KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda Landbouw- en Visserijraad van 23 februari 2026 (Kamerstuk 21501-32-1762)

19 feb 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 2548648d21c7ba74 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202621 501-32Landbouw- en VisserijraadNr. 1764 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG De vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuurheeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister vanLandbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over de brief van10 februari 2026 «Geannoteerde agenda Landbouw- en Visserijraad(Kamerstuk 21 501-32, nr. 1762).De vragen zijn op 16 februari 2026 aan de Minister voorgelegd. Bij briefvan 19 februari 2026 zijn de vragen beantwoord.De fungerend voorzitter van de commissie,PodtDe griffier van de commissie,Jansma kst-21501-32-1764ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 17641 InhoudsopgaveIVragen en opmerkingen vanuit de fracties en Antwoord/ Reactie van de Minister van Landbouw, Visserij,Voedselzekerheid en Natuur2IIVolledige agenda25 I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en Antwoord / Reactievan de Minister en Staatssecretaris van Landbouw, Visserij,Voedselzekerheid en Natuur Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan de geannoteerde agenda voor de Landbouw- en Visserijraad van23 februari aanstaande. De koers van het Gemeenschappelijk Landbouw-beleid (GLB) na 2027 is bepalend voor de noodzakelijke transitie naar eenduurzame landbouwsector die opereert binnen de grenzen van natuur enmilieu. Juist daarom maken deze leden zich zorgen over de signalen datde huidige voorstellen een stap achteruit betekenen voor de beschermingvan ons klimaat en onze biodiversiteit.De leden van de D66-fractie vragen de Minister hoe zij kijkt naar de fellekritiek van onder andere de Duitse Ministers van Milieu en Landbouw, diestellen dat de voorstellen voor het GLB 2028–2034 de koppeling tussenlandbouw en milieubescherming verzwakken. Deelt de Minister demening dat het schrappen van de ecoregelingen en het afzwakken vanmilieuverplichtingen, zoals gesuggereerd in het Europees Parlement, deverduurzaming van de sector en dus ook de voortgang op de groteopgaven die er zijn op stikstof, water en klimaat ernstig in de weg staat?Deze leden vragen de Minister klip-en-klaar of zij bereid is vast te houdenaan de Goede Landbouw- en Milieucondities (GLMC’s) als hardevoorwaarde voor subsidieverstrekking om te voorkomen dat de positievemilieueffecten van het huidige beleid verloren gaan.AntwoordDe Europese Commissie (hierna: Commissie) geeft met het voorstel voorhet GLB 2028–2034 meer ruimte aan lidstaten om zelf keuzes te maken.Het kabinet verwelkomt die ruimte. Een aandachtspunt daarbij is de wijzewaarop klimaat- en milieudoelstellingen binnen het GLB Europees wordengeborgd. In het huidige GLB is een minimale inzet afgesproken vooragromilieu- en klimaatacties. Hoewel het nieuwe voorstel lidstaten meerflexibiliteit biedt om het beleid af te stemmen op nationale omstandig-heden, brengt het ook het risico met zich mee dat de ambities op hetgebied van natuur, milieu en klimaat, diergezondheid en dierenwelzijnuiteen gaan lopen tussen lidstaten. Dat zou volgens het kabinet een stapterug zijn omdat dit gevolgen kan hebben voor de gezamenlijke impactvan het GLB op deze terreinen, die juist grensoverschrijdend zijn. Hetkabinet is daar dan ook kritisch over. Daarom zal het kabinet vragen om deongewenste effecten te voorkomen en een vergelijkbare inzet tussenlidstaten te verzekeren. Op die manier moet vooral ook een internationaalgelijk speelveld worden gewaarborgd.De ecoregelingen worden overigens niet geschrapt. De verplichteoormerking om een minimumpercentage van het GLB-budget te bestedenaan agro-milieu en klimaatacties – dit type regeling – wordt in het voorstelwel geschrapt. Een dergelijke oormerking was in de huidige GLB-periodeeen methode om voldoende gezamenlijke ambitie te waarborgen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 17642 Nederland onderzoekt momenteel hoe het gelijk speelveld en voldoendegemeenschappelijke ambitie binnen de verordening gewaarborgd kunnenworden.Verder geeft de Commissie met de nieuwe wetsvoorstellen meer ruimteaan lidstaten om te stimuleren in plaats van alleen te verplichten. In hetnieuwe «farm stewardship» systeem wordt ruimte geboden om opbedrijfsniveau verplichte voorwaarden in te vullen met gelijkwaardigeactiviteiten vanuit de agromilieu- en klimaat verbintenissen. Zo wordt ermeer ruimte geboden aan de lidstaat om te compenseren, indien denationale verplichtingen verder gaan dan de geldende Europese regel-geving. De richtlijnbeheerseisen blijven bestaan als voorwaarde enlidstaten moeten ook invulling geven aan de «protective practices»,voorheen bekend als de GLMC’s.Tot slot is het voor Nederland van belang dat lidstaten zelf de vrijheidhebben om te kiezen met welke specifieke GLB-instrumenten en-regelingen de gezamenlijke doelen op het gebied van natuur, milieu enklimaat te behalen. Nederland zet daarbij in op het voorkomen vanoneerlijke concurrentie en behoud van gelijk speelveld. Het kabinet istegen het handhaven en verruimen (naar 25%) van de huidige ruimte voormarktverstorende gekoppelde steun en zal zich inzetten voor afbouw enmaximering daarvan.De leden van de D66-fractie maken zich voorts zorgen over de bestuurlijkeopzet. Twintig lidstaten pleiten ervoor om grote delen van de verordeningvoor nationale en regionale partnerschapsplannen (NRPP) over te hevelennaar specifieke GLB-verordeningen om zo de regie volledig bij delandbouwministers te leggen. Deze leden vragen de Minister of zij ditinitiatief steunt. Kan de Minister reflecteren op het risico dat door dezebeweging de integrale blik op natuur en milieu naar de achtergrondverdwijnt?AntwoordNederland heeft, conform het met uw Kamer gedeelde BNC-fiche, hetpleidooi van deze twintig lidstaten niet gesteund. Intussen is onder leidingvan het Cypriotisch voorzitterschap een compromis gevonden om eenaantal artikelen over te hevelen naar de GLB-verordening. Daarmee heeftNederland ingestemd, eveneens conform de strekking van het met uwKamer gedeelde BNC-fiche.De leden van de D66-fractie wijzen daarnaast op de kritische opinie van deEuropese Rekenkamer. De Europese Rekenkamer waarschuwt dat decomplexiteit van het NRPP kan leiden tot aanzienlijke vertragingen in deuitbetalingen aan boeren. Hoe beoordeelt de Minister dit risico voor deNederlandse uitvoeringspraktijk? Tevens vragen deze leden naar debudgettaire onduidelijkheid. Terwijl er wordt gesproken over een budgetvan 300 miljard euro circuleren er bedragen tot wel 500 miljard eurozonder dat dit juridisch is vastgelegd. Hoe verhoudt deze roep om meerbudget zich volgens de Minister tot de noodzaak om scherpe keuzes temaken voor innovatie en het belonen van blauwgroene diensten?AntwoordDe auditors constateerden dat ingewikkelde plannings- en vaststellingsre-gelingen, samen met een complexere juridische structuur van het GLB,het risico op onzekerheid vergroten. Daardoor neemt de voorspelbaarheidvoor begunstigden af en kan de uitbetaling van middelen vertragingoplopen. Dit zou uiteindelijk het vereenvoudigingsdoel kunnen onder-mijnen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 17643 Het kabinet is voorstander van de nieuwe NRPP-structuur en een meer opprestaties gericht, gemoderniseerd en flexibeler MFK, maar zet conformhet GLB-BNC fiche (Kamerstukken 22 112, nr. 4145) kanttekeningen bij dehaalbaarheid vanwege de korte termijn waarbinnen het GLB in de nieuwestructuur moet worden uitgevoerd. Het kabinet ziet daarbij met namerisico’s op het gebied van uitvoeringskosten, uitvoeringscapaciteit,decommiteringsregels (over het vrijvallen van middelen als deze niettijdig tot uitbesteding zijn gekomen) en de implementatietermijn. Ondanksdat de Commissie stelt dat het voorstel leidt tot een vermindering vanadministratieve lasten, is het kabinet hier kritisch op en heeft het zorgenover de uitvoerbaarheid en werkbaarheid van het voorstel. De nieuwesystematiek vraagt om zorgvuldige voorbereiding in nauwe samen-werking tussen ministeries, medeoverheden en uitvoeringsorganisaties.In de huidige tijdlijn is er echter weinig tijd om dit zorgvuldig te doen,waardoor er risico’s ontstaan bij de implementatie.Tot slot ten aanzien van de onduidelijkheid over het beschikbare budgetlijkt vooral de grote verschillen in vrije ruimte in het NRP-fonds tussenlidstaten van belang. Nederland heeft ten opzichte van het totale budgetin het NRPP relatief weinig vrij besteedbare middelen toebedeeldgekregen. Gezien lidstaten vanuit de vrij besteedbare ruimte middelenvoor het GLB kunnen inzetten, komt het gelijk speelveld hierdoor onderdruk te staan. Nederland zet zich in voor een gelijk speelveld en hetvoorkomen van oneerlijke concurrentie, daarvoor zouden voldoendewaarborgen in de wetsvoorstellen voor het GLB en het MeerjarigFinancieel Kader (MFK) moeten komen.Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van degeannoteerde agenda van de Landbouw- en Visserijraad van 23 februari2026 en de onderliggende stukken. Hierover hebben deze leden vragen enopmerkingen.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen ten eerste op welke wijzehet kabinet zal zijn vertegenwoordigd. Wat betekent dit voor de vertegen-woordiging van Nederland in de Landbouw- en Visserijraad, ervanuitgaande dat het aanstaande kabinet van D66, VVD en CDA op maandag23 februari 2026 aan zal treden? Zijn de huidige bewindspersonenvertegenwoordigd of zal er ambtelijke vertegenwoordiging zijn? Is het metdezelfde boodschap als het kabinet-Schoof of zal de vertegenwoordigingzich terughoudend opstellen met oog op het nieuw aantredende kabinet,indien Nederland wordt vertegenwoordigd?