Memorie van toelichting
Brontekst
Versie d6b7b5778b010538 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2023–202436 578Wijziging van de Pensioenwet, de Wet op deloonbelasting 1964 en enige andere wetten inverband met de verlenging van detransitieperiode naar het nieuwe pensioenstelselNr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING I. Algemeen 1. Aanleiding en doelen De Wet toekomst pensioenen (Wtp) zorgt voor een persoonlijker entransparanter pensioenstelsel, dat beter aansluit bij de arbeidsmarkt, enwaarbij er eerder perspectief is op een koopkrachtig pensioen. Voor deovergang naar dit nieuwe pensioenstelsel is een zorgvuldige transitievereist. In de Wet toekomst pensioenen is een transitieperiode vastgelegdvan 3,5 jaar. Die transitie bestaat uit verschillende stappen met bijbeho-rende mijlpalen. Sociale partners hebben tot 1 januari 2025 om arbeids-voorwaardelijke afspraken te maken over de gewijzigde pensioenregelingen de transitie daarnaartoe en dit vast te leggen in het transitieplan.Vervolgens geldt bij pensioenfondsen dat zij tot 1 juli 2025 hebben om hetproces van de opdrachtaanvaarding af te ronden en het implementatie- encommunicatieplan in te dienen bij de toezichthouders. Vervolgens hebbenpensioenuitvoerders en pensioenuitvoeringsorganisaties, volgens de Wettoekomst pensioenen, tot 1 januari 2027 om de plannen te implemen-teren. Voor verzekeraars en premiepensioeninstellingen gelden anderemijlpalen. Werkgevers die een pensioenregeling hebben ondergebrachtbij deze pensioenuitvoerders moeten uiterlijk vóór 1 oktober 2026 deeventueel bijgestelde offerte hebben ingediend bij hun verzekeraar ofpremiepensioeninstelling. Dit is ook het moment dat het transitieplanuiterlijk moet worden verstrekt aan de verzekeraar of premiepensioenin-stelling. Verzekeraars en premiepensioeninstellingen kunnen al vanaf destart van de transitieperiode de implementatieplannen en communicatie-plannen indienen bij de toezichthouders.AchtergrondIn 2023 waren er 170 pensioenfondsen.1 Alle pensioenfondsen moeteneen transitie naar het nieuwe pensioenstelsel doormaken. Ook als hetpensioenfonds ervoor kiest om niet in te varen moeten zij voor nieuwe1Data zoeken – DNB. kst-36578-3ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 578, nr. 31 pensioenopbouw overstappen naar een nieuw pensioencontract datvoldoet aan de aangepaste voorschriften.2 Bij de uitvoering van depensioenregeling en de transitie zijn verschillende pensioenuitvoeringsor-ganisaties betrokken. Een pensioenuitvoeringsorganisatie bedient veelalmeerdere pensioenfondsen.Begin 2023 gaven ca 30% van de pensioenfondsen aan naar verwachtingper 1 januari 2025 te zullen invaren, terwijl 51% van de pensioenfondsenverwachtte per 1 januari 2026 te zullen invaren. Slechts een klein gedeelteheeft de intentie om eerder (2% in 2024) of later (5% in 2027) in te varen,12% van de pensioenfondsen heeft dit onderdeel niet ingevuld.3 Ditbetekent dat er een onevenredige verdeling is van werkzaamheden, demeeste transities vinden in twee jaar plaats.Sinds de aankondiging van voorliggend wetsvoorstel heeft de pensioen-uitvoering al geanticipeerd op een extra transitiejaar. Dit blijkt ook uit deresultaten van devragenlijst van DNB en AFM van begin 2024.4 Hieruit blijkt namelijk datnog 14 pensioenfondsen voornemens zijn om in te varen in 2025.Er is een verplaatsing zichtbaar van beoogde invaardata van pensioen-fondsen. Vanwege het extra aangekondigde jaar hebben pensioenfondsenmeer tijd om de transitie op zorgvuldige wijze vorm te geven, en hebbende uitvoerende partijen ruimte om de werkzaamheden te spreiden,waardoor de druk afneemt.Het uitvoeren van de transitie door de pensioenfondsen en betrokkenpensioenuitvoeringsorganisaties