Advies Afdeling advisering Raad van State en Nader rapport
Brontekst
Versie ecfdd094aa8e3cdb · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202536 617Wijziging van de Participatiewet inzake eentijdelijke regeling voor een tegemoetkoming inverband met de alleenverdienersproblematiek(Wet tijdelijke regelingalleenverdienersproblematiek)Nr. 4 ADVIES AFDELING ADVISERING RAAD VAN STATE EN NADERRAPPORT1 Hieronder zijn opgenomen het advies van de Afdeling advisering van deRaad van State d.d. 24 juli 2024 en het nader rapport d.d. 18 september2024, aangeboden aan de Koning door de Staatssecretaris van SocialeZaken en Werkgelegenheid. Het advies van de Afdeling advisering van deRaad van State is cursief afgedrukt.Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw Kabinet van 26 juni 2024,nr. 2024001531, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van deRaad van State haar advies inzake het bovenvermelde voorstel van wetrechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 24 juli 2024,nr. W12.24.00148/III, bied ik U hierbij aan.De tekst van het advies treft u hieronder aan, voorzien van mijn reactie.Bij Kabinetsmissive van 26 juni 2024, no. 2024001531, heeft UweMajesteit, op voordracht van de Minister voor Armoedebeleid, Participatieen Pensioenen2, bij de Afdeling advisering van de Raad van State teroverweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van deParticipatiewet inzake een tijdelijke regeling voor een tegemoetkoming inverband met de alleenverdienersproblematiek (Wet tijdelijke regelingalleenverdienersproblematiek), met memorie van toelichting.Het wetsvoorstel voorziet in een tijdelijke oplossing voor de zogenaamde«alleenverdienersproblematiek». Dat huishoudens met een alleen-verdiener onder omstandigheden een lager besteedbaar inkomen hebbendan vergelijkbare huishoudens in de bijstand, speelt al geruime tijd. In deParticipatiewet wordt nu geregeld dat het college van burgemeester enwethouders ambtshalve of op aanvraag een tegemoetkoming kan1De oorspronkelijke tekst van het voorstel van wet en van de memorie van toelichting zoalsvoorgelegd aan de Afdeling advisering van de Raad van State is ter inzage gelegd bij hetCentraal Informatiepunt Tweede Kamer2In verband met de kabinetswisseling wordt het advies gezonden aan de StaatssecretarisParticipatie en Integratie. kst-36617-4ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 617, nr. 41 toekennen aan een afgebakende doelgroep van alleenverdieners. Eenstructurele oplossing wordt voorzien voor 2028.De Afdeling advisering van de Raad van State begrijpt de wens om, inafwachting van een definitieve oplossing voor deze problematiek, tevoorzien in een tijdelijke regeling. Het is ook begrijpelijk dat is gekozenvoor uitvoering van deze tijdelijke regeling door gemeenten en dat devormgeving van de regeling is afgestemd op de beperkte mogelijkhedendie gemeenten in dat kader hebben. Uitvoering op centraal niveau isimmers niet mogelijk gebleken.De voorgestelde regeling roept desondanks veel nieuwe (juridische)vragen op, terwijl deze de gesignaleerde knelpunten niet volledigwegneemt. Daarbij merkt de Afdeling op dat geen sprake is van een doorexterne factoren veroorzaakte noodsituatie, maar van een (voorzienbaar)gevolg van een samenloop van nationale beleidsmaatregelen. Het pastook niet goed in de interbestuurlijke verhoudingen om gemeenten tebelasten met oplossingen voor problemen die op nationaal niveau zijnontstaan. De voorgestelde oplossing is dus in verschillende opzichtengebrekkig, hetgeen de Afdeling problematisch acht.De Afdeling adviseert om waar mogelijk de tijdelijke regeling nog oponderdelen te verbeteren. Omdat het niet mogelijk zal zijn om allebezwaren weg te nemen, is het noodzakelijk dat de regeling zeker nietlanger zal worden toegepast dan nu beoogd.In verband hiermee is aanpassing wenselijk van de toelichting en zo nodigvan het wetsvoorstel.1. Achtergrond en inhoud voorstel Als