Stand van zaken instandhouding in het basisonderwijs en update regiobijeenkomsten
Brontekst
Versie dcaeeb7fe72cc0ba · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202531 293Primair OnderwijsNr. 832 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUREN WETENSCHAP Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 3 juli 2025Nederland kent een divers en fijnmazig aanbod van basisscholen. Aan deene kant koesteren we dit. Aan de andere kant leidt het grote aantal(kleine) scholen tot problemen, vooral gezien de alsmaar oplopendetekorten in het onderwijsveld. Leraren- en schoolleiderstekorten wordenin veel steden al sterk gevoeld. Deze tekorten zullen ook de rest van hetland raken.1 Ook op het gebied van onderwijshuisvesting spelenproblemen. Gemeenten hebben niet genoeg middelen om alle schoolge-bouwen in hun gemeenten te onderhouden. Het grote aantal te kleinescholen zet extra druk op deze uitdagingen.Tegelijkertijd staan er in sommige regio’s te kleine scholen die cruciaal zijnvoor de bereikbaarheid van het onderwijs en de leefbaarheid van eengebied. Als deze kleine scholen verdwijnen moeten leerlingen soms ergver reizen naar een volgende school. Als gezinnen met jonge kinderendaardoor wegtrekken, heeft dit gevolgen voor de leefbaarheid. Daaromvind ik het belangrijk dat deze scholen worden ondersteund en dat elkeleerling binnen een redelijke reisafstand toegang heeft tot onderwijs.In het licht van deze uitdagingen moet het scholenlandschap toekomstbe-stendig gemaakt worden. Hierover heb ik uw Kamer eind 2024 voor heteerst geïnformeerd.2 De urgentie voor een herziening is ook in het veldvoelbaar. De huidige situatie met een groot aantal te kleine scholen is opde langere termijn niet houdbaar. Dat betekent dat er soms moeilijkekeuzes gemaakt moeten worden. Scholen die niet essentieel zijn voor hetbehoud van voldoende bereikbaar onderwijs, zullen op zoek moeten naarvormen van samenwerking of zullen hun deuren moeten sluiten. Hetsluiten van een school doet altijd pijn. Maar er liggen kansen in samen-werking. Als scholen samengaan kunnen onderwijspersoneel en expertise1Prognoses arbeidsmarkt po | Kerncijfers en indicatoren Primair Onderwijs | OCW in cijfers2Kamerbrief over aanpassingen in het stelsel van instandhouding en opheffing basisscholen |Kamerstuk | Rijksoverheid.nl kst-31293-832ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 8321 worden gedeeld. Ook is er dan op termijn maar één schoolgebouw om teonderhouden. Er zijn al goede voorbeelden van samenwerking, en ikmoedig iedereen aan om hierover in gesprek te gaan.Regiobijeenkomsten: het belang van een brede blikZoals in de eerdere brief werd aangekondigd, zijn er de afgelopenmaanden door heel het land regiobijeenkomsten georganiseerd waar metruim 200 schoolbestuurders en gemeenteambtenaren is gesproken. Ookvoerde mijn ministerie vele individuele gesprekken met onder meer deprofielorganisaties, PO-raad, en bestuurders en gemeenten uit stad,platteland, en de gebieden daartussenin. Deze gesprekken bevestigen dater kansen liggen in het aanpassen van wet- en regelgeving om tot eentoekomstbestendig scholenaanbod te komen.Uit de gevoerde gesprekken blijkt dat er vijf elementen zijn, of knoppen,waar je aan moet draaien om het scholenlandschap toekomstbestendig temaken. Deze komen hieronder aan bod: de instandhouding en opheffingvan basisscholen, de bekostigingsomvorming naar een dunbevolktheids-toeslag, samenwerking, het effect van stichten van nieuwe scholen en totslot het fenomeen van dislocaties. Uit de gesprekken werd ook duidelijkdat je deze onderwerpen in samenhang moet