KamerkringInloggen
Kamerbrief

Opvolging rapport OCTAS

28 jan 2025 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie cc6d5b1b5d16f9f7 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202526 448Structuur van de uitvoering werk en inkomen(SUWI)32 716Evaluatie Wet werk en inkomen naararbeidsvermogen (Wet WIA)Nr. 799 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN ENWERKGELEGENHEID Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 28 januari 2025Ons stelsel voor ziekte en arbeidsongeschiktheid staat al geruime tijdonder druk. Het stelsel doet voor veel mensen waar het voor bedoeld is,maar het is ook voor veel mensen complex. Die complexiteit kan totproblemen leiden voor betrokkenen, waaronder werknemers, werkgeversen de uitvoering. Mensen ervaren hardheden en bepaalde prikkels kunnensoms ongewenste of onbedoelde effecten hebben. Lang niet alle mensenmet een arbeidsbeperking, zeker diegenen zonder werkgever, vinden(nieuw) werk, ondanks de daarvoor bedoelde prikkels. Ook de uitvoer-baarheid van het stelsel door UWV staat onder druk. Mensen moeten telang wachten op hun WIA-(her)beoordeling en dat brengt onzekerheidmet zich mee voor werknemers en werkgevers. Ook groeit op dit momentde instroom in de WIA, wat de betaalbaarheid van de WIA op langetermijn onder druk kan zetten.De urgentie om knelpunten op te lossen is groot, maar er zijn geeneenvoudige ingrepen waarmee dat kan. Oplossingen grijpen namelijk alsnel diep in op de werking van het stelsel en waar een oplossing bijdraagtaan het behalen van de ene doelstelling, is er soms juist een negatiefeffect op een andere doelstelling. Daarom is een beroep gedaan op eenonafhankelijke commissie om met een fundamentele en integrale blik totvoorstellen voor duurzame oplossingen te komen. De OnafhankelijkeCommissie Toekomst Arbeidsongeschiktheidsstelsel (OCTAS) heeft dezeopdracht ter harte genomen. Zij publiceerde in oktober 2023 eendoorwrochte probleemanalyse1 en op 29 februari 2024 een eindrapport2met diverse oplossingsrichtingen.Daarnaast is een Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) WIAaangekondigd. Een goede analyse van de factoren die bijdragen aan de1Kamerstukken II, 2023–2024, 26 448, nr. 7302Bijlage bij Kamerstukken II, 2023–2024, 26 448, nr. 748 kst-26448-799ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 26 448, nr. 7991 groei van de WIA-instroom en wat er gedaan kan worden om diegroeiende instroom te remmen, ook in de jaren voordat mensen bij deWIA-poort terecht komen, zal onderdeel zijn van dit IBO.Het eindrapport van OCTAS biedt mij inspiratie om aan de slag te gaan,zowel op de korte als op de lange termijn. Het kabinet ziet grote urgentieom het stelsel te vereenvoudigen en te verbeteren. Dit staat ook in hetRegeerprogramma, waarin het kabinet aankondigt met concretevoorstellen te komen om het stelsel te verbeteren en te vereenvoudigen.De uitdagingen die aanleiding waren om OCTAS in te stellen, zijn er nogsteeds. Niet voor niets stelde de Algemene Rekenkamer in haar verant-woordingsonderzoek van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgele-genheid in 20233 dat de WIA niet meer uitvoerbaar is. Sinds enkele jarenlopen, ondanks maatregelen, de achterstanden in de beoordelingen vanarbeidsongeschiktheid door UWV op. Dit is vooral nadelig voor langdurigzieke (ex-)werknemers en hun werkgevers. Ik heb uw Kamer daarnaast ditnajaar geïnformeerd over de problematiek bij de vaststelling vanWIA-uitkeringen, waarbij mensen een te lage of juist een te hogeWIA-uitkering hebben ontvangen4. Met een verbeteraanpak moet UWV dekomende periode de kwaliteit van de sociaal-medische dienstverlening oporde brengen. Dit alles trekt een zware wissel op de uitvoering enversterkt de urgentie om tot duurzame verbeteringen in het stelsel tekomen.Zowel de Tweede Kamer als het kabinet5 hebben de wens om de WIA tevereenvoudigen en verbeteren op korte termijn. Daarnaast kan er oplangere termijn behoefte zijn aan méér fundamentele veranderingen, watook meer tijd kost. Er is de afgelopen periode gewerkt aan een nadere,ambtelijke uitwerking van de ideeën uit alle varianten uit het OCTAS-rapport. Daarin werd al snel duidelijk dat de ideeën uit variant 1 (Huidigstelsel beter) – die dichter aanliggen tegen de uitgangspunten van hethuidige stelsel – net als in het rapport van OCTAS concreter uitgewerktkonden worden dan de ideeën uit variant 2 en 3. Er is onvoldoendeempirie op basis waarvan een inschatting gemaakt kan worden van deeffecten van varianten 2 en 3 om te kunnen weten of ze een verbeteringzouden zijn ten opzichte van de huidige situatie. Voor de besluitvormingop de korte termijn is dan ook met name in variant 1 inspiratie te vinden.Er zitten ideeën in variant 2 en 3 die interessant zijn om voor de langetermijn verder uit te werken. Het gaat om het idee van een stelsel dataanvankelijk gericht is op re-integratie en minder op de (medische)beoordeling, en het idee om regelingen voor verschillende groepenwerkenden in meer of mindere mate te harmoniseren.In deze brief breng ik verslag uit van wat de uitwerking ons aan inzichtenheeft opgeleverd. Allereerst deel ik mijn langetermijnvisie voor het stelselvoor ziekte en arbeidsongeschiktheid (hoofdstuk 1). Ik maak nog geenkeuzes over de beste manier om invulling te geven aan die visie. Wel wilik met deze brief richting geven aan de politieke en maatschappelijkediscussie die we de komende periode met elkaar zullen moeten voeren,voordat we tot besluitvorming kunnen komen. In dit hoofdstuk heb ik ookde bredere reflectie op de verschillende varianten van OCTASopgenomen.3https://www.rekenkamer.nl/publicaties/rapporten/2023/05/17/resultaten-verantwoordingsonderzoek-2022-ministerie-van-sociale-zaken-en-werkgelegenheid4Kamerstukken II, 2024–2025, 26 448, nr. 7675Regeerprogramma, Uitwerking van het hoofdlijnenakkoord door het kabinet, 13 september2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 26 448, nr. 7992 Vervolgens ga ik in op hoe we de afgelopen periode aan de uitwerkingvan de aanbevelingen van OCTAS hebben gewerkt (hoofdstuk 2) en geefik aan, beredeneerd vanuit de ambitie om te vereenvoudigen, welkeideeën uit OCTAS daarbij zouden passen (hoofdstuk 3). Daartoe heb ik ookde (structurele) financiële consequenties van de diverse mogelijkemaatregelen in beeld gebracht. Ten slotte benoem ik enkele raakvlakkenmet andere onderwerpen (hoofdstuk 4).1. De lange termijn: de toekomst van het stelsel voor ziekte enarbeidsongeschiktheid Het is essentieel dat we – voor nu en de toekomst – een manier vindenwaarop het stelsel uitvoerbaar, uitlegbaar en betaalbaar is en blijft.Daarvoor is een integrale blik noodzakelijk waarbij we oog hebben voorpreventie en re-integratie, voor iedereen. Ook voor groepen werkendenzonder werkgever. En voor wie dat echt nodig heeft, gaat het ook om eensolide vangnet voor mensen die door ziekte of een beperking niet meervoldoende kunnen verdienen. Om ervoor te zorgen dat mensen de stapnaar werk kunnen zetten, is het van belang oog te hebben voor de risico’sdie zowel werkgevers als werknemers nu ervaren. Deze kunnen eenremmend effect hebben op de beweging richting werk of het aan het werkblijven. Voor werknemers is het van belang dat een toekomstig stelselduidelijk en voorspelbaar is, waardoor zij waar mogelijk de stap naar werkdurven zetten en weten waar ze aan toe zijn. Voor werkgevers geldt dat zijondersteund moeten worden om mensen met een arbeidsbeperking aante nemen of in dienst te houden. In het stelsel voor ziekte en arbeidsonge-schiktheid moet een goed evenwicht zijn tussen het bevorderen vanpreventie en re-integratie door werkgevers en het borgen van debereidheid van werkgevers om mensen in (vaste) dienst te nemen.Onderdelen van de varianten op het huidige stelsel zoals OCTAS die heeftgeschetst (varianten 2 en 3), bieden inspiratie om op langere termijnnader invulling te geven aan een toekomstbestendig stelsel.Het arbeidsongeschiktheidsstelsel kent twee hoofddoelen, namelijkzorgen dat werknemers verzekerd zijn tegen een groot inkomensverlieswanneer zij langdurig ziek of arbeidsongeschikt worden en het versterkenvan arbeidsparticipatie, onder meer door te zorgen voor ondersteuningrichting werk. Om die doelen te realiseren ziet het kabinet vier kwaliteits-eisen voor het stelsel, namelijk het uitgaan van de menselijke maat,eenvoud, uitvoerbaarheid en betaalbaarheid.Wanneer we uitgaan van de menselijke maat, nemen we zoveel mogelijkervaren hardheden weg en bieden we meer persoonlijke aandacht. Datdraagt bij aan een stelsel dat niet alleen effectief is, maar ook empathischen rechtvaardig voelt voor werkenden en hun werkgevers. We willen datburgers en bedrijven zich gehoord en geholpen voelen, wat hetvertrouwen in de overheid versterkt.Eenvoud betekent bovenal dat het stelsel begrijpelijk en duidelijk is voorburgers (waaronder werknemers) en bedrijven (werkgevers). Hierdoorweten mensen wat hun rechten en plichten zijn en kunnen zij dezebenutten en naleven. Het stelt hen beter in staat te handelen zoals dewetgever het bedoelt en om de gevolgen van hun keuzes te overzien.Uitvoerbaarheid waarborgt dat er genoeg capaciteit is bij uitvoeringsorga-nisaties, nu en in de toekomst, om regelingen goed en efficiënt uit tekunnen voeren. Dit beperkt de wachttijden tot redelijke termijnen enverkleint de kans op het maken van fouten door uitvoerders. Dit moetresulteren in een betrouwbaar systeem met verbeterde bereikbaarheidvoor burgers en bedrijven.