gevolg van verschillende afbouwpaden van de dubbele algemeneheffingskorting in de inkomstenbelasting en de bijstand betalenhuishoudens met een alleenverdiener meer inkomstenbelasting danhuishoudens met eenzelfde inkomen waarbij beide partners een bijstands-uitkering ontvangen. Bij een vergelijkbaar netto-inkomen ontvangenhuishoudens met een alleenverdiener bovendien minder hoge toeslagen,doordat hun bruto-inkomen hoger is. Onder omstandigheden hebbenhuishoudens met een alleenverdiener daardoor een lager besteedbaarinkomen dan vergelijkbare huishoudens in de bijstand.Deze zogenaamde «alleenverdienersproblematiek» speelt al geruime tijd.3De complexe samenloop van de verschillende toepasselijke regelingen ishiervan de oorzaak. Deze blijkt ook een belemmering te zijn voor eenstructurele oplossing die het probleem bij de bron aanpakt. In 2022oordeelde de Centrale Raad van Beroep (CRvB) evenwel dat het collegevan burgemeester en wethouders (hierna: het college) het verschil tussenhet inkomen van een huishouden met een alleenverdiener en dat van eenechtpaar in de bijstand moet compenseren door aanvullend bijstand opgrond van de Participatiewet toe te kennen.4Het verstrekken van een inkomensaanvulling uit de algemene bijstandblijkt in de praktijk echter geen adequate en werkbare oplossing te zijn.5Ditzelfde geldt voor een inkomensaanvulling uit de bijzondere bijstand.Daarbij speelt (opnieuw) een belangrijke rol hoe de regels inzake de3Zie bijvoorbeeld Aanhangsel Handelingen II 2019/20, nr. 2819, Kamerstukken II 2021/22, 31 066,nr. 898 en Kamerstukken II 2021/22, 31 066, nr. 927.4CRvB 27 september 2022, ECLI:NL:CRvB:2022:1952.5Memorie van toelichting, paragraaf 1.1.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 617, nr. 42 bijstand en die van de toeslagen op elkaar inwerken. Als gevolg daarvanis een inkomensaanvulling uit de bijstand voor zowel gemeenten alshuishoudens met een alleenverdiener zeer belastend. Naar aanleiding vande uitspraak van de CRvB is daarom gezocht naar andere, beteruitvoerbare oplossingen.Uit de toelichting blijkt dat voor een definitieve oplossing inmiddels isgekozen voor een aanpassing in de fiscale regelgeving.6 De invoeringdaarvan is voorzien in 2028. Voor de tussentijd voorziet het wetsvoorstelin een tijdelijke regeling in de Participatiewet. Bij de vormgeving daarvanis rekening gehouden met de uitvoeringscapaciteit van gemeenten en methet doenvermogen van de betrokken huishoudens. De voorgesteldevoorziening betreft een jaarlijkse, forfaitaire tegemoetkoming die door hetcollege ambtshalve of op aanvraag kan worden verstrekt aan huishoudensdie aan de wettelijke voorwaarden voldoen (hierna: alleenverdieners).2. Beoordeling voorstel Tegen de hiervoor geschetste achtergrond begrijpt de Afdeling de wensom, in afwachting van een definitieve oplossing, te voorzien in eentijdelijke regeling in de Participatiewet. Deze overbruggingsregeling is nietzozeer gericht op het wegnemen van (de oorzaken van) de alleenverdie-nersproblematiek als zodanig, maar veeleer op het zoveel mogelijkwegnemen van de gevolgen ervan voor huishoudens. Omdat het niet gaatom een vorm van bijstand op grond van de Participatiewet, wordtgesproken van een tegemoetkoming. Het jaarlijkse bedrag, dat door deMinister wordt vastgesteld, is voor de hele doelgroep gelijk.De opzet van de tegemoetkomingsregeling vertoont gelijkenissen meteerdere inkomensondersteuningsregelingen, zoals opgesteld naaraanleiding van de COVID-19-crisis en de energiecrisis. Ook bij dieregelingen was sprake van een zekere ruwheid en waren met het oog opde uitvoerbaarheid vergaande concessies gedaan in precisie.7 Bedachtmoet echter worden dat in die gevallen sprake was van onverwachte,externe gebeurtenissen, waarbij met urgentie moest worden gehandeld.Dan is het begrijpelijk, en welhaast onvermijdelijk, dat regelingen tenbehoeve van een snelle uitvoering grofmazig zijn. Een dergelijke situatie ishier niet aan