Conceptverslag Jeugdcriminaliteit
Brontekst
Versie 5940bff4c5cb43ca · officiële bronTweede Kamer, Jeugdcriminaliteit VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBAT Concept De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid heeft op 8 oktober 2026 overleg gevoerd met mevrouw Van Bruggen, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, over: de brief van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid d.d. 3 juli 2026 inzake verzamelbrief justitiële jeugd (28741, nr. 137); de brief van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid d.d. 7 september 2026 inzake beleidsreactie op WODC-onderzoek Criminaliteit onder minderjarige en jongvolwassen vrouwen (29911, nr. 525); de brief van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid d.d. 21 september 2026 inzake reactie op verzoek van het lid Faber, gedaan tijdens de regeling van werkzaamheden van 15 april 2026, over het bericht "Ton (56) gruwelijk toegetakeld bij Snapchat-trend 'jumpen': 'Alsof ik door een groep hyena's werd aangevallen'" (28741, nr. 140); de brief van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid d.d. 28 september 2026 inzake inspectiebrief getiteld Ernstige zorgen over steeds verdergaande versobering van het verblijf van jeugdigen in justitiële jeugdinrichtingen (24587, nr. 1141); de brief van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid d.d. 2 oktober 2026 inzake verzamelbrief justitiële jeugd oktober 2026 (2026Z20980). Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit. De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, Eerdmans De griffier van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, Van Tilburg Voorzitter: Eerdmans Griffier: Van Tilburg Aanwezig zijn negen leden der Kamer, te weten: Bikkers, Coenradie, Eerdmans, Faber, Hamstra, Moinat, Van der Plas, Synhaeve en Westerveld, en mevrouw Van Bruggen, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Aanvang 14.01 uur. De voorzitter: Goedemiddag, dames en heren, ladies and gentlemen. We gaan starten met de vergadering van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid. Welkom aan mevrouw Westerveld, die net binnenkomt. Wij heten van harte welkom de staatssecretaris met ondersteuning, u luisteraars hier in de zaal en via de livestream en natuurlijk de leden. Van harte welkom. We hebben veel sprekers vandaag bij het debat, die wij op volgorde van arrival het woord zullen geven. Misschien komen er nog meer bij; dat zullen wij vanzelf merken. Het is een debat over jeugdcriminaliteit, een belangrijkrijk onderwerp. Voordat wij gaan starten, wil ik de commissie vragen om toestemming te geven aan mevrouw Moinat van de Groep Markuszower om bij deze vergadering te zijn. Zij is geen lid van de commissie, maar wil graag haar bijdrage leveren namens de Groep Markuszower. Is er iemand die daar bezwaar tegen heeft? Nee? Geen bezwaren. Dan heten wij u van harte welkom, mevrouw Moinat. We gaan starten met het debat. Ik stel voor om een spreektijd van maximaal vier minuten aan te houden en vier interrupties op elkaar. Dan is het woord aan mevrouw Synhaeve, die spreekt namens D66. Gaat uw gang. Mevrouw Synhaeve (D66): Dank u wel, voorzitter. Wat doe je als je nergens goed mee kan komen, behalve bij een groep slechteriken? Het verhaal over de autistische jongen die uithaler was, vorige week tijdens het rondetafelgesprek, raakte mij. Ja hij doet iets wat niet mag, maar het is de groep die hem wel accepteert. Welk alternatief bieden we hem? Soms maken jongeren de keuze om iets slechts te doen. Vervolgens leren ze dat daden nu eenmaal consequenties hebben. Maar welke consequenties dat zijn, daarover zijn we het niet altijd met elkaar eens in dit huis. Ik heb ter voorbereiding op dit debat met veel mensen gesproken die zich elke dag inzetten om ervoor te zorgen dat iedere jongere iets van zijn of haar leven kan maken. Ik raakte geïnspireerd door hun passie, motivatie en optimisme. Zij zorgen ervoor dat ons jeugdstrafrecht doet wat het moet doen: jongeren laten leren van hun fouten en ervoor zorgen dat zij niet opnieuw de fout ingaan. Ik heb eerder al gepleit voor "doen wat werkt" en vandaag kunnen we daar wat mij betreft concrete keuzes voor maken. Een oproep van mevrouw Claessens vorige week om te durven kiezen voor werkende interventies en die echt door te ontwikkelen, was wat mij betreft een aanmoediging, ook als dat ten koste gaat van andere ideeën. Ik heb daarvoor eerder voorstellen gedaan, op het gebied van ggz en mentale gezondheid: kunnen we nou kijken naar wat bewezen effectief werkt en kunnen we daar de komende jaren op inzetten, zodat we dat veel verder kunnen verspreiden? Hoe kijkt de staatssecretaris daarnaar en kan zij toezeggen daar werk van te maken? Daarnaast hoorde ik van de organisaties vorige week, en ook op bezoek bij de jeugdreclassering in Gelderland, een roep om meer instrumenten om met online jeugdcriminaliteit om te gaan. Zij hebben in de begeleiding geen mogelijkheden of heel beperkte mogelijkheden om online mee te kijken. Daar zijn geen wettelijke kaders voor. Snapchat en Instagram zijn uiteindelijk wat het dichtst bij menig jongere komt; de telefoons gaan vaak 's nachts mee naar bed. Kan de staatssecretaris toezeggen dat zij met de jeugdreclassering in gesprek gaat over de vraag welke concrete mogelijkheden zij nu online missen en kan zij toezeggen de bevoegdheden en mogelijkheden die nodig zijn verder uit te werken? Dat lijkt mij belangrijk, want de letterlijke tekst van een van de sprekers bij de pitchsessie was: het is een race tegen de klok. Dan Halt. Dit is een organisatie die een onmisbare rol vervult in ons jeugdstrafrecht. Ik was zelf vooral enthousiast over hun oproep om te kijken naar meer buitenstrafrechtelijke afdoening voor jongeren. Het doet me dan ook goed om te lezen dat de staatssecretaris kijkt naar het verruimen van de delicten die net buiten het Halt-besluit vallen. Twee vragen daarover. Als eerste: wanneer kunnen we over de verruiming van het Halt-besluit een update verwachten? De tweede: waarom is preventie van jeugdcriminaliteit nog steeds een los onderwerp? Ik lees veel over het knellende personeelstekort. Het beste middel om capaciteit te ontlasten, is voorkomen dat die capaciteit nodig is. Kan de staatssecretaris dat dan niet breder oppakken, in samenhang met de aanpak van criminaliteit en ondermijning? Tot slot, voorzitter. Eén hartenkreet zou ik de staatssecretaris graag willen meegeven, ook om daarmee een roep vanuit alle organisaties die vorige week hiernaartoe zijn gekomen over te brengen: heb oog voor alles wat er om zo'n jongere heen gebeurt, voor zijn of haar omgeving. Niemand, of bijna niemand, groeit op in isolement. Als we patronen willen doorbreken, moeten we ook naar de omgeving van een kind kijken. Dank u wel. De voorzitter: Dank, mevrouw Synhaeve. Ik zie geen interrupties. Wij gaan luisteren naar de tweede spreker. Dat is de heer Hamstra. Hij spreekt namens het CDA. Gaat uw gang. De heer Hamstra (CDA): Voorzitter. Stel je voor dat het volgende je overkomt. Je bent een leraar in het speciaal onderwijs. Je staat les te geven voor de klas. Op dat moment kijk je uit het raam en komt er een zwarte Mercedes aanrijden. De Mercedes stopt en de deuren gaan open. Op dat moment springt een meisje uit de klas op, ze rent het klaslokaal uit en springt de Mercedes in. De deuren gaan dicht en de auto rijdt weg. Drie dagen later komt de Mercedes terug, gaan de deuren weer open en stapt het meisje uit. Het meisje is moe en verdrietig. Je weet niet wat er met het meisje is gebeurd. Dat is precies waar we het vandaag over hebben. Voorzitter. Vandaag spreken we over jeugdcriminaliteit. Jongeren die in aanraking komen met justitie zijn kwetsbaar. Criminelen hebben er een neusje voor om daar misbruik van te maken, door jongeren te ronselen en ze bewust het verkeerde pad op te duwen. Uit onderzoek blijkt dat de criminele jongeren niet per se jonger worden, maar dat de criminaliteit wel ernstiger wordt. Vorige week hebben we een mooi rondetafelgesprek gehad over bewezen effectieve interventies. Mijn vraag aan de staatssecretaris is dan ook: welke bewezen effectieve interventies ziet zij weggelegd? Ziet zij ook iets in de rol van positieve mannelijke rolmodellen, zoals we die bijvoorbeeld ook zien in de nieuwe Mannenalliantie? Voorzitter. Niemand wordt als crimineel geboren. Wat het CDA betreft moeten we dan ook meer inzetten op preventie. Dat begint thuis: een stabiel thuis waar ouders primair verantwoordelijk zijn voor de opvoeding van hun kinderen. Dat stabiele thuis is helaas niet voor ieder kind vanzelfsprekend. Waar kun je dan terecht als je kind in de problemen raakt? Angst, schaamte en de weg niet weten, kunnen ervoor zorgen dat ouders te lang blijven rondlopen met die problemen. Mijn vraag aan de staatssecretaris is of zij dit beeld herkent. Is zij bekend met het in september opgerichte hulpplatform Keerpunt? Zou dit platform kunnen bijdragen aan het eerder herkennen en signaleren van jeugdcriminaliteit? Zou het ouders kunnen helpen om sneller de juiste hulp te vinden? Voorzitter. Ik ga terug naar het voorbeeld van het meisje en de Mercedes. Criminelen weten precies welke jongeren zij moeten benaderen. Jongeren met een licht verstandelijke beperking zijn daarbij extra kwetsbaar. Een werkagenda om de strafrechtketen lvb-proof te maken, is een mooie stap die we kunnen zetten om de kennis van professionals op peil te brengen en om een lvb beter te leren herkennen. Ik vraag aan de staatssecretaris of er afspraken zijn over wie de regie neemt wanneer bij een jongere met een lvb signalen van criminele uitbuiting worden gezien. Hoe wordt ervoor gezorgd dat een lvb niet pas in de strafrechtketen in beeld wordt gebracht en wordt erkend, maar al eerder, bijvoorbeeld door jongerenwerk en wijkagenten? Welke rol zouden zij kunnen spelen? Juist vroegsignalering is namelijk van groot belang. Voorzitter. Dan wil ik het hebben over de zorgwekkende brandbrief van de Inspectie JenV. Er blijkt sprake te zijn van steeds verregaandere versoberingen van kwaliteit. Er zijn ook zorgen over de veiligheid van jeugdigen. Dat zijn stevige conclusies. Tegelijkertijd blijft er sprake van capaciteitstekorten in de jji's. De beschikbare capaciteit is sinds april wederom afgenomen. Dit gaat ten koste van het pedagogische doel van het jeugdstrafrecht. Er is ook nauwelijks verbetering in de kwaliteit van het onderwijs voor jeugdigen in detentie. De staatssecretaris schrijft dat ze beziet of tijdelijke aanvullende versoberingen soelaas zouden kunnen bieden of welke alternatieven er mogelijk zouden kunnen zijn. Kan de staatssecretaris concreet aangeven aan welke aanvullende versoberingen zij dan denkt? Welke ondergrens hanteert zij daarbij? Volgens ons mogen die niet ten koste gaan van veiligheid, behandelingen, dagprogramma's en het onderwijs van jongeren. Voorzitter. Inspecties signaleren dat medewerkers door personeelstekorten soms onvoldoende voorbereid zijn op de jongeren op een afdeling. Daardoor zijn er steeds meer onervaren medewerkers. Dat vergroot de risico's voor zowel jongeren als medewerkers. Welke concrete stappen zet de staatssecretaris om op korte te termijn de veiligheid in de jji's te waarborgen? Wanneer kan de Kamer het aangekondigde actieplan verwachten? Voorzitter, tot slot. We hebben er bij de staatssecretaris eerder aandacht voor gevraagd dat bodyscanners ingezet zouden kunnen worden in de jji's. We lezen in een verzamelbrief dat de staatssecretaris bezig is om verder te onderzoeken hoe het gebruik van een bodyscanner op een zo veilig mogelijke manier geïmplementeerd kan worden. Kan zij hier een update over geven? Dank u wel. De voorzitter: Hartelijk dank, meneer Hamstra. Wij komen bij de derde spreker van vandaag. Dat is mevrouw Faber. Zij spreekt namens de PVV. Gaat uw gang. Mevrouw Faber (PVV): Dank u, voorzitter. Jarenlang soft beleid komt als een boemerang keihard terug in de straten van onze dorpen en steden: straatroof, inbraak, intimidatie, steekpartijen, aanrandingen en verkrachtingen. Daders worden harder, meedogenlozer en jonger. Er zijn zelfs daders van 12 jaar oud, en wellicht nog jonger. Jongeren blazen zonder scrupules een woning op. Zonder enige morele begrenzing vinden er seksuele misdrijven plaats. Het gaat tijdens dit debat over jeugdigen van 12 tot 18 jaar en jongvolwassenen tot 23 jaar. Het beleid druipt van begrip voor deze jonge daders. Allerlei clubjes van pedagogen, psychologen en andere deskundigen die er een goede boterham aan verdienen, worden erop losgelaten. Zij behoren dikwijls tot de politieke kliek die deze problemen heeft veroorzaakt. Die gaan de problemen echt niet oplossen. Voorzitter. Wij moeten terug naar de basis: vergelding en genoegdoening. Nu raakt dit steeds meer naar de achtergrond. Terecht, vindt de staatssecretaris, ingefluisterd door de officieren van justitie en de rechters. Ze wil dan ook niet de maximale straffen voor jeugdigen en jongvolwassenen verhogen. Het zou niet in lijn liggen met het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind, afgekort het IVRK. Ook geeft de staatssecretaris aan dat minderjarigen altijd nog veroordeeld kunnen worden onder het volwassenenstrafrecht. Dat kan wel, maar het gebeurt amper. Jaarlijks gebeurt het slechts vijf tot veertien keer. Dit staat in schril contrast met de circa 500 zaken waarbij juist jongeren tot 23 jaar worden veroordeeld onder het jeugdstrafrecht. Dan is ons jeugdstrafrecht ook nog een lachtertje in vergelijking met landen als Duitsland, Ierland, België, Zweden, Engeland en Wales. In Nederland is de maximale jeugddetentie voor 12- tot en met 15-jarigen slechts één jaar. Voor 16- tot 23-jarigen is dat twee jaar. Kan de staatssecretaris aangeven hoe vaak bijvoorbeeld 12-jarigen zijn veroordeeld tot een gevangenisstraf? In Duitsland kan een minderjarige onder het jeugdstrafrecht veroordeeld worden tot een maximale gevangenisstraf van tien jaar. In Engeland, Wales en Ierland geldt zelfs een levenslange gevangenisstraf voor jeugdigen. Al deze landen zijn gebonden aan het Kinderrechtenverdrag, het IVRK. Het argument van de staatssecretaris gaat niet op. Kan de staatssecretaris het niet of wil zij het niet? Graag een reactie. Ook mist de financiële dekking voor het verhogen van de maximale straffen. Nou, dat komt dan even goed uit! Ondertussen stromen er wel miljarden naar de asielindustrie, die vervolgens weer de kosten opdrijft in de strafrechtketen. Het is gewoon een neerwaartse spiraal. Waar zijn wij nu mee bezig? Voorzitter. Voor criminele bendes zijn de lage straffen voor minderjarigen een geschenk uit de hemel. Zij ronselen minderjarigen voor het vuile werk. Uithalers van drugs zijn overwegend minderjarigen, zelfs van 14 en 15 jaar oud. De gevolgen waren zo klein dat daders zich na hun klus meldden bij de Zeehavenpolitie, die aangeeft: "Dan wisten ze dat wij ze van het afgelegen haventerrein mee zouden nemen naar het bureau in het centrum. De boete was lager dan de prijs van een taxirit terug naar de stad." Voorzitter. Dit is gestopt na wijziging van de uithalerswet. De strafmaat werd één jaar gevangenisstraf die kan oplopen tot tweeënhalf jaar door verzwarende omstandigheden. Dit had direct effect. Het aantal aanhoudingen daalde drastisch. In 2024 was het bijna gehalveerd. De meeste uithalers werden meteen veroordeeld tot een gevangenisstraf. Zo ziet u maar: zwaarder straffen werkt. Deze wetswijziging was zo succesvol dat het hof oordeelde dat de onvoorwaardelijke gevangenisstraf wel passend is voor recidivisten, maar niet voor first offenders. Die komen nu weer weg met een taakstraf. Kan de staatssecretaris aangeven hoeveel first offenders en recidivisten veroordeeld zijn onder deze wet? Het hof anticipeert gewoon op het cellentekort. De straf wordt weer verlaagd en het gevolg daarvan is meer misdaad. Zo zijn we weer rond en zo houden we elkaar bezig. Dank u wel. De voorzitter: Dank u wel, mevrouw Faber. Er is een vraag voor u van de heer Hamstra van het CDA. De heer Hamstra (CDA): Ik heb het betoog van mevrouw Faber van de PVV gehoord. Als ik het samen zou moeten vatten — misschien doe ik het daarmee tekort — is het straffen, straffen en nog eens straffen, en ook steeds steviger straffen. Vorige week hebben we echter een rondetafelgesprek gehad waarbij verschillende experts hebben aangegeven: als we echt kijken naar bewezen effectieve interventies — we willen namelijk allemaal dat het minder gaat worden — kijk dan vooral naar het buitenstrafrechtelijk kader. Mijn vraag aan mevrouw Faber is: heeft zij dat ook gehoord, net als de andere collega's? Als zij toch blijft zitten op zwaarder straffen en niet het buitenstrafrechtelijk kader, welk argument heeft zij daar dan voor dat ingaat tegen wat bijna alle experts gezegd hebben? Mevrouw Faber (PVV): De collega zegt dat alle experts iets anders zeggen en dat dat niet aansluit bij mijn verhaal. Maar als 100 mensen a zeggen en 1 iemand b, wil dat helemaal niet zeggen dat degene die b zegt, die ene die wat anders zegt, geen gelijk heeft. Dat ten eerste. Daarnaast heb ik het voorbeeld van de uithalerswet genoemd. Toen werd er strenger gestraft en dat werkte. Het werkt dus zeker wel. U heeft het ook over buitenstrafrechtelijke afdoening, zeg ik via de voorzitter. Daar ben ik geen voorstander van. Het punt is dat er dan geen strafblad komt. Je komt niet voor de rechter. Er komt geen veroordeling en je krijgt dus ook geen strafblad. U moet zich voorstellen dat er ook allerlei asielprocedures lopen. De statistieken wijzen nou eenmaal uit dat heel veel zedenzaken bij mensen met een migratieachtergrond liggen. Stel dat iemand in een asielprocedure zit en iets doet wat niet in de haak is. Als dat buitenstrafrechtelijk wordt afgehandeld, dan heeft dat strafbare feit of die eventuele veroordeling geen invloed meer op zijn asielaanvraag. Als hier mensen zijn die zich misdragen — dat geldt ook voor jongeren, want het geldt tot en met 23 jaar — en iets doen wat niet in de haak is, dan moet dat vastgelegd worden. Dan moeten ze voor de rechter worden geleid. Laat de rechter dan maar oordelen of dit kan of niet. Daar ben ik ook niet geschikt voor. De voorzitter: Komt u tot een afronding? U bent weer een heel betoog aan het houden. Mevrouw Faber (PVV): Ja. Ik vind dat dat moet gebeuren. Nu ga je namelijk dingen onder het tapijt vegen. Mag ik nog één ding zeggen, voorzitter? Dan houd ik mijn mond. De voorzitter: Ja, een laatste zin. Mevrouw Faber (PVV): Mensen reageren op pijn en fijn. Ze reageren het meest op pijn. Op het moment dat iets pijn gaat doen, gaan ze daar beter op reageren. De voorzitter: Een vervolgvraag