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de Minister en deStaatssecretaris om, gezien de transitie van het ene naar het anderekabinet, uiterst terughoudend te zijn en geen toezeggingen te doen inEuropees verband.AntwoordDe Kamer constateert terecht dat de Raad qua timing ongelukkig valt.Conform de gebruikelijke werkwijze is de geannoteerde agenda voorafmet uw Kamer gedeeld, zodat uw Kamer de gelegenheid heeft gehad omaanvullende inbreng mee te geven. Overigens zal Nederland tijdens deRaad van 23 februari hoogambtelijk worden vertegenwoordigd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 17644 Gemeenschappelijk Landbouwbeleid na 2027De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie betreuren het uitblijven vanachtergronddocumenten bij dit discussiepunt. Het maakt het voor henmoeilijk te controleren wat er met betrekking tot het GLB wordtbesproken, ondanks dat dit grote aandacht verdient. Daarom vragen dezeleden de Minister om toe te lichten waar zij verwacht dat de beleidsdis-cussie over zal gaan. Hebben andere lidstaten al kenbaar gemaakt welkeonderwerpen zij zelf aandragen? Wat draagt Nederland uit eigenbeweging aan bij de discussie?AntwoordHet Cypriotisch voorzitterschap heeft recent laten weten de GLB-specifiekenationale aanbevelingen te agenderen. Dit was nog niet bekend ten tijdevan het schrijven van de geannoteerde agenda. Nederland zal conformhet GLB BNC-fiche inzetten op het beperken van onnodige administratievelasten en voldoende helderheid voorafgaande aan de planvormingspe-riode, om zo het nationale planvormingsproces samen met de anderedepartementen, medeoverheden en belanghebbenden te bespoedigen.Het kabinet is van mening dat het Commissievoorstel verder gaat dannoodzakelijk waar het gaat om het opstellen van beleidsaanbevelingenvoor het GLB door de Commissie die de lidstaten in acht zouden moetennemen bij de implementatie van de GLB-doelstellingen. Deze beleidsaan-bevelingen komen bovenop de horizontale vereisten aan het NRP-planvanuit de NRPP-verordening en vormen een onnodige extra administra-tieve last voor de lidstaat. Bovendien kan de Commissie deze aanbevelingop elk moment aanpassen wat een extra belemmering vormt in het tochal complexe proces van het opstellen en goedkeuren van het plan. Hetkabinet vindt dat de GLB-specifieke aanbevelingen beperkt zoudenmoeten worden in aantal, omvang en detailniveau, gericht moeten zijn opgrensoverschrijdende uitdagingen en bescherming van de interne markten alleen gebaseerd moeten zijn op vaststaande juridische kaders en nietop bovenwettelijke beleidsambities. Het kabinet kijkt daarom kritisch naarde extra GLB-specifieke beleidsaanbevelingen bovenop de aanbevelingenuit het Europees semester voor het NRPP en zal zich ervoor inspannen omde beleidsaanbevelingen uit het voorstel te (laten) schrappen. Tegelijk zalhet kabinet ook voorstellen doen voor het verbeteren van het proces, voorgelijke behandeling tussen lidstaten, transparantie en duidelijkheid voorhet planvormingsproces.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken hierbij op dat er reedskritiek is geuit vanuit verschillende fracties uit het Europees Parlement enverschillende lidstaten over het GLB en het onderbrengen van middelen inhet NRPP. Zo is er kritiek op de hoogte van het GLB-budget en twijfel overof landbouwmiddelen dienen te worden ondergebracht in het NRPP ofniet. Wat vindt de Minister van het voorstel? Ook de Europese Reken-kamer heeft een opinie opgesteld over de nieuwe financieringsmethodiek(Europese Rekenkamer, 9 februari 2026, «concerning the proposals for aregulation of the European Parliament and of the Council establishing theconditions for the implementation of the Union support to the CommonAgriculture Policy for the period from 2028 to 2034 and a regulationamending Regulation (EU) No 1308/2013 as regards the school fruit,vegetables and milk scheme («EU school scheme»), sectoral interven-tions, [..], rules on the availability of supplies in time of emergencies andsevere crisis and securities» (https://www.eca.Europa.eu/nl/publications/OP-2026-05)). Hoe reageert de Minister op de bevindingen van deEuropese Rekenkamer? Welke kritische noten van de Europese Reken-kamer deelt zij en welke niet? Worden deze bevindingen besproken bij debeleidsdiscussie over het GLB?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 17645 AntwoordEr is nog geen formele kabinetsappreciatie van het rapport van deEuropese Rekenkamer (hierna: ERK) over de nieuwe financieringsme-thodiek, het kabinet bestudeert het rapport op dit moment. HetERK-rapport zal mogelijk wel geagendeerd worden in de toekomst doorhet Cypriotisch voorzitterschap. Indien dit het geval is, zal uw Kamermiddels de Geannoteerde Agenda geïnformeerd worden over dekabinetsinzet. Het kabinet heeft zorgen over de uitvoerbaarheid van hetgemeenschappelijk landbouwbeleid en het gelijk speelveld, zoalsaangegeven in het GLB-BNC-fiche (Kamerstukken 22 112, nr. 4145). Dezezorgen lijken (deels) door de ERK te worden bevestigd.Het kabinet is voorstander van de nieuw voorgestelde NRPP-structuur eneen meer op prestaties gericht, gemoderniseerd en flexibeler MFK, maarzet conform het GLB-BNC fiche kanttekeningen bij de haalbaarheidvanwege de korte termijn waarbinnen het GLB in de nieuwe structuurmoet worden uitgevoerd. Het kabinet ziet daarbij met name risico’s op hetgebied van uitvoeringskosten, uitvoeringscapaciteit, decommiterings-regels (over het vrijvallen van middelen als deze niet tijdig tot uitbe-steding zijn gekomen) en de implementatietermijn. Ondanks dat deCommissie stelt dat het voorstel leidt tot een vermindering van adminis-tratieve lasten, is het kabinet hier kritisch op en heeft zorgen over deuitvoerbaarheid en werkbaarheid van het voorstel. De nieuwe systematiekvraagt om zorgvuldige voorbereiding in nauwe samenwerking tussenministeries, medeoverheden en uitvoeringsorganisaties. In de huidigetijdlijn is er echter weinig tijd om dit zorgvuldig te doen, waardoor errisico’s ontstaan ten aanzien van hoge belasting van de uitvoerende enhandhavende diensten, hoge uitvoeringskosten, onduidelijkheden inuitvoering en conformiteitsrisico’s bij uitvoering van EU-wetgeving. Hetrisico daarbij is dat dit resulteert in een lager dan gewenste dienstver-lening aan de beoogde begunstigden. Nederland pleit daarom bij deCommissie om nu al rekening te houden met mogelijke overgangsbepa-lingen en een transitieperiode.Binnen de huidige structuren van de EU-fondsen blijkt het voor veelagrarische bedrijven bovendien al lastig om de weg naar een EU-fondsmet succes te volgen. De nieuwe structuur zou onderworpen kunnenworden aan een praktijktoets om een goed beeld te krijgen of het nieuwestelsel en de governance effectiever en drempelverlagend werken. Deopname van het GLB in de NRPP-structuur creëert extra coördinatietakenvoor zowel de beheersautoriteit als de uitvoerende en handhavendediensten. Betalingsaanvragen, prognoses van toekomstige betalingsaan-vragen en het jaarlijkse zekerheidspakket moeten bijvoorbeeld wordeningediend door de coördinerende autoriteit. Dit leidt tot een extrauitvoeringslaag. Extra coördinatielagen maken het misschien moeilijkerom tussentijdse wijzigingen door te voeren op het GLB-instrumentariumbinnen het NRP-plan. Het kabinet vraagt daarom aandacht voor debenodigde flexibiliteit om kleine wijzigingen door te kunnen voeren dieten goede komen van de uitvoering- en handhaving van deGLB-interventies. Enige flexibiliteit in het NRP-plan is noodzakelijk zodatGLB-interventies goed aansluiten bij de werkzaamheden op het boerenerfen in het landelijk gebied.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie wijzen erop dat de wijze vanfinanciering via het NRPP nog niet definitief is. Er is een reële kans dat dedeadline van 2027 niet wordt gehaald. Ten eerste vragen de leden welkegevolgen het heeft als er vertraging komt. Deze leden vragen of er tervoorbereiding al verschillende scenario’s zijn opgesteld over hoe om tegaan met financiering vanuit het NRPP, hoewel zij constateren datNederland terughoudend is terwijl het NRPP nog ter discussie staat. KanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 17646 de Minister deze met de Kamer delen, indien deze scenario’s zijnopgesteld? Deze leden vragen de Minister of zij voornemens is om deNRPP-middelen voornamelijk in te zetten voor het halen van juridischeopgaven, zoals het voldoen aan de Natuurherstelverordening en deKaderrichtlijn Water. Hoe voorziet de Minister in een eerlijke verdeling vanNRPP-middelen tussen betrokken ministeries? Zijn er al mogelijkeverdelingen uitgewerkt en zo ja, kunnen deze met de Kamer wordengedeeld? Hierbij benadrukken deze leden het belang dat landbouw- ennatuurbudget via het NRPP alle belangen dient die bij het GLB horen. Hoeziet de Minister de ideale verdeling van budget tussen directe inkomens-steun aan boeren en het versterken van de natuur en bodem?AntwoordDe Minister gaat ervan uit dat er tijdig duidelijkheid zal zijn over devolgende Europese begroting en de financiering van het NRPP. Daar zethet kabinet op in. Het kabinet erkent dat het tijdspad om te komen tot eentijdige invulling van het NRP-plan een uitdaging gaat zijn. Daarom is hettraject om te komen tot het plan inmiddels opgestart. Scenario’s over deinvulling van het plan en de verdeling van budgetten zijn nog nietgemaakt. Een integrale bijdrage van zowel het GLB als het NRPP aan deverschillende Europese doelen en uitdagingen in Nederland is uiteraardvan belang in de planvormingsfase, maar het proces is nog niet in de fasedat dergelijke concrete voorstellen voor verdeling van budgetten op tafelliggen.Diversen visserijDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben grote bezwaren tegende politieke keuze van de Staatssecretaris om af te zien van de conclusiesvan het Noordzeeoverleg (NZO) voor de invulling van de 1,2 procent vande zeebodem die conform het Noordzeeakkoord nog moet wordengevrijwaard van bodemberoerende visserij (Kamerstuk 33 450, nr. 139). Inplaats van de breedst mogelijke consensus in het NZO over te nemen,heeft de Staatssecretaris besloten om op het allerlaatste moment de kantvan de visserijsector te kiezen. Hiermee wordt de stem en de legitimiteitvan het NZO volgens deze leden ondermijnd.AntwoordEr is helaas geen consensus bereikt. Het is dan de verantwoordelijkheidvan de Staatssecretaris om een invulling te geven die past bij deverschillende belangen die spelen. Dit heeft hij gedaan en de conclusiesvan het NZO waren daarbij wel zoveel mogelijk het uitgangspunt.Deze leden wijzen op de beslisnota bij de desbetreffende brief (Kamerstuk2026D06224), waarin de Staatssecretaris terecht wordt gewezen op derisico’s voor het ondermijnen van het NZO. Tevens hebben de collega-bewindspersonen van Infrastructuur en Waterstaat (I&W) en Klimaat enGroene Groei (KGG) laten weten voorkeur te hebben voor het overnemenvan de NZO-conclusies. Kan de Staatssecretaris direct op deze punteningaan en concreet onderbouwen dat zijn keuze om af te wijken van debreedst mogelijke consensus recht doet aan het vertrouwen binnen hetNZO, de bescherming van de zeenatuur en de brede belangenafwegingdie hij samen met de Ministers van I&W en KGG dient te betrachten? Hoereageren de partijen van het NZO op de keuze van de Staatssecretaris?AntwoordHet NZO is een op consensus gericht overlegorgaan. De visserijsectorheeft niet ingestemd met de NZO-conclusies. Er ontbreekt dus consensusin het NZO. De Staatssecretaris heeft daarom gekozen voor een aange-paste invulling. Hierbij heeft de Staatssecretaris rekening gehouden metTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 17647 het deel waarover in het NZO overeenstemming is, met nadrukkelijkeaandacht voor natuurwaarden. Ook houdt de Staatssecretaris rekeningmet het voorstel van de visserijsector, dat om procesmatige redenen nietin het NZO is behandeld. Met de aangepaste invulling worden evengoedecologisch relevante gebieden beschermd. De Staatssecretaris waardeertde inzet van het NZO enorm. De partijen van het NZO hebben nog nietofficieel gereageerd op de invulling van de Staatssecretaris.