de orde. Hoewel de rechter gemeenten en de wetgever nuvoor deze opgave heeft gesteld, was de problematiek al lange tijd bekenden heeft de wetgever steeds afgezien van het treffen van maatregelen.De Afdeling begrijpt de wens om te voorzien in een tijdelijke regeling inde Participatiewet. De Afdeling benoemt dat de opzet van de tegemoetko-mingsregeling gelijkenissen vertoont met eerdere inkomensondersteu-ningsregelingen naar aanleiding van de COVID-19-crisis en de energie-crisis, maar dat in dit geval geen sprake is van een onverwachte, externegebeurtenis waarbij met urgentie moet worden gehandeld.In paragraaf 1.1 van de memorie van toelichting heeft de regering deachtergrond van de problematiek, zoals hierboven samengevat door deAfdeling, uitgebreid geschetst. De regering benoemt daar dat sinds 2017opeenvolgende kabinetten oplossingsrichtingen onderzocht hebben. Dewens om zo gericht en nauwkeurig mogelijk te werk te gaan, is zowel eenvan de oorzaken van de complexiteit waaruit de problematiek is ontstaan6Memorie van toelichting, paragraaf 1.1. Zie ook Kamerstukken II 2023/24, 26 448, nr. 728 ennr. 763.7Zie bijvoorbeeld de Monitor uitvoering energietoeslag Meting 1 (bijlage bij Kamerstukken II2022/23, 24 515, nr. 701).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 617, nr. 43 als een van de redenen waarom de zoektocht naar een oplossing vastliep.Deze impasse wil de regering doorbreken.De aanpak van de alleenverdienersproblematiek bestaat uit drie fasen (zieparagraaf 1.2 van de memorie van toelichting). Dit wetsvoorstel is denoodzakelijke overbrugging tussen de noodoplossing via de doorgemeenten verstrekte individuele bijzondere bijstand en de fundamenteleoplossing in de inkomstenbelasting, die naar verwachting vanaf 2028gereed is.Vanwege het belastende karakter van de noodoplossing voor zowelhuishoudens als het college van burgemeester en wethouders maakt deregering vaart met zowel het onderhavige wetsvoorstel als de funda-mentele oplossing in de inkomensbelasting. De regering is gemeentenzeer erkentelijk voor de belangrijke rol die zij bereid zijn hierin te pakken.De nu voorgestelde tijdelijke regeling roept een aantal vragen op.a. Karakter regeling en effectiviteitDe tijdelijke regeling is opgezet als een tegemoetkoming met een forfaitairkarakter. Deze opzet staat op gespannen voet met de inkomenspolitiekeachtergrond ervan. De omvang van het nadeel van een huishouden meteen alleenverdiener ten opzichte van een vergelijkbaar huishouden in debijstand als gevolg van de samenloop van regelingen, kan ook per gevalworden berekend. Omwille van de uitvoerbaarheid ontvangen echter allealleenverdieners een uniform bedrag.De hoogte van de tegemoetkoming wordt zodanig gekozen dat de meestealleenverdieners worden overgecompenseerd.8 De huishoudens in debijstand waarmee de alleenverdieners worden vergeleken, ontvangendeze overcompensatie niet. Bovendien zal een deel van de alleenver-dieners met deze regeling maar tot op zekere hoogte zijn geholpen. Totslot is onduidelijk of met de voorgestelde afbakening van de doelgroep isverzekerd dat alle huishoudens die met deze problematiek wordengeconfronteerd, voor de tegemoetkoming in aanmerking komen.9Het gevolg is dat de voorgestelde tijdelijke regeling de onderliggendeproblematiek slechts beperkt wegneemt en bovendien nieuwe vragenoproept. De karakterisering van de regeling als tegemoetkoming kan ditniet wegnemen. De Afdeling heeft begrip voor de overwegingen inzake deuitvoerbaarheid die ten grondslag liggen aan de gemaakte keuzes, maarsluit bij de voorgestelde opzet van de regeling juridische risico’s niet uit.10De Afdeling heeft enkele opmerkingen over het karakter en de opzet vande regeling. De regering erkent allereerst dat deze tijdelijke regeling nietvolmaakt is. De symptomen van de problematiek worden bestreden maarde oorzaken worden niet weggenomen, niet iedereen wordt ambtshalvebereikt en er is sprake van