KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een schriftelijk overleg over o.a. geannoteerde agenda Milieuraad van 17 maart 2026 (Kamerstuk 21501-08-1026)

11 mrt 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie eef8fa3f536f3977 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202621 501-08MilieuraadNr. 1027 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 11 maart 2026 De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat heeft een aantalvragen en opmerkingen voorgelegd aan de Staatssecretaris van Infra-structuur en Waterstaat over:–de geannoteerde agenda Milieuraad van 17 maart 2026 (Kamerstuk21 501-08, nr. 1026),–het verslag van de Informele Milieuraad op 5 en 6 februari 2026(Kamerstuk 21 501-08, nr. 1025),–het fiche Wijzigingsvoorstel Verordening CO2-emissienormen zwarebedrijfsvoertuigen (Kamerstuk 22 112, nr. 4245),–het fiche Verordening CO2-emissienormen en–voertuiglabel voor personen- en bestelauto’s (Kamerstuk 22 112,nr. 4273) en het fiche Milieuomnibus (Kamerstuk 22 112, nr. 4278).De vragen en opmerkingen zijn op 6 maart 2026 aan de Staatssecretarisvan Infrastructuur en Waterstaat voorgelegd. Bij brief van 11 maart 2026zijn de vragen beantwoord.De voorzitter van de commissie,Peter de GrootAdjunct-griffier van de commissie,Meedendorp kst-21501-08-1027ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 10271 Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van debewindspersoon Vraag 1: CO2-emissienormen / AutomotiveDe leden van de D66-fractie verzoeken het kabinet toe te lichten hoe hetverlagen van de 100%-norm naar 90% in 2035 zich verhoudt tot deEuropese Klimaatwet, en in hoeverre dit besluit de mondiale concurrentie-positie van de Europese industrie op het gebied van nulemissie-technologie schaadt ten opzichte van fabrikanten van buiten de EuropeseUnie (EU). Kan de Minister uiteenzetten op welke wijze wordt voorkomendat de voorgestelde brandstofkredieten leiden tot een dubbeltelling vanemissiereductie ten opzichte van de RED III-verplichtingen?AntwoordHet verlagen van het emissiereductiedoel van 100 naar 90% emissiere-ductie aan de uitlaat leidt ertoe dat nieuwverkochte personen- enbestelauto’s vanaf 2035 niet langer exclusief een volledig elektrische ofwaterstofaandrijving hebben. De Europese Commissie stelt dat hetvoorstel in lijn is met de Europese Klimaatwet, omdat de misgelopenemissiereductie aan de uitlaat via het gebruik van brandstofkredieten enstaalkredieten gecompenseerd wordt. De Commissie redeneert dathierdoor alsnog sprake is van netto 100% emissiereductie t.o.v.2021, ook al zal er meer CO2-emissie aan de uitlaat zijn ten opzichte vande huidige wetgeving.Welke gevolgen de afzwakking van het emissiereductiedoel voor 2035precies heeft, hangt af van de mate waarin voertuigproducenten gebruikmaken van geboden flexibiliteit en hoe de vraag naar elektrischevoertuigen zich blijft ontwikkelen. Op basis van onderzoek in opdracht vanhet Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat blijkt dat de afzwakkingertoe leidt dat het aandeel elektrische voertuigen in de nieuwverkoop inde EU in het scenario met de meest realistische mix van aangebodenaandrijvingen door voertuigproducenten 9 procentpunt lager zal zijn in2030 en 15 procentpunt lager in 2035.1 Deze schatting is gebaseerd op deaanname dat voertuigproducenten maximaal gebruik zullen maken van degeboden flexibiliteit, dus het resultaat kan in de realiteit variëren. Detoename van het aantal (ofwel: ingroei) elektrische voertuigen is devoornaamste drijfveer voor de emissiereductie in het wegvervoer. Minderelektrische auto’s in het wegvervoer zullen leiden tot restemissies in hetwegvervoer in EU-lidstaten in aanloop naar 2050. De exacte uitwerking zalper lidstaat verschillen.Het effect van de afzwakking op de toekomstige mondiale concurrentiepo-sitie van de Europese industrie op het gebied van emissievrije technologieis ook onzeker. Dit hangt af van de mate waarin Europese voertuigprodu-centen een afnemende vraag naar Europese voertuigen met een verbran-dingsmotor kunnen ondervangen met een concurrerend aanbod vanelektrische voertuigen. De gevolgen voor het mondiale concurrentiever-mogen zullen daarom ook afhangen van de mate waarin voertuigprodu-centen gebruik maken van de geboden flexibiliteit.Daarbij ziet het kabinet dat de mondiale vraag naar elektrische voertuigentoeneemt en dat met name voertuigproducenten van buiten de EUinspelen op de vraag naar elektrische voertuigen in opkomende markten.2Het kabinet heeft zich in het BNC-fiche kritisch geuit over de brandstofkre-dieten omdat voertuigproducenten beloond zouden worden voor de1Bijlage Revnext rapport bij Kamerstukken II, 2025–2026, 21 501-08, nr. 1026.2Zie onder andere de Global EV Outlook 2025van de IEA, p. 19–23.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 10272 beschikbaarheid van brandstoffen waaraan zij niet zelf hebben bijge-dragen. Het kabinet heeft daarbij ook zorgen geuit over eventueledubbeltelling als gevolg van brandstofkredieten en zet er tijdens deonderhandelingen op in om dit te voorkomen. De Commissie stelt zelf dater geen sprake is voor dubbeltelling omdat de Renewable EnergyDirective3 doelstellingen zet voor de beschikbaarheid van hernieuwbarebrandstoffen. De brandstofkredieten worden vervolgens aan voertuigpro-ducenten gegeven op basis van het gebruik van die brandstoffen. Deonderliggende aanname van de Commissie is dat alle beschikbarehernieuwbare brandstoffen in het wegvervoer gebruikt zullen worden.Vraag 2:De leden van de D66-fractie vragen de Staatssecretaris om nader teonderbouwen waarom een verlaging van het reductiedoel voor bestel-auto’s in 2030 van 50% naar 40% noodzakelijk wordt geacht, en of zij hetrisico deelt dat dit de beschikbaarheid van betaalbare elektrischebestelwagens voor Nederlandse ondernemers in de weg staat.AntwoordIn het BNC-fiche over de herziening van de CO2-emissienormen voorpersonen- en bestelauto’s4 heeft het kabinet aangegeven kritisch te zijn ophet verlagen van het emissiereductiedoel voor bestelauto’s in 2030 van50% naar 40%. Het kabinet deelt de zorg dat een verlaging van hetemissiereductiedoel de beschikbaarheid en betaalbaarheid van elektrischebestelauto’s voor Nederlandse ondernemers in de weg kan staan, indiende aanpassing van het emissiereductiedoel zorgt voor een lager aanbodvan elektrische bestelauto’s. Het kabinet is van mening dat het aandeelvan 90% batterij-elektrische voertuigen in de ingroei van bestelauto’s in20255 laat zien dat nationale maatregelen effectief kunnen zijn in hetstimuleren van vraag naar elektrische bestelauto’s. Daarom acht hetkabinet het niet nodig om de CO2-emissienormen voor 2030 aan tepassen.Vraag 3:De leden van de D66-fractie vragen of de Staatssecretaris kan reflecterenop de voorgestelde «superkredieten» voor kleine elektrische voertuigen(M1E) en aangeven of zij bereid is te pleiten voor een koppeling tussendeze kredieten en een maximale consumentenprijs, om de toeganke-lijkheid van elektrische mobiliteit voor lagere inkomensgroepen teborgen? Kan de Staatssecretaris uiteenzetten wat de gevolgen van devoorgestelde extra flexibiliteit voor fabrikanten zijn voor de Nederlandseambities op het gebied van zero-emissiezones in steden, gezien deverwachte 30% lagere ingroei van emissievrije trucks in 2030?AntwoordDe voorgestelde voertuigsubcategorie (M1E) is bedoeld om een gat tevullen in het aanbod van volledig elektrische voertuigen in het segmentkleine personenauto’s. Vergeleken met het totale wagenpark, bevat hetwagenpark op dit moment relatief weinig compacte (A- en B-segment)elektrische personenauto’s6. Bovendien bleek de «total cost ofownership»7 (TCO) voor deze segmenten in 2025 nog boven dat van eenbenzine of diesel equivalent te liggen, terwijl de TCO voor andere3Richtlijn (EU) 2023/24134Kamerstukken II, 2025–2026, 22 112, nr. 4273.5RVO/Revnext, Trendrapport Lichte Bedrijfsvoertuigen, editie 2025, p. 5, figuur 4.6RVO/Revnext, Trendrapport Nederlandse markt personenauto’s, editie 2025, p. 23, figuur 22.7De totale kosten van een voertuig over de hele gebruiksperiode, inclusief aanschaf, brandstof/energie, onderhoud, verzekering, belastingen en restwaarde.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 10273 segmenten gelijk is of lager ligt.8 Juist elektrische voertuigen uit het kleinesegment zijn nodig om de transitie naar duurzame mobiliteit toegankelijken betaalbaar te maken voor een breed publiek. De superkredieten kunnenhierop inspelen doordat het produceren van voertuigen in deze nieuwevoertuigsubcategorie (<4.2m, volledig elektrisch en in deEU-geproduceerd) aantrekkelijk wordt voor producenten en het aanbodvan deze voertuigen hierdoor kan groeien. Afhankelijk van de mate waarinvoertuigproducenten van deze flexibiliteit gebruik maken, kan dittegelijkertijd leiden tot minder elektrische auto’s in aanloop naar 2035 eneen groter aandeel voertuigen met een verbrandingsmotor in denieuwverkoop. Zolang de toepassing van het superkrediet gericht blijft opkleine elektrische voertuigen (de voorgestelde M1E-voertuigsubcategorie)en afgebakend is in tijd (tot uiterlijk 2034), acht het kabinet de superkre-dieten een positief middel om het aanbod van compacte elektrische auto’ste vergroten. Het kabinet is van mening dat een maximale consumenten-prijs onwenselijk is. Het is aan voertuigproducenten zelf om de prijs vanhun producten te bepalen op een manier die de afzet van kleineelektrische auto’s vergroot en hun concurrentiepositie maximaliseert.Zoals te lezen in het BNC-fiche9 waarmee het kabinet de Kamer heeftgeïnformeerd over het standpunt van het kabinet ten aanzien van ditwijzigingsvoorstel, is het kabinet kritisch op een vroegtijdige of gefrag-menteerde herziening van de CO2-normen voor zware bedrijfsvoertuigen.Dit zorgt voor onzekerheid bij ondernemers en banken die vroegtijdiggeïnvesteerd hebben in de transitie naar emissievrij transport. Het kabinetsteunt daarom staand beleid dat voorziet dat er pas in 2027 een herzieningkomt op CO2-HDV.Daarnaast heeft de Commissie geen impactanalyse gepubliceerd bij hetwijzigingsvoorstel. Dit gaat in tegen de kaders van de EU-agenda voorbetere wetgeving10 die de Commissie volgt om het beleid en de regelsvan de EU zo doeltreffend en efficiënt mogelijk te maken. Ook hier is hetkabinet kritisch op, omdat de voorgestelde extra flexibiliteit voorfabrikanten kan leiden tot lagere ingroei van emissievrije trucks in de EU.Volgens de stichting International Council on Clean Transport (ICCT)11leidt deze flexibiliteit tot een ongeveer 30% lagere toename van emissie-vrije trucks in 2030. Op vragen hierover van verschillende lidstatenantwoordt de Commissie dat het wijzigingsvoorstel klimaatneutraal isomdat de doelstellingen voor fabrikanten ongewijzigd blijven. DeCommissie is niet voornemens om alsnog een impactanalyse te publi-ceren. Het kabinet zal daarom zelf een impactanalyse van de wijziginglaten uitvoeren om eventuele nationale effecten in kaart te brengen.Dit voorstel heeft geen gevolgen voor de Nederlandse ambities op hetgebied van zero-emissiezones in steden. Er bestaat reeds voldoendeaanbod aan emissievrije vrachtwagens op de markt. Op dit moment zijn er2300 emissievrije vrachtwagens in Nederland. De Klimaat- en Energiever-kenning uit 2025 van PBL12 komt uit op een emissievrij wagenpark vanvrachtwagens tussen 16.000 tot 26.000 voertuigen in 2030. De Neder-landse beleidsdoelstelling richt zich op een wagenpark van 16.000emissievrije vrachtwagens in 2030. Het aanbod elektrische vrachtwagensneemt de komende jaren dus verder toe en de aanschafprijzen dalen.Ondernemers die kunnen aantonen dat er geen emissievrij voertuig8RVO, Handreiking Total cost of ownership (TCO)-berekening voor personenauto’s, Maart 20259Kamerstukken II, 2025–2026, 22 112, nr. 4245.10COM (2015) 215.11Zie publicatie van The International Council on Clean Transport (ICCT): https://theicct.org/icct-comments-on-the-proposed-amendments-to-the-credit-system-hdv-co2-standards/12Kamerstukken || 2025–26, 33 043, nr. 119.