in een periode van twee jaar zou inspecifieke gevallen kunnen leiden tot piekbelasting en/of overbelasting bijdeze partijen. Een dergelijke piekbelasting en/of overbelasting brengtdaarmee onnodige tijdsdruk voor sommige uitvoerende organisaties,2Voor pensioenfondsen waarbij geen nieuwe pensioenopbouw plaatsvindt, geldt dat zij geennieuwe pensioenregeling moeten afspreken. Zij kunnen wel invaren en de reeds opgebouwdepensioenaanspraken en pensioenrechten omzetten naar de nieuwe pensioenregeling.3https://www.dnb.nl/media/5bqn215a/dnb_terugkoppeling-risicobeelden-derde-wtp-monitoringsuitvraag_2023-q1.pdf.4https://www.dnb.nl/media/phjpshcu/2024-05-30-terugkoppeling-wtp-vragenlijst-q2-2024-v5-sector-en-risicobeelden.pdf; in totaal hebben 134 pensioenfondsen en 43 APF-kringen devragenlijst ingevuld.Figuur 1. Beoogde invaardatum pensioenfondsen (op basis van uitvragen DNB enAFM)Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 578, nr. 32 onder andere pensioenuitvoeringsorganisaties, softwareleveranciers,accountants, IT-specialisten en andere betrokkenen. Dergelijke druk kanleiden tot onnodige fouten of onzorgvuldigheden, terwijl het van belang isdat voor alle partijen een zorgvuldige transitie mogelijk is. Zo kan hetbijvoorbeeld voorkomen dat pensioenuitvoeringsorganisaties bij bepaaldekeuzes de factor tijd als doorslaggevend beschouwen, wat niet inovereenstemming kan zijn met de inhoudelijke wensen en verplichtingenvoor de uitvoering van het nieuwe pensioencontract of waardoor dit ingevallen strijdig kan zijn met wettelijke bepalingen. Dit risico is ook in debehandeling van de Wtp in de Eerste Kamer uitvoerig voor het voetlichtgebracht. Om aan de zorgen van dit risico tegemoet te komen is in deplenaire behandeling door de Minister voor Armoedebeleid, Participatieen Pensioenen, toegezegd om in een separaat wetsvoorstel de transi-tiedata over te hevelen naar lagere regelgeving en de transitieperiodevervolgens daarin te zullen verlengen. Met dit wetsvoorstel wordt hierinvulling aan gegeven.5Doelen – zorgvuldige transitie en adequaat ingrijpen mogelijk makenDit wetsvoorstel heeft als doel om voor alle uitvoerende partijen eenzorgvuldige, beheerste transitie beter mogelijk te maken, door te regelendat de transitie, met in beginsel één jaar, wordt verlengd. Door detransitieperiode met één jaar te verlengen ontstaat er meer ruimte vooruitvoerende partijen om de werkzaamheden te spreiden, waardoor dedruk afneemt en een zorgvuldige transitie voor iedereen mogelijk is.Een tweede doel van dit wetsvoorstel is om ervoor te zorgen dat deregering tijdig kan ingrijpen wanneer een verdere verlenging van depensioentransitie onverhoopt noodzakelijk blijkt te zijn. Als zou blijken datde transitieperiode nogmaals verlengd moet worden, en de transitiepe-riode zou op dat moment alleen via een wetswijziging aangepast kunnenworden, kan onvoldoende snel (wettelijke) zekerheid worden geboden aanalle partijen. Dat kan leiden tot onwenselijke gevolgen voor uitvoerendepartijen en uiteindelijk burgers.6 Om dit te voorkomen wordt voorgesteldde verschillende transitiedata te verplaatsen van de verschillende wettennaar een algemene maatregel van bestuur (AMvB).Met de overheveling naar een algemene maatregel van bestuur is dewetgevingsprocedure korter, maar blijft wel een zorgvuldig procesgeborgd met onder meer besluitvorming in de ministerraad en adviseringdoor de Afdeling advisering van de Raad van State. Door dit in een AMvBonder te brengen kan beter worden ingespeeld op actuele ontwikkelingenen kan tijdig en adequaat worden ingegrepen als uit de monitoring van detransitie blijkt dat het extra jaar onvoldoende is gebleken om de transitiezorgvuldig te doorlopen. Bovendien