van de heer Hamstra. De heer Hamstra (CDA): In mijn betoog heb ik bepleit dat niemand geboren wordt als crimineel. Het kan zijn dat het door omstandigheden, bijvoorbeeld omdat je licht verstandelijk beperkt bent of om een andere reden, makkelijker is om te kiezen voor een weg in het criminele circuit; mevrouw Synhaeve had het daar ook over. We zijn er allemaal bij gebaat als we recidive zo veel mogelijk tegengaan en dat mensen, wanneer het gebeurt, terugkeren in de samenleving. Wanneer we alleen pleiten voor het strafrechtelijk kader en dus een strafblad, wat ik mevrouw Faber hoorde zeggen, is het moeilijker om daarna weer terug te keren op de arbeidsmarkt en aan het werk te kunnen. Op die manier kunnen we recidive voorkomen. Mijn vraag aan mevrouw Faber, via de voorzitter, is: hoe kijkt u naar het tegengaan van recidive? Ziet u ook dat het lastiger is wanneer mensen een strafblad hebben dan wanneer dat niet het geval is? Wat is uw visie daarop? De voorzitter: Mevrouw Faber, hierna heeft u ook nog een vraag van mevrouw Westerveld en mevrouw Coenradie. Ik vraag u dus om de vraag iets beknopter te beantwoorden, als dat mag, als dat lukt. Mevrouw Faber (PVV): Vragen staat vrij, natuurlijk. De voorzitter: Ik heb ook een knop om de hele boel uit te zetten, als u die kant op wil. "Harder straffen", hoor ik een van de leden zeggen. Mevrouw Faber (PVV): Harder straffen, ja! Als je een strafblad hebt, is het natuurlijk moeilijker om terug te keren in de maatschappij. Maar dat heeft dan ook een afschrikkende werking. Dan weet je dat je moet oppassen. De afgelopen tien à vijftien jaar is er heel veel begrip gekomen voor de dader. Het werpt blijkbaar geen vruchten af, zoals ik het nu zie. Wat is de rol van de ouders? Volgens mij had de collega van D66 het erover dat de telefoon mee naar bed gaat. Waar zijn die ouders dan? Die kunnen voordat je naar bed gaat toch ook zeggen dat je je telefoon in de keuken moet leggen? Die hebben toch ook een rol? Vandaag of gisteren stond in de krant dat een jongetje van tien jaar oud de boel loopt te verstieren bij een Poolse winkel in Hoogeveen. Die loopt 's avonds gewoon op straat. Dan zeg ik ook: waar zijn die ouders? Je wil als ouder toch dat je kind dan thuis is? Die moet toch op tijd naar bed omdat die naar school moet? Die rol wordt weleens vergeten. Ik vind dat de ouders ook verantwoordelijk zijn. Die zou je ook eens fors aan moeten pakken. Mevrouw Westerveld (PRO): Mijn vraag is net al gesteld door de heer Hamstra. De voorzitter: Kijk aan. Dat gaat snel. Mevrouw Coenradie (JA21): Ik hoor een aantal dingen waar ik me tot een aantal jaren geleden ook wel in kon vinden. Dat is straffen, straffen, straffen, in de overtuiging dat dat de beste remedie is. Dat was het geval totdat ik de politiek in ging, staatssecretaris werd en zelf in jeugdgevangenissen kwam. Mijn vraag aan mevrouw Faber is allereerst of zij weleens in een jeugdgevangenis is geweest. Heeft zij daar weleens gesproken met een jeugddelinquent? Mevrouw Faber (PVV): Ik ben niet zelf in een jeugdgevangenis geweest. Ik kende wel in mijn nabije omgeving een jongeman — ik ga geen details geven, want dan kan je dat herleiden en dat is niet goed — die een jaar in de jeugdgevangenis zat. Ik correspondeerde ook met hem, en ik hoorde ook wel bepaalde zaken van hem. Mevrouw Coenradie (JA21): Ik vraag het niet voor niets. Ik ben daar geweest, ik heb daar gesproken met een aantal jeugddelinquenten, en ik moest daarin wel enigszins mijn beeld bijstellen. Ja, ik zie ook wel eens tuig waarvan ik denk: achter slot en grendel en klaar ermee. Ik heb ook heel vaak gezegd: je moet bij de ouders zijn. Maar we gaan wel steeds uit van het ideale plaatje, dat er twee ouders zijn die thuis zitten te wachten met een kopje thee, kijken wat ze voor hun kroost kunnen doen en het goede gesprek weten te voeren. Die ideale situatie is in mijn eigen Rotterdam-Zuid eigenlijk al niet eens vindbaar achter heel veel voordeuren. Dan praten we dus wel vanuit het ideale plaatje, maar dat ideale plaatje is er niet. We kunnen blijven roepen dat we naar de ouders moeten kijken, maar er is gewoon heel veel multiproblematiek. De kwestie die hier voorligt, is dus ook ontzettend lastig. Ik ga hier nu dus geen oplossing aandragen; ik kom zo dadelijk in mijn bijdrage wel met een aantal voorstellen. Ik wil wel aangeven, en hier gemarkeerd hebben, dat het ontzettend gecompliceerd is. Een andere complexe zaak is deze. Een jeugddelinquent gaf bij mij zo aan: ja, ik zit hier en ik wil mijn straf wel uitzitten, en ja, dat doet pijn, zeker, maar ik kom straks wel terug op hetzelfde voetbalveldje in dezelfde wijk, waar ook dezelfde mensen om mij heen zijn die mij kunnen beïnvloeden; wat dan? De voorzitter: En uw vraag is uiteindelijk? Mevrouw Coenradie (JA21): Voldoet dan straf, of voldoet straf dan dus niet? Dat vraag ik aan mevrouw Faber. Mevrouw Faber (PVV): Dat is in een individueel geval natuurlijk nooit te bewijzen. Dat kan je niet. Het lijkt mij ook geen pretje om een jaar vast te zitten, hoor; dat geef ik ook toe. Maar dan ga je toch wel bij jezelf nadenken, van "dit wil ik niet nog een keer"? Dan is het juist een vorm van persoonlijke groei als je denkt: ik kan dan wel in diezelfde buurt zitten, maar ik ga het gewoon niet meer doen. Je hebt natuurlijk ook een eigen verantwoordelijkheid. Dat kind heeft ook een vader of een moeder. Er zal er waarschijnlijk heus wel eentje zijn, en anders is er een voogd. Die horen daar toezicht op te houden, maar je moet zelf ook persoonlijk gaan groeien. Iedereen maakt fouten in zijn jonge jaren. Dat is logisch; dat doen we allemaal. Dat hoort bij het opgroeien. Maar je moet dan, ook voor jezelf, wel een ontwikkeling inzetten. Er zijn kansen genoeg in Nederland. Je kan scholing krijgen, je kan een vak leren; alles wordt voor je neergezet. Maar ik zeg altijd: je kan een dorstig paard naar de waterbak brengen, maar het zal zelf moeten drinken. Als zo'n paard niet wil drinken, kan je doen wat je wil, maar dan gaat het dat niet doen. Dan moet je het een tik op z'n kont geven, van: je gaat het nu doen. Dat paard dan, hè; ik zeg dit niet over het kind. De voorzitter: Ik denk dat dat duidelijk is. Mevrouw Coenradie laat het daar voor nu bij. Dank u wel. Dan gaan we naar de volgende spreker, mevrouw Moinat van de Groep Markuszower. Mevrouw Moinat (Groep Markuszower): Voorzitter, dank. Ik vervang collega Schilder in dit debat. Voorzitter. "Thuis heb ik nog een ansichtkaart, waarop een kerk, een kar met paard, een slagerij, J. van der Ven. Dit dorp. Ik weet nog hoe het was. De boerenkinderen in de klas. Een kar die ratelt op de keien." De goeie ouwe tijd: kinderen in de klas en daarna fietsend naar huis. "Ze kochten zoethout voor een cent." Maar waar staan we nu? Fatbikes, huurmoorden, het uithalen in de havens van Rotterdam, vapes, drugs, messen, schietpartijen, uzi's, haat, verderf en dood. "De dorpsjeugd klit wat bij elkaar, met trainingspak en broccolihaar, en joelt wat mee met rapmuziek. De nieuwe tijd, zoals de overheid zegt. Maar het maakt mij wat melancholiek." Voorzitter. De goede oude tijd, het vredige Nederland, toen kinderen nog kinderen waren en belletje lellen bij de buurman het hoogtepunt van je dag was. En wat voelden wij ons allemaal ondeugend op dat moment. Vergeleken met nu: belletje lellen is er niet meer bij. Tegenwoordig hangen ze een Cobra 6 aan de deur: "Ik moest ploffen, want de bel deed het niet." Ouderen bedreigen vanaf een fatbike: dat is waar de kick blijkbaar vandaan komt. Zogenaamde jongeren die moordend over straat gaan in opdracht van criminele organisaties. Ons land is drastisch, permanent en deprimerend veranderd. De criminele organisaties krijgen steeds meer vat op onze maatschappij. Advocaten, rechters, ministers, Kamerleden en de gewone hardwerkende Nederlanders: niemand wordt gespaard. De loopjongens van deze organisaties, die het vuile werk mogen opknappen, worden jonger en jonger. Daar zit een reden achter, maar die reden wil de staatssecretaris helaas niet zien. Jongeren hebben één heel groot voordeel, namelijk het voordeel dat ze onbezonnen zijn, zomaar dingen doen en makkelijk over te halen en te manipuleren zijn. Dat voordeel brengt een nog veel groter voordeel met zich mee, waar de rechtspraak en de wetgever hetzelfde over denken: jongeren zijn onbekwaam, onhandelbaar en vrijwel ontoerekeningsvatbaar. Het gevolg is verwaarloosbare straffen: hooguit een paar weken jeugddetentie voor hen die het echt te bont hebben gemaakt. Dat weten criminelen. Niet alleen leren jongeren simpelweg niet als ze niet gecorrigeerd worden, maar kijkend naar de huidige generatie ten opzichte van vroeger vormen ze ook de perfecte huurlingen. Voor de wet zijn ze vrijwel onschendbaar en ongeacht de ernst van de zaak zijn ze binnen no time weer vrij en dus wederom inzetbaar. Toch weigert deze staatssecretaris om de straffen in het jeugd- en het adolescentenstrafrecht te verhogen, met als gevolg dat deze ellende voort blijft duren. Komt dat eigenlijk wel door de staatssecretaris? Wie even de beslisnota leest, weet wel beter. Daarin staat dat "ambtelijk is geadviseerd de straffen voor jeugdigen als jongvolwassenen niet te verhogen." Ik vraag dus aan deze D66-staatssecretaris: kan het wel? Wie is hier nu verantwoordelijk voor het beleid? Juist dit soort jongeren moet je opsluiten, niet voor eeuwig — dat ben ik met iedereen eens — maar wel voor een veel langere tijd. Tijdens het wonen in betonnen dozen met weinig glas kunnen ze nadenken over hoe hun leven valt te herzien. Ze kunnen nadenken over een ander pad dan dat ze hebben gekozen. Zelfs een meerderheid van de ondervraagde rechters is het erover eens dat de strafmaat in het adolescentenstrafrecht verhoogd moet worden. Toch handelt deze staatssecretaris niet. Het is onverstandig en bovendien immoreel. Volwassen daders zouden vergolden moeten worden met volwassen straffen. Ik doe dus nogmaals een oproep aan deze staatssecretaris: laat u niet leiden door ambtelijke bureaucratie en knuffelonderzoeken, maar doe hetgeen overduidelijk nodig is. Het ziet er alleen niet positief uit. Enerzijds kunnen de maximumstraffen niet omhoog, want dat is natuurlijk weer zielig. Anderzijds huilt het huidige regime dat de jeugdinstellingen flink op de schop moeten, want het is wederom zielig. We zijn helaas in het scenario terechtgekomen waarin het ministerie van Justitie en Veiligheid niet gerund wordt door crimefighters, maar door crimehuggers. De zieligheidscult regeert en we zien wat het resultaat is. Die enkele fatbiketerrorist en buurtmishandelaar die dan wel daadwerkelijk vastzitten, moeten gepamperd worden. Ze worden niet bikkelhard, maar met zijden handschoentjes aangepakt. Jongens met het mes tussen de tanden die zogenaamd een slecht thuis hebben, bieden wij een gevangenis die aanvoelt als een warm bad. Tot zover de afschrikkende werking. Zo gaat er nooit wat veranderen. "Dat dorp van toen, het is voorbij. Dit is al wat er bleef voor mij. Een ansicht en herinneringen." Ik dank u. De voorzitter: Dank u wel, mevrouw Moinat. Dan is er eerst een vraag van mevrouw Westerveld van PRO. Daarna is er een vraag van mevrouw Synhaeve van D66. Mevrouw Westerveld (PRO): Mevrouw Moinat heeft het over de goede oude tijd. Ik vraag me af welke tijd zij dan precies bedoelt. We weten uit de cijfers dat jeugdcriminaliteit al jaren daalt, met uitzondering van enkele vormen. Algeheel genomen daalt de jeugdcriminaliteit. Over welke tijd heeft zij het dus precies? Mevrouw Moinat (Groep Markuszower): Ik heb het over de tijd … Ik word dit jaar 42; ik zal het iedereen maar zeggen. In de tijd dat ik buitenspeelde, hingen de touwtjes inderdaad nog uit de brievenbus, waren we belletje aan het lellen en kon ik als jong meisje gewoon nog veilig over straat lopen zonder dat ik achterna gezeten werd door een groepje jongeren of een jongen op een fatbike. Tegenwoordig zie je dit soort dingen toch wel degelijk terugkomen. Ik heb het hier gezien. Ik heb het in mijn verleden gezien. Ik heb een zorgverleden. Ik heb ook in de gemeenteraad gezeten, waarin dit zeer duidelijk was. Wij stelden dit daar toen al aan de kaak. Misschien is het procentueel allemaal gezakt — daar wil ik u gelijk in geven — maar de delicten zijn er zeer zeker niet mooier op geworden en het beeld buiten is er tegenwoordig al helemaal niet mooier op geworden. Mevrouw Westerveld (PRO): Ik denk dat we allemaal onze eigen ervaringen hebben. In de cijfers zien we gewoon terug — dat is dus niet per se wat alleen ik zie — dat de jeugdcriminaliteit al jaren daalt. Wetenschappers zeggen ook dat harder straffen nier per se het beste werkt. De heer Hamstra stelde daar net ook al een vraag over. Er zijn verschillende onderzoeken gedaan naar recidive. Ik zou mevrouw Moinat willen vragen of zij het met mij eens is dat we het aan daders, maar zeker ook aan slachtoffers verschuldigd zijn dat mensen die delicten niet opnieuw plegen. We moeten daarom ook werken aan een toekomstperspectief voor daders, juist om te voorkomen dat ze de volgende keer soortgelijke misdaden begaan. Zo ja, is zij het dan ook met me eens dat harder straffen niet per se werkt en dat we juist nieuw perspectief moeten bieden aan mensen? Mevrouw Moinat (Groep Markuszower): Dank voor deze vraag. Weet u, ik heb de rapporten gelezen. We kunnen wel weer allemaal de knuffelonderzoekjes, zoals ik ze al noemde, erbij halen. Experts zeggen dit en experts zeggen dat. Negen van de tien keer staat het haaks op elkaar. Ik denk dat je deze kinderen met harder straffen juist gaat beschermen, want dan komen ze niet meer vroegtijdig vrij en zijn ze niet meer inzetbaar voor die criminelen. Dus nee, in dat opzicht ben ik het niet met u eens. Qua perspectief bieden denk ik dat je aan de voorkant moet gaan zitten. Want voordat deze jongeren zulk soort daden doen, moeten ze in mijn ogen ergens wel bekend zijn geweest bij een buurtregisseur, of bij jeugdzorg, of bij iemand anders. We zouden dus vanaf daar moeten gaan inzetten. Mevrouw Westerveld (PRO): Ik denk dat we allemaal een gevoel hebben bij jeugdcriminaliteit. Niemand hier praat misdrijven goed. Iedereen vindt dat je, vanuit het oogpunt van genoegdoening en slachtoffers, daders moet aanpakken. Maar ik hoop wel dat we blijven kijken naar wat werkt. Dan zou ik mevrouw Moinat het volgende willen vragen. We hebben hier vorige week een uitgebreid gesprek gehad met tien verschillende deskundigen. Daarnaast gaan we, denk ik, allemaal op werkbezoek. Waar haalt zij het dan vandaan dat alleen maar inzetten op harder straffen wél werkt? Uit welk rapport of onderzoek baseert ze dit, of welke deskundige heeft ze gesproken? Daar ben ik dan namelijk wel heel benieuwd naar. Mevrouw Moinat (Groep Markuszower): Ik haal het niet uit een onderzoek; ik haal dat pertinent ook uit eigen ervaring. We kunnen wel allemaal onderzoeken naast elkaar leggen, maar ik vind dat in deze tijd gewoon niet relevant. Je ziet dat jongeren ingezet worden voor criminele organisaties, omdat ze zo snel weer vrij zijn. Dat is dus eigenlijk mijn antwoord op uw vraag. Ik ga niet mee in minder en lager straffen. Mevrouw Synhaeve (D66): Ik bouw even verder op het gesprek dat net gevoerd is. Concludeer ik dan goed dat mevrouw Moinat zegt: "Het kan wel zo zijn dat de jeugdcriminaliteit in de praktijk gedaald is, maar voor mij voelt het niet zo. Het kan wel zo zijn dat harder straffen in de praktijk niet werkt, maar voor mij voelt het niet zo." Is de basis waarop u beleid wil maken voor heel Nederland dan echt: het voelt voor mij niet zo, dus roep ik iets anders dat lijnrecht staat tegenover wat alle experts van links tot rechts zeggen? Mevrouw Moinat (Groep Markuszower): Ik heb hier een artikel: "Een jongen van 14 heeft vanochtend bij het metrostation Spijkenisse Centrum geprobeerd een leeftijdsgenootje neer te steken. Het slachtoffer ontsnapte daaraan door iets hards in zijn kleding." Ik weet niet waar mevrouw Synhaeve vroeger zat, maar ik heb dit soort dingen vroeger allemaal niet gelezen. Ik ben het na gaan kijken, samen met een aantal andere mensen. Dit soort dingen waren er vroeger niet. Vroeger sloeg je iemand, als ik het even mag zeggen, ronduit op zijn kaak. Dan lag je en dat was het. Dit soort dingen zijn nieuw. Mevrouw Synhaeve (D66): De essentie is natuurlijk dat dit soort dingen niet nieuw zijn. Er is nu alleen veel meer media-aandacht voor en het wordt via onlinemedia veel sneller verspreid. De essentie is dat we weten dat de jeugdcriminaliteit al jarenlang daalt, ook omdat we durven inzetten op preventie. Daar hebben we wat mij betreft nog een wereld te winnen met elkaar, omdat we dat veel meer zouden moeten doen. Ik kan dus niet anders dan concluderen dat mevrouw Moinat eigenlijk in haar hele bijdrage zegt: voor mij voelt het anders en daar ga ik voor staan, ook al staat dat haaks op wat alle experts ons meegeven. De voorzitter: Mevrouw Moinat hoorde geen vraag, dus volgt geen antwoord. Dan naar mevrouw Faber. Mevrouw Faber (PVV): Voorzitter, staat u mij toe om te reageren op mevrouw Synhaeve. Volgens mij mag dat wel, toch? De voorzitter: Als u het verpakt in een vraag aan mevrouw Moinat, dan mag dat. Mevrouw Faber (PVV): Oké. Dan doe ik het dus zo, richting mevrouw Moinat. In mijn tekst over de uithalerswet heb ik aangegeven dat daar een wijziging in kwam. De strafmaat werd verzwaard. In 2024 werd het aantal aanhoudingen toen drastisch gehalveerd, omdat de meeste uithalers meteen werden veroordeeld tot een gevangenisstraf. Zware straffen werkten dan dus toch, of zie ik dat verkeerd? Mevrouw Moinat (Groep Markuszower): Dank aan mevrouw Faber voor deze vraag. Ik ga haar daarin zeker gelijk geven. De heer Bikkers (VVD): Ik hoor het debat een beetje zo aan. Ik heb heel erg het gevoel dat we de boel helemaal plat aan het slaan zijn. Ik ben benieuwd of mevrouw Moinat dat met mij eens is. Aan de ene kan hebben we het over harder straffen en niets anders dan dat; aan de andere kant hebben we het over enkel en alleen op preventie inzetten. Is mevrouw Moinat het met mij eens dat het voor sommige vergrijpen heel erg nodig is om heel hard te straffen, maar dat we altijd moeten uitgaan van de situatie waarin het kind zich bevindt en wat op dat moment dan de beste oplossing is voor het kind? Soms zal die oplossing harder straffen zijn. Daar vindt u de VVD zeker aan uw zijde. Maar er zijn situaties waar bijvoorbeeld de thuissituatie een probleem is, of waar sprake is van een licht verstandelijke beperking, of waar een jongere die met een lege broodtrommel jarenlang naar school gestuurd wordt uiteindelijk de vraag krijgt of hij €50 per dag wil verdienen. Dat soort situaties