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de Staatssecretaris omop basis van wetenschappelijke inzichten het afzien van het advies van deNZO-conclusies te rechtvaardigen. Deze leden wijzen erop dat de Kamergeen tijd heeft gekregen om dit voorstel te bespreken en dus niet in debatheeft kunnen gaan over de voor- en nadelen van het doorkruisen van deNZO-conclusies door de Staatssecretaris. Tevens wijzen zij erop dat deStaatssecretaris zich in demissionaire staat bevindt en terughoudenddient te zijn in het maken van controversiële besluiten. Kan de Staatsse-cretaris toezeggen deze invulling van de 1,2 procent niet door te latengaan en deze keuze aan zijn opvolger te laten?AntwoordDe Staatssecretaris kan niet toezeggen de invulling van 1,2% bodembe-scherming niet door te laten gaan en aan zijn opvolger te laten. Op4 februari 2026 heeft een meerderheid van de Kamer de motie van het lidBromet (GroenLinks-PvdA), waarin de regering wordt verzocht om hetbesluit over de invulling van de 1,2% over te laten aan het nieuwe kabinet,verworpen. Bodembeschermende maatregelen raken de visserijsectorhard (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1757). Het afzien van het advies van deNZO-conclusie kan de Staatssecretaris rechtvaardigen met het feit dat inhet NZO helaas geen consensus is bereikt, omdat de visserijsector hierniet in mee kon gaan. Ook is belangrijk dat uit de Joint Fact Finding blijktdat het gebied grenzende aan het Friese Front dat de Staatssecretaris nusluit ook ecologisch relevant is. Maar veel minder impact heeft op devisserij. Nu besluiten over de invulling van de 1,2% bodembeschermingbetekent dat de Noordzeeakkoord-deadline van 2030 nog realistisch is (inverband met de doorlooptijd via het gemeenschappelijk visserijbeleid).Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractieDe leden van de PVV-fractie hebben de volgende vragen en opmerkingennaar aanleiding van de geannoteerde agenda voor de Landbouw- enVisserijraad van februari 2026.Verslag van de Landbouw- en Visserijraad van 26 januari 2026 – Import-quota Oekraïne en de positie van de Nederlandse boerDe leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de analyse vanWageningen Social & Economic Research (WSER) over de uitbreiding vanimportquota voor agrarische producten uit Oekraïne (Kamerstuk2026D05455). Hoewel de conclusie luidt dat er geen «duidelijke aanwij-zingen» zijn dat deze import de prijsvorming of concurrentiepositie van deNederlandse landbouw bedreigt, signaleren andere lidstaten zoals Polenwel degelijk grote zorgen over eerlijke concurrentie en wederkerigheid.Kan de Minister garanderen dat de Nederlandse belangen niet wordenopgeofferd aan geopolitieke doelstellingen en is zij bereid om, als depraktijk weerbarstiger blijkt dan de modellen van de WSER, direct inBrussel aan de rem te trekken voor onze eigen gevoelige sectoren?AntwoordIn de vastgestelde afspraken is rekening gehouden met zorgen vanEuropese landbouwproducenten rondom gevoelige productgroepen,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 17648 waaronder ook landbouwproducten die voor Nederlandse boerenmogelijk onderhavig zijn aan marktverstoringen, zoals suiker, eieren enpluimveevlees. Op deze producten zijn de tariefcontingenten minder ofniet uitgebreid. Hierdoor zullen de importvolumes niet hoger liggen dan invoorgaande jaren.Zoals aangegeven in de appreciatie van het kabinet (Kamerstukken 36 045,nr. 214) hebben de EU en Oekraïne daarnaast de mogelijkheid tot hetnemen van vrijwaringsmaatregelen op alle additionele tariefcontingentenin het geval van marktverstoringen met negatieve consequenties. Voor deEU kan dit ook het geval zijn bij marktverstoringen in één of enkelelidstaten. Dit was eerder onder de Deep and Comprehensive Free TradeArea (DCFTA) nog niet mogelijk.Verslag van de Landbouw- en Visserijraad van 26 januari 2026, punt 2Onwerkbare controleverordeningen in de visserijDe leden van de PVV-fractie spreken ten aanzien van de visserijsector hungrote zorgen uit over de implementatie van de Controleverordening enhet CATCH-systeem. Tijdens de Landbouw- en Visserijraad van 26 januarijongstleden hebben Nederland en zeven andere lidstaten indringendgewezen op de problemen bij de implementatie van het digitale CATCH-systeem, zoals blokkades van visproducten in havens door de te korteimplementatietijd. Een belangrijke oproep, want Nederland is een helebelangrijke importeur van visproducten. De reactie van de EuropeseCommissie (EC) tijdens deze vergadering was echter weinig tegemoet-komend: zij noemde de lancering van CATCH een groot succes enverwees de lidstaten naar hun eigen verantwoordelijkheid voor hettrainen van marktdeelnemers. Kan de Staatssecretaris aangeven wat ersinds de oproep op 26 januari 2026 is gebeurd?AntwoordSinds de inwerkingtreding van CATCH per 10 januari 2026 heeftNederland de signalen over problemen bij de implementatie blijvendonder de aandacht van de Europese Commissie (CIE) gebracht. Deproblemen zien met name op de werking van het ICT-systeem waarvoorde CIE verantwoordelijk is. De afgelopen weken heeft de CIE gefaseerdwijzigingen doorgevoerd die de werking van CATCH moeten verbeteren.Hoewel dit op enkele onderdelen resultaten heeft opgeleverd, blijvenbelangrijke onderdelen niet naar behoren functioneren. Ook dit heeftNederland de afgelopen tijd bij de CIE aangegeven. Bij het aankaarten vande signalen trekt Nederland ook op met andere Europese lidstaten. DeNVWA heeft op dit moment aanvullende capaciteit beschikbaar omindividuele ondernemers te ondersteunen bij het gebruik van het systeemen de correcte registratie van de benodigde gegevens. De NVWA gaat indeze overgangsperiode pragmatisch om met de handhaving, waarbij delegale herkomst van de visserijproducten gewaarborgd blijft. Daarbijwordt er binnen de mogelijkheden van CATCH gekeken welke oplossingengeboden kunnen worden.CATCH-systeem verder doorontwikkelenDe leden van de PVV-fractie lezen dat Nederland zich in de Landbouw- enVisserijraad heeft aangesloten bij de brede steun voor de oproep om hetCATCH-systeem verder door te ontwikkelen. De inzet van de Staatssecre-taris is erop gericht dat er een systeem komt dat werkbaar is voorimporteurs en exporteurs, om de huidige blokkades in havens op teheffen. Hoewel de EC stelt dat de lidstaten zelf verantwoordelijk zijn voorde training, blijft Nederland aandringen op technische oplossingen vanuitBrussel om de disproportionele gevolgen voor de sector te beperken. WatTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 17649 gaat de Staatssecretaris doen om te garanderen dat er een werkendsysteem komt?AntwoordDe verantwoordelijkheid voor de (door)ontwikkeling van CATCH ligt bij deCommissie. Ook het doorvoeren van de noodzakelijke wijzigingen enupdates moet door de Commissie gedaan worden. Nederland probeerthierbij zo concreet mogelijk bij de Commissie aan te geven wat er nodig isom het systeem voor zowel de visserijsector als de controledienstwerkbaar te maken. Dit wordt zoveel mogelijk in samenspraak met andereEuropese lidstaten gedaan. Over de Nederlandse inzet heeft de Staatsse-cretaris goed contact met de Nederlandse visserijsector.Vissers worden disproportioneel gestraftDe leden van de PVV-fractie vinden het onaanvaardbaar dat vissersdisproportioneel worden gestraft voor kleine foutmarges (onder de 50kilogram) en dat het digitale CATCH-systeem zonder fatsoenlijkeovergangsfase wordt doorgedrukt met blokkades in havens tot gevolg.Waarom heeft de Minister in de Landbouw- en Visserijraad ingestemd methet standpunt dat er «geen juridische ruimte» is voor een overgangsfase,terwijl onze vissers hiermee feitelijk met de rug tegen de muur wordengezet?AntwoordZoals de Staatssecretaris heeft aangegeven in het tweeminutendebat overde Raad van 26 januari 2026 (Kamerstukken 21 501-32, nr. 1728) is dedatum waarop de herziene controleverordening (Verordening (EG)1224/2009) en herziene verordening tegen illegale, ongemelde enongereglementeerde visserij (IOO-Verordening; Verordening (EG)1005/2008) in werking treden vastgelegd in de wijzigingsverordening(Verordening (EU) 2023/2842). De inwerkingtreding vindt gefaseerd plaatsen voor de wijzigingen in de elektronische logboeken en het digitaleCATCH-systeem betrof dit 10 januari 2026. Een overgangsfase is zonderaanpassing van de verordening niet mogelijk en aanpassing van deverordening behoeft een langdurig proces. De Staatssecretaris zet zicherop in om gedurende de implementatiefase van de herziene controle-maatregelen pragmatisch om te gaan met de handhaving waarbij delegale herkomst van de visserijproducten gewaarborgd blijft. Op dezemanier moet voorkomen worden dat vissers disproportioneel wordengestraft, met name als dit door technische tekortkomingen van hetsysteem komt.Betaalbaarheid van meststoffen en CBAMDe leden van de PVV-fractie steunen de oproep van Oostenrijk en anderelidstaten om de negatieve effecten van het Europese Unie(EU)-douanebeleid en het Carbon Border Adjustment Mechanism (CBAM)op de prijzen van kunstmest te mitigeren. De Nederlandse boeren kampenmet torenhoge productiekosten. Het is dan ook onbegrijpelijk dat hetkabinet slechts een «studievoorbehoud» plaatst bij voorstellen om deCBAM-toepassing op kunstmest tijdelijk op te schorten. Is de