blijven beide Kamers der Staten-Generaal betrokken bij de besluitvorming door middel van een voorhang-procedure.De transitieperiode en de uiterlijke datum waarop de verschillende fasesafgerond moeten zijn, zijn belangrijke data die eerder welbewust in de wetwaren opgenomen. Maar vanwege bovengenoemde argumenten is hetnoodzakelijk de datum over te hevelen naar een AMvB, aangezien bij5Handelingen I 2022–2023, nr. 32, item 3 – blz. 6 (T03632).6Als een pensioenregeling niet aan de wettelijke eisen voldoet kan dat tot fiscale gevolgenleiden. Vanaf een dag na de transitieperiode wordt de fiscale pensioenwetgeving in deopbouwfase gebaseerd op de premie-inleg, deze gaat niet langer uit van begrenzing op deopbouw. Als de pensioenregeling vanaf 1 januari 2027 (na verlenging van de transitieperiode1 januari 2028) niet voldoet aan de fiscale wetgeving, treedt de sanctiebepaling in werking. Datbetekent dat de waarde van de pensioenaanspraak in één keer progressief belast wordt via deloonbelasting.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 578, nr. 33 AMvB geen in de wet vastgestelde datum gewijzigd kan worden. Zoalshierboven genoemd blijven daarbij wel de nodige controles enwaarborgen van toepassing op de wetgevingsprocedure. Hiermee wordtook invulling gegeven aan de wens van de Eerste Kamer om tijdigebijsturing in het proces van de transitie mogelijk te maken.Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gaat de voortgangtijdens de transitieperiode op verschillende manieren volgen. Het gaatdan zowel om de wettelijke monitoring (zoals opgenomen in artikel XIVvan de Wet toekomst pensioenen), als het voeren van gesprekken metbetrokken uitvoeringspartijen, waaronder bestuurders en professionals, inen rondom de transitie. Ook is er een regeringscommissaris aangestelddie onafhankelijk advies uitbrengt aan de Minister voor Armoedebeleid,Participatie en Pensioenen over de voortgang van de transitie. Daarnaastjaagt de regeringscommissaris het delen van goede voorbeelden enkennisuitwisseling binnen de sector aan.Alternatieven – verlengen transitieperiode met één jaarVoor beide doelen zijn alternatieve maatregelen denkbaar. Zo zou hetbijvoorbeeld mogelijk zijn om de overgang van alle pensioenfondsen tereguleren en over de tijd evenwichtig te spreiden. Op die manier is voorafgegarandeerd dat er per jaar een maximaal aantal transities mogelijk is,waardoor er sprake is van spreiding van de werkzaamheden en debijbehorende belasting. Dit is echter niet haalbaar. Ten eerste verhoudt deregulering van het transitiemoment zich slecht tot de zelfstandige positieen verantwoordelijkheid van sociale partners en pensioenfondsen.Bovendien is er het risico dat het op voorhand moeilijk is aan te gevenwelke uitvoerders op welk moment over zouden kunnen. Dit is namelijkafhankelijk van wanneer de arbeidsvoorwaardelijke afspraken zijnafgerond, hoe de besluitvorming binnen het pensioenfonds verloopt enook hoe de pensioenuitvoeringsorganisatie de voorbereidingen treft. Dezeelementen hangen nauw met elkaar samen. Daarom is het noodzakelijkdat sociale partners en pensioenuitvoerders zelf het juiste moment vanovergang kunnen kiezen, binnen de totale transitieperiode. Dit alternatiefwordt om deze redenen niet voorgesteld.Een andere alternatieve maatregel is om de totale transitietermijn opvoorhand met een langere periode te verlengen, bijvoorbeeld twee jaar.Op die manier kunnen werkzaamheden nog meer gespreid worden,waardoor de kans op een overbelasting bij uitvoerende partijen afneemt.Op dit moment is er echter geen aanleiding om dit besluit te nemen.Sociale partners en pensioenfondsen zijn volop bezig met de implemen-tatie van de Wet toekomst pensioenen. Het is nog te vroeg om