwikkeling en daarmee uitvoering van uw verzoek tot afbouw vaninterlandelijke adoptie, uw verzoek dat voor mij het uitgangspunt isgeweest.We zijn niet over één nacht ijs gegaan toen wij aan uw Kamer op9 december het afbouwplan stuurden. Ik heb de tijd genomen om depositie, de ervaringen en de behoeften van geadopteerden tot mij tenemen, maar ook die van andere betrokkenen, zoals adoptiefouders,landen van herkomst, vergunninghouders en andere partners in de keten.Het is een emotioneel beladen besluit. Er zijn verschillende visies enverschillende belangen en ook behoeften, en de impact is groot. Er zijn inNederland naar schatting 40.000 mensen die door adoptie uit een vanongeveer 80 landen naar Nederland zijn gekomen. Onder deze 40.000 zijngeadopteerden die zeer ongelukkig zijn over het feit dat zij uit de cultuurvan hun geboorteland zijn weggerukt. Er zijn ook geadopteerden die welgelukkig zijn met Nederland als hun adoptieland. In sommige gevallengaat het om geadopteerden die misstanden in het land herkomst ten tijdevan de adoptie op het spoor zijn gekomen, en in andere gevallen niet. Datstaat los van de vraag over de emotionele worsteling met onthechting aande oorspronkelijke cultuur. Ook ingeval er geen misstanden zijn geweest,kan men daar moeite mee hebben, en andersom.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 836, nr. 12123 Niet alleen de emoties van de geadopteerden spelen op. Ook de emotiesvan de naasten van deze 40.000 mensen, zoals de adoptiefouders enadoptiefbroers- en zussen, worden geraakt. Mevrouw Bikker wijst terechtop de gevoelens die kunnen spelen en ook op dat deze discussie de vraagkan oproepen bij adoptiefouders of zij er goed aan gedaan hebben dooreen kind te adopteren. De meeste adoptieouders – verreweg de meeste,misschien wel alle – hebben gehandeld vanuit goede bedoelingen. Nietalleen vanuit hun kinderwens, want soms kenden de adoptieouders ookeigen, biologische kinderen. In die gevallen ook vanuit de zorg voor het lotvan kinderen in het buitenland. We weten dat het in veel gevallen gaat omkinderen die worden geduid als «specialneedskinderen», waarbij het echtook het idealisme van adoptiefouders is geweest dat hen die stap heeftdoen zetten. Dat neemt allemaal niet weg dat we inmiddels weten dat ermisstanden zijn geweest, soms op grote schaal, in de landen vanherkomst. Die misstanden werken door tot op de dag van vandaag.Het zijn dus gevoelige onderwerpen: internationale adoptie als zodanig,de afbouw daarvan, de begeleiding van geadopteerden naar de toekomsttoe. Wij doen ons uiterste best om daarin heel zorgvuldig te handelen. Opdie basis zijn we gekomen tot het plan om in zes jaar tijd naar eendefinitieve stop toe te werken. In deze periode treffen we voorbereidingenvoor de afbouw, met name de benodigde wetswijziging, maar ook deoverdracht van dossiers. Er zijn lopende procedures. Die willen wezorgvuldig afronden of beëindigen, afhankelijk van de fase waar ze inzitten. In die fase zal inderdaad uitvoerige aandacht moeten blijvenbestaan voor kwetsbaarheden in het systeem die juist spelen omdat hetnog steeds gaat over adoptie uit vreemde landen van herkomst. Dus allemaatregelen die we getroffen hebben na het rapport van de commissie-Joustra blijven onverkort van kracht. Er zal gericht toezicht blijvenplaatsvinden op de kwaliteit van de bemiddeling en de rolinvulling binnende keten. Het is goed om met uw Kamer te spreken en des te meer denk ikook uit uw Kamer te lezen, uit uw interventies, dat u op hoofdlijnen hetbesluit dat uw Kamer heeft genomen in april blijft steunen. Ik geloof datcontinuïteit, het voorkomen van zwabberbeleid, hier erg belangrijk is en ikvoel me gesteund door uw interventies in eerste termijn.Ik kom op een aantal meer specifieke vragen. De heer Van Dijk heeft tochde vraag nog opgebracht of afbouw niet een te vergaande conclusie isgeweest. De analyse – ik noemde het al een beetje – is dat het onmogelijkis om er zeker van te zijn dat misstanden ook vandaag niet meer kunnenvoorkomen, ondanks alle zorg die erin zit, in het proces, in de procedure,in de beoordeling van landen. Het is in het licht hiervan dat uw Kamerheeft besloten vast te houden aan de keuze om over te gaan tot afbouw inplaats van verbouw.De heer Van Dijk stelde ook de vraag of dit wel kan. Eigenlijk stelde hij enook anderen de nogal fundamentele vraag aan de orde – mevrouw Bikkerdeed dat ook – of we eigenlijk wel kunnen besluiten om te stoppen metinterlandelijke adoptie gezien de verdragsverplichtingen. Onze analyse isdat dat kan. Het Haags verdrag en het Internationaal Verdrag inzake derechten van het kind dwingen de verdragsstaten niet tot het mogelijkmaken van interlandelijke adoptie. Het Internationaal Verdrag inzake derechten van het kind stelt het belang van het kind centraal, uiteraard. Datis de aard van het verdrag, maar dat verplicht niet om adopties mogelijkte maken. Waar het IVRK toe verplicht, is dat kinderen worden voorzienvan de nodige bescherming, welzijn en zorg. Die verplichting richt zichdus met name tot de verdragslanden waar die kinderen geboren worden,dus tot de landen van herkomst zogezegd.Dat is een gedachte die ook helemaal past in het Haags verdrag, eengedachte van subsidiariteit. Ook het Haags verdrag is gebaseerd op debasisgedachte dat altijd eerst gezocht moet worden naar oplossingen inhet land van herkomst – «land van herkomst» is hier misschien niet degoede duiding – of het land waar het kind geboren wordt. Vanuit dieTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 836, nr. 12124 subsidiariteitsgedachte zit ook in het Haags verdrag de gedachte datinternationale adoptie een laatste optie is. Daar komt nog bij dat hetHaags verdrag van belang blijft op allerlei andere punten. Het Haagsverdrag creëert een kader voor voortdurende samenwerking tussen deverdragslanden. Die voortdurende samenwerking tussen de centraleautoriteiten blijft van groot belang, ook na het stopzetten van interna-tionale adoptie, voor het uitwisselen van informatie voor ondersteuning,voor begeleiding. Dus niet alleen is het niet noodzakelijk om het Haagsverdrag op te zeggen, het is ook hoogst onwenselijk om het verdrag op tezeggen, omdat het kader van samenwerking dat tot stand is gekomen inhet kader van het Haags verdrag van belang is, ook naar de toekomst toe,ook nadat de internationale adoptie naar Nederland toe onder deNederlandse wetgeving niet meer mogelijk is.Tot zover de verdragsverplichtingen.De heer Van Nispen stelde de vraag hoe we ervoor gaan zorgen dat ergeen misstanden zullen plaatsvinden in de komende zes jaar, vijf tot zesjaar, dat we nog doorgaan. Het blijft zo dat we zorgvuldig kijken naarwelke landen daarvoor in aanmerking komen. De landenselectie die in hetverleden heeft plaatsgevonden, laten we uiteraard niet los. We blijvenkritisch kijken of het goed is. De Centrale autoriteit zal daar dus een groterol in blijven hebben in samenwerking met de centrale autoriteiten in debetreffende landen. We zullen ook de landenanalyse periodiek blijvenherhalen. Daar komen dan nog allerlei andere instrumenten bij, zoalswerkbezoeken door de centrale autoriteiten, het delen van internationaleervaringen en het actief zicht houden op de ontwikkelingen die er zijn inde landen van herkomst. Ik noemde al even dat we vasthouden aan demaatregelen. Een daarvan is dat verschillende rijksinspecties toezichtblijven houden. Met name de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd heb ikbereid gevonden om gedurende de afbouw een andere, meer intensievevorm van toezicht te houden op de bemiddeling door de vergunning-houders en daarbij toe te zien op de risico’s die ook in een afbouwsce-nario bestaan. Dit betekent onder ander dat de Inspectie Gezondheidszorgen Jeugd de afbouwplannen van de drie vergunninghouders zal toetsenen vervolgens periodiek zal monitoren.Ik kom op de vragen die zien op alternatieve routes en misschien ookillegale routes. Onder anderen de heer Van Dijk en de heer Sneller steldende vraag of het ook lukt om te voorkomen dat men illegale wegen gaatbewandelen. Hoe voorkomen we dat er sprake zal zijn van ongereguleerdekinderhandel? Het is evident dat de keuzes die we maken er niet toemogen leiden dat dat risico wordt vergroot. We moeten dat dus zo goedmogelijk en effectief tegengaan. Er bestaan nu al relevante strafbepa-lingen tegen kinderhandel. Die strafbepalingen wil ik uitbreiden entoespitsen