Ministerbereid om zich in de komende Landbouw- en Visserijraad onvoorwaar-delijk achter de eis voor opschorting van deze extra lasten te scharen omde voedselproductie betaalbaar te houden?AntwoordZoals gebruikelijk bij nieuwe Commissievoorstellen ontvangt de Kamer opkorte termijn de kabinetsappreciatie middels een BNC-fiche. Het is tevensTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 176410 gebruikelijk een studievoorbehoud te plaatsen in de Raad, totdat deKamer hiervan kennis heeft kunnen nemen.SCoPAFF-vergadering gewasbeschermingsmiddelen januari 2026 – punt3: Herbeoordeling van gewasbeschermingsmiddelen (TFA)De leden van de PVV-fractie zijn zeer kritisch op het besluit van het Collegevoor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb)om 46 gewasbeschermingsmiddelen tussentijds te herbeoordelenvanwege de metaboliet trifluororazijnzuur (TFA). Terwijl de EC hetreguliere proces wil afwachten, kiest Nederland voor een nationale kopdie de beschikbaarheid van essentiële middelen voor onze akkerbouwersernstig in gevaar brengt. Kan de Minister bevestigen dat deze«zorgvuldige herbeoordeling» niet zal leiden tot een kaalslag in hetmiddelenpakket voordat er volwaardige alternatieven zijn en hoe verhoudtdit zich tot het streven naar een gelijk speelveld binnen de EU?AntwoordHet besluit van het Ctgb om de betreffende middelen te herbeoordelen isgebaseerd op nieuwe wetenschappelijke informatie uit Denemarken. Dit iseen eigenstandig besluit van het Ctgb waar de Kamer op 19 januari 2026over is geïnformeerd (Kamerstuk 27 858, nr. 739). Ook andere Europeselanden, zoals Zweden en Noorwegen, zullen TFA-vormende middelenherbeoordelen. De Minister is zich terdege bewust van de mogelijkegevolgen voor de beschikbaarheid van gewasbeschermingsmiddelen inde Nederlandse landbouw. Daarom heeft de Minister, in lijn met wat hetCtgb heeft geadviseerd, de WUR gevraagd om een eerste impactanalyseuit te laten voeren voor de middelen die nu worden herbeoordeeld. Opbasis van de uitkomsten van deze impactanalyse, die de Minister in hettweede kwartaal van dit jaar verwacht, zal een bredere landbouwkundigeinventarisatie worden uitgevoerd en zal samen met de sector wordengekeken naar alternatieve middelen en maatregelen.Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractieDe leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de agenda voorhet schriftelijk overleg van de vaste commissie voor de Landbouw- enVisserijraad in februari 2026 en hebben enkele vragen.De leden van de CDA-fractie constateren dat diverse GLB-bepalingenworden ondergebracht in de voorgestelde NRPP-verordening in het kadervan de herziening van het GLB. Twintig lidstaten hebben voorgesteld omeen aantal van deze bepalingen over te hevelen naar de GLB- of gemeen-schappelijke marktordeningen (GMO)-verordening, afhankelijk van waardeze inhoudelijk het beste passen. Nederland is geen medeondertekenaarvan dit voorstel. Deelt de Minister de zorg dat opname vanGLB-bepalingen in het generieke NRPP-kader de gerichte uitwerking eneffectiviteit van het GLB, waaronder ecoregelingen en agromilieumaat-regel, kan verzwakken?AntwoordNederland heeft, conform het met uw Kamer gedeelde BNC-fiche, hetpleidooi van deze twintig lidstaten niet gesteund. Intussen is onder leidingvan het Cypriotisch voorzitterschap een compromis gevonden om eenaantal artikelen over te hevelen naar de GLB-verordening. Daarmee heeftNederland ingestemd, eveneens conform de strekking van het met uwKamer gedeelde BNC-fiche.De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de opinie van deEuropese Rekenkamer over het onderbrengen van de GLB-gelden onderhet NRPP. Deze leden delen de zorg dat deze verschuiving, in combinatieTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 176411 met mogelijk ruime nationale cofinanciering in sommige landen enbeperkte harmonisatie zonder plafond, kan leiden tot toenemendeverschillen tussen lidstaten en daarmee een ongelijk speelveld. Hoebeoordeelt de Minister deze waarschuwing en deelt zij de zorg dat deverschuiving kan leiden tot verstoring van het speelveld?AntwoordNederland deelt deze zorg en pleit voor waarborgen in de Europesewetgeving om de interne markt en het gelijk speelveld te beschermen.De leden van de CDA-fractie hebben vernomen dat er in de sectorterughoudendheid kan zijn in het melden van oneerlijke handelspraktijkenvanwege de angst voor de gevolgen van deze melding voor de onder-nemer. Deze leden zien het belang van de Richtlijn oneerlijke handelsprak-tijken (OHP) en zien daarom ook graag dat deze dusdanig wordt benut dathet haar doel behaalt. Wat wil de Minister doen aan meer kennis over enbewustwording rondom de Richtlijn OHP zodat boeren minder terug-houdend zijn in het gebruik ervan?AntwoordDe Minister is zich ervan bewust dat ondernemers terughoudend kunnenzijn in het melden van oneerlijke handelspraktijken, omdat zij verwachtendat een melding de relatie met een afnemer kan schaden en gevolgen kanhebben voor hun omzet. Dat is onwenselijk. Uit de evaluatie van de WetOHP komt naar voren dat deze terughoudendheid vooral samenhangt metzorgen over de anonimiteit van de klager. De Minister verken wat ermogelijk is om de anonimiteit van melders beter te waarborgen.Tegelijkertijd is uit de evaluatie naar voren gekomen dat er van de WetOHP een normerende en preventieve werking uit en is de wet ook op diemanier doelmatig en doeltreffend. Het is voor leveranciers en afnemers inde keten duidelijker dan voorheen wat wel en wat niet is toegestaan. Ditwordt bevestigd door de contractwijzigingen die na invoering van de WetOHP zijn waargenomen.De leden van de CDA-fractie hechten veel belang aan leefbaarheid in hetlandelijk gebied en de ontwikkeling van het platteland. Kan de Ministeraangeven wat de inzet van Nederland is in de onderhandelingen over hetGLB voor 2028 tot en met 2035 op het onderwerp plattelandsontwik-keling?AntwoordEerder ontving u het GLB-BNC fiche waarin deze inzet verwoord is(Kamerstukken 22 112, nr. 4145). Conform dit fiche verwelkomt het kabinetde aandacht die uitgaat naar het verbeteren van de leefomstandighedenen de aantrekkelijkheid van het landelijk gebied in de Commissievoor-stellen. Dit, ook in het licht van het beperken van de sociaaleconomischeeffecten van de natuur- en stikstofopgaven op het landelijk gebied. Hetkabinet zet zich in Europees en nationaal verband in voor meer synergietussen bijvoorbeeld het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsont-wikkeling (ELFPO) en het cohesiebeleid. Voor een leefbaar landelijk gebiedzijn namelijk ook interventies buiten het GLB van belang, bijvoorbeeldvoor economie en werkgelegenheid. Conform het BNC-fiche zet hetkabinet zich in voor de bestendiging, professionalisering en versterkingvan het instrument LEADER. Met dit instrument worden lokale initiatievendie bijdragen aan een sociaal, economisch of ecologisch vitaal landelijkgebied gesteund. Voor de precieze invulling van het onderwerp platte-landsontwikkeling voor de volgende GLB-periode binnen het NRPP zal hetvolgende kabinet in de nationale planvormingsfase keuzes maken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 176412 De leden van de CDA-fractie vinden de inzet op generatievernieuwing inde GLB-onderhandelingen relevant en zien de waarde daarvan. Dezeleden zien graag dat generatievernieuwing en het stimuleren van jongeboeren hoog op de agenda van de Nederlandse inbreng staat. Voor dezeleden is de positie van de vrouw in de landbouw en in het landelijk gebiednauw verbonden met generatievernieuwing. In het GLB wordt dit themadaarom als onderdeel van de brede doelstellingen erkend. Kan deMinister aangeven wat de inzet van Nederland is in de onderhandelingenover het GLB voor 2028 tot en met 2035 op het de inzet voor generatiever-nieuwing en de positie van de vrouw?AntwoordHet kabinet steunt de inzet van de Commissie op het gebied van genera-tievernieuwing in de agrarische sector, zoals het opstellen van eenintegrale strategie voor generatievernieuwing en het maken van eenstarterspakket voor jonge landbouwers, aangezien generatievernieuwingbelangrijk is voor het kabinet. Het kabinet zal dan ook pleiten voor hetoormerken van 6% binnen het beschikbare GLB-budget voor generatiever-nieuwing. Specifiek ten aanzien van de positie van de vrouw in delandbouw binnen het GLB heeft het kabinet nog geen formele positie, datis aan een volgend kabinet. Uiteraard draagt de Minister dit thema weleen warm hart toe.De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het onderzoekvan Buro naar de risico’s van geïmporteerde rozen uit niet-EU landen voormens en milieu. Het hanteren van verschillende normen kan leiden tot eenongelijk speelveld op de markt, waarbij Europese producenten wordenbenadeeld. Tevens blijkt dit te leiden tot verstoring in het afvalverwer-kingssysteem wat schadelijk is voor de kwaliteit van ons compost en decirculaire economie. Tijdens het vragenuur van 10 februari 2026 was hierook al aandacht voor. Is de Minister bereid zich in te zetten voor hetinstellen van dezelfde normen voor residuen van gewasbeschermings-middelen in de productie buiten de EU als voor binnen de EU? De ledenvan de CDA-fractie vinden het belangrijk dat er duidelijkheid is over deinzet van Nederland op het instellen van gelijke normen voor residuen vangewasbeschermingsmiddelen in de productie buiten de EU. Welkeconcrete actie gaat de Minister hiertoe ondernemen en wat zal zij doenom de naleving van de regels ook te waarborgen? De leden van deCDA-fractie vragen de Minister ook of zij wil onderzoeken hoe importeursvan snijbloemen medeverantwoordelijk kunnen worden gemaakt voorrisico’s en kosten die ontstaan wanneer residuen via de afval- encompostketen in het milieu terechtkomen.AntwoordHet kabinet hecht groot belang aan de bescherming van mens, dier enmilieu, waaronder de bescherming van consumenten en werknemers inde bloemenketen. Dit is ook verwoord in de reactie naar uw Kamer op hetonderzoek van Buro (Kamerstuk 27 858, nr. 740). Het kabinet acht het vanbelang dat eventuele aanvullende eisen aan residuen op geïmporteerdebloemen op Europees niveau worden ontwikkeld en vastgesteld. Dit isnoodzakelijk om een gelijk speelveld binnen de interne markt tewaarborgen en om juridische en handelsbelemmeringen te voorkomen.Sinds 2017 heeft de Commissie met verschillende lidstaten discussiegevoerd over residuen op snijbloemen. Nederland blijft hierbij inzetten opeen effectieve uitvoering en handhaving van de bestaande Europeseregelgeving en neemt actief deel aan de Europese overleggen op ditonderwerp. De Commissie heeft daarnaast aangekondigd in de visie voorlandbouw en voedsel een principe vast te willen stellen dat de meestgevaarlijke bestrijdingsmiddelen die in de EU om gezondheids- enmilieuredenen verboden zijn, niet via geïmporteerde producten weer in deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 176413 EU mogen worden toegelaten. Daartoe werd een impact assessmentvoorgesteld, dat op 25 november 2025 gestart is en waarvan de resultatenverwacht worden in de zomer van 2026.Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben met interesse kennisgenomen van degeannoteerde agenda van de Landbouw- en Visserijraad van 23 februari2026. Deze leden hebben daarover nog een aantal vragen.De leden van de BBB-fractie maken zich veel zorgen over de overhevelingvan het GLB naar NRPP. Op dit moment helpen GLB-gelden agrariërs ensamenlevingen te verduurzamen dankzij ecoregelingen en GLMC’s.Bovendien is het geld daadwerkelijk beschikbaar voor de landbouwsector.Door de gepresenteerde voorstellen zou grote vertraging kunnen ontstaanin uitbetalingen, omdat de complexe systematiek veel besluitvorming opnationaal niveau vraagt. Bovendien is maar een zeer klein deel van hetbudget geoormerkt voor GLB, waardoor volstrekt onduidelijk is hoeveelgeld daadwerkelijk bij de landbouwsector terecht zal komen, zoals dat isbedoeld. Kan de Minister hierop reflecteren en ziet zij mogelijkheden omdit risico te verkleinen? Hoe gaat de Minister voorkomen dat decomplexere GLB-structuur leidt tot vertragingen in betalingen aanNederlandse boeren? Welke maatregelen neemt zij om te zorgen datNederlandse agrariërs niet verdwaald raken in nog meer administratievelagen en nationale regels? Twintig lidstaten hebben een voorstel gedaanom een groot deel van de NRPP-verordening over te hevelen naar despecifieke GLB-verordeningen. Daarmee willen zij de verantwoordelijkheidvoor de verdeling weghalen bij individuele lidstaten en neerleggen bij delandbouwministers in de Landbouw- en Visserijraad. Hoe kijkt de Ministernaar dit voorstel? Kan zij daarnaast toelichten waarom Nederland hetvoorstel niet heeft gesteund?AntwoordDe Minister is zich ervan bewust dat boeren vooraf duidelijkheid nodighebben. Daarom zet de Minister in op tijdige besluitvorming over deEU-wetgeving en de invulling van het NRP-plan. Het tijdig kunnen blijvenuitbetalen van GLB-steun is voor de Minister een belangrijk uitgangspunt.Het kabinet zal daarom parallel aan het onderhandelingsproces in de EUstarten met de invulling van het NRP-plan.Nederland heeft, conform het met uw Kamer gedeelde BNC-fiche, hetpleidooi van deze twintig lidstaten niet gesteund. Intussen is onder leidingvan het Cypriotisch voorzitterschap een compromis gevonden om eenaantal artikelen over te hevelen naar de GLB-verordening. Daarmee heeftNederland ingestemd, eveneens conform de strekking van het met uwKamer gedeelde BNC-fiche.De leden van de BBB-fractie hebben ook het advies van de EuropeseRekenkamer gelezen over de gepresenteerde GLB-voorstellen. Dat adviesis zeer kritisch en waarschuwt voor een veel grotere kans op oneerlijkeconcurrentie door de mate van flexibiliteit voor individuele lidstaten. Dezeleden zien dat er op dit moment in veel gevallen voor Nederlandseagrariërs problemen zijn met oneerlijke concurrentie doordat in Nederlandbepaalde regels strenger zijn dan in andere Europese lidstaten en vrezendat nog meer oneerlijke concurrentie een groot risico vormt voor devoedselproductie in Nederland. Kan de Minister hierop reflecteren enherkent zij de risico’s die door de Rekenkamer worden geschetst? Hoegaat de Minister voorkomen dat Nederlandse boeren op achterstandkomen te staan als andere lidstaten ruimhartigere invulling geven aansteun, vergroening of uitzonderingen? Wat is de Nederlandse inzetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 176414 richting de EC om te zorgen dat er duidelijke minimumkaders komen voorcruciale definities zoals «actieve landbouwer»? Hoe gaat de Ministermonitoren dat Nederlandse belangen beschermd blijven wanneer anderelidstaten de geboden flexibiliteit maximaal benutten?AntwoordHet gelijk speelveld is een groot aandachtspunt voor het kabinet. Hetkabinet verwelkomt de ruimte voor lidstaten om eigen keuzen te maken inhet Commissievoorstel. Een aandachtspunt daarbij is de wijze waaropklimaat- en milieudoelstellingen binnen het GLB Europees wordengeborgd. In het huidige GLB is hierbij een minimale inzet afgesprokenvoor agromilieu- en klimaatacties. Hoewel het nieuwe voorstel lidstatenmeer flexibiliteit biedt om het beleid af te stemmen op nationale omstan-digheden, brengt het ook het risico met zich mee dat de ambities op hetgebied van natuur, milieu en klimaat, diergezondheid en dierenwelzijnuiteen gaat lopen tussen lidstaten. Dat zou volgens het kabinet een stapterug zijn omdat dit gevolgen kan hebben voor de gezamenlijke impactvan het GLB op deze terreinen, die juist grensoverschrijdend zijn. Hetkabinet is daar dan ook kritisch over. Daarom zal het kabinet vragen om deongewenste effecten te voorkomen en een vergelijkbare inzet tussenlidstaten te verzekeren. Op die manier moet vooral ook een internationaalgelijk speelveld worden gewaarborgdDe leden van de BBB-fractie hebben ook een aantal vragen over degevolgen van de uitbreiding van de importquota voor agrarischeproducten uit Oekraïne voor de Nederlandse markt. Deze leden zien datzeker de import van pluimveevlees en eieren vanuit Oekraïne deafgelopen jaren fors is toegenomen. Kan de Minister toelichten hoe wordtvoorkomen dat de aanzienlijke importaandelen van Oekraïensepluimveevlees- en eierproducten (die inmiddels respectievelijk circa 45procent en 73 procent uitmaken van de totale Nederlandse import uit nietEU-landen) de positie van Nederlandse producenten structureelverzwakken? Kan de Minister een reflectie geven op de risico’s voor deNederlandse pluimveesector nu die importvolumes van Oekraïenspluimveevlees in tien jaar meer dan verviervoudigd zijn?AntwoordAfgelopen jaar lagen de prijzen voor kippenkarkassen, kippenborstfilet eneieren in de EU op een relatief hoger niveau dan de jaren ervoor. Mede alsgevolg van vogelgriepuitbraken was de Europese productie in meerderelidstaten verlaagd, waaronder in Nederland. Import kan dan voor een deelaan de interne vraag voldoen. De Minister is het met u eens dat daarbijwel blijvend aandacht moet zijn voor de positie van de Nederlandseproducent.Het door tariefcontingenten gereguleerde systeem voor import naar deEU werd vanwege de noodzaak voor economische steun aan Oekraïne nade invasie van Rusland in 2022 tijdelijk geliberaliseerd voor producten uitOekraïne. Vanwege de toegenomen concurrentie voor Europese produ-centen zijn de tariefcontingenten voor pluimveevlees, eieren enei-producten afgelopen jaren in stappen weer beperkt en zijn deze meteen wijziging van het Associatieakkoord vorig najaar nog sterker beperkt.Dit heeft tot doel de concurrentiepositie van EU-producenten tebeschermen. Daarnaast is een vrijwaringsclausule in het Associatieak-koord opgenomen die kan worden geactiveerd als sprake is van eventueleernstige nadelige markteffecten. De Commissie en lidstaten monitoren demarktsituatie van alle gevoelige landbouwproducten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 176415 Het aandeel import van pluimveevleesproducten uit Oekraïne op deinterne markt van de EU, waaronder via Nederland, was mede als gevolgvan de tariefliberalisatie de afgelopen vier jaar sterk gegroeid. Dit ginggrotendeels ten koste van het aandeel import van pluimveevleespro-ducten uit andere derde landen als Thailand en Brazilië. Handelscijfersover 2025 en het effect van de wijziging van het Associatieakkoord op deimportstromen en eventuele markteffecten zijn nog niet beschikbaar.De leden van de BBB-fractie maken zich zorgen over de productiestan-daarden waaronder deze producten zijn geproduceerd. Kan de Ministerspecifiek aangeven hoe wordt gecontroleerd dat Oekraïense pluimveebe-drijven daadwerkelijk voldoen aan de EU-dierenwelzijnsnormen, waarvande implementatie volgens de notitie juist aanzienlijke investeringen vergten voor veel Oekraïense bedrijven niet realistisch lijkt op korte termijn?Hoe beoordeelt de Minister het risico dat producten uit Oekraïne wordengeproduceerd met (diergenees)middelen die in de EU verboden zijn,terwijl de notitie aangeeft dat naleving en controlecapaciteit in Oekraïneaanzienlijk moet worden opgebouwd? Wat zijn de risico’s voor introductievan multiresistente bacteriën in Nederland als bij Oekraïens pluimveeantibiotica zijn gebruikt die in Nederland niet mogen worden gebruikt?Hoe beoordeelt u het risico dat de economische voordelen van Oekraïenseexport vooral liggen bij een klein aantal grote agro-concerns?AntwoordAlle import moet voldoen aan de eisen van Europese voedselveiligheid.Dit wordt aan de buitengrenzen gecontroleerd. Dit geldt ook voor importuit Oekraïne.Met de herziening van het Associatieakkoord tussen de EU en Oekraïne in2025 zijn er voorwaarden gesteld aan het verruimde deel van de markt-toegang. In het Associatieakkoord waren al afspraken gemaakt voorovername van Europese sanitaire- en fytosanitaire regelgeving doorOekraïne. Het aantal regelingen dat Oekraïne moet overnemen isuitgebreid met de herziening. Hier valt ook regelgeving onder voor hetgebruik van (diergenees)middelen. De Commissie ziet toe op devoortgang van de implementatie van de afspraken uit het Associatieak-koord. Daaronder valt ook de implementatie in de uitvoering en deinrichting van de controle door de Oekraïense handhavingsautoriteit.Nederland ondersteunt de Oekraïense toezichthouder praktisch metadvies over de inrichting van het toezicht en handhaving.De leden van de BBB-fractie vragen aan de Staatssecretaris of hij al heeftgesproken met andere landen over de uitvoering van de motie van het lidVan der Plas (BBB) over kleinschalig internationaal pulsonderzoek(Kamerstuk 21 501-32, nr. 1738).Antwoord13 februari jl. heeft de Staatssecretaris zijn inzet op de motie Van der Plas– den Hollander (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1738) over kleinschaligonderzoek naar de pulsvisserij gedeeld met uw Kamer. Hierin heeft deStaatssecretaris aangegeven zich in te zetten voor gesprekken