nuverdergaande stappen te zetten. Gedurende de monitoring zullen erweegmomenten7 plaatsvinden, op basis van de dan verzamelde infor-matie kan een besluit genomen worden over het al dan niet verlengen vande transitieperiode. Een nadeel van een langere transitieperiode is dat debaten van het nieuwe pensioenstelsel later tot uiting zullen komen en dater een langere periode is van mogelijke onduidelijkheid voor pensioen-deelnemers. Het is van belang om een balans te vinden tussen voldoenderuimte voor een zorgvuldige transitie en de wens om tot een nieuwpensioenstelsel te komen. Overigens is het goed om op te merken dat metde overheveling van de transitiedata naar lagere regelgeving de optievoor een langere transitieperiode mogelijk blijft, mochten omstandig-heden in de toekomst daar aanleiding toe geven. Om deze redenen wordtdit alternatief niet opgenomen in dit wetsvoorstel.7Handelingen I 2022–2023, nr. 32, item 3 – blz. 3–4 (T03630).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 578, nr. 34 Een andere alternatieve maatregel is om geen eindtijd te koppelen aan detransitieperiode. Feitelijk betekent dit dan dat het huidige pensioenstelselovereind wordt gehouden. Dit betekent dat er twee pensioenstelsels naastelkaar blijven bestaan. Dit maakt het pensioenstelsel complexer voor deburger, minder efficiënt in de uitvoering en complexer voor toezichthou-dende instanties. Ook kan het laten bestaan van verschillende regimesvoor pensioenuitvoerders nadelig uitpakken voor de toezichthoudendeinstanties. Dit alternatief wordt daarom niet voorgesteld met ditwetsvoorstel.VoorkeursoptieBovenstaande alternatieven afwegend is de voorkeursoptie om detransitieperiode voor pensioenuitvoerders met één jaar te verlengen, ende transitiedata te verplaatsen naar een AMvB. Dit geeft pensioenuitvoe-ringsorganisaties meer tijd om een zorgvuldige transitie door te maken.Ook maakt dit het mogelijk om in de toekomst sneller in te spelen op deactuele stand van de transitie in de sector, door wanneer dit nodig is desector meer tijd te geven. De noodzaak hiertoe kan blijken uit de weegmo-menten waarbij de stand van de transitie met betrekking tot de uitvoeringwordt opgemaakt. Hierbij wordt informatie uit de monitoring, signaleringen het advies van de regeringscommissaris meegenomen.8Tussenliggende mijlpalenHet verlengen van de einddatum met een jaar heeft als doel de uitvoeringmeer tijd te gunnen zodat in alle gevallen een zorgvuldige transitiemogelijk is. Daarbij is het noodzakelijk de bestaande tussentijdsemijlpalen ongewijzigd te laten. Immers alleen dan komt er ook echt meertijd voor de implementatie door de pensioenuitvoerders. Voorkomen moetworden dat de geboden extra tijd gebruikt wordt voor het arbeidsvoor-waardelijk proces of het proces van opdrachtaanvaarding. Na overleg metde sector is er ook geen noodzaak gebleken de huidige mijlpalen aan tepassen. Voor pensioenregelingen ondergebracht bij pensioenfondsenbetekent dit dat de arbeidsvoorwaardelijke fase uiterlijk op 1 januari 2025afgerond dient te zijn en het transitieplan gereed is. De mijlpaal voorpensioenfondsen om het implementatieplan en het invaarbesluit, en hetcommunicatieplan in te dienen bij de toezichthouders blijft staan op 1 juli2025. Daarna start de implementatiefase en deze wordt dus met één jaarverlengd. Dit biedt het voordeel dat hierdoor pensioenuitvoeringsorgani-saties meer tijd hebben om voorbereidingen te treffen voor de daadwer-kelijke overstap. Het verlengen van de arbeidsvoorwaardelijke fase zoujuist weer ten koste kunnen gaan van de voorbereidingstijd voorpensioenfondsen en pensioenuitvoeringsorganisaties. Op dit momentacht de regering het wenselijk om meer tijd te geven aan de uitvoering,daarmee is