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 26 448, nr. 7993 Betaalbaarheid draagt eraan bij dat het stelsel ook financieel en econo-misch toekomstbestendig is. Werkgeverslasten in de vorm van premieszijn houdbaar en staan in de juiste verhouding met de maatschappelijkeen economische voordelen van het stelsel.De meeste mensen die langdurig ziek of arbeidsongeschikt zijn, willenheel graag weer aan het werk. Het huidige stelsel kent veel (financiële)prikkels om de terugkeer naar werk extra te stimuleren. Deels werken dieprikkels goed, maar in de praktijk hebben ze ook nadelen. Het lukt veelmensen met een arbeidsbeperking niet om nieuw werk te vinden ensommige prikkels worden ervaren als hardheid. Mensen die instromen inde WIA vanuit een situatie waarin de werkgever nog in beeld is, hebbenmeer kans om aan het werk te blijven. Zeker diegenen die bij instroom inde WIA geen werkgever hebben, komen moeilijk aan het werk, ondanksde financiële prikkels. Een verklaring kan zijn dat mensen te veel zorgenhebben over hun inkomen en daardoor onvoldoende rust en zekerheidervaren om de stap naar werk te zetten, zo stelt OCTAS ook in haarprobleemanalyse. Echter kan het verlagen van de arbeidsparticipatie-prikkel ook leiden tot hogere kosten en minder arbeidsparticipatie. Eenhogere arbeidsparticipatie is van belang voor lagere afhankelijkheid vanuitkeringen en daarmee voor onze samenleving en economie als geheel.We moeten dus zoeken naar een nieuw evenwicht dat voldoendegerichtheid en participatieprikkels behoudt, maar ook meer bestaansze-kerheid en rust biedt om werkhervatting mogelijk te maken. Het gaat erhierbij ook om dat werken moet lonen en dat mensen voldoendezekerheid ervaren over de hoogte van hun (bruto en netto) inkomen. Indat kader verkent het kabinet ook de samenloop van uitkering, heffings-kortingen (zoals de arbeidskorting) en toeslagen voor gedeeltelijkarbeidsgeschikten.Vanuit deze brede ambitie geredeneerd zie ik, zoals ook beschreven staatin het Regeerprogramma, in ieder geval twee ideeën voor fundamenteleveranderingen op de lange termijn die ik nader wil uitwerken.Ten eerste wil ik onderzoeken hoe een stelsel eruit zou kunnen zien datgericht is op wat mensen nog wél kunnen. Dat is ook nu al een belangrijkuitgangspunt van de Wet WIA.6 Het stelsel dat we nu hebben gaat insterke mate uit van prikkels en regels om de participatie te bevorderen.Toch zien we in de praktijk dat dit niet altijd uitpakt zoals bedoeld en ookniet altijd zo wordt ervaren. Zo vormt de gedetailleerde (medische)beoordeling nu een belangrijk startpunt. Dat is logisch aangezien diebeoordeling bepalend is voor de uitkeringshoogte. Tegelijkertijd is diebeoordeling niet doorslaggevend voor de juiste ondersteuning richtingwerk. Ik wil dus onderzoeken hoe we – nog meer dan nu – de onder-steuning naar werk het startpunt kunnen maken. Het gedetailleerdbeoordelen van de mate van arbeidsongeschiktheid zou op een anderemanier en/of op een later moment kunnen worden gedaan. Dit is één vande kerngedachtes uit de variant «Werk staat voorop» van OCTAS.Een tweede idee waar al veel over geschreven en gezegd is, en waar ookOCTAS een variant (Basis voor werkenden) aan wijdt, is het idee van eenstelsel met min of meer gelijke rechten en plichten voor alle werkenden.Op dit moment bestaat er een arbeidsongeschiktheidsregeling voor(ex-)werknemers en is er een regeling voor zelfstandigen in ontwikkeling.Het is interessant verder uit te werken in hoeverre het mogelijk is omarbeidsongeschiktheidsregelingen voor verschillende groepen werkendenin meer of mindere mate te harmoniseren. Dat betekent zowel harmoni-6Zie memorie van toelichting op het wetsvoorstel Wet WIA, hoofdstuk 1 (inleiding), Kamerstuk30 034, nr. 3 | Overheid.nl > Officiële bekendmakingen (officielebekendmakingen.nl)Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 26 448, nr. 7994 satie van regelingen voor werknemers en zelfstandigen, als binnen degroep werknemers (vast en flex) waar ruimte lijkt voor meer gelijke matevan bescherming en begeleiding. Daarbij moet aandacht zijn voor eenvoldoende dekkende verzekering enerzijds en het voorkomen vantoenemende complexiteit anderzijds. Het gelijktrekken van verzekeringentussen zelfstandigen en werknemers kan in de praktijk bijvoorbeeld leidentot een lage basisverzekering met (al dan niet verplichte) aanvullendeverzekering voor werknemers. Dat kan leiden tot meer complexiteit voorwerknemers. Daarom moeten we goed nadenken over de beste vormenvan harmonisatie.Het nader uitwerken van deze ideeën vergt tijd en zorgvuldigheid. Hetbetreft fundamentele veranderingen die groot effect hebben op het levenvan mensen die langdurig ziek of arbeidsongeschikt worden. Er zijngesprekken nodig met ervaringsdeskundigen, hun vertegenwoordigendeorganisaties en met werkgevers- en werknemersorganisaties. Er ismogelijk op punten ook nader onderzoek nodig om te achterhalen ofbepaalde aannames die onder beleidsvoornemens liggen juist zijn. Dat isook nodig om de budgettaire gevolgen van deze fundamentele wijzi-gingen van het stelsel in kaart te brengen.2. Werkwijze uitwerking OCTAS Om recht te doen aan de grote diversiteit aan ideeën uit OCTAS heeft mijnvoorganger besloten om als eerste stap alle maatregelen nader uit tewerken. De varianten van OCTAS zijn dus als het ware uit elkaar gehaalden de losse maatregelen zijn individueel nader uitgewerkt. Daarbij is permaatregel gekeken naar wat het zou betekenen voor de uitvoerbaarheid(inclusief het effect op de mismatch tussen vraag en aanbod vansociaal-medische beoordelingscapaciteit), voor de uitlegbaarheid van hetstelsel en voor de betaalbaarheid. Ook is gekeken naar effecten voorverschillende groepen, waaronder in elk geval werknemers enwerkgevers, en naar bredere effecten op de arbeidsmarkt. Deze informatieis – voor zover de maatregel concreet genoeg was om hier inschattingenover te maken – verzameld in fiches. Deze fiches stuur ik als bijlage meemet deze brief (bijlage 3). Dit betreft een neutrale uitwerking van allemaatregelen uit de varianten die in OCTAS naar voren zijn gekomen. Bijdeze uitwerking is ook gekeken of er een budgetneutrale optie mogelijk is.De uitwerking daarvan treft u in bijlage 2. Ook vindt u in deze bijlage eenlijst met alle afzonderlijke maatregelen uit OCTAS die in deze kabinetspe-riode gekozen zouden kunnen worden, met daarbij een inschatting van destructurele kosten. De uitvoerbaarheid is in de bijlagen meegenomen opbasis van de inzichten die er nu zijn (nog) zonder de samenhang tussenmaatregelen. Bij de uitwerking van voorstellen volgt altijd nog eenuitvoeringstoets.In de kabinetsreactie op het OCTAS-rapport van 15 maart 20247 heeft mijnvoorganger aangegeven de voorstellen van OCTAS verder ambtelijk telaten uitwerken met inbreng van betrokken partijen. Het verzamelen vandie inbreng en het in gesprek gaan over de voorstellen van OCTAS wasdan ook onderdeel van de ambtelijke uitwerking. Deze inbreng helpt in hetvervolgtraject, omdat ze inzicht geeft in de voorkeuren van verschillendebelanghebbenden.Om inzicht te krijgen in hoe Nederland denkt over de voorstellen