op het ongereguleerd opnemen van een kind ter adoptie,bijvoorbeeld met een bemiddelingsverbod en een verbod om een kindongeoorloofd voor adoptie naar Nederland te halen. Deze uitbreiding vanhet strafrechtelijke kader wordt meegenomen in het wetsvoorstel dat wijnu opstellen in het kader van het afbouwplan. Ik zal ook kijken naar Boek10 van het Burgerlijk Wetboek, waarin het internationaal privaatrecht isgeregeld, om te regelen dat illegale adopties niet meer kunnen rekenen opjuridische erkenning in Nederland. Verder zal ik aandacht hebben voor hetVreemdelingenbesluit en de Vreemdelingencirculaire, en zal ik deze waarnodig aanscherpen om te voorkomen dat kinderen zonder de juistejuridische grondslag Nederland binnenkomen. Ik noemde al eerder hetHaags Adoptieverdrag. Ik zie ook dat verdrag, en de samenwerkingdaarbinnen, als een medium om internationale kinderhandel en andereexcessen te voorkomen en te vermijden.Mevrouw Bikker vroeg naar het aantal vergunninghouders. Van dehuidige vier vergunninghouders is er een die al enige tijd geen nieuwebemiddelingsverzoeken meer aanneemt. Dat was al het geval voordat aanhet afbouwplan werd gewerkt. Eind dit jaar lopen de huidige vergun-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 836, nr. 12125 ningen van de drie overige vergunninghouders af. De vergunninghouderskunnen een aanvraag indienen om hun vergunning te verlengen. In hetkader van de afbouw en de kwaliteitswaarborgen zal ik in het kader vandeze vergunningverlening enige aanvullende voorwaarden stellen. Op diebasis kan de vergunning dan worden verlengd en kunnen de vergunning-houders de werkzaamheden voortzetten.Op basis van de gesprekken die worden gevoerd met de drie vergunning-houders spreken we ook in het bijzonder over wat het voor hen betekenten welke taak en opdracht ze hebben om gedurende de afbouw adoptieste blijven begeleiden en ook voorbereid te zijn op de fase daarna. Dat gaatdan dus over de afbouw en over de overdracht van kennis, want ik deel dezorg van mevrouw Bikker dat de kennis die er nu is bij de vergunning-houders beschikbaar moet blijven voor de geadopteerden. Kennis overhet land van herkomst en kennis over het proces moeten bewaard blijvenin expertisecentrum INEA. Dat is het expertisecentrum voor interlandelijkeadoptie, dat de opdracht krijgt om samen met de vergunninghouders dezelegacy vast te leggen en te verankeren. Vanzelfsprekend zullen ook debelangenorganisaties voor internationaal geadopteerden hierbij wordenbetrokken, want uiteindelijk gaat het om hun behoeften als het gaat om dekennis die nu bij de vergunninghouders aanwezig is.Mevrouw Bikker (ChristenUnie):Dank voor de schets van de Staatssecretaris van de overgangsfase en vanhoe het gaat met de licenties. Tegelijkertijd is het wel een heel precairproces, met een beperkte groep vergunninghouders en het grote belangvan het goed overdragen van gegevens. Gaat de Staatssecretaris daarbijde vinger ook nauw aan de pols houden? Als de vergunninghoudersnamelijk bijvoorbeeld tussentijds stoppen, dan heeft dat grote gevolgen,en ook als de overdracht het niet goed gaat. Hoe ziet de Staatssecretarisdat voor zich bij de licentieverlenging? Worden daar aanvullendeafspraken over gemaakt? En wanneer informeert hij de Kamer daarover?Staatssecretaris Struycken:Dit is inderdaad onderdeel van het proces van verlenging van devergunning, en van het proces van een voortdurende dialoog vanuit hetministerie met de drie vergunninghouders. Ik heb geen enkele aanleidingom aan te nemen dat deze vergunninghouders daarin terughoudendzullen zijn. De ene is minder gelukkig dan de andere met het stopzetten,en dat mag, maar ze zijn zich allemaal bewust van de verantwoorde-lijkheid die bestaat jegens de geadopteerden. Ik heb er alle vertrouwen indat zij op een verantwoorde wijze zullen doen wat nodig is. Dat is dusonderdeel van een voortdurend proces. De vergunningen moeten zijnverlengd voor het einde van dit jaar. Ik zal de Kamer daarna informerenover de stand van zaken, ook met betrekking tot deze vergunningen. DeCentrale autoriteit is hier natuurlijk ook voortdurend bij betrokken, alsonderdeel van het proces. Dat borgt in een bepaalde mate ook de kennisin de loop ter tijden.Mevrouw Bikker stelde ook nog een vraag die eigenlijk ...De voorzitter:Excuus, Staatssecretaris. Op dit punt heeft u nog een vraag van de heerDiederik van Dijk.De heer Diederik van Dijk (SGP):Nou, op dit punt ... Ik wil even aanhaken bij het bredere punt van dezorgvuldigheid. Ik vind het best een hele ingewikkelde uitleg, dus even terverheldering voor mijzelf. In mei 2024 heeft het kabinet gezegd: westoppen met interlandelijke adoptie. Na die tijd zijn enkele tientallenaanvragen nog gewoon in behandeling genomen door het ministerie,naar alle waarschijnlijkheid omdat ambtenaren wel aanvoelden: de WobkaTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 836, nr. 12126 bestaat gewoon en we zijn nog gebonden aan verdragsrechtelijkeverplichtingen. Hoe kunnen we stellen dat dit zorgvuldig gaat? We zijntoch juridisch gezien in een heel diffuse situatie terechtgekomen?Staatssecretaris Struycken:Er zitten twee aspecten aan. Ik heb belicht dat de verdragsrechtelijkeverplichtingen wat mij betreft niet diffuus zijn. Die staan de beëindigingvan internationale adoptie niet in de weg. Maar vanuit Nederlandsbestuursrechtelijk perspectief vergt dat wel dat de Wobka eindigt. Zolangde Wobka er is, kunnen wij mensen niet tegenhouden om de procedure inte gaan door een aanvraag in te dienen. Dan krijgen ze een BKA-nummertoegekend. Dat is fase één van de vijf of zes fases in het proces, zoals ikdie in de brief heb geschreven. Op basis daarvan hebben wij gezegd datwe de tijdelijke stop, die in het licht van het Kamerbesluit opportuun werdgeacht, eraf halen. Mensen kunnen zich dus aanmelden. Maar we zijn daarheel eerlijk en ook vrij expliciet over: de kans dat mensen die nu aan eenadoptieprocedure beginnen nog de gewenste adoptie zullen meemaken,is buitengewoon klein. We kunnen het niet voor honderd procentuitsluiten. Er zit ook een eigen verantwoordelijkheid van de betrokkenenin. Maar vanuit een soort zorgplicht, zo u wil, zien wij ons wel gehoudenom echt heel uitdrukkelijk te zeggen dat die kans buitengewoon klein is.Dat is al zo voor de mensen die al wel in de procedure zitten maar nogniet aan de fase van het aanvragen van beginseltoestemming bij de Raadvoor de Kinderbescherming toe zijn. Daarom zijn wij zeer terughoudend,maar de juridische situatie leidt wel tot een diffuus beeld, in die zin dat wijze bestuursrechtelijk niet kunnen verbieden om nu nog aan een procedurete beginnen. Dat moet zo snel mogelijk stoppen. Daar is een wetswijzigingvoor nodig. Maar zoals u weet, kost dat enige tijd.De heer Diederik van Dijk (SGP):Het laatste op dit punt. Ik hoor wat de Staatssecretaris zegt. Het is heelduidelijk hoe het ministerie eigenlijk een ontmoedigingsbeleid voert op ditpunt. Dat is de juridische kern. Is dat houdbaar in het licht van onzeverdragsrechtelijke verplichtingen? Ik begrijp uit de reactie van deMinister dat hij er zijn hand voor in het vuur durft te steken dat ditstandhoudt bij de rechter. Zit hij er zo in?Staatssecretaris Struycken:Ja, dat is onze overtuiging. Dat is onze overtuiging. Wij hebben daarvertrouwen in. Wij denken dat dit standhoudt, ook in het licht van hetduidelijke politieke besluit dat wij naar zorgvuldige afweging hebbengenomen. Wij denken dat die afweging in het volkenrechtelijk kaderdeugt. De bestuursrechtelijke analyse heeft ertoe geleid dat we mensenniet langer weerhouden om de procedure te starten, maar wel in het besefdat de kans van slagen erg klein is. Het traject dat adoptiefwensoudersingaan, is echt nogal intensief. Dat heeft te maken met emoties, met hoop,met verwachting. Er zitten ook kosten aan het traject. Om al deze redenennemen wij de vrijheid vrij vocaal te zijn in de ontmoediging en geen valseverwachtingen te wekken. Nou weet iedereen die een adoptietrajectingaat dat er nooit een garantie is op het krijgen van een kind dooradoptie. Er is geen recht daarop. Maar de hoop is er wel. Dat baart welenige zorg.Ik sluit af. Nee, ik sluit niet af, want er is veel meer te zeggen over adoptie.Eerst even de vraag over adoptie van volwassenen. Het is in Nederlandniet mogelijk dat een volwassene zich laat adopteren. In sommige onsomringende landen kan dat wel. Ik begrijp dat het kan