vragen toch om veel meer dan alleen maar harder straffen? Nogmaals, op het moment dat het gaat over moord, doodslag, zedendelicten et cetera, vindt u de VVD echt aan uw zijde. Maar bent u het ook met de VVD eens dat we altijd moeten uitgaan van de situatie van het kind? Mevrouw Moinat (Groep Markuszower): Hoe u het schetst, denk ik dat er aan de voorkant al heel veel hulp op de jeugdige zit. Stel dat het dan alsnog fout gaat met deze jeugdige. Dat zou overigens doodzonde zijn, want dan hebben al die instanties die daarvoor zitten gefaald. Dan denk ik toch dat we bij die instanties moeten aankloppen en zeggen dat zij het fout gedaan hebben. Als het kind niet wil luisteren en iets gedaan heeft, vind ik inderdaad dat het kind daarvoor gestraft moet worden. Als je dan niet geholpen bent blijkbaar, of wel geholpen bent, dan kies je er uiteindelijk toch zelf voor. De voorzitter: Dank u wel, mevrouw Moinat. Dat brengt ons bij mevrouw Coenradie. Zij zal spreken namens JA21. Gaat uw gang. Mevrouw Coenradie (JA21): Voorzitter. Pim Fortuyn schreef 30 jaar geleden over de verweesde samenleving. Een samenleving heeft volgens hem een moeder nodig, iemand die zorgt, helpt en mensen bij elkaar houdt, maar ook een vader, iemand die grenzen stelt, normen bewaakt en soms zegt: tot hier en niet verder. Bij de aanpak van jeugdcriminaliteit is de overheid heel vaak moeder, maar veel te weinig vader. Wie dreigt af te glijden, moeten we helpen. Wie doorgaat met geweld, wapens en criminaliteit moet een grens tegenkomen. Daarom komt JA21 met een drietrapsraket: begrenzen, aanpakken en opsluiten. Hoe ernstiger het gedrag en het gevaar, hoe steviger de overheid ingrijpt. Laat ik beginnen bij begrenzen. Als signalen van herhaalde politiecontacten, wapens, schoolverzuim, criminele vrienden of mislukte hulptrajecten zich opstapelen, moeten we eerder ingrijpen. Er bestaan al lokale maar versnipperde aanpakken. Wij willen één landelijke werkwijze. Politie, school, gemeente, ouders en hulpverlening brengen een jongere dan samen in beeld. Er is één dossier, één casusregisseur en één plan met concrete afspraken over school, gezin, behandeling, werk en gedrag: dit krijg je van ons, dit verwachten we van jou en dit gebeurt er als je doorgaat. Op een vast moment maken we de balans op. Gaat het beter, dan schalen we af. Gaat de criminaliteit door, dan grijpen we steviger in. Is de staatssecretaris bereid zo'n landelijke werkwijze op z'n minst te verkennen? Wie die kans krijgt en toch doorgaat met geweld, wapens of structurele criminaliteit, moet een stap verder worden aangepakt. Van helpen en begrenzen naar handhaven en afdwingen. Daarvoor stellen we drie concrete maatregelen voor. Het is geen standaardpakket voor iedere jongere. Afhankelijk van gedrag en risico kunnen de maatregelen afzonderlijk of in combinatie worden ingezet. Om te beginnen willen we gewelddadige jeugdgroepen sneller uit elkaar trekken. We willen één groepsdossier voor de gewelddadige groep, met per jongere een individuele koppeling. Daarna moet de burgemeester binnen 48 uur kunnen beslissen over een groeps- of gebiedsverbod, eventueel gecombineerd met een meldplicht of nachtelijke thuisblijfplicht. Is het kabinet bereid hiernaar te kijken en de Gemeentewet hiervoor aan te passen? Van veiligheidsrisicogebieden willen we naar veiligheidsrisicosubjecten. Een mes of een vuurwapen wordt namelijk niet minder gevaarlijk zodra iemand de grens van een veiligheidsrisicogebied oversteekt. Nu richten we de bevoegdheid vooral op de plek waar het risico bestaat, terwijl niet de straat een mes of een pistool draagt, maar een persoon. Daarom moeten aantoonbare wapengeweldplegers op basis van concrete informatie tijdelijk gericht op wapens gecontroleerd kunnen worden, ook buiten zo'n gebied. Is het kabinet bereid hier juridisch naar te kijken, met als grondhouding om dit gewoon te fiksen? Daarnaast willen we, naar Deens voorbeeld, een Nederlandse jeugdcriminaliteitskamer. Waar we bij begrenzen hulp en afspraken rond een jongere organiseren, gaat dit orgaan een stap verder. Dat kan een bindend verbetertraject opleggen. Wij willen één plek waar het totale pakket wordt vastgesteld, een instantie met een rechter als voorzitter en politie en gemeentelijke expertise. Denk aan verplichte schoolgang, behandeling, gezinsbegeleiding, meldplicht, gebiedsverbod of verplichte thuistijden. Een toezichthouder bewaakt de naleving. Is het kabinet bereid zo'n jeugdcriminaliteitskamer uit te werken? In Denemarken heet dat een SSP-netwerk. Ook afdwingbare maatregelen zijn voor de zwaarste groep soms niet genoeg. Wie ondanks ingrijpen doorgaat met ernstige criminaliteit, moet uiteindelijk letterlijk uit zijn criminele omgeving kunnen worden gehaald. Bij zeer ernstige criminaliteit moet die stap ook direct mogelijk zijn. Dat is fase 3: opsluiten. Voor deze jongeren willen wij een gesloten heropvoedingsprogramma. Een kleinschalige gesloten voorziening met iedere dag een verplicht programma. Denk aan onderwijs, fysieke training, leren werken, gedragsverandering, discipline en duidelijke normen en regels. Vanaf dag één wordt gewerkt aan terugkeer naar school, opleiding of werk. Zo beschermen we de samenleving én proberen we het criminele patroon te doorbreken. Voorzitter. Fortuyn had het over de vader en de moeder. De overheid moet jongeren helpen waar het kan, maar soms is het klaar. Dan moet zij ook vader durven zijn. Dan moet zij grenzen stellen en ingrijpen, voor de jongere en voor de samenleving. Tot zover. De voorzitter: Hartelijk dank, mevrouw Coenradie. U heeft een vraag van de heer Hamstra, CDA. De heer Hamstra (CDA): Allereerst complimenten aan mevrouw Coenradie voor het uitgebreide plan dat zij nu presenteert. Ik vind het altijd goed als Kamerleden dat doen, dus complimenten daarvoor. Ik ben benieuwd naar stap 3, de laatste stap: opsluiten en gesloten heropvoeding. We lezen, onder andere in de brandbrief en de brief van de staatssecretaris, dat we nu al aanlopen tegen de tekorten aan personeel en aan plekken en dat het daardoor soms lastig is om met onderwijs en dagbesteding te gaan werken in jji's. Hoe kijkt mevrouw Coenradie daarnaar bij stap 3? Hoe rijmt dat met elkaar en hoe zouden we dat op een andere manier invulling kunnen geven? Mevrouw Coenradie (JA21): Dan is ook gelijk de volgende vraag: hoe gaan we het budgettair allemaal regelen? Heel eerlijk gezegd zien we dat er tal van jongeren zijn — in 2025 ging het om 1.060 veelplegers — die in hun criminele carrière zes of meer delicten achter hun naam hebben staan. Dat is een groot aantal. Daarvan hadden er 250 dat aantal binnen een jaar al gerealiseerd. De noodzaak is dus hoog. Tegelijkertijd zie ik ook wat detentie doet. We hebben het daar net al over gehad met elkaar. Detentie voldoet niet altijd. We zien namelijk dat een meerderheid — het is geloof ik net 53% — toch weer binnen twee jaar recidiveert. Daar kan ik alles van vinden. Uit eigen ervaring weet ik ook dat er door de enorme personeelskrapte en de druk op de hele keten niet altijd voldoende ruimte is voor de resocialisatie. Toch vind ik dat we wel moeten kijken naar zo'n vorm en een extra instrumentarium aan de rechter, in dit geval, moeten kunnen geven. We moeten iets doen met deze groep, die elke keer weer in herhaling valt, die een hoog veiligheidsrisico met zich meebrengt, een hoog recidivegehalte met zich meebrengt en ernstige delicten op zijn of haar naam heeft staan. We moeten dat criminele patroon doorbreken. In mijn optiek doen we dat niet enkel met detentie. Daar zou in mijn optiek, maar het is aan de rechter om daarover te oordelen, iets aanvullends op moeten komen. Dat is natuurlijk niet helemaal een antwoord op de vraag hoe we omgaan met het personeelstekort. Dat blijft altijd heel lastig. Dat durf ik ook niet zo te zeggen. Ik ben wel nieuwsgierig naar wat het hele kabinet, maar nu vandaag deze staatssecretaris, van deze denkrichting vindt. De voorzitter: Ik kijk even rond. Er zijn geen andere vragen. Dank. Dan is het woord aan mevrouw Van der Plas. Zij spreekt namens de BBB. Gaat uw gang. Mevrouw Van der Plas (BBB): Dank u wel, voorzitter. Ieder kind verdient de kans om goed op te groeien: thuis, op school, bij de sportclub, in de buurt. Maar wanneer een jongere het criminele pad opgaat, moeten we ingrijpen. Dat is niet alleen voor de jongere zelf, maar ook voor de omgeving en zeker voor de slachtoffers. Jeugdcriminaliteit raakt gezinnen, scholen en buurten. Het gaat om mensen die worden bedreigd, beroofd of mishandeld, om winkeliers die schade lijden, om jongeren die bang zijn voor leeftijdsgenoten. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de overheid hen beschermt. Wat mij betreft horen voorkomen, begrenzen en bestraffen bij elkaar. Wie dreigt af te glijden, moet tijdig hulp krijgen. Wie strafbare feiten pleegt, moet worden aangesproken en de gevolgen ondervinden. Hoe zorgt de staatssecretaris dat die aanpak in de praktijk werkt, vanaf het eerste politiecontact tot het voorkomen van herhaling? Voorzitter. Dan begint daar ook de verantwoordelijkheid van ouders. Opvoeden betekent belangstelling tonen, toezicht houden en grenzen stellen, weten met wie je kind omgaat, vragen waar die dure spullen ineens vandaan komen en optreden wanneer je kind anderen bedreigt of intimideert. Natuurlijk kunnen ouders niet alles voorkomen. Er zijn ouders die alles proberen en van wie de kinderen toch ontsporen. Zij verdienen steun. Maar ouders die wegkijken, gedrag goedpraten of iedere verantwoordelijkheid bij school en politie leggen, moeten stevig worden aangepakt. De staatssecretaris schrijft dat ouders intensief worden betrokken. Wat betekent dat concreet? Welke afspraken worden er gemaakt over toezicht, schoolgang en begeleiding? Wie controleert of ouders die afspraken nakomen? Wat gebeurt er als ouders structureel weigeren mee te werken? Is de staatssecretaris bereid om inzichtelijk te maken welke mogelijkheden er zijn om noodzakelijke medewerking af te dwingen en waar aanvullende instrumenten nodig zijn? BBB wil dat ouderlijke verantwoordelijkheid verder gaat dan alleen aanwezigheid in een gesprek. Voorzitter. We moeten voorkomen dat een eerste delict het begin wordt van een criminele loopbaan. Professionals moeten vroeg kunnen handelen, ook wanneer een kind nog geen 12 is. Welke aanpak volgt wanneer jonge kinderen herhaaldelijk stelen, bedreigen of geweld gebruiken? Hoe voorkomen we dat signalen blijven liggen omdat organisaties naar elkaar verwijzen, vraag ik de staatssecretaris. Daarbij moeten we ook kijken naar wat zich online afspeelt. Via sociale media, zoals Snapchat, kunnen jongeren elkaar onder druk zetten, bedreigen of aanzetten tot strafbare feiten, buiten het zicht van ouders en buiten het zicht van school. Via onlinekanalen worden jongeren geronseld voor ernstige criminele activiteiten. Welke concrete acties lopen er op dit moment om dit tegen te gaan? BBB ziet daarbij een belangrijke rol voor wijkagenten, scholen, jongerenwerk en verenigingen. Zij kennen de jongeren en hun gezinnen, maar hebben zij wel voldoende tijd en mogelijkheden om op te treden? Hoe zorgt de staatssecretaris ervoor dat passende hulp en preventie ook beschikbaar zijn in dorpen en kleine gemeenten? Hoe wordt vastgesteld welke aanpak daadwerkelijk minder criminaliteit en herhaling oplevert? En hoe voorkomen we dat geld blijft gaan naar projecten waarvan de resultaten onvoldoende zijn? Voorzitter. Als jongeren toch ernstige misdrijven plegen, moet een passende straf volgen. De staatssecretaris wil de strafmaxima niet verhogen, maar volgens haar eigen brief is 61% van de bevraagde officieren van justitie en rechters voorstander van een hogere strafmaat voor jongvolwassenen die onder het adolescentenstrafrecht worden bestraft. Waarom geeft de staatssecretaris daaraan geen gevolg? Hoe worden bij ernstige geweldsmisdrijven de bescherming van de samenleving en genoegdoening voor slachtoffers meegewogen? En hoe vaak wordt bij 16- en 17-jarigen het volwassenstrafrecht toegepast? Daarnaast vraagt BBB om uitvoering. Hoelang wachten jongeren op hun straf of behandeling? Wat gebeurt er in de tussentijd om nieuwe slachtoffers te voorkomen? Ik kom tot een einde, want ik zie de voorzitter al mijn kant op kijken. De inspecties waarschuwen voor verdere versobering in jeugdinrichtingen. Jongeren moeten daar onderwijs, behandeling en structuur krijgen. Mijn laatste vragen zijn: "Welke verbeteringen worden doorgevoerd en wanneer? En hoe wordt voorkomen dat personeelstekorten het terugdringen van de criminaliteit ondermijnen?" Dank u wel. De voorzitter: Dank u wel, mevrouw Van der Plas. We gaan luisteren naar de heer Bikkers. Hij spreekt namens de VVD. Gaat uw gang. De heer Bikkers (VVD): Dank u wel, voorzitter. Ik zie het in mijn eigen buurt voor mijn eigen ogen gebeuren: jonge kinderen op fatbikes — ik schat ze zo'n 12 tot 14 jaar — die rondhangen en kattenkwaad uithalen. Dat is natuurlijk niet de bedoeling, maar het is ook niets nieuws. Wat wel nieuw is, is dat in mijn tijd mijn ouders zeiden: voor het donker ben je thuis. Deze gasten blijven hangen tot tien, elf uur 's avonds, en dan blijft het niet bij jongeren op fatbikes; nee, er voegen zich gasten met auto's bij die af en aan rijden en rolmodellen zijn voor deze jongens; ze ronselen ze voor dingen die niet door de beugel kunnen, gewoon op straat, maar ook steeds meer online. Minister Karremans pakt de fatbikes aan, maar wat doen we met de jongeren? Ik vraag me ook elke keer af waar de ouders zijn. Weten zij met wie hun kinderen omgaan en wat ze op straat doen? Waarom grijpen die ouders niet in? Voor de VVD is het helder: preventie waar het kan en stevig ingrijpen wanneer de grens wordt overgegaan. Maar weten we ook hoe we dit het beste kunnen doen? Welke publieke middelen worden hiervoor besteed? Grijpen we genoeg in wanneer de ernst van het delict daarom vraagt? Voorzitter. Laat ik beginnen met de aanpak Preventie met Gezag. De VVD steunt deze aanpak. Echter, als publiek geld wordt ingezet voor preventie, rest ons ook het recht om te weten wat er precies met het geld gebeurt en wat het oplevert. Gemeenten hebben nu de ruimte om verschillende interventies te kiezen. Dat biedt maatwerk, maar het zorgt ook voor een overkill aan verschillende projecten waarvan niet altijd duidelijk is hoe effectief ze zijn. Vorige week spraken we hier als commissie met een aantal vertegenwoordigers van bewezen effectieve interventies. Zij gaven aan dat er heel veel cowboys op de markt zijn met mooie marketing die niet-bewezen maatregelen aan gemeentes verkopen. Een voormalig crimineel voor de klas zetten om te vertellen dat de jeugd niet de criminaliteit in moet gaan, werkt volgens hen zelfs averechts. Dit zijn trajecten die aangeboden worden middels Preventie met Gezag. Mijn vraag aan de staatssecretaris is daarom hoe we ervoor zorgen dat bewezen effectieve interventies daadwerkelijk de norm worden binnen Preventie met Gezag. Mijn eerdere motie daarover gaf precies deze zorg aan. Ik ben benieuwd of de staatssecretaris inmiddels écht bereid is om in te grijpen bij gemeentes. Voorzitter. Ik sprak al over de rol van ouders. Ze zijn een belangrijke schakel in het voorkomen van crimineel geweld en gedrag. De aangenomen VVD-motie vraagt om een verkenning van effectieve dwangmiddelen richting ouders. Hoe gaat de staatssecretaris de verantwoordelijkheid bij ouders versterken? Is inmiddels in beeld welke juridische en praktische instrumenten we hebben om ouders te verplichten en actiever aan te spreken op hun opvoedtaken? Zo niet: welke instrumenten denkt de staatssecretaris hieraan te kunnen toevoegen? Voorzitter. Een ander punt is het volwassenenstrafrecht. Het jeugdstrafrecht kent een pedagogisch karakter, wat terecht is gezien de jonge leeftijd van criminelen, die helaas vaker ook te maken hebben met een licht verstandelijke beperking of multiproblematiek. Maar dat neemt niet weg dat vergelding soms nodig is en moet, en dat het toepassen van volwassenenstrafrecht soms ook nodig is. In 2025 is het volwassenenstrafrecht slechts veertien keer toegepast. Artikel 77b biedt ruimte om bij 16- en 17-jarigen het volwassenenstrafrecht toe te passen, gelet op de ernst van het feit, de persoonlijkheid van de dader en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd. Mijn vraag aan de staatssecretaris is: in hoeverre is deze ruimte in de praktijk overwogen? Kan zij inzichtelijk maken hoeveel zaken de afgelopen jaren aan de criteria voldeden, maar waarin uiteindelijk geen volwassenenstrafrecht is gevorderd? De conclusie van de staatssecretaris dat er met veertien keer toepassing geen probleem is, is wat mijn fractie betreft echt te kort door de bocht. Voorzitter. Tot slot vraag ik aandacht voor meisjes en jongeren met een licht verstandelijke beperking. Ondanks dat meisjes een relatief kleine groep vormen binnen de jeugdcriminaliteit, zien we dat het aandeel van meisjes tussen de 12 en 15 jaar groeit. Wat de VVD betreft moeten we niet pas handelen als het probleem zich te ver heeft ontwikkeld. Het recente WODC-onderzoek laat zien dat we nog te weinig weten over wat er bij deze groep werkt en welke interventies passend zijn. Hoe zorgen we ervoor dat met name meisjes tussen de 12 en 15 jaar eerder in beeld komen bij instanties en dat de kennis over passende interventies wordt opgebouwd, vraag ik aan de staatssecretaris. Diezelfde zorg heb ik omtrent jongeren met een licht verstandelijke beperking. Preventieve interventie sluit niet altijd voldoende aan bij de mogelijkheden en behoeftes van deze doelgroep. Juist bij deze groep zijn herkenning, passende communicatie, structuur en maatwerk van belang. Ook hier wil ik van de staatssecretaris weten hoe zij ervoor zorgt dat effectiviteit niet alleen op papier wordt gemeten, maar ook daadwerkelijk aansluit bij de jongeren die we uit de problemen willen helpen. Voorzitter, tot zover. De voorzitter: Dank u wel, meneer Bikkers. Een vraag van mevrouw Westerveld. Mevrouw Westerveld (PRO): Die sluit mooi aan bij het laatste deel, want ik vind de aandacht voor jongeren met een licht verstandelijke beperking heel terecht. Er zijn ook kinderen die opgroeien met ouders met een licht verstandelijke beperking. Er zijn in Nederland ook zo rond de 900.000 kinderen, zeg ik even uit mijn hoofd, die opgroeien met een ouder met verslavingsproblematiek of met andere ernstige psychiatrische problematiek. Dat zijn dus gezinnen waar het moeilijk is. Nu hoor ik al een paar keer de oproep: waar zijn de ouders? Ik vind die oproep terecht, maar er zijn natuurlijk ook gezinnen waar de omstandigheden gewoon extra moeilijk zijn, waar ouders