metnaburige landen en wetenschappelijke instellingen om te zien ofgezamenlijk onderzoek mogelijk is, teneinde het draagvlak te verhogen.Deze gesprekken lopen op dit moment. Hierover zal de Kamer uiterlijkvoor het zomerreces, maar zoveel eerder als mogelijk, worden geïnfor-meerd. De Staatssecretaris wil hierbij ook graag benadrukken dat hij deafgelopen twee jaar geen kans onverlet heeft gelaten om het innovatieveen duurzame karakter van het pulstuig bij de Europese collega’s tebenadrukken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 176416 De leden van de BBB-fractie constateren dat sinds 10 januari 2026 hetgebruik van CATCH is verplicht voor de import van visproducten uit derdelanden en dat tijdens de Landbouw- en Visserijraad van 26 januarijongstleden negentien lidstaten hun zorgen hebben uitgesproken over hetfunctioneren van dit systeem. Deze leden vragen de Staatssecretaris water sinds deze gezamenlijke oproep concreet is gebeurd om CATCH tevereenvoudigen, te stabiliseren en werkbaar te maken? Welke mitigerendemaatregelen worden per direct getroffen om te voorkomen dat viszen-dingen in Nederlandse havens vaststaan als gevolg van problemen inandere lidstaten? Herkent de Staatssecretaris de signalen datEU-gevestigde expediteurs volledig aan de verplichtingen moetenvoldoen terwijl zij afhankelijk zijn van gegevens van niet-EU exporteursdie zes maanden extra implementatietijd hebben? Hoe beoordeelt deStaatssecretaris deze ongelijke situatie? Is de Staatssecretaris bereid inBrussel te pleiten voor een tijdelijke overgangsregeling, gedifferentieerdehandhaving of een pragmatische noodoptie zoals tijdelijk parallel gebruikvan nationale systemen bij aantoonbare storingen? Welke concreteverbeteringen zijn sinds de laatste release doorgevoerd? Wil de Staatsse-cretaris samen met de sector het initiatief nemen voor een fysiek overlegmet de EC over knelpunten en verbeterdoelen? Hoe staat het met deinteroperabiliteit met belangrijke derde landen?AntwoordSinds de inwerkingtreding van CATCH per 10 januari 2026 heeftNederland de signalen over problemen bij de implementatie blijvendonder de aandacht van de Commissie gebracht. De problemen zien metname op de werking van het ICT-systeem waarvoor de Commissieverantwoordelijk is. De afgelopen weken heeft de Commissie gefaseerdwijzigingen doorgevoerd die de werking van CATCH moeten verbeteren.Hoewel dit op enkele onderdelen resultaten heeft opgeleverd, blijvenbelangrijke onderdelen niet naar behoren functioneren. De Staatssecre-taris zet zich er op in om gedurende de implementatiefase van CATCHpragmatisch om te gaan met de handhaving waarbij de legale herkomstvan de visserijproducten gewaarborgd blijft.Door implementatieproblemen in andere lidstaten is er ook oponthoudgeweest in Nederlandse havens waar de Nederlandse autoriteiten geenverantwoordelijkheid voor hadden. Nederland heeft aangedrongen omdergelijke zendingen ook voor de Nederlandse autoriteiten zichtbaar temaken. Op deze die manier kan kunnen de Nederlandse autoriteitenmeedenken over mogelijke oplossingen meegedacht worden om totoplossingen te komen. De Staatssecretaris pleit verder bij de CIE voor hetbehoud van het gelijke speelveld tussen de lidstaten en ook voor eensnellere aansluiting van derde landen op het systeem. Op basis van deEuropese verordening zijn derde landen dit echter niet verplicht. De CIEvoert de gesprekken met deze derde landen hierover.Ten slotte is uitstel van de implementatie niet mogelijk zoals de Staatsse-cretaris ook heeft aangegeven in het tweeminutendebat over de Raad van26 januari 2026 (Kamerstukken 21 501-32, nr. 1728). De implementatie-datum is vastgelegd in de wijzigingsverordening (Verordening (EU)2023/2842). De komende tijd blijft de Staatssecretaris met alle partijen ingesprek over de Nederlandse situatie. Daarnaast zal de Staatssecretaris deknelpunten blijven benoemen bij de CIE om te komen tot werkbareoplossingen in de praktijk. Om dergelijke signalen kracht bij te zettenmoedigt de Staatssecretaris de visserijsector aan om hun knelpunten enverbeterdoelen zelf en middels hun Europese koepels te blijvenaankaarten bij de Commissie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 176417 De leden van de BBB-fractie maken zich zorgen over de implementatie vande toegestane foutmarge tussen vangstschatting aan boord en wegingaan land, met name bij vangsten onder de 50 kilogram. Deze leden vragende Staatssecretaris hoe hij de zorgen beoordeelt dat kleine afwijkingen,door bijvoorbeeld weegonnauwkeurigheid, snel als ernstige inbreukworden aangemerkt. Is de Staatssecretaris bereid zich in te zetten vooreen herijking of technische oplossing waardoor kleine vangsten nietdisproportioneel tot overtredingen leiden? Hoe wordt een gelijk speelveldtussen lidstaten gewaarborgd bij de toepassing van deze tolerantieregels?AntwoordZoals de Staatssecretaris ook op vragen van de leden van de PVV-fractielaat weten is zijn inzet erop gericht om gedurende de implementatiefasevan de herziene controlemaatregelen pragmatisch om te gaan met dehandhaving. De voorwaarden voor het begaan van een ernstige inbreukworden sinds 10 januari 2026 bepaald op basis van de controleveror-dening (Verordening (EG) 1224/2009). Dit moet het gelijke speelveldtussen de lidstaten waarborgen. Voor vangsten kleiner dan 50 kilogramgeldt een ruimere tolerantiemarge van 20%, waarbij een verschil groterdan 40% wordt gezien als ernstige inbreuk. Op deze manier wordtvoorkomen dat vissers disproportioneel worden gestraft.De leden van de BBB-fractie constateren dat in de Landbouw- enVisserijraad is gesproken over de zogenoemde blauwe bio-economie envragen de Staatssecretaris wat hieronder concreet wordt verstaan. Omvatdit ook de hoogwaardige benutting van visafval, bijvangst en anderereststromen? Welke Nederlandse en Europese initiatieven lopen er omdeze stromen beter te verwaarden? Welke juridische of praktischebelemmeringen ziet de Staatssecretaris daarbij?AntwoordDe blauwe bio-economie omvat het geheel van duurzame economischeactiviteiten die gebruik maken van mariene en aquatische hulpbronnen.Een hoogwaardige benutting van reststromen hoort daarbij. Een van depraktische uitdagingen is het creëren van vraag en het feit dat het ombeperkte hoeveelheden per categorie gaat. In Nederland wordt hieraano.a. aandacht besteed in het Visserij Ontwikkelplan, dat onder leiding vanhet Bestuurlijk Platform Visserij wordt uitgevoerd met een financiëlebijdrage van LVVN. Dat plan omvat o.a. een onderdeel over het valori-seren van reststromen. Daarnaast is in het kader van het EuropeanMaritime, Fisheries and Aquaculture Fund (EMFAF) in 2024 en 2025 deregeling Vernieuwingen in de visserij- en aquacultuurketen opengesteld.De regeling biedt ruimte voor het indienen van projecten die gericht zijnop het benutten en verwaarden van reststromen. Momenteel wordtgewerkt aan een nieuwe openstelling van deze regeling. Uw Kamer zalhierover te zijner tijd nader worden geïnformeerd.De leden van de BBB-fractie vragen welke stappen Nederland zet richtingderde landen die niet-duurzame visserij toelaten of adviezen van deInternational Council for the Exploration of the Sea (ICES) en de TotalAllowable Catch (TAC) overschrijden. Is de Staatssecretaris bereid tepleiten voor proportionele maar effectieve maatregelen wanneer landenstructureel internationale afspraken niet naleven? Hoe wordt voorkomendat Nederlandse vissers strenger worden beperkt dan concurrenten uitderde landen zodat het gelijk speelveld behouden blijft?AntwoordVooropgesteld zij dat maatregelen in dit verband communautair, dus opvoorstel van de Commissie genomen worden. De Verordening die hieropvan toepassing is, Verordening 2025/2077 van 8 oktober 2025 is hiertoeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 176418 onlangs gepubliceerd. De Staatssecretaris heeft met andere Lidstatenmeermalen gepleit bij de Commissaris dat deze Verordening toegepastzou worden. Tot op heden heeft de Commissaris nog geen voorstelgedaan. Daarnaast bestaat ook de mogelijkheid voor handelsmaatregelenvoortvloeiend uit aanbevelingen van de regionale visserijverdragsorgani-satie NEAFC, waar de Europese Unie contracting party is. De zorg vooreen gelijk speelveld tussen Nederlandse vissers en vissers uit derdelanden is hierbij ook altijd een argument dat meegewogen wordt.De leden van de BBB-fractie ontvangen signalen dat het combineren vanmeerdere passieve tuigen binnen één visreis in de praktijk niet mogelijk is.Deze leden vragen de Staatssecretaris of het klopt dat het gelijktijdiginzetten van meerdere passieve tuigen momenteel niet is toegestaan enzo ja, op basis van welke bepaling. Bestaat er binnen de huidige Europeseregelgeving ruimte voor experimenten of pilotprojecten met name voorde kleinschalige visserij? Is de Staatssecretaris bereid in Brussel teverkennen of verruiming mogelijk is mits controleerbaarheid en quota-administratie geborgd blijven? Kan worden onderzocht of dergelijkecombinaties bijdragen aan selectiever vissen, minder brandstofgebruik eneen sterker verdienmodel?AntwoordHoewel er geen generieke regels zijn die het combineren of tegelijk aanboord hebben van meerdere vistuigen verbieden, gelden er in sommigegevallen op grond van visserijwetgeving (ingesteld met het oog op het instand houden van de visbestanden) beperkingen of nadere regels voor hetgebruik van meerdere tuigen. De Staatssecretaris verwijst hiervoor naarde artikelen 27 en 47 van de controleverordening (Verordening nr.1224/2009) waarin nadere voorwaarden zijn gesteld.Er zijn veel risico’s bij het mogelijk gebruik van meerdere tuigen tijdenseen visreis. In veel gevallen levert het gebruik van meerdere tuigennamelijk problemen op bij de handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid alshet gaat om bijvoorbeeld de aanlandplicht, technische maatregelen,quotumbeheer en logboekregistratie.In de Voedselvisie is aangegeven dat LVVN in het licht van de transitie zalbekijken of knelpunten met betrekking tot belemmerende wetgevingkunnen worden verholpen. In dit proces worden bovenstaande risico’smeegenomen.Er is in 2024 en 2025 onderzoek gedaan naar kleinschalige passievevisserij (zoals staand want visserij) in offshore windparken. Passievevisserij binnen windparken past binnen het Rijksbeleid voor medegebruikvan offshore windparken. Op inzet van meerdere vistuigen per visreis inde passieve visserij in windparken, zijn geen experimenten of pilotpro-jecten uitgevoerd of voorzien.In veel gevallen levert het gebruik van meerdere tuigen problemen op bijde handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid als het gaat om bijvoorbeeld delogboekregistratie.Het Ministerie van LVVN analyseert momenteel de knelpunten diepassieve vissers in windparken ervaren, en kijkt allereerst naar nationalemaatregelen en maatwerkoplossingen die deze knelpunten effectiefoplossen voor passieve vissers. Uit onderzoek blijkt dat het niet kunnenvissen in windparken met meerdere passieve vistuigen tijdens een visreis,samen met andere knelpunten die passieve vissers in windparkenervaren, op dit moment veelal nog leidt tot een onvoldoende economischresultaat. Deze knelpunten zijn bekend en verkend wordt hoe dezeeffectief te verhelpen zijn.