het mogelijk om in die fase spreiding van werkzaamheden terealiseren waardoor een zorgvuldige transitie mogelijk is voor iedereen.Zoals al eerder genoemd is er tot nu toe geen noodzaak om de huidigetussenliggende mijlpalen aan te passen. Dit geldt ook voor het aanpassenvan de uiterste transitiedatum. Dit laat onverlet dat toekomstige ontwikke-lingen nopen tot een aanpassingen van de mijlpalen of de einddatum. Ditzal dan het resultaat moeten zijn van ontwikkelingen in de pensioentran-sitie, die op basis van feitelijke informatie en het gesprek met de sector enrelevante betrokken partijen. Ook speelt het advies van de regeringscom-8Zie ook de Kamerbrief over het plan van aanpak van de monitoring, waarbij onder andereinformatie is te vinden over wat er gemonitord gaat worden, wanneer de weegmomentenplaatsvinden en wanneer de voortgangsbrieven gepland staan (Kamerstukken II 2022/23,36 067, nr. 191).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 578, nr. 35 missaris hier een belangrijke rol in. Als er in de toekomst besloten wordttot aanpassing van de tussenliggende termijnen of van de einddatum ishet van belang dat er een weging plaatsvindt tussen verschillendebelangen. Het gaat dan om zorgvuldigheid voor de uitvoering, duide-lijkheid voor pensioendeelnemers, maar ook bijvoorbeeld over de impactvoor Europese afspraken in het kader van het Herstel- en Veerkrachtplan.Zoals eerder genoemd, verloopt de transitie voor werkgevers die hunpensioenvoorziening hebben ondergebracht bij verzekeraars en premie-pensioeninstellingen anders. Voor hen geldt dat zij tot 3 maanden voorinwerkingtreding van een pensioencontract nog bestaande regelingenkunnen aanpassen naar het nieuwe kader. Dit is ook het moment dat hettransitieplan uiterlijk moet worden verstrekt aan de verzekeraar ofpremiepensioeninstelling en het implementatieplan definitief ingediendmoet zijn bij de toezichthouder. Een logische consequentie van hetverlengen van de transitietermijn is om de uiterlijke deadline voorverzekeraars en premiepensioeninstellingen te verleggen van 1 oktober2026 naar 1 oktober 2027.CompensatieperiodeIn dit wetsvoorstel wordt ook voorgesteld de einddatum van de compen-satieperiode over te hevelen naar lagere regelgeving. De regering isechter niet voornemens de compensatieperiode te verlengen. Met de Wettoekomst pensioenen is een compensatieperiode van maximaal dertien eneen half jaar geregeld. In deze periode is er een hogere fiscale premie-grens, ten behoeve van een compensatie uit de premie voor deafschaffing van de doorsneesystematiek. Deze fiscale faciliteit vervalt per1 januari 2037. Sociale partners kunnen afspraken maken over hoe zij decompensatieruimte binnen deze periode benutten, zij kunnen ook eenkortere duur kiezen, ze zijn niet gebonden aan het maximum. Hetverlengen van de transitie biedt nog steeds ruimte voor partijen omeerder over te stappen. De meeste pensioenfondsen varen naarverwachting voor of op 1 januari 2027 in, waarmee er nog een ruimecompensatieperiode van tien jaar overblijft. Daarnaast zouden er bij eenlangere compensatieperiode arbeidsmarkteffecten en budgettaire effectenzijn (naar huidige inzichten een lastenrelevante derving van € 269 miljoenper jaar verlenging van de extra fiscale ruimte).9 De compensatieperiodemet fiscale faciliteit blijft zoals gezegd maximaal dertien en een half jaar,ook wanneer de uiteindelijke transitiedatum wordt vastgesteld op1 januari 2028. De compensatieperiode met een hogere fiscale premie-grens geldt namelijk al vanaf 1 juli 2023. Wel biedt het overhevelen van deeinddatum van de compensatieperiode naar lagere regelgeving demogelijkheid om bijvoorbeeld bij een verdere verlenging van de transitie-periode ook de