bekijken. Wijzigingen in hetene deel van het stelsel hebben effect op de andere delen.Instandhouding basisscholen: heroverweeg de «gemiddelde school-grootte»Het scholenlandschap in Nederland wordt gevormd door een geheel aanregels. De basis van het systeem van instandhouding en opheffing zijnopheffingsnormen. Elke gemeente kent een eigen opheffingsnorm. Als hetleerlingaantal van een school onder deze norm zakt, wordt de bekostigingin principe beëindigd. Vaak betekent dit dat de school sluit. Maarsommige scholen met een leerlingaantal onder deze norm kunnen tochopen blijven. Door zogeheten «uitzonderingsgronden» worden ongeveer500 basisscholen open gehouden die een leerlingaantal hebben dateigenlijk te laag is. Deze scholen zijn dus te klein voor de gemeente waarinze staan.3 Vooral in de steden heeft dit geleid tot een groot aantal te kleinescholen en daarmee tot extra druk op het leraren- en schoolleiderstekort.Terwijl er in de omgeving genoeg andere scholen zijn waar leerlingenterecht zouden kunnen.De meest gebruikte uitzonderingsgrond is de «gemiddelde school-grootte», waarmee besturen een te laag leerlingaantal op één schoolkunnen compenseren met een hoger leerlingaantal op een andere school.Tijdens gesprekken met het veld bleek dat er kansen gezien worden in hetafschaffen van deze uitzonderingsgrond. Vooral besturen in grootstedelijkgebied zien dat dit kan helpen het aantal te kleine scholen terug tebrengen, zonder dat dit ten koste gaat van een dekkend aanbod. Dit kanop termijn de druk op het lerarentekort en onderwijshuisvesting verlagenen kan samenwerking tussen besturen stimuleren.Soms is het belangrijk dat een te kleine school toch open blijft. Indunbevolkte gebieden bijvoorbeeld wordt de «gemiddelde schoolgrootte»soms gebruikt om een te kleine school open te houden omdat er geenandere school in de directe omgeving is. Het sluiten van deze scholendoor het schrappen van bovengenoemde uitzonderingsgrond, zou eenprobleem vormen voor leerlingen en zou de leefbaarheid van een gebiedkunnen schaden. Om dergelijke scholen wél open te kunnen houden en3I.e. een leerlingenaantal onder de voor die betreffende gemeente geldende opheffingsnorm.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 8322 nadrukkelijk ook om de bereikbaarheid van het onderwijs te waarborgen,wordt gewerkt aan het toevoegen van een nieuwe uitzonderingsgrond opbasis van een afstandscriterium. Zo zou de laatste school in een straal vaneen aantal kilometer bekostigd kunnen blijven, ook wanneer het leerling-aantal onder de gemeentelijke opheffingsnorm ligt.Bekostiging: dunbevolktheidstoeslagMijn ministerie werkt aan het vervangen van de kleinescholentoeslag dooreen dunbevolktheidstoeslag. De kleinescholentoeslag wordt momenteeluitgekeerd aan alle scholen met minder dan 150 leerlingen, ongeacht degemeentelijke opheffingsnorm. Deze toeslag draagt momenteel, samenmet de hierboven beschreven uitzonderingsgrond «gemiddelde school-grootte», dus bij aan het instandhouden van te veel té kleine scholen instedelijk gebied waar het lerarentekort nu al nijpend is. Ook hier is in allegevoerde gesprekken over gesproken. Het belang van het omvormen vandeze aanvullende bekostiging wordt breed herkend. Door een omvormingnaar een dunbevolktheidstoeslag wordt de extra bekostiging alleen nogmaar uitgekeerd aan scholen in gemeentes met een opheffingsnorm van150 of lager. Zo komt het geld terecht bij die kleine scholen die dat hethardst nodig hebben. De omvorming kan zo een bijdrage leveren aan hetbehoud van voldoende aanbod in de regio.Het stimuleren van samenwerking en samenwerkingsscholenWaar