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 176419 De leden van de BBB-fractie vragen wat de actuele stand van zaken isrond de evaluatie en uitvoering van de aanlandplicht en de problematiekvan choke species. Hoe verhoudt de aanlandplicht zich tot de Europesedoelstelling om voedselverspilling te beperken wanneer ondermaatse visverplicht moet worden aangeland, maar niet hoogwaardig kan wordenbenut? Is de Staatssecretaris bereid dit onderwerp opnieuw in deLandbouw- en Visserijraad te agenderen met voorstellen voor praktischeverbeteringen en lagere administratieve lasten?AntwoordWaar regelgeving eenvoudiger kan, moeten we dat ook in Europees kaderbewerkstelligen en gezamenlijk zoeken naar alternatieven. De herzieningvan de aanlandplicht is een belangrijke prioriteit voor Nederland. De inzetis de regelgeving zo aan te passen dat wel aan de oorspronkelijkedoelstelling – voedselverspilling tegen te gaan – wordt bijgedragen, maarop een manier die ook voor vissers en de overheid werkbaar is. Op ditmoment is de evaluatie van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB)die de Commissie uitvoert nog niet afgerond. Naar verwachting wordtdeze dit voorjaar gepresenteerd op basis waarvan de Commissie zalbesluiten of tot herziening van het GVB over gegaan zal worden.Nederland heeft al meermaals, ook in Europees verband, laten wetenvoorstander van een dergelijke herziening te zijn.De leden van de BBB-fractie vragen wat de stand van zaken is rondaanpassingen van Realtime Closed Areas. Welke criteria en data wordendaarbij gebruikt? Hoe worden economische gevolgen meegewogen?Wordt bij besluiten over sluitingen nadrukkelijk gekeken naar proportiona-liteit en veiligheid op zee?AntwoordDe Real-time closures (RTCs) worden ingesteld op basis van criteria die inEuropese regelgeving (Verordening (EU) 724/2010) zijn opgenomen. In hetverleden zijn er met het Verenigd Koninkrijk en Noorwegen afsprakengemaakt dat zij vergelijkbare maatregelen implementeren. Zoals deStaatssecretaris eerder heeft aangegeven in het verslag van deLandbouw- en Visserijraad van 11-12 december 2025 (Kamerstukken21 501-32, nr. 1746) is tijdens de trilaterale onderhandelingen tussen deEuropese Unie (EU), het VK en Noorwegen afgesproken dat de criteriavoor RTCs ter bescherming van de kabeljauw worden aangescherpt. Ookzijn er afspraken gemaakt over de verschillende voorwaarden op basiswaarvan een RTCs worden ingesteld. Ten slotte is er, mede op aandringenvan Nederland, vastgelegd dat er in 2026 een brede herziening plaats zalvinden op het RTC-regime.De leden van de BBB-fractie constateren dat het voorzorgsbeginsel eensteeds grotere rol speelt in Europese besluitvorming en vragen hoe ditbeginsel momenteel wordt toegepast in het visserijbeleid. Acht deStaatssecretaris deze toepassing proportioneel en werkbaar? Is deStaatssecretaris bereid te pleiten voor transparantere onderbouwing enimpacttoetsen? Wat zijn de laatste ontwikkelingen rond de Natuurher-stelwet en de gevolgen voor visserij en aquacultuur? Welke inzet pleegtNederland om uitvoerbaarheid en proportionaliteit te waarborgen?AntwoordWat betreft de laatste ontwikkelingen rond de Natuurherstelverordeningverwijst de Staatssecretaris u naar zijn brief aan de Tweede Kamer(33 576, nr. 474) op 20 januari 2026. Daarin heeft de Staatssecretaris uwKamer geïnformeerd over de laatste stand van zaken en het rapport«Natuurherstelverordening en het Nederlandse mariene ecosysteem» aanuw Kamer aangeboden. Uw Kamer wordt op korte termijn in nader detailTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 176420 geïnformeerd over de wijze waarop de maatregelen voorgesteld in hetNatuurplan tot stand zullen komen en het proces rond de invulling van dedoelstellingen in de Natuurherstelverordening.De leden van de BBB-fractie vragen of in lijn met de motie van het lidBoomsma (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1752) er mag worden gelost in dehaven van Terschelling.AntwoordOp dit moment bekijkt de Staatssecretaris samen met de NNVWA, RVO ende visserijsector op welke wijze uitvoering gegeven kan worden aan demotie Boomsma. De Tweede Kamer zal hier nader over geïnformeerdworden.De leden van de BBB-fractie maken zich grote zorgen over het voornemenvan het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuurom, naar aanleiding van de infractieprocedure van de EC, de bestaandecorrectie op water- en ijsgewicht bij de weging van visserijproducten per2026 te beëindigen. In de praktijk wordt op de visafslag eerst het zichtbareijs verwijderd vóór weging. Vervolgens wordt, afhankelijk van de vissoort,een beperkte correctie van 2 tot 5 procent toegepast voor lekwater enresterend ijs. Deze systematiek zorgt ervoor dat uitsluitend het daadwer-kelijke visgewicht ten laste komt van het quotum. Vergelijkbarewerkwijzen worden ook in andere EU-lidstaten toegepast. Het schrappenvan deze correctie betekent feitelijk een structurele reductie van 2 tot 5procent van de vangstmogelijkheden voor de kottervisserij, omdatwatergewicht dan met schaars quotum moet worden «betaald». Dit leidttot aanzienlijke economische schade en kan bovendien zorgen voorgrotere afwijkingen tussen logboekgegevens en het gewogen gewicht opde visafslag, met risico op sancties en strafpunten. De sector heeftaangeboden om samen met het Ministerie van LVVN te werken aan eenwetenschappelijke onderbouwing van het toegepaste percentagewatercorrectie, zodat, indien nodig, regelgeving hierop kan wordenaangepast. Erkent de Staatssecretaris dat het schrappen van de watercor-rectie in de praktijk neerkomt op een generieke quotumreductie van 2 tot 5procent? Klopt het dat ook andere EU-lidstaten een vorm van watercor-rectie toepassen en hoe wordt daar binnen de controleverordening meeomgegaan? Is de Staatssecretaris bereid dit punt in Europees verband aante kaarten en in te zetten op een werkbare oplossing? Is hij bereid dehuidige werkwijze tijdelijk te laten voortbestaan in afwachting van eenwetenschappelijke onderbouwing? Voor de kottersector is het onaccep-tabel dat, bovenop de ICES-gebaseerde vangstadviezen, nog eens tot 5procent van de vangstmogelijkheden verloren gaat door het meetellenvan watergewicht. Deze leden vragen de Staatssecretaris dit puntnadrukkelijk onder de aandacht te brengen.AntwoordOp basis van Verordening (EG) 1224/2009 (controleverordening) moet hetgewicht van de vangst bij aanlanding worden vastgesteld door middelvan een officiële weging. Hierbij zijn er voor verse vis geen juridischemogelijkheden om rekening te houden met afsmeltend ijs. Het is aan devisafslagen om te zorgen dat de vangsten zo goed mogelijk zijn ontdaanvan water en ijs. Het gewogen gewicht dat bij de weging wordt vastge-steld dient in mindering te worden gebracht op het quotum van de visser.De huidige praktijk, waarbij anticiperend op het waterverlies nog voorvaststelling een reductie van 2 tot 5% wordt toegepast op het officiëlegewicht, voldoet niet aan de voorschriften die reeds sinds 2009 verplichtzijn. Deze voorschriften uit de controleverordening zijn bindend voor alleEuropese lidstaten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 176421 De Staatssecretaris heeft gesprekken gevoerd met de visafslagen,visverwerkende industrie en de producentenorganisaties (PO’s) om eenwerkbare oplossing te vinden binnen de kaders van de controleveror-dening. Hierbij kan echter niet worden voorkomen dat individuele vissersde maatregelen ervaren als een structurele reductie van het quotum.Zoals de Staatssecretaris eerder aan de Kamer heeft laten weten, wordt erhard gewerkt om de lopende ingebrekestelling voor het toezicht op deweging, registratie en traceerbaarheid van visserijproducten op te lossen(Kamerstuk 21 501–32, nr. 1672). De Staatssecretaris kan niet ingaan op deprecieze inhoud ervan. In het kader van deze procedure dient Nederland tevoldoen aan de reeds geldende wet- en regelgeving. Het is dan ook nietwenselijk de huidige werkwijze tijdelijk te laten voortbestaan. DeStaatssecretaris is met andere Europese lidstaten in gesprek om het gelijkspeelveld te waarborgen.In het kader van de onderhandelingen over de comitologie van decontroleverordening probeert Nederland bij de Europese Commissieaandacht te vragen voor dit vraagstuk. In de huidige Europese regel-geving is echter geen ruimte om op basis van dergelijke onderzoeksresul-taten een standaard reductie toe te staan. De Staatssecretaris zal verdermet de visserijsector in gesprek gaan om te kijken hoe een mogelijkestudie eruit kan zien. Een studie naar het waterverlies bij verse vis kanhelpend zijn om het onderwerp bij de Europese Commissie blijvend onderde aandacht te brengen.De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de voorge-nomen rapportage in het kader van de Habitatrichtlijn en de toepassingvan de Benthische Indicator Soorten Index (BISI)-methodiek bij debeoordeling van de kwaliteit (Structuur en Functie) van habitattype H1110(permanent overstroomde zandbanken). Deze leden constateren datNederland in 2020 aan de EC heeft gerapporteerd dat de staat vaninstandhouding van H1110 in een slechte staat verkeert, terwijl dit tot 2019als matig ongunstig werd beoordeeld.De leden van de BBB-fractie constateren dat de verslechtering samenvaltmet de eerste toepassing van de BISI-methodiek in de rapportage. Dezeleden begrijpen dat deze index sterk afhankelijk is van gekozen referentie-waarden per indicatorsoort en dat deze referentiewaarden in belangrijkemate zijn gebaseerd op theoretische, door experts vastgestelde dicht-heden die zouden kunnen voorkomen in een volledig