soms gewoon enorm veel aan hun hoofd hebben. Mijn gerichte vraag aan de VVD is dan of de VVD ook wil pleiten voor extra ondersteuning in die gezinnen, bijvoorbeeld als het gaat over armoedeproblematiek, extra zorgvragen enzovoorts, en of zij ook in andere commissies ervoor wil pleiten dat er niet verder bezuinigd wordt op deze gezinnen. Ik denk dat het namelijk ook kan helpen om meer aandacht te hebben voor de kinderen die opgroeien in die gezinnen. De heer Bikkers (VVD): Kijk, geld is niet altijd het probleem. Het gaat er uiteindelijk om hoe we ervoor zorgen dat een team van professionals om zo'n gezin heen gaat staan en dat gezin bij de hand neemt om verder te komen. Ik zie hele goede voorbeelden in het land van wijkteams die dat op een hele goede manier doen, maar ik zie ook voorbeelden in het land waarvan ik denk: joh, dat kan wel wat beter. Als die verschillende aanpakken nou eens echt goed tegen elkaar worden gehouden om te kijken hoe we met maatwerk, met de juiste mensen en met één aanpak per gezin ervoor zorgen dat deze gezinnen verder worden geholpen, denk ik dat we echt een goede stap in de goede richting zetten. De voorzitter: Dank, meneer Bikkers. Dan komen wij toe aan de laatste spreker van vandaag vanuit de Kamer. Dat is mevrouw Westerveld. Zij zal spreken namens de fractie van PRO. Gaat uw gang. Mevrouw Westerveld (PRO): Dank u wel, voorzitter. Inspecties luiden de noodklok over de omstandigheden in de jji's. Ik ben ter voorbereiding van dit debat ook eens gaan uitzoeken wat er de afgelopen tijd gebeurd is. In dat uitzoekwerk stuitte ik op een brief uit 2019 van toenmalig minister Sander Dekker. Die kondigde aan om twee justitiële jeugdinrichtingen te sluiten, omdat er voor 2024 nog maar 358 plaatsen nodig zouden zijn. Volgens die brief — ik heb hem hier bij me — zou er ook voldoende flexibele capaciteit overblijven om tegenvallers op te vangen. Daar werd voor gewaarschuwd door heel veel mensen uit het veld. Al die waarschuwingen zijn in de wind geslagen, en we zien nu het resultaat: ruim zes jaar later is het systeem totaal vastgelopen. We zien dat onderwijs, behandeling en veiligheid onder druk staan. We zien ook dat jongvolwassenen die onder het jeugdstrafrecht vallen, worden opgevangen op afdelingen in het gevangeniswezen, en dat ze bij plaatsgebrek zelfs eerder in reguliere gevangenissen belanden. In zes jaar tijd van inrichtingen sluiten omdat we plekken over zouden hebben naar jongeren onderbrengen in het gevangeniswezen. Daar is heel wat gebeurd. Ik wil de staatssecretaris vragen: hoe heeft dit nou zover kunnen komen? Nou ja, dat lezen we deels in de brief. Ik wil met name vragen: welke lessen trekt ze uit deze politieke fouten die zijn gemaakt en die heftige gevolgen hebben voor jongeren zelf, maar ook voor de mensen die werken in de jji's, de jeugdbescherming en de reclassering? Voorzitter. Achter die capaciteitscijfers zitten natuurlijk jongeren. Dat zijn jongeren die soms of vaak ernstige of heel ernstige dingen hebben gedaan, met slachtoffers die recht hebben op bescherming, erkenning en herstel. Juist daarom moeten we ook zorgen dat jongeren na hun straf hun leven anders gaan inrichten. Dat vraagt om onderwijs, behandeling, en medewerkers die tijd hebben om vertrouwen op te bouwen, grenzen te stellen en ook te begrijpen wat er nou nodig is om straks weer een leven te kunnen opbouwen. Maar de inspecties waarschuwen dat tijdelijke noodmaatregelen vaste praktijk zijn geworden en dat zelfs de wettelijke ondergrens voor gemeenschappelijke activiteiten niet wordt gehaald. Dan lees ik in de reactie dat de staatssecretaris aangeeft dat ze een verdere versobering van het dagprogramma verkent. Het is dan wel tijdelijk, maar ze verkent het. Ik wil haar vragen: hoe kan minder onderwijs, minder begeleiding en minder contact nou het antwoord zijn op de waarschuwing die zo duidelijk door de inspecties wordt gegeven? Ik wil heel graag een heel concreet plan van de staatssecretaris over onderwijs, pedagogisch klimaat, behandeling enzovoort, met een duidelijke doelstelling. Ik wil ook graag weten wat volgens de staatssecretaris de ondergrenzen zijn. Wat gaat ze precies bewaken? Voorzitter. Ook de uitstroom uit de PIJ loopt vast. We kregen een heel concrete brief vanuit de gemeente Den Haag, die aandacht vraagt voor acht jongeren met een PIJ-maatregel voor wie het vinden van passende vervolgzorg problematisch is. Ook daar zie ik die combinatie van psychiatrische problemen, agressie en licht verstandelijke beperking. Ik denk dat de collega's dat ook zien. We hebben het daar ook vaak over in andere debatten. Dat zijn jongeren die hele goede begeleiding nodig hebben, maar die is niet te vinden. Ik wil hierop ook graag een reactie van de staatssecretaris, want dit gebeurt op veel meer plekken. Ik hoorde van collega's terechte vragen over buitenstrafrechtelijke afdoeningen. Die ga ik niet herhalen, maar ik sluit me daar graag bij aan. Ik las ook het rapport van de RSJ. Zij hebben een heel aantal adviezen. Ik zou graag een reactie van de staatssecretaris willen, bijvoorbeeld op het landelijke loket dat wordt aanbevolen. Gaat zij dat organiseren met VWS? Wie is tot die tijd verantwoordelijk? Voorzitter. Ik las in de brief ook iets terug over Preventie met Gezag. Ik ben heel benieuwd naar de concrete plannen daarvoor, dus graag een reactie van de staatssecretaris. We hadden het er net al over in interruptiedebatjes: ik maak me wel zorgen over de reflex om steeds harder te straffen, terwijl we de voorwaarden voor terugkeer aan het verwaarlozen zijn. Het pedagogisch uitgangspunt moet richting geven aan keuzes. Investeer dus in de kleinschalige voorzieningen en passende alternatieven waar dat verantwoord kan. Zorg dat jongeren die wel vastzitten de behandeling krijgen die nodig is. Dan sluit ik bijna af, voorzitter. Ik wil namelijk afsluiten met een hartenkreet. Met vrijheidsbeneming ontneem je iemands vrijheid. Daarmee heb je als Staat dus ook de verantwoordelijkheid voor wat er binnen die muren gebeurt. Iemand komt namelijk weer buiten, en dan is de vraag: wat is er in de tussentijd gedaan om nieuwe slachtoffers te voorkomen? De voorzitter: Dank u wel, mevrouw Westerveld. De heer Hamstra van het CDA heeft een vraag hierover. De heer Hamstra (CDA): We hebben voorafgaand aan dit commissiedebat een verzamelbrief ontvangen van de staatssecretaris die ook ingaat op uw motie ten aanzien van onderwijs. In het tweeminutendebat Justitiële jeugd en ook in het commissiedebat voorafgaand daaraan hebben wij daar samen vragen over gesteld. In de verzamelbrief staat dat OCW en JenV een aangekondigde visie op onderwijs gaan ontwikkelen binnen de herbezinning op de opgave van de jji's, en dat wij daar als Kamer in het eerste kwartaal van 2027 over geïnformeerd worden. Wat vindt u van de afdoening van die motie? Hoe kijkt u daarnaar? En als u er ontevreden over bent, welke stappen zouden we dan verder kunnen zetten? Mevrouw Westerveld (PRO): Dank voor deze vraag. Dit was in het vorige debat een groot punt. Ik was namelijk enigszins geïrriteerd, omdat ons een paar jaar geleden al was beloofd dat die visie zou komen en ik er zelf achter kwam dat die ergens in de afgelopen jaren is vergeten. Ik kijk deze staatssecretaris daar niet op aan. Ik vind 2027 rijkelijk laat. Ik had het liever allemaal eerder gezien, maar ik snap ook wel dat je niet in een paar weken zo'n visie uit de grond stampt. Volgens mij is onderwijs ongelofelijk belangrijk, juist ook om nieuwe slachtoffers te voorkomen, omdat je dus hopelijk mensen die vastzitten weer perspectief geeft en laat zien wat ze allemaal kunnen, in de hoop dat ze daardoor niet weer in de criminaliteit belanden. Als we ook kijken naar heel veel andere wetenschappelijke onderzoeken en luisteren naar deskundigen, weten we hoe ontzettend belangrijk het is dat jongeren goed onderwijs krijgen en dus ook pedagogisch begrensd worden waar dat nodig is. Mevrouw Van der Plas (BBB): Mevrouw Westerveld had het er daarstraks over dat de jeugdcriminaliteit juist is gedaald. Mevrouw Westerveld vergeet daar wel bij te melden dat dat aantal in harde politiecijfers weliswaar is gedaald, maar als je kijkt naar de Monitor Zelfgerapporteerde Jeugddelinquentie van het Nederlands Jeugdinstituut, zie je dat jongeren in die cijfers aangeven veel meer delicten te plegen dan uit de politiecijfers blijkt. Als je die twee tegenover elkaar zet, zie je eigenlijk dat de jeugdcriminaliteit op papier weliswaar gedaald is, maar dat die met die monitor ernaast gestegen is. Is mevrouw Westerveld het daarmee eens? Is ze daarvan op de hoogte? Mevrouw Westerveld (PRO): Ik heb dat ook gezien. Ik stelde een vraag, en in een vraag kan je niet alles kwijt. Ik zei in mijn vraag ook nog "met een aantal uitzonderingen", waarmee ik bijvoorbeeld doelde op de heftige criminaliteit. Er staan ook een paar zaken in over de stijging van de hele heftige criminaliteit. Dat gaat om een kleine groep, maar die pleegt steeds heftigere misdrijven. Dat heb ik ook allemaal niet in mijn vraag genoemd, want dat past niet in de korte tijd die je voor een vraag hebt. Ik vind het lastig om conclusies te trekken uit zelfrapportage, want het kan met heel veel verschillende zaken te maken hebben. Ik ga niet mee met de conclusie dat jeugdcriminaliteit juist is gestegen. Volgens mij kan je dat hier niet uit opmaken. Mevrouw Van der Plas (BBB): Nou ja, ik ben blij dat mevrouw Westerveld er wel van op de hoogte is. Het schept namelijk wel een beetje een verkeerd beeld als je hier in het debat leden aanspreekt en zegt: de jeugdcriminaliteit is juist gedaald. Dat zijn de papieren cijfers. Kijk bijvoorbeeld naar onlinecriminaliteit. Die was er vroeger, in de jaren 2000, misschien veel minder, maar die is er nu wel meer. Die cijfers komen vaak niet bij de politie terecht. Ik vind wel dat we hier een juist beeld moeten houden, want als je zegt dat de jeugdcriminaliteit al zo gedaald is … Ja, op papier is dat inderdaad zo. Wat wil mevrouw Westerveld eraan doen om te zorgen voor dat juiste beeld? Met een juist beeld kunnen we ook de juiste maatregelen treffen. Is mevrouw Westerveld het daarmee eens? Mevrouw Westerveld (PRO): Zeker. Natuurlijk moet je een juist beeld hebben. Daarom hebben we hier vorige week ook een heel goed gesprek gehad met verschillende wetenschappers, die aangaven wat er in hun optiek moet gebeuren om effectief jeugdcriminaliteit en recidive te bestrijden. Wij maken hier natuurlijk politieke keuzes, maar we doen dat wel op basis van wat wij lezen in rapporten, op basis van wat wij horen van deskundigen en op basis van werkbezoeken. Ik vond het ingewikkeld — daarom stelde ik net ook die vraag aan mevrouw Moinat — dat er heel erg werd uitgegaan van "ik zie dit". Ik vind dat je nooit generiek beleid kan maken op basis van wat je zelf ziet, omdat dat altijd n = 1 is. Daarom was mijn vraag net of er ook is gepraat met wetenschappers en gekeken naar de cijfers en rapporten, omdat ik daar een ander beeld in zie dan het verhaal dat ik net hoorde. Even samengevat: vroeger was alles beter en was er minder criminaliteit. Dat strookt gewoon niet met wat wij horen van de wetenschappers en met wat we lezen in al die cijfers en rapporten. Mevrouw Van der Plas (BBB): Het Nederlands Jeugdinstituut noemt de Monitor zelfgerapporteerde jeugddelinquentie. Dat is ook een rapport. Daarin zie ik — en dat vind ik best zorgelijk — dat 12,7% van de 11- tot 12-jarigen en 16,5% van de 12- tot 18-jarigen aangeeft gewoon ook geweldsdelicten te plegen. De meest genoemde vorm van strafbare feiten door jeugd betreft geweldsdelicten. Daarna komen diefstal, heling en oplichting en daarna komt vandalisme. En dan heb je nog een stukje online. Dan kom ik op mijn vraag. We hebben natuurlijk ook minder politie op straat. We hebben de afgelopen veertien, vijftien jaar honderden miljoenen uitgegeven aan meer blauw op straat, maar we hebben van de Algemene Rekenkamer begrepen uit een technische briefing dat daar helemaal niks van terecht is gekomen. Dus minder politie op straat betekent minder toezicht. Ik stel de volgende vraag dan ook gelijk aan de staatssecretaris. Ik heb het over wijkagenten, maar als we minder politie op straat hebben, signaleren die ook minder. Hoe ziet mevrouw Westerveld dat? Mevrouw Westerveld (PRO): Dat laatste ben ik met mevrouw Van der Plas eens. Mijn collega Mutluer heeft de afgelopen jaren voortdurend ingezet op meer blauw op straat. Dus dat is niet een punt waarover wij bij mijn weten van mening verschillen. Mijn collega doet dat voortdurend. Natuurlijk is het juist van belang dat je die wijkagent hebt, die de buurt kent en die een band opbouwt met de mensen die daar wonen, zodat delicten snel worden gezien. Idealiter kan een wijkagent dan ook af en toe eens bij ouders aankloppen met de vraag: hoe gaat het hier? De wijkagent kan ook de buurtteams en alle andere instanties inschakelen op het moment dat het misgaat. Daar zijn we natuurlijk hartstikke voor. De voorzitter: Uw laatste interruptie, mevrouw Van der Plas. Mevrouw Van der Plas (BBB): Nou ja, dan de laatste interruptie, inderdaad. In de procedurevergadering gisteren hebben JA21 en BBB het verzoek gedaan om de minister van Justitie en Veiligheid openheid te vragen over de splitsing van het geld, over de vraag waar het allemaal naartoe gaat. Het is gewoon één grote black box, zo hebben we begrepen. Wij willen gewoon brieven en ambtenarenadviezen. Wij krijgen als commissie daarin gewoon geen inzicht. Ik vind het belangrijk dat dit wel gebeurt. De commissie heeft gezegd: wat willen jullie dan precies? Ik vind het prima om echt op een rijtje te zetten wat we precies willen, maar ik hoop ook dat de commissie dan zegt: dat is een goed idee. Want we behandelen binnenkort de begroting Justitie en Veiligheid. De voorzitter: Maar wat is uw vraag nu aan mevrouw Westerveld? Mevrouw Van der Plas (BBB): Mijn vraag is eigenlijk: kan mevrouw Westerveld dit steunen? Dat is misschien ook meer een vraag voor haar collega Mutluer. Wat wij vorige week hebben gehoord, was echt ontluisterend. Mevrouw Westerveld (PRO): Ik was gisteren niet bij de procedurevergadering, dus ik weet niet welk precieze voorstel er ligt en wat de commissie terug heeft gevraagd. In het algemeen ben ik natuurlijk altijd voor parlementaire controle, omdat wij het kabinet controleren. Maar ik was er gewoon niet bij. De voorzitter: Even voor de helderheid: het was een verzoek namens BBB en JA21. Het gaat inderdaad om een verzoek om informatiedeling. Dat hoeven we hier niet te bespreken. Het is daar neergelegd en er wordt verzocht om aan de commissie een nadere toelichting te geven. Mevrouw Westerveld hoeft daar niet per se op te reageren, want dat is denk ik aan de commissie, als u dat goedvindt, mevrouw Van der Plas. Het verzoek is gisteren inderdaad gedaan. Tot zover. Is dat goed? Dan ga ik even naar mevrouw Moinat, die ook een vraag heeft aan mevrouw Westerveld, en daarna mevrouw Faber. Mevrouw Moinat (Groep Markuszower): Via u, voorzitter, vraag ik aan mevrouw Westerveld: is mevrouw Westerveld het met mij eens dat als de aangiftebereidheid daalt, dan ook de cijfers automatisch dalen? We zien dat, met deze harde strafbare feiten die gepleegd worden, de aangiftebereidheid ook naar beneden gaat, omdat mensen eerder bang zijn om aangifte te doen. Automatisch vertaalt zich dat in een cijfer dat lager is dan het eigenlijk is. Mevrouw Westerveld (PRO): Dat lijkt me op elkaar volgen. Als de aangiftebereidheid daalt, dan zie je dat natuurlijk terug, want dan kan er niet geregistreerd worden welke misdrijven er zijn gepleegd. Dan zie je dat terug in de cijfers, ja. Mevrouw Faber (PVV): Ik heb een vraag in het verlengde hiervan, ook over de aangifte. Het wordt steeds moeilijker om aangifte te doen. Vroeger zat er in elke wijk een agent bij wie je altijd aangifte kon doen. Dat is tegenwoordig niet meer zo. Dus het wordt moeilijker om aangifte te doen. Dan is het ook nog zo dat bij een heleboel basisteams niets met de aangifte wordt gedaan. Dan krijg je dus ook een vertekend beeld. Is mevrouw Westerveld het met mij eens dat dit invloed heeft op de cijfers van het aantal misdrijven die gepleegd zijn door de jeugd? Mevrouw Westerveld (PRO): Of er meer of minder wordt gedaan met aangiftes weet ik niet. Ik ben geen woordvoerder Politie, dus ik weet niet welke impact dit heeft op de cijfers. Daar kan ik natuurlijk geen antwoord op geven. Ik weet ook niet of het inderdaad moeilijker is dan vroeger om aangifte te doen. Dat komt wellicht in politiedebatten naar voren, maar dat kan ik hier natuurlijk niet zomaar even uit mijn mouw schudden. Mevrouw Faber (PVV): Over die aangiftes waar niks mee wordt gedaan, hebben we vorige week nog een uitgebreid debat gehad. Dat stond ook gewoon in brieven en rapporten. Ik begrijp dat mevrouw Westerveld heel veel waarde hecht aan rapporten, dus ik denk dat u zich daarin zou moeten kunnen vinden. Of het moeilijker is? Ja, dat weet ik gewoon nog van vroeger. U zegt dan wel "dat zijn die gevoelens", maar het zijn gewoon feiten. Je kon gewoon naar het politiebureau gaan en dan werd je aangifte direct opgenomen. Het maakte niet uit wat het was: of je nou moeilijkheden had gehad op straat of dat je fiets was gestolen, het kon gewoon. Mevrouw Westerveld (PRO): Hier gaan wel een paar dingen door elkaar lopen. Ik heb vroeger ook weleens aangifte gedaan. Toen ben ik naar het politiebureau gegaan. Daar is verder ook niks mee gedaan. Dat is een waarneming, maar daaruit kan ik toch geen algemene conclusies trekken? Dat punt probeer ik net te maken en dat maak ik graag nog een keer. Als we zelf iets hebben meegemaakt, kan dat afschuwelijk zijn en kan dat vreselijk zijn, maar dan kun je daaruit niet in het algemeen constateren dat het overal zo is en daar vervolgens beleid op maken. Dat is dus waarom ik het logisch en terecht vind, als er wel uit eigen waarnemingen algemene conclusies worden getrokken, dat wij elkaar daarop bevragen en ons afvragen in hoeverre je die eigen waarneming kunt veralgemeniseren en hier in de Kamer een beeld kunt schetsen alsof dat de waarheid is voor iedereen. Volgens mij moeten wij zo geen debatten met elkaar voeren. Dat is het punt dat ik net heb geprobeerd te maken. De voorzitter: Dank u wel, mevrouw Westerveld. Dank aan de commissie. Ik kijk naar de staatsecretaris. Hoeveel tijd verwacht u nodig te hebben voor de voorbereiding van de beantwoording? Een halfuur? Dan schorsen we tot 15.40 uur. De vergadering wordt van 15.12 uur tot 15.40 uur geschorst. De voorzitter: Dames en heren, ik heropen de vergadering van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, alwaar wij