overcompensatie. Echter, voor de korte termijnis geen betere oplossing voorhanden. Wel kunnen gemeenten met dezetijdelijke regeling een belangrijk deel van de doelgroep bereiken op eenmanier die voor hen uitvoerbaar is. Dat is een belangrijke stap vooruit.8Memorie van toelichting, paragraaf 2.1.2. en 8.1.9Voorgesteld artikel 78gg, eerste lid, Participatiewet beperkt de doelgroep tot alleenverdienersdie een inkomen hebben uit een uitkering, niet zijnde een bijstandsuitkering. Uit toelichtingblijkt niet duidelijk waarom een alleenverdiener met bijvoorbeeld een inkomen uit loon of uitoverig werk niet in aanmerking kan komen voor de tegemoetkoming.10Zie bijvoorbeeld HR 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:704.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 617, nr. 44 De regering kiest voor een vaste tegemoetkoming. Die kan ambtshalveworden toegekend op basis van een lijst van de Belastingdienst. Zo kanhet college een belangrijk deel van de doelgroep direct bereiken, zonderdat zij een belastend aanvraagproces hoeven te doorlopen. Ook hoeft hetcollege geen complexe berekeningen te maken. Dit betekent dat mensensneller geholpen kunnen worden, op een manier die minder vraagt vanhet doenvermogen. Ook voor het college leidt dit tot minder uitvoerings-lasten. Maar niet iedereen kan ambtshalve worden bereikt. Daarom kanhet college de vaste tegemoetkoming ook op aanvraag verstrekken.De hoogte van de tegemoetkoming wordt voor ieder jaar waarover kanworden verstrekt bij ministeriële regeling vastgesteld. Het bedrag wordtkort voorafgaand aan het betreffende jaar vastgesteld. Dit gebeurt opbasis van een analyse van de lijst voor het betreffende haar. Het bedrag isafhankelijk van de spreiding van de bedragen aan misgelopen toeslagenen de mate van betrouwbaarheid van de hogere bedragen. Hetuitgangspunt daarbij is dat de tegemoetkoming voor veruit de meestealleenverdieners toereikend is, zodat de tegemoetkoming voor hen demisgelopen toeslagen compenseert. Naar verwachting geldt dit voor ruim95% van de ongeveer 6.000 huishoudens. Voor een klein deel van dedoelgroep is de vaste tegemoetkoming mogelijk niet toereikend. Dit zalnaar huidig inzicht ongeveer 200 huishoudens betreffen. (Noot: vanwegede systematiek van de lijst kan niet vooraf of zonder individueel onderzoekworden bepaald welke huishoudens dit betreft.) Voor hen is er eenvangnet; zij kunnen als aanvulling op de tegemoetkoming individuelebijzondere bijstand aanvragen. Daarmee is deze situatie anders dan dedoor de Afdeling aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad inzake deWet rechtsherstel box 3.De Afdeling merkt op dat het onduidelijk is of met de voorgesteldeafbakening van de doelgroep is verzekerd dat alle huishoudens die metdeze problematiek worden geconfronteerd, voor de tegemoetkoming inaanmerking komen. Specifiek lijkt artikel 78gg, eerste lid, Participatiewetmensen met een inkomen uit werk uit te sluiten van de tegemoetkoming.De regering benadrukt dat dit niet het geval is. De regeling sluit mensenmet inkomen uit werk niet uit; het is goed mogelijk dat een of beidepartners inkomen uit werk heeft. Immers, naast een uitkering kan men ookenig inkomen uit werk genieten. Dit wordt niet uitgesloten doorartikel 78gg, eerste lid, onderdeel a. Daarnaast is inkomen uit werk nietbepalend voor de vraag of een huishouden al dan niet in aanmerkingkomt. Wel volgt uit de voorwaarden in het eerste lid en de aard van deproblematiek, dat voor een huishouden dat in aanmerking komt ditinkomen uit werk beperkt zal zijn. Immers, naarmate het inkomen uit werktoeneemt, kunnen de partners andere heffingskortingen benutten (metname de arbeidskorting) die het gebrek aan algemene heffingskortingvoor de minstverdienende partner compenseren. Naarmate inkomen uitwerk een groter aandeel van het bruto-inkomen vormt, neemt het risicodat het huishouden door de alleenverdienersproblematiek wordt geraaktaf. Paragraaf 2 van de toelichting is op dit punt verduidelijkt.b. Discretionaire bevoegdheid gemeentenHet wetsvoorstel geeft het college een discretionaire bevoegdheid tot hetverlenen van een tegemoetkoming aan een huishouden dat aan degestelde voorwaarden voldoet («kan-bepaling»).11 Uit de toelichtingmaakt de Afdeling op dat een uniforme regeling wordt beoogd wat betreftde afbakening van de doelgroep en de hoogte van de tegemoetkoming,maar dat beleidsruimte bestaat op het punt van de vermogenstoets en de11Voorgesteld artikel 78gg, eerste lid, aanhef, Participatiewet.