ongestoordesituatie. Daarbij is in veel gevallen uitgegaan van de hoogste gemiddeldedichtheid in de afgelopen 30 jaar. Deze is vervolgens verhoogd met eenstandaarddeviatie of zelfs verdubbeld, indien experts verwachtten dat bijhet wegvallen van bodemberoering verdere stijging mogelijk zou zijn.De leden van de BBB-fractie vragen de Staatssecretaris waaromNederland vooruitloopt met een eigen methodiek die in Europees verbandniet is gevalideerd. Kan de Staatssecretaris aangeven of deBISI-methodiek formeel is goedgekeurd binnen de EU-kaders voor deHabitatrichtlijnrapportage, of dat sprake is van een nationale invulling dieverder gaat dan hetgeen Europees is voorgeschreven? Waarom isgekozen voor een methodiek waarvan volgens een aantal wetenschappersde referentiewaarden wetenschappelijk onvoldoende zijn onderbouwdenmogelijk niet Europees standhouden, indien sprake is van een nationalekeuze?AntwoordNederland is verplicht onder de Europese Habitatrichtlijn (Artikel 17) omelke 6 jaar te rapporteren over de landelijke staat van instandhouding vanhabitattypen. Een habitattype is een bepaald type ecosysteem op het landTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 176422 of in het water met kenmerkende eigenschappen. De landelijke staat vaninstandhouding van habitattypen wordt beoordeeld op basis van 4parameters (verspreidingsgebied, oppervlakte, structuur en functieinclusief typische soorten, toekomstperspectief).De Habitatrichtlijn biedt geen operationele definitie voor het bepalen vanstructuur en functie voor mariene habitattypen maar hierbij moeten welde best beschikbare gegevens worden gebruikt. Daarom is er doorWageningen University & Research een nationale maatlat ontwikkeldwaarmee aan de hand van de Benthische Indicator Soorten Index (BISI)een score kan worden gegenereerd voor structuur & functie van marienehabitattypen (Escaravage et al., 2024).Deze score is gebruikt om samen met de scores van de 3 anderehierboven genoemde parameters de landelijke staat van instandhoudingte beoordelen. De BISI-score is daarin dus niet doorslaggevend maarslechts één van de gebruikte parameters. Over de meest recente beoor-deling heeft de Staatssecretaris u recentelijk geïnformeerd (TweedeKamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 576, nr. 472).De leden van de BBB-fractie vragen of daadwerkelijk sprake is van eenverslechtering van de staat van instandhouding van habitattype H1110 ofdat de gewijzigde beoordeling uitsluitend het gevolg is van de toepassingvan een nieuwe beoordelingsmethodiek met aangepaste maatlatten. Kande Staatssecretaris inzichtelijk maken hoe de staat van instandhoudingzou zijn beoordeeld indien de eerdere methodiek was toegepast op demeest recente gegevens? Is er ecologisch aantoonbaar sprake vanachteruitgang in soortensamenstelling, dichtheden of functioneren vanhet bodemecosysteem, los van de methodische wijziging?AntwoordDe Staatssecretaris kan onmogelijk op deze korte termijn inzichtelijkmaken hoe de staat van instandhouding zou zijn beoordeeld indien deeerdere methodiek was toegepast op de meest recente gegevens. Destaatsecretaris kan dat nu dus niet inzichtelijk maken.De leden van de BBB-fractie vragen daarnaast of de gehanteerde maatlatreeds formeel is vastgesteld als nationaal beoordelingskader, dan wel ofde ontwikkeling van indicatoren en maatlatten primair in EU-kaderplaatsvindt en nog onderwerp is van afstemming en validatie. Is hiermogelijk sprake van een voorbarige nationale toepassing? Op welke wijzewordt geborgd dat nationale beoordelingssystematieken aansluiten bijEuropese richtsnoeren en onderlinge vergelijkbaarheid tussen lidstatenwaarborgen?AntwoordDe gehanteerde maatlat, zoals ook hiervoor is vermeld, is gebruikt bij demeest recente VHR-beoordeling waarover de Staatssecretaris uw Kamerrecentelijk heeft geïnformeerd. Zoals aangegeven ontbreekt in de richtlijneen operationele definitie voor de parameter structuur en functie. Er isdus geen sprake van een voorbarige nationale toepassing. Wel vindt eruiteraard afstemming plaats op Europees en regionaal niveau over de tehanteren maatlatten en indicatoren voor mariene habitats. Dit gebeurtonder andere in OSPAR-verband en bij de implementatie van de Kader-richtlijn Mariene strategie.De leden van de BBB-fractie vragen ten aanzien van de referentiewaardenin hoeverre het hanteren van opgehoogde maximumwaarden mede geletop de grote natuurlijke fluctuaties in bodemfauna, zoals bij het nonnetjewetenschappelijk verdedigbaar is. Acht de Staatssecretaris het realistischom referentiewaarden vast te stellen die substantieel boven historischgemeten maxima liggen? In hoeverre wordt rekening gehouden metTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 176423 natuurlijke variatie, klimaatgerelateerde fluctuaties en langjarige cycli inpopulatieontwikkeling?AntwoordZoals hiervoor is aangegeven, is de nationale maatlat op wetenschappe-lijke basis ontwikkeld door Wageningen University & Research entoegepast bij de recente beoordeling. Mocht blijken dat op basis vannieuwe wetenschappelijke inzichten deze maatlat aanpassing behoeft, danzal dit uiteraard worden meegenomen in de volgende rapportagecyclus.De leden van de BBB-fractie vragen of de staatsecretaris bereid is omWageningen Marine Research (WMR) of een andere onafhankelijkewetenschappelijke instantie te laten onderzoeken of de gehanteerdereferentiewaarden wetenschappelijk robuust en realistisch zijn vastgestelden of de keuze voor (opgehoogde) maximumwaarden als referentieecologisch en statistisch te rechtvaardigen is. Kan de Staatssecretaristoezeggen dat een dergelijke onafhankelijke toetsing plaatsvindt vóórdatopnieuw aan Brussel wordt gerapporteerd en voordat op basis van dezemethodiek vergaande beperkende maatregelen voor de visserij wordengenomen?AntwoordDe VHR-rapportage, waarin voor «structuur en functie» voor de marienehabitattypen gebruik is gemaakt van de BISI-methode, is juist opgestelddoor Wageningen University & Research. De parameter is bepaald aan dehand van de eerder genoemde maatlat die is opgesteld door weten-schappers van Wageningen Marine Research. Mocht blijken dat, op basisvan nieuwe wetenschappelijke inzichten, deze parameter aanpassingbehoeft dan zal dit uiteraard worden meegenomen in de volgenderapportagecyclus.De leden van de BBB-fractie constateren dat voor twinrig-netten eenverplichting geldt om een paneel met vierkante mazen in te bouwen. Dezemaatregel maakt onderdeel uit van het kabeljauwherstelplan en isvastgelegd in Europese regelgeving onder het GemeenschappelijkVisserijbeleid (GVB). In de praktijk blijkt het paneel nauwelijks effectief inde huidige situatie op de Noordzee. Tegelijkertijd veroorzaakt hetaanzienlijke nadelen voor vissers: extra kosten bij het maken van nieuwenetten, extra werk, vervorming van het net tijdens gebruik, versneldeslijtage en schade die moeilijk tot niet te repareren is doordat het net geentraditionele knopen heeft. Het paneel trekt het net uit verband en zorgtervoor dat het net ongelijk gaat werken. Waarom is dit vierkante-mazenpaneel verplicht gesteld en door wie is deze verplichting preciesopgelegd? Op basis van welke onderbouwing en actuele gegevens wordtdeze maatregel nog steeds gehandhaafd? Is hier sprake van gold-platingvan Europese regelgeving door Nederland? Kan deze verplichtingopnieuw worden beoordeeld, mede in het licht van de huidige stand vande kabeljauwpopulatie en de veranderde situatie op de Noordzee? Is deStaatssecretaris bereid om toe te zeggen dat deze maatregel opnieuwwordt bekeken en geëvalueerd op nut en noodzaak, juist omdat deze in depraktijk nauwelijks effectief blijkt en de sector wel degelijk op extra kostenjaagt? Kan, indien er behoefte is aan aanvullende onderbouwing, ruimteworden geboden voor praktijkgericht vergelijkend onderzoek waarbij metén zonder vierkante-mazenpaneel wordt gevist om op basis van actuelegegevens de effectiviteit van deze maatregel vast te stellen?AntwoordEen paneel met vierkante mazen is een selectiviteitsmaatregel die metname wordt ingezet met het oog op het laten ontsnappen van onder-maatse kabeljauw. Een paneel met vierkante mazen wordt op verschil-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 176424 lende plekken voorgeschreven, zowel vanuit de Europese TechnischeMaatregelen Verordening (2019/1241, Annex V en Annex VI), als vanuitVerordening (EG) nr. 2056/2001. Daar bovenop gelden nog voorschriftenvanuit de nationale Uitvoeringsregeling Zeevisserij (artikel 86). Of eenpaneel met vierkante mazen verplicht moet worden toegepast, en welkemaaswijdte daarbij geldt, kan niet generiek worden gesteld, maar hangt afvan het vistuig, de maaswijdte, locatie en/of doelsoort. De wens van devisserijsector om de nationale regels te schrappen is bekend, maar geziende zorgwekkende stand van de kabeljauwpopulatie lijkt het de Staatsse-cretaris niet het juiste moment om te tornen aan de bestaande kabeljauw-vermijdende maatregelen.II Volledige agenda Geannoteerde agenda Landbouw- en Visserijraad van 23 februari2026Kamerstuk 21 501-32-(2026Z02803 – Brief Minister van Landbouw, Visserij,Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma, d.d. 10 februari 2026Verslag van de Landbouw- en Visserijraad van 26 januari 2026Kamerstuk 21 501-32-1761 – Brief Minister van Landbouw, Visserij,Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma, d.d. 04-02-2026SCoPAFF-vergadering gewasbeschermingsmiddelen januari 2026Kamerstuk 27 858-739 – Brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselze-kerheid en Natuur, F.M. Wiersma, d.d. 19-01-2026Onderzoek Buro naar risico’s van geïmporteerde rozen uit niet-EUlanden voor mens en milieuKamerstuk 27 858-740 – Brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselze-kerheid en Natuur, F.M. Wiersma, d.d. 21-01-2026Fiche: Mededeling bio-economie strategieKamerstuk 22 112-4238 – Brief Minister van Buitenlandse Zaken, D.M. vanWeel, d.d. 23-01-2026Kwartaalrapportage lopende EU-wetgevingshandelingen Minis-terie Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur vierdekwartaal 2025Kamerstuk 22 112-4267 – Brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselze-kerheid en Natuur, F.M. Wiersma, d.d. 9 februari 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 176425

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 23f1fb1abee51165

14 okt 2026 · 2f8252fb9f8b7364

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.