nu meerdere te kleine scholen vlak bij elkaar in stand wordengehouden, of waar een te kleine school naast een grote school staat, zousamenwerking of samengaan veel kansen kunnen bieden. Bijvoorbeeldwaar het gaat om gedeelde voorzieningen, het delen van kennis en kunde,of om het hebben van een flexibele schil. Voor een toekomstbestendigscholenlandschap zal samenwerking gevonden moeten worden tussenscholen, ook over richtingen heen, om ervoor te zorgen dat ook in detoekomst voor iedere leerling een passende plek kan worden gevonden endat scholen beter bestand zijn tegen de uitdagingen die in toenemendemate op het onderwijsveld afkomen. Samenwerking moet meer en meerde norm worden.In de regiogesprekken kwamen goede voorbeelden naar voren vangeslaagde samenwerking. Ook onder de huidige regels is op dit puntnamelijk al veel mogelijk. In de regiobijeenkomsten zagen we bestuurdersvanuit hun gedeelde maatschappelijke opgave samen met hun collega-bestuurders concrete stappen zetten om het onderwijsaanbod in hunregio toekomstbestendiger te maken. Zo werd in gebieden die kamptenmet leerlingendaling besloten tot het vormen van een samenwerkings-scholen. Door op tijd te handelen kon samenwerking gevonden wordentussen openbare en bijzondere scholen. In plaats van twee te kleinescholen die genoodzaakt waren hun deuren te sluiten, staat er nu éénsamenwerkingsschool, waar kinderen van de openbare en bijzondereschool samenkomen en leren.Dergelijke voorbeelden van samenwerking kunnen ter inspiratie voorschoolbestuurders en ander onderwijspersoneel dienen. Er zijn al regio’swaar alle schoolbestuurders samen met gemeentes om tafel zitten engezamenlijk werken aan het toekomstbestendig maken van het aanbod inhun regio. Ik moedig alle bestuurders aan om deze stappen te zetten. Mijnministerie is bereid mee te denken waar nodig. Omdat bestuurderseveneens aangaven dat in wet- en regelgeving nu drempels kunnenbestaan die samenwerking bemoeilijken, wordt onderzocht wat demogelijkheden zijn om het vormen van een samenwerkingsschool teTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 8323 verruimen en hoe samenwerking in brede zin door wet- en regelgevingverder kan worden gestimuleerd.Stichten van nieuwe scholenUit onder andere de regiobijeenkomsten en specifiek ook gesprekken metbesturen in grote steden, ontvangt mijn ministerie signalen dat hetstichten van nieuwe scholen tot concurrentie en frustratie kan leiden. Overhet algemeen zien schoolbestuurders in de grote steden dat het flinkeaantal te kleine scholen druk legt op problematiek zoals lerarentekorten enonderschrijven zij de noodzaak om dit aantal terug te dringen. Tegelij-kertijd zien zij hier en daar nieuwe scholen starten wanneer een aanvraagvoor een nieuwe school wordt goedgekeurd.De vragen en frustratie die dit kan oproepen, begrijp ik. Daarom ben enblijf ik hierover in gesprek met bestuurders en gemeenten. Er wordtonderzocht of het mogelijk zou zijn strengere eisen te verbinden aan hetgesprek in de regio, dat voorafgaand aan de eventuele komst van eennieuwe school moet plaatsvinden. Zo zou op een eerder moment, samenmet bestaande besturen, gekeken moeten worden of er ook op een anderemanier aan de veranderende onderwijsbehoeften voldaan zou kunnenworden.Ik wil daarbij opmerken dat een toekomstbestendig scholenaanbod iedersverantwoordelijkheid is. De meerderheid van nieuwe scholen wordtmomenteel gesticht door bestaande besturen – zij moeten hier kritischnaar kijken. Ook nieuwe besturen hebben de verantwoordelijkheid om tebezien of hun initiatief wellicht ook door samenwerking met bestaandebesturen