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 10274 beschikbaar is voor hun operatie kunnen een ontheffing aanvragen voorde zero-emissiezones.Vraag 4:De leden van de D66-fractie vragen de Staatssecretaris of zij de meningdeelt dat het belonen van fabrikanten met extra kredieten vanwege eentrage laadinfrastructuur de druk op lidstaten om tijdig laadpunten aan teleggen juist wegneemt, in plaats van de transitie te versnellen. Hoebeoordeelt de Staatssecretaris de rechtsongelijkheid die ontstaat voortransportondernemers die reeds fors hebben geïnvesteerd in eenemissievrije vloot op basis van de vorig jaar vastgestelde normen, nu despelregels voortijdig worden versoepeld?AntwoordLidstaten zijn via de Verordening betreffende infrastructuur voor alterna-tieve brandstoffen (AFIR-verordening)13 verplicht om een dekkendnetwerk aan laad- en tankinfrastructuur te realiseren. Na het vaststellenvan de AFIR-verordening in 2023 zijn de CO2-normen voor zwarebedrijfsvoertuigen aangescherpt in 2024. De doelstellingen van deAFIR-verordening waren geen onderdeel van dit wijzigingsvoorstel enveranderen dus niet.Het geven van extra flexibiliteit aan fabrikanten heeft geen effect optransportondernemers die reeds hebben geïnvesteerd in een emissievrijevloot. De CO2-normen hebben tot doel het Europese aanbod vanemissievrije voertuigen op te schalen. De prikkel voor fabrikanten om teinvesteren in de ontwikkeling van nieuwe aandrijflijnen blijft onveranderddoor dit wijzigingsvoorstel. De investeringsbereidheid van transportonder-nemers in emissievrije voertuigen wordt bepaald door de mogelijkhedenom een sluitende business case te maken, door normerende toegangs-regels voor voertuigen in steden vanwege de zero-emissiezones en dekorting die wordt gegeven voor emissievrije zware bedrijfsvoertuigenonder de vrachtwagenheffing. Het kabinet blijft de versnelling naarelektrisch zwaar vervoer actief stimuleren. Ondernemers kunnen gebruikmaken van aanschafsubsidies (AanZET en SPRILA14), fiscale voordelenzoals de Energieinvesteringaftrek (EIA) en milieu-investeringsaftrek (MIA)en het verhandelen van Emissiereductie-eenheden (ERE). Nederlandsetransportondernemers maken veel gebruik van deze instrumenten.Vraag 5:De leden van de VVD-fractie onderstrepen het belang van een sterke enconcurrerende Europese transport- en voertuigsector die bijdraagt aan deklimaatdoelen. Zij constateren dat de Europese Commissie extraflexibiliteit wil introduceren via emissiekredieten voor de periode2025–2029.Deze leden vragen hoe het kabinet de impact van deze flexibiliteitbeoordeelt op de concurrentiepositie van Europese truckfabrikanten. Ookvragen zij hoe groot de knelpunten rond laadinfrastructuur voor zwaarvervoer volgens het kabinet zijn en in hoeverre deze een aanpassing vande regelgeving rechtvaardigen. Daarnaast vernemen zij graag hoe deNederlandse positie zich verhoudt tot die van andere lidstaten. Tot slotvragen deze leden hoe het kabinet het ontbreken van een impactas-sessment weegt en of het kabinet zal aandringen op meer inzicht in deklimaateffecten van het voorstel.13Verordening (EU) 2023/180414AanZET staat voor Aanschafsubsidie Zero-Emissie Trucks. SPRILA staat voor SubsidieregelingPrivate Laadinfrastructuur bij bedrijven.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 10275 AntwoordHet kabinet ziet dat de voorgestelde extra flexibiliteit via emissiekredietenin de periode 2025–2029 de Europese fabrikanten kan helpen met denaleving van de CO2-normen voor zware bedrijfsvoertuigen in 2030.Fabrikanten krijgen meer ruimte om kredieten op te bouwen en kunnen zohet risico op boetes beperken. Tegelijkertijd geldt dat de reductiedoelenvoor 2030, 2035 en 2040 voor fabrikanten ongewijzigd blijven. Het kabinetbenadrukt dat de mondiale vraag naar emissievrije voertuigen toeneemten dat Europese fabrikanten gebaat zijn bij duidelijke, voorspelbare regels.Dit vergroot de investeringszekerheid die nodig is om concurrerend teblijven ten opzichte van aanbieders van buiten de EU.Het kabinet onderkent dat de uitrol van laadinfrastructuur voor zwaarvervoer in delen van de EU achterblijft bij de behoefte. Nederland behoorttot de koplopers wat betreft publieke laadpunten voor zwaar vervoer. Inveel andere lidstaten, met name in Oost-Europa, is de infrastructuur nogbeperkt en worden projecten vertraagd door lange vergunningstrajectenen netaansluitingsproblemen. Vanuit dat oogpunt acht het kabinet eenbeperkte, tijdelijke extra flexibiliteit in de emissiekredietsystematiekverdedigbaar, mits de klimaatdoelen overeind blijven en parallel stevigwordt ingezet op versnelling van de laadinfrastructuur, onder meer viaEuropese initiatieven zoals het Clean Transport Corridor Initiative.Het kabinet zet nationaal sterk in op de verduurzaming van zwaarwegvervoer, onder andere via zero-emissiezones voor stadslogistiek, devrachtwagenheffing en subsidies voor emissievrije trucks en laadinfra-structuur. Daarmee behoort Nederland tot de koplopers. In de Europesediscussie neemt het kabinet een positie in die enerzijds begrip toont voorde praktische knelpunten in andere lidstaten, maar anderzijds vasthoudtaan de afgesproken Europese klimaatdoelen en aan het uitgangspunt datde CO2-normen voor zware voertuigen pas in 2027 integraal wordenherzien. Waar sommige lidstaten zonder meer positief staan tegenoverextra flexibiliteit, vraagt Nederland–samen met enkele andere landen–ommeer inzicht in de gevolgen voor de productie van emissievrije voertuigenen de klimaatdoelen, met name richting 2030.Het kabinet vindt dat voorstellen met mogelijke regeldruk- en klimaatge-volgen vergezeld moeten gaan van een degelijke effectbeoordeling. In deRaad zal het kabinet daarom nadrukkelijk aandringen op meer inzicht in deklimaateffecten van de voorgestelde flexibiliteit, inclusief de mogelijkeextra CO2-uitstoot en effecten op de ingroei van emissievrije trucks.Indien de Commissie geen impactanalyse levert, zal het kabinet zelfaanvullende effecten in kaart brengen.Vraag 6:De leden van de VVD-fractie hebben tevens kennisgenomen van hetvoorstel tot herziening van de CO2-emissienormen voor personen- enbestelauto’s, waaronder het voorstel om het reductiedoel voor 2035 tewijzigen van 100% naar 90% emissiereductie aan de uitlaat. Deze ledenvragen hoe het kabinet de gevolgen hiervan beoordeelt voor investerings-zekerheid en innovatie in de Europese auto-industrie en in hoeverre hetvoorstel ruimte laat voor verschillende aandrijftechnologieën. Daarnaastvragen zij hoe het kabinet kijkt naar de uitvoerbaarheid van het voorge-stelde voertuiglabel, met name bij tweedehands voertuigen, en welkemogelijkheden er zijn om regeldruk te beperken, bijvoorbeeld via digitaleoplossingen. Verder vragen deze leden of het «Made in the EU»-elementonbedoelde gevolgen kan hebben voor nationale fiscale regelingen of hetgelijke speelveld. Ook vragen zij hoe het kabinet aankijkt tegen demogelijke gevolgen van het voorstel rond «Clean Corporate Vehicles»voor mkb-bedrijven die voertuigen via leasemaatschappijen gebruiken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 10276 AntwoordHet voorstel laat ruimte voor verschillende aandrijftechnologieën.Voertuigproducenten zijn vrij om zelf om een balans te maken tussenverschillende aandrijvingen in hun nieuwverkoopvloot. Waar onder dehuidige wetgeving 100% van de nieuwverkoop elektrisch zal zijn, kan ditmet de afzwakking van de CO2-emissienormen sterk variëren. Hetuiteindelijke aanbod hangt af van de verkoopstrategieën van voertuigpro-ducenten en hoe de vraag naar personenauto’s zich ontwikkelt. Als gevolgvan de afzwakking van het emissiereductiedoel, vermindert de investe-ringszekerheid voor bedrijven die investeringen hebben gedaan op basisvan 100% emissiereductie in 2030. Tegelijkertijd komt dit herzienings-voorstel tegemoet aan eisen uit delen van de EU auto-industrie omtechnologische neutraliteit, waarbij ook aandrijvingen die gebruik makenvan een verbrandingsmotor na 2035 toegestaan blijven.Voor tweedehands plug-in hybride auto’s beoordeelt het kabinet hetvoertuiglabel als lastig uitvoerbaar. Voor de overige voertuigen is hetvoertuiglabel op zich goed uitvoerbaar, maar het betekent wel eenaanzienlijke toename van de lastendruk voor autobedrijven. Voortweedehands plug-in hybride auto’s is de uitvoerbaarheid moeizaam,omdat op het label de waarden voor het charge depleting stroomver-bruik15 en charge sustaining brandstofverbruik16 moeten worden vermeld.Deze waarden zijn niet in het kentekenregister van de RijksdienstWegverkeer (RDW) opgenomen en moeten daarom van het Certificaat vanOvereenstemming, dat wil zeggen «het geboortebewijs van een auto»,worden overgenomen. Omdat Certificaten van Overeenstemminggewoonlijk niet meer bij tweedehandsauto’s aanwezig zijn, moeten dezebij de importeur worden opgevraagd. Dit duurt enkele dagen en kost circa50 à 100 euro per certificaat. In de praktijk is dit niet uitvoerbaar.Mogelijkheid om de regeldruk te beperken is om de charge depleting encharge sustaining17 verbruikswaarden op voertuigniveau op te nemen inde Europese product database, die de Europese Commissie voor hetvoertuiglabel wil oprichten. De voertuigfabrikanten moeten er vervolgenszorg voor dragen dat deze waarden beschikbaar zijn voor alle plug-inhybride auto’s, die in de Europese Unie op de markt zijn gebracht. DeCommissie stelt in dit voorstel voor om de productdata op geaggregeerdvoertuigniveau op te nemen. Deze mogelijkheid voor vermindering van deregeldruk voor autobedrijven is reeds door Nederland onder de aandachtvan de Commissie gebracht.Het «Made in the EU»-criterium zou potentieel onbedoelde gevolgenkunnen hebben voor nationale fiscale regelingen en het gelijke speelveldin de EU. In het BNC-fiche over het Clean Corporate Vehicles-verordening18 heeft het kabinet aangegeven geen voorstander te zijn vandit criterium bij het verstreken van financiële steun door lidstaten. Hetwijst er in het BNC-fiche op dat het kan leiden tot complexiteit in deuitvoering. De uiteindelijke gevolgen zijn afhankelijk van het definitievevoorstel van met name de Industrial Accelerator Act, waarover de Kamervia een separaat BNC-fiche wordt geïnformeerd, en hoe het «Made in theEU»-criterium vervolgens toegepast wordt in de wetgeving uit hetAutomotive Package. Het kabinet zet zich bij de onderhandelingen in vooreen uitvoerbare, eenduidige en heldere toepassing van dit criteriumwaarbij gevolgen voor de uitvoering tot een minimum beperkt worden.15Dit is het stroomverbruik bij alleen elektrisch rijden.16Dit is het brandstofverbruik bij alleen rijden op de verbrandingsmotor.17Charge depleting is de fase waarin een plug-in hybride vooral elektrisch rijdt en de batterijgeleidelijk ontlaadt. Charge sustaining is de fase waarin het batterijniveau min of meerconstant blijft en de verbrandingsmotor het grootste deel van de aandrijving levert.18Kamerstukken II, 2025–2026, 22 112, nr. 4271.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 10277 Het Clean Corporate Vehicles-voorstel legt doelstellingen op aanEU-lidstaten, niet aan het MKB. EU-lidstaten moeten zorgen voor eenminimaal aandeel laag- en nul-emissie voertuigen in de nieuwe regis-traties door grote ondernemingen. In essentie wordt het MKB met hetvoorstel daarmee ontzien. Dat is ook de kabinetsinzet zoals geformuleerdin het BNC-fiche.19 Op dit moment is het nog niet bekend hoeveelleasemaatschappijen gelden als grote onderneming, of hoeveel geleasedevoertuigen van het mkb daarmee onder dit voorstel zouden vallen.Het kabinet onderzoekt nog de precieze gevolgen en neemt vervolgenseen besluit over het inrichten van een nationale doelstelling.Vraag 7:De leden van de JA21-fractie constateren dat in het fiche VerordeningCO2-emissienormen en voertuiglabel voor personen- en bestelauto’s(Kamerstuk 22 112, nr. 4273) doelen voor emissiereductie zijn opgenomen.Om deze doelen te halen zal het Europese aandeel aan elektrischevoertuigen sterk moeten stijgen. Hoe beoordeelt de Minister het strevennaar snelle elektrificatie van het Europese autogebruik in relatie tot deachterblijvende ontwikkeling en verspreiding van laadinfrastructuur, metname in Oost-Europese lidstaten? Hoe beoordeelt de Minister het strevennaar snelle elektrificatie van het Europese autogebruik in relatie tot deaanhoudende netcongestieproblematiek in Nederland? Ziet de Ministerkansen om de productie en aanschaf aantrekkelijker te maken door middelvan het verminderen van regeldruk op Europees niveau?AntwoordIn de Verordening betreffende de uitrol van infrastructuur voor alterna-tieve brandstoffen (AFIR-verordening)20 zijn de bindende streefcijfers perlidstaat bepaald. Nagenoeg alle lidstaten voldoen ruimschoots aan destreefcijfers voor het aanbod van publiek toegankelijke laadpunten voorpersonen- en bestelauto’s21. Met dit Europese laadnetwerk is er eenstabiele basisvoorziening gelegd waarna vervolgens vraag-gestuurd hetlaadnetwerk zich verder kan gaan ontwikkelen. Bovendien hebben veeleigenaren van elektrische auto’s ook de mogelijkheid om zelf een laadpuntte laten installeren. Naar mijn oordeel vormt de beschikbaarheid vanlaadinfrastructuur daarmee in algemene zin geen obstakel voor de ingroeivan elektrische personen- en bestelauto’s in Europa. Wel komt het voordat op specifieke trajecten nog onvoldoende snellaadpunten beschikbaarzijn. In landen met een hoge adoptiegraad van elektrische auto’s is dedekking