knellen dat eenvolwassene zich niet kan laten adopteren. Een deel van de situaties waarindat knelt, betreft pleegkinderen die meerderjarig worden en hun familie-rechtelijke relatie met hun pleegouders verliezen bij het bereiken van demeerderjarige leeftijd. Dat zijn meer emotionele motieven die leiden tot deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 836, nr. 12127 wens om die familierechtelijke band wettelijk vast te leggen. Artikel 8EVRM, over het recht op gezins- en familieleven, het recht op family life,dat vreemd genoeg niet in onze Grondwet staat, biedt in onze analysegeen recht op dergelijke ouderschapsbanden of familiale banden nameerderjarigheid. Op dat artikel is een beroep gedaan in de rechtspraak,maar dat gaat om hele bijzondere situaties. In ieder geval zouden we eenbeter beeld moeten hebben van situaties waarin het wel juridischerelevantie kan hebben of relevantie anderszins, bijvoorbeeld fiscaal. Datzouden we nader moeten bezien. Maar er is geen aanleiding om dat numee te nemen in dit wetsvoorstel. Daarvoor hebben we nu onvoldoendezicht op de situatie.Mevrouw Bikker (ChristenUnie):Ik ken een concrete schrijnende situatie waardoor ik tot deze vraag kwam.Ik zag ook gewoon geen mogelijkheden. In die zin kon ik een heldereboodschap geven, maar niet de mooiste. Mijn vraag aan de Staatssecre-taris is of hij in ieder geval in de omliggende landen eens op zou willenvragen in welke gevallen daar gebruik wordt gemaakt van dit artikel. Danbedoel ik dat die mogelijkheid er wel is. Aan de hand daarvan kunnen wealtijd bezien op welk moment het dan wel of niet passend is om dit alsnogwettelijk mogelijk te maken.Staatssecretaris Struycken:Wij komen met een voortgangsbrief over adoptie. Daarin zullen wij ditonderwerp meenemen.Ik kom bij de problematiek van de dossiers. Allereerst over de feitelijkheidvan het aantal dossiers. Mevrouw Bikker stelde daarover een vraag. In debrief wordt gerept van 26.500 adoptiedossiers, terwijl we uitgaan van zo’n40.000 mensen die door adoptie naar Nederland zijn gekomen, zoals ikook noemde in mijn inleiding. Het klopt dat die getallen niet gelijk luiden.Het verschil wordt waarschijnlijk verklaard doordat vergunninghoudersgezinsdossiers hebben bijgehouden. Dat betekent dat de dossierstukkenover meerdere adopties binnen één gezin zijn gevoegd in één dossier.Dan de vraag van mevrouw Bikker of de archivering bij het NationaalArchief ook in financiële zin is geborgd. Zodra de dossiers zijn overge-bracht naar het Nationaal Archief, vallen ze onder de verantwoordelijkheidvan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. De archieven diedaarnaar zijn overgebracht, worden voor onbepaalde tijd beheerd. Datwordt gefinancierd vanuit het Ministerie van OCW. Daarmee is decontinuïteit gewaarborgd.Veel belangrijker en gevoeliger is de problematiek van inzage in dedossiers. Door verschillende leden van uw Kamer werd geuit dat hetbelangrijk is dat geadopteerden zo veel als mogelijk en zo snel alsmogelijk inzage krijgen in de dossiers. Ik zie dat belang. Ik herken diewens en ook de urgentie die daarin besloten ligt. De brief die ik hieroverheb gestuurd, heeft in het geheel niet beoogd daaraan af te doen. We zijndaar intensief mee bezig. Dat is best een intensief proces, omdat er juistvanuit het privacyperspectief een zorgvuldige afweging gemaakt moetworden als het gaat om hoe we hiermee moeten omgaan. Het gaat omeen grote diversiteit aan dossiers en houders van die dossiers. Vandaardat het advies van de landsadvocaat is ingewonnen over de mogelijk-heden en beperkingen. De boodschap die ik wil geven, is dat we er allesaan doen om dit zo veel als mogelijk te realiseren en om alle afwegingendie daarvoor gemaakt moeten worden, zorgvuldig te doen. We zijn ermeebezig, we maken er werk van en we herkennen het gevoel van urgentie.Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):Met alle respect, maar ik herken het gevoel van urgentie totaal niet. Er isvorig jaar april een motie aangenomen. Een jaar later krijgen we daar eenbrief over. Daar zit een juridisch-technisch maar vrij helder advies van deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 836, nr. 12128 landsadvocaat bij. Dank daarvoor, want dan kunnen we dat ook zelf lezen.Daar zitten hele concrete punten in die de Staatssecretaris kan gaanoppakken/uitvoeren. Dat staat niet in zijn brief. Misschien kan ik gewoondrie hele concrete vragen stellen. Gaat de Staatssecretaris op basis vanartikel 15, lid 3 van de Archiefwet volledige inzage geven? Dus gaat hetrecht op afstemmingsinformatie voor het recht op privacy? Worden dezedossiers ook openbaar voor belanghebbenden, voor het nageslacht vande doelgroep? Komt er een melding in dat er nog een restarchief is? Dezevragen heb ik heel specifiek gesteld in mijn eerste termijn. Ik denk dat hetgoed is dat we daar vandaag heel specifiek antwoord op krijgen, wantmensen zitten er jaren op te wachten. In ieder geval zitten ze, vanaf hetmoment waarop die motie is aangenomen, al een jaar te wachten op dereactie van de Staatssecretaris. Dat gevoel van urgentie wordt dus nietbeleefd.Staatssecretaris Struycken:Er is ondertussen nogal wat gebeurd. Er is veel werk verzet, zoals u ookkunt lezen in de Kamerbrief. Over de derde vraag, over het restarchief, kanik het volgende zeggen. Het Nationaal Archief informeert bezoekers via dewebsite en de nieuwsbrief dat er ook een restarchief bij de Raad voor deKinderbescherming kan liggen. De Raad voor de Kinderbescherming heeftop zijn website vermeld dat mogelijk niet alle dossiers zijn overgebracht.Dat restarchief wordt dus op de radar gezet.Over de toegankelijkheid voor het nageslacht stelde u natuurlijk een helegevoelige vraag. We moeten er niet blind voor zijn dat er ook anderebetrokkenen zijn. Het is gevoelig en complex. Het zijn niet alleen dedossiers van de geadopteerden. Er zijn ook allerlei anderen betrokken bijdie dossiers. Daar moeten we gewoon zorgvuldig mee omgaan. Dat is ookde strekking van het advies van de landsadvocaat. Dat doe je niet in driedagen. Dat moet je netjes doen. Het belang is duidelijk en de intentie isduidelijk. De wens onzerzijds is om hierin voortgang te maken. Dat zeg iktoe.Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):Ik zit hier niet om aan de intenties van de Staatssecretaris te twijfelen – ikwil dat gezegd hebben – maar ik zou hem met nadruk willen vragen omdie hele uitwerking samen met de belanghebbenden te doen. DeStaatssecretaris zei zelf aan het begin hoe emotioneel beladen hetonderwerp is. Ik heb het over het recht om te weten waar je vandaan komten wat er is gebeurd in het verleden. Dat is enorm essentieel, voor zo veeldingen in het leven. Deze mensen lopen daar dag in, dag uit mee rond. Zijhebben hoge verwachtingen van de uitvoering van de motie. In mijn ogenis het dan van cruciaal belang dat de Staatssecretaris en zijn mensen ditsamen met de belanghebbenden uitwerken en oppakken, zodat zij kunnenvolgen welke afwegingen en beslissingen worden genomen. Het kan hennamelijk verlichten bij de last die zij in het leven moeten dragen.Staatssecretaris Struycken:Mevrouw Michon stelt de vraag om dit in samenspraak met de belang-hebbenden te doen. Eigenlijk doen we dat op al deze punten voortdurend.Alles wat wij doen, gaat dus in samenspraak met de belanghebbenden.