vanOCTAS heb ik aan onderzoeksbureau Populytics opdracht gegeven vooreen digitale raadpleging. Bij de totstandkoming van die raadpleging zijnervaringsdeskundigen, vertegenwoordigende organisaties van mensen7Kamerstukken II 2023–2024, 26 448 en 32 716, nr. 748Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 26 448, nr. 7995 met een beperking, sociale partners en andere relevante stakeholdersbetrokken. Van 11 september tot en met 2 oktober 2024 stond deraadpleging online. In totaal hebben meer dan 4.000 mensen deraadpleging ingevuld en de raadpleging is door hen beoordeeld met een7,2. Het eindrapport van het onderzoek stuur ik mee als bijlage bij dezeKamerbrief.In het hierop volgende hoofdstuk geef ik aan wat er mogelijk in dekomende kabinetsperiode gedaan kan worden om tot aanpassing van hetstelsel voor ziekte en arbeidsongeschiktheid te komen. Bij de nadereuitwerking daarvan is het relevant om mee te wegen hoe degenen diedeze raadpleging hebben ingevuld, bepaalde doelen wegen en hoe zijtegen dilemma’s aankijken. Zo volgt uit de raadpleging dat deelnemers demeeste prioriteit geven aan het doel om duidelijkheid over inkomen tegeven aan mensen die (deels) arbeidsgeschikt zijn en (gaan) werken.Daarnaast vinden deelnemers het belangrijk dat mensen die (deels)arbeidsgeschikt zijn weer aan het werk gaan. Daarvoor moet het voorwerkgevers makkelijker worden om mensen die (deels) arbeidsgeschiktzijn aan te nemen omdat deelnemers verwachten dat dit zorgen endrempels bij werkgevers kan weghalen.De meeste deelnemers vinden dat de overheid meer moet inzetten opveranderingen die voor iedereen tot een verbetering leiden dan dat deoverheid moet inzetten op veranderingen die voor specifieke groepen toteen verbetering leiden, zoals mensen met lage inkomens of zelfstandigen.Tegelijkertijd hebben deelnemers een voorkeur voor het kunnen leverenvan maatwerk, ook als dat betekent dat er een verschil in uitkering tussentwee gelijke situaties kan ontstaan. De uitkomsten van de digitaleraadpleging laten het dilemma zien dat enerzijds mensen behoeftehebben aan maatwerk en anderzijds dat er generieke aanpassingen aanhet stelsel gemaakt moeten worden.In bijlage 4 is de hele rapportage te vinden, die nog veel meer inzichtenbiedt die we kunnen meenemen in het vervolgtraject.3. De korte termijn: komen tot vereenvoudiging OCTAS beschrijft in variant 1 diverse maatregelen waartoe je in dezekabinetsperiode zou kunnen besluiten. Welke maatregelen je precies kiest,is zeer afhankelijk van welke doelen je nastreeft. Zoals ook aangegeven inhet Regeerprogramma, is het voor dit kabinet primair van belang dataanpassingen de uitlegbaarheid van het stelsel voor de mensen die ervanafhankelijk zijn vergroten en de complexiteit verkleinen. Beredeneerdvanuit die ambitie en om te voorkomen dat het stelsel verder vastloopt,kan aan een aantal maatregelen uit het OCTAS-rapport worden gedacht.Deze worden door OCTAS gepresenteerd als belangrijke oplossingen omde steeds verder toegenomen complexiteit te verminderen. In dithoofdstuk ga ik daar allereerst op in. Die vereenvoudigende maatregelenbieden geen volledig antwoord op de verschillende vraagstukken enknelpunten zoals die door OCTAS zijn gesignaleerd. Ik beschrijf in dithoofdstuk een tweetal onderwerpen waar in ieder nog over gesprokenmoet worden. Het eerste is doorberekening van uitkeringslasten aanwerkgevers, omdat dit samenhangt met de vereenvoudigende maatre-gelen. Het tweede is de WIA-drempel, omdat dit een veelgenoemd enbesproken vraagstuk is, waarop ook enkele moties zijn aangenomen.Ik schets in dit hoofdstuk wat er mogelijk is op de korte termijn (in dezekabinetsperiode) en ga daarover de komende periode graag in gesprek,zowel met maatschappelijke partijen als met uw Kamer. De financiëleconsequenties van eventuele maatregelen, zijn ook nadrukkelijk onderdeelTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 26 448, nr. 7996 van dat gesprek. Dat gesprek is nodig, voordat er besluitvorming kanplaatsvinden.Vereenvoudigende maatregelenDe kern van de vereenvoudiging zoals OCTAS die in variant 1 voorstelt, ishet terugdringen van het aantal uitkeringsregimes binnen de Wet WIA. Nuis er een onderscheid tussen een regeling voor mensen die volledig enduurzaam arbeidsongeschikt zijn beoordeeld (IVA) en een regeling voorwanneer de arbeidsongeschiktheid gedeeltelijk is of niet als duurzaam kanworden beoordeeld (WGA). Ook is er binnen de WGA een verderonderscheid tussen een regeling waar je onder valt wanneer je méér dan50% van je resterende verdiencapaciteit verdient (loonaanvullingsuit-kering) en een regeling voor wanneer dat niet zo is (vervolguitkering).Deze verschillen zouden opgeheven kunnen worden. In de huidige WGA isde hoogte van de uitkering sterk afhankelijk van zowel de mate vanarbeidsongeschiktheid als de mate waarin iemand nog inkomen uit arbeidheeft. Het idee daarachter is dat mensen maximaal worden gestimuleerdom naar vermogen te werken. Dat heeft een positief effect op dearbeidsdeelname, maar het maakt dat het inkomen uit de uitkering voormensen moeilijk voorspelbaar is. Het kan ertoe leiden dat mensen in eenander, veel lager, uitkeringsregime terechtkomen, terwijl zij dat niethadden voorzien en/of terwijl het ondanks pogingen niet is gelukt omweer te gaan werken. Werknemers zijn bij het vinden van werk immersook afhankelijk van de vraag en van de bereidheid van werkgevers omhen aan te nemen. Als gedeeltelijk arbeidsongeschikten in de WIA geengeschikt werk vinden, gaan zij er in één keer flink op achteruit quainkomen. De voorgestelde vereenvoudiging maakt het voor uitkeringsge-rechtigden makkelijker om in te schatten wat hun financiële situatiegedurende de WIA-uitkering zal zijn. Dit geldt ook als zij weer gaanwerken. Het terugdringen van het aantal uitkeringsregimes is ook eenvereenvoudiging voor de uitvoering, met name doordat de toets op hetduurzaamheidscriterium voor volledig arbeidsongeschikten vervalt. Datzal een positieve invloed hebben op de uitvoerbaarheid van het stelsel ende mismatch tussen vraag en aanbod van sociaal-medische beoorde-lingen.Wanneer de WGA-vervolguitkering zou worden afgeschaft, gaat voormensen die geen of weinig inkomsten uit werk hebben naast de uitkeringwel een financiële prikkel verloren om (meer) te gaan werken. Voor henneemt de uitkeringshoogte namelijk toe ten opzichte van de huidigesituatie, wat ertoe kan leiden dat sommige mensen minder geneigd zijn(meer) te gaan werken.Het bieden van financiële duidelijkheid voor deze mensen kan ertoe leidendat zij wel (meer) gaan werken, omdat in het huidige stelsel de ervarenonduidelijkheid over de financiële gevolgen een blokkade vormt om weeraan het werk te gaan.Beide perspectieven, dus zowel het idee dat mensen minder zouden gaanwerken wanneer zij daartoe minder worden geprikkeld, als het idee datmeer inkomenszekerheid de rust geeft die nodig is om de stap naar werkte zetten, hebben waarde. Ook dient opgemerkt te worden dat er in depraktijk mensen zijn voor wie geldt dat zij wel willen maar niet kúnnenreageren op eventuele prikkels, bijvoorbeeld omdat zij weliswaararbeidspotentieel hebben, maar geen passend werk kunnen vinden. Denegatieve effecten van het afschaffen van de WGA-vervolguitkering op dewerkhervatting zijn op dit moment empirisch beter onderbouwd. Er issprake van een minder grote prikkel om te participeren. Het wegvallen vanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 26 448, nr. 7997 deze financiële prikkel leidt daardoor volgens prognoses tot een forsetoename van de structurele uitkeringslasten.8Het afschaffen van de IVA-uitkering zou eveneens een vereenvoudigingvan het stelsel betekenen. Tezamen met het afschaffen van deWGA-vervolguitkering gaat het WIA-uitkeringsregime dan vanvier regimes terug naar twee. De afschaffing van de vaststelling van hetrecht op de IVA-uitkering zou een forse complexiteitsvermindering voor deuitvoering betekenen. Het voorspellen en het onderbouwen van hetverloop van ziekte en de herstelkansen is op individueel niveau moeilijk.Dat is een lastig en tijdrovend onderdeel van de claimbeoordeling, Vooralbij «moeilijk objectiveerbare» aandoeningen is het meestal lastig omduurzaamheid vast te stellen. Als de toets op de duurzaamheid vervalt,wordt de claimbeoordeling eenvoudiger. Dat