van snellaadpunten langs snelwegen wel op orde. Ook in deOost-Europese lidstaten is de verwachting dat de streefcijfers of de vraagvanuit de markt ervoor gaat zorgen dat de benodigde laadinfrastructuurbeschikbaar komt.Nederland heeft een van de meest uitgebreide (semi) publieke en privatenetwerken aan zowel reguliere als snelladers met een zeer gezondeverhouding van aantal elektrische (bestel)auto’s versus laadpunten. Injanuari 2026 stond de teller op ruim 200.000 (semi)publieke laadpunten.Als de private laadpunten worden meegerekend, zijn dat meer dan 1miljoen.Hiermee is nog voldoende rek om groei van elektrische voertuigen op tekunnen vangen. Netcongestie brengt inderdaad uitdagingen met zich meeom aanvullende laadinfrastructuur te kunnen realiseren. Er is weliswaarsprake van netcongestie in vrijwel heel Nederland, maar dit probleem isvaak lokaal en treedt slechts gedurende enkele uren op. Buiten dezepiekmomenten is er nog heel veel ruimte op het elektriciteitsnet. Het ladenvan elektrische voertuigen biedt bij uitstek veel flexibiliteit om de daluren19Kamerstukken II, 2025–2026, 22 112, nr. 4271.20Verordening (EC)2023/180421Zie data van de European Alternative Fuels Observatory (EAFO), Q4 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 10278 te vullen. De meeste elektrische auto’s hoeven namelijk niet tijdenspiekuren te laden en kunnen daarmee juist helpen om het elektriciteitsnette ontlasten. Aanvullend voordeel is dat we op deze manier ook duurzameopwek beter borgen. Denk aan het overschot aan zonne-energie in demiddag en wind in de nacht.Als onderdeel van het Automotive Package is de Automobiel Omnibusgepubliceerd. Dit Commissievoorstel is bedoeld om regeldruk teverminderen en waar mogelijk wetgeving te vereenvoudigen. Die intentieverwelkomt het kabinet, waarbij het kabinet in het BNC-fiche22 ook heeftaangegeven dat er sprake moet zijn van behoud van onderliggendebeleidsdoelen, onder meer op het gebied van veiligheid, welzijn en milieu.Eén van de onderwerpen binnen uit het Automotive Package waar hetkabinet wil zorgen voor vermindering van regeldruk is het voorstel vooreen nieuw voertuiglabel voor gebruikte voertuigen. Zoals aangegeven inhet BNC-fiche23 is kabinet hier zeer kritisch op als gevolg van demeerkosten en administratieve lasten voor het bedrijfsleven.Vraag 8:De leden van de JA21-fractie constateren dat het fiche WijzigingsvoorstelVerordening CO2-emissienormen zware bedrijfsvoertuigen (Kamerstuk22 112, nr. 4245) meer flexibiliteit biedt wat betreft de nalevingsver-plichting voor zware voertuigen, en dat deze onderbouwt wordt met detrage uitrol van laadinfrastructuur voor zwaar vervoer. Steunt deStaatssecretaris dit voorstel voor meer tijdelijke flexibiliteit? Erkent deStaatssecretaris dat het behalen van sectorbrede emissienormen afhangtvan een stijgend marktaandeel van elektrische zware bedrijfsvoertuigen?Erkent de Staatssecretaris dat een betrouwbaar en EU-breed verspreidelaadinfrastructuur een randvoorwaarde is voor het succes van elektrischezware bedrijfsvoertuigen op de markt, en daarmee het behalen van deemissiereductiedoelen van de sector? Wat zijn de consequenties als delaadinfrastructuur achterblijft op wat nodig is voor het behalen van deemissiereductiedoelen? Is er in de toekomst bij achterblijvende laadinfra-structuur meer flexibiliteit mogelijk?AntwoordHet kabinet staat in beginsel positief tegenover de voorgestelde, beperkteen tijdelijke extra flexibiliteit in de nalevingsverplichting, juist omdat dezeis ingegeven door reële uitvoeringsknelpunten rond de laadinfrastructuurvoor zwaar vervoer in delen van de EU. Daarbij is voor het kabinetrandvoorwaarde dat de reeds vastgestelde reductiedoelen voor 2030,2035 en 2040 ongewijzigd blijven en dat de prikkel om emissievrijevoertuigen op de markt te brengen in stand blijft. Het kabinet erkent dathet behalen van de sectorbrede emissienormen in belangrijke mateafhangt van een groeiend marktaandeel van emissievrije (waaronderelektrische) zware bedrijfsvoertuigen, naast verdere efficiëntieverbete-ringen en andere technologische oplossingen.Betrouwbare en voldoende EU-brede laadinfrastructuur (en waar relevantwaterstofinfrastructuur) is een cruciale randvoorwaarde voor het succesvan emissievrije zware bedrijfsvoertuigen op de markt. Zonder zicht optijdige beschikbaarheid van infrastructuur zullen vervoerders dieinternationaal opereren terughoudend zijn om te investeren in nieuwevoertuigen en zullen fabrikanten minder snel opschalen.Daarom zet Nederland, in lijn met het BNC-fiche, zowel nationaal als inEU-verband stevig in op versnelling van de uitrol van laadinfrastructuur,22Kamerstukken II, 2025–2026, 22 112, nr. 4272.23Kamerstukken II, 2025–2026, 22 112, nr. 4273.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 10279 onder meer via implementatie van de AFIR-verordening, TEN-T-corridorsen netverzwaringsprogramma’s.De uitrol van laadinfrastructuur versnelt overal in Europa. Als de uitrol vanlaadinfrastructuur achterblijft bij wat nodig is voor het behalen van deemissiereductiedoelen, heeft dat meerdere consequenties. Allereerstwordt het voor fabrikanten en vervoerders moeilijker om de CO2-normenvoor zware voertuigen na te leven, wat kan leiden tot hogere nalevings-kosten of boetes. Daarnaast ontstaat het risico dat de benodigdeemissiereductie dan (deels) in andere sectoren moet worden gerealiseerd.Ook kan vertraging in de laadinfrastructuur de concurrentiepositie van deEuropese voertuigindustrie schaden.Het nu voorliggende voorstel voorziet expliciet in tijdelijke extra flexibi-liteit voor de periode 2025–2029. Het kabinet ziet deze flexibiliteit als eeneenmalige, gerichte aanpassing om een overgangsprobleem te adres-seren, niet als een structureel instrument om achterblijvende laadinfra-structuur te compenseren.Vraag 9:De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben verder nog enkelevragen en opmerkingen over het Europese autobeleid, het afzwakken vande emissiedoelen en daarmee het einde van de Europese auto-industrie.Het voorstel om de emissienormen af te zwakken en het einde van fossieluit te stellen haalt de druk op de auto-industrie weg en zal daarmee deinnovatie en transitie vertragen. Het bespaart op de korte termijninvesteringskosten en de noodzakelijke uitbouw van de batterijsector enombouw van bestaande fabrieken. Deze uitgestelde investeringen kunnenworden omgezet in dividend voor de aandeelhouders, maar de vertragingzal de concurrentiekracht van de Europese auto-industrie, ten opzichte vanbijvoorbeeld China, verder verzwakken. Is de Staatssecretaris het metdeze leden eens dat dit niet alleen nadelig is voor het klimaat en volksge-zondheid, maar ook voor de toekomst van de auto-industrie in Europa? Isde Staatssecretaris het met deze leden eens dat we juist voor de langetermijn moeten kiezen en daarom op de korte termijn moeten innoverenen transformeren? Is de Staatssecretaris het met deze leden eens dat wedeze beslissingen niet kunnen overlaten aan de sector zelf? Wat wordt deinzet van Nederland hierop bij de Milieuraad? Wat gaat de Staatssecretarisdoen om alsnog een de facto einde van fossiele nieuwverkoop inNederland te bewerkstellingen, als dit EU-uitstel doorgaat? Komen erextra zware belastingen op de aanschaf van fossiele auto’s?AntwoordHet kabinet is het eens dat dit niet alleen nadelig is voor klimaat envolksgezondheid, maar ook voor de toekomst van de auto-industrie inEuropa. In het BNC-fiche heeft het kabinet aangegeven zorgen te hebbendat lagere eisen aan de uitstoot de druk om te innoveren voor voertuig-producenten verlaagt en daarmee de concurrentie van de EUauto-industrie ten opzichte van fabrikanten van buiten de EU op de langetermijn afzwakt.Het kabinet heeft in het BNC-fiche geformuleerd dat het inzet op hetwaarborgen van emissiereductie en daadwerkelijke innovatie ten behoevevan het best mogelijke product voor consumenten. Elektrische voertuigendienen zowel in de aanschaf als gebruik simpelweg de meest voordeligeoptie voor consumenten te zijn en te blijven.Het kabinet is van mening dat de CO2-emissienormen bewezen efficiënten effectief zijn in het verwezenlijken van emissiereductie. De normenstellen de kaders waarbinnen voertuigproducenten zelf verantwoordelijkTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 102710 zijn voor hun strategie en investeringen om de emissiereductie aan deuitlaat. Dat principe blijft ook staan bij het herzieningsvoorstel.In de Geannoteerde Agenda voor de Milieuraad24 heeft het kabinetaangegeven te willen zorgen voor uitvoerbare normen, daadwerkelijkeinnovatie op het gebied van personen- en bestelauto’s en het verderverminderen van (toekomstige) afhankelijkheden van Nederland en de EUvan fossiele brandstoffen. Hierbij zijn belangrijke uitgangspunten hetbehoud van de transitie naar elektrificatie van de EU auto-industrie en hetzorgen dat duurzame mobiliteit betaalbaar is en blijft voor burgers.EU-wetgeving, waaronder de CO2-emissienormen voor personen- enbestelauto’s, is leidend. De ambitie uit het Klimaatakkoord dat in 2030 allenieuw verkochte personenauto’s uitstootvrij zijn, geldt nog steeds.Hiervoor worden nationale maatregelen uitgewerkt om consumenten teverleiden de overstap naar elektrisch rijden te maken. Conform hetcoalitieakkoord werk ik daarbij samen met mijn collega’s van hetMinisterie van Financiën en EZK en wordt de hervorming van deautobelastingen onderzocht. Daarnaast worden (conform toezegging aande Tweede Kamer25) op het ogenblik maatregelen voor de versterking vande occasionmarkt in kaart gebracht om ook consumenten met een middenof lager inkomen in de overstap naar elektrisch vervoer te faciliteren. Inapril zal de Tweede Kamer hierover geïnformeerd worden.Op dit moment zijn er geen plannen voor extra zware belastingen op deaanschaf van fossiele auto’s.Vraag 10:De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen verder dat de EuropeseCommissie (EC) voornemens is om alle steun voor fossiel per 2028 teverbieden. Wat wordt allemaal gezien als steun? Kan de Staatssecretaristoelichten wat hier allemaal onder gaat vallen en wat de verwachteeffecten zijn? Gaat dit gelden voor belastingverschillen, accijnzen, endergelijke? Of ook voor het faciliteren van fossiele voertuigen via gratistoegankelijke infrastructuur, overheidsopdrachten of aanbestedingen?Gaat het alleen om fossiel versus elektrisch of om alles wat het gebruikvan fossiel vergemakkelijkt?AntwoordEr is geen definitie voor financiële steun opgenomen in het Commissie-voorstel. In de beantwoording van vragen van lidstaten verklaart deCommissie dat het de definitie hanteert uit de Richtlijn EnergieprestatiesGebouwen (EPBD). Het kan volgens de Commissie zowel subsidies alsfiscale maatregelen omvatten. Het betreft financiële steun voor hetaanschaffen, het leasen, het huren, de huurkoop of het gebruik vanzakelijke personen- en bestelauto’s die niet laag- of nul-emissie zijn.Financiële steun voor bepaalde voertuigen met een verbrandingsmotor,zoals plug-in hybride aandrijving, is dus expliciet wel mogelijk. Het artikelgaat dus niet over het gebruik van fossiele brandstoffen, maar om dehoeveelheid CO2-emissie aan de uitlaat. De precieze uitwerking van hetvoorstel moet nog duidelijk worden bij de behandeling van het voorstel inde Raad. Het kabinet is van mening dat het voorstel op dit onderdeelaanzienlijk verduidelijkt moet worden. Daarbij dient ook verduidelijkt teworden of fiscale maatregelen inderdaad onderdeel zijn van deze definitie.In de regel is fiscaliteit namelijk een nationale bevoegdheid. Eventueleeffecten van de voorgestelde maatregel zijn in deze fase van de onderhan-delingen lastig te overzien. Het kabinet streeft naar uitvoerbare wetgeving,24Kamerstukken II, 2025–2026, 21 501-08, nr. 1026.25TZ202601-018Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 102711 met name waar het de Made-in-EU-component betreft. Hiervoor is het ookbelangrijk om dit in samenhang te bezien met de exacte uitwerking vanhet wetgevingsvoorstel voor de Industrial Accelerator Act. Het kabinetinformeert de Kamer nader over dit wetgevingsvoorstel middels eenBNC-fiche.Vraag 11:Ten slotte vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie aandacht voorde repareerbaarheid van batterijen. Voor veel nieuwe auto’s is de accu hetmeest kostbare onderdeel en het onderdeel dat door gebruik het meestaan waarde verliest. Een defecte of versleten accu is zeer kostbaar om tevervangen. Repareerbare accu’s kunnen helpen om elektrische voertuigenlanger op de weg te houden, versterken de tweedehands markt enbesparen kritieke grondstoffen. Is de Staatssecretaris bereid zich hiervoorin te zetten?AntwoordJa. In relevante Europese regelgeving zoals