compensatieperiode te verlengen. Op het moment dat ditspeelt zal wel gewogen moeten worden wat de arbeidsmarkteffecten ende budgettaire derving hiervan zijn.Daarnaast zijn er nog twee bepalingen gekoppeld aan de einddatum van1 januari 2037. Ten eerste dat de omvang van een solidariteitsreserve ofrisicodelingsreserve maximaal 15% van het vermogen is, tussen hetmoment van invaren en deze einddatum mag de omvang groter zijn dan9Zie ook de ramingstoelichting bij de Wet toekomst pensioenen (bijlage bij Kamerstukken II2021/22, 36 067, nr. 5). De fiscale compensatieruimte kostte in de Wet toekomst pensioenen€ 236 miljoen per jaar. Dit was het gemiddelde effect over de periode 2023–2036, waarinverwerkt was dat in de eerste jaren nog niet volledig gebruik wordt gemaakt van de extrafiscale ruimte. Aan het einde van de compensatieperiode zal deze naar verwachting weloptimaal benut worden. Daarom is een jaar verlenging duurder dan de gemiddelde kosten overde reeds voorziene periode.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 578, nr. 36 15%. Ten tweede het fiscale aanpassingsmechanisme van de fiscaalmaximale premiegrens. In de Wet toekomst pensioenen is omwille vanduidelijkheid, zekerheid en stabiliteit vastgelegd dat de premiegrens inbeginsel pas direct na afloop van de compensatieperiode zal wordenaangepast aan veranderde rendementsverwachtingen. Er is verdervastgelegd dat alleen bij schokken als gevolg van aanpassingen in descenarioset van De Nederlandsche Bank (DNB) waardoor de premiegrensmeer dan 5%-punt zou stijgen of dalen, er tussentijds aanpassing plaatszal vinden. Dit betekent dat de premiegrens tot 2037 is vastgezet; alleen bijeen verschil van meer dan 5%-punt zal de premiegrens tijdens decompensatieperiode worden aangepast. Met dit wetsvoorstel wordtvoorgesteld dat deze data ook aangepast kunnen worden door middel vanlagere regelgeving, maar wordt niet voorgesteld om de compensatiepe-riode – om redenen zoals die hierboven uiteen zijn gezet – te verlengen.Fiscaal en overige dataDe Wtp bevat verschillende wijzigingen van de Wet inkomstenbelasting2001 en de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964) die in werkingtreden op een datum die is bepaald in het inwerkingtredingsbesluit van22 juni 2023 bij de Wtp.10 Ook deze data behoeven aanpassing en zullenworden gewijzigd door middel van een wijziging van genoemd inwerking-tredingsbesluit.Naast het verplaatsen van de transitiedata van wet naar een AMvB, bevathet wetsvoorstel ook een zeer beperkte wijziging ter verduidelijking (ziedaarvoor de artikelsgewijze toelichting op de wijziging van artikel 150qvan de Pensioenwet en het equivalent daarvan in de Wet verplichteberoepspensioenregeling (artikel 145p)).2. Gevolgen voor burgers, bedrijven en overheid RegeldrukEr worden geen additionele verplichtingen of handelingen voorgesteldvoor burgers, bedrijven en de overheid. Zodoende worden er geenregeldrukkosten verwacht, ook geen zogenoemde kennisname kosten. Hetwetsvoorstel is al aangekondigd tijdens de Kamerbehandeling bij de Wettoekomst pensioenen, ook gaat de pensioensector reeds uit van denieuwe einddatum van de pensioentransitie, die bij AMvB wordtvastgelegd. De regeldrukgevolgen van de pensioentransitie zijn altoegelicht in de memorie van toelichting bij de Wet toekomst pensioenen.Het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR) heeft dit wetsvoorstel danook niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het geen gevolgenvoor de regeldruk heeft.Andere gevolgen (privacy, doenvermogen, gendergelijkheid, mkb,enzovoorts)Met behulp van het Beleidskompas is bekeken welke verplichte gevolgen-beoordelingen (toetsen) voor dit voorstel van toepassing zijn.11 Omdat hetvoorstel geen gevolgen heeft voor bijvoorbeeld privacy, doenvermogen,gendergelijkheid of mkb-ondernemingen zijn verder geen toetsenuitgevoerd.10Stb. 2023, 218.11https://www.kcbr.nl/beleid-en-regelgeving-ontwikkelen/beleidskompas/4-wat-zijn-de-gevolgen-van-de-geschetste-opties/41-verplichte-toetsenwijzer.