praten over het belangrijke thema van jeugdcriminaliteit. De eerste inbreng van de Kamer is geweest. Ik heet de staatssecretaris van harte welkom in de zaal om haar eerste termijn aan te vangen. Daarvoor wilde ik de Kamerleden vragen om het in eerste instantie te doen met drie interrupties bij vragen aan de staatssecretaris. Als dat te weinig is, kunnen we dat ophogen. Ik geef het woord aan de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Gaat uw gang. Staatssecretaris Van Bruggen: Voorzitter, dank u wel. Dank ook aan deze commissie voor de aandacht die er is voor jeugdcriminaliteit. Waar dit commissiedebat voorheen Justitiële jeugd heette, heet het tegenwoordig Jeugdcriminaliteit. Ik denk dat dit ook de breedte van dit onderwerp representeert, want dat is precies wat het is. Het is niet alleen op het moment dat men in de justitieketen belandt. Het gaat over hoe we met onze jeugd omgaan, zeker als we zien dat jongeren kwetsbaar zijn en op het verkeerde pad terecht kunnen komen. Ook veel dank aan de commissie voor het laten organiseren van de technische briefing vorige week, want dat heeft u ook echt betekend dat u, zeker vanuit de commissie maar zeker ook richting het departement en mijn ministerie, heeft aangegeven: dit is een handreiking voor hoe wij met elkaar heel graag naar oplossingen in de jeugdketen willen en jeugdcriminaliteit op alle mogelijke manieren willen bestrijden, het liefst op de meest effectieve en efficiënte. Dat is natuurlijk wat juist in zo'n rondetafel heel mooi naar voren kan komen. Ik was er niet bij. Ik heb uiteraard wel teruggekeken. Ik was ook onder de indruk van de partijen die daar zowel een schriftelijke als een mondelinge inbreng deden en ook aangaven waar de kwetsbaarheden zitten, niet alleen voor eigen organisaties, maar zeker ook voor de keten, want het vraagt iets van de samenwerking. Jeugdcriminaliteit raakt echt een veelheid aan onderwerpen en dat blijkt ook wel uit de vragen die u mij gesteld heeft. Ik ga ze zo dadelijk in blokjes beantwoorden, maar ik geef graag ook even een korte inleiding, want hier geldt ook: voorkomen is beter dan genezen. Dat vraagt om een domeinoverstijgende aanpak, niet alleen maar gericht op de jeugd, maar altijd kijkend naar de omgeving waarin de jeugdige zich bevindt, of dat nou gaat over de thuissituatie of over de schoolsituatie, want dat zijn natuurlijk juist de omstandigheden waarin de kwetsbaarheden voor heel veel mensen al zichtbaar zijn en we toch zien dat onze jongeren afglijden. Ik ben het zeer eens met de hartenkreet van een aantal partijen, die aangeven: kijk met een breed perspectief naar de jeugdcriminaliteit, want als we alleen maar blijven kijken naar het moment dat er sprake is van strafrechtelijke feiten, dan gaan we er met elkaar niet komen. Als een jongere nu in aanraking komt met het jeugdstrafrecht, dan staat het pedagogisch uitgangspunt centraal, gericht op het bieden van nieuw perspectief en daarmee ook het voorkomen van recidive, of het voorkomen van nieuwe slachtoffers, zoals meneer Hamstra ook al een aantal keren zei. Dat is natuurlijk het uitgangspunt. Om dit voor elkaar te krijgen, kijken we naar passende interventies. Over wat dan precies passend is, heeft een aantal van u ook vragen gesteld. Daar kom ik zo dadelijk nog specifieker op terug. Ik vind het van belang om zaken waar mogelijk buitenstrafrechtelijk af te doen. Met de politiereprimande en de Haltafdoening hebben we naar mijn mening daadwerkelijk een passend en ruim aanbod om dat te kunnen doen. Tegelijkertijd zie ik ook in het licht van het RSJ-advies dat er nog wel mogelijkheden zijn om dat stelsel te verbeteren. Ik denk dan bijvoorbeeld aan verbreding van het type strafbare feiten dat in aanmerking zou kunnen komen voor Haltafdoening en aan het openstellen van deze buitenstrafrechtelijke interventie voor de adolescenten. Het staat toegelicht in de brief die u vorige week vrijdag van mij hebt ontvangen. Ook als inzet van het strafrecht wel noodzakelijk is, is het van groot belang om dit zo goed mogelijk in te zetten voor gedragsverandering en voor resocialisatie; dat wil ik benadrukken. Het vergt onder meer dat de problemen in onze jji's worden aangepakt, niet alleen in het belang van de jongeren die veilig aan hun resocialisatie moeten kunnen werken, maar, misschien nog wel veel belangrijker, ook in het kader van de veiligheid van ons personeel, dat daar dag in, dag uit keihard werkt, maar dat ook veilig en met waardering moet kunnen blijven doen. Ik waardeer hen en steun hen vanaf deze plek. Ik begrijp hoe moeilijk de dagelijkse afwegingen zijn in het werk dat er gebeurt in de jji's. Praktisch gezegd: ga je de jongere naar het onderwijs brengen of zorg je dat iemand zijn ontbijt krijgt? Dat zijn natuurlijk onmogelijke keuzes voor medewerkers om te maken. Daarom is ook alles erop gericht om daar in de komende periode met de noodmaatregelen in de hand te kijken naar korte- en langetermijnoplossingen. Over die noodmaatregelen wordt helemaal terecht gezegd: het duurt te lang; we gaan zelfs door de ondergrens van de noodmaatregelen heen. Bij een weekprogramma dat eigenlijk 77 uur moet zijn, halen we soms de 62 niet, wat dan een noodmaatregelenpakket is. En wat misschien nog wel veel belangrijker is: welke inhoud heeft zo'n dag dan voor een jongere die voor een korte periode — dat is ook de praktijk — in onze handen wordt gelegd? Daar hebben we zeker ook wat in te doen. Daarom heb ik ook een korte- en een langetermijnaanpak in gedachten. U kent de herbezinning van mij. Ik heb al eerder aangegeven dat we die in Q1 van 2027 naar de Kamer sturen. Voor het eind van het jaar kom ik ook met een noodmaatregelenpakket — noem het een actieplan — dat gaat over hoe we de jji's op korte termijn beter hun werk kunnen laten doen en dat op orde kunnen brengen, zodat het weer een veilige en prettige omgeving is om te werken en zodat er daadwerkelijk ingericht en ingezet kan worden op resocialisatie. Tegelijkertijd zien we binnen de jji's natuurlijk wel de schaarste waar we mee te maken hebben. Dat is ook een uitgangspunt. Alles wat binnen die schaarste mogelijk is, moeten we met elkaar benutten. Ik heb daar een apart blokje over. Daar zal ik zo dadelijk iets verder op ingaan. Dan zal ik vertellen wat de blokjes zijn, voorzitter. Het eerste blokje gaat over de aanpak van jeugdcriminaliteit en preventie, het tweede over effectieve interventies, het derde over de jji's en het vierde over overig. Het zijn er heel wat. Voorzitter. Ik begin met de vraag van mevrouw Synhaeve over de samenhangende aanpak. "Wanneer volgt nou een samenhangende aanpak? Ik lees veel over het knellende personeelstekort. Het beste middel om de capaciteit te ontlasten, is voorkomen dat die capaciteit ook echt nodig is." Nou, ik kan niet anders dan het daarmee eens zijn. De vraag was: "Waarom is preventie van jeugdcriminaliteit nog steeds een los iets? Kunnen we dat niet breder oppakken?" De sterkste preventie van jeugdcriminaliteit vindt plaats voor het twaalfde levensjaar en zelfs voor het zesde levensjaar. Het klopt dus helemaal dat opgroeien in sterke gezinnen en kansrijke buurten kinderen de beste start geeft, en de minste kans om later in de criminaliteit te belanden. Dat klinkt allemaal als een hele maakbare samenleving, maar laten we het uitgangspunt alsjeblieft niet vergeten. Vroegtijdige preventie van jeugdcriminaliteit vraagt daarom juist om een samenhangende aanpak waarin het sociaal domein en het jeugddomein de handen ineen hebben geslagen. We hebben vorige week met elkaar het debat gevoerd over het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming. Daarmee werk ik samen met VWS en de VNG toe naar aan de ene kant het versterken van die lokale wijkteams, om de veiligheidsbril op te zetten als dat nodig is, en aan de andere kant het veel meer inzetten op de juiste en vroegtijdige interventies met het regionale veiligheidsteam wanneer er echt sprake is van kinderen die afglijden en jeugd die op het criminele pad terecht lijkt te komen. Ik kijk even of ik daar nog iets aan toe moet voegen. Volgens mij niet. Ik kan wel iets zeggen over waar de minister van Langdurige Zorg, Sport en Jeugd mee bezig is binnen het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid, maar eigenlijk denk ik dat dat iets is waarover we in samenhang met elkaar voldoende wisselen in andere debatten. Weet dat ik daar als staatssecretaris Justitie en Veiligheid zeer nauw bij aangesloten ben en dat dit soort gesprekken op wekelijkse basis plaatsvinden. We zien namelijk dat wat de één doet in aanpassing van wetgeving, ook daadwerkelijk effect heeft bij de ander. Dan de tweede vraag van mevrouw Synhaeve, over de onlinemogelijkheden van jeugdreclassering: kan de staatssecretaris toezeggen dat ze met jeugdreclassering in gesprek gaat over welke concrete mogelijkheden zij nu online missen?" Ja, dat kan ik. Ik kan toezeggen dat er voor het einde van het jaar gesprekken zullen plaatsvinden over wat de jeugdreclassering nodig heeft om haar werk beter te doen als het gaat over deze online-uitdagingen, die we natuurlijk allemaal zien. We weten dat de politie er ook heel druk mee is. Het is natuurlijk niet mijn dossier, maar dat van de minister. Maar we willen niet alles parallel laten optrekken. Zeker de jeugdreclassering en de Raad voor de Kinderbescherming geven aan dat het belangrijk is dat ze de mogelijkheden krijgen om juist die onlinewereld met bestaande of nieuwe instrumenten beter het hoofd te bieden. De voorzitter: Dat roept een vraag op bij mevrouw Synhaeve. Mevrouw Synhaeve (D66): Heel goed dat de staatssecretaris voor het eind van het jaar in gesprek gaat. Mijn vraag ging nog iets verder: kan de staatssecretaris ook kijken welke wet- en regelgeving je dan mist en kan zij dat ook terugkoppelen aan de Kamer? Staatssecretaris Van Bruggen: Ja, dat kan. Ik weet dat men in de gesprekken die tot nu toe gevoerd zijn heel specifiek kijkt naar wat er nodig is. Als dat raakt aan de aanpassing van wetgeving, kunnen we de resultaten van de evaluatie een vervolg geven in de loop van 2027. Misschien is het goed om dit in de volgende voortgangsbrief mee te nemen. We doen dat op basis van een evaluatie. Het is geen gevoelskwestie, we kijken echt op welke onderdelen de jeugdreclassering meer middelen nodig heeft om interventies te kunnen doen wat betreft dat gedrag online. Laat ik zeggen: ergens voor de zomer. Het is natuurlijk altijd goed om dat heel concreet te maken, maar in ieder geval in de volgende voortgangsbrief kan ik daar iets over vertellen. De voorzitter: U vervolgt. Staatssecretaris Van Bruggen: Een vraag van de heer Hamstra van het CDA gaat over het hulpplatform Keerpunt: "Angst, schaamte of de weg naar hulp niet kennen kan ervoor zorgen dat ouders te lang blijven rondlopen met hun zorgen. Herkent de staatssecretaris dit beeld? Is zij bekend met het in september opgerichte hulpplatform? Kan het platform misschien ook bijdragen aan het eerder herkennen van signalen van jeugdcriminaliteit?" Ja, ik herken het beeld. Hulpplatform Keerpunt heeft zowel de chatfunctie als de familieondersteuning opgezet in opdracht van Preventie met Gezag. Het is daar dus een uitvloeisel van. De afgelopen twee jaar hebben we juist met dit soort interventies goede resultaten bereikt. Het blijkt dat een chatfunctie het voor heel veel mensen laagdrempelig maakt om een vraag te stellen; de vraag hoeft niet meteen van A tot B te kloppen en kan ook een hartenkreet zijn. Ik zie dat dit een belangrijke interventie is. Als ouders zich zorgen maken over hun kind, kunnen ze vrijblijvend bellen met een ondersteuner. Dan kan het juist ook gaan om signalen van mogelijk criminele interventies of het ronselen van jeugdigen en het gevoel dat ouders daarbij kunnen hebben dat hun kind onder druk wordt gezet. Samen met de ondersteuner wordt dan gekeken wat het kind nodig heeft en hoe de ouders daarop kunnen inspelen, zodat we, zoals door een aantal sprekers vandaag is ingebracht, de ouders kunnen versterken in hoe zij hun kinderen opvoeden. Het is natuurlijk cruciaal dat ouders hun grip niet verliezen op hun minderjarige thuiswonende kinderen. Dit is daarbij dan een hulpmiddel dat ik zeer toejuich. Voorzitter. Dan de vraag, ook van het CDA, over het vroeg signaleren van een licht verstandelijke beperking bij criminele uitbuiting: is daar centrale regie op? Het antwoord daarop is: nee, er is geen centrale regie op wie die verstandelijke beperking signaleert, diagnosticeert of constateert. Dit gaat echt over de situatie waarin een jongere nog niet in de strafrechtketen is beland. Zodra ze binnen de strafrechtketen zijn, zijn er ontelbaar veel interventies. Ik heb ook een overzicht opgevraagd van tools, handreikingen, trainingen en informatiebronnen die partijen kunnen gebruiken zodra ze een vermoeden hebben van een licht verstandelijke beperking. Er is een enorm aanbod. Weet iedereen te allen tijde dat aanbod ook te vinden en daarmee te werken? Ongetwijfeld niet. Dat is wel de handreiking die wij vanuit het jeugddomein naar het sociaal domein kunnen doen. Er zijn ongelofelijk veel manieren om in een vroeg stadium te herkennen of iemand wellicht een verstandelijke beperking heeft en of je daar ook op door zou willen vragen. Die handreiking zouden we wel kunnen doen vanuit de jeugdketen naar het sociaal domein. Dat is namelijk de groep die dichter bij de jongeren zit wanneer ze nog niet in de strafrechtketen zitten. De voorzitter: Dat roept toch een vraag op bij de heer Hamstra. De heer Hamstra (CDA): Dat snap ik. Het gaat er ook over wie de regie neemt in de ketensamenwerking, ook richting het sociaal domein. Ik ben op zoek, misschien wel samen met de staatssecretaris, naar hoe we dan toch invulling kunnen geven aan die regierol. Heeft u daar ideeën bij? Dat mag eventueel ook in de tweede termijn of later. Ik ben gewoon benieuwd hoe we die regierol zouden kunnen versterken of überhaupt invulling kunnen geven. Staatssecretaris Van Bruggen: Het is absoluut een mooi idee. Hoe doen we dat dan? Binnen de hele jeugdketen kijken we naar een toekomstscenario: hoe kunnen we ervoor zorgen dat we binnen het sociaal domein niet richting een veiligheidsketen gaan waar alleen maar een estafettestokje wordt doorgegeven, maar dat het een integrale aanpak is? Daarbij weten we dat jeugdprofessionals deze bril eerder op hebben dan hun collega's in het sociaal domein, wellicht. Dat kan een lijn zijn. Dat toets ik natuurlijk ook ambtelijk, maar dat zou wellicht een lijn zijn om het een plek te kunnen geven. Dit is juist iets wat heel erg kan helpen met resultaten op de langere termijn. Je wilt jongeren met een verstandelijke beperking immers wel hulp bieden of straf opleggen, in plaats van alleen te kijken vanuit de strafrechtketen zelf. Dan de vraag van mevrouw Faber: hoeveel first offenders zijn er veroordeeld onder de uithalerswet? In de periode januari tot en met april 2026 zijn in Rotterdam twee uithalers aangehouden tegenover 29 in dezelfde periode in 2025. Mij is niet bekend hoeveel daarvan first offender zijn. Het zijn "de uithalers". De strafmaat is sinds de invoering van de wet niet gewijzigd. Iedere casus wordt individueel behandeld. Bij first offenders wordt niet altijd de maximale straf geëist. De multidisciplinaire aanpak lijkt zijn vruchten af te werpen. Met de partners zetten we namelijk in op het verstoren van criminele netwerken, het voorkomen van uithalen door preventieprojecten en het opwerpen van barrières in de havens. We zien dit dus terug in de getallen. Ook zien we — daar heb ik geen aantallen van, maar dit is wel iets wat we merken — dat het gaat om een groep kwetsbare jongeren die zich laten ronselen voor dit soort extreme praktijken, of dat nou uithalen in de haven is, cobra's aan een deur hangen, bommen onder een auto leggen of erger. Die groep die blijft en als we niet oppassen, verplaatst het zich naar een andere activiteit. Daarom is het zo belangrijk dat het niet alleen gaat over de strafmaat, maar vooral ook over hoe we ervoor zorgen dat die jongeren uiteindelijk zo weerbaar zijn dat ze begrijpen waar ze met een signaal naartoe kunnen om hulp te vragen, en niet bij het volgende klusje voor nog minder geld ingezet worden. Mevrouw Faber (PVV): Is de staatssecretaris het met mij eens dat deze jonge mensen eigenlijk best een geliefde prooi zijn voor de zwaardere jongens, omdat deze minderjarigen heel weinig straf krijgen of amper gestraft worden en weer snel buiten staan? Dan zijn zij in feite toch gewoon een geliefde prooi? Staatssecretaris Van Bruggen: Ten dele ben ik het zeker met mevrouw Faber eens. Dat ze een geliefde prooi zijn, heeft verschillende redenen. Het goed luisteren naar opdrachten en daar heel weinig geld voor krijgen, voor van alles en nog wat ingezet kunnen worden: dat is niet iedereen gegeven. Het zijn kwetsbare jongeren, die in een situatie zitten waar de grote criminelen een neusje voor hebben, zoals een aantal van u ook zei. Ze weten exact waar ze ze moeten ronselen en hoe ze dat op een goede manier doen. Dat geldt niet alleen voor jongens maar zeker ook voor de meiden. Het is heel erg belangrijk om dat aan te pakken en niet zozeer om met de strafmaat aan de slag te gaan, want dan pakken we uiteindelijk de jongeren die nog steeds die kwetsbaarheid vertonen en niet geholpen zijn met langere of zwaardere straffen. We moeten voorkomen dat ze überhaupt daarmee in aanraking komen. Daar ligt mijn grote opgave. De voorzitter: Mevrouw Faber, tweede interruptie. Mevrouw Faber (PVV): Ik denk zelf dat als ze niet meer zo aantrekkelijk zijn in verband met de strafmaat, er minder wordt geronseld. Maar goed, daarover verschillen we van mening en dat mag, al is het natuurlijk wel jammer. Moeten we bijvoorbeeld de ronselaars niet zwaarder straffen? Moeten we daarvoor geen verhoogde strafmaat instellen? Staatssecretaris Van Bruggen: Hoger straffen is voor mij niet altijd, of misschien helemaal niet, de oplossing in dezen. Ik denk dat het heel erg gaat over het aanpakken van deze georganiseerde criminaliteit. Dat heeft natuurlijk absoluut de prioriteit van dit kabinet, ook als het gaat over alles wat met ondermijning te maken heeft. Je moet juist zorgen dat het ook deze jongeren raakt. Juist daarom hebben we in de Taskforce Ondermijning ingezet op dat deel van jeugdcriminaliteit, waar we met preventie veel meer effecten kunnen bereiken dan alleen maar met het straffen. Het gaat dan niet alleen om het straffen van de ronselaars, maar zeker ook van de jongeren die dit betreft. Ik denk niet dat het ophogen van de straf voor zowel de jongeren als de ronselaars het effect gaat hebben dat mevrouw Faber en ik