(Onrust op de publieke tribune)De voorzitter:Excuus. Een momentje, Staatssecretaris. Hoe begrijpelijk het ook isrondom dit onderwerp, maar het is in de Tweede Kamer – het spijt me datik dit moet zeggen, maar ik moet het wel zeggen – niet toegestaan om zichte uiten. Het is eigenlijk ook niet toegestaan om te lachen, maar dat kan ikniet verbieden. Het is in ieder geval niet toegestaan om te reageren opTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 836, nr. 12129 dingen die gezegd werden. Ik moet dat zeggen. Ik verzoek u vriendelijk omdaar rekening mee te houden. De Staatssecretaris continueert.Staatssecretaris Struycken:Ik begrijp de emoties. Ik begrijp de wensen. Uw Kamer begrijpt hoecomplex het is. We moeten het dus zorgvuldig doen. Dat heeft uw Kamermij gevraagd en dat doen we. We laten dit niet liggen. We zijn hier drukmee bezig. We komen erop terug in de voortgangsbrief. De stappen diewe zetten, zetten we in overleg met de betrokkenen waar mogelijk, en inoverleg met uw Kamer waar nodig.Ik kom ten slotte op de laatste ondersteuningsvraag.De voorzitter:De Kamer wil wel weten wanneer de volgende voortgangsbrief komt.Wanneer is die voorzien?Staatssecretaris Struycken:Ik kom daar straks even op terug.De voorzitter:Gaat u verder.Staatssecretaris Struycken:Er was nog een bredere ondersteuningsvraag. Die ziet niet alleen op debelangrijke kwestie van de dossiers, maar ook breder op de onder-steuning en de wensen die er op dat punt zijn. In afstemming met uwKamer is ervoor gekozen om te investeren in een duurzaam ondersteu-ningsaanbod waarmee zo veel mogelijk geadopteerden geholpen zijn. Netals mijn voorganger handhaaf ik de keuze om niet over te gaan tot hetbieden van individuele compensatie of vergoeding. Wij kiezen voorcollectieve maatregelen, voor maatregelen die in het algemeen voorgeadopteerden of groepen geadopteerden van belang kunnen zijn. Ikbesef dat herstel van identiteitsgegevens een belangrijk element is, maarook dat dit kosten met zich meebrengt. Op dit moment is in de rijksbe-groting niet voorzien in het kosteloos herstellen van naam, geboorte-datum en geboorteplaats of zelfs, als dat in het land van herkomstmogelijk is, van de nationaliteit. Ik ben mij ervan bewust dat het voor degeadopteerden die dat wensen, een langdurig en kostbaar proces is omherstel van identiteitsgegevens te bewerkstelligen. In de brief heb ikaangegeven dat ik de mogelijkheden onderzoek om het herstel eenvou-diger te maken en, waar mogelijk, in één procedure onder te brengen. Deuiting die ik zojuist deed op het punt van de toegang tot de dossiers, geldtook hiervoor. In de mix van emoties zie ik dat het belang er is, maaranderzijds is er het besef dat we dit zorgvuldig moeten doen. Juist vooridentiteitsgegevens kennen we allerlei wettelijke procedures enwaarborgen die er niet voor niks zijn en die zich niet heel eenvoudig latencombineren tot een eenduidige, uniforme procedure om dit te herstellen.Het is wel onze intentie om dit te onderzoeken.Voorzitter: KoopsDe voorzitter:Ik neem het voorzitterschap even over van de heer Van Nispen en geefhem het woord voor een interruptie.De heer Van Nispen (SP):De onvrede die zojuist heel terecht is geuit door mevrouw Michon-Derkzen rondom de dossiers, voel ik hier eigenlijk ook. Dit gaat ommensen die nogal wat hebben meegemaakt en die een heel begrijpelijkezoektocht voeren naar hun dossiers – daar is net al terecht wat overTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 836, nr. 12130 gezegd – maar ook naar herstel van identiteit. Het is goed dat de Staatsse-cretaris zoekt naar een eenvoudigere procedure, al duurt dat allemaal welheel erg lang en weten we niet wanneer voor mensen duidelijk wordt hoehet er precies uit komt te zien. Maar dat kan ik ergens nog wel begrijpen.Het is ingewikkeld, het is juridisch lastig om de wet te wijzigen et cetera.Maar de enorme kosten waarmee mensen zich geconfronteerd kunnenzien om hun naam of geboorteakte te wijzigen ... Noem het allemaal maarop; ik heb het allemaal opgenoemd. Ik heb daar overzichten van gezien.Dat kan gaan om duizenden euro’s per persoon, alleen maar om iets teherstellen; het woord zegt het al. De betrokkenheid van de overheid staatvast. De verantwoordelijkheid van de overheid is hier een gegeven. Watvoor een individu een bak met geld is, een drempel waardoor het nietwordt gedaan, daarvan zegt de Staatssecretaris: we hebben wel eenverantwoordelijkheid als Staat, maar wij hebben dat niet begroot. Nee, datklopt. Ik zou er maar eens werk van maken om dat wel te begroten als ikde Staatssecretaris was. Dat lijkt mij toch echt wel op zijn plaats. Wat voormensen een bak met geld is, is voor de overheid toch het minste wat zijkan doen richting deze mensen. Dit is dus een dringend beroep om hetantwoord van zojuist te heroverwegen.Staatssecretaris Struycken:De kosten van de huidige procedures zijn onderdeel van de analyses diewe maken om het in kaart te brengen. U maant tot urgentie. Ik heb daarniks nieuws over te zeggen. Ik begrijp dat. Dat is onderdeel van het traject.We proberen te komen tot een andere procedure, die het eenvoudiger endaarmee ook goedkoper maakt. Identiteitsherstel is natuurlijk wel meerdan alleen herstel van de juridische gegevens. Er zijn ook andere dingen.Dit is allemaal onderdeel van de ondersteuning die wij in samenspraakmet INEA proberen te ontwikkelen. De kosten zijn daar onderdeel van. Ikben nog niet zover dat we daar een beeld van hebben en een keuzekunnen maken over het beschikbare budget.Voorzitter: Van NispenDe voorzitter:Met de pet van voorzitter weer op geef ik het woord aan mevrouw Bikkervoor een interruptie.Mevrouw Bikker (ChristenUnie):Ja, een vervolg hierop. De Staatssecretaris zegt dat hij nog niet zover is,maar het lijkt mij wel goed om een afspraak met elkaar te maken over hetmoment waarop het dan wel aan de orde kan zijn. In alle nuchterheid zegik dat dit niet meer zal lukken voor de voorjaarsbesluitvorming. Als ik deStaatssecretaris hoor, schat ik dat zo in. Maar het moet toch zeker welvoor Prinsjesdag lukken, zodat we die helderheid wel voor het komendejaar hebben.Staatssecretaris Struycken:Aan de financiën zitten twee aspecten. Het gaat om de kosten van hetaanpassen van wetgeving, de aanpassing bij uitvoeringsorganisaties endergelijke, maar het gaat ook om de vraag of wij vinden dat mensen opindividuele basis moeten worden gecompenseerd. Mijn voorganger heeftdie keuze gemaakt. Zoals ik zei, is het uitgangspunt: collectieve finan-ciering van collectieve maatregelen ter ondersteuning, en in beginselgeen individuele compensatie. Als uw Kamer wenst dat er geld vrij wordtgemaakt zodat mensen individueel een bijdrage in de kosten krijgen, isdat wel een individuele compensatie en wijken we daarmee af van datuitgangspunt. Het is dus een dubbel afwegingsproces. Wij hebben netmet elkaar afgesproken dat we in het najaar komen met een voortgangs-brief over alles wat ziet op de afbouw van internationale adoptie. DatTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 836, nr. 12131 behelst mede dit aspect van de ondersteuning. Dan zullen wij zeker eenbeter beeld hebben van wat nodig is, wat de kosten nu zijn, wat wijkunnen doen om die kosten te adresseren en ook wat we moeten wijzigenom het procedureel makkelijker te maken.De voorzitter:Zegt de Staatssecretaris hiermee dat de voortgangsbrief in het najaarkomt? Dat hoor ik hem nu zeggen.Staatssecretaris Struycken:Ja.De voorzitter:Even voor alle scherpte: dat is niet voor Prinsjesdag, zoals mevrouwBikker verzoekt? Of wel? Want dat is ook in het najaar.Staatssecretaris Struycken:Nee, dat is niet voor Prinsjesdag.De voorzitter:Ik moet wel melden dat uw interrupties op zijn, mevrouw Bikker. MevrouwTseggai.Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):«Misschien voor de Justitiebegroting», wordt mij ingefluisterd. Ik hoopdat, want bij mij rijst een beetje de vraag wat er het afgelopen jaar dan isgebeurd op dit dossier. Ik doel nu specifiek op het punt van de kosten voornaamsverandering, geboorteplaatsverandering et cetera. De laatste keerdat wij dit debat voerden, kreeg ik eigenlijk precies hetzelfde antwoordvan de vorige Minister. We zijn nu een jaar verder. We weten tochongeveer hoeveel het kost, dus ik vraag me oprecht af wat er hetafgelopen jaar dan wél is gebeurd.Staatssecretaris Struycken:Wij hebben verslag gelegd in onze Kamerbrief. Daarin kunt u lezen wat wehebben gedaan.Ik kom bij het onderdeel internationale kinderontvoering, een aangrijpenden complex probleem. Elk kind dat wordt ontvoerd of, nog ruimer, elkeonttrekking aan gezag – de heer Koops wees daar terecht op – is er een teveel. Wij moeten ons dus maximaal inzetten om deze situaties tevoorkomen en met name te redresseren. De impact op gezinnen is groot.Dit vergt een nauwe samenwerking tussen de betrokken instanties. Er zijnde afgelopen jaren stappen gezet. Ik noem de verbeterde ondersteuningvoor ouders en de inzet van het Schengeninformatiesysteem omontvoering te voorkomen. Het is cruciaal om de kennis en de wetenschap-pelijke inzichten te benutten. Maar het voorkomen blijft een uitdaging.Dan in antwoord op de vraag van heer Smitskam. Hij vraagt bij hoeveelzaken er daadwerkelijk tot vervolging wordt overgegaan. De strafbaar-stelling is geregeld in artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht.Daaronder vallen naast internationale kinderontvoeringen ook allebinnenlandse onttrekkingen aan ouderlijk gezag. Het is dus strafbaar. HetOpenbaar