zal ertoe leiden dat verzeke-ringsartsen meer claimbeoordelingen kunnen uitvoeren, waarmee dewachttijden voor sociaal-medische beoordelingen verkort kunnen worden.Daarnaast vervalt met de afschaffing van de IVA-uitkering een reden voorhet aanvragen van een herbeoordeling door uitkeringsgerechtigden ofdiens belanghebbende (ex-) werkgever. Ook zorgt dit voor het wegvallenvan bezwaar- en beroepszaken hierover.Door het huidige onderscheid tussen de IVA en WGA lijken de inspan-ningen van werkgever en werknemer zich niet in alle gevallen volledig tefocussen op re-integratie naar werk, maar soms op doorstroom naar deIVA. Het opheffen van het onderscheid tussen WGA en IVA betekent dateen grotere groep mensen onder het re-integratieregime van de WGAkomt te vallen, wat naar verwachting een positief effect heeft op departicipatieprikkel. Door de IVA af te schaffen wordt afgeweken van eenbelangrijke gedachte bij de invoering van de WIA, namelijk dat er tenaanzien van re-integratie-inspanningen (zowel voor werkgevers alswerknemers) onderscheid is gebaseerd op de mate van resterendverdienvermogen en de duurzaamheid daarvan. Dat betekent onderandere dat mensen die in de IVA zouden zijn ingestroomd, weliswaarmeer worden geprikkeld om te participeren maar dat deze prikkel mindereffectief zal zijn dan bij mensen die in het huidige stelsel eenWGA-uitkering ontvangen.Met het afschaffen van de IVA-uitkering wordt de maximale hoogte van deWIA-uitkering voor iedereen 70% van het (gemiddelde) laatst verdiendeloon9. Dit leidt tot een aanzienlijke afname van de structurele uitkerings-lasten. Voor mensen die in het huidige stelsel volledig en duurzaamarbeidsongeschikt zouden worden beoordeeld, betekent het een lagereuitkering, omdat zij nu 75% van hun laatst verdiende loon ontvangen. Ookvervalt een deel van de zekerheid over hun inkomen, omdat de IVAuitkering geen re-integratieverplichting kent en je dus beter weet waar jeaan toe bent vanaf het moment dat je de IVA-uitkering krijgt. Het lagereuitkeringsniveau heeft, uitgaande van de door CPB onderbouwdeprincipes over het effect van de hoogte van de uitkering op participatie,een aanvullend positief effect op participatie, naast het hiervoorgenoemde re-integratieregime. Ook dit effect zal echter wel mindereffectief zijn dan voor de huidige WGA-uitkeringsgerechtigden, vanwegehet beperkte arbeidsvermogen van mensen die onder het huidige stelselIVA-gerechtigd zijn. Bovendien geldt ook hier dat er een groep mensen isdie wel wil werken, maar voor wie het niet lukt omdat er geen passendwerk beschikbaar is.8Deze prognoses zijn opgesteld door SZW, op basis van ramingen van het CPB zoals gepubli-ceerd in Kansrijk arbeidsmarktbeleid, update sociale zekerheid, 2020.9Gemaximeerd op het maximale dagloon.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 26 448, nr. 7998 Een ander direct gevolg van het afschaffen van de IVA-uitkering is dat demogelijkheid tot een versnelde aanvraag (voordat de wachttijd van104 weken is doorlopen) herzien dient te worden. Om toelating tot deIVA-uitkering te krijgen, wordt momenteel namelijk getoetst op volledigeen duurzame arbeidsongeschiktheid. Het wegvallen van de toets opduurzaamheid heeft derhalve ook gevolgen voor de toets voor deversnelde aanvraag. OCTAS geeft aan het wenselijk te vinden om eenverkorte wachttijd te behouden voor mensen in zeer ernstige enuitzichtloze (medische) situaties. In de fiches in de bijlage zijn anderebeoordelingsmogelijkheden uitgewerkt ten behoeve van dezemogelijkheid.Met bovenstaande maatregelen kan een hele stevige vereenvoudiging vande uitkeringsregimes worden bereikt. Deze maatregelen hebben echterwel een prijs: met het terugbrengen van het aantal regimes wordt degerichtheid van het stelsel minder groot. De noodzaak om het stelseleenvoudiger te maken en houdbaar voor de toekomst, vind ik echterzwaarwegend. Daarbij passen dergelijke stevige maatregelen.Voordat er besluitvorming kan plaatsvinden over de korte termijn, dientnog een maatschappelijk en politiek gesprek gevoerd te worden. Deideeën in dit hoofdstuk dienen als startpunt voor dat gesprek, maar ookandere ideeën uit OCTAS kunnen hierbij betrokken worden. Daarvoorbieden het overzicht aan mogelijke maatregelen in bijlage 2 en de fichesin bijlage 3 een nuttig startpunt. Daarbij moeten de duurzame uitvoer-baarheid, uitlegbaarheid en betaalbaarheid van het stelsel zorgvuldiggewogen worden. Hieronder licht ik vast twee elementen uit, waarvan ikverwacht dat ze in ieder geval onderdeel uitmaken van het gesprek overeen mogelijke aanpak deze kabinetsperiode.De doorberekening van uitkeringslasten aan werkgevers en dehybride marktWanneer we kijken naar hervormingen en mogelijk ook veranderingendoorvoeren die gevolgen hebben voor de mate waarin werkgevers hunuitgaven aan de WIA zelf kunnen beïnvloeden, dan moeten we ook kijkennaar de financieringskant van de WIA. De WIA wordt, als werknemersver-zekering, gefinancierd door werkgeverspremies.De uitkeringslasten worden voor een deel doorberekenend aan indivi-duele werkgevers en voor een deel betaald door het collectief vanwerkgevers. De doorberekening aan individuele werkgevers hangt samenmet de beïnvloedbaarheid van het risico op arbeidsongeschiktheid doorwerkgevers.Risicoafhankelijke doorberekening van uitkeringslasten is er omwerkgevers bewust te houden van de kosten van ziekte en arbeidsonge-schiktheid en om hen ertoe te bewegen dat ze zich zoveel mogelijkinzetten voor preventie en re-integratie. Op dit moment worden uitke-ringslasten voor niet-duurzaam arbeidsongeschikten in de eerste tien jaardoorberekend aan hun (voormalig) werkgever. Kleine werkgevers betaleneen sectoraal bepaalde premie, grote werkgevers een individueelbepaalde premie en middelgrote werkgevers een mengvorm vansectoraal en individueel. Dit gebeurt door middel van publieke premiedif-ferentiatie met de mogelijkheid van eigenrisicodragerschap: werkgeverswaarbij meer werknemers in de WIA komen, betalen per werknemer meermee aan de Wet WIA. Dat effect is sterker bij (middel)grote werkgevers.Omgekeerd betalen sectoren en werkgevers met minder WIA-instroomjuist minder. Bij publiek verzekerde werkgevers gebeurt dat door middelvan premiedifferentiatie. Als alternatief kunnen werkgevers eigenrisico-drager worden. Zij betalen geen premie voor de WGA-uitkering aan UWV,Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 26 448, nr. 7999 maar dragen de uitkeringslasten in de eerste tien jaar zelf. Deze uitgavenkunnen ze eventueel privaat verzekeren.Zowel het afschaffen van de WGA-vervolguitkering als van deIVA-uitkering leidt tot meer risicoafhankelijke doorberekening vanuitkeringslasten aan werkgevers. Het afschaffen van de WGA-vervolguitkering leidt namelijk in ieder geval tot hogere uitkeringen en (alsgevolg daarvan) naar verwachting ook tot meer uitkeringen. Hetafschaffen van de IVA-uitkering zorgt weliswaar juist voor lagere uitke-ringen, maar al deze uitkeringen worden door deze maatregel risicoafhan-kelijk doorbelast aan werkgevers, wat nu nog niet het geval is (finan-ciering van de IVA-uitkeringen loopt nu via het Arbeidsongeschiktheids-fonds).Het risicoafhankelijk doorbelasten van uitkeringslasten aan werkgeversheeft aantoonbaar bijgedragen aan het verminderen van de instroom inde WIA, omdat dit leidt tot een grotere prikkel voor werkgevers om hunwerknemers te re-integreren tijdens de periode van loondoorbetaling.Meer risicoafhankelijke doorbelasting heeft, naast een nog sterkere prikkeltot preventie en re-integratie, ook nadelen. Zo kan risicoafhankelijkedoorbelasting ten koste gaan van de arbeidsmarktpositie van mensen die(in de ogen van werkgevers) meer risico lopen op arbeidsongeschiktheid,vooral als de werkgever daarop weinig invloed heeft. Bovendien leidt hetafschaffen van de IVA-uitkering tot risicoafhankelijke doorberekening vanlasten voor uitkeringsgerechtigden met doorgaans beperktere-integratiemogelijkheden. Dit nieuwe deel van de financiële prikkel isdaardoor minder effectief en kan ook voor de werkgever als minderrechtvaardig worden ervaren, omdat de werkgever voor het uitblijven vanre-integratie met hogere lasten geconfronteerd wordt, terwijl de kans opsuccesvolle re-integratie relatief laag is. OCTAS heeft daarom voorstellengedaan voor maatregelen waarmee