beiden beogen. Dit moet absoluut niet kunnen. We moeten dit uit onze samenleving zien te weren. Wij kijken naar hoe we dat op de meest effectieve manier kunnen doen. De voorzitter: U vervolgt uw betoog. Staatssecretaris Van Bruggen: Voorzitter, dank. Dan kom ik bij de vraag van mevrouw Van der Plas over de aanpak van 12-jarigen. Welke aanpak volgt wanneer jonge kinderen herhaaldelijk stelen, bedreigen of geweld gebruiken en hoe voorkomen we dat signalen blijven liggen doordat organisaties naar elkaar verwijzen? Wat mij betreft is dit een hele terechte vraag. Als er sprake is van een jonge dader, of een jonge verdachte, moeten we daar niet alleen in de strafrechtketen, niet alleen als organisaties, iets mee doen. We moeten dan kijken naar het geheel van verantwoordelijkheden. Die verantwoordelijkheid begint bij de ouders. Effectieve interventies voor kinderen onder de 12 jaar zijn bijvoorbeeld BASTA! en Alles Kidzzz. Die betrekken ook juist de ouders en de omgeving. Om gemeenten te ondersteunen bij de lokale samenwerking verschijnt binnenkort de handreiking voor gegevensdeling bij de vroegsignalering van risicogedrag bij jongeren. Zo heeft een gemeente — die is vaak natuurlijk de regisseur binnen het sociaal domein — mogelijkheden om op die vroegsignalerende stoel te gaan zitten en ervoor te zorgen dat niet alleen het kind wordt aangepakt, maar zeker ook de ouders en de omgeving. Dan kom ik bij de vraag van mevrouw Van der Plas over de kleine gemeenten en dorpen. Hoe zorgen we ervoor dat passende hulp en preventie daar ook beschikbaar is? Dit is echt een vraag die mij bezighoudt in het kader van Preventie met Gezag. Dat staat onder regie van de minister van Justitie en Veiligheid, maar zodra het jeugd raakt — dat is natuurlijk best vaak zo — zien we dat het ook effecten heeft binnen de jeugdbescherming en de jeugdreclassering. We willen kleine gemeenten ook juist laten leren van die grootstedelijke aanpak, want de G4 — ik sla het toch maar even plat — heeft dit vaak op een heel professionele manier op orde. Die best practices en de kennis die zij hebben, moeten breed beschikbaar worden gemaakt. Op 1 december aanstaande is er een landelijke kennisconferentie, die juist ook gaat over hoe je de informatie met elkaar deelt. Die informatie is daar ook beschikbaar. Het ministerie en het CCV zullen via de Wegwijzer Jeugd en Veiligheid informatie delen over de verschillende thema's. Het allerbelangrijkste is natuurlijk dat gemeenten weten dat die conferentie plaatsvindt. Ik denk dus dat het goed is als we gemeenten daar attent op maken en de bekendheid van deze bijeenkomst verhogen. Als je als gemeente aan de slag wil met het aanpakken van jeugdcriminaliteit tot aan het voorkomen dat die criminaliteit überhaupt plaatsvindt, dan is het heel belangrijk om aanwezig te zijn bij deze conferentie en die kennis daar tot je te nemen. Voorzitter. Mevrouw Coenradie had drie vragen. Mevrouw Coenradie sprak ook over haar periode als staatssecretaris en over wat zij zelf heeft gezien binnen de jeugddetentie. Zij had het over wat effectief kan zijn in de manier waarop we met onze jongeren omgaan en hoe we dat op langere termijn ook zouden kunnen doen. Zij had een aantal suggesties. Ben ik bereid om op z'n minst een landelijke werkwijze voor de aanpak van risicojongeren te verkennen? Is het kabinet bereid het voorstel voor een groepsdossier te onderzoeken en de Gemeentewet hiervoor aan te passen? Is het kabinet bereid om naar Deens model een Nederlandse jeugdcriminaliteitskamer uit te werken? We zijn op zoek naar wat we binnen onze mogelijkheden zouden kunnen doen, zeg ik in alle eerlijkheid. Ik ben blij met elke suggestie die ik krijg, maar kan niet op de stoel van een lokale driehoek of een gemeente gaan zitten. De aanpak van die risicojongeren is in feite een gemeentelijke taak in het decentrale stelsel. Sturen op landelijk niveau door JenV is dan heel lastig; dat doen we niet als vanzelfsprekend. Tegelijkertijd kijken we wel hoe de RIEC's, dus de regionale veiligheidsclubs, hun werk doen. Die kennen we al wel. Het lijkt mij goed om daar onder de aandacht te brengen hoe we op een landelijke, uniforme werkwijze onze doelen mogelijk beter kunnen behalen als het gaat om deze risicojongeren, om ze toch maar even zo te noemen. Dat is een zoektocht die ik graag wil aangaan, samen met de RIEC's en de Veiligheidshuizen. Als we, ook in relatie tot het toekomstscenario, kijken naar de lokale organisatie van de Veiligheidshuizen, dan zien we dat die 25 regio's een heel belangrijke taak hebben, niet alleen in situaties waarin het echt mis is gegaan, maar zeker ook wat betreft signaleringen door de politie, die ook altijd aan tafel zit en kan aangeven: met dit gezin, met deze jongere gaat het gewoon niet goed. Ik denk dat het belangrijk is om dat ook mee te nemen in diezelfde verkenning. Voor jongeren die met justitie in aanraking komen hebben we het jeugdstrafrecht. Dat weten we. Ik zit even in de tekst te zoeken. U stelde heel concreet een vraag over de jeugdcriminaliteitskamer. Dat onderwerp zie ik zo even niet terug, maar ik vind het wel belangrijk om hier zo dadelijk nog even op te reageren. Mevrouw Coenradie (JA21): Met alle begrip, hè? Ik leg hier een aantal plannen op tafel. Met het doordenken daarvan ben ik al een tijdje bezig, dus ik kan me voorstellen dat de eerste reactie niet is "we gaan het overnemen, we gaan dit oppakken". Dit vergt ook onderzoek: hoe werkt het bijvoorbeeld in andere landen? Het is een zoektocht van ons allemaal, denk ik. Ik wilde een aantal suggesties doen. Ik ben echter blij met deze positieve grondhouding om in ieder geval gewoon eens te gaan verkennen, te gaan kijken wat dit is. Een van de punten die ik nu niet terughoor, maar misschien komt dat nog, betreft de heropvoedingsprogramma's waarover ik het heb gehad. Ik hoor dat niet terug in de beantwoording. Ik ben daar wel benieuwd naar, overigens met alle lessen die we uit het verleden hebben getrokken over hoe we het vooral níét moeten doen. Ik refereer even aan Glen Mills, 30 jaar geleden. Uit het WODC-onderzoek weten we allemaal: dat moeten we zeker niet doen. Tegelijkertijd zien we voorbeelden in Spanje en Duitsland waarin positieve dingen zitten. We moeten vooral onze eigen manier van denken daarin gaan stoppen. Ik ben benieuwd hoe de staatssecretaris daarnaar kijkt. Staatssecretaris Van Bruggen: Terecht. Het antwoord zit in mapje overig, dus ik kom er nog op terug. Dit is zeker een interessante gedachte en volgens mij is hier, als ik het mij goed herinner, tijdens een ander debat ook al een motie over ingediend. Ik denk dat het belangrijk is dat we daar zo dadelijk nog even over van gedachten wisselen. Dit was het einde van het eerste blokje. Dan ga ik door naar de effectieve interventies. De voorzitter: Er is uit het eerste blokje nog iets blijven hangen bij mevrouw Van der Plas. Mevrouw Van der Plas (BBB): Ja, dat gaat over mijn vragen over vroegsignalering bij hele jonge kinderen, over de rol van wijkagenten, scholen en jongerenwerk en hoe er passende hulp bij preventie beschikbaar kan worden gesteld aan dorpen en kleinere gemeenten. Ik hoor vooral dat er allerlei projecten zijn: BASTA!, AlleskITs. In december is er een kennersconferentie. Dat is allemaal leuk en aardig, maar zet dat allemaal zoden aan de dijk? Ik hoor een heleboel papier, overleg en conferenties, maar met name over de kleinere gemeenten en dorpen is mijn concrete vraag: hoe komt er passende hulp bij preventie? Wij gooien heel veel bij gemeenten over de schutting, maar geven de gemeenten vervolgens geen middelen. We zeggen: zoek het zelf maar uit. Ik ben een beetje op zoek naar wat het Rijk nog meer kan doen aan passende hulp. Staatssecretaris Van Bruggen: Dat is een vraag die mij zeer raakt, want ik kom zelf uit zo'n kleine gemeente. Ik weet dus heel goed hoe het werkt, ook als het gaat over ambtelijke ondersteuning. Dan heb je een klein clubje met 1 persoon die over zeven onderwerpen gaat, waar je bij een grote gemeente daarvoor een blik hebt met 30 medewerkers, zo niet meer. Ik herken dit dus zeker. Dat is nou juist waarom we zeggen dat we de kennis delen die wordt opgedaan in de grote Preventie met Gezag-gemeenten, waar interventies zijn die werken, bijvoorbeeld met een programma dat echt gericht is op 12-minners. Daar is niet per se veel geld voor nodig. Dat is een manier waar je als organisatie of als medewerker in kleine gemeente mee uit de voeten kunt richting die jongeren in jouw gemeente. Daarom hecht ik er ook zo veel waarde aan dat we dit soort kennis niet allemaal binnen de grote gemeenten houden. Dit betekent ook iets voor kleine gemeenten, die met dezelfde problematiek — laten we dat niet vergeten — te maken hebben. We zien het daar echt niet minder dan in de grote steden. We zien een kwetsbaarheid bij jongeren, die tegenwoordig veel online zijn. Hoe zorgen we ervoor dat we daar grip op houden? Of ze nou in Wassenaar of Wolvega wonen, het gaat er echt om dat we ze weten te bereiken en daar zijn deze programma's geschikt voor bevonden. Dan is het ook belangrijk dat we die delen met elkaar en weten hoe we op eenzelfde manier zouden kunnen werken. De voorzitter: U vervolgt. Staatssecretaris Van Bruggen: De vraag van mevrouw Synhaeve gaat over kiezen voor werkende interventies. Een aantal van u heeft daarover vragen gesteld. Dat is een diepe wens van iedereen die met interventies te maken heeft in het jeugdlandschap. Vorige week is hiervoor volgens mij ook aandacht geweest tijdens de rondetafel: wat werkt nou echt? Ik deel de betrokkenheid en ook de zorg die de heer Hamstra hierover heeft uitgesproken, net als de heer Bikkers, dacht ik: je hoeft niet in al die gemeenten op dezelfde manier te werken en soms heb je ook couleur locale nodig, maar hoe zorg je ervoor dat de basis van effectieve interventies overal hetzelfde is? Je hebt het Landelijk kwaliteitskader effectieve jeugdinterventies. Dat geeft gemeenten handvatten bij het vormgeven van een dekkende lokale aanpak met kansrijke bewezen effectieve interventies waarin de wetenschap is betrokken en innovaties zijn meegenomen. Bij de vele ontwikkelingen die nu gaande zijn in de Preventie met Gezag-gemeenten worden deze lessen nu in de wetenschap geleerd. Binnen de Hervormingsagenda Jeugd vraag ik blijvend aandacht voor juist dat passende aanbod voor deze jongeren daar waar we juist effectieve interventies willen inzetten en niet per se de duizend-bloemen-bloeienvariant. Dit is dus constant een kwestie van zoeken. Ik kom zo dadelijk ook nog terug op de Preventie met Gezag-gemeenten en de vraag die de heer Bikkers hierover heeft gesteld. Gemeenten zullen ook moeten stoppen als een interventie niet effectief blijkt te zijn. Voorzitter. Dan de vraag van mevrouw Van der Plas die hieraan raakt, namelijk haar vraag over jongeren die dreigen af te glijden naar de criminaliteit: hoe zorgt de staatssecretaris ervoor dat de aanpak in de praktijk werkt? Dat is dan vanaf het eerste politiecontact tot aan moment van herhaling, want dan zou je de interventie willen doen. Als het bij de politie is, hebben we iets van een melding, we hebben dan iets in handen. We proberen in de jeugdstrafrechtketen een positieve kentering in het gedrag van een jongere te realiseren door juist ook te zoeken naar de oorzaken van het gedrag en de aangrijpingspunten voor gedragsverandering. Dat gebeurt bijvoorbeeld ook in samenwerking met de leerplichtambtenaar. Op het moment dat een jongere klaarblijkelijk al langer niet naar school gaat, is dat iets waarop we zullen moeten inzetten. Ik wil benadrukken dat het onmogelijk is om altijd de werkwijze te kiezen die effectief en efficiënt is. Dat is niet de heilige graal, want zoals ik net al zei, is het soms lokaal ingegeven, soms vanuit de beperking van organisaties en soms is het ingegeven door de mogelijkheden die je hebt tot beïnvloeding als er een gezin omheen zit waar juist de grote kwetsbaarheid in zit. Het moet dus op veel verschillende manieren mogelijk zijn om een interventie te doen vanaf het eerste contact met de politie. Bij de volgende recidive, om het zo te zeggen, de volgende terugval moet je in een keten samenwerken waarin niet alleen het strafrecht om de hoek komt kijken, maar bijvoorbeeld ook het onderwijs. Dan de norm die we eigenlijk willen voor de Preventie met Gezag-gemeenten; een vraag van de heer Bikkers, waar ik net al aan refereerde. De beschikbaarheid van effectief bewezen interventies is op dit moment best beperkt. We wijzen dus ook de verschillende interventies erop dat ze zich kunnen laten toetsten om daadwerkelijk als effectief te worden bestempeld. Dat gaat iedereen helpen, want we willen graag dingen doen die echt werken. De effectieve interventies uit de pitchsessie dekken dan ook maar een gedeelte van de problematiek. Ze zijn niet altijd landelijk beschikbaar en kunnen zeer selectief worden ingezet, bijvoorbeeld als ze worden opgelegd onder een jeugdbeschermingsmaatregel. Dat betekent dat het niet overal en te allen tijde kan. De afgelopen vier jaar zijn gemeenten op basis van wetenschappelijke inzichten gestopt met interventies die echt niet effectief blijken te zijn. Wat is dan het moment waarop je daadwerkelijk ingrijpt en zegt: ja, nu zien we ook niet dat het resultaat gaat opleveren? Ik zeg dat zo specifiek, omdat de resultaten soms pas na verloop van tijd zichtbaar zijn. Dat zien we op het moment dat een 16-jarige niet in een jji zit. Wat heeft dan gewerkt? Daar heb je soms een langjarige periode voor nodig. Dat we binnen vier jaar met niet-effectieve methodieken stoppen is heel terecht, maar sommige hebben een langere adem en een langere aanloop nodig, om te kunnen laten zien dat de maatschappelijke baten laat komen en dat iemand niet in de criminaliteit beland is. Op onderdelen zullen we dus toch moeten bekijken hoelang we geduld hebben en hoelang we er vertrouwen in hebben dat het iets gaat opleveren. De heer Bikkers (VVD): Alle begrip daarvoor. Ik kan me heel goed voorstellen dat er ook programma's zijn die misschien niet een-op-een direct het effect laten zien, maar die wel heel goed bijdragen aan het voorkomen van het afglijden van een jongere. Tegelijkertijd zijn er ook programma's die gewoon bewezen averechts werken. Is de staatssecretaris bereid om in te grijpen op het moment dat door cowboygedrag en mooie marketingplannen dit soort programma's verkocht worden aan gemeenten? Gemeenten doen dit met de beste bedoelingen, zeg ik erbij. Maar als de staatssecretaris daarvan zou beoordelen "dit werkt gewoon averechts, dit moeten we niet doen", is zij dan bereid om in te grijpen? Staatssecretaris Van Bruggen: Daar raakt u natuurlijk aan iets heel concreets. De gemeente kiest dan voor een aanbod dat niet effectief blijkt te zijn. Uitgangspunt van het kabinet is: daar stoppen we mee. Wat we natuurlijk zien, is dat gemeenten ook ruimte zoeken om te experimenteren. Hoever ga je daarin? Als blijkt dat iets absoluut inefficiënt of ineffectief is of misschien wel averechts werkt, zou ik zeggen dat het uitgangspunt is: echt stoppen. Ik denk dat het goed is om dat ook nog even met collega Van Weel te bespreken. Dan zijn we namelijk echt van de regen in de drup aan het raken. Dat is wat we absoluut niet moeten willen. Tegelijkertijd, zoals ik net zei: soms zijn het ook innovaties, experimenten, om te kijken of het zou kunnen werken. Daar moet je juist in dit soort programma's wel de ruimte voor geven. Maar nogmaals, we stoppen met niet-effectieve interventies. De heer Bikkers (VVD): Dat is fijn om te horen. Ik denk dat dat belangrijk is. De staatssecretaris geeft aan dat zij dat nog even met haar collega Van Weel bespreekt. Ik zou graag daarvan een terugkoppeling willen zien. Misschien kan de staatssecretaris daar nog iets over zeggen. Staatssecretaris Van Bruggen: Dat wil ik natuurlijk heel graag doen, want anders blijft het alleen maar even bij "we lopen even op de gang bij elkaar naar binnen". Het gaat er echt om dat ik wil checken of wat ik zeg in lijn is met waar de minister gewoon verantwoordelijk voor is, namelijk Preventie met Gezag. Mijn onderdeel ziet op jeugd. Daarvan zeggen we: we stoppen met de niet-effectieve interventies. Dat zal ik checken en daar kom ik op terug bij uw commissie. Ik moet even kijken of dat met een brief is of op een andere manier. De heer Hamstra (CDA): Mijn vraag aan de staatssecretaris is: kijkt zij ook naar bewezen effectieve interventies die wel uit het jeugddomein komen, maar niet per definitie raken aan het voorkomen van jeugdcriminaliteit? Ik geef twee voorbeelden. Een daarvan is de Mannenalliantie, die ik al noemde. Die ziet op gendergerelateerd geweld. De positieve mannelijke rolmodellen zouden daarop invloed kunnen hebben. Het tweede voorbeeld is Opgroeien in een Kansrijke Omgeving, bedoeld om het middelengebruik onder jongeren tegen te gaan. Het is een bewezen effectieve interventie, die kijkt naar de omgeving van de jongere en in kaart brengt wat risicofactoren zijn en wat beschermende factoren zijn. Zouden daaruit elementen meegenomen kunnen worden die ook batig zouden kunnen zijn in het voorkomen van crimineel gedrag onder jongeren? Staatssecretaris Van Bruggen: Daar zullen we naar moeten kijken. U noemt heel specifiek nu twee verschillende programma's waarvan het uitgangspunt is dat het niet alleen maar gericht moet zijn op iemand die crimineel gedrag vertoont waar we dan de interventie op gaan inzetten. U heeft het immers breder ook over preventie. Dat is niet iets wat uitgesloten is, dus het is belangrijk om een goede check te doen of het daadwerkelijk mogelijk is. Ik wil bij dezen graag toezeggen dat ik dat voor deze programma's zal doen. De voorzitter: Wij noteren 'm. Mevrouw Synhaeve, D66. Mevrouw Synhaeve (D66): Het is natuurlijk heel goed dat we inzetten op stoppen met de interventies waarvan we weten dat ze per definitie niet werken. Maar mijn vraag was eigenlijk nog iets anders. We hebben dan een bak met interventies die wél bewezen werken. Kunnen we er daar nu niet een aantal van uitkiezen waar we dan de komende tien jaar sowieso op gaan inzetten? In andere debatten heb ik dit een scale-upaanpak genoemd. Daarmee zeg je niet tegen gemeenten "je mag alleen maar kiezen uit deze tien interventies", maar je kunt wel zorgen dat het zo aantrekkelijk mogelijk is om te kiezen voor een van die tien — het mogen er ook vijf zijn of twaalf. Zo kunnen we het namelijk veel gerichter uitrollen. Staatssecretaris Van Bruggen: Ik moet even stoeien met antwoord op deze vraag. Het heeft twee kanten. Het is belangrijk dat we aansluiten bij wat er lokaal nodig is. Als we het keuzemenu dan te klein maken, zou