Ministerie legt in het registratiesysteem enkel het aantalonttrekkingen aan het gezag vast, op basis van artikel 279, maar maaktdaarbij geen onderscheid voor internationale kinderontvoering. Ik heb vanhet Openbaar Ministerie begrepen dat, in verband met het kleine volumeaan zaken rond internationale kinderontvoering, de keuze is gemaakt omgeen maatschappelijke classificatie «internationale kinderontvoering» aante maken in het registratiesysteem. Het kleine volume leidt ertoe dat datgeen betrouwbare meting zou zijn. Het vergt bovendien een substantiëleTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 836, nr. 12132 investering in de wijziging van het registratiesysteem. Het zou ook deregistratielast van het Openbaar Ministerie verhogen.Tot zover het OM.De heer Koops (NSC):Dit antwoord op de terechte vraag van de heer Smitskam, is weinigbevredigend. Hebben we het dan over het kleine aantal dat daadwerkelijkis veroordeeld? Het moet toch mogelijk zijn om inzichtelijk te krijgenhoeveel verstekvonnissen er zijn gewezen tegen de ontvoerders van hunkind. Ik heb het dus over de onttrekkers aan het gezag die vertrokken zijn.Het is toch juist: «We leave no one behind»? Het gaat in alle gevallen omschrijnende, zeer schrijnende gevallen met een zeer serieus slachtoffer.Dan lijkt het me dat je, voordat je beleid kan maken, die cijfers wel degelijkinzichtelijk moet gaan maken en die classificatie dus wel moet gaanaanleggen. Daarbij moet je ook nadrukkelijk rekening houden met deinspanningen die door de politie worden geleverd om dergelijke dossiersop te maken. Op dit moment hebben we onvoldoende inzage in hoe vaakeen aangifte wordt opgepikt. Die aangifte die opgepikt wordt, leidt tot eenvervolging, een berechting en vooral een executabel vonnis. Is deStaatssecretaris in dat licht bereid toe te zeggen dat inzicht op enigetermijn wel te verzorgen voor de Kamer, bijvoorbeeld voor Prinsjesdag –om in stijl te blijven?Staatssecretaris Struycken:Het Openbaar Ministerie speelt hierin een grote rol. Zoals u bekend is,heeft het Openbaar Ministerie het recht om hierin een eigen afweging temaken. We moeten de onafhankelijkheid van het OM zo veel mogelijkrespecteren. Die brengt ook mee dat hierin keuzes zijn gemaakt, die ik inbeginsel heb te respecteren. Ik had het over een substantiële investeringin het systeem. Daar zitten dus ook gewoon hele praktische en financiëleaspecten aan, bijvoorbeeld het aanmaken van een code. Dat maakt dat zijhet niet doen, zo is mij verteld. Ik kan niet beloven dat dat op korte termijnanders zal zijn. Ik had het in mijn inleiding over de kennis en de weten-schappelijke inzichten, over het onderzoek dat plaatsvindt. Wellicht datlangs die weg meer inzicht kan worden verkregen in de frequentie en deernst daarvan. Maar ik vrees dat ik niet kan zeggen dat dat op kortetermijn via het OM zal gaan gebeuren.De heer Koops stelde natuurlijk wel een andere vraag in dit verband.De voorzitter:Maar op dit punt is er nog een interruptie van de heer Smitskam.De heer Smitskam (PVV):Ik vind het een zeer onbevredigend antwoord. U had het over schrijnendegevallen, maar dat is een understatement. Er zit ongelofelijk veel leedachter zo’n kinderontvoering. Zeggen dat daar allerlei praktisch ongemakaan vastzit, kun je die ouders eigenlijk niet aandoen. Ik vind eigenlijk datdaar veel concreter en adequater op gereageerd moet worden. Ik denk dathet heel erg belangrijk is om goed in kaart te brengen hoeveel van ditsoort ontvoeringen er plaatsvinden en hoeveel vervolgingen daaruitvoortkomen. Dit is namelijk echt een schrijnend probleem. Daarbij hoef ikalleen maar het voorbeeld te geven van een vrouw die getrouwd wasgeweest met een Indiase man, wier kindje is verdwenen. Die mevrouwdoet al jaren heel veel moeite om überhaupt in contact te komen met haarkind. Het is, werkelijk waar, ongelofelijk triest om te zien hoeveel leed datveroorzaakt.Staatssecretaris Struycken:Het geval dat de heer Smitskam noemt, is mij bekend. Dat heeft de volleaandacht van mijn departement en van het departement van BuitenlandseTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 836, nr. 12133 Zaken. Het geval illustreert inderdaad hoe pijnlijk en complex het kan zijn,met name in die situaties waarin een kind is ontvoerd naar een land datgeen verdragsstaat is van het Haags Kinderontvoeringsverdrag. DiezelfdeHaagse Conferentie voor Internationaal Privaatrecht heeft ook op dit vlakeen kader gecreëerd. Dat lost deze problemen niet op, maar het biedt weleen kader voor een benadering. De meest schrijnende gevallen zijn degevallen waarin een kind is ontvoerd naar een land dat geen lidstaat isvan het Haags Kinderontvoeringsverdrag. Dat zijn per definitie heelmoeilijk oplosbare gevallen. Ik denk dat we ons niet moeten blindstarenop de registratiesystemen die het Openbaar Ministerie hanteert. Ik denkdat we in bredere, andere zin alles moeten doen om de frequentie in kaartte brengen en te identificeren wat we kunnen doen. Daar is een landelijkexpertisecentrum voor, met zeer capabele mensen, die ik nu ook aankijk.Ik weet dat zij in de zaal zitten. We trachten dus dat beeld op anderemanieren zo veel en zo grondig mogelijk compleet te krijgen. Ik kan nietanders dan erkennen dat er ellendige situaties zijn die heel moeilijkoplosbaar blijken te zijn, ondanks alle inspanningen, ook langs diploma-tieke wegen.Voorzitter. De heer Koops bracht problematiek op in een ander verband,namelijk het onttrekken aan gezag. Het gaat dan met name om situatiesdie in een ander opzicht buitengewoon netelig, kwetsbaar en schrijnendzijn, namelijk de situaties waarin sprake is van een kwetsbaar kind,waarbij een kinderbeschermingsmaatregel wordt overwogen. Hetonderzoek dat de Raad voor de Kinderbescherming moet doen voordat erwordt besloten tot een ondertoezichtstelling – een variant daarvan isuithuisplaatsing – zou ertoe kunnen leiden dat de betrokken ouder ofouders de benen nemen met het kind, en daarmee trachten die maatregelte omzeilen. Het kan ook gaan om situaties waarin er al een ondertoezicht-stelling is, maar later een uithuisplaatsing wordt overwogen. Dan is er aleen ondertoezichtstelling, en dan is de juridische situatie een slagjeanders. Ik ken de werkprocessen bij de Raad voor de Kinderbeschermingonvoldoende om te zeggen in hoeverre het onderzoek dan een risicocreëert op onttrekking aan gezag door een vlucht naar het buitenland. Ikzal daarover spreken met de Raad voor de Kinderbescherming, om inieder geval te begrijpen of dit probleem herkend wordt en hoe zij hier zelfmee omgaan, en om, waar mogelijk, te komen tot aanpassing van deprocedure in dat soort situaties.De heer Koops (NSC):Bent u bereid om bij de Kamer verslag te doen van dat gesprek? En danbedoel ik niet via LinkedIn, maar met een serieus rapport over de vraag ofdat een probleem is en, zo ja, hoe dat aangepakt wordt.Staatssecretaris Struycken:Er zit veel tussen een LinkedIn-bericht en een serieus rapport. In een vande tussenvarianten zal ik, zodra de kennis er is, uw Kamer daaroverinformeren.Voorzitter. Ik stel voor dat ik overga tot het onderwerp meerouderschap.De voorzitter:Heel graag zelfs. Ik word een beetje bezorgd als ik kijk naar de klok. Daarkan de Staatssecretaris misschien niet zo veel aan doen, en de Kamer ookniet. Ik ga u niet al te veel opjagen, want het zijn allemaal belangrijkeonderwerpen; dat realiseer ik mij heel goed. Maar ik kijk wel even naar deKamer. We moeten dit debat om 17.00 uur beëindigen, dus ik vrees eenbeetje voor de tweede termijn. U mag allemaal nog gebruikmaken van hetaantal interrupties dat ik u heb beloofd, maar we zitten wel in de klem. Ikverzoek eenieder, ook de Staatssecretaris, om daar rekening mee tehouden. Gaat u vooral verder.