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 617, nr. 45 wijze waarop de toetsing van het actuele inkomen moet plaatsvinden. Detoelichting vermeldt dat een zekere beleidsruimte inherent is aan hetgekozen instrument van de Participatiewet.12De Afdeling merkt op dat in de hoofdlijn van de tijdelijke regeling sprakeis van een uniforme regeling, waarbij een recht op tegemoetkomingbestaat indien aan de wettelijke voorwaarden wordt voldaan. Het isbelangrijk dat een kan-bepaling, om welke reden hiervoor ook gekozen is,hieraan niet in de weg staat. De beleidsruimte die gemeenten oponderdelen van de regeling hebben kan dus niet anders dan beperkt zijn.De Afdeling merkt op dat de tijdelijke regeling in de hoofdlijn eenuniforme regeling is, en vraagt zich af hoe dat zich verhoudt tot dekan-bepaling in het wetsvoorstel en de in de toelichting vermeldebeleidsruimte voor het college. Het klopt dat het de bedoeling is dat errecht op een tegemoetkoming bestaat, indien aan de wettelijkevoorwaarden wordt voldaan. Bij nadere overweging heeft de regeringdaarom gekozen voor een gebonden bevoegdheid, in plaats van eendiscretionaire bevoegdheid. Ook is het juist dat de beleidsruimte voorgemeenten beperkt is. Om die reden zijn het wetsvoorstel en de memorievan toelichting op dit punt aangepast.c. Peildatum doelgroepIn het wetsvoorstel is de te hanteren peildatum voor de tegemoetkomingniet geregeld. Uit de toelichting blijkt dat de Belastingdienst aangemeenten een lijst zal verstrekken met alleenverdieners die inaanmerking komen voor een – ambtshalve te verstrekken – tegemoet-koming.13 Deze lijst heeft als peildatum het jaar t-2, omdat de inkomens-gegevens van dat jaar definitief zijn en dus beschikbaar bij de Belasting-dienst. Uit de toelichting blijkt echter ook dat alleenverdieners die niet opde lijst staan, maar in het lopende jaar wel tot de doelgroep behoren,tevens in aanmerking komen voor de tegemoetkoming. Dit stelt degemeente op aanvraag vast op basis van actuele inkomensgegevens.14De Afdeling merkt op dat de voorgestelde wijze van uitvoering meebrengtdat in de praktijk verschillende voorwaarden gelden waaronder alleenver-dieners in aanmerking komen voor de tegemoetkoming. Ook leidt dezeaanpak tot overcompensatie, doordat alleenverdieners die wel op de lijststaan, maar in het lopende jaar niet tot de doelgroep behoren, tochambtshalve een tegemoetkoming ontvangen. Het gaat daarbij om een niette verwaarlozen percentage van 40 tot 50 procent van de lijst.15 Dat op de«ambtshalve-lijst» een aanzienlijk deel van de actuele doelgroep nietvoorkomt, heeft ook gevolgen voor de uitvoeringlast voor gemeenten. Erzullen hierdoor ook nog veel aanvragen voor een tegemoetkomingmoeten worden beoordeeld.De Afdeling stelt vast dat de peildatum voor ambtshalve verstrekking hetjaar t-2 is, en bij toekenning op aanvraag naar actuele inkomensgegevenswordt gekeken. Het kabinet heeft in samenspraak met gemeenten dehoogste prioriteit gegeven aan het helpen van huishoudens in deactualiteit. Zij lopen in de actualiteit toeslag mis. De regering heeft bij de12Memorie van toelichting, paragraaf 10.2.13Memorie van toelichting, paragraaf 2.1.4.14Deze huishoudens moeten een aanvraag indienen voor de tegemoetkoming. Het advies aangemeenten is om het gemis aan toeslagen te bepalen door zo recent mogelijke inkomensge-gevens, op basis van een referteperiode van één maand, te extrapoleren naar een jaarin-komen. Zie de memorie van toelichting, paragraaf 2.1.4.15Memorie van toelichting, paragraaf 2.1.4 en 8.1. Het gaat daarbij om 2.000 tot 3.000huishoudens per jaar.