de risico-afhankelijke doorberekeningaan werkgevers kan worden bijgestuurd. Het ministerie heeft dezemaatregelen verder uitgewerkt. Concreet gaat het om het verkorten vande periode van risico-afhankelijke doorbelasting en om het splitsen van deuitkering in een deel dat wel en een deel dat niet wordt doorberekend.Met deze maatregelen kan de stijging van deze doorberekening door hetafschaffen van de VVU en de IVA deels of volledig worden gemitigeerd.10Er moet daarbij een balans gezocht worden tussen maatregelen dieverschillende effecten hebben op re-integratie en werkgelegenheid. Hetkabinet heeft Significant APE nader onderzoek laten doen naar de effectenvan deze maatregelen op de arbeidsdeelname en de stabiliteit van dehybride markt. Daarbij heeft Significant APE ook verwachtingen vanbelanghebbende organisaties van deze effecten in beeld gebracht. Kortsamengevat, is de verwachting van Significant APE dat zelfs bij hetinkorten van de periode van risico-afhankelijke doorberekening naar vijfjaar, in combinatie met het terugbrengen van het aantal uitkeringsre-gimes, de totale risico-afhankelijke kosten van werkgevers stijgen.11 Diestijging wordt op totaalniveau wel grotendeels gecompenseerd door eendaling van de (niet risico-afhankelijke) Aof-premie. Enkele private partijenin de hybride markt noemen het risico dat het inkorten van de periode vanrisico-afhankelijke doorberekening naar vijf jaar, een disbalans kanveroorzaken in de hybride markt en gevolgen kan hebben voor dediensten die zij aanbieden. De uitkomsten van dit onderzoek stuur ik alsbijlage bij deze Kamerbrief mee.1210In ieder geval op totaalniveau. Enige mate van verschuivingen tussen sectoren en werkgeverszullen naar verwachting onvermijdelijk zijn.11OCTAS noemt vijf jaar als minimale termijn voor het risico-afhankelijk doorbelasten aanwerkgevers, indien deze wordt ingekort.12Zie bijlage 6 bij deze brief voor het rapport van APE Significant.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 26 448, nr. 79910 WIA drempelIn gesprekken over de WIA met maatschappelijke partners en ook met uwKamer is gesproken over de hoogte van de toegangsdrempel voor hetrecht op een uitkering voor langdurige arbeidsongeschiktheid. OCTASnoemt een verlaging van de drempel in haar eerste variant als mogelijkemaatregel. Dit is een potentiële maatregel met grote impact op deuitlegbaarheid en de uitvoerbaarheid van zowel de Wet WIA als deZiektewet, waarover diverse moties zijn aangenomen. Daarom ga ik opdeze maatregel hier wat uitgebreider in.De achtergrond van de discussie over de drempelverlaging is gelegen inde positie van zogenaamde 35-minners. Voor deze groep geldt dat uit dearbeidsongeschiktheidsbeoordeling volgt dat zij minder dan 35% van huninkomen verliezen door ziekte of een beperking. Zij komen niet inaanmerking voor een WIA-uitkering. Bij de invoering van de Wet WIAwerd aangenomen dat het voor de meeste van deze 35-minners mogelijkzou zijn om weer aan het werk te gaan en werd het gezien als degezamenlijke verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers omhiervoor te zorgen.13 In de praktijk blijkt dat een groot deel van de groep35-minners niet aan het werk is. Dat geldt in het bijzonder voor de groep«vangnetters»; personen zonder werkgever. Zij zijn dan aangewezen opeen WW-uitkering en daarna een bijstandsuitkering, eigen vermogen ofpartnerinkomen.Daarnaast geldt dat mensen met een laag inkomen (rond hetminimumloon) vaker óf geheel arbeidsongeschikt óf 35-min als beoor-deling krijgen, dan mensen met een hoger inkomen. De systematiek vande WIA is zo dat het verschil tussen wat iemand voor diens ziekte ofbeperking verdiende en wat iemand potentieel nog kan verdienen leidendis voor de mate van arbeidsongeschiktheid. Mensen die rond hetminimumloon verdienen en voor wie UWV bij de beoordeling vaststelt dater nog functies op minimumloonniveau zijn die ze kunnen uitvoeren,verliezen geen of zeer weinig verdiencapaciteit. Zij komen op een heellaag arbeidsongeschiktheidspercentage uit. Dat percentage is lager dan35%, maar in veel gevallen óók lager dan 25% of 15%.Om beter inzicht te krijgen in de arbeidsmarktpositie en situatie van degroep mensen in de doelgroep «35-minners» is de afgelopen periode eenaantal onderzoeken verricht. Door Regioplan is gekeken naar de situatie,belemmeringen en mogelijkheden van deze groep mensen. Eentweede onderzoek door SEOR heeft een meer kwantitatief karakter. In ditonderzoek is gekeken naar kenmerken, arbeidsmarkt- uitkerings- eninkomenspatronen van 35-minners. Een derde onderzoek, door de VU,richt zich op een evaluatie van de inzet en effectiviteit van dienstverleningdie door UWV wordt ingekocht voor 35-minners. UWV heeft in eensyntheserapport de belangrijke bevindingen uit de drie rapporten op eenrij gezet en daar ook aanbevelingen aan verbonden. De drie onderzoekenen het syntheserapport zijn bijgevoegd bij deze brief.Een relevant inzicht is dat mensen met een kwetsbare positie oververte-genwoordigd zijn onder 35-minners. Zij hebben vaker een lager uurloon,een fysiek zwaar beroep, deden vaker flexibel werk, zijn vaker praktischopgeleid, hebben vaker schulden en vaker een migratieachtergrond, invergelijking met personen die een (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheids-uitkering krijgen. Daarnaast laten de rapporten zien dat werkende35-minners vaak relatief positief zijn over hun situatie, in vergelijking met35-minners die het niet lukt om aan het werk te komen. Vooral 35-minners13Dit volgt ook uit het advies van de SER «Werken aan arbeidsgeschiktheid» van 22 maart 2002.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 26 448, nr. 79911 met een als slecht ervaren gezondheid lukt het niet om aan het werk tekomen. Zij krijgen vaak te maken met een stapeling van problemen op hetgebied van inkomen, levensstijl, mobiliteit en het sociale netwerk.35-minners hebben een sterke ondersteuningsbehoefte die vergelijkbaaris met personen die wel een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangen.De rapporten laten zien dat veel 35-minners worstelen met hun situatie enbehoefte hebben aan meer en persoonlijker begeleiding. Dat iszorgwekkend en ik vind het dan ook belangrijk hier met UWV over ingesprek te gaan. De inzichten uit de rapporten kunnen namelijk helpen omde situatie van deze doelgroep te verbeteren en onder meer de dienstver-lening voor deze doelgroep meer toe te spitsen op de specifiekebehoeften en kenmerken van de doelgroep.Ook OCTAS heeft zich rekenschap gegeven van de kwetsbare positie van35-minners en noemt in deze context in haar eindrapport de mogelijkheidom de drempel te verlagen van 35% naar 25%. Zo zou een grotere groepmensen toch in aanmerking komen voor een uitkering uit de WIA. DeTweede Kamer heeft middels de motie van de Kamerleden Van Kent enPalland14 uitgesproken dat zij een verlaging van de WIA-drempel naar15% wenselijk vindt. Daarnaast is toegezegd dat een verlaging naar 15%ook meegenomen zou worden in de nadere uitwerking van het OCTAS-rapport. In het fiche over deze maatregel in de bijlage is dan ook zowelgekeken naar een verlaging naar 25% als naar 15%.We gaan bij een verlaging van de toelatingsdrempel van de Wet WIA naar25% of 15% uit van een doorwerking naar de Ziektewet. De Ziektewet kentin het tweede ziektejaar namelijk eenzelfde toets op verlies van verdienca-paciteit als de WIA en dezelfde huidige grens van 35% voor recht op deuitkering.Een verlaging van de drempel voor de WIA en ZW kent zowel voor- alsnadelen. Zowel als we kijken naar het individu als ook naar de maatschap-pelijke kosten en baten. Ik ga hieronder in op een aantal effecten en geefdaarmee ook invulling aan de toezegging aan het lid Saris (NSC) tijdenshet tweeminutendebat Arbeidsongeschiktheid van 5 september jl. overhet ingaan op de kosten en de maatschappelijke baten.Voor een deel van de mensen die nu minder dan 35% arbeidsongeschiktbeoordeeld worden, zou een verlaging van de WIA-drempel betekenen datzij er financieel op vooruit gaan, omdat zij wel recht krijgen op eenuitkering. Dat kan voor een aantal mensen uit deze groep meer financiëlezekerheid betekenen. Deze groep maakt nu soms geen aanspraak op eenbijstandsuitkering wegens de daar geldende partner- en vermogenstoets.De uitkering voor deze groep zal naar verwachting