de Batterijverordening enCirculaire Voertuigenverordening is repareerbaarheid van batterijen eenbelangrijk punt. Ook in de verdere uitwerking van deze bepalingen, zalNederland zich waar mogelijk in blijven zetten voor de verbetering van derepareerbaarheid van EV-batterijen. Dit zonder daarbij de integriteit enveiligheid van de batterij in het geding te brengen.Vraag 12:De leden van de CDA-fractie delen de opvatting van het kabinet dat(industriële) koolstofverwijdering een belangrijke bijdrage kan leveren aande overgang naar een klimaatneutrale EU in 2050 en negatieve emissiesdaarna. Door negatieve-emissietechnologie en innovatie tijdig op teschalen, kan Nederland profiteren van first-mover voordelen. Deze ledenvragen de Minister om dieper in te gaan op hoe Nederland deze first-mover voordelen concreet kan benutten, en welk aanvullend beleid ofwelke stimulering vanuit de overheid nodig is om de opschaling van dezetechnologieën te ondersteunen.AntwoordHet kabinet ziet inderdaad dat koolstofverwijdering naast emissiereductieeen noodzakelijke tweede spoor is binnen het klimaatbeleid, en eenessentieel onderdeel van een klimaatneutrale EU in 2050 en negatieveemissies daarna. De behoefte aan koolstofverwijdering zal de komendejaren toenemen, wat ook betekent dat er kansen zijn voor Nederlandsebedrijven die koolstofverwijderingstechnologieën ontwikkelen. Nederlandis goed gepositioneerd om technologieën voor koolstofverwijdering teontwikkelen en uit te rollen.Het kabinet zet zich zowel in Nederland als in de EU in om de innovatie enopschaling van koolstofverwijderingstechnologieën te ondersteunen.In Nederland ondersteunt het kabinet de ontwikkeling van deze techniekenal met verschillende instrumenten. Het Innovatieprogramma Koolstofver-wijdering (IPKV) is daarbij een belangrijk instrument. Het doel van ditprogramma is om via het stimuleren van nationale innovatie op het vlakvan koolstofverwijdering, de inzetbaarheid van koolstofverwijdering tevergroten en het Nederlandse verdienvermogen te versterken.Hiervoor is in 2025 50 miljoen euro uit het klimaatfonds toegekend. Ditbedrag wordt in hoofdzaak uitgegeven via bestaande subsidieregelingenzoals de MOOI(Missiegedreven Onderzoek, Ontwikkeling en Innovatie) om bedrijven eninstellingen die werken aan de ontwikkeling van nieuwe koolstofverwijde-ringstechnieken te ondersteunen. Daarnaast komt koolstofverwijdering inTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 102712 aanmerking voor DEI (Demonstratie Energie-Innovatie) subsidies. Eensuccesvol voorbeeld daarvan is de ondersteuning van de ontwikkeling vanDirect Air Capture demonstratieprojecten. Ook zijn verschillende koolstof-verwijderingstechnieken in de SDE++26 opgenomen, zoals kleinschaligeCO2 afvang en opslag bij de productie van hernieuwbare elektriciteit enwarmte (max. 100 MWe), bij afvalverbrandingsinstallaties (AVIs) en bijDirect Air Capture (DAC) toepassingen.In de EU maakt Nederland zich sterk om koolstofverwijdering goed in tebedden in de post 2030 klimaatarchitectuur, zowel voor vastlegging inbodems en bossen als industriële technieken, zoals DACCS en bioCCS.Om de opschaling van deze nieuwe technieken te bevorderen pleitNederland voor een Europees inkoopprogramma voor permanentekoolstofverwijderingskredieten, te financieren uit de inkomsten van hetEU ETS. Hiermee kan de ontwikkeling van verschillende techniekenworden gestimuleerd en wordt een divers aanbod opgeschaald, voordatin een later stadium vraag naar koolstofverwijdering vanuit het Europeesemissiehandelssysteem (ETS) ontstaat. Naast een mogelijke koppelingaan het ETS bekijkt het kabinet nog welke andere normerende ofbeprijzende interventies wenselijk zijn om de ontwikkeling van koolstof-verwijdering te stimuleren.Vraag 13: Internationale koolstofkredietenDe leden van de CDA-fractie constateren dat het kabinet bij de mogelijkeinzet van internationale koolstofkredieten het belang van duidelijkerandvoorwaarden, robuuste kredieten en de samenwerking met strate-gische partners op het gebied van klimaat en energie benadrukt. Dezeleden vragen de Minister met welke strategische partners zij de samen-werking op zal zoeken bij de inzet van internationale koolstofkredieten, enwelke concrete stappen er nu al worden gezet om deze samenwerkingvorm te geven en optimaal gebruik te kunnen maken van dergelijkekredieten.Antwoord:Het kabinet was tijdens de onderhandelingen over het EU-klimaatdoelvoor 2040 geen voorstander van een ongelimiteerde inzet van interna-tionale koolstofkredieten. Volgens het kabinet vormt het 2040 klimaatdoeljuist een belangrijke prikkel om te investeren in schone en duurzameindustrie en technologie binnen Europa.Nu in de EU klimaatwet is vastgelegd dat maximaal 5% van het 2040 doelmet internationale koolstofkredieten kan worden ingevuld, vindt hetkabinet het belangrijk dat deze kredieten zo effectief mogelijk bijdragenaan wereldwijde emissiereducties. Voor het kabinet betekent dit in iedergeval dat partnerlanden een ambitieuze internationale bijdrage onder hetVN-klimaatakkoord (Nationally Determined Contribution, NDC) hebben enaantoonbare voortgang boeken bij de uitvoering daarvan.De internationale kredieten kunnen ook worden ingezet ter bevordering ofondersteuning van internationale partnerschappen en handelsrelaties dieook vanuit strategische klimaat-en energiepolitiek van belang zijn voor deEU, bijvoorbeeld waar grootschalig waterstof kan worden geproduceerden geëxporteerd of waar kritische grondstoffen vandaan komen voor deenergietransitie. De verdere uitwerking van deze samenwerking moet nogbinnen de EU worden vastgesteld. Daarbij zal het kabinet op basis van de26SDE ++ is een subsidieregeling van de Rijksoverheid die duurzame energieproductie enCO2-reducerende technieken ondersteunt, waarbij projecten worden vergoed op basis van dekostprijs per vermeden ton CO2.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 102713 effectenbeoordeling bij het voorstel ook bepalen wat een kostenefficiënteen haalbare inzet van internationale koolstofkredieten is.De verwachting is dat de Europese Commissie eind 2026 met eenwetsvoorstel komt voor de inzet van internationale koolstofkredieten voorhet 2040-doel. In dat voorstel zullen onder meer vragen aan bod komenover met welke landen kan worden samengewerkt, welke criteria daarvoorgelden en hoe deze worden geverifieerd. Ook zal worden bezien hoe dekredieten worden aangekocht, bijvoorbeeld via een centraalEU-mechanisme, door lidstaten of via een combinatie daarvan.Vraag 14: Bio-economieDe leden van de CDA-fractie lezen dat het kabinet het belang van eenconsistent EU-kader voor biogrondstoffen, met duidelijke duurzaamheids-criteria voor alle toepassingen benadrukt. Deze leden vragen of deMinister de mening deelt dat het dat het voor duurzaam gebruik vanbiogrondstoffen niet alleen van belang is om deze op zo efficiëntmogelijke wijze in te zetten, maar dat er ook aandacht moet zijn voor hetaanbod van duurzame biogrondstoffen. Zij vragen het kabinet welkeconcrete acties zij inzet om ook de duurzame productie en voldoendebeschikbaarheid van biogrondstoffen op Europees niveau te stimuleren.AntwoordHet kabinet benadrukt het belang van concrete acties rondom hetcascaderingsprincipe27, om op die manier de totale vraag naar biogrond-stoffen te beperken. Echter, de verwachting blijft dat de vraag zal stijgen.Daarom heeft het kabinet ook aandacht voor het vergroten van hetaanbod van duurzame biogrondstoffen. Op Europees niveau pleit hetkabinet daarom voor het hanteren van een integrale aanpak, om zo totsynergiën met andere beleidsdoelen te komen.28Zo zijn er bijvoorbeeldkansen voor de inzet van regeneratieve en innovatieve landbouwme-thoden, die mogelijk kunnen bijdragen aan het herstel van marginaal land,biodiversiteit en klimaataanpassing. Wanneer deze doelen worden bereikt,kan een duurzame oogst toenemen als een bijkomend voordeel.Daarnaast roept het kabinet de Commissie, in de aanloop naar deEuropese Circular Economy Act, op tot consistent en effectiefbio-afvalbeheer, door geen uitzonderingen op de gescheiden inzamelingvan bioafval toe te staan binnen de Kaderrichtlijn Afvalstoffen.29 Ooknationaal wordt verkend of de uitzonderingen voor gemeenten om af tezien van gescheiden inzameling van bioafval kunnen worden geschrapt.30Ook op andere manieren zet het kabinet zich op nationaal niveau in voorhet vergroten van het aanbod van duurzame biogrondstoffen. In dat kaderworden momenteel de Nationale Biogrondstoffenstrategie31 en hetActieplan Aanbod Duurzame Koolstofdragers ontwikkeld.Deze trajecten zijn erop gericht inzicht te verkrijgen in de benodigdeoverheidsinzet om het aanbod van duurzame biogrondstoffen en biogenekoolstofdragers op verantwoorde wijze op te schalen.27Het cascaderingsprincipe houdt in dat biogrondstoffen stap voor stap (in «cascades») wordeningezet, waarbij eerst de hoogste waarde uit de biogrondstoffen wordt gehaald; Daarna derestmaterialen opnieuw gebruikt worden voor toepassingen met lagere waarde; Als laatstestap wordt de biogrondstoffen gebruikt voor energie (verbranding of biogas).28Kamerstukken II 2025–2026, 21 501-08, nr. 100429Kamerstukken II 2025–2026, 21 501-08, nr. 100930Kamerstukken II 2025–2026, 32 852, nr. 39731De biogrondstoffenstrategie beschrijft een omvattend beeld om hoe om te gaan metbiogrondstoffen voor het optimale gebruik in de bio-economie van 2050, dus breder danalleen het aanbod.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 102714 Vraag 15: KlimaatadaptatieDe leden van de JA21-fractie constateren dat in het verslag van deinformele bijeenkomst van de Milieuministers (Kamerstuk 21 501-08,nr. 1025) is gesproken over het financieren van klimaatweerbaarheidsuit-gaven via private investeringen en de Europese Investeringsbank. Dezeleden vragen de Staatssecretaris op welke wijze private partijen gestimu-leerd kunnen worden om te investeren in klimaatadaptatie, waar geeninherent verdienmodel aan verbonden is. Hoe verhoudt het financierenvan klimaatweerbaarheidsuitgaven via de Europese Investeringsbank,waar de lidstaten gezamenlijk garant voor staan, zich tot de wens van deKamer om geen gezamenlijke Europese leningen aan te gaan?AntwoordHet veranderende klimaat heeft niet alleen gevolgen voor de gezondheiden ecosystemen, maar leidt ook tot economische schade. Naast econo-mische schade als direct gevolg van weersextremen, gaat het daarbij ookom inkomstenderving door productieverlies.32 Door tijdig maatregelen tenemen kunnen private partijen schade en inkomstenderving voorkomenof beperken. Dergelijke investeringen dienen dus ter bescherming van hetbestaande verdienmodel. Met name partijen binnen de financiële sector,zoals banken, verzekeraars en pensioenfondsen, vragen al langere tijdaandacht voor klimaatadaptatie. Dit onderwerp is ruim twee jaar geledenal belegd binnen het Platform voor Duurzame Financiering van DeNederlandsche Bank (DNB).33 Daarnaast vindt er tussen overheden,financiële sector en kennisinstellingen afstemming plaats over ditonderwerp via «NL AAA Klimaatbestendig».34Stimuleren van private partijen begint bij goede informatie overoverstromings- en klimaatrisico’s om over- en onderwaardering vanrisico’s te voorkomen. Dit gebeurt onder andere via het door het Minis-terie van IenW ontwikkelde Dutch Climate Risk Portal.35 Daarnaast heefthet Ministerie van VRO een overzicht gemaakt van instrumenten entechnische oplossingen om de gebouwde omgeving klimaatbestendigerte maken, met daarbij een overzicht van financiële instrumenten diekunnen worden toegepast.36 Een verdere verkenning van mogelijkepubliek-private instrumenten vindt plaats binnen de bestaande samenwer-kingen en als onderdeel van de in 2026 te publiceren Nationale AdaptatieStrategie (NAS).De Europese Investeringsbank (EIB) is een zelfstandige financiëleinstelling en heeft tot taak projecten die bijdragen tot de EU-doelstellingente financieren, waaronder het steunen van maatregelen om de gevolgenvan klimaatverandering op te vangen. Europese lidstaten vormengezamenlijk de aandeelhouders van de EIB en voorzien deze van kapitaal.Leningen van de EIB staan niet op de EU-begroting en vormen daarmeegeen gezamenlijke Europese schuld.Vraag 16: Internationale klimaatprocessenDe leden van de JA21-fractie constateren dat in het verslag van deinformele bijeenkomst van de Milieuministers is gesproken over hetinzetten van het handelsinstrumentarium van de EU en ontwikkelingssa-menwerking in de context van internationale klimaatprocessen. Kan de32Planbureau voor de Leefomgeving, 2024, «Klimaatrisico’s in