dat ontzettend jammer zijn. We zien dat 3 van de 27 interventies bewezen effectief zijn en de andere niet. We schrijven die niet meteen af, maar het kan niet zo zijn dat we ze dan toch maar laten staan, in de trant van "laat 27 bloemen bloeien." Het is dus een beetje zoeken hoelang je een interventie daadwerkelijk wil laten staan op de lijst van "het werkt nog niet, maar misschien over vijf jaar wel" en wanneer je gerichter keuzes wil gaan maken bijvoorbeeld, zoals mevrouw Synhaeve zegt, richting tien methodieken waarvan we kunnen zeggen dat het echt kansrijke interventies zijn. Het is dus even zoeken of dat een manier is om gerichter interventies te plegen, of dat we daarmee een aantal mogelijk positieve interventies in de kiem smoren. Dat laatste zou ik willen voorkomen. De voorzitter: U vervolgt. Staatssecretaris Van Bruggen: Dank, voorzitter. Ik ga over naar het derde blokje, de jji's. Laat ik zeggen dat ik denk dat de meesten van uw ofwel contact hebben gehad met … De voorzitter: Excuus, staatssecretaris. Er is toch nog een vraag over het tweede blokje, de interventies. De heer Bikkers, VVD. De heer Bikkers (VVD): Ik keek even of het bij het eerste of het tweede blokje kwam. Ik wachtte even rustig af, want de onderwerpen lijken een beetje op elkaar: interventies, preventie et cetera. We hebben het uitgebreid over ouders gehad. Ik heb er van verschillende collega's vragen over gehoord. Misschien komt het antwoord nog bij het blokje overig. Staatssecretaris Van Bruggen: Niet per se. Het zou kunnen, maar volgens mij komt de vraag daar niet zo terug. De heer Bikkers (VVD): Dan stel ik de vraag hier nogmaals. Mijn vraag was hoe we ervoor kunnen zorgen dat de verantwoordelijkheid van ouders versterkt wordt. Heeft de staatssecretaris naar aanleiding van de eerder in de Kamer aangenomen motie inzichtelijk welke instrumenten daarvoor kunnen worden ingezet? Als dat onvoldoende zou zijn, welke instrumenten kunnen we er dan aan toevoegen? De Kamer helpt u daar natuurlijk graag bij. Staatssecretaris Van Bruggen: De vraag zat in het mapje overig, maar heb 'm nu … De voorzitter: Dan zal ik deze vraag niet meetellen. Het was anders uw laatste geweest. Staatssecretaris Van Bruggen: O ja, dat moet natuurlijk ook … De voorzitter: Ja, dat ligt allemaal heel gevoelig. Staatssecretaris Van Bruggen: Ik zou de laatste vraag niet op mijn kerfstok willen hebben. Zal ik de vraag bewaren tot het blokje overig, of zal ik 'm nu beantwoorden, voorzitter? Heeft u een voorkeur? De voorzitter: Ik zou zeggen: doe het maar meteen. Staatssecretaris Van Bruggen: Dan doen we het nu. Er is inderdaad door de heer Bikkers maar ook door mevrouw Van der Plas meermaals gevraagd naar de ouderverantwoordelijkheid en hoe ik daarmee omga. Hoe werkt het eigenlijk, puur formeel gezien? Eerst de vraag van de heer Bikkers hoe ik die verantwoordelijkheid ga versterken. Zoals ik de Kamer begin dit jaar heb laten weten, zijn de mogelijkheden om de ouderverantwoordelijkheid af te dwingen beperkt. Dat is misschien maar goed ook, want de staatscommissie is op dit moment aan het onderzoeken wanneer de overheid mag ingrijpen in een gezin. Laten we daar dus daadwerkelijk voorzichtig mee zijn. Maar als we zien dat ouders moeite hebben om controle over hun kinderen te houden of dat de kinderen niet opgroeien in een veilige omgeving, hebben we daar daadwerkelijk wél wat te doen. In die brief van begin dit jaar heb ik aangegeven dat het behoort tot de bevoegdheden van de burgemeester, soms indirect en soms direct, om in bepaalde gevallen dwang uit te oefenen bij de ouders, bijvoorbeeld door middel van een last onder dwangsom bij overtreding van verbodsbepalingen met betrekking tot de openbare orde en veiligheid. En ook ten aanzien van de leerplicht kun je ouders corrigeren. Daartoe kan de gemeenteraad bijvoorbeeld een verbod op hinderlijk gedrag opnemen in de algemene plaatselijke verordening of een verbod op het dragen van messen in de openbare ruimte — u noemde dat al "de middelen". Dit is de repressieve kant. Breder bekeken zit er natuurlijk ook een andere kant aan ouderbetrokkenheid. Gemiddelde ouders willen zich heel graag bezighouden met het welzijn van hun kinderen, maar raken soms gewoon de regie kwijt. Het is ook ontzettend moeilijk om pubers op te voeden, laten we dat ook even vooropstellen. Dus hoe zorg je nou dat je dat versterkt? Dit raakt natuurlijk ook weer aan de gemeentelijke verantwoordelijkheid, maar dan het sociaal domein. Daar zie je dat er een groep ouders is die echt worstelen met het online gedrag van hun kinderen, met het veilig houden van hun kinderen als zij er niet bij zijn omdat ze moeten werken, en met het zorgen voor de kinderen op het moment dat die kinderen thuis komen te zitten maar eigenlijk naar school zouden moeten. We zien dus op veel verschillende onderdelen dat ouders uitgedaagd worden. Als Rijksoverheid hebben we daar natuurlijk veel minder de directe regie op. Dat doen we op het moment dat er sprake is van jeugdzorg, jeugdbescherming en jeugdreclassering, maar dat vind ik eigenlijk ook al wel heel ver gaan. Binnen het toekomstscenario jeugd zijn we nu dus bezig ervoor te zorgen dat we niet alleen kijken wat er aan de hand is met het kind, maar dat we ook heel specifiek kijken wat het gezin nodig heeft. Het heet namelijk niet meer "jeugd", het is naar "kind- en gezinsbescherming" gegaan. In dat gezin is dan vaak sprake van ouders die wel wat steuntjes in de rug kunnen gebruiken, soms omdat ze zelf mentaal onder druk staan, soms omdat het moeilijk is om rekeningen te betalen en ze niet weten dat daar potjes voor zijn; er zijn allerlei interventies denkbaar. Dat is wel iets waar we natuurlijk de gemeenten juist op kunnen ondersteunen. Mevrouw Westerveld (PRO): Mijn vraag sluit hierbij aan. "Dank voor de vraag", zeg ik dus tegen mijn VVD-collega. Ik gaf net aan in een interruptiedebatje dat ongeveer 900.000 kinderen tot 18 jaar opgroeien bij een ouder die psychiatrische problematiek heeft of verslaafd is. Dat zijn ouders die niet makkelijk om hulp vragen, want ze zijn vaak bang dat hun kind dan meteen uit huis wordt gezet. Maar het zijn ook gezinnen waar heel veel schaamte een rol speelt en die extra gevoelig zijn als er iets misgaat. Ik hoor de staatssecretaris terecht wijzen naar het toekomstscenario. We gaan kijken wat we doen, maar waar bestaat dat toekomstscenario dan precies uit? Er is immers ook een andere tendens, namelijk dat we juist mínder snel jeugdhulp willen inzetten. Ik ben dus heel benieuwd wat de staatssecretaris concreet wil doen voor juist deze groep, waar het thuis niet zo makkelijk is. Staatssecretaris Van Bruggen: Aangezien het gaat over jeugdcriminaliteit denk ik dat het goed is dat we in dit gesprek de veiligheidsbril opzetten. Er is al sprake van jongeren die we zien afglijden. Zij hebben vaak een leeftijd die zo'n beetje rond de puberteit bungelt. Dan hebben we die scholen en dat onderwijs heel hard nodig, want die signaleren het natuurlijk als het kind niet aanwezig is of bezig is met verkeerde dingen. Het is belangrijk dat we daar iets in kunnen betekenen. Ik ben daarom in overleg met mijn collega van OCW, ook in relatie tot wat we te doen hebben op die jji's, over het belang van onderwijs als basis voor veilig kunnen opgroeien. Als het goed is, is het onderwijs immers ook de plek waar je leuke vriendjes zijn, waar je een fijne tijd hebt om op te groeien en waar je het kunt zeggen als het niet veilig is thuis of waar je in ieder geval een veilige plek hebt om naartoe te gaan. Dat is de ene kant: we hebben dat onderwijs heel hard nodig. Aan de andere kant zie ik ook dat gemeenten hier natuurlijk ook mee worstelen, gezien de problematiek binnen de ggz, de moeilijkheden die er zijn in gezinnen en de effecten die dat heeft op kinderen. Ik wil echter wel de vergelijking maken met 20 jaar of 30 jaar geleden. Als toen een van de ouders met een verslaving kampte, was het nog veel problematischer om de kinderen te bereiken. Het is nu echt zo dat als zoiets gesignaleerd wordt, ook het kind wordt meegenomen, in de trant van: wat heb jij nodig om hier veilig en goed te kunnen opgroeien? Maar het probleem zit 'm vaak in het moment dat nog niemand om hulp vraagt; dat herken ik wel in wat mevrouw Westerveld zegt. Dan krijg je een discussie, die ik ingewikkeld vind, over de vraag hoever de overheid achter de voordeur kan komen. We hebben daarom andere partijen nodig, zoals het onderwijs en de huisarts, die het signaleren als het niet goed gaat in dat gezin. Wij hebben dan daar iets te doen in het kader van het voorkomen van jeugdcriminaliteit, bijvoorbeeld met de interventies die wél kunnen werken. De voorzitter: U kunt verdergaan. Ik denk dat u dan richting het derde blokje gaat. Staatssecretaris Van Bruggen: Ik ga richting het derde blokje. Daarin heb ik een combinatie van antwoorden, omdat de vragen over de jji's door een aantal leden gesteld zijn: meneer Hamstra, mevrouw Van der Plas en mevrouw Westerveld. Zij vroegen naar de versoberingen van het dagprogramma en naar de ondergrens daarvan binnen de jji's. Zij vroegen ook naar het actieplan en naar onderwijs, behandeling en veiligheid. Dank allereerst voor de grote interesse die er is in de jji's. Het betreft een groep die we niet moeten willen wegstoppen, maar een club waarmee we aan de slag moeten. De meesten van u hebben een bezoek gebracht aan een jji of zijn ooit met mensen daar in gesprek geweest, zoals mevrouw Faber aangaf. Het is belangrijk dat we een straf uitvoeren die bijdraagt aan het voorkomen van terugvallen op het moment dat mensen weer buiten komen. Samen met DJI en OCW verken ik op het moment twee dingen. Allereerst: wat is er nodig op de korte termijn? Ik lees ook de brandbrief van de inspecties en de commissies van toezicht, die allemaal zeggen: zo kan het niet langer. En terecht, want we zakken door een ondergrens heen. Aan de andere kant zie ik ook het stoeien met de gebouwelijke omgeving, met de mogelijkheden die we hebben ten aanzien van de medewerkers en met wat we binnen dat spectrum kunnen doen. Het actieplan wil ik in ieder geval richting het kerstreces — heet dat Q4? — of in ieder geval voor het eind van het jaar heel graag met u delen. Dat gaat over de noodmaatregelen. Wanneer vind ik nou dat we onder een ondergrens heen zakken? Voor mij is daarin heel belangrijk dat ik niet vind dat we kunnen afbouwen in uren zonder daar iets tegenover te stellen. Dat is onacceptabel. Tegelijkertijd hebben we te maken met personeelskrapte en met de mogelijkheden die we in die ruimte hebben. Ik gaf net als voorbeeld: brengen jullie de jongere naar het onderwijs, of geef je de ander een boterham? Het zijn onmogelijke keuzes om te maken. Wat vinden wij dan het belangrijkste aan de inhoud van het programma? Waar moet het aan voldoen? Hoeveel uren vinden wij acceptabel dat een jongere op zijn verblijf is? Daar komt bij dat het belangrijk is voor deze jongeren om te weten waar ze die dag aan toe zijn. Wat ik nu te veel hoor en zie is dat op de ochtend zelf delen van programma's uitvallen of dat het programma onderwijs niet doorgaat. Die teleurstelling en het niet kunnen vertrouwen op wat met jou is afgesproken, vind ik misschien nog wel erger dan waar het over gaat, namelijk: het lukt niet om jou die 77 uur het programma te laten draaien. Hoe kunnen we ervoor zorgen dat de tijd op je kamer dan ook daadwerkelijk bijdraagt aan je herstel? Dat is mijn zoektocht op hele korte termijn voor de noodmaatregelen en het actieplan richting Q4. Ik vind het ook belangrijk om te zeggen dat sommige noodmaatregelen of korte interventies voor nu heel effectief kunnen lijken en misschien ook wel kunnen werken, maar op de lange termijn geen soelaas bieden. Dat wil ik ook zien te voorkomen, want dan krijgen we een situatie waarin jongeren ervan mogen uitgaan dat de noodmaatregelen daadwerkelijk beleid worden, maar dat we vervolgens in de herbezinning weer gaan zeggen: nee, maar nu gaan we het toch nog weer heel anders doen. Dat vind ik ook niet geloofwaardig. Dus die twee moeten ook op elkaar aansluiten. Dat is waar ik nu mee bezig ben: de korte termijn en de lange termijn. Nog specifieker: de jongeren die kort verblijven in de jji's — 80% verblijft korter dan acht weken in de jji's — en de lange verblijvers. Hoe zorgen we er nou voor dat er een passend programma is voor deze twee groepen jonggedetineerden? Ik had het net even over de zinvolle tijdsbesteding op de kamer. Ik noem dat liever zo dan dat ik het heb over versoberen. Voor sommige jongeren die kort verblijven — zeg: twee dagen of twee weken — kan het heel helpend zijn om niet heel veel tijd op de groep door te brengen, maar ook tijd te hebben op je verblijf, op je kamer, om daar met andere dingen bezig te zijn dan nog weer op een groep geplaatst te worden. Wat daarin helpend gaat zijn, is natuurlijk voor mij ook de grote zoektocht. Wat is dan een programma dat gaat passen bij de periode dat de jongeren juist in hun eigen verblijf zijn en tijd hebben om na te denken en te werken aan hun herstel, zonder dat dit onder invloed gebeurt van andere jongeren? Ik kijk dus naar de mix van idealen binnen een wereld waarin ik beperkt ben door schaarste. Ik wil nog wel één ding toevoegen. De Wet DBA heeft veel gedaan met de inzet van zelfstandigen, zoals u heeft gelezen in de brief. We kunnen in beperkte mate nog zelfstandigen inzetten — eigenlijk niet — binnen de jji's. Dat heeft een goede en een minder goede kant. De goede kant is dat er nu vaste gezichten op de groepen zijn. Het zijn er alleen veel te weinig. In de wet die onlangs ter consultatie is gegaan vanuit minister Aartsen en waarvan ik mede-indiener ben, zie ik wel dat er momenten zijn waarbinnen het noodzakelijk is dat je nog de mogelijkheid hebt om zzp'ers in te zetten. Ik vind dit wel een precaire balans, want juist voor die jongeren moeten er echt vaste gezichten op de groep zijn en kunnen we het ons niet veroorloven dat het allemaal tijdelijk inhuur en uurtje-factuurtje is. Het is daar dus zoeken naar bij de inzet van zzp'ers, maar dat het helemaal niet meer mogelijk zou zijn, is het andere uiterste en maakt dat we nu echt onder water staan. Voorzitter. Ik kom in het eerste kwartaal van het volgende jaar terug op de herbezinning. Mevrouw Westerveld (PRO): De staatssecretaris bezint zich op heel veel onderwerpen en wij worden daar nog over geïnformeerd. Maar dan komen we uiteindelijk wel uit op een fundamenteler punt. We weten dat veel jongeren niet geholpen worden door een straf die hun vrijheid beperkt, sterker nog, ze komen vaak slechter uit die vrijheidsbeperking. Maar we weten ook, en horen van de inspecties, dat aan heel veel voorwaarden niet wordt niet voldaan. Wordt het dan niet eens tijd voor een nóg fundamentelere bezinning op dit stelsel? Moet de staatssecretaris niet met het veld heel goed kijken of ons stelsel nog wel klopt en wat we kunnen doen om te zorgen dat er natuurlijk genoegdoening en straf is, maar vooral ook dat mensen er beter uitkomen en niet meer dit soort criminele activiteiten plegen? Als je de beide kanten optelt — te weinig capaciteit en niet voldoen aan veel voorwaarden — wanneer wordt die fundamentele vraag dan gesteld? Staatssecretaris Van Bruggen: Ik geloof heel erg in het feit dat wij jeugdinrichtingen hebben waar straffen ten uitvoer worden gebracht die zijn opgelegd door de rechter. Dit is soms een straf van een of twee jaar, maar er is zeker ook de mogelijkheid van een PIJ, die kan oplopen tot zeven jaar en zelfs kan worden omgezet naar een tbs-maatregel die de rest van je leven kan duren. Ik geloof heel erg in het feit dat dit onderdeel van onze mogelijkheden is. Waar ik nog niet over begonnen ben, niet in de brief en ook niet hier, en waar u ook niet over begonnen bent, maar wat wel belangrijk is om te noemen, zijn de kleinschalige voorzieningen. Op het moment dat je eraan toe bent om daadwerkelijk te oefenen met re-integreren — of dat nou in je regio is of op een andere plek — met naar school gaan uit jezelf, dus zonder dat je opgehaald hoeft te worden, maken die kleinschalige voorzieningen natuurlijk onderdeel uit van die keten. Die kleinschalige voorzieningen zetten we op dit moment nog niet optimaal in. Ik vind dat dat echt onderdeel is van hoe we de herbezinning nu aanvliegen. Mevrouw Westerveld (PRO): Het was op geen enkele manier mijn bedoeling om te zeggen dat we af moeten van de jji's, want zij maken natuurlijk onderdeel uit van het stelsel. Toen ik de stukken uit 2019 terugzocht, heb ik daarin ook het pleidooi teruggevonden van mijn voormalige collega Kathalijne Buitenweg, die toen samen met D66 pleitte voor die kleinschalige voorzieningen. Ik heb ook gelezen dat die een mooie toevoeging kunnen zijn, maar dat ze onvoldoende van de grond kwamen. Ik ben dan wel benieuwd hoe deze staatssecretaris de doorontwikkeling van juist die kleinschalige voorzieningen voor zich ziet. Ik denk namelijk echt dat die een heel waardevolle aanvulling kunnen zijn. Ik hoor dat ook terug van mensen die actief zijn in het werkveld. Staatssecretaris Van Bruggen: Zeker, dat ben ik helemaal eens met mevrouw Westerveld. Daarom wil ik ze ook meenemen in die herbezinning: omdat het onderdeel uitmaakt van de weg die je bewandelt op het moment dat je in de strafrechtketen terechtkomt en van straf uiteindelijk weer naar re-integreren toe gaat. Dan heb je een heel mooie voorziening als de kleinschalige voorziening om daar juist die stap in te kunnen zetten. Ik denk dat die nog niet optimaal ingezet wordt en dat we daar nog een slag kunnen maken. De voorzitter: U vervolgt. Staatssecretaris Van Bruggen: De vraag van de heer Hamstra ging over de bodyscanners. Die verken ik op dit moment. Ik ben bezig met het wetstraject. Ik verwacht dat dat in de loop van 2027 in consultatie zal gaan. Dat geldt natuurlijk zowel voor de jeugddetentie als voor de volwassenendetentie. Het moet eigenlijk de basis worden, niet alleen omwille van het voorkomen van voortgezet crimineel handelen tijdens detentie, maar als het om jeugd gaat natuurlijk veel meer omwille van het voorkomen van visiteren terwijl dat misschien wel niet nodig is. Daar is juist die bodyscanner heel passend voor. Dat neem ik hier dus in mee. Dan de fundamentele vraag van mevrouw Westerveld. In het verleden zijn er natuurlijk jji's gesloten. Het is inderdaad bijna alsof je het debat over het gevangeniswezen overnieuw voert, want op dat moment werden er besluiten genomen die verstandig leken, maar anders uitpakken. Ik zit hier vandaag met de situatie zoals die is. Ik kan er heel lang en breed over praten wat er toen gebeurd is, maar dit is waar we voor staan. De