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 578, nr. 37 Reeds afgesproken middelen voor de rol van overheid- en zorgwerkgeverBij de Wet toekomst pensioenen is reeds afgesproken dat de regeringvanuit haar rol als overheid- en zorgwerkgever tijdelijk extra middelenheeft gereserveerd voor een eventuele tijdelijke premieverhoging tenbehoeve van compensatie. Het gaat hierbij om een gereserveerd bedragvan € 200 miljoen per jaar vanaf de overstap welke doorloopt parallel aande tijdelijke verruiming van de fiscale ruimte ten behoeve van compen-satie, voor een periode van 10 jaar. Daarbij kan op het moment vanoverstap naar het nieuwe pensioenstelsel, aan de hand van de daarbijbehorende relevante parameters, besloten worden of de gereserveerdebedragen toereikend zijn voor de beoogde compensatie.3. Consultatie en toetsen12 Over conceptversies van dit wetsvoorstel is commentaar en adviesingewonnen. Over de eerste conceptversie heeft vanaf 16 september 2023tot 7 oktober 2023 een internetconsultatie plaatsgevonden. De op dieversie ontvangen commentaren zijn verwoord in paragraaf 3.1. Daarbij isvermeld hoe met het betreffende commentaar is omgegaan.Gelijktijdig is het wetsvoorstel ter toetsing voorgelegd aan de AutoriteitToetsing Regeldruk (ATR), de AFM en DNB. Met de Belastingdienst isbesproken dat het wetsvoorstel niet getoetst hoeft te worden, maar dattoetsing plaatsvindt bij het besluit.Voor de ATR geldt – zoals hierboven al aangegeven – dat zij ditwetsvoorstel niet geselecteerd heeft voor een formeel advies, omdat hetgeen gevolgen voor de regeldruk heeft.DNB en AFM geven aan dat het wetsvoorstel geen aanleiding geeft tot hetmaken van inhoudelijke opmerkingen. DNB geeft aan begrip te hebbenvoor de voorgestelde aanpassing en acht het van belang dat de transitiezorgvuldig verloopt en dat de voortgang wordt behouden bij de voorbe-reiding en implementatie van de transitie.3.1 Verantwoording internetconsultatie Er zijn in totaal zeven reacties (waarvan twee niet openbaar) ontvangen.Drie reacties hebben geen betrekking op voorliggend wetsvoorstel, maargaan over de Wet toekomst pensioenen en de daarin vastgelegdepensioentransitie. In een niet openbare reactie geeft iemand aan het nieteens te zijn met de wijzigingen zoals vastgelegd in de Wet toekomstpensioenen. Dit wetsvoorstel past enkel de transitiedata aan en is terondersteuning voor een zorgvuldige transitie. In een andere niet openbarereactie wordt gevraagd of de verschuiving van de einddatum van depensioentransitie alleen geldt voor pensioenfondsen of ook voor anderepensioenuitvoerders. De verschuiving geldt voor alle pensioenuit-voerders. De uiterlijke deadline voor verzekeraars wordt ook met een jaaropgeschoven naar 1 oktober 2027. In een anonieme openbare reactiewordt gevraagd te reageren op een paper van auteurs Van Meerten enVlastuin.13 Daarin wordt specifiek aandacht gevraagd voor de Europees-rechtelijke aspecten van de pensioentransitie. In de memorie vantoelichting bij de Wet toekomst pensioenen (hoofdstuk 10), en gedurendede parlementaire behandeling (bijvoorbeeld bij de artikelsgewijzebehandeling) is al uitgebreid ingegaan op de Europeesrechtelijke aspectenvan de pensioentransitie. Dit wetsvoorstel past de pensioentransitie12Tevens ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer13https://papers.ssrn.com/sol3/papers.cfm?abstract_id=4190339.