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 617, nr. 46 voorbereiding van dit wetsvoorstel echter geconstateerd dat het helaasniet mogelijk is om een ambtshalve tegemoetkoming te verstrekken opbasis van actuele inkomensgegevens. Daarom wordt als peildatum hetjaar t-2 gebruikt. In de toelichting geeft de regering reeds aan dat zij hetonder de omstandigheden aanvaardbaar vindt dat hiermee ookhuishoudens een tegemoetkoming krijgen terwijl deze inmiddels nietmeer tot de doelgroep behoren. Voor de huishoudens die in het jaar t-2niet tot de doelgroep hoorden, maar ten tijde van de aanvraag wel, is hetnoodzakelijk om actuele inkomensgegevens te gebruiken. Op basis vaninkomensgegevens uit jaar t-2 zouden zij immers in de actualiteit niet inaanmerking komen voor de tegemoetkoming.Zoals hierboven ook is aangegeven, in reactie op punt 2a, erkent deregering dat de tijdelijke regeling niet volmaakt is. Er is sprake vanovercompensatie en een deel van de doelgroep kan niet ambtshalvebereikt worden. Desondanks is dit wetsvoorstel een belangrijke stap omde doelgroep te bereiken op een manier die voor gemeenten uitvoerbaaris.d. Geen terugvorderingDe Afdeling merkt op dat overcompensatie ook plaatsvindt doordat eentegemoetkoming waarvan op enig moment blijkt dat deze ten onrechte isverstrekt, niet kan worden teruggevorderd.16 Dit betekent dat fouten niet(kunnen) worden hersteld, ook als evident is dat de tegemoetkoming tenonrechte is verleend. Daarbij is een extra complicatie dat bij de beoor-deling van een aanvraag voor een tegemoetkoming op basis vanschattingen van het actuele jaarinkomen zal moeten worden beslist of aande voorwaarden wordt voldaan.De Afdeling merkt op dat overcompensatie plaatsvindt doordat eentegemoetkoming waarvan blijkt dat deze ten onrechte is verstrekt, niet kanworden teruggevorderd. Het wetsvoorstel regelt inderdaad dat detegemoetkoming niet ten nadele van de betrokkene kan worden herzien.Daarmee wordt voorkomen dat het ontvangen van een tegemoetkomingvan de overheid stress en onzekerheid oproept, door gebrek aanvertrouwen in de overheid of angst voor terugvorderingen. Dat speelt temeer nu de tegemoetkoming ambtshalve kan worden verstrekt en hetvaste bedrag in de meeste gevallen hoger zal zijn dan het exacte bedragdat huishoudens tekortkomen.De regering geeft prioriteit aan hulp bieden in de actualiteit, op eenuitvoerbare wijze. Naar mening van de regering gaat dit niet samen metde mogelijkheid om de tegemoetkoming terug te vorderen. Zoals deAfdeling onder 2c benoemt, zal een aanzienlijk aantal huishoudens detegemoetkoming ambtshalve ontvangen, terwijl zij in de actualiteit nietmeer tot de doelgroep behoren. De regering acht dit onder de gegevenomstandigheden de beste benadering. Als de mogelijkheid tot terugvor-dering bestaat, zou dit een jaar later 40 tot 50% van deze huishoudenskunnen raken. De regering vindt in die gevallen terugvorderen nietuitlegbaar, aangezien de overheid zelf voor deze benadering kiest.Voor wat betreft de inwoners die een aanvraag indienen, wijst de Afdelinger terecht op dat het jaarinkomen ten tijde van een aanvraag nog nietzeker is. Gebruik van inkomensgegevens in de actualiteit is echter deenige mogelijkheid om deze mensen in de actualiteit te helpen, zonder datdit terughoudendheid bij huishoudens veroorzaakt.16Voorgesteld artikel 78gg, zesde lid, Participatiewet.