Nederland» (https://www.pbl.nl/system/files/document/2024-05/pbl-2024-klimaatrisicos-in-nederland-5359.pdf33https://www.dnb.nl/groene-economie/platform-voor-duurzame-financiering/werkgroep-klimaatadaptatie/34https://www.deltaprogramma.nl/deltaprogramma/aaa35https://dutchclimaterisk.nl/36https://www.rvo.nl/onderwerpen/klimaatadaptatie-gebouwde-omgeving#welke-instrumenten-bieden-wij%3FTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 102715 Minister toelichten wat het Nederlandse standpunt is ten aanzien van hetinzetten van het handelsinstrumentarium met betrekking tot internationaleklimaatprocessen? Is de Minister van mening dat het stimuleren van(vrij)handel met ontwikkelende economieën wenselijk is, ook ter bevor-dering van samenwerking op andere kwesties?AntwoordHet kabinet ziet de waarde van het inzetten van het handelsinstrumen-tarium ter bevordering van klimaatbescherming. Zo worden in handelsak-koorden afspraken opgenomen over duurzame ontwikkeling, waaronderklimaatbescherming. Ook instrumenten zoals de EU Ontbossingsveror-dening en het Carbon Border Adjustment Mechanism laten zien dathandel een rol kan spelen in verduurzaming van waardeketens. Tegelij-kertijd is het kabinet van mening dat de impact van klimaatgerelateerdehandelsmaatregelen op (handels)relaties met derde landen meegenomenmoet worden, en dat deze maatregelen in lijn moeten zijn met interna-tionale verplichtingen van de EU, zoals onder het recht van de Wereldhan-delsorganisatie en EU handelsakkoorden.Handel heeft een verbindende werking, het versterkt en stabiliseertinternationale relaties. Nederland en de EU hebben belang bij diversifi-catie van handelsrelaties om risicovolle strategische afhankelijkheden tebeperken; daarin zijn ook handelsrelaties met ontwikkelende landenrelevant. Het stimuleren van handel met ontwikkelende economieën biedtdaarnaast mogelijkheden voor samenwerking op een breed scala aanbeleidsterreinen, zoals op het gebied van duurzaamheid en arbeidsrecht.Vraag 17: Circulaire economie (winterpakket)De leden van de JA21-fractie constateren dat in het verslag van deinformele bijeenkomst van de Milieuministers is gesproken over hetCirculaire Economie Winterpakket. Hoe beoordeelt de Minister ditmaatregelenpakket? Hoe beoordeelt de Minister de vraag vanuit deplastic-recycling-sector om meer vraagstimulerende maatregelen?AntwoordHet kabinet verwelkomt het pakket aan maatregelen, dat in lijn met hetdoor Nederland geïnitieerde eerder genoemde Joint Statement eencombinatie van korte- en langetermijnmaatregelen neemt om de situatiein de plastic(recycling)industrie te ondersteunen, en ziet het als eenbelangrijke eerste stap om de slechte economische omstandigheden in deEuropese recyclingsector aan te pakken.Daarbij is het kabinet van mening dat vraagstimulerende maatregelen opEuropees niveau noodzakelijk zijn om de recyclaatmarkt te versterken. Zozet het kabinet zich al jaren in voor het verplicht toepassen van recyclaatin de verschillende productverordeningen, zoals de Verpakkingenveror-dening, en zal het kabinet dit blijven doen bij aankomende productwet-geving, zoals de Eco-designverordening.Vraag 18:De leden van de D66-fractie vragen zich af hoe de Staatssecretarisreflecteert op de aangekondigde herziening van de Kaderrichtlijn Water(KRW). Opvallend is dat deze richtlijn recent nog een zogenaamde «fitnesscheck» heeft ondergaan. Deze leden willen van de Staatssecretaris wetenhoe het kabinet het risico inschat dat het openstellen van de KRW voorwijzigingen leidt tot aanpassingen die veel verder gaan dan de EuropeseCommissie zelf beoogt. Is de Staatssecretaris het eens met de vrees dat ersprake kan zijn van een «doos van Pandora»-effect? En waarom is hetkabinet in het Milieuomnibus-fiche niet expliciet op deze KRW-herzieningingegaan, terwijl dit toch een substantieel onderdeel van de omnibusvormt? Deze leden willen ook van de Staatssecretaris weten wat deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 102716 kabinetsaanwending op de aankomende Milieuraad zal zijn ten aanzienvan dit onderdeel. Hoe kan het kabinet waarborgen dat mogelijkevereenvoudigingen in de KRW niet leiden tot afzwakking van debescherming van zoetwaterecosystemen, die veelal in kritieke toestandverkeren? Dit is des te belangrijker aangezien de Nederlandse deltagevoed wordt met water uit bijna tien andere landen. Europese samen-werking en een ambitieuze inzet op schoon water is cruciaal voor deNederlandse waterkwaliteit. Een ander belangrijk punt betreft degezondheidseffecten. Lagere beschermingsniveaus in de KRW kunnendirecte gevolgen hebben voor de waterkwaliteit die miljoenenEuropeanen dagelijks gebruiken. Hoe voorkomt het kabinet dat mogelijkeversoepeling in de KRW leidt tot grotere gezondheidsrisico’s voor burgersin Nederland en daarbuiten? Deze leden willen van de Minister vernemenwelke risicoanalyse het kabinet zelf heeft uitgevoerd en op welke grondenhet kabinet eventuele versoepeling zou kunnen rechtvaardigen.AntwoordDe Europese Commissie heeft in december 2025 aangegeven dat derecente aanpassingen van de Kaderrichtlijn Water in 2026 zullen wordengetoetst (stresstest), om te bepalen of deze concrete verbeteringenhebben opgeleverd. De Commissie heeft verder aangekondigd om in heteerste kwartaal van 2026 richtlijnen op te stellen om diverse doorbelanghebbenden aangevoerde kwesties te verduidelijken, met name metbetrekking tot vergunningen. Bovendien heeft de Commissie aange-kondigd uiterlijk in het tweede kwartaal van 2026 de Kaderrichtlijn Waterte herzien en aan te passen op basis van input van belanghebbenden ende ervaringen in de lidstaten, met bijzondere aandacht voor vereenvou-diging en de noodzaak om potentiële knelpunten aan te pakken, om decirculariteit en de toegang tot kritieke grondstoffen in de EU te bevor-deren, met behoud van bescherming van het milieu en de volksge-zondheid.De Europese besluitvormingsprocedure over de recente aanpassingenvan de KRW (zie BNC-fiche van 12 december 202237) wordt naarverwachting binnen enkele weken afgerond en zal vervolgens dit voorjaarin werking treden. Op dit moment wordt de implementatie van dezewijzigingen in nationale regelgeving voorbereid om de implementatie-datum van 21 december 2027 te kunnen realiseren. Er is bij hetverschijnen van de Milieuomnibus, en ook op dit moment nog, geenvoorstel voor de herziening van de Kaderrichtlijn Water bekend. Omdat deaankondigingen over de Kaderrichtlijn Water enkel zijn gedaan in demededelingen bij de Milieuomnibus en geen onderdeel uitmaken van deMilieuomnibus, is hier niet op ingegaan in dat BNC-fiche. Zolang er geenconcreet voorstel ligt voor herziening, kan er ook nu nog geen inschattingworden gegeven van de gevolgen voor de bescherming van zoetwater-ecosystemen en van mogelijke gezondheidseffecten.Het kabinet is zich ervan bewust dat Nederland, door de ligging aan heteinde van een aantal grote rivieren, veel belang heeft bij een goedebescherming van de waterkwaliteit op Europees niveau. Een aanvullendeinzet, zowel in Nederland als bovenstrooms, is nodig voor debescherming van zoetwaterecosystemen en het tegengaan van gezond-heidsrisico’s. Om te zorgen dat de aangekondigde herziening niet totonwenselijke gevolgen zal leiden voor de waterkwaliteit, zal het kabinet inlijn met de motie Vellinga-Beemsterboer38 in Brussel pleiten voor een37BNC-fiche voor de Herziening Kaderrichtlijn Water, Grondwaterrichtlijn en richtlijn PrioritaireStoffen ontvangen, Kamerstukken 22 112, nr. 358738Kamerstuk 27 625, nr. 724.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 102717 impactassessment en zal een analyse worden uitgevoerd van demogelijke gevolgen voor de Nederlandse waterkwaliteit.Wat betreft de ambitie van het kabinet bij eventuele aanpassingen van deKRW geeft het coalitieakkoord richting: «We kiezen voor ambitieustoekomstgericht beleid op het gebied van milieu en water. Het SchoneLucht Akkoord dient daarbij als uitgangspunt. De waterkwaliteit wordtstructureel verbeterd. Bij de herziening van de Kaderrichtlijn Water zetNederland in op simplificatie, met als doel een ambitieuze en realistischerichtlijn, zodat er ruimte is om samen met relevante waterpartners tewerken aan concrete plannen voor verbetering van ons water. Zoverkleinen we de risico’s van watervervuiling.»Vraag 19: MilieuomnibusDe leden van de D66-fractie erkennen dat het voorstel op andere terreinenpositieve elementen bevat. Bijvoorbeeld de vereenvoudiging van INSPIREen de versnelling van milieubeoordelingen hebben potentie. Echter, dezeversoepeling moet altijd hand in hand gaan met kwaliteit. De termijnendie de Commissie voorstelt voor milieueffectrapportages lijkt het kabinetook kritisch te bezien, en deze leden sluiten zich daarbij aan. Versnellingmag niet voorgaan op de zorgvuldigheid van de toetsingsprocedures.Deze leden pleiten er tevens voor dat het kabinet op de Milieuraad aan deCommissie vraagt om impactassessments in te dienen voor toekomstigeregelgeving. Een degelijke toetsing en analyse van eventuele gevolgen isnuttig om ervoor te zorgen dat beleidswijzigingen niet onbedoeldbeleidsafzwakkingen zijn.AntwoordHet kabinet vindt het belangrijk dat Commissievoorstellen gepaard gaanmet een degelijke impactassessment en het kabinet heeft dan ook deCommissie hier meermaals om gevraagd. Zonder impactassessmentontbreekt een grondige analyse van de gevolgen van de wijzigingen inwetgeving. In de huidige voorstellen biedt de Commissie dit inzicht niet.Het kabinet zal bij de Commissie bepleiten dat het noodzakelijk is dat bijde aankomende (herzienings-)voorstellen wel een impactassessmentwordt uitgevoerd.Vraag 20:De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het fiche over deMilieuomnibus en verzoeken de Staatssecretaris toe te lichten hoe devoorgestelde versoepeling in de Richtlijn Industriële Emissies (RIE), zoalshet vervallen van de chemische inventarisatie en audits, zich verhoudt tothet recht van burgers op een gezonde leefomgeving en het vermogen vantoezichthouders om naleving van milieunormen te controleren. Tevensvragen deze leden of de Staatssecretaris kan uiteenzetten op welke wijzehet schrappen van de plicht voor een gemachtigd vertegenwoordigerbinnen de EU voor de Uitgebreide Producentenverantwoordelijkheid(UPV) de handhaving beïnvloedt, en hoe wordt voorkomen dat dit leidt toteen «race to the bottom» waarbij producenten uit andere lidstaten hunverantwoordelijkheid voor afvalbeheer ontlopen. Ten slotte vragen dezeleden hoe de Staatssecretaris aankijkt tegen de introductie van een«grondentrechter» in verhouding tot het Verdrag van Aarhus en deNederlandse rechtstraditie. Is de Staatssecretaris bereid in Brussel tepleiten voor het behoud van volledige rechtsbescherming, ook wanneer erwordt ingezet op procedurele versnelling voor strategische projectenzoals woningbouw?AntwoordHet kabinet verwacht dat met name het vervallen van de chemischeinventarisatie het vermogen van toezichthouders om toezicht te houdenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 102718 op de emissies van installaties en het garanderen van een gezondeleefomgeving negatief kan beïnvloeden. Daarom pleit het kabinet inBrussel voor het behoud van de chemische inventarisatie.Ten aanzien van de UPV stelt de Commissie voor de verplichting om eengemachtigd vertegenwoordiger aan te wijzen op te schorten, zoalsvastgelegd in EU-wetgeving voor batterijen, textiel, elektrische enelektronische apparaten, verpakkingen, en kunststofproducten vooreenmalig gebruik. Deze passages bepalen dat een producent met eenvestiging in een lidstaat van de EU, die ook dergelijke productenverhandelt in een andere lidstaat, verplicht wordt om in deze anderelidstaat een gemandateerde vertegenwoordiger aan te wijzen. Dezeverplichting is noodzakelijk om handhaving mogelijk te maken.Handhaving is namelijk alleen mogelijk als de producent gevestigd is inhet rechtsgebied van de lidstaat: de ILT kan niet handhavend optredentegen niet-nalevende bedrijven in andere lidstaten. Dit zorgt voor eenverhoogd risico op een ongelijk speelveld. Daarom is het kabinet kritischover het voorstel van de Commissie om de verplichting tot het aanwijzenvan een gemachtigd vertegenwoordiger op te schorten.Het kabinet is kritisch ten aanzien van de grondentrechter aangezien dit derechtsbescherming beperkt. Voor het kabinet staat voorop dat versnellingvan rechtspraak niet ten koste mag gaan van rechtsbescherming. HetVerdrag van Aarhus bevat de verplichting om de inhoudelijke enprocedurele rechtmatigheid van een bestreden besluit in zijn geheel tetoetsen. Dit omvat ook een toetsing van argumenten die pas na deadministratieve fase zijn aangevoerd en het kan om meer argumentengaan dan alleen nieuw bewijsmateriaal of andere kwesties. Om dezereden zal het kabinet duidelijkheid vragen aan de Commissie over hoe eengrondentrechter zich verhoudt tot de bepalingen over toegang tot derechter in milieuzaken uit het Verdrag van Aarhus.Rechtsbescherming is van grote waarde, en het is van belang datinternationale regelgeving consistent is. Niemand is gebaat bij eenMilieuomnibus die mogelijk in strijd is met het Verdrag van Aarhus.Vraag 21:De leden van de VVD-fractie hebben daarnaast kennisgenomen van hetMilieuomnibus-pakket, dat gericht is op vereenvoudiging van milieu-wetgeving en vermindering van administratieve lasten voor bedrijven.Deze leden vragen welke onderdelen van het pakket volgens het kabinetdaadwerkelijk tot merkbare lastenverlichting leiden en hoe daarbij hetbeschermingsniveau voor mens en milieu wordt gewaarborgd. Ookvragen zij hoe wordt voorkomen dat het opschorten van de verplichtingom een gemachtigd vertegenwoordiger aan te wijzen bij uitgebreideproducentenverantwoordelijkheid leidt tot een ongelijk speelveld.AntwoordDe Commissie stelt een aantal maatregelen voor die tot administratievelastenverlichting zouden moeten leiden. Het kabinet voorziet dat eenaantal hiervan ook daadwerkelijk administratieve druk zouden kunnenverminderen, zoals het verminderen van het aantal rapportageverplich-tingen onder de UPV-regels (Uitgebreide Producenten Verantwoorde-lijkheid), de aanpassing van conversiegetallen van niet-gespeende biggen,en verlenging van de termijn voor het opstellen van een environmentalmanagement system (EMS). Ten aanzien van de wijzigingen in debatterijenverordening is het kabinet positief over het schrappen van degenoemde rapportage door de Commissie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 102719 Het kabinet ziet echter een risico dat de huidige voorstellen leiden tot eenlager niveau van bescherming van (gezondheid van) mens en milieu. In decontext van EMS, leidt het wegvallen van de verplichting tot het opstellenvan een chemische inventarisatie, risicobeoordeling en analyse van demogelijkheden voor veiligere alternatieven of vermindering van hetgebruik, emissies en het chemisch managementsysteem tot risico’s.Zonder deze gerapporteerde informatie is het lastig te bepalen welkemaatregelen nodig zijn om tot een bepaald beschermingsniveau vanmens en milieu te komen en is het voor bevoegde gezagen moeilijk omhun wettelijke toezichtstaken uit te oefenen. Het kabinet zal tijdens deonderhandelingen dan ook blijven pleiten voor het behoud van dechemische inventarisatie. Wat betreft de UPV: zie antwoord op vraag 20.Vraag 22:De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich zorgen om devoorstellen die de Europese Commissie doet om de bescherming vanonze natuur af te zwakken. Zij wijzen erop dat omnibussen zijn bedoeldvoor technische aanpassingen terwijl deze in hun ogen nu wordenaangegrepen voor systematische wijzigingen. Is het kabinet het hiermeeeens en is hij bereid om dit bij de Commissie aan te kaarten?AntwoordHet kabinet verwelkomt inspanningen om regeldruk te verminderen en leter bij de onderhandelingen nauwlettend op dat beleidsdoelstellingen nietworden ondermijnd. De voorgenomen vereenvoudigingen in Europesewet- en regelgeving mogen niet leiden tot risico’s voor of extra schadeaan gezondheid, natuur en milieu.Vraag 23:De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het kabinet deversnelling van milieubeoordelingen verwelkomt. Deze leden zijnbenieuwd naar in hoeverre de risico’s voor gezondheid, natuur en milieuin kaart zijn gebracht. Het kabinet laat weten dat zulke versnelling gepaardmoet gaan met zorgvuldigheid en juridische houdbaarheid. Heeft hetkabinet in kaart gebracht hoe zo een versnelling op juridisch houdbarewijze mogelijk is, en zonder extra risico’s voor gezondheid, natuur enmilieu? Zo ja, kan deze analyse met de Kamer gedeeld worden? Zo niet, ishet kabinet van plan in te stemmen met de omnibus zonder zo’n analysete hebben verricht? Welk standpunt neemt het kabinet in tijdens dekomende Milieuraad, mocht het onderwerp aan bod komen?AntwoordVoor de Beoordeling Nieuwe Commissievoorstellen (BNC-fiches) moet opbasis van een conceptvoorstel van de Europese Commissie binnen vier ofzes weken een interdepartementaal afgestemd standpunt wordeningenomen door het kabinet en aan het parlement worden gestuurd.Binnen deze beperkte tijd, waarin met veel partijen afstemming moetworden gevonden, is het niet mogelijk om een volledige juridischeanalyse van het voorstel uit te brengen. Een dergelijke analyse is dan ookniet aanwezig. Wel wordt er namens het kabinet ingezet, zoals ook in hetBNC-fiche is benadrukt, op het belang om in het kader van versnellen teblijven benadrukken dat de kwaliteit van de milieubeoordeling gewaar-borgd blijft. De voorgenomen vereenvoudigingen in Europese wet- enregelgeving mogen niet leiden tot extra schade aan gezondheid, natuur enmilieu.Gedurende het totstandkomingstraject van het uiteindelijke voorstel wordtnauwlettend meegekeken om te waarborgen dat het voorstel geen risico’sinhoudt voor gezondheid, natuur en milieu. Verder geldt dat als eenmilieubeoordeling inhoudelijk niet aan de gestelde eisen voldoet,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 102720 bijvoorbeeld omdat daarvoor te weinig tijd was, de kans bestaat dat eenplan of project niet kan worden vastgesteld of vergund, of bij de rechtersneuvelt. In dat geval wordt juist geen versnelling bereikt. Daarom is hetvan belang kritisch te kijken naar termijnen voor de verschillendeonderdelen van milieubeoordelingen en dit onder de aandacht tebrengen, zoals ook is aangegeven in het BNC-fiche.In lijn met een eerder aangenomen motie Kostic´ (Kamerstuk 21 501-08,nr. 1020) van de Tweede Kamer, pleit het kabinet tijdens de onderhande-lingen voor gedegen toetsing en de uitvoering van impact assessmentsom te waarborgen dat toekomstige vereenvoudiging van EU-wetgevingniet ten koste zal gaan van milieubescherming.De Milieuomnibus staat niet geagendeerd voor de aankomendeMilieuraad. Het kabinet zal inzetten via de eerdergenoemde lijnen inBrussel.Vraag 24:De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen in het BNC-fiche niks overhet aangekondigde voorstel van een herziening van de KaderrichtlijnWater, die nog dit jaar moet plaatsvinden, en over de aangekondigdestresstest van de Vogel- en Habitatrichtlijn. Waarom zegt het kabinet hierniets over in het BNC-fiche? Kan het kabinet uitgebreid ingaan op degevolgen van deze deregulering op de bescherming die vanuit dezerichtlijnen uitgaat, en op zijn standpunt hierover?AntwoordEr is bij het verschijnen van de Milieuomnibus, en ook op dit momentnog, geen concrete richtlijn bekend en tevens geen voorstel voorherziening van de Kaderrichtlijn Water. Omdat de aankondigingen over deKaderrichtlijn Water zijn gedaan in de mededelingen bij de Milieuomnibusen geen onderdeel uitmaken van de Milieuomnibus, is hier niet opingegaan in het BNC-fiche. Het kabinet blijft in Brussel nadruk leggen ophet belang van impactassessments en het behoud van beleidsdoelstel-lingen.Met betrekking tot de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR) geldt dat dezewetgeving in 2016 nog «fit for purpose» is bevonden. Het kabinetverwacht dat de stresstest voortbouwt op het onderzoek dat toen heeftplaatsgevonden, waarbij aanvullend zal worden gekeken naar gerichtethema’s die veel in de aandacht staan. Daarbij zal er ook gekeken wordennaar specifieke aspecten zoals klimaatverandering en concurrentiekracht.Doel van de stresstest is om te waarborgen dat de VHR relevant,proportioneel en als wetgeving geschikt blijft om de daarin vastgelegdedoelstellingen op de meest kostenefficiënte wijze te verwezenlijken, ondermeer door te onderzoeken welke mogelijkheden er zijn om onnodigeadministratieve lasten bij de uitvoering te verminderen. Indien eendergelijke exercitie zorgvuldig en inhoudelijk grondig wordt uitgevoerd,kan deze nuttige inzichten opleveren; het kabinet hecht daarbij onver-minderd aan het doel en het beschermingsniveau dat voortvloeit uit deVHR.Vraag 25:De leden van de Partij voor de Dieren-fractie constateren dat de Milieu-omnibus, onder het mom van versimpeling, de deuren openzet voorstelselmatige afzwakking van bescherming van waterkwaliteit, natuur envolksgezondheid. Europa is ooit, na jarenlang zorgvuldig overleg enonderzoek, gekomen tot wetgeving die mensen, dieren en hun leefom-geving beter zou moeten beschermen, zoals de Kaderrichtlijn Water en deVogel- en Habitatrichtlijn. Juist die zorgvuldig opgebouwde wetgevingdreigt nu klakkeloos afgebroken te worden. Hoe reageert de Staatssecre-taris op juristen en maatschappelijke organisaties die concluderen dat deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 102721 omnibus ingrijpende wijzigingen voorstelt op de fundamenten van hetEU-milieurecht over beoordeling van effecten van beleid, over behan-deling van beschermde soorten, over de toegang tot de rechter en over dedefinitie van algemeen belang? Is de Staatssecretaris het met deze ledeneens dat zulke fundamentele systeemwijzigingen niet via een omnibuszouden moeten plaatsvinden, die eigenlijk bedoeld is voor kleinetechnische wijzigingen? Wat is de wetenschappelijk onderbouwdenoodzaak en proportionaliteit van de voorgestelde wijzigingen precies enop welk onderzoek is onderbouwing precies gebaseerd?AntwoordVoor het kabinet staat voorop dat de toepassing van de definitie«algemeen belang» niet ten koste gaat van EU-natuur- en milieudoelstel-lingen en dat dit niet wordt afgewenteld op een beperkt aantal sectoren.Te allen tijde moet er een goede balans gevonden worden tussen deverschillende belangen. Wat betreft de beschermde soorten vindt hetkabinet de benadering die wordt voorgesteld met betrekking tot doding enverwonding van individuen die toeziet op effecten op populatieniveau,passend bij de EU-doelen van natuur. De voorwaarden hiervoor zijn 1) hetop een niveau houden of brengen van de populaties van vogelsoorten datbeantwoordt aan de ecologische, wetenschappelijke en culturele eisen(artikel 2 Vogelrichtlijn), en 2) het in een gunstige staat van instand-houding behouden of herstellen van wilde dier- en plantensoorten vancommunautair belang (artikel 2 Habitatrichtlijn).Het kabinet is kritisch ten aanzien van de grondentrechter aangezien dit derechtsbescherming beperkt. Het gaat hierbij om een beperking van welkegronden mogen worden aangevoerd bij de rechter. Het Verdrag vanAarhus bevat de verplichting om de inhoudelijke en procedurele rechtma-tigheid van een bestreden besluit in zijn geheel te toetsen. Dit omvat ookeen toetsing van argumenten die pas na de administratieve fase zijnaangevoerd en het kan om meer argumenten gaan dan alleen nieuwbewijsmateriaal of andere kwesties. Om deze reden zal het kabinetduidelijkheid vragen aan de Commissie over hoe een grondentrechter zichverhoudt tot de bepalingen over toegang tot de rechter in milieuzaken uithet Verdrag van Aarhus.Fundamentele systeemwijzigingen behoeven een apart wetsvoorstel.Tijdens de onderhandelingen waakt het kabinet er dan ook voor dat er inde onderhandelingen over de omnibussen continu naar een goede balanswordt gezocht tussen economische belangen en de waarborging vanEU-milieudoelstellingen. Tegelijkertijd houdt het kabinet vinger aan depols of de voorstellen niet te snel worden behandeld en wijst deCommissie op het belang van het uitvoeren van gedegen impactassess-ments. Voorafgaand aan de publicatie van de Milieuomnibus heeft deCommissie geen impactassessment uitgevoerd. Het kabinet waakt ertijdens de onderhandelingen dan ook voor dat bestaande milieudoelstel-lingen en – standaarden niet verlagen. Deze standaarden komen voort uitwetenschappelijk onderzoek, zoals in het geval van gezondheidseffectenvan een gezonde leefomgeving en bijbehorende economische bespa-ringen. Het blijvend inzetten op het behalen van milieustandaarden isdaarmee ook belangrijk voor de volksgezondheid en het voorkomen vanonnodige externe kosten.Vraag 26:AntwoordDe leden van de Partij voor de Dieren-fractie constateren dat het wijzi-gingsproces rond de omnibus niet duidelijk en niet transparant is en te verwordt gehouden van niet alleen nationale en lokale volksvertegenwoor-digers, maar zeker ook van Nederlandse burgers.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 102722 Deze leden vragen de Staatssecretaris om precies te schetsen hoe hetwijzigingsproces eruitziet, wat de tijdlijn is, wat de cruciale beslismo-menten zijn, op welke wijze knopen worden doorgehakt en op welke wijzede Kamer de omnibus eventueel zou kunnen tegenhouden. Deze ledenzien dat het erop lijkt dat de Europese Commissie de omnibus snelerdoorheen wil drukken, zonder zorgvuldig proces en toets door weten-schap op effecten. Deze leden zien dat de democratische controle wordtondermijnd. Zij vragen de Staatssecretaris waarom zorgen van burgers enexperts over de omnibus worden genegeerd, zoals blijkt uit het oordeelvan de Europese Ombudsman en uit de bijna 200.000 bezorgde reactiesop eerdere signalen om natuurbescherming af te zwakken. Welke lidstatenzijn ook kritisch op de omnibusvoorstellen?De onderhandelingen over de Milieuomnibus verlopen via de AnticiGroup on Simplification (AGS), momenteel onder leiding van hetCypriotisch voorzitterschap van de Raad van de EU. Naar verwachting zaler nog geen Raadspositie zijn ingenomen voor het einde van het mandaatvan het Cypriotisch voorzitterschap (juli 2026). Het is op dit moment nogniet te voorspellen wanneer de onderhandelingen met het EuropeesParlement van start zullen gaan. Het kabinet waakt tijdens de onderhande-lingen voor het behoud van bestaande milieudoelstellingen en een goedebalans tussen belangen. Meerdere lidstaten hebben zich kritisch geuittegenover het schrappen van zogenoemde impact assessments in deomnibusvoorstellen. De Commissie heeft hierop aangegeven deze welweer op te stellen bij toekomstige omnibusvoorstellen.Vraag 27:De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zien dat de omnibusvoorstellen bevat die milieueffectbeoordelingen versnellen bij «strate-gische» projecten. Deze voorstellen zorgen voor afzwakking van milieuef-fectbeoordelingen en doen afbreuk aan zorgvuldige processen en dat allesvoor zogenaamd «strategische» projecten terwijl onduidelijk is watprecies allemaal onder die projecten valt. Kan de Staatssecretaris deexacte definitie van strategische projecten delen met de Kamer? Ziet deStaatssecretaris, net als milieuexperts, dat hierdoor een grotere kans is opschade voor gezondheid van mens, dier en milieu? Zo nee, op welkwetenschappelijk onderzoek en toets baseert de Staatssecretaris zich danprecies? Ziet de Staatssecretaris dat de voorstellen op gespannen voetstaan met de bestaande natuur- en milieuwetgeving, de KaderrichtlijnWater en de Vogel- en Habitatrichtlijn? Kan de Staatssecretaris toezeggenzich te verzetten tegen deze weg naar oppervlakkige toetsing en snellevergunningverlening bij «strategische» projecten, waarbij geenafbakening is van wat strategische projecten precies zijn?AntwoordVolgens de huidige definitie van de conceptverordening zijn strategischeprojecten, projecten die zijn aangewezen in Europese regelgeving alsstrategisch, of nog worden aangewezen als strategisch in toekomstigeEuropese regelgeving. Strategische projecten moeten volgens deconceptverordening de desbetreffende van toepassing zijnde milieuregel-geving in acht nemen. Het voorstel brengt hier geen inhoudelijkewijzigingen in aan. Dit heeft de Commissie zelf in de verordeningtoegelicht. Omdat de van toepassing zijnde milieuregelgeving in achtwordt gehouden, ook bij strategische projecten, is er geen noodzaakhiertegen te verzetten. Het kabinet blijft er scherp op dat de aan ordezijnde milieuregelgeving gedurende de onderhandelingen niet in hetgedrang komt, en houdt daarbij oog voor de verschillende belangen en debalans daartussen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 102723 Het kabinet hecht aan het beschermingsniveau dat voortvloeit uit de VHR,ook voor «strategische projecten». Ze ziet voldoende mogelijkheden in hetverbeteren van het omgaan met de VHR bij gelijkblijvend beschermings-niveau. Het kabinet blijft daarom scherp letten op de balans tussenversnelling en lastenverlaging aan de ene kant en bescherming ten batevan de EU-natuurdoelen aan de andere kant.Het voorstel uit de Milieuomnibus voor de verordening inzake hetversnellen van milieubeoordelingenvoorstellen sluit aan bij de doelen vande Vogel- en Habitatrichtlijn. Artikel 8 van het voorstel bepaalt datincidentele schade aan beschermde soorten tijdens projectactiviteiten nietals opzettelijk wordt aangemerkt in de zin van de Vogel- en Habitat-richtlijn, mits passende en evenredige verzachtende maatregelen zijntoegepast, de beste beschikbare technologie in aanmerking is genomenen lidstaten de effectiviteit van maatregelen monitoren en zo nodigaanpassen. De toetsing verschuift daarmee van schade aan individueleexemplaren naar het voorkomen van significante negatieve effecten oppopulatieniveau. Dit sluit aan bij de doelstellingen van deze richtlijnen, diegericht zijn op het op een niveau houden of brengen van populaties vanvogelsoorten dat beantwoordt aan de ecologische, wetenschappelijke enculturele eisen (artikel 2 Vogelrichtlijn) en het behouden of herstellen vansoorten in een gunstige staat van instandhouding (artikel 2 Habitat-richtlijn).Eventuele afwijkingen krijgen een expliciete Europeesrechtelijkegrondslag zodra de verordening in werking treedt.Artikel 5 van het voorstel kan juridisch beter vorm worden gegeven, ditwordt meegenomen in de onderhandelingen. Er wordt nauwlettendmeegekeken om te waarborgen dat het voorstel geen risico’s inhoudt voorgezondheid, natuur en milieu.Vraag 28:De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zien dat de omnibus hetmogelijk maakt dat lidstaten bij milieuprocedures bepalen dat in deberoepsfase geen nieuwe argumenten mogen worden geïntroduceerd tenopzichte van de eerdere bezwaar- en zienswijzefase. Snapt de Staatssecre-taris de zorgen dat dit de toegang van burgers beperkt tot de rechter? Is ereen toets gedaan of dit in strijd is met het Verdrag van Aarhus? Zo nee,gaat de Staatssecretaris dat alsnog latentoetsen? Hoe gaat de Staatssecretaris voorkomen dat burgers,niet-gouvernementele organisaties (ngo’s) en maatschappelijke organi-saties in de praktijk worden belemmerd in hun recht om juridischeprocedures te voeren over milieuschade?AntwoordVoor het kabinet staat voorop dat versnelling van rechtspraak niet tenkoste gaat van de rechtsbescherming en is daarom ook kritisch tenaanzien van de grondentrechter.Een externe toets heeft niet plaatsgevonden. Het Verdrag van Aarhusbevat de verplichting om de inhoudelijke en procedurele rechtmatigheidvan een bestreden besluit in zijn geheel te toetsen. Dit omvat ook eentoetsing van argumenten die pas na de administratieve fase zijn aange-voerd en het kan om meer argumenten gaan dan alleen nieuw bewijsma-teriaal of andere kwesties. Om deze reden zal het kabinet duidelijkheidvragen aan de Commissie over hoe een grondentrechter zich verhoudt totde bepalingen over toegang tot de rechter in milieuzaken uit het Verdragvan Aarhus.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 102724 Toegang tot de rechter is een van de kernwaardes van het Verdrag vanAarhus. Europese regelgeving moet dit verdrag in acht houden en maghier niet strijdig mee zijn. Het kabinet is er gedurende het vaststellen vannieuwe Europese regelgeving scherp op dat het Verdrag van Aarhuswordt nageleefd.Vraag 29:De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen de Minister of hij ookziet dat er een groeiende roep vanuit burgers, wetenschappers enmedeoverheden is om juist striktere regels te stellen aan bescherming vanmens, dier en milieu tegen schadelijke stoffen. Is de Staatssecretaris zichervan bewust dat er afgelopen jaren veel rechterlijke uitspraken zijngeweest die concluderen dat de overheid de gezondheid van burgers enhun leefomgeving onvoldoende beschermt, zoals in het geval vanlandbouwgif en stankoverlast door veehouderijen? Is de Staatssecretarisbereid om het advies van het Nationaal Burgerberaad op te volgen envervuiling meer te beprijzen? Luistert de Staatssecretaris naar weten-schappers en burgers die om betere bescherming van milieu engezondheid vragen, of laat hij zich leiden door economische belangen vangrote vervuilers? Erkent de Staatssecretaris dat de Milieuomnibus ook nietrijmt met de ambities die het nieuwe kabinet zegt te hebben op het gebiedvan preventie, gezonde leefomgeving en het streven naar de gezondstegeneratie ooit?AntwoordHet kabinet is zich bewust van meerdere civielrechtelijke kort gedinguitspraken sinds 2023 waarin beperkingen (zoals een tijdelijk verbod) zijnopgelegd op het gebruik van specifieke gewasbeschermingsmiddelen bijlelieteelt in de nabijheid van woonwijken. Deze uitspraken hebben geenalgemene werking voor lelieteelt of andere teelten, zijn verschillend in despecifieke omstandigheden van perceel en omwonenden en laten ruimtevoor vervolgstappen zoals een bodemprocedure. Het kabinet zet de lijnvoort van het vorige kabinet om het EUgeharmoniseerde toelatingskadervoor gewasbeschermingsmiddelen continu te verbeteren. Daarnaastwordt met het coalitieakkoord ingezet op nationale, bindende conve-nanten om het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen forsterug te dringen. Verder loopt een verkennend onderzoek bij het RIVM ende WUR om te komen tot een objectieve onderbouwing van spuitzoneringnabij bebouwing. De uitkomsten worden op korte termijn verwacht enzullen door het kabinet met de Kamer gedeeld worden.Het kabinet kan nog niet vooruitlopen op de appreciatie van het adviesvan het Nationaal Burgerberaad. Het kabinet zal binnen 6 maandenreageren op het advies en let er bij nieuwe wetsvoorstellen (ook deMilieuomnibus) op dat bestaande milieubeleidsdoelstellingen niet wordenondermijnd, en dat het tegelijkertijd de potentie om regeldruk terug tedringen ten volle benut. Via formele en informele wegen brengt hetkabinet dit zorgpunt bij de Commissie op tafel, en blijft dit ook doen. Ookandere lidstaten hebben groeiende zorgen over de waarborging vanEuropees milieu- en gezondheidsbeleid.Vraag 30:De aangenomen motie-Kostic´ (Kamerstuk 21 501-08, nr. 1020) verzoekt deregering om te borgen dat vereenvoudigingen in Europese wet- enregelgeving niet zullen leiden tot extra schade aan gezondheid, natuur enmilieu. Daarnaast zegt het kabinet in het BNC-fiche dat «milieudoelstel-lingen en -standaarden noodzakelijk zijn voor het waarborgen van eengezonde fysieke leefomgeving en de gezondheid van burgers». Hoe gaatde Staatssecretaris er zorg voor dragen dat de omnibus niet leidt tot extraschade en afbraak van bescherming? Hoe gaat de Staatssecretaris binnenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 102725 de Milieuraad en richting de Europese Commissie de zorgen aankaartendat de omnibus neerkomt op afbraak ten koste van de Europese leefom-geving en volksgezondheid?AntwoordIn lijn met de eerder aangenomen motie van de Tweede Kamer, pleit hetkabinet tijdens de onderhandelingen en bilaterale gesprekken met anderelidstaten voor gedegen toetsing en de uitvoering van impactassessmentsom te waarborgen dat toekomstige vereenvoudiging van EU-wetgevingniet ten koste zal gaan van milieubescherming.Vraag 31:De leden van de Partij voor de Dieren-fractie constateren dat er op devoorstellen in de Milieuomnibus geen effectbeoordeling plaatsvindt. Dezeleden vinden het ontbreken hiervan problematisch gezien de funda-mentele wijzigingen die voorliggen. Ook zien zij geen aanvullendeinformatie over wat de urgentie waar de Commissie zich op beroeptfeitelijk inhoudt. Kan de Staatssecretaris hierover uitweiden? Wie heeftonafhankelijk bepaald dat er sprake is van urgentie en wat die urgentiedan precies is? Kan de Staatssecretaris ook vertellen waar de spoed voordeze wijziging vandaan komt en wie precies het hardst heeft gepleit voordie wijziging?AntwoordDe Commissie geeft hoge prioriteit aan de omnibussen vanwege de groteimpact van regeldruk op de interne markt en op het verdienvermogen vande EU. De Commissie beroept zich op de urgentie geuit in de rapportenvan Draghi39 en Letta40. Letta pleit voor een onmiddellijke versterking vande interne markt om deze aan te passen aan de nieuwe Europese enmondiale context, Draghi benadrukt in zijn verslag onder meer datlidstaten EU-regelgeving zo lastenluw mogelijk moeten implementeren,welke overeenkomt met de beleidsinzet benoemd in het ActieprogrammaMinder Druk Met Regels41. In lijn met een eerder aangenomen motieKostic´42 van de Tweede Kamer, pleit het kabinet tijdens de onderhande-lingen voor gedegen toetsing en de uitvoering van impact assessmentsom te waarborgen dat toekomstige vereenvoudiging van EU-wetgevingniet ten koste zal gaan van milieubescherming.Vraag 32:De leden van de Partij voor de Dieren-fractie lezen dat ook de Europeseombudsman zich afvraagt of het beroep op «urgentie» om milieuregelge-vingen af te zwakken, zonder bijvoorbeeld eerst een effectbeoordeling,aanvaardbaar is. Deelt de Staatssecretaris de zorgen van de Ombudsman?Hoe reflecteert de Staatssecretaris op het ontbreken van een effectbeoor-deling bij een pakket met mogelijk grote, systemische gevolgen?AntwoordIn lijn met de motie-Kostic´, pleit het kabinet tijdens de onderhandelingenvoor gedegen toetsing en de uitvoering van impactassessments om tewaarborgen dat toekomstige vereenvoudiging van EU-wetgeving niet tenkoste zal gaan van mens- en milieubescherming en in balans is met deEuropese economische belangen.39Kamerstukken II, 2024–2025, 2024D36903.40Kamerstukken II, 2023–2024, 2024D18406.41Kamerstukken II, 2024–2025, 32 637, nr. 660.42Kamerstukken II, 2025–2026, 21 501-08, nr. 1020.