laag zijn, omdat hetgaat om een klein percentage arbeidsongeschiktheid. Het zal duswaarschijnlijk betekenen dat deze mensen als zij naast de WIA-uitkeringniet voldoende inkomen uit arbeid kunnen verkrijgen, alsnog afhankelijkblijven van andere inkomensbronnen, zoals Toeslagenwet of Participa-tiewet, om op het niveau van het sociaal minimum te komen. Daarnaastgeldt dat er ook na verlaging van de drempel een harde grens blijftbestaan. Zoals hierboven geschetst komen mensen die rond hetminimumloon verdienen ook bij een verlaging van de drempelwaarschijnlijk onder de drempelwaarde uit. Het probleem wordt voor dezegroepen dus niet opgelost.Wanneer de grens wordt verlaagd, leidt dit tot meer instroom in de WetWIA. Dit leidt tot fors hogere uitkeringslasten en een toename van hetberoep op verzekeringsartsen en dienstverlening door UWV. Naast een14Kamerstukken II, 2020–2021, 26 448, nr. 659Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 26 448, nr. 79912 grotere groep die re-integratiedienstverlening ontvangt, is er ook eengrotere groep waarvoor herbeoordelingen aangevraagd zullen worden.In mei 2021 heeft het CPB een notitie uitgebracht waarin zij de effectenvan verlaging van de toetredingsdrempel op de werkgelegenheid heeftbeschreven15. Daaruit volgt dat de effecten op de werkgelegenheidafgerond nihil zijn. Personen die in de huidige situatie 35-minner zijn en alwerkzaam waren, zullen op het moment dat zij een (kleine) WGA-uitkeringkrijgen een kleinere arbeidsprikkel ervaren. Daardoor daalt mogelijk hetaantal gewerkte uren. Daar staat tegenover dat de huidige WGA eenactiverend karakter heeft en dat mensen re-integratiedienstverlening gaanontvangen, wat een positief effect heeft op het aantal mensen dat gaatwerken. Eventuele wijzigingen in de WIA, zoals het afschaffen van hetonderscheid tussen de loonaanvullingsuitkering en de vervolguitkering,hebben potentieel een negatief effect op dat activerende karakter.Het CPB geeft aan dat er geen significante gedragseffecten te verwachtenzijn. Zij verwacht niet dat méér mensen bijvoorbeeld een WIA-aanvraaggaan doen bij een lagere drempel. Wel is het zo dat de populatie in hettweede jaar van de Ziektewet groeit. Na één jaar Ziektewet volgt eentoetsmoment waarbij dezelfde drempel wordt gehanteerd. Ervanuitgaande dat die drempel dus ook zou worden verlaagd, stijgt deinstroom in het tweede Ziektewetjaar en daarmee ook het aantalWIA-aanvragen dat UWV moet beoordelen. Daarnaast zou hetWIA-bestand groeien doordat er meer mensen een uitkering toegekendkrijgen. Dat heeft een effect op het aantal herbeoordelingen dat UWVmoet uitvoeren.Er is nu al sprake van een mismatch tussen de vraag naar en het aanbodvan sociaal-medische beoordelingscapaciteit en dat probleem wordthierdoor groter. UWV schat in dat dit bij een drempelverlaging naar 25%in totaal om 4.000 tot 6.000 extra herbeoordelingen per jaar gaat en bijeen drempelverlaging naar 15% per jaar tussen de 8.000 en 11.000 extraherbeoordelingen per jaar.Een groter WIA-bestand betekent ook dat de uitgaven aan de WIAtoenemen. Naar verwachting zorgt een verlaging van de WIA-drempelnaar 25% voor ongeveer € 290 miljoen structureel aan extra lasten. Eenverlaging naar 15% zorgt voor ongeveer € 500 miljoen structureel aanextra lasten. Hierbij is rekening gehouden met het feit dat uitgaven aan deWW en de bijstand zullen dalen. Voor de verschillende varianten zijn definanciële effecten in beeld gebracht (zie bijlagen).OntslagverbodIk wil hierbij ook ingaan op de motie van Kamerlid Patijn, waarin deregering verzocht wordt de mogelijkheid te onderzoeken voor eenontslagverbod voor mensen met een arbeidsongeschiktheidspercentagevan minder dan 35% (35-minners)16. Het idee achter deze motie past bijhet initiële idee achter de Wet WIA: namelijk dat voor personen die minderdan 35% arbeidsongeschikt zijn, werkgevers en werknemers gezamenlijkverantwoordelijk zijn om te zorgen dat deze groep aan het werk blijft ofkomt. Zoals in de motie is aangegeven, is in sommige cao’s geregeld dateen werknemer na een afwijzing van de WIA-uitkering in dienst dient teblijven.Een werkgever zal tijdens de periode van loondoorbetaling bij ziektezodanige maatregelen moeten treffen als redelijkerwijs nodig zijn opdatde werknemer in staat is de eigen of andere passende arbeid (bij de eigen15CPB-notitie Doorrekening drempelverlaging WIA, voor het Ministerie van SZW, mei 202116Kamerstukken II, 2023–2024, 26 448, nr. 770Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 26 448, nr. 79913 of andere werkgever) te verrichten. Van de 35-minners die gedurende deeerste twee ziektejaren een werkgever hadden die verantwoordelijk wasvoor de loondoorbetaling en de re-integratie behoudt 66% het dienst-verband na de WIA-claimbeoordeling. Na een jaar is 91% nog steeds aanhet werk17.Ontslag na langdurige arbeidsongeschiktheid is alleen onder voor-waarden mogelijk, er geldt een preventieve ontslagtoets door UWV vooreen langdurig zieke werknemer. Een werkgever mag een 35-minnerontslaan voor wie er naar verwachting geen werkhervatting mogelijk is inhet eigen werk of in het aangepaste eigen werk binnen 26 weken; ookmoet duidelijk zijn dat het niet mogelijk is de werknemer binnen deredelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, te herplaatsen opeen passende functie binnen de onderneming of groep.Eventueel ontslag volgt dus niet eerder dan na een periode van twee jaarziekte waarin de werkgever en werknemer er alles aan hebben gedaan omde werknemer terug naar werk te begeleiden (eventueel na een verlengingvan de loondoorbetalingsverplichting). Ontslag voor de 35-minner is dusalleen mogelijk indien aan alle voorwaarden wordt voldaan; werkgeversslagen er voor een groot deel in om 35-minners aan het werk te houden.Een ontslagverbod is een vergaande maatregel die afgewogen moetworden tegen het belang van de werkgever, om op zeker momentafscheid te kunnen nemen van een werknemer voor wie echt geenaangepast of passend werk meer beschikbaar is in de onderneming. Geletop het voorgaande acht ik een ontslagverbod voor 35-minners op ditmoment niet wenselijk en noodzakelijk.Wel wil ik heel goed blijven kijken naar de gezamenlijke verantwoorde-lijkheid die werkgevers en werknemers wat mij betreft nog steeds hebbenom ervoor te zorgen dat deze groep aan het werk blijft, dan wel nieuwwerk kan vinden. Met het voorgaande ben ik tegemoet gekomen aan hetverzoek uit deze motie.ILO-verdragGelijktijdig is een tweede motie van het Kamerlid Patijn aangenomen dieverzoekt om in kaart te brengen wat er nodig is om het arbeidsongeschikt-heidsstelsel in overeenstemming te brengen met het ILO-verdrag en deKamer hierover te informeren. De ILO (Internationale Labour Organi-sation, oftewel Internationale Arbeidsorganisatie) is de gespecialiseerdearbeidsorganisatie van de Verenigde Naties. Verenigd in deze organisatie,hebben de lidstaten onder andere meerdere verdragen opgesteld die zienop de reikwijdte, het beschermingsniveau en de inrichting van hetsocialezekerheidsstelsel. Ten aanzien van arbeidsongeschiktheid zijn derelevante ILO-verdragen nummer 102, betreffende minimumnormen vansociale zekerheid, nummer 121, betreffende de prestaties bij arbeidsonge-vallen en beroepsziekten en nummer 128, betreffende uitkeringen bijinvaliditeit en ouderdom en aan nagelaten betrekkingen. Hierin zijn onderandere minimumnormen vastgelegd voor uitkeringen bij arbeidsonge-schiktheid (ILO-verdragen 102 en 128) en specifieker ten aanzien vanarbeidsongeschiktheid als gevolg van arbeidsongevallen en beroeps-ziekten (ILO-verdrag 121). Nederland heeft deze verdragen geratificeerd.Daarnaast heeft de ILO aanbevelingen gedaan ter aanvulling op dezeverdragen, die juridisch niet bindend zijn. Hierin zijn adviezen uitgewerktten aanzien van de minimumnormen in de verdragen.17UWV Monitor arbeidsparticipatie arbeidsbeperkten 2023Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 26 448, nr. 79914 Met name ten aanzien van ILO-verdrag 121 met de hoogste minimum-normen, bestaat al lange tijd discussie18 over de vraag of Nederland aande gestelde normen voldoet. Het ILO-Comité heeft een aantal aandachts-punten aangehaald, onder andere betreffende de hoogte van deWGA-vervolguitkering, de toegangsdrempel tot de WIA-uitkering, deinkomstenverrekening bij