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 617, nr. 47 e. ConclusieMede in het licht van de uitspraak van de CRvB, begrijpt de Afdeling dewens om in afwachting van een definitieve oplossing voor de alleenver-dienersproblematiek te voorzien in een tijdelijke regeling. Ook begrijpt zijdat, gegeven dat uitvoering op centraal niveau niet mogelijk is gebleken,is gekozen voor uitvoering van deze tijdelijke regeling door gemeenten endat de vormgeving van de regeling is afgestemd op de beperkte mogelijk-heden die gemeenten in dat kader hebben.De voorgestelde regeling roept desondanks veel nieuwe (juridische)vragen op, terwijl deze de gesignaleerde knelpunten niet volledigwegneemt. Daarbij merkt de Afdeling op dat de problematiek waarvoorhet voorstel een oplossing beoogt te bieden, niet voortkomt uit een doorexterne factoren veroorzaakte noodsituatie. De alleenverdienersproble-matiek is daarentegen een (voorzienbaar) gevolg van een samenloop vannationale beleidsmaatregelen. Het past ook niet goed in de interbestuur-lijke verhoudingen om gemeenten te belasten met oplossingen voor deproblemen die op nationaal niveau zijn ontstaan.De voorgestelde oplossing is dus in verschillende opzichten gebrekkig,hetgeen de Afdeling problematisch acht. Dit geldt temeer nu het risicobestaat dat de tijdelijke regeling langer van toepassing zal zijn dan nubeoogd, doordat de definitieve oplossing langer op zich laat wachten dannu wordt voorzien.17 Ook als de tijdelijke regeling nog op onderdelen kanworden verbeterd, is het noodzakelijk dat al het mogelijke wordt gedaanom de looptijd van de regeling zo kort mogelijk te laten zijn.Gelet hierop adviseert de Afdeling in de toelichting nader op hetvoorgaande in te gaan en zo nodig het wetsvoorstel aan te passen.De Afdeling merkt op dat de regelmatige temporisering of bevriezing vande afbouw van de dubbele algemene heffingskorting in de bijstand nietbijdraagt aan het oplossen van de alleenverdienersproblematiek. Deregering erkent dit. Het voornemen om de dubbele algemene heffings-korting in het referentieminimumloon in 2025–2027 niet af te bouwen wasdaarom een moeilijke afweging. (Noot: zie de Wijziging van de Algemenenabestaandenwet en de Participatiewet in verband met het in 2025, 2026en 2027 niet afbouwen van de dubbele algemene heffingskorting in hetreferentieminimumloon, in het pakket Belastingplan 2025.) Voor datwetsvoorstel heeft de regering de nadelen voor de alleenverdienerspro-blematiek afgewogen tegen de positieve inkomenseffecten voor de grotegroep uitkeringsgerechtigden op het sociaal mininum. Uitstel van devolledig afbouw heeft voornamelijk invloed op de periode waarin deonderhavige regeling niet meer van toepassing zal zijn; zelfs zonder eniguitstel had de afbouw pas per 2033 zijn voltooid.De Afdeling benoemt het risico dat de tijdelijke regeling langer vantoepassing zal zijn dan nu beoogd, doordat de fundamentele oplossing inde fiscaliteit langer op zich kan laten wachten. De regering weet dat ookde fiscale oplossing niet volmaakt is. Desondanks is het doel de tijdelijkeregeling zo kort mogelijk van toepassing te laten zijn, waarbij het strevenis de fiscale regeling per 2028 inwerking te laten treden.17De regelmatige temporisering of bevriezing van de afbouw van de dubbele algemeneheffingskorting in de bijstand (en daaraan gerelateerde uitkeringen) draagt evenmin bij aanhet oplossen van de alleenverdienersproblematiek. Zie bijvoorbeeld Stb. 2023, 490.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 617, nr. 48 De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmer-kingen bij het voorstel en adviseert daarmee rekening te houden voordathet voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend.De waarnemend Vice-President van de Raad van State,S.E. WortmanVan de gelegenheid is gebruikgemaakt om in het voorstel van wet en dememorie van toelichting een aantal redactionele en technische verbete-ringen aan te brengen, naast de meer substantiële aanpassing naaraanleiding van dit advies van de Raad van State.Ik verzoek U het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en degewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,J.N.J. NobelTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 617, nr. 49
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.