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 836, nr. 12134 Staatssecretaris Struycken:Voorzitter. Ik kom tot het onderwerp meerouderschap, en ik moet dathelaas kort houden. Er zijn diverse vragen over gesteld, maar ik heb maaréén antwoord: dat ligt besloten in de brief die ik op maandag 10 maartaan uw Kamer heb gestuurd. Laat ik vooropstellen dat ik begrip heb voorde wensen van de betrokkenen bij meeroudergezinnen. Ik herken desituaties ook uit mijn eigen omgeving. Ik weet dat er een diversiteit aangezinsvormen is in onze samenleving. Ik heb daar ook oog voor. Onder-zoeken laten zien dat een wettelijke regeling voor meerouderschap enmeerpersoonsgezag in bepaalde situaties – er zitten allerlei nuanceringenin – in het belang van het kind is, met name in de situaties waarin het kindvanaf de geboorte opgroeit in een meeroudergezin.De onderzoeken laten echter ook zien dat het opstellen en invoeren vanregelingen substantiële kosten met zich meebrengt, en dat dit met nameook veel doet als het gaat om capaciteit. Ik heb het dan niet zozeer over decapaciteit binnen mijn departement, zeg ik daar uitdrukkelijk bij. Het gaatniet om de wetgevingscapaciteit; het gaat om de capaciteit bij uitvoerings-organisaties, waarvan wij veel vragen. Het inzicht dat in de afgelopenmaanden is gegroeid op basis van de rapportages, is dat de impact opuitvoeringsorganisaties veel groter is dan we hebben voorzien, zowelfinancieel als op het gebied van capaciteit. Dat zijn de argumenten die mijertoe hebben geleid uw Kamer te berichten dat wij op dit moment geenruimte zien om verder te gaan met dit traject. Dat is geen licht besluitgeweest, maar het is de keuze die ik heb moeten maken.De voorzitter:Dit was volgens mij het antwoord over het meerouderschap en -gezag. Ikzie interrupties van mevrouw Tseggai en de heer Sneller.Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):Ik raak nu een beetje de draad kwijt, want dit is weer een ander argument.De Minister had eerst laten weten geen 5 miljoen te kunnen vinden. Is ditgewoon geen prioriteit voor dit kabinet? Hoe moeten die 15.000 gezinnendie graag erkenning willen voor hun gezinssituatie zich hiertoeverhouden?Staatssecretaris Struycken:In de brief merk ik op dat er kosten aan verbonden zijn en dat er capaci-teitsproblemen zijn. Ik heb verduidelijkt dat die capaciteitsproblemen geenwetgevingscapaciteit betreffen, zoals misschien door sommigen wordtgedacht. De wetgevingscapaciteit is ook een probleem, want op al dezedossiers overwegen we wetgeving, en dat kan niet allemaal tegelijkertijd.Maar daar zit niet de echte pijn; de echte pijn zit ’m in de capaciteit van deuitvoeringsorganisaties, zoals DUO, het UWV en dergelijke. Capaciteit ende hieraan gerelateerde kosten, die aanzienlijker zijn dan gedacht, zijn detwee argumenten die ik heb genoemd. U heeft het ook nog over prioriteit.Ik signaleer dat dit geen onderdeel is van het regeerprogramma, en datwij voorrang geven aan onderwerpen die wel benoemd zijn in hetregeerprogramma.De voorzitter:Uw laatste interruptie, mevrouw Tseggai.Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):Maar wat gaan we dan wél doen? In de tussentijd zijn er namelijk nogsteeds kinderen en ouders die in de problemen komen met bijvoorbeelderfrecht, medische situaties en reizen. Het gaat soms van praktischeproblemen tot echt ernstige situaties waarin je geen medische beslis-singen kunt nemen over je eigen kind of, trouwens, je eigen ouder. WatTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 836, nr. 12135 zegt de Staatssecretaris tegen die gezinnen? Wat gaat hij voor diegezinnen doen?Staatssecretaris Struycken:Ik weet niet zeker waar mevrouw Tseggai op doelt, en of dat gaat overmeerouderschap of over meeroudergezag. Dat zijn twee verschillendeonderwerpen. Als het gaat om het kunnen nemen van medische beslis-singen en dergelijke, heb ik begrepen dat dat een probleem is van gezagtoekennen aan anderen dan de ouders. Dan gaat het dus om meerper-soonsgezag. Dat is van een andere orde dan de behoefte die het sterkstlijkt te leven, namelijk de wens om drie- of vierouderschap te regelenvoorafgaande aan de geboorte van een nieuw kind. Dat is dus van eenheel andere orde. De problematiek is veel diverser dan het lijkt, en deoplossingen ook. Ook de mate waarin hier behoefte aan bestaat, is heeldivers. Ik heb dus geen eenduidig antwoord op de vraag wat we gaandoen, anders dan dat we op het punt waar dit het meest gewenst wordt,namelijk meerouderschap, geen stappen zetten.De heer Sneller (D66):De Staatssecretaris heeft zelf geschreven dat er daarnaast te veelcapaciteit van de ministeries zou worden gevraagd. Dat was de redenwaarom veel mensen dachten: dat is ook een argument. Het andereargument is niet zo sterk. Dat gaat over geplande systeemwijzigingen; diezijn op een gegeven moment afgerond, daarna kun je beginnen met deimplementatie die vervolgens tweeënhalf tot vijf jaar gaat duren. Als datniet het grote knelpunt is, zou je het dus nog steeds prima wettelijkkunnen voorbereiden. Dat was een van de vragen die ik heb gesteld.Mijn andere vraag was: kunnen we hier op z’n minst rekening meehouden bij nieuwe wet- en regelgeving, anticiperend op de mogelijkheiddat er wel een regeling komt?Staatssecretaris Struycken:De capaciteitsproblemen zijn divers. Ik heb niet gezegd dat er geenprobleem is met de wetgevingscapaciteit, want dat is er ook. Er zijnvandaag meer wensen verwoord ten aanzien van wetgeving op de kortstmogelijke termijn. Maar de pijn zit vooral bij de uitvoeringsorganisaties. Ikvind het niet opportuun om nu te anticiperen op een situatie die mogelijkin de toekomst kan ontstaan, waarin er wel tijd, ruimte en geld is om ditalsnog vorm te geven. Ik heb die ruimte ook niet binnen het regeerpro-gramma.De heer Sneller (D66):Dat laatste snap ik niet. Dat het geen prioriteit heeft gekregen is één, maardat is niet hetzelfde als: er is geen ruimte om dit te doen. In de brief zelfstaat: er zijn nu geplande systeemwijzigingen en beleids- en wetgevings-trajecten. Het is geen gok dat die in de toekomst een keer klaar zijn. Dieplannen zijn toch een keer afgerond? Want anders zouden het geenplannen zijn, of ze moeten oneindig zijn. Ik ben een beetje geïrriteerd overde manier waarop hier geantwoord wordt. Dit schrijft de Staatssecretariszelf. Ik snap wat hij zegt over het capaciteitsgebrek, maar hij zegt nu: hetstopt hier en zoek het later maar een keer uit. Daar ben ik niet vanovertuigd.Staatssecretaris Struycken:De uitvoeringsconsequenties hiervan en de kosten om dit te doen, leidentot het totaalbeeld dat het niet opportuun is om nu actief te worden in dittraject. Ik kan niet precies duiden wat er achter de zin zit die net werdgeciteerd uit de brief. Maar het totaalbeeld is dat het niet opportuun is omdaar nu mee voort te gaan. Die trajecten... Nee, nu ga ik speculeren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 836, nr. 12136 Uiteraard hebben we hier serieus naar gekeken. Het totaalbeeld is dat hetop dit moment niet opportuun is om hier nu mee voort te gaan.Ik kom op de vragen inzake het wetsvoorstel kind, draagmoederschap enafstamming draagmoederschap. Zoals alle onderwerpen is dit eengevoelig onderwerp. Het gaat meestal om mensen die een kinderwenshebben, maar die die wens niet langs natuurlijke weg in vervulling kunnenlaten gaan. Het gaat om ingrijpende situaties, waarin mensen kijken naarde mogelijkheid om via draagmoederschap ouder te worden. Die wijzekent risico’s, zeker in internationale situaties. Het risico op misstandenbestaat. Ook dat is door de commissie-Joustra gesignaleerd. Daar kunnenwe onze ogen niet voor sluiten. Maar er spelen ook buitengewoon lastigeethische en juridische vraagstukken, zoals al is verwoord door mevrouwBikker. Dit is dus complex. Dat maakt dat we zorgvuldig moeten optreden.Uw vragen over het draagmoederschap betreffen zowel de inhoud als destand van zaken. Het wetsvoorstel Kind, draagmoeder en afstamming ligtin uw Kamer. Er is door uw Kamer in oktober 2023 verslag uitgebracht. Inoktober 2024, enige maanden geleden, is er een WODC-rapport gepubli-ceerd over de omvang van het draagmoederschap in Nederland. Hetbetreft de omvang en de frequentie. Dat rapport heb ik op 17 oktober naaruw Kamer gestuurd. In dit rapport worden door de onderzoekers zorgengeuit over het wetsvoorstel dat nu in uw Kamer ligt. Die zorgen zien onderandere op de vraag of er voldoende toezicht is op zowel de binnenlandseals de buitenlandse trajecten en op de rol van de rechter. Het feit dat datWODC-rapport allerlei risico’s signaleert, maakt de voortgang complex endwingt ons ertoe om extra zorgvuldig te werk te gaan. Ik heb in deaanbiedingsbrief bij het rapport toegelicht dat ik het rapport ga bestu-deren en dat ik mij ga beraden op een inhoudelijke reactie. Dat zal om tebeginnen zijn in samenspraak met de Staatssecretaris van Onderwijs,Cultuur en Wetenschap. Ik hoop uw Kamer rond de zomer nader tekunnen informeren, ook in het licht van de zorgen, de risico’s die zijngesignaleerd in het WODC-rapport. Ik kan nu dus niet inhoudelijk ingaanop de gestelde vragen.Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):Ik kan het goed volgen, maar betekent dit, in mijn termen, dan dat wijvóór de zomer een beleidsreactie krijgen op het WODC-rapport en ook datwij antwoorden krijgen op de over het wetsvoorstel gestelde vragen? Datis de nota naar aanleiding van het verslag. Ook zien wij graag, als hetkabinet dat nodig vindt, de nota van wijziging. Ik zou willen zeggen: maakvóór de zomer een pakketje van die drie documenten en dan plannen wijhet in. Ik vraag dit even in alle scherpte. Los van alle meningen hecht ikeraan dat we het erover hebben in de Kamer. Dat zou in ieder geval zijnaan de hand van de nota naar aanleiding van het verslag en wat mijbetreft ook naar aanleiding van de beleidsreactie van het WODC en denota van wijziging, indien noodzakelijk in de ogen van het kabinet.Staatssecretaris Struycken:Ik zal rond de zomer een beleidsreactie op het WODC-rapport sturen.Daarin zal dan ook vermeld staan hoe ik verder wil gaan met ditwetstraject.De heer Sneller (D66):Wat zit daar nou achter? Het is een procedureel voorstel en de Staatsse-cretaris gaat er deels zelf over. Ik probeer het gewoon te snappen. Er zijngeen hele nieuwe vragen gesteld. Waarom kan dan niet tegelijk de notanaar aanleiding van het verslag komen? Ik deel namelijk volledig watmevrouw Michon-Derkzen zegt.Staatssecretaris Struycken:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 836, nr. 12137 Het WODC-rapport noopt tot een evaluatie van het wetsvoorstel zoals heter nu ligt. Die evaluatie en daarmee dus de beleidsreactie van het kabinetzal mede bepalen wat in de nota naar aanleiding van het verslag komt testaan. De logische volgorde is vandaar dat ik eerst met een kabinetsre-actie kom, het voorstel heroverwegende in het licht van hetWODC-rapport, en dat ik u dan schetst hoe we verder kunnen gaan.Voorzitter. Ik kom bij mijn een-na-laatste blokje. Dat betreft wat we «deTransgenderwet» noemen, maar dat is dus het wetsvoorstel betreffendede Wijziging vermelding van het geslacht in de geboorteakte. Datwetsvoorstel is sinds 3 mei 2021 bij de Kamer aanhangig. Het vorigekabinet heeft besloten om de behandeling van het wetsvoorstel voort tezetten. Daarmee heeft het vorige kabinet gereageerd op de motie van deleden Van Vroonhoven en Van Dijk van 11 april 2024. Vervolgens heeft hetnieuwe kabinet in juli van 2024 voor de vraag gestaan of dit wetsvoorstelop de zogenaamde «valbijllijst» zou moeten worden geplaatst. Dat is determ die de heer Koops zocht. Dat is de lijst van wetsvoorstellen die bij hetaantreden van een nieuwe regering door de regering worden ingetrokken.Dat doet een regering in twee gevallen, ofwel doordat er in het regeerpro-gramma een keuze is gemaakt die onverenigbaar is met het wetsvoorstel,ofwel doordat het wetsvoorstel is achterhaald, dat wil zeggen dat het omtechnische redenen of anderszins is ingehaald door de realiteit. Ditwetsvoorstel voldoet niet aan die beide voorwaarden. Daarom heeft deregering dit wetsvoorstel niet op de valbijllijst geplaatst. Daarna hebbenwe er hier in de Kamer nog over gesproken en ik heb u geïnformeerd datik afwacht hoe de Kamer hiermee verder wenst te gaan.Voorzitter. De laatste vraag gaat over de zorg die de heer Snellerverwoordde, namelijk over situaties waarin iemand in de BasisregistratiePersoonsgegevens te boek staat als gescheiden, tot de dood daar eeneind aan maakt. Ik deel het punt van zorg. Ik ga onderzoeken of ditrelevant is en hoelang deze vermelding van de status dan nog relevant is.Wat mij betreft is dit te plaatsen in het licht van de kwaliteit vanwetgeving. Wetgeving moet niet leiden tot onnodige registraties. Daar ishet recht niet voor. Ik ga dus onderzoeken of dit van belang is en ik kom errond de zomer schriftelijk op terug.Voorzitter. Dit waren wat mij betreft de antwoorden.De voorzitter:De heer Koops nog voor een interruptie.De heer Koops (NSC):Nou is het een korte vergadering, maar ze begint toch alweer lang teworden. Ik heb de Staatssecretaris volgens mij nog niet gehoord over hetpunt dat de uitschrijving door een van de gezaghebbende ouders kanworden gedaan zonder dat de andere ouder daarvan op de hoogte is. Ikhad daar een heel concrete vraag over gesteld, namelijk of de andereouder ogenblikkelijk op de hoogte kan worden gesteld. De heer Smitskamvroeg of dat zelfs van tevoren kan, zodat er ook een bezwaarmogelijkheidwordt gecreëerd of kan worden benut. Dat onderwerpje mis ik nog.Staatssecretaris Struycken:De heer Koops heeft helemaal gelijk. Dit is het papiertje dat nog in mijndossier gevoegd moest worden. Inderdaad, de situatie komt voor datgemeenten een kind uitschrijven zonder instemming van beide ouders. Eris, zo is mij verteld, een nieuwe voorziening beschikbaar gekomen. Dieheet de gezagsmodule. Daarmee kunnen gemeenten hulp krijgen bij hetbepalen van wie nou gezag hebben over een kind. Het doel is dan ook omvast te stellen dat er nog een andere persoon is met gezag en om op diebasis vast te stellen in hoeverre uitschrijving zonder instemming welmogelijk is. Ik ga dit nader onderzoeken. Ik heb geen beeld van hoe vaakdit voorkomt. Ik ga onderzoeken of een vorm van melding nodig is om,Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 836, nr. 12138 ook in het licht van die gezagsmodule, te voorkomen dat uitschrijvingbuiten een van de ouders om kan voorkomen. Ik zal uw Kamer daaroverrond de zomer informeren.Voorzitter: KoopsDe voorzitter:Ik neem het voorzitterschap over om de heer Van Nispen de gelegenheidte geven om zijn interruptie te doen.De heer Van Nispen (SP):Het betreft eigenlijk een niet-beantwoorde vraag. Bij de beantwoordingvan de vragen over het afbouwplan heb ik de Staatssecretaris volgens mijniet gehoord over de specifieke zorgen die over Zuid-Afrika en Hongarijezijn geuit en de kritiek van Denemarken en Noorwegen daarop.Staatssecretaris Struycken:Mijn excuses dat ik deze vraag in eerste instantie niet heb beantwoord. Uheeft gelijk.De voorzitter:Aanvaard.Staatssecretaris Struycken:Ik bedoelde eigenlijk... Nou ja, dat komt door de voorzitterswissel. Departners bij het Haags Adoptieverdrag bekijken ieder voor zich elke keerweer met welke landen wordt samengewerkt. Ze zijn daar vrij in; vandaarde mogelijkheid om een landselectie te maken. De landenselectie heeftertoe geleid dat met een aantal landen niet langer wordt samengewerkt.Dat is een voortdurend proces. Het is een proces van kennisuitwisseling,ook met andere ontvangende landen, dus andere landen die uit debetreffende landen kinderen voor adoptie ontvangen, om bijvoorbeeld dezorgen ten aanzien van een bepaald land van herkomst te identificeren.Dat is een van de verantwoordelijkheden van de Centrale autoriteit. Als uithet onderzoek blijkt dat er zorgen zijn en dat de samenwerkingsrelatie duswordt heroverwogen, dan handelt de Centrale autoriteit daarnaar. Ikbegrijp dat er op dit moment geen redenen zijn om acuut met die landente stoppen, maar dat dit wel onderdeel is van de voortdurende monitoringdie de Centrale autoriteit verricht.De voorzitter:Er is nog een volgende interruptie. Ik geloof dat dit ook de laatste is.De heer Van Nispen (SP):Zeker, al was het maar om de tijd, maar ook omdat dit de derde is. Alslanden zoals Denemarken en Noorwegen, die in sommige opzichten tochecht wel op ons land lijken, zijn gestopt met twee landen die wel nog opons lijstje staan, is de Staatssecretaris dan ten minste bereid om eentoezegging te doen? Ik snap dat hij nu niet zomaar even iets daarover kanzeggen, maar hij zou wel het volgende kunnen zeggen: de Centraleautoriteit gaat na wat de redenen van Denemarken en Noorwegen om testoppen met die landen; wellicht zou dat tot een heroverweging inNederland kunnen leiden. Kan de Staatssecretaris toezeggen om bij deKamer terug te komen op waar dat toe heeft geleid?De voorzitter:De Staatssecretaris! We hebben nog zeven minuten in totaal.Staatssecretaris Struycken:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 836, nr. 12139 Ik zal de Centrale autoriteit verzoeken daar met extra aandacht naar tekijken en om uw Kamer te informeren over mogelijke stappen, als daaraanleiding toe is.Voorzitter: Van NispenDe voorzitter:Dank u wel. Daarmee is er een einde gekomen aan de eerste termijn vande Staatssecretaris. Nou is er nog maar heel erg kort de tijd om eentweede termijn te organiseren, maar ik wil eenieder een halve minuut degelegenheid