de IVA-uitkering, de inrichting van deWGA-loongerelateerde uitkering en de inkomenseis geldend voor deWGA-loonaanvullende uitkering en de WGA-vervolguitkering. Bij hetplenaire debat over de begroting van SZW is een motie aangenomen dieertoe oproept extern juridisch advies op te vragen over de Nederlandsewetgeving in relatie tot het ILO-verdrag 121.19 Dit onderzoek zal wordenuitgezet en de Kamer wordt daarover in het voorjaar van 2025 geïnfor-meerd.Overige mogelijke maatregelenNaast de in dit hoofdstuk beschreven maatregelen heeft OCTAS diverseandere maatregelen geadviseerd om het ziekte- en arbeidsongeschikt-heidsstelsel te vereenvoudigen en beter uitvoerbaar te maken. Het gaatdan om maatregelen ten aanzien van diverse aspecten van het stelsel. Zoworden er bijvoorbeeld nog meer voorstellen gedaan om de arbeidsonge-schiktheidsbeoordeling te vereenvoudigen, zoals het verbeteren van degegevensuitwisseling met de curatieve sector, het leidend maken van hetmedisch advies van de bedrijfsarts bij de toetsing van het re-integratie-verslag, contactmomenten voor mensen met een Wajong-uitkering metduurzaam geen arbeidsvermogen en een betere informatieoverdracht vanUWV naar gemeenten bij een afwijzing van de Wajong-aanvraag. Ik hechter ook waarde aan dat de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling herkenbaaris en aansluit bij de situatie van de (ex-)werknemer. De maatregelpraktisch beoordelen draagt daar aan bij en OCTAS stelt voor dezemaatregel structureel in te voeren.OCTAS doet, naast het voorstel over het verlagen van de WIA-drempel,ook voorstellen om ervaren hardheden weg te nemen zoals aanpassingenin het systeem dat wordt gebruikt om het verlies aan verdiencapaciteit temeten (het CBBS), het uitbreiden van de doelgroep voor de banenaf-spraak met WIA-gerechtigden en het verlengen van de periode waarin jemeer dan het maximale percentage van je maatmanloon mag verdienenvoordat dit impact heeft op je uitkeringsrecht. Ook stelt OCTAS voor omhet zogenoemde maatmanloon te maximeren. Dit verkleint de verschillenin de uitkomsten van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling tussenmensen met hogere en lagere lonen. Er zijn ook maatregelen ter onder-steuning van werkgevers bij inclusief werkgeverschap en er zijn maatre-gelen om de participatie te bevorderen, zoals het intensiveren van dedienstverlening tijdens de Ziektewet en het (experimenteren met)uitbreiden van de doelgroep die aanspraak maakt op een no-riskpolistijdens de wachttijd. De gevolgen van deze en andere maatregelen die zijnbeschreven in het OCTAS-rapport zijn uitgewerkt in de bijlagen.Uit het voorgaande blijkt dat maatregelen naast voordelen ook nadelenkennen. Er is vaak sprake van een afruil tussen doelstellingen. Dit is inbijlage 2 ook inzichtelijk gemaakt. Zo kan een maatregel die de participatiebevordert juist een extra complexiteit toevoegen, of een maatregel diezorgt voor een vereenvoudiging kan een negatief effect hebben op dehoogte van de inkomensondersteuning. Aanpassingen aan het ziekte- enarbeidsongeschiktheidsstelsel zullen dus niet altijd voor alle betrokkenengunstiger uitpakken. In sommige gevallen zullen groepen uitkeringsge-18Observation of 2022 of the ILO supervisory body (the Committee of Experts) regarding theconformity of the national legislation of the Netherlands with Convention No. 121. Comments19Kamerstukken II, 2024–2025, 36 600 XV, nr. 84Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 26 448, nr. 79915 rechtigden minder hoge uitkeringen krijgen. Of leidt het tot hogere lastenvoor werkgevers, meer werkzaamheden voor de uitvoering of tot hogereuitgaven. In het maatschappelijke debat dat ik naar aanleiding van dezebrief wil voeren, gaan deze afruilen een belangrijke rol spelen. Ook zullenwe het dan moeten hebben over de ontwikkelingen in de WIA zoals destijgende instroom in de laatste jaren, in het bijzonder onder vrouwen van40 jaar en jonger.20Knelpunt onzekerheid werkgevers bij loonsanctiesIn de afspraken rond de uitwerking van het arbeidsmarktpakket21 isafgesproken dat het wetsvoorstel, waarbij het medisch advies van debedrijfsarts leidend zou worden bij de toets op de re-integratie-inspanningen bij UWV, werd ingetrokken22. Bij het intrekken van hetwetsvoorstel is aangegeven dat het knelpunt van onzekerheid vanwerkgevers met loonsancties gerelateerd aan het medisch advies van debedrijfsarts aangepakt wordt na ommekomst van het advies van OCTAS23.OCTAS adviseert in haar rapport bij de maatregelen in de wachttijd, deeerste 104 weken van ziekte, dat UWV bij de toetsing van hetre-integratieverslag uit mag gaan van vertrouwen in het werk van debedrijfsarts. Hierdoor vervalt één van de grondslagen tot een verlengingvan de loondoorbetalingsverplichting (loonsanctie). Deze maatregel isuitgewerkt in een fiche en komt overeen met het per mei 2023 ingetrokkenwetsvoorstel. Bij alle drie de varianten adviseert OCTAS deze maatregelter verbetering van het arbeidsongeschiktheidsstelsel.Motie onderzoek naar loondoorbetalingstermijnIn de motie van de leden Azarkan en Gündog˘an wordt de regeringverzocht te onderzoeken of een loondoorbetalingstermijn van twee jaar bijziekte een belemmering vormt tot het deelnemen aan de arbeidsmarkt24.In het debat over de krapte op de arbeidsmarkt van 29 september 2022heeft mijn voorganger in reactie op deze motie aangegeven dit te latenonderzoeken door de commissie OCTAS. In de tussenrapportage25 geeftOCTAS aan dat de re-integratie bij de eigen werkgever in de loondoorbe-talingsperiode van twee jaar voorafgaand aan de WIA-aanvraag in hetalgemeen behoorlijk goed werkt. In het eindrapport26 wordt dan ookgeadviseerd de bestaande verplichtingen in de wachttijd te behouden.Daarbij wordt verwezen naar een rapportage van het CPB27 waarin uiteenis gezet dat de verlenging van de loondoorbetalingsverplichting eenbelangrijke factor is geweest ten aanzien van de aanzienlijke daling van deinstroom in de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Tegelijk heeft de lengtevan de loondoorbetalingverplichting invloed op de bereidheid vanwerkgevers om mensen in vaste dienst te nemen. En daarmee op deverhouding tussen vaste en flexibele arbeidsrelaties. Het CPB stelt dat de(huidige) loondoorbetalingsperiode per saldo gunstig is voor de werkgele-genheid en verkorten derhalve leidt tot verlies van werkgelegenheid enniet leidt tot lastenverlichting voor werkgevers. Daarmee beschouw ik demotie als afgedaan. Deze inzichten krijgen een plek in het aangekondigdeIBO over de WIA, waarin nader wordt gekeken naar de afruil tussen deaantrekkelijkheid van vaste arbeidsrelaties en instroom in de WIA.20UWV, Volumeontwikkelingen voorjaar 2024, https://www.uwv.nl/nl/achtergrond/forse-stijging-in-wia-aanvragen-en-instroom21Kamerstukken II, 2023–2024, 29 544, nr. 117622Kamerstukken II, 2020/21, 35 589, nr. 123Kamerstukken II, 2023–2024, 35 589, nr. 1124Kamerstukken II, 2022–2023, 29 544, nr. 112425Kamerstukken II, 2023–2024, 26 448, nr. 73026Bijlage bij Kamerstukken II, 2023–2024, 26 448, nr. 74827CPB, 2020, Kansrijk arbeidsmarktbeleid update sociale zekerheidTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 26 448, nr. 79916 4. Samenhang andere onderwerpen Zoals ook eerder in deze brief al beschreven, staat de opvolging vanOCTAS niet op zichzelf. Hieronder volgt een aantal onderwerpen waarmeewijzigingen naar aanleiding van OCTAS samenhangen en die deopvolging aan OCTAS in een breder perspectief plaatst.Vereenvoudiging inkomensondersteuningVereenvoudiging is één van de belangrijkste doelen die het kabinetnastreeft met aanpassingen van de huidige wet- en regelgeving op hetterrein van ziekte en arbeidsongeschiktheid. Die inzet is onderdeel van eenbredere aanpak om de inkomensondersteuning te hervormen. Over debredere hervormingsagenda inkomensondersteuning heb ik uw Kamer op19 november jl. geïnformeerd28. Zoals daar ook beschreven staat, kan ofmoet een groot deel van de complexiteit in de sociale zekerheid wordenopgelost binnen de regelingen zelf. Toch mag daarbij het verband en deeventuele interactie tussen verschillende regelingen, zoals de toeslagen,niet over het hoofd worden gezien. Ook maakt een deel van deWIA-gerechtigden gebruik van een of meerdere toeslagen, waarbijinkomsten uit werk en uitkering ook kunnen