tot stand kan komen. Samenwerking moet de norm worden enhet stichten van nieuwe scholen enkel een uiterst middel.Aan het eind van dit jaar wordt de eerste evaluatie van de Wet MeerRuimte voor Nieuwe Scholen opgeleverd. Deze evaluatie zal ook dienenals input voor een meer fundamentele beschouwing van de wet.DislocatiesTot slot kwam in de bijeenkomsten het belang van het meenemen van«dislocaties» in eventuele wijzigingen aan de orde. Het scholenlandschapkent verschillende typen onderwijslocaties, waarvan het overgrote deelerkend is. Maar er bestaan ook niet-erkende onderwijslocaties: dezogeheten dislocaties, in het scholenveld ook wel «dependances»genoemd.Oorspronkelijk waren dislocaties bedoeld als bijgebouw om tijdelijkruimtegebrek op een hoofdvestiging op te vangen. Daarom bestaan er nugeen wettelijke eisen voor het starten of instandhouden van een dislo-catie. In de praktijk fungeren niet alle dislocaties als tijdelijke oplossingvoor ruimtegebrek. Ze worden ook voor andere doeleinden ingezet enlijken soms te functioneren als zelfstandige scholen.4Omdat er geen wettelijke eisen bestaan voor het starten of instandhoudenvan dislocaties, kunnen ze op dit moment niet worden meegenomen inwijzigingen aan wet- en regelgeving. Het is van belang dat het hélescholenlandschap zo goed mogelijk voorbereid is op de huidige enaankomende uitdagingen. Om in kaart te brengen wat precies de rol is4Een zelfstandig functionerende dislocatie heeft bijvoorbeeld een eigen naam en directeur, enbiedt de leerjaren 1 t/m 8 aan, waardoor zij voor personeel, ouders en leerlingen amper meer teherkennen is als onderdeel van een andere school.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 8324 van dislocaties in het huidige onderwijsveld wordt een extern onderzoekuitgezet, dat ook tegen het einde van dit jaar zal worden opgeleverd.VervolgprocesZoals hierboven omschreven komt uit de vele gevoerde gesprekken vande afgelopen maanden het beeld naar voren dat de urgentie voor hetherzien van de huidige regels door de toenemende leraren-, enschoolleiders-, en huisvestingstekorten wordt versterkt. De gevoerdegesprekken bevestigen het beeld dat er op alle vlakken aanpassingendienen te worden gedaan en dat veel veldpartijen met elkaar in gesprekzijn om onder de huidige regels alvast eerste stappen te zetten. Ditmoedig ik van harte aan.Mijn ministerie is en blijft in gesprek over de regels voor het sluiten,danwel openhouden van basisscholen met gemeenten, schoolbesturen,raden, bonden, vakbonden, schoolleiders, onderwijspersoneel en andererelevante veldpartijen. In het najaar zullen nieuwe regiobijeenkomstenworden georganiseerd, waarin ideeën voor aanpassingen vanuitverscheidene lokale situaties kunnen worden bezien en getoetst.Uw Kamer wordt periodiek op de hoogte gehouden van het vervolg.Definitieve en uiteindelijke keuzes in dezen zijn aan een volgend kabinet.Dit past bij de tijd die nodig is om de wijzigingen verder uit werken. Zowelvanwege de complexiteit, die wordt versterkt door de lokale context dieoveral anders is en waar oog voor moet zijn. En niet in de laatste plaatsvanwege de impact van moeilijke keuzes die in de toekomst somsgemaakt zullen moeten worden.Tot slot herhaal ik de oproep aan schoolbestuurders, gemeenteambte-naren en nieuwe toetreders om nu al te onderzoeken wat er lokaal nodigis om het onderwijsaanbod toekomstbestendig in te richten. We moetendit immers samen doen.De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,M.L.J. PaulTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 8325
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.