geven om nog iets te zeggen: een statement of één enkelevraag. Dat kan nog net. Ik geef ook in overweging dat degene die daarbehoefte aan heeft, natuurlijk ook een tweeminuten aan zou kunnenvragen. We doen het op volgorde. Ook om die reden wordt deze tweedetermijn georganiseerd, maar u kunt er ook van afzien omwille van de tijd.Dat gezegd hebbende is het woord aan de heer Koops voor maximaal 30seconden.De heer Koops (NSC):Ik vraag bij dezen een tweeminutendebat aan. Dat zal niet veel verbazingwekken. Ik doe het gewoon. Ik dank de Staatssecretaris zeer voor devoorbereiding van dit moeilijke debat.De voorzitter:De heer Smitskam.De heer Smitskam (PVV):Dank u wel, voorzitter. Ik wacht met interesse het tweeminutendebat af endank de Staatssecretaris voor zijn beantwoording.De voorzitter:De heer Van Dijk.De heer Diederik van Dijk (SGP):Dank, voorzitter. Ook dank aan de Staatssecretaris voor de gegevenantwoorden. Als ik mij niet vergis, heb ik geen antwoord op de vragen dieik had gesteld over de moeder in de burgerlijke stand. Dat antwoord magwat mij betreft ook schriftelijk gegeven worden. Anders ben ik ook bereidom dit om te zetten naar schriftelijke vragen.Voor het overige ligt de bal bij de Kamer wat betreft de intrekking van hettransgenderwetsvoorstel. We zullen ons daar als Kamer op beraden.Dank u.De voorzitter:De heer Sneller.De heer Sneller (D66):Ook van mij dank voor de beantwoording en het toegezegde onderzoekover de Basisregistratie Personen. Ik ben minder tevreden over debeantwoording over draagmoederschap en ik ben niet tevreden over debeantwoording over het meerouderschap. Daar zien we elkaar plenair danwel over.De voorzitter:Mevrouw Michon-Derkzen.Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):Voorzitter. Ook natuurlijk van mijn kant dank aan de Staatssecretaris. Hetis goed dat we over dit onderwerp hebben gesproken. Ik denk dat we inde procedurevergadering met elkaar moeten nagaan wanneer we datTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 836, nr. 12140 weer doen. We moeten niet weer een jaar wachten. Ik ben niet tevredenover de reactie op de inzage van de eigen dossiers – dat zal geenverrassing zijn – op meerouderschap en op draagmoederschap. We gaanons beraden en bekijken hoe we plenair een afronding op dit vlak kunnenmaken.Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel. Mevrouw Bikker.Mevrouw Bikker (ChristenUnie):Voorzitter. Dank aan de Staatssecretaris voor zijn beantwoording en deerkenning van de moeilijke problematiek die komt door het eventueeltoestaan van draagmoederschap. Het gaat ook wel om de verhouding diewij op dit moment tot de realiteit hebben. Ik denk dat het goed is dat ereen tweeminutendebat volgt, maar ik zou de Staatssecretaris ook absoluutwillen aanmoedigen, voor zover nodig, om door te werken aan alleswaarop we al lang aan het wachten zijn. We moeten het tweeminuten-debat niet afwachten, maar juist doorwerken, bijvoorbeeld als het gaat omde dossiers en om de inzage rondom adoptie. Eerlijk gezegd doet detraagheid ook wel pijn.De voorzitter:Mevrouw Tseggai.Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):Voorzitter. Ook van mijn kant dank aan de Staatssecretaris. Ik kan meaansluiten bij de woorden van mevrouw Bikker dat de traagheid toch eenbeetje pijnlijk is, dus ook ik overweeg een aantal moties in het tweeminu-tendebat. Ik kan mij aansluiten bij de procedurele opmerking vanmevrouw Michon-Derkzen. Het lijkt mij goed om met deze commissieeven te kijken hoe we dit onderwerp ofwel vaker ofwel opgesplitst betertot zijn recht kunnen laten komen.De voorzitter:Ik zal zelf ook een paar seconden spreken namens de SP. We moetenkijken hoe we verdergaan met de dossiers van binnenlands geadop-teerden. Ik ben daar ook bepaald ontevreden over. Datzelfde geldt ookvoor hulp en steun voor interlandelijk geadopteerden. Dat betreft dan nietalleen de dossiers, maar ook het identiteitsherstel. Ik vind echt dat wedaar wat mee moeten. Wat mij betreft zouden we het uitgangspunt vangeen individuele compensatie gewoon los moeten laten. De SP heeft datnooit gesteund. We gaan kijken hoe we daarmee verdergaan in hettweeminutendebat.Daarmee is er een einde gekomen aan de tweede termijn van de kant vande Kamer. Die was kort. Ik hoop dat de Staatssecretaris direct kanreageren.Staatssecretaris Struycken:Voorzitter. Ik heb kennisgenomen van het sterke gevoel in deze ruimte, inde commissie maar ook breder dan dat, dat de traagheid van deprocessen pijnlijk is, met name voor de betrokkenen. Ik herken dat. Ikmarkeer dat dat gesignaleerd is.Ik denk ook dat het goed is om sommige van deze onderwerpen vaker teagenderen, zodat we er meer tijd voor hebben. Dat doet niet alleen rechtaan de complexiteit van de problematiek en de kwaliteit van de besluit-vorming, maar ook aan de gevoelens die leven in de samenleving.Ten slotte ga ik nog in op de vraag van de heer Van Dijk. Ook daarbijexcuses dat ik die niet in eerste instantie al beantwoord heb. In aanvullingop wat ik daarover geschreven heb, zeg ik dat het gaat om een zeer kleinTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 836, nr. 12141 aantal gevallen. Wij hebben geen enkel signaal dat de bewoordingen in deakte niet bruikbaar zijn en stuiten op problemen in het buitenland. Mochtdat wel in meer dan één geval het geval blijken te zijn, dan zullen we datin heroverweging nemen. Wij zien op basis van het advies van deCommissie van Advies voor de zaken betreffende de burgerlijke staat opdit moment geen voldoende aanleiding om daar nu stappen in te zetten.Ik dank u, voorzitter.De voorzitter:Dank u wel voor de beantwoording. Voordat we afsluiten, het volgende. Eris een tweeminutendebat aangekondigd met als eerste spreker het lidKoops. Dat betekent dat dit debat zal worden vervolgd in de plenaire zaal.Dan kunnen ook moties worden ingediend.Ik heb nog de taak om met u de toezeggingen door te nemen. Het zijn ereen aantal, maar ik ga proberen om dat snel te doen.–De Staatssecretaris zegt de Kamer toe de Kamer na de jaarwisselingvan 2025 te informeren over de stand van zaken betreffende deverlenging van de vergunningen van de vergunninghouders voorbemiddeling.–De Staatssecretaris zegt de Kamer toe in de volgende voortgangsbriefadoptie, die in het najaar verwacht wordt, in te gaan op de adoptie vanvolwassenen en in het bijzonder hoe hiermee in de omliggende landenwordt omgegaan, op de volledige inzage in adoptiedossiers en op dekosten inzake herstel van identiteitsgegevens.–De Staatssecretaris zegt de Kamer toe de Kamer te informeren naaraanleiding van zijn gesprek met de Raad voor de Kinderbeschermingover onttrekking aan gezag en de procedures in het kader vankindontvoeringen.–De Staatssecretaris zegt de Kamer toe rond de zomer van 2025 dekabinetsreactie te sturen op het WODC-onderzoek in het kader van ditwetsvoorstel over het draagmoederschap en te schetsen hoe verderwordt gegaan met het voorstel.–De Staatssecretaris zegt de Kamer toe rond de zomer de Kamer teinformeren over de vermelding van statussen in de BasisregistratiePersonen.–De Staatssecretaris zegt de Kamer toe rond de zomer de Kamer teinformeren over het uitschrijven van kinderen uit de BasisregistratiePersonen door één ouder, zonder dat de andere ouder daarvan op dehoogte is.En tot slot.–De Staatssecretaris zegt de Kamer toe de Kamer te informeren over hetlandelijk beleid rondom adoptie uit Hongarije en Zuid-Afrika, als daaraanleiding voor is.Die laatste bijzin had hij er ook bij gezegd. Ik nuanceer deze toezeggingdus zelf even in mijn nadeel, zeg ik erbij. Maar dit is wel genoteerd. Oké.Dat was het. Daar zijn verder geen correcties op.Ik dank de Staatssecretaris en zijn ondersteuning nogmaals. Ik bedankheel hartelijk alle mensen die de moeite hebben genomen om naar ditdebat te komen. Dank voor uw aanwezigheid en voor alle betrokkenheid.Ook dank ik de ondersteuning vanuit de Kamer bij dit debat en natuurlijkde leden. Ik dank u hartelijk en wens u verder een fijne dag.Sluiting 17.01 uur.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 836, nr. 12142

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 0bce557b60d245c3

14 okt 2026 · c4481169d654f145

Gerelateerde bronnen

  • Besproken tijdens · Officiële koppelingPersonen- en familierecht
    Verslag van een commissiedebat, gehouden op 12 maart 2025, over Personen- en familierecht

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.