kennis van toen was ook wel daadwerkelijk dat we met minder capaciteit af zouden kunnen. De zorg zat 'm natuurlijk bij de verschillende partijen die zeiden: nou, zo'n vaart zal het wel niet lopen. Dat heeft dus inderdaad zo uitgepakt. Wat ik wel leer van dit soort grote besluiten in het verleden is dat je kapitaal zit in het menselijk kapitaal, in je medewerkers. Op het moment dat zij er niet meer zijn, krijg je ze niet zomaar terug. Je kunt niet zeggen: we gaan nu wel weer open; kom je weer terug? Zo werkt het natuurlijk niet. Daar zit eigenlijk de grote pijn die we nu zowel binnen de GW als binnen de jji's zien. De voorzitter: Staatssecretaris, gelet op de klok vraag ik: gaat u richting blokje vier? Staatssecretaris Van Bruggen: Ik ga naar blokje vier, overig. Er was een vraag van mevrouw Coenradie over de kleinschalige gesloten voorzieningen. Ik deel uw zorgen over de resocialisatie van juist die delinquente jeugd. We beschikken wel over heel veel instrumenten. Ik noemde net even die kleinschalige jeugdvoorzieningen. Ik zou daarbij heel graag doen wat mevrouw Coenradie volgens mij voor ogen heeft, namelijk een kleinschalige gesloten voorziening of een bepaalde mate van beveiliging, waardoor je juist ook aansluitend op die detentie een geschikte plek zou kunnen hebben. Na detentie is er inderdaad nog vaak zorg nodig voor deze jongeren, ambulante zorg dan wel 24 uurszorg. Die zorg moeten we vaak in samenwerking met gemeenten zien te organiseren. Daar is ook weer tijd en ruimte voor nodig vanuit de professionals, vanuit een jji, maar er worden grote stappen gezet om die nazorg goed te regelen met de gemeenten, omdat dat natuurlijk de oplossing gaat zijn om ze niet meer terug te zien. Mevrouw Coenradie (JA21): Ik denk dat de staatssecretaris niet zozeer doelt op de kleinschalige voorzieningen, maar op het voorstel dat ik deed voor een heropvoedingsprogramma. Laat ik het zo zeggen: mijn idee was daarbij om juist het instrumentarium bij de rechter uit te breiden. Dit is dus niet zozeer ter vervanging van detentie, maar het zou een aanvulling kunnen zijn, of een mogelijkheid wanneer de rechter gewoon zegt: na zoveel delicten vinden we dit heel erg passend. Ik ben even benieuwd in hoeverre de staatssecretaris de mening met mij deelt dat dat een goed idee zou kunnen zijn. Staatssecretaris Van Bruggen: Als het goed is, is dit gesprek ook gevoerd met mijn collega, de minister van Justitie en Veiligheid. Er is een motie ingediend over dit initiatief. Die heeft oordeel Kamer gekregen, als ik het goed heb begrepen. Ik kan me dus voorstellen dat dit een plan is. Als het gaat over een heropvoedingskamp, dan gaat iedereen natuurlijk boven in de boom zitten, want dat is helemaal niet wat we met elkaar ... Nee, ik benoem even de uitersten. Als we het hebben over maximale pogingen om te resocialiseren en de omstandigheden die daarvoor nodig zijn, zie ik wel veel overeenkomsten — daarom noemde ik het net bij de jji's — met de manier waarop we de kleinschalige voorzieningen van de jji's hebben ingericht. Die gebruiken we nog niet in optimale zin. Laten we dus kijken of we die twee dingen in de uitvoering dichter bij elkaar kunnen brengen. Ik denk dat daar wel kansen in zitten. Laten we dat gesprek met elkaar voeren op het moment dat de motie wordt aangenomen. Dan kunnen we zien hoe we zo'n heropvoedingsprogramma goed laten aansluiten bij wat nodig is en bij wat nu misschien nog ontbreekt in de strafrechtketen. Mevrouw Coenradie (JA21): De staatssecretaris heeft het over een heropvoedingsprogramma. Ik kwam ook niet tot een andere naam. Toen dacht ik: als ik "resocialisatieprogramma" zeg, dan denkt half Nederland "waar heeft zij het over?" Heropvoeding spreekt meer tot de verbeelding, denk ik. Maar goed, ik ben altijd te verleiden door een betere benaming. Als we het hier toch over hebben, ben ik ook wel even benieuwd hoe de staatssecretaris tegen het volgende aankijkt. Is er bijvoorbeeld een samenwerking tussen Defensie en dit programma te verkennen? Zien we daar mogelijkheden? Ik doel niet alleen op het inzetten van personeel. We moeten ook kijken wat er bij Defensie nodig is en hoe je wordt opgeleid. We zien daar heel veel zaken die we graag willen terugzien in dit programma. Dan gaat het om heropvoeding, discipline, normen en waarden, op tijd komen, samenwerken, het team boven het ego stellen et cetera. Dat zijn allemaal componenten waaraan bij Defensie altijd heel hard gewerkt wordt. Ik ben benieuwd in hoeverre een samenwerking op dat gebied te verkennen is. Staatssecretaris Van Bruggen: We werken bij veel onderdelen samen met Defensie, maar dat raakt eigenlijk altijd aan de werving van medewerkers. Binnen het veiligheidsdomein komt namelijk niet alleen de interesse in het daar werken, maar komen zeker ook de vaardigheden die je nodig hebt erg overeen. Programma's nemen we nog niet van elkaar over. Wel vind ik het interessant om te kijken welke interventies daadwerkelijk effectief zijn. Dat doen we op basis van de pedagogische uitgangspunten zoals we die binnen het jeugdstrafrecht kennen. Ik kan me voorstellen dat er overeenkomsten zijn met de programma's binnen Defensie. Zij werken natuurlijk ook vaak met jonge jongens die op een bepaalde manier leren werken en die kennis opdoen. Mochten we, met het pedagogische klimaat als uitgangspunt, ook binnen programma's van Defensie initiatieven en ideeën zien, dan zou het volgens mij gek zijn om onze ogen daarvoor te sluiten. De voorzitter: Staatssecretaris, komt u tot een afronding? Staatssecretaris Van Bruggen: Nou, nog niet zozeer, voorzitter. Ik heb namelijk nog het blokje overig. Maar ik wil wel proberen om dat een beetje bij elkaar te rapen. De voorzitter: Heel graag. We hebben namelijk tot 17.00 uur en ik wou de collega's toch nog een kleine tweede termijn geven. Staatssecretaris Van Bruggen: Dat begrijp ik heel goed. De voorzitter: Gaat uw gang. O, we hebben toch nog een interruptie van mevrouw Van der Plas. Mevrouw Van der Plas (BBB): Ik wil toch nog even een vraag stellen over de bodyscanners. Dat het kortdurend is en dat er niet echt sprake is van visitaties lijkt natuurlijk beter. Maar we hebben natuurlijk ook met grondrechten van mensen te maken, namelijk het recht op privacy, het recht op lichamelijke integriteit en het recht op bescherming van de gezondheid. Je gaat met straling werken. Daarnaast heb je natuurlijk te maken met proportionaliteit en subsidiariteit. In hoeverre wordt er ook naar het buitenland gekeken? Daar zijn de berichten over de resultaten hiervan positief. Kan de staatssecretaris daar iets meer over toelichten? Die landen hebben al ervaring met rechtszaken. Er zijn bijvoorbeeld al zaken geweest over zwangere vrouwen, over mensen met een beperking, over mensen met medische implantanten en over jongeren, bij wie de cellen en organen nog in de groei zijn. Kan de staatssecretaris daar heel kort iets over vertellen? De voorzitter: De staatssecretaris, heel kort. Staatssecretaris Van Bruggen: Ik zal het heel concreet proberen te houden. Ja, ik ken de grote inbreuk die het doet rondom de eigen keuze die iemand moet hebben. Is het nog mogelijk om met een bodyscanner gescand te worden? Die keuze moet er namelijk altijd zijn. Ik noem ook het effect dat het op je lichaam heeft. Ik ben zelf door zo'n scanner gegaan. Er is mij ook verteld hoe vaak per jaar dat kan en hoe klein de interventie is. We zijn nu juist aan het kijken of we het proportioneel vinden, op welk moment het kan en welke keuze om wel of niet door de bodyscanner te gaan er nog is voor een jongere of volwassene. Ik neem het dus zeker mee. De voorzitter: Oké. Probeert u af te ronden, als u wilt. Staatssecretaris Van Bruggen: Ik ga proberen af te ronden. Mevrouw Van der Plas stelde de volgende vraag. "Jongeren wachten op hun straf. Hoe kunnen we nieuwe slachtoffers voorkomen?" Als ze bijvoorbeeld in voorlopige hechtenis worden geplaatst, kunnen we vragen om speciale voorwaarden, bijvoorbeeld een contact- en locatieverbod. Er zijn dus mogelijkheden om in de tussenliggende tijd, waarin ze wachten op hun straf, ook al daadwerkelijk in te grijpen. Tegelijkertijd — dat wil ik er wel bij zeggen — is de wachttijd in de strafrechtketen op dit moment hoog. Daar vertel ik u niks nieuws mee. Ik vind dan ook dat we heel goed moeten kijken naar hoelang jongeren soms wachten en hoe hun leven op dat moment stilstaat. We hebben daar zelf ook iets in te doen, niet alleen met verboden, een contact- en locatieverbod, maar ook door een vinger aan de pols te houden bij deze jongeren omdat ze soms jaren wachten totdat de zitting plaatsvindt. Ik vind dat soms buitenproportioneel. Ik krijg die signalen namelijk ook. De vraag naar de ouderverantwoordelijkheid heb ik al gehad. Ook op de vraag over online ronselen heb ik al antwoord gegeven, ik hoop naar tevredenheid. Dan de vraag van de heer Bikkers over de toepassing van adolescentenstrafrecht. Kan de staatssecretaris inzichtelijk maken hoeveel zaken de afgelopen jaren aan de criteria van artikel 77b Sr voldeden terwijl er in die zaken niet is overgegaan tot toepassing van het volwassenenstrafrecht, wil hij weten. Op basis van artikel 77 Sr kan de rechter een jongvolwassene in de leeftijd van 16 jaar of 17 jaar volgens het volwassenenstrafrecht berechten indien de rechter daartoe aanleiding ziet in de ernst van het begane feit, de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan. De vraag of een zaak aan een of meer van die criteria voldoet, is dus een afweging die de rechter maakt. Deze afweging, waarin de rechter op basis van dossierinformatie en alles wat op de zitting is besproken tot een beslissing komt, is dus niet een-op-een naar boven te halen uit de registratiesystemen, maar is terug te vinden in de afzonderlijke rechterlijke uitspraken. Het is daarom moeilijk voor mij om er aantallen aan vast te knopen. Het is belangrijk dat die ruimte er is voor een individueel geval. Dan de vraag van de heer Bikkers over jonge meisjes en vrouwen in de criminaliteit. Er zat inderdaad een onderzoek bij dat gaat over interventies bij meisjes tussen 12 jaar en 15 jaar. Aandacht voor daderschap onder meisjes en jonge vrouwen vergroten we door de kennis uit dit onderzoek actief te delen met gemeenten en strafrechtpartners, bijvoorbeeld via het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) en het netwerk Preventie met Gezag (PmG), want we zien wel dat er aanbevelingen in staan. We vinden niet dat we meteen moeten herijken want we zien dat het aantal criminele meisjes nog steeds afneemt, maar de kennis delen we wel degelijk. Er staan namelijk belangrijke conclusies in dat rapport die kunnen helpen bij het versterken van onze manier van werken. Dat was het, voorzitter. Dank. De voorzitter: Zeer bedankt, staatssecretaris. Ik kijk welke collega's nog behoefte hebben aan een tweede termijn en welke niet. Het hoeft namelijk niet. Laten we het in ieder geval heel, heel kort houden. Heel kort. Mevrouw Synhaeve. Mevrouw Synhaeve (D66): Ik houd het heel kort. Dank aan de staatssecretaris voor de beantwoording. Ik wil graag een tweeminutendebat aanvragen. De voorzitter: Meneer Hamstra. De heer Hamstra (CDA): Dat was heel kort. Voorzitter. Dank aan de staatssecretaris voor de beantwoording. Misschien komen we nog met een initiatief over de regie op vroegsignalering, ook in relatie tot het sociaal domein, maar daar kijken we nog even naar. Daar laat ik het bij. De voorzitter: Dank u. Mevrouw Faber. Mevrouw Faber (PVV): Dank u, voorzitter. Ik heb het antwoord gemist op mijn vraag over maximale straffen voor jeugdigen. Er werd aangegeven dat een en ander niet in lijn zou zijn met het verdrag voor de rechten van het kind. Maar we zien in het buitenland, bijvoorbeeld in Engeland, en Duitsland, iets anders. Zo hebben ze in Duitsland veel hogere straffen. Die landen hebben allemaal datzelfde verdrag ondertekend, maar daar kan het dus wél. Mijn vraag is of het nou wel of niet kan. Wil de staatssecretaris het wel of niet? Ik denk dat de staatssecretaris het liever niet wil, gezien haar inbreng. Maar het kan volgens mij dus wel. De voorzitter: Duidelijk. Dank. Mevrouw Moinat niet. Mevrouw Coenradie niet en mevrouw Van der Plas ook niet. De heer Bikkers ook niet. Mevrouw Westerveld wel. Mevrouw Westerveld (PRO): Zeker wel. Ik heb een paar korte opmerkingen. Dank voor de antwoorden. Ik ga niet op alles in, maar de staatssecretaris zei twee dingen waar ik nog even op in wil gaan. Ze zei dat jongeren te vaak moeten wachten. Ik herinner mij het rapport Pedagogisch uitgangspunt onder druk nog heel goed; het werd een paar jaar geleden hier gepresenteerd door de inspectie. Mijn mond viel toen open van verbazing over de manier waarop we omgaan met jongeren en wat het voor hen betekent als ze zólang moeten wachten. Ik vind het dus fijn dat de staatssecretaris dit goed op het netvlies heeft. Wat de staatssecretaris zei over menselijk kapitaal vind ik heel belangrijk. Ik denk dat er bij dit debat allerlei mensen hebben meegeluisterd die zich met hart en ziel inzetten om jongeren perspectief te bieden. Dat is het menselijk kapitaal. Ik vind het heel prettig dat de staatssecretaris dat doorheeft en dat ze meeneemt als een van de lessen die zij heeft getrokken dat we altijd de mensen in het werkveld moeten meenemen met ons beleid. De voorzitter: Dank. De staatssecretaris. Staatssecretaris Van Bruggen: Voorzitter, dank u wel. Ik weet dat ik heel kort de tijd heb, maar laat ik beginnen door te zeggen: dank voor dit prettige debat. Ik weet dat we hier allemaal zorgen over hebben en dat we tot het uiterste willen gaan om dit goed te doen. Volgens mij doen we dat door dit soort gesprekken in alle openheid met elkaar te voeren en door daadwerkelijk met resultaten te komen. Ik had nog een openstaande vraag van mevrouw Faber over de strafmaatverhoging in relatie tot het Verdrag inzake de rechten van het kind, de slachtoffers en de onderzoeken. Die vraag is ook door mevrouw Moinat en mevrouw Van der Plas gesteld. De vraag was: hoeveel 12-jarigen hebben een gevangenisstraf opgelegd gekregen en hoe vaak wordt bij 16- en 17-jarigen het volwassenenstrafrecht toegepast? Ik zal de straffen niet verhogen, vanwege een opeenstapeling van redenen die ik in mijn verzamelbrief heb genoemd. Voor jeugdigen, heel specifiek onderstreept, is het merendeel van het OM en de rechtspraak tegen een verhoging. Daarnaast is in omringende landen de opgelegde straf bij minderjarigen hoger dan in Nederland, maar de daadwerkelijk uitgezeten straf is vergelijkbaar. Ze worden daar dus eigenlijk al veel eerder geconfronteerd met re-integratie. Dat komt omdat men daar werkt met strafkortingen, terwijl de straf in Nederland wordt verlengd door het opleggen van bijvoorbeeld maatregelen en verlengingen. Daarnaast vind ik het opstuwende effect een belangrijk argument om niet te verhogen. Als we iets gaan doen voor de 16- en 17-jarigen, dan komen we ook in andere categorieën terecht, waar ik niet in geloof. Het verhogen van de strafmaat voor excessen heeft juist een groot negatief effect voor andere jeugdige gestraften. Het staat wat mij betreft haaks op het pedagogische uitgangspunt dat je binnen het jeugdstrafrecht zou moeten hebben. Bij zware delicten, zoals ernstige geweldsmisdrijven, wordt goed gekeken naar de mogelijkheden om de veiligheidsrisico's voor de samenleving zo veel mogelijk tegen te gaan. Dan komt zo'n PIJ-maatregel in beeld, die ontzettend lang kan duren. Daar wordt je vrijheid ook echt mee afgenomen. Zoals ik al zei, kan die PIJ-maatregel ook worden omgezet in een tbs-maatregel. Niet in de laatste plaats zou ik ook het volgende willen zeggen. De jji's kampen nu al met grote tekorten. Als wij in de uitvoeringsconsequenties dan ook nog rekening zouden moeten houden met hogere strafmaten en langere strafperiodes, gaat dat probleem zich in ieder geval niet vanzelf oplossen. De groep die echt in detentie moet zitten en blijven, of dat nou onder het reguliere strafrecht is of met een verlengde PIJ- of tbs-maatregel, moeten we echt een plek achter de muur en achter de tralies geven. Ik wil dus echt kijken hoe we daarvoor kunnen zorgen. Iedereen die niet gebaat is bij een lange periode, moeten we op een andere manier terugbrengen naar de samenleving. De voorzitter: Er zijn geen vragen, dus dan bent u klaar. Dank u zeer, mevrouw de staatssecretaris. We gaan afronden met de toezeggingen die de staatssecretaris gedaan heeft. Die zijn als volgt. Let u goed op. De staatssecretaris gaat voor het einde van het jaar met de jeugdreclassering in gesprek over de concrete mogelijkheden in wet- en regelgeving die zij missen in de aanpak van onlinejeugdcriminaliteit. Zij komt hierop terug in de volgende voortgangsbrief over justitiële jeugd. De staatssecretaris gaat met de minister van Justitie en Veiligheid in gesprek over het stoppen van de niet-effectieve interventies, en komt hierop terug. De vraag is: wanneer? Staatssecretaris Van Bruggen: Ik verneem net dat er vanuit de minister voor het einde van het jaar nog een brief uitgaat die hieraan raakt. Ik zou het graag daarin willen meenemen. De voorzitter: Oké. Voor het einde van het jaar. De staatssecretaris gaat voor interventies uit het jeugddomein, namelijk de Mannenalliantie en Opgroeien in een Kansrijke Omgeving, kijken naar de onderdelen die behulpzaam kunnen zijn voor preventie in de jeugdcriminaliteit. We moeten nog even een termijn horen. Staatssecretaris Van Bruggen: Voor het einde van het jaar. Dan zijn we namelijk toch nog die brief aan het schrijven over de noodmaatregelen. Ik neem dit dan niet mee in die brief, maar ik zal wel met een schriftelijke terugkoppeling komen over deze interventies. De voorzitter: Ja. Ik hoor dat de leden akkoord zijn. Er is een tweeminutendebat aangevraagd door mevrouw Synhaeve van D66, dus dit debat wordt plenair afgerond. Dat zal worden ingepland. Ik dank de staatssecretaris voor haar aanwezigheid en beantwoording. Natuurlijk ook dank aan de collega's en het publiek voor uw aanwezigheid. Daarmee sluit ik deze vergadering. Dank u wel. Sluiting 17.00 uur. ONGECORRIGEERD STENOGRAM Verslag CD van 8 oktober 2026 Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden ontleend. Uit ongecorrigeerde verslagen mag niet letterlijk worden geciteerd. Inlichtingen: [email protected] Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden ontleend. Uit ongecorrigeerde verslagen mag niet letterlijk worden geciteerd. Inlichtingen: [email protected] ONGECORRIGEERD STENOGRAM Verslag CD van 8 oktober 2026 1
Gerelateerde bronnen
- Jeugdcriminaliteit
Conceptverslag Jeugdcriminaliteit
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.