samenlopen. Er moet ookdomeinoverstijgend worden gewerkt aan vereenvoudiging. Zo wordtgewerkt aan het harmoniseren en standaardiseren van begrippen.Eenduidige begrippen dragen bij aan het voorkomen van fouten envergissingen. Door gebruik te maken van een kleinere set objectiveerbarebegrippen kan ook worden gewerkt aan betere gegevensdeling en meerproactieve dienstverlening.De ideeën die ik in deze brief beschrijf ten aanzien van het stelsel voorziekte en arbeidsongeschiktheid, moeten dus mede gezien worden alsonderdeel van de bredere ambitie om de inkomensondersteuning tevereenvoudigen.ParticipatiewetOver de Participatiewet concludeerde de OCTAS dat deze wet onvol-doende perspectief biedt voor mensen zonder of met beperkt arbeidsver-mogen. Het advies luidde om deze problematiek in het traject «Participa-tiewet in balans» op te pakken, om ervoor te zorgen dat ook deze mensenpassende ondersteuning krijgen. Bij de herziening van de Participatiewetwordt gekeken naar de positie van mensen zonder arbeidsvermogenbinnen de Participatiewet. Samen met gemeenten en andere partijenwerkt de Staatssecretaris Participatie en Integratie de komende tijd optiesuit voor verbetering binnen en buiten de Participatiewet. Er wordt gekekennaar hoe deze groep het beste geholpen kan worden, en of stelsels vanarbeidsongeschiktheid en inkomensondersteuning geschikt kunnenworden gemaakt om deze groep te helpen. De planning is erop gericht omdeze verkenning in de eerste helft van 2025 aan uw Kamer te sturen.29WajongVoor mensen die een Wajong-uitkering ontvangen, beveelt OCTAS aanom de mensen die duurzaam geen arbeidsvermogen hebben regelmatigte contacteren. De Staatssecretaris van Participatie en Integratie start eenactieonderzoek onder individuele ervaringsdeskundigen, vertegenwoor-digers van de doelgroep en koepelorganisaties om na te gaan in hoeverreer behoefte is aan contact. Een deel van de mensen met een Wajong-uitkering heeft deze behoefte namelijk niet en bij hen zou contact28Kamerstukken II, 2024–2025, 26 448, nr. 79229Kamerstukken II, 2024–2025, 34 352, nr. 330Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 26 448, nr. 79917 opnemen juist onrust kunnen veroorzaken. Het onderzoek is naarverwachting na de zomer gereed.Tevens beveelt OCTAS aan dat UWV een overdrachtsdossier voorgemeenten maakt voor mensen bij wie de Wajong-aanvraag is afgewezen.Hiertoe werkt de Staatssecretaris van Participatie en Integratie samen metUWV en gemeenten de mogelijkheid van het opstellen van een «Participa-tieprofiel» nader uit. Daarnaast overlegt de Staatssecretaris met UWV ofeen landelijke uitrol van de pilot goede overdracht van UWV naargemeenten mogelijk is en of mensen bij een afwijzing van de Wajong-uitkering geïnformeerd kunnen worden over de inzet van onafhankelijkecliëntondersteuners die beschikbaar zijn vanuit gemeenten. Tevensonderzoekt de Staatssecretaris of de bijstand met terugwerkende krachtkan worden uitgekeerd tot aan de Wajong-aanvraagdatum aan iemand dieeen afwijzing op de Wajong-aanvraag ontvangt. Uw Kamer wordt uiterlijkin de tweede helft van 2025 geïnformeerd over de voortgang.Problematiek sociaal-medisch beoordelenDe opvolging die ik aan OCTAS geef, is onlosmakelijk verbonden met demismatch tussen de vraag naar en het aanbod van sociaal-medischebeoordelingen. Dat was ook één van de aanleidingen om OCTAS in testellen. Over de stand van zaken van deze mismatch heb ik u meest recentop 23 oktober 202430 geïnformeerd. Die boodschap was niet positief: ikconstateerde dat, ondanks grote inzet bij UWV en een aantal tijdelijkemaatregelen om de druk te verminderen, de achterstanden de komendetijd weer gaan toenemen. Dat betekent dat mensen langer in onzekerheidzitten over hun recht op een uitkering en de hoogte daarvan. Dat is eenzeer onwenselijke situatie en dit verhoogt dan ook de urgentie om metmaatregelen te komen die als effect hebben de druk te verminderen.Ik blijf voor de korte termijn, samen met UWV, zoeken naar oplossingenom de achterstanden te verminderen. UWV blijft onverminderd inzettenop een andere manier van werken (in sociaal-medische centra) met alsdoel de capaciteit van de verzekeringsartsen efficiënter in te zetten.Daarbij zetten we al in op een aantal richtingen die ook OCTAS aanbe-veelt, zoals praktisch beoordelen en het werken met taakdelegatie. Maarer blijven aanvullende maatregelen nodig. OCTAS doet daartoe een aantalvoorstellen die ik in deze brief heb beschreven. Ik ga op basis hiervangraag het maatschappelijke en politieke gesprek aan over wat er nog meermogelijk en nodig is.Wetsvoorstel Basisverzekering Arbeidsongeschiktheid Zelfstandigen (BAZ)Onderdeel van de opdracht aan OCTAS was het vinden van oplossings-richtingen die ruimte zouden creëren voor nieuwe ambities, waarbij deambitie van een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voorzelfstandigen expliciet benoemd werd. Ongeacht de manier waarop weopvolging geven aan OCTAS, moeten we hier rekening mee blijvenhouden. De maatregelen moeten er uiteindelijk voor zorgen dat de drukop de uitvoering dermate wordt verminderd, dat ruimte ontstaat voor hetuitvoeren van nieuwe ambities.5. Afsluiting Ik beschrijf in deze brief mijn ambitie om deze kabinetsperiode het huidigestelsel voor ziekte en arbeidsongeschiktheid te verbeteren en te vereen-voudigen. Ik hoop in gezamenlijkheid tot besluiten te komen, na overlegmet uw Kamer, met sociale partners, de uitvoering en ervaringsdeskun-30Kamerstukken II, 2024–2025, 26 448, nr. 788Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 26 448, nr. 79918 digen. Heel veel gesprekken zijn al gevoerd, door OCTAS en als onderdeelvan de uitwerking de afgelopen maanden. Ik ben blij met wat het rapportvan de digitale raadpleging door onderzoeksbureau Populytics (ziebijlage 4) aan inzichten heeft opgeleverd. Die inzichten neem ik mee in hetvervolg.Het is ook duidelijk dat het zetten van concrete stappen niet zonderconsequenties is. Dat geldt in meerdere opzichten. Vereenvoudiging heefteen effect op de gerichtheid van maatregelen en in sommige gevallen ookop de rechten en plichten van werknemers die aanspraak maken op eenuitkering. De ideeën zoals gepresenteerd door OCTAS en geschetst indeze brief vergen ook financiële middelen, afhankelijk van de preciezekeuzes die we maken. Ik heb in deze brief (en de bijlagen) de structurelekosten van mogelijke maatregelen zoveel mogelijk inzichtelijk gemaakt.Daarbij zouden aanpassingen, zoals alle grote stelselaanpassingen, initieelook incidenteel geld kosten. Wat een pakket aan maatregelen uiteindelijkkost, zowel incidenteel als structureel, is afhankelijk van nog te makenkeuzes. Budgettaire consequenties moeten worden gedekt conform debegrotingsregels.Naast een ambitie voor de korte termijn, heb ik in deze brief ook mijn visievoor de langere termijn geschetst. Er zijn fundamentele keuzes nodig overons stelsel en het is daarbij van belang dat we integraal naar dat stelselkijken: het gaat niet alleen om mensen met een arbeidsongeschiktheids-uitkering, het gaat ook om mensen die langdurig ziek zijn en onder-steuning nodig hebben bij het re-integreren. En het gaat uiteindelijk óókom het voorkomen dat mensen ziek worden. Ook dat is noodzakelijk omde toenemende instroom in de WIA een halt toe te roepen.Het komende voorjaar ga ik aan de slag om in samenwerking metbelanghebbenden, waaronder in elk geval sociale partners, ervaringsdes-kundigen en de uitvoering, tot concrete voorstellen voor een «Huidigstelsel beter» te komen. Het is mijn intentie om uw Kamer vóór de zomerte informeren over een pakket met maatregelen voor de korte termijn,inclusief een planning van de wetgeving die daarvoor nodig is en definanciële consequenties.Daarnaast blijf ik uw Kamer informeren over de langetermijnvisie en deverdere uitwerking die nodig is op weg naar het bereiken van die visie.Daarbij betrek ik verschillende belanghebbenden, waaronder in iedergeval de sociale partners.De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,Y.J. van HijumTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 26 448, nr. 79919

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · ec6c40a8e920740a

14 okt 2026 · f6273659affc0f50

13 okt 2026 · b41946f7c3077163

Gerelateerde bronnen

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.