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 578, nr. 38 inhoudelijk niet aan. Nader ingaan op de Europeesrechtelijke aspectenvan de pensioentransitie is daarmee dan ook niet aan de orde.De Pensioenfederatie heeft geen opmerkingen bij het wetsvoorstel enonderschrijft de extra tijd voor de implementatie van het nieuwepensioenstelsel. De Pensioenfederatie geeft aan graag in gesprek teblijven met het Ministerie van SZW over de uiterste datum voor indieningvan het implementatieplan, gezien de voorgenomen verlenging van detransitieperiode tot 1 januari 2028. Bij de weegmomenten, zoals eerderbenoemd in de toelichting, zal ook gesproken worden met verschillendepensioenfondsen en de Pensioenfederatie. Daarmee zal het Ministerie vanSociale Zaken en Werkgelegenheid invulling geven aan het verzoek van dePensioenfederatie.De reactie op de overige drie reacties worden hieronder beschreven.Meer aandacht voor de transitietermijnenDe Vakcentrale voor Professionals (VCP) doet de suggestie om determijnen voor de arbeidsvoorwaardelijke fase extra onder de aandacht tebrengen, in het bijzonder onder ondernemingsraden daar waar zij gaanover de arbeidsvoorwaarde pensioen. De regering onderschrijft dezesuggestie. Een aantal groepen, zoals ondernemingsraden en kleinewerkgevers, is moeilijk te bereiken via de al bestaande communicatieka-nalen. In het najaar van 2023 is voor deze groepen geanalyseerd via welkeaanvullende communicatiekanalen zij te bereiken zijn, en welkeboodschap zich goed leent om hen te activeren. Daarnaast is het materiaalop werkenaanonspensioen.nl in die periode aangevuld met feitelijkeinformatie, interviews en video’s.Eenzelfde analyse is ook uitgevoerd voor HR-professionals; zij kunnen inhun advieswerk als belangrijke informatiebron dienen voor werkgevers,en zij kunnen daarvoor ook de informatie op werkenaanonspensioen.nlgebruiken.TransitiecommissieDe VCP verzoekt om de termijnen voor de transitiecommissie teverlengen. De termijnen van de transitiecommissie zijn niet vastgelegd inde wet maar in het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichteberoepspensioenregeling. Deze termijnen zijn afgestemd op de duur vande arbeidsvoorwaardelijke fase die op 1 januari 2025 afgerond dient tezijn. Deze termijn wordt niet aangepast met dit wetsvoorstel. Daarom ligthet niet in de rede de termijnen voor de transitiecommissie wel aan tepassen. Het doel is dat een sector bij de transitiecommissie achtereen-volgens een mediation traject kan doorlopen en indien noodzakelijk ookeen traject voor een bindende afspraak. Waarbij het haalbaar moet blijvenom voor 1 januari 2025 een pensioenovereenkomst te sluiten. In hetvoorstel van de VCP is dat niet mogelijk.Langere compensatieperiodeDe VCP, Willis Towers Watson (WTW) en het Verbond van Verzekeraarsverzoeken om de compensatieperiode te verlengen naar 2038. In dereacties worden verschillende manieren geopperd die mogelijk zoudenleiden tot minder budgettaire derving. In de kern komt het verzoek eropneer dat de budgettaire derving beperkt zou kunnen worden door eenbegrenzing op te leggen op het niveau van de pensioenuitvoerder/pensioenregeling (die zou dan maximaal 14 jaar compensatieruimtehebben). Dit is echter niet in lijn met hoe de huidige systematiek werkt. DeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 578, nr. 39 huidige systematiek gaat uit van een begrenzing op het niveau van dewerknemer. Een aanpassing naar het niveau van de pensioenregeling zouzeer ingrijpend zijn en leidt tot nieuwe uitvoeringstaken voor de Belasting-dienst. Zij zouden in dat geval moeten bijhouden wanneer een compensa-tieperiode aanvangt en wanneer deze eindigt. Als gelijktijdig ook fiscalebegrenzing op het niveau van de werknemer gehandhaafd moet wordenleidt het tot aanvullende lasten voor de