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 102726 Vraag 33:Belangrijker nog, vinden de leden van de Partij voor de Dieren-fractie, ishet feit dat het onmogelijk is om te stellen dat de bescherming vangezondheid van mens, dier en milieu in stand blijft als er geen effectbe-oordeling plaatsvindt door wetenschap. Hoe gaat het kabinet preciestoetsen of de omnibus niet zorgt voor meer schade aan de fysiekeleefomgeving en de gezondheid van burgers? Gaat de Staatssecretaris inde EU uitdragen dat Nederland zo niet akkoord gaat met de omnibus endat er een uitgebreide wetenschappelijke toets moet komen die deeffecten van de omnibus voor gezondheid van mens, dier en milieu inkaart kan brengen, zodat het kabinet en de Kamer geïnformeerd kunnenbeslissen? Zo nee, waarom gaat de Staatssecretaris in tegen haar eigenambities uit het coalitieakkoord voor gezonde leefomgeving, gezondstegeneratie ooit en preventie?AntwoordHet kabinet onderstreept het belang van regeldrukvermindering als eentopprioriteit, zoals ook neergelegd in het Actieprogramma Minder DrukMet Regels. Het ontbreken van een impactassessment bij de Milieuom-nibus is onwenselijk. Het kabinet is van mening dat voorstellen met(mogelijke) regeldrukgevolgen altijd vergezeld moeten gaan van eenimpactassessment, en draagt dit ook uit tijdens formele en informelegesprekken over de Milieuomnibus.Vraag 34:De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen de Staatssecretaris ofzij ervoor kan zorgen dat in kaart wordt gebracht wat de eventuelemaatschappelijke schade en kosten (in euro’s) zijn van de voorgesteldeomnibus.Deze leden hebben nog wat specifieke vragen over de Vogel- en Habitat-richtlijn. De Vogel- en Habitatrichtlijn vormt de harde juridische kern voorhet behoud en herstel van ecosystemen, kwetsbare soorten en leefge-bieden in de EU. Deze richtlijnen zullen worden onderworpen aan eenstresstest. Wat houdt deze stresstest exact in en wie voert het precies uit?Wie zijn de betrokken partijen? Wat zijn de vragen en de tijdlijn? Enwaarom is deze stresstest precies nodig? Tien jaar geleden is de Vogel- enHabitatrichtlijn onderworpen aan een zware fitnesscheck en is «fit forpurpose» verklaard. Er is wetenschappelijk en juridisch gezien geen redenom weer te proberen te morrelen aan deze richtlijnen. Ziet het kabinet datook? Zo nee, op welk wetenschappelijk advies baseert hij zich?Deze leden zien ook dat de Milieuomnibus soepeler omgaat met deverboden met betrekking tot het doden en verstoren van beschermdesoorten en dat de focus van preventie naar schade-acceptatie verschuift.Deelt het kabinet de conclusie dat dit in strijd is met de Vogel- enHabitatrichtlijn en de jurisprudentie van het Hof van Justitie? Zo niet, kanhet kabinet de juridische toets sturen waar hij zich op baseert?AntwoordDe stresstest wordt in 2026 uitgevoerd en vormt een breed onderzoek omte waarborgen dat de VHR relevant, proportioneel en als wetgevinggeschikt blijft om de daarin vastgelegde doelstellingen op de meestkostenefficiënte wijze te verwezenlijken. Daarbij wordt onder meergekeken naar welke mogelijkheden er zijn om onnodige administratievelasten bij de uitvoering te verminderen. De Commissie voert de stresstestuit met behulp van input van lidstaten en stakeholders, maar ook hetbrede publiek kan reageren tijdens de open consultatie. De preciezevragen die de Commissie heeft voor Nederland zijn nog niet bekend. Hetkabinet verwacht dat het onderzoek zich onder meer zal richten op devolgende thema’s:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 102727 1.Het kader voor instandhouding en bescherming van gebieden (artikel 6van de Habitatrichtlijn), met nadruk op de procedure van passendebeoordeling voor Natura 2000-gebieden;2.Beleidscoherentie, betrokkenheid van belanghebbenden, financiëleondersteuning en governance (inclusief monitoring en rapportage);3.Soortenbescherming en uitzonderingsmogelijkheden, en de procedu-res voor het aanpassen van de bijlagen aan wetenschappelijke entechnische ontwikkelingen.De Commissie verwacht dat het uitvoeren van de stresstest ongeveer10 maanden in beslag zal nemen, met een aanvang in maart 2026. Destresstest maakt deel uit van de bredere inzet van de Europese Commissieop het gebied van vereenvoudiging, met als doel de concurrentiekrachtvan de EU te versterken, terwijl economische, sociale en ecologischedoelstellingen worden gewaarborgd. Indien de stresstest zorgvuldig eninhoudelijk grondig wordt uitgevoerd, kan deze nuttige inzichtenopleveren. Het kabinet hecht daarbij onverminderd aan het beschermings-niveau dat voortvloeit uit de VHR. Het kabinet hecht bij haar beoordelingen besluitvorming groot belang aan de meest recente wetenschappelijkeinzichten en baseert beleidskeuzes op de actuele stand van de weten-schap. Artikel 8 van het voorstel voor de verordening inzake hetversnellen van milieubeoordelingenvoorstel strekt ertoe te regelen datincidentele schade die beschermde vogelsoorten en andere soorten lijdentijdens projectactiviteiten, niet geacht wordt opzettelijk te zijn toegebrachtin de zin van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn als er passende enevenredige verzachtende maatregelen zijn toegepast en de bestetechnologie in aanmerking is genomen. Op grond van het artikel hebbende lidstaten daarbij de verplichting om de effectiviteit te monitoren enmaatregelen aan te passen om aanmerkelijke effecten op soortenpopu-laties te voorkomen. Er wordt in het voorstel wel degelijk uitgegaan vanpreventie, maar de toetsing verschuift van het voorkomen van schadelijkeeffecten voor individuele exemplaren van een beschermde soort, naar hetvoorkomen van aanmerkelijk negatieve effecten voor de populatie van debetrokken soort.Uiteindelijk zijn de doelstellingen van de Vogelrichtlijn en de Habitat-richtlijn ook niet gericht op individuele exemplaren van beschermdesoorten, maar op: 1) het op een niveau houden of brengen van depopulaties van vogelsoorten dat beantwoordt aan de ecologische,wetenschappelijke en culturele eisen (artikel 2 Vogelrichtlijn), en 2) het ineen gunstige staat van instandhouding behouden of herstellen van wildedier- en plantensoorten van communautair belang (artikel 2 Habitat-richtlijn). Het voorstel uit de milieu-omnibus sluit daarop aan.Voor zover met het voorstel uit de milieu-omnibus wordt afgeweken vande Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en de jurisprudentie ter zake vanhet Hof van Justitie, verkrijgt deze afwijking een Europeesrechtelijkegrondslag, zodra de verordening inzake het versnellen van milieubeoorde-lingen van kracht wordt.Vraag 35:De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben ook nog wat vragenover de invloed van de omnibus op de Kaderrichtlijn Water.Erkent de Staatssecretaris dat zoetwaterecosystemen al in kritieketoestanden verkeren en verdere verslechtering gezondheidsrisico’s verdervergroot en klimaatadaptatie bemoeilijkt? Zo niet, op welke wetenschap-pelijke rapporten baseert zij zich dan? Ziet de Staatssecretaris dat delaatste fitnesscheck van de KRW concludeert dat de regels van de KRWgoed zijn, maar dat de implementatie achterblijft? Is zij het met deze ledenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 102728 eens dat het de omgekeerde wereld is om regels te versoepelen omdatlidstaten de afgelopen jaren te weinig moeite hebben gedaan om ze teimplementeren? Zal de KRW ook worden onderworpen aan eenstresstest? Zo ja, hoe ziet dat proces er precies uit, wie is daarbijbetrokken en wat is de tijdlijn?AntwoordVertrekpunt voor de toestand van onze wateren is dat we momenteel op83% doelbereik zitten voor de doelen van de Kaderrichtlijn Water43 (KRW)en met het KRW-impulsprogramma sinds begin 2023 alles op alles zettenom dit zoveel mogelijk te verbeteren richting december 2027 en daarna.Een volledig overzicht van de staat van de waterkwaliteit onder de KRW isopgenomen in de KRW-tussenevaluatie.44 Op dit moment voldoet geenenkel waterlichaam aan alle KRW-doelen, wat betekent dat overal eenopgave resteert. Dat is niet alleen relevant voor de bescherming enverbetering van de zoetwaterecosystemen, maar ook voor de volksge-zondheid en de te realiseren klimaatadaptatie. Uit de KRW-fitnesscheck uit201945 bleek dat het feit dat de KRW-doelen in Europa niet overal bereiktworden niet zozeer ligt aan een probleem in de Europese wetgeving, maarvooral komt door onvoldoende financiering, trage implementatie, enonvoldoende integratie van de KRW-doelen in andere beleidsterreinen.Ook werd daarin door de Commissie geconcludeerd dat er weinig ruimteis voor versimpeling van de richtlijn en voor het verminderen van deadministratieve lasten daarvan, zonder de milieudoelen in gevaar tebrengen. Het is niet zo dat de Commissie nu inzet op versoepeling van deKRW. De Commissie geeft expliciet aan dat het gaat om een herziening«met behoud van bescherming van het milieu en de volksgezondheid».Zie verder de antwoorden op vraag 17.Vraag 36:Voorts vragen de leden van de VVD-fractie hoe het kabinet de voorge-stelde wijzigingen in de batterijenverordening beoordeelt, met name waarhet gaat om de repareerbaarheid van batterijen van elektrische voertuigenen de gevolgen voor circulariteit en innovatie.AntwoordTen aanzien van de wijzigingen in de Batterijenverordening is het kabinetpositief over de aanpassing van de definitie van producent en hetschrappen van de genoemde rapportage door de Commissie. Het kabinetis voorzichtiger over aanpassingen in de technische voorschriften van deverordening waarvan de consequenties niet duidelijk zijn.Repareerbaarheid van batterijen blijft een belangrijk punt. Ook in deverdere uitwerking van deze bepalingen, zal het kabinet zich waarmogelijk blijven inzetten op de verbetering van de repareerbaarheid vanEV-batterijen, op een zodanige manier dat de integriteit en veiligheid vande batterij niet in het geding komt. Dit zonder daarbij de integriteit enveiligheid van de batterij in het geding te brengen.Vraag 37: PFASTot slot vragen de leden van de VVD-fractie aandacht voor de Europeseontwikkelingen rond het PFAS-restrictievoorstel. Zij begrijpen dat voorsommige industriële toepassingen, waaronder bepaalde afdichtingstoe-passingen in de maritieme sector, momenteel een derogatieperiode isvoorgesteld omdat alternatieven nog ontbreken. Deze leden vragen hoehet kabinet aankijkt tegen dergelijke overgangsperioden voor toepas-43Kamerstukken II, 2025–2026, 27 625, nr. 735.44Kamerstukken II, 2024–2025, 27 625, nr. 696.45https://commission.europa.eu/publications/fitness-check-water-framework-directive-and-floods-directive.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 102729 singen waarvoor op korte termijn geen werkbare alternatievenbeschikbaar zijn.Ook vragen zij hoe het kabinet de recente studies in Europees verbandover sectorale afhankelijkheid van PFAS weegt en hoe deze zichverhouden tot het lopende restrictievoorstel. Tot slot vragen deze ledenhoe het kabinet de Nederlandse inzet in dit dossier vormgeeft, medegezien de rol van Nederland als kar-trekkend land in de EuropesePFAS-discussie.AntwoordNederland heeft in 2020 het initiatief genomen om te komen tot een bredeEuropese restrictie. Sinds begin 2023 is het samen met vier andere landenopgestelde voorstel hiertoe in behandeling van het Europese agentschapvoor Chemische stoffen (ECHA) en in deze fase is geen invloed vanexterne partijen toegestaan. Recent is een belangrijke stap gezet in hetkomen tot een Europese PFAS-restrictie door het vaststellen van de ECHAopinie over het risico. Ook is de opinie over sociaaleconomische aspectenin concept af. Deze gaat nu in een openbare raadpleging waarna deze einddit jaar zal worden afgerond. In de opinies worden zowel verboden alsmogelijke overgangstermijnen of alternatieve risicobeheeroptiesbeoordeeld. De informatie uit deze opinies zal meewegen in het kabinets-standpunt, net als relevante studies over het belang van het gebruik vanPFAS en de maatschappelijke kosten.Na het afronden van de opinies zal de Europese Commissie een voorstelter besluitvorming voorleggen aan de lidstaten. Daarna zal Nederlandactief samenwerken met stakeholders, lidstaten en andere partijen om tekomen tot een effectieve en efficiënte Europese restrictie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 102730

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 602f544e3356ebb3

14 okt 2026 · 74c77ee8a7c75c2b

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.