Verslag van een schriftelijk overleg over voorhang ontwerpbesluit tot wijziging van het Bbl t.b.v. het verder aanscherpen van de grenswaarde voor de milieuprestatie van woonfuncties en kantoorfuncties en het regelen van de grenswaarden voor de milieuprestatie voor andere gebruiksfuncties (Kamerstuk 28325-274)
Brontekst
Versie ed793effc1d8bb3e · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202528 325BouwregelgevingNr. 275 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 3 oktober 2024 De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken heeft een aantal vragen enopmerkingen voorgelegd aan de Minister van Volkshuisvesting enRuimtelijke Ordening over de brief van 21 juni 2024 over voorhangontwerpbesluit tot wijziging van het Bbl t.b.v. het verder aanscherpen vande grenswaarde voor de milieuprestatie van woonfuncties en kantoor-functies en het regelen van de grenswaarden voor de milieuprestatie voorandere gebruiksfuncties (Kamerstuk 28 325, nr. 274).De vragen en opmerkingen zijn op 5 juli 2024 aan de Minister vanVolkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening voorgelegd. Bij brief van3 oktober 2024 zijn de vragen beantwoord.De voorzitter van de commissie,De VreeAdjunct-griffier van de commissie,Morrin kst-28325-275ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 325, nr. 2751 Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van deMinister Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de fractie van GroenLinks-PvdA zijn positief over de hogeremilieuprestatie- eisen die voorgesteld worden. In het ontwerpbesluit lijkteen goede balans te zijn gevonden. Er rest deze leden nog een enkelevraag.1.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat de Minister in debrief stelt dat extra duurzaamheidseisen van gemeenten en provincies destandaardisatie en industrialisatie van de bouw in de weg zit. Deze ledenvinden het belangrijk om de bouw te versnellen, maar ook dat erambitieuze milieudoelen worden gesteld. Het feit dat decentraleoverheden het nodig vinden om extra eisen te stellen geeft ogenschijnlijkaan dat de richtlijnen van het Rijk nog niet ambitieus genoeg zijn. Zijvragen de Minister of zij denkt dat met de voorgestelde richtlijnen in hetontwerpbesluit minder gemeenten additionele eisen zullen stellen in hetbouwbesluit. Welke afspraken heeft de Minister hierover heeft gemaaktmet gemeenten en provincies?Antwoord 1In het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (Bbl) zijn alle minimumeisenopgenomen, die landelijk gelden voor alle bouwwerken. Die minimum-eisen zien op veiligheid, bruikbaarheid, gezondheid en duurzaamheid vanbouwwerken. Ik hecht aan eenduidigheid als het gaat om bijvoorbeelddefinities en bepalingsmethoden om het (industrieel) doorbouwen teondersteunen, en ook daarvoor biedt het Bbl de basis.Het is een misverstand dat decentrale overheden een bevoegdheidhebben om hiervoor extra eisen te stellen aan bouwwerken1. In diegevallen waarin dat toch gebeurt, kan een opdrachtgever van nieuwebouwwerken de gang naar de rechter succesvol benutten.Alleen als een ontwikkelaar of aannemer op vrijwillige basis meer wilaanbieden dan de minimumeisen voorschrijven, staat hem dat vrij.Medeoverheden moeten er in ieder geval op letten dat de 2/3 betaal-baarheid van de woningbouwopgave hiermee niet in het gedrang komt.Ze mogen in ieder geval geen dwingende invloed uitoefenen op hogerekwaliteitsniveaus dan het Bbl voorschrijft. Het is wenselijk dat indienopdrachtgevers, aannemers en ontwikkelaars vrijwillig inzetten op hogerekwaliteitsniveaus dan het Bbl voorschrijft, ook gestandaardiseerd wordt.Het is waardevol dat de kennisontwikkeling en innovaties in de marktgericht zijn op toekomstige regelgeving, zoals inmiddels aangekondigd inEuropese richtlijnen.Vragen en opmerkingen van de leden van de NSC-fractieDe leden van de NSC-fractie hebben kennisgenomen van de Voorhangontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit bouwwerken leefomgeving(hierna Bbl) t.b.v. het verder aanscherpen van de grenswaarde voor demilieuprestatie van woonfuncties en kantoorfuncties en het regelen vande grenswaarden voor de milieuprestatie voor andere gebruiksfuncties.Deze leden hebben hierover een aantal vragen.1Artikel 23.7 OmgevingswetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 325, nr. 2752 Artikel milieuprestatie2.De leden van de NSC-fractie lezen in artikel 4.159 milieuprestaties hetbegrip «verliesoppervlakte». Wat is de definitie van het begrip «verliesop-pervlakte» volgens de Minister?Antwoord 2In het gewijzigde artikel 4.159 Bbl wordt het begrip «verliesoppervlakte»gebruikt. De term verliesoppervlakte wordt vervolgens in bijlage I van hetBbl gedefinieerd als: het totaal van de oppervlakten van alle uitwendigescheidingsconstructies van een bouwwerk. Hiermee wordt bedoeld detotale oppervlakte van alle buitenmuren, daken en de vloer van eengebouw die aan de buitenlucht grenzen.3.De leden van de NSC-fractie lezen in artikel 4.159 milieuprestaties over«schaduwkosten» en hoe hier gewerkt wordt met een prijspeil uit 2019. Isvolgens de Minister een peildatum die vijf á zes jaar voor de geplandeingangsdatum van de wet ligt gebruikelijk? Zo niet, kan de Ministerverklaren waarom niet?Antwoord 3Deze peildatum is voor dit ontwerpbesluit gebruikelijk omdat 1) dit tentijde van het onderzoek de meest recente milieuprijzen waren uit hetHandboek Milieuprijzen2 en 2) de schaduwkosten alleen worden gebruiktom onderling milieueffecten te wegen en geen werking hebben voor dewerkelijk kosten die samenhangen met de uiteindelijke milieuprestatie vaneen gebouw. Daarom hoeven de schaduwkosten niet steeds te wordenaangepast. Een uitzondering kan worden gemaakt voor deCO2-schaduwkosten, die verondersteld worden met 3,5% per jaar testijgen in verband met het (voorgenomen) klimaatbeleid (tweegradensce-nario) 3.Bepaling haalbare milieuprestatie-eisen4.De leden van de NSC-fractie lezen dat om een gebouw duurzaam temaken er vaak meer materialen nodig zijn, zoals zonnepanelen eninstallaties of isolatie en dergelijke. Voorziet volgens de Minister demilieuprestatie-eis ook in situaties (mogelijk in de toekomst) waarbij juistminder materialen gebruikt worden? Kan de Minister het antwoordtoelichten?Antwoord 4Ja, het milieuprestatie-instrument is immers bedoeld om de milieu-impactvan bouwwerken en de daarbij gebruikte bouwmaterialen te begrenzen.Wanneer er minder materialen worden gebruikt dan zal dit in vrijwel allegevallen een gunstig effect hebben op de milieu-impact van het gebouw.Van alle gebruikte materialen in een bouwwerk worden namelijk demilieueffecten berekend van wieg tot graf: de zgn. LCA-methodiek,Levenscyclus Analyse Methodiek (LCS)methodiek), dat wil zeggen vangrondstofwinning, productie, transport, gebruiksfase, sloop, afvalver-werking en mogelijk hergebruik. De milieuprestatie-eis zorgt ervoor dat2Het Handboek Milieuprijzen geeft voor een groot aantal milieugevaarlijke stoffen kengetallenvoor waardering voor emissies naar lucht, water en bodem3Conform de uitwerking van de aanbevelingen van de werkgroep Discontovoet in Aalbers et al.,(2016) (Milieuprijzen als weegfactor in de bepalingsmethode milieuprestatie bouwwerken - CEDelft)Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 325, nr. 2753 ontwerpers en bouwers bij het voldoen aan de andere prestaties uit debouwregelgeving, zoals die van de energieprestatie, ook bewust naar demateriaalkant kijken.5.De leden van de NSC-fractie lezen over «merk ongebonden generiekemilieuverklaringen». Wat zijn «merk ongebonden generieke milieuverkla-ringen» volgens de Minister en hoe verschillen deze van de «branchege-middelde milieuverklaringen»?Antwoord 5In de Nationale Milieudatabase (NMD), die beheerd wordt door stichtingNationale Milieudatabase, worden drie categorieën milieuverklaringenmet milieudata onderscheiden, te weten:Categorie 1: dit zijn getoetste, merk gebonden data. Ze zijn eigendom vande fabrikant;Categorie 2: dit zijn getoetste, branche/sector gebonden data. Ze zijneigendom van de branche;Categorie 3: dit zijn ongetoetste, generieke data.De categorie 3-data vormen een terugvaloptie voor als er nog geenCategorie 1 of Categorie 2 milieuverklaringen van dit product bestaan.De Categorie 3 data zijn minder specifiek, daarom zit er een ophoogfactorop van 30% in termen van milieueffect. Deze ophoging geeft ook eenprikkel aan fabrikanten om hun eigen productkaarten in de NMD op telaten nemen, voor zover ze gunstiger scoren. In die gevallen zullen ze danook de voorkeur krijgen bij de berekening van de milieuprestatiegebouwen. Dit mag alleen onder de voorwaarde dat ze daadwerkelijkworden toegepast in het bouwwerk.6.De leden van de NSC-fractie zijn benieuwd wat volgens de Minister deverwachting is voor de haalbaarheid van de milieuprestatie-eisen die nusoepeler gesteld zijn voor kleinere woningen (met name appartementen)als de bouwkosten en rentekosten onverhoopt weer stijgen.Antwoord 6Als gevolg van een soepelere eis kunnen kleinere woningen voldoen aaneen op maat gesneden milieuprestatie-eis, in verband met het kunnenrealiseren van kleinere woningen. Bij kleinere woningen is er immersrelatief meer materiaal nodig (vloeren, wanden, dak, installaties e.d.) tenopzichte van de bruto vloeroppervlakte van de woning dan bij groterewoningen.Introductie milieuprestatie-eisen andere gebruiksfunctie7.De leden van de NSC-fractie lezen dat gesteld wordt dat er nog geenervaring is met het werken met milieuprestatie-eisen met betrekking tot«andere gebruiksfuncties». Hoeveel jaar verwacht de Minister nodig tehebben om hier eerst ervaring mee op te doen alvorens tot eisen tekomen?Antwoord 7Een periode van vijf jaar is gebruikelijk als het om nieuwe bouwwerkengaat. Dit ontleen ik aan de introductieperiode voorafgaand aan hetvaststellen van de grenswaarde voor de milieuprestatie gebouwen in2018.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 325, nr. 2754 Soepelere milieuprestatie-eis kleine woonfunctie en kantoorfunctieniet-compacte gebouwen8.De leden van de NSC-fractie vragen zich af waarom bij de woonfunctieuitgegaan wordt van het gebruiksoppervlak terwijl bij de kantoorfunctiewordt uitgegaan van de verhouding gebruiksoppervlak/schiloppervlak.Kan de Minister dit verklaren?Antwoord 8Bij de kantoorfuncties blijkt dat de spreiding in gebruiksoppervlakte erggroot is. Een soepelere milieuprestatie-eis koppelen aan de gebruiksop-pervlakte is daarmee niet haalbaar. Naast een spreiding in gebruiksopper-vlakte is bij kantoorfunctie de gebouwhoogte of verdiepingshoogtevariabel. Ook deze hoogte kent in de praktijk een grote spreiding, integenstelling tot woonfuncties die over het algemeen eenzelfde verdie-pingshoogte hebben. Vanwege de vorm van kantoorfuncties (hoogte,gebruiksoppervlakte, schiloppervlakte) is de compactheidsfactor voor dittype functies beter bruikbaar voor de berekening van de milieuprestatiedan een koppeling aan de gebruiksoppervlakte4.Minimum gebruiksoppervlakte voor milieuprestatie-eis9.De leden van de NSC-fractie lezen dat bouwwerken met een industrie-functie of een overige gebruiksfunctie, als zij kleiner dan 50 m_ zijn, niethoeven te voldoen aan milieuprestatie- eisen. Omdat het hier nutsvoorzie-ningen, fietsenstallingen en schuurtjes kan betreffen waar voor een deelvoertuigen/hulpmiddelen met een accu gestald kunnen worden, is devraag of de brandveiligheid van deze ruimten en het gebruik vanbenodigde materialen niet ook in beeld zou moeten zijn. Welke risico’sbrengt het volgens de Minister met zich mee om deze eisen buitenbeschouwing te laten?Antwoord 9Voor deze bouwwerken blijven de brandveiligheidseisen uit het BBL, zoalsdeze nu ook al gelden, gewoon van kracht. Er ontstaan dus geen extrarisico’s als het gaat om brandveiligheid. Het Bbl regelt o.a. dat deelektrische installatie van het gebouw veilig moet zijn en dat er beper-kingen gelden aan het brandgedrag van zowel het binnen- als hetbuitenoppervlak van de gevel. Bergingen voor bijvoorbeeld scootmo-bielen en elektrische fietsen in of direct tegen een woongebouw moetenin een ander brandcompartiment worden geplaatst dan de woningen.Nieuwe Bepalingsmethode Milieuprestatie Bouwwerken10.De leden van de NSC-fractie lezen dat aangegeven wordt dat de herzieneEuropese standaard (vertaald via de herziening van de Nederlandsebepalingsmethode) over de hele levensduur van een bouwproduct strekt.Hoe wordt volgens de Minister in dit licht van een materiaal bepaald ofdie hergebruikt kan worden en zijn ontwikkelingen hierin voorzien?Immers, wat nu nog niet hergebruikt kan worden kan wellicht na eeninnovatie wel hergebruikt worden.Antwoord 104Onderzoek afwijkende milieuprestatie gebouwen in bouwregelgeving (Nieman, 2024)Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 325, nr. 2755 Met betrekking tot de waardering van hergebruik bij het bepalen van demilieuprestatie is de nieuwe Bepalingsmethode geactualiseerd in lijn metde Europese bepalingsmethode EN-15804.Verder moeten bouwmaterialen en bouwproducten bij hergebruik voldoenaan de eisen zoals gesteld in het Bbl. Afhankelijk van de toepassingkunnen er op bouwwerk niveau eisen van toepassing zijn met betrekkingtot brandveiligheid, constructieve veiligheid, energieprestatie e.d.Om aan te kunnen tonen dat deze her te gebruiken (innovatieve)materialen en producten voldoen aan bovengenoemde eisen heeftCirkelstad5 een «Beslisboom Hoogwaardig Hergebruik Bouwproducten»opgesteld.6Verhouding tot ander recht11.De leden van de NSC-fractie merken op dat wetgeving op het vlak vanduurzaamheid en circulariteit constant in beweging is. Kan de Ministeraangeven welke herzieningen, nieuwe wetgeving, of dergelijke wij dekomende vier jaar tegemoet kunnen zien? Kan de Minister een kalenderoverleggen zodat de Kamer tijdig en optimaal beïnvloedingsinstrumentenkan inzetten?Antwoord 11Als het gaat om duurzaamheid in de zin van milieuprestatie van bouwpro-ducten, gebouwgebonden installaties en milieuprestatie gebouwen,waarbij laatstgenoemde een optelling is van de eerste twee, zijn debelangrijkste Europese ontwikkelingen de komende 4 jaar als volgt:ESPR: de Ecodesign for Sustainable Products Regulation (ESPR), die op18 juli 2024 van kracht werd, is een Europese Verordening die toeziet opproductie en gebruik van meer ecologisch duurzame en circulaireproducten. De doelstelling van deze Verordening is o.a. het verbeterenvan de circulariteit van producten, energieprestaties en andere milieu-aspecten. De ESPR vervangt de vorige Ecodesign-richtlijn en stelt eenkader vast voor het vaststellen van duurzaamheidseisen voor verschil-lende productcategorieën.Onder de ESPR vallen zeer veel productgroepen, waaronder ookbouwtechnische installaties als C.V.-ketels, warmtepompen en airco’s.Naast het energiezuiniger maken van producten onder de huidigeEcodesign Richtlijn, zal de nieuwe ESPR dus ook de duurzaamheid vandeze producten adresseren, o.a. volgens een LCA-methodiek, met daarin –net als voor de milieuprestatie gebouwen – ook 19-milieu indicatoren,alsmede repareerbaarheid en hergebruik. De komende jaren zal deCommissie dit voor diverse productgroepen verder uitrollen.De herziene CPR: in de 2e helft van 2025 zal de herziene EuropeseVerordening Bouwproducten (CPR) van kracht gaan. Naast de hoofddoel-stelling vanuit de huidige CPR, namelijk de interne markt en hetwegnemen van handelsbelemmeringen, wordt onder de herziene CPR ookhet declareren van milieuprestaties van bouwproducten verplicht voorfabrikanten die een bouwproduct op de Europese markt brengen.De systematiek die voor bouwproducten wordt voorgeschreven sluit aanbij de milieuprestatie-systematiek die we in Nederland op gebouwniveauhanteren.5https://www.cirkelstad.nl/6https://www.cirkelstad.nl/wp3/wp-content/uploads/2021/06/Het-rapport-Beslisboom-Hergebruik-gebouwproducten.pdfTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 325, nr. 2756 De verplichting om milieuprestaties van bouwproducten te declareren, zalde komende jaren per bouwproductgroep door de Europese Commissieverder uitgerold worden.EPBD-IV: De Energy Performance of Buildings Directive (EPBD), ookbekend als de Richtlijn energieprestatie van gebouwen, heeft tot doel deenergieprestatie van gebouwen in de Europese Unie te verbeteren. Daarwaar de eerste EPBD-richtlijn meer dan 20 jaar geleden het licht zag metals doelstelling om minder afhankelijk te worden van fossiele energie vanvreemde mogendheden, heeft EPBD-IV niet alleen energie-efficiëntie totdoel, maar ook het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen.Voor laatstgenoemde doelstelling voorziet EPBD-IV in een verplichting omeen zgn. Whole Life Cycle (WLC)-berekening te maken, oftewel eenberekening over de gehele levenscyclus van het gebouw: zowel van hetenergiegebruik als van de gebruikte materialen, zoals Nederland nu – watmateriaal gebruik betreft- met de milieuprestatie-berekening doet.Concluderend: de milieuprestatie-berekening in het Bbl sluit aan bij deEuropese verplichtingen die – op productniveau – volgen uit de ESPR ende herziene CPR. Ook sluit de milieuprestatie-berekening aan op deWLC-berekening die op bouwwerkniveau vanaf 2028 verplicht wordtonder EPBD-IV.Daarbij is een belangrijk punt dat lidstaten op termijn op grond van deEPBD-IV, de WLC-prestatie-eis (grenswaarde) op bouwwerkniveaunationaal dienen te bepalen, waarvoor de ervaringen met demilieuprestatie-berekeningen – volgens de herziene bepalingsmethode –essentiële informatie zal bieden.Gevolgen van dit besluit12.De leden van de NSC-fractie lezen dat er gesproken wordt over hogerebouwkosten de komende vijf jaar. Omdat vooral goedkope en betaalbarewoningen gebouwd moeten worden tot 2031 is de vraag wat hetverwachte effect is op de bouwproductie en de haalbaarheid van debouwaantallen uit de Woondeals. Kan de Minister aangeven of ermiddelen zijn in de begroting die erin voorzien om stagnatie van bouwdoor deze hogere bouwkosten te dempen? Zo ja, welke middelen en zijndeze toereikend?Antwoord 12Over de bouwkosten is allereerst in algemene zin op te merken dat ersprake is van autonome ontwikkelingen die leiden tot hogere kosten, zoalsloonkosten en inflatie. Daarnaast is het van maatschappelijk belang dat2/3 betaalbaar wordt gebouwd. Terughoudendheid met het toevoegen vaneen kostenverhogende aangescherpte eis, is geboden in het licht van dewoningbouwopgave en de betaalbaarheid daarbinnen.Over de bouwkosten is te melden dat over het algemeen de verwachtingis dat 80% van de grondgebonden nieuwbouwwoningen aan de voorge-stelde aangescherpte milieuprestatie-eis kan voldoen zonder extra kostente maken. Voor 20% van de nieuwbouw (gerekend is door Sira7 met74.100 totaal) zou er ingeval van aanscherping van de eis sprake zijn vantijdelijk extra kosten, voor zowel grondgebonden woningen als voorappartementen. Deze uitkomsten maken het voor mij noodzakelijk omdeze aanscherping goed te wegen.7Lasten- en regeldrukeffecten wijziging milieuprestatie-eisen bouwregelgeving (Sira, 2023),Aanvullend onderzoek effecten aanscherping MPG-eis (Sira, 2024)Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 325, nr. 2757 Voor het totaal van deze woningen en appartementen zou het gaantijdelijke kosten die variëren van minimaal € 150.987.900 tot maximaal€ 240.690.200 in het eerste jaar (2025), aflopend tot minimaal€ 29.158.800 en maximaal € 46.654.000 in het vijfde jaar (2029).De verwachting die uit de onderzoeken blijkt is dat door de aanscherpingvan de eis de vraag naar duurzame producten zal toenemen, waardoor eropgeschaald wordt en de kosten naar verwachting zullen afnemen.Respondenten verwachten dan ook dat de meerkosten gedurende eenperiode van vijf jaar zullen afnemen tot het huidige prijsniveau. Dit is deverwachtte geleidelijke afname van de meerkosten gedurende vijf jaar.De inschatting voor extra kosten zijn voor een groot deel te wijten aan hetgebruik van andere, duurzamere materialen. Echter uit het vervolgon-derzoek kwam tevens naar voren dat de prijzen van bouwmaterialen diezorgen voor een gunstigere milieuprestatie-score aantrekkelijker zijngeworden ten opzicht van «lineaire» bouwproducten in de loop der tijd.Bovendien gaat er een standaardiserend en daarmee mogelijk kostenver-lagend effect uit van een scherpere nationale norm.In de Rijksbegroting zijn geen extra middelen gereserveerd voor de kostendie samenhangen met de aanscherping van de milieuprestatie-eisgebouwen.13.De leden van de NSC-fractie vragen zich af of de Minister kan aangeven ofer middelen zijn voorzien in het Klimaatfonds voor circulaire materialen-gebruik?Antwoord 13Ja, onder andere voor de Nationale aanpak biobased bouwen: daarvoor is€ 200 miljoen gereserveerd vanuit het Klimaatfonds. Hiervan is € 25miljoen toegekend in 2023 en nog eens € 63,7 miljoen in 2024. De overige€ 111,3 miljoen moet nog worden toegekend in de volgende besluitvor-mingsronde. Verder zijn er middelen toegekend in het kader van dezogenaamde circulaire klimaatmaatregelen, specifiek om bedrijven teondersteunen bij de versnelde transitie naar een circulaire plasticketen.Hiervoor is in totaal € 267 miljoen uit het Klimaatfonds toegekend, deelsin de vorm van een reservering8.14.De leden van de NSC-fractie lezen dat er gesproken wordt over hogereontwerp-, ontwikkel-, en advieskosten gedurende de eerste drie jaar. Kande Minister antwoord geven op de volgende vragen: kunnen de sectorendeze extra kosten dragen? Is er voldoende capaciteit aanwezig? Zo niet,hoe wordt voorkomen dat schaarste van capaciteit/deskundigheid leidt totvertraging van de bouw? Op welke manier kan kennis gedeeld worden inregio’s om concurrentie op schaarse kennis te voorkomen?Antwoord 14Voor deze vraag verwijs ik naar mijn aanbiedingsbrief bij dezeantwoorden op de schriftelijke inbreng. Ik wil eerst met de sector inoverleg of de aanscherping een belemmering vormt voor de woning-bouwopgave en de betaalbaarheid daarbinnen.15.De leden van de NSC-fractie lezen dat ongeveer 1.116 milieuverklaringenvervroegd moeten worden afgeschreven. Aangegeven wordt dat geenkosteninschatting gegeven kan worden in verband met onvoldoende data.8Kamerstuk, vergaderjaar 2022–2023, 32 813, nr. 1292Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 325, nr. 2758 Kan de Minister aangeven hoe dit probleem in de toekomst voorkomenwordt, aangezien wijzigingen ook in de toekomst te verwachten zijnwaardoor milieuverklaringen (deels) wederom vervroegd afgeschrevenmoeten worden?Antwoord 15Het vervroegd afschrijven vergt een nuancering. Een deel van de 1.116milieuverklaringen zal namelijk al vóór 1-1-2025 vervallen om andereredenen. Denk hierbij aan verwijdering van milieuverklaringen vanwegebedrijfsoverwegingen van een producent. De overgang naar een nieuwedataset op basis van de herziene Europese norm (15804+A2:2019) is ookeen reden voor vervroegd afschrijven. Hier is vroegtijdig op geanticipeerden er is een vergoedingsregeling gestart door de Stichting NMD(Nationale Milieudatabase, beheerder van de bepalingsmethode) om deeigenaren van milieuverklaringen te stimuleren om hun data te updatenen in overeenstemming te brengen met de nieuwe dataset A2. Deze«Versnellingsactie» werd ingezet voor bedrijven en brancheorganisatiesdie hun milieudata op dataset A1 hadden gebaseerd en van wie demilieuverklaringen nog binnen de geldigheidstermijn van vijf jaar vielen.Wanneer er in de toekomst een herziening komt van de Europese normkan er weer een dergelijke versnellingsactie worden ingezet.Er is nog een nuance te maken als we spreken over vervroegd afschrijvenen de bijbehorende kosten. Een milieuverklaring is een uitkomst van eenuitgebreide levenscyclusanalyse (LCA)-studie waarmee de milieueffectenvan producten en diensten gedurende hun gehele levenscyclus inzichtelijkworden gemaakt. Een LCA laat de totale milieu-impact over de gehelelevenscyclus van het product zien; van grondstofwinning en productie totgebruik en verwerking aan het einde van de levensduur. De LCA-studie dieals basis dient voor een milieuverklaring is een van de grootste kosten-posten van het ontwikkelen van de milieuverklaring. Met de herzienebepalingsmethode kan de betreffende LCA-studie in veel gevallen volledigongewijzigd blijven, wat betekent dat er enkel een omrekening plaatsvindtin de uiteindelijke weging van de milieueffecten met betrekking tot deherziene bepalingsmethode.16.De leden van de NSC-fractie vragen zich af waarom er geen mkb-toets isuitgevoerd. Kan dit alsnog worden uitgevoerd?Antwoord 16Er is geen mkb-toets uitgevoerd omdat zich geen mkb-bedrijven hebbenaangemeld. Het ministerie heeft aan de relevante brancheorganisaties diedeelnemen aan het Overleg Platform Bouwregelgeving en de Juridisch-Technische Commissie gevraagd mkb-ers aan te dragen voor demkb-toets. Ook is dit gevraagd aan VNO-NCW. Ondanks herhaaldeoproepen heeft uiteindelijk slechts één mkb-bedrijf zich aangemeld voorde mkb-toets. In overleg met het Ministerie van EZK was besloten om demkb-toets bilateraal te houden met deze individuele mkb-er. Op een latermoment heeft echter ook deze mkb-er afgezien van deelname aan demkb-toets met als reden dat ze voornamelijk benieuwd waren naar hetproces en de reacties van andere partijen. Omdat er geen animo blijktonder mkb-bedrijven voor deze mkb-toets, ligt het alsnog uitvoerenhiervan niet in de rede. Wel heb ik inmiddels subsidie verstrekt aan deBNA (Branchevereniging Nederlandse Architectenbureaus) voor hetuitvoeren van een brede praktijktoets, waar diverse partijen in debouwsector in participeren.17. De leden van de NSC-fractie vragen zich af waarom het herzienebesluit direct van toepassing wordt op lopende projecten. Kan de Ministeraangeven of dit wel/niet leidt tot vertraging in het bouwproces en hoe ditTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 325, nr. 2759 voorkomen kan worden. Kan de Minister aangeven wat consequenties zijnvoor het buiten beschouwing laten van lopende projecten?Antwoord 17Het herziene besluit wordt niet van toepassing op projecten, waarvoor aleen vergunning is afgegeven of een bouwmelding is gedaan. Voorprojecten die vóór de datum van inwerkingtreding van de nieuwe regelsvoor de milieuprestatie een vergunningaanvraag of een bouwmelding bijbouwen onder kwaliteitsborging doen, blijven namelijk de regels geldendie op het moment van de vergunningsaanvraag of bouwmelding vantoepassing zijn.Uit onderzoeken9 komen geen signalen naar voren dat dit ontwerpbesluitinvloed heeft op de snelheid van het bouwproces bij lopende projecten.Wel laat onderzoek zien dat er bij onvoldoende voorbereidingstijd voorlopende bouwprojecten, naar verwachting aanpassingskosten nodig zijn,maar dat er bij een overgangsperiode van een half jaar tot een jaar deaanpassingskosten beperkt tot nihil zullen zijn.Tegelijkertijd kan het voorkomen dat projecten langjarig in voorbereidingzijn, maar de vergunningaanvraag of bouwmelding nog niet is gedaan ombepaalde redenen. Voor dat soort lopende projecten zal de inwerkingtre-dingsdatum bepalend zijn of sprake is van de dan inmiddels aange-scherpte regelgeving.18. De leden van de NSC-fractie vragen zich af hoe bepaald is dat deaanpassingskosten door de gekozen overgangsperiode van een jaar nihilzijn. Kan de Minister hier enkele rekenvoorbeelden over delen?Antwoord 18Op basis van interviews met ontwikkelaars en bouwers is de inschattinggemaakt dat de aanpassingskosten voor herontwerp, -ontwikkeling enadvies bij een overgangsperiode van een half jaar ongeveer € 1.500,– tot€ 2.000,– per woning bedragen. Aanpassingskosten komen op nihil uitingeval gekozen zou worden voor een overgangsperiode van een jaar. Ditkomt doordat partijen dan nog tijdelijk onder de oude regelgeving hunomgevingsvergunning kunnen aanvragen en het project niet aan deaangescherpte eis hoeft te voldoen.Het is daarnaast van belang om te beseffen dat het voor veel partijentijdens de interviews nog onduidelijk was wat de invloed van eensoepelere eis zou zijn voor kleinere woningen, het type woning dat metname last zou ondervinden van de aanpassingskosten bij een scherpereeis. Als gevolg van een soepelere eis kunnen kleinere woningen blijvenvoldoen aan de milieuprestatie-eis.Internetconsultatie19.De leden van de NSC-fractie vragen zich af op welke termijn beleidsmoni-toring en evaluatie uitgevoerd zullen worden. Kan de Minister deze vraagbeantwoorden en aangeven hoe de Kamer hierbij meegenomen wordt?Antwoord 19De Strategische Evaluatie Agenda SEA10 schrijft voor dat ten minste eensin de 4–7 jaar per thema een periodieke rapportage moet wordengepubliceerd. Voor de milieuprestatie kennen we sinds 2018 eengrenswaarde. Dit zou betekenen dat uiterlijk 2025 een periodieke9Analyse aanscherping MPG-norm (EIB, 2023), Lasten- en regeldrukeffecten wijzigingmilieuprestatie-eisen bouwregelgeving (Sira, 2023), Aanvullend onderzoek effectenaanscherping MPG-eis (Sira, 2024)10Evaluatiestelsel | Ministerie van Financiën - Rijksoverheid (rijksfinancien.nl)Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 325, nr. 27510 rapportage moet worden gepubliceerd. Daarom wordt een evaluatievoorbereid voor de beleidsmaatregel milieuprestatie gebouwen voor deStrategische Evaluatie Agenda (SEA) van 2025, onder het onderwerpBouwkwaliteit. Deze wordt zoals gebruikelijk in het kader van de begro-tingscyclus te zijner tijd aan de Kamer voorgelegd.20. De leden van de NSC-fractie vragen zich af of de Vereniging Neder-landse Gemeenten (VNG) en het Interprovinciaal Overleg (IPO) concreethebben aangegeven gerust te zijn op een haalbare implementatie(inclusief handhaving) door de gemeenten. Kan de Minister ditbevestigen?Antwoord 20Zowel de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Interprovin-ciaal Overleg (IPO) hebben gereageerd op het ontwerpbesluit in het kadervan de code interbestuurlijke verhoudingen. Ze reageerden positief op hetvoorstel tot aanscherping en uitbreiding van de milieuprestatie-eis. Overhandhaving zijn geen opmerkingen gemaakt.Voor gemeenten verandert weinig door het aanscherpen van demilieuprestatie-eis en bepalingsmethode als het om woningen enkantoren gaat. Bij vergunningaanvragen of in haar toezichtstaak dient hetbevoegd gezag te toetsen of aan de landelijk geldende wetgeving isvoldaan. Deze taak hebben gemeenten al sinds 2013 als het om demilieuprestatie van gebouwen gaat. Door de uitbreiding van de eisen naarandere typen bouwwerken in het ontwerpbesluit en de soepelere eis za inde aanloopperiode en het eerste jaar zal het bevoegd gezag geconfron-teerd worden met enkele aanpassingen in de reguliere werkzaamheden.21. De leden van de NSC-fractie lezen: «De periode tot medio 2025 zullenwe gebruiken om samen met deze partijen inzichtelijk te maken welkerandvoorwaarden nodig zijn om de verduurzaming te versnellen.» Kan deMinister aangeven en onderbouwen of, wanneer je nu pas de randvoor-waarden gaat bedenken, het optuigen van een systeem niet te vroeg is?Antwoord 21Met het nog te sluiten Bouwmaterialenakkoord wordt geen systeemopgetuigd, maar wordt door het Rijk die ketens gefaciliteerd die verduur-zaming van hun keten/product versneld willen aanpakken. Deze ketenswillen dit omdat ze zien dat er ontwikkelingen en eisen op hen afkomenvanuit Europa, die ook al zijn geland of zullen landen in de nationaleregelgeving. In dit kader is met randvoorwaarden bedoeld het met elkaarsamenwerken om barrières weg te nemen die het behalen van de doelenvan de marktpartijen belemmeren.Algemeen22.De leden van de NSC-fractie vragen zich af of er sprake is van eennationale kop op Europese regelgeving. Zo ja, wat is hier de reden van?Wat zijn consequenties van een zuivere implementatie zonder nationalekop? Kan de Minister deze vragen beantwoorden?Antwoord 22Omdat op Europees niveau tot dusver geen (milieu-) eisen zijn gesteld aangebouwen, is de Nederlandse wetgeving op dit punt als zodanig geennationale kop. Omdat de nationale eisen van lidstaten aan gebouwenverschillen is er op een Europees niveau geen gelijk speelveld. De MPG iseen nationaal beleidsinstrument dat sinds 2013 een plek heeft in debouwregelgeving.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 325, nr. 27511 In de recent vastgestelde EPBDIV is voor het eerst de eerdergenoemdeWhole Life Carbon-verplichting per 2028 opgenomen. Deze verplichtingziet op de berekening van de CO2-emmissies op gebouwniveau, voorzowel materiaal- als energiegebonden emissies. Vanaf 2030 moet iederelidstaat een grenswaarde bepalen, waaraan de emissies van een nieuwbouwwerk maximaal mogen voldoen. De grenswaarde of CO2-norm zal dekomende jaren samen met de bouwsector worden ontwikkeld gegeven dewoningbouwopgave en betaalbaarheid, zodat in 2030 de markt voorbereidis op de nieuwe regelgeving op dit punt. In ieder geval stelt de EuropeseRichtlijn geen grenswaarde vast, maar laat dat aan de lidstaten zelf. DitWhole Life Carbon-instrument wordt gebaseerd op dezelfde Europesebepalingsmethode als de MPG, maar ziet slechts op CO2-emissies integenstelling tot de milieuprestatie gebouwen waarvoor meer milieucate-gorieën worden meegenomen.23.De leden van de NSC-fractie vragen zich af of het met deze wijziging welof niet mogelijk is dat gemeenten lokaal extra eisen stellen boven op deBbl. Waarom wel of niet? Indien wel, wat zijn hier dan effecten van opzowel verduurzaming als nieuwbouw? Heeft de Minister hier rekenvoor-beelden bij? Kan de Minister ook aangeven voor wiens rekening de extrakosten zijn?Antwoord 23Nee, dit blijft juridisch niet mogelijk. Wat landelijk is geregeld aan eisen inhet Bbl is de (minimum) eis waar op gebouwd mag worden en waar opwordt gehandhaafd door het bevoegd gezag. Zie ook het antwoord op devraag 1.24.De leden van de NSC-fractie vragen zich af of de referentiewoningen opbasis waarvan grenswaarden bepaald zijn ook representatief voor recentgerealiseerde gebouwen zijn. Kan de Minister deze vraag beantwoorden?Antwoord 24Ja, deze referentiewoningen zijn representatief voor recent gerealiseerdegebouwen en zijn getoetst aan de hand van recent geregistreerdegegevens in EP-online11. Daarbij is geconcludeerd dat de referentiege-bouwen voldoende dekkend zijn voor de huidige nieuwbouwmarkt.Daarnaast zijn deze referentiegebouwen dezelfde referentiegebouwen, dieook in gebruik zijn voor de recente periodieke kostenoptimalisatiestudieBENG (ook wel: KOS-BENG12).25.De leden van de NSC-fractie vragen of de Minister kan uitleggen wat destand van zaken is van het opzetten van de productielijnen voor circulairematerialen.Antwoord 25Het opzetten van productielijnen voor circulaire materialen is eenonderdeel van de Nationale Aanpak Biobased Bouwen (NABB). Op8 november 2023 heeft het kabinet de NABB gelanceerd13. De kern van11Referentiegebouwen BENG.pdf (rvo.nl)12Elke vijf jaar moeten de verschillende Europese lidstaten de energieprestatie eisen vangebouwenevalueren en hierover verslag uitbrengen aan de Europese Commissie. De BENG eisen voornieuwegebouwen zijn in de periode 2018–2019 voor het eerst beoordeeld in een kostenoptimaliteits-studie (KOS)13Aanbiedingsbrief bij Nationale Aanpak Biobased Bouwen | Kamerstuk | Rijksoverheid.nlTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 325, nr. 27512 deze aanpak is het opzetten van ketens van boeren, verwerkers en partijenuit de bouwsector. De boeren dragen bij via de teelt van biogrondstoffen(o.a. vlas, vezelhennep en miscanthus). Daarnaast moeten er verwerkerskomen, die productielijnen hebben om deze biogrondstoffen ook totbouwmateriaal om te vormen. Uiteindelijk zullen de materialen wordentoegepast in gebouwen en infrastructurele bouwwerken.Het opzetten van productielijnen voor circulaire materialen is dus éénonderdeel van de keten, namelijk de verwerking. Op dit moment zijn tweeinstrumenten in de maak om de verwerking van biogrondstoffen testimuleren. Ten eerste wordt op termijn een leningsfaciliteit gelanceerdwaarmee potentiële verwerkers hun faciliteiten voor een deel kunnenfinancieren. Ten tweede is een regeling voor stimulering van de teelt inontwikkeling, waarmee boeren extra inkomsten kunnen genereren als hunteelt wordt verwerkt tot bouwproducten en daarmee langdurig koolstofwordt vastgelegd. Naar verwachting worden deze instrumenten nog in2024 gelanceerd.Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de Voorhangontwerpbesluit tot wijziging van het Bbl t.b.v. het verder aanscherpen vande grenswaarde voor de milieuprestatie van woonfuncties en kantoor-functies en het regelen van de grenswaarden voor de milieuprestatie voorandere gebruiksfuncties. Deze leden onderschrijven het belang van hetaanscherpen van de grenswaarde voor milieuprestaties voorwoonfuncties, kantoorfuncties en andere gebruiksfuncties. Wel hebben zijnog enkele vragen.26.De leden van de D66-fractie merken op dat de Minister de relatief sterkerestijging van de milieubelasting van biobased materialen ten opzichte vanreguliere bouwmaterialen als gevolg van de invoering van de nieuwebepalingsmethode heeft geadresseerd. Als oplossing, is er gekozen voor«variant 1» waarbij er een andere weging geldt voor alleen de milieucate-gorie landgebruik. Deze leden vragen zich af welke neveneffecten dezekeuze heeft, specifiek op de weging van reguliere bouwmaterialen. Zijvragen zich af of met de keuze van variant 1 ook de CO2-opslag vanbiobased materialen voldoende meegewogen wordt, en als dat niet hetgeval is, welke mogelijkheden de Minister ziet om dit alsnog voor elkaar tekrijgen. Verder vragen zij zich af waarom er niet gekozen is voor de derdevariant, zoals veel experts opperden.Antwoord 26Er is niet gekozen voor de derde variant omdat deze variant bij naderebeschouwing – in samenspraak met de markt – te veel nadelen gaf tenopzichte van de andere voorgestelde varianten. Met name het negerendaarbij van de milieucategorieën toxiciteit (kankerverwekkendheid) enfijnstof was daarbij aan de orde.In samenspraak met de markt is uiteindelijk gekozen voor variant 2 – enniet variant 1 zoals in de vraag wordt verondersteld – omdat de nevenef-fecten bij deze variant, specifiek op de weging van reguliere bouwmate-rialen onderling, en op het gebied van vermeden milieu impact het bestpast bij de functie waarvoor het milieuprestatie instrument dient, namelijkhet verlagen van de integrale milieudruk. Uit nadere analyse bleekdaarnaast ook dat de neveneffecten van variant 3 in sommige gevallenzelfs leidde tot een minder gunstige score van biobased materialen.Op basis van bovenstaande overwegingen geeft het overgrote deel van departijen uit de bouwsector aan dat de variant zoals deze in voorhang isTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 325, nr. 27513 gebracht een werkbaar alternatief is voor het voorstel zoals deze ininternetconsultatie is gebracht.De CO2-opslag van biobased materialen wordt in elke variant en ook in degekozen variant meegenomen met de vanaf 2028 geldende plicht omintegraal over de hele levenscyclus van een gebouw de CO2-emissies vanhet materiaalgebruik en het energiegebruik te berekenen (de zgn. WholeLife Carbon-berekening). Deze plicht volgt uit de Europese RichtlijnEPBDIV14.27.De leden van de D66-fractie merken op dat circulariteit geen onderdeellijkt te zijn van de milieuprestatie-eisen. Deze leden vragen zich af waaromhiervoor is gekozen, terwijl tegelijkertijd duidelijk benoemd wordt dat erstevige ambities liggen op de normering voor circulair bouwen. Zij vragenzich dan ook af hoe het aanscherpen van de grenswaarde voormilieuprestatie-eisen voor gebouwen gaat helpen om circulaire bouwma-terialen te bevorderen.Antwoord 27Milieuprestatie en circulariteit zijn nauw met elkaar verbonden, vooral inde bouwsector. De relatie tot elkaar is als volgt: de milieuprestatiegebouwen (MPG) is een berekeningsmethode die de milieueffecten vanmaterialen en processen in de bouw over de gehele levenscyclusberekent. Circulariteit richt zich op recycling en het hergebruik vanmaterialen en producten om afval te minimaliseren en de levensduur vanprimaire grondstoffen te verlengen. Circulaire bouwmaterialen zorgenover de hele levenscyclus van het gebouw voor een lagere milieu-impactvan het betreffende product: er zijn immers minder nieuwe productennodig, dus ook minder primaire grondstoffen, productie etc.Een aanscherping van de milieuprestatie gebouwen leidt ertoe dat eenbouwer, maar ook een ontwerper meer dan nu het geval is, moet letten opde toe te passen materialen of producten. Daarbij wordt demilieuprestatie-eis eerder gehaald als materialen met een lageremilieuscore worden toegepast. Dat kan door een reeds gebruikt bouwma-teriaal geheel of gedeeltelijk opnieuw te gebruiken: circulariteit, waarmeezoals al aangegeven, de milieu-impact van o.a. primaire grondstoffen enproductie van bouwmaterialen worden uitgespaard.Ook kan de keuze worden gemaakt om hernieuwbare grondstoffen tegebruiken die (snel) aangroeien in de natuur. Bijvoorbeeld biobasedmaterialen, zoals vezelgewassen die toepasbaar zijn in de bouw, bijvoor-beeld als isolatiemateriaal. Maar bijvoorbeeld ook klei is als grondstofvoor metselwerk en dakpannen, dankzij sedimentatie, een hernieuwbaarmateriaal. Waarbij voor hernieuwbare grondstoffen geldt dat deze – integenstelling tot producten die in zijn geheel worden hergebruikt – weleen milieu-impact hebben, o.a. als gevolg van grondstofwinning enproductie. Ook kan bijvoorbeeld worden gekozen voor de meer milieu-vriendelijke innovatieve variant van gangbare materialen, zoals beton meteen bindmiddel dat met minder CO2-uitstoot en energie kan wordengeproduceerd dan cement.28.De leden van de D66-fractie vragen zich af hoe de Minister eventuelebovenwettelijke eisen boven op het Bouwbesluit door gemeenten enprovincies waardeert. Deze leden merken op dat deze bovenwettelijkeeisen standaardisatie in de bouw belemmeren. Hoe kijkt de Ministerhiernaar?Antwoord 2814Energy Performance Building DirectiveTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 325, nr. 27514 Gemeenten en provincies mogen geen bovenwettelijke eisen stellen. Zieook antwoord 1.29.De leden van de D66-fractie vragen zich af hoe de Minister nieuweinnovatieve materialen gaat stimuleren. Deze leden merken op dat hetvoor marktpartijen door de hoge kosten vaak niet interessant is omhiermee aan de slag te gaan, omdat deze nieuwe innovatieve materialenopgenomen moeten worden in de Nationale Milieudatabase. Hoe kan deMinister deze en andere drempels, zoals testen op constructie- enbrandveiligheid, wegnemen en het gebruik van nieuwe innovatievematerialen stimuleren?Antwoord 29Dit doe ik met het Groeifondsprogramma Toekomstbestendige Leefom-geving15 waarin partijen met elkaar innoveren en een continue stroomvan (ver)nieuwe(nde) technologieën, producten, diensten en aanbeste-dingsvormen produceert, waaronder een gezamenlijke testfaciliteit opconstructie- en brandveiligheid. Deze testfaciliteit wordt ook gebruikt inhet kader van de Nationale aanpak biobased bouwen.30.De leden van de D66-fractie vragen zich tenslotte af hoe de Minister deeffecten van de implementatie van deze nieuwe methodiek gaatmonitoren. Hoe gaat de Minister ervoor zorgen dat de markt goedondersteunt wordt en voor hen helder is wat de veranderende Milieupres-tatie Gebouwen (MPG) voor deze partijen betekent?Antwoord 30De komende periode wordt de bouwsector op verschillende manierenondersteund door het ontwikkelen van informatiemateriaal voorbouwende partijen dat de inhoud van het wijzigingsbesluit en deonderliggende wijzigingsregeling op een toegankelijke manier presenteertvoor verschillende doelgroepen in de bouw. Daarnaast vindt er eenzogenaamde praktijktoets plaats onder leiding van de BrancheverenigingNederlandse Architectenbureaus. Een consortium van partijen in deontwerp, bouw- en technieksector brengt in kaart wat de praktischeknelpunten, kansen en oplossingen zijn bij het voldoen aan demilieuprestatie-eisen. Het onderwerp wordt toegelicht vanuit de positievan verschillende partijen in de keten, zoals adviseurs, architecten enbouwers. De kern van de praktijktoets bestaat uit een ontwerpendonderzoek in multidisciplinaire teams.Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractieDe leden van de ChristenUnie-fractie hebben met instemming kennisge-nomen van het ontwerpbesluit tot wijziging van het Bbl t.b.v. het verderaanscherpen van de grenswaarde voor de milieuprestatie vanwoonfuncties en kantoorfuncties en het regelen van de grenswaardenvoor de milieuprestatie voor andere gebruiksfuncties. Deze leden zijnverheugd te lezen dat de Minister opnieuw in gesprek is gegaan met debouwsector om tot een MPG te komen en een aangescherpt Bbl dat nietinzet op verdere verduurzaming van de gebouwde omgeving, en daarbijtoepassing van natuurlijke materialen en hout stimuleert. Tegelijk merkendeze leden op dat de voorgestelde wijziging fors afwijkt van het voorsteldat de leden Grinwis c.s. in hun aangehouden motie hebben gedaan(Kamerstuk 31 209, nr. 252). Zij hebben daarom nog enkele vragen.15Toekomstbestendige leefomgeving | Overzicht lopende projecten | Nationaal GroeifondsTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 325, nr. 27515 31.De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de Minister nader toe telichten welke aanvullende milieudata worden opgenomen voor landge-bruik en waterschaarste om tot een meer correcte bepaling van demilieuprestatie van duurzaam geteelde biogrondstoffen waarmeebiobased bouwproducten worden geproduceerd, te komen.Antwoord 31Op basis van een onderzoek van Nabuurs et al. 2019 is er gekozen vooreen modellering van bosmanagement categorieën naar intensieve enextensieve bosbouw16. Op basis van de marktverdeling per profiel is eenaanpassing gemaakt van de verhouding intensief en extensief voorverschillende houtproducten in de achterliggende database. Dit houdt indat er voor de producten met een veel groter aandeel extensievebosbouw wordt gerekend, wat leidt tot een verlaging van de gemodel-leerde milieu-impact.Voor de impactcategorie waterschaarste werden voor sommigematerialen opvallend hoge bijdragen gevonden. De oorzaak hiervan isgevonden in de karakterisatiefactoren. Karakterisatiefactoren zijn getallendie aangeven hoeveel een bepaalde stof (bijv. 1 kg CO2) bijdraagt aan eenmilieueffect (bijv. klimaatverandering). De karakterisatiefactor voorwaterschaarste is echter regio specifiek. Het gemiddelde voor de regioEuropa is bepaald op 42,95 m3/m3, als een soort gewogen worst-casebenadering. Dit is niet representatief voor diverse materialen en daarom ishier een aanpassing gemaakt naar een specifieke karakterisatie. Voor dezematerialen, die veelal dicht bij huis worden gewonnen, wordt uitgegaanvan de waterschaarste karakterisatiefactor voor Nederland. Dit is 1,17 m3waterschaarste / m3 watergebruik. Deze waarde is vergelijkbaar metomringende landen (Noorwegen: 0,634 m3/m3; BE en DE: 1,37 m3/m3).32.De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat de regering de milieucate-gorie «landgebruik» aangepast heeft ten opzichte van het voorstel in deinternetconsultatie door als uitgangspunt de lage weging uit de scenario-analyse van CE-Delft17 te nemen voor de berekening van de MPG. In deinternetconsultatie was nog het midden-scenario als uitgangpuntgenomen. De Minister zegt daarover: «Deze aanpassing is vanuit hetoogpunt van mate van zekerheid over de robuustheid van de beschikbaremilieudata voor landgebruik reëler.» Deze leden vragen de Minister ditnader toe te lichten.Antwoord 32Het argument om af te wijken van de oorspronkelijk geadviseerdeweegfactor voor landgebruik is:1)dat de rekenmethodiek voor de milieubelasting van landgebruik alsdermate niet-robuust wordt gezien, dat toepassing daarvan met zorgmoet gebeuren;2)daarnaast was het tijdens het vaststellen van de weegfactoren, voorde milieucategorie landgebruik niet mogelijk om een weging vast testellen binnen de waardering van het Handboek Milieuprijzen. Er isdaarom een waardering vastgesteld aan de hand van de beschikbareliteratuur over waardering van de PEF18-impactcategorieën;3)De betreffende literatuur gaf ook aan dat een beoordeling voor deweging van landgebruik lastig was.16Nadere analyse implementatie bepalingsmethode versie A2 (LBP Sight, 2024)17Milieuprijzen als weegfactor in de bepalingsmethode milieuprestatie bouwwerken - CE Delft18De PEF-berekeningsmethode is een methode voor het meten van de milieuprestaties van eenproduct gedurende de gehele levenscyclusTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 325, nr. 27516 Bovenstaande overwegingen hebben geleid tot het kiezen voor het lagescenario uit de eerdergenoemde studie van CE-Delft.33.De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat de Minister de toepassingvan de additionele criteria «toxiciteit en «fijnstofvorming» wenselijk acht.Deze leden onderschrijven dit. Bouwmaterialen zouden inderdaad geennadelige gevolgen voor de gezondheid van bewoners en omwonendenmoeten hebben. Het gevolg hiervan is dat de additionele criteria,behoudens een aanscherping van de categorie «landgebruik», alsnog vantoepassing worden verklaard. Er zit dus veel licht tussen de aangehoudenmotie en de voorliggende wijziging. De begeleidende brief beschrijftslechts op hoofdlijnen de noodzaak om alle criteria van toepassing teverklaren. Daarom vragen zij de regering explicieter toe te lichten peradditioneel criterium wat de noodzaak en reden van toepassen van elkvan de additionele criteria is.Antwoord 33Allereerst is het van belang om te verduidelijken dat de term «additi-oneel» binnen de context van de herziene bepalingsmethode niet betekentdat het «optionele» of niet belangrijke categorieën zijn. In deze contextwordt met «additioneel» bedoeld dat dit additionele categorieën zijn tenopzichte van de eerdere versie van de Europese bepalingsmethode (dezgn. A1-versie). Nederland heeft bij de introductie van de milieuprestatievoor gebouwen in 2013 aansluiting gezocht bij de onderliggendeEuropese standaard EN 15804+A1, voor de berekening van milieube-lasting van bouwproducten. Het doel van deze standaard is eenduidigheiden controleerbaarheid in de milieuclaims en kent vele toepassingen, o.a.in textiel en voeding. De ontwikkeling van klimaat- en milieubeleid binnende Europese Unie heeft geleid tot doorontwikkeling van die standaardnaar de versie EN 15804+A2. In 2019 is deze na uitvoerige studie,consultatie en stemmingen volgens de vaste CEN-normalisatieproceduresvastgesteld.19 In die herziene bepalingsmethode versie A2 zijn de 19milieucategorieën opgenomen in plaats van 11 in de versie A1. De 19milieucategorieën zijn onderverdeeld in 13 kerncategorieën en 6 additi-onele categorieën. In die additionele categorieën zitten naast toxiciteit o.a.fijnstof en landgebruik.Gelet op het doel van het milieuprestatie instrument in het Bbl, dat isbedoeld om integraal de milieubelasting te beperken en het voorkomenvan afwenteling van milieueffecten op de samenleving, is het van belangte voorkomen dat er door het schrappen van milieueffecten een afwen-teling plaatsvindt naar andere milieueffecten. Ook de bouwsector vindt diten heeft aangegeven dat de variant met alle 19 categorieën werkbaar is.Daarnaast zal, op het moment dat Nederland niet alle criteria vantoepassing laat verklaren, er een ongelijk speelveld (op Europees niveau)ontstaan omdat Nederland dan als enige land afwijkt van de Europeesgeharmoniseerde norm die sinds 2019 gebruikt wordt door bedrijven opde Europese markt.34.De leden van de ChristenUnie-fractie zien met interesse uit naar deresultaten die het onderzoek naar de ongewenste toepassing van moduleD in de MPG gaan opleveren. Deze leden vragen de Minister waarom ditonderzoek tot 2027 moet duren en of versnelling mogelijk is.Antwoord 34De stichting NMD (Nationale Milieudatabase, de beheerder van debepalingsmethode) heeft recentelijk een analyse uitgevoerd naar module19CEN = Comité Européen de Normalisation, de Europese normcommissieTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 325, nr. 27517 D en zal naar aanleiding hiervan een wijziging van de NederlandseBepalingsmethode in een openbare consultatie voorleggen. De analyse enhet tekstvoorstel betreft een wijziging van de declaratie in module D.Daarnaast wordt dit onderzoek gekoppeld aan het traject voor devaststelling van de berekeningsmethode voor de Whole Life Carbon-systematiek vanaf 2027, als uitwerking van de EPBD IV. Overigens zal eendit onderzoek al voor 2027 starten vanwege de benodigde tijd vooruitwerking van de vormgeving van de regelgeving.35.De leden van de ChristenUnie-fractie constateren dat er op het gebied vanbiobased bouwen Europese regelgeving wordt voorbereid waarop demarkt voorbereid moet zijn, met name de invoering van de Whole LifeCarbon norm. Deze leden vragen of in navolging van Denemarken nieteerder begonnen kan worden met een methode en rapportageverplichtingzodat de markt zich kan voorbereiden op deze regelgeving en niet verrastwordt met een plotseling in te voeren norm.Antwoord 35Dankzij de bestaande milieuprestatie-berekening is Nederland al goedvoorbereid op de Whole Life Carbon (WLC)-berekening: de database vanbouwproducten die we nu in Nederland gebruiken voor demilieuprestatie-berekening zal ook gebruikt worden om deWLC-berekening te maken. En ook de rekensoftware – die op basis van deproductdata uit de database de milieuprestatie-berekening maakt opbouwwerkniveau – zal gebruikt worden voor de WLC-berekening.De Whole Life Cycle Carbon (WLC) berekening is een verplichting dievolgt uit de Europese EPBD-IV Richtlijn. Met de WLC-berekening wordende broeikasgasemissies gedurende de gehele levenscyclus van eengebouw berekend, zowel van alle gebruikte bouwmaterialen als van degebruiksfase van het gebouw. Het is vanaf 2028 verplicht om dezeberekeningsplicht in onze nationale bouwregelgeving op te nemen. DeWLC-berekening is niet specifiek voor biobased bouwen bedoeld, maarwordt net als de milieuprestatie-berekening gebruikt om de milieu-impactvan alle gebruikte bouwmaterialen in beeld te brengen. DeWLC-berekening en de milieuprestatie-berekening zijn wat rekensyste-matiek betreft grotendeels identiek, met het verschil dat de milieuprestatiegebouwen 19 milieu-indicatoren mee weegt en de WLC-berekening alleenover de broeikasgasemissies gaat (CO2eq).36.Afrondend vragen de leden van de ChristenUnie-fractie naar de uitvoeringvan de motie Grinwis c.s. (Kamerstuk 31 209 nr. 253). Deze leden vragennaar de stand van zaken van het opstellen van een uniforme bepalingsme-thode waarin de som van Global Warming Potential- indicatoren opgebouwniveau wordt gerapporteerd, en of de Minister erop koerst omdeze eveneens per 1 juli 2025 in werking te laten treden.Antwoord 36Met de motie Grinwis c.s.20 wordt de regering verzocht – overwegendedat het technisch goed mogelijk is om uit de milieuprestatie-berekeningde CO2-emissies die vrijkomen bij de productie van bouwmaterialen terapporteren – een uniforme bepalingsmethode op te stellen waarin desom van Global Warming Potential-indicatoren op gebouwniveau wordtgerapporteerd, inclusief de biogene opslag van CO2 door de groei vanbiobased bouwmaterialen. De productiefase van bouwmaterialen, dezogenoemde module A, is onderdeel van de Whole Life Carbon-20Kamerstuk 31 209, nr. 253Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 325, nr. 27518 berekening die begin 2028 van kracht zal worden. Hiermee wordt vanafdat moment invulling gegeven aan de motie Grinwis.Uitvoering motie Welzijn c.s.Tot slot wil ik uw Kamer informeren over de uitvoering van motie Welzijnc.s., waarin wordt gevraagd om in gesprek te gaan met de NederlandseArbeidsinspectie om te onderzoeken of zij al voldoende is toegespitst opfabrieksmatige bouw.21De Arbeidsinspectie heeft het volgende laten weten. De Arbeidsinspectiedraagt bij aan eerlijk, gezond en veilig werk en aan bestaanszekerheidvoor iedereen.22 Zij doet dit o.a. door toezicht te houden op de nalevingvan arbeidswetgeving. De Inspectie houdt risicogericht toezicht dooractieve inspectieprojecten en door registratie, beoordeling en opvolgingvan meldingen en verzoeken. Welke risico’s zij aanpakt, baseert deInspectie op een gedegen informatiepositie en risicoanalyses. De keuzesvan interventies en de intensiteit van de inzet worden op maat gesnedenen zijn gericht op maatschappelijk effect. Een van de programma’s van deArbeidsinspectie is gericht op goed werkgeverschap in ketens ensectoren. In sectoren zoals de bouw worden veel van de arbeidsomstan-digheden bepaald door keuzes hoger in de productie-, handels- ofdienstverleningsketens. De Arbeidsinspectie richt zich daarom naastwerkgevers ook op hun opdrachtgevers, zoals in het recente verleden dewoningcorporaties bij de bouw, verbouw en renovatie van hunwoningen.23 Het programma speelt in op actuele ontwikkelingen diegevolgen kunnen hebben voor eerlijk, gezond en veilig werk. Ook deEuropean Labour Authority (ELA) besteedt aandacht aan de bouwsector:in 2023 en 2024 loopt een EU-brede communicatiecampagne gericht opgedetacheerde werknemers in deze sector.21Kamerstuk, vergaderjaar 2023–2024, 31 209, nr. 25722Zie Meerjarenplan 2023–2026 van de Arbeidsinspectie: Meerjarenplan 2023-2026 | Jaarplan |Nederlandse Arbeidsinspectie (nlarbeidsinspectie.nl)23Zie p. 31 van de Jaarverslag 2022 van de Arbeidsinspectie: Jaarverslag 2022 | Jaarverslag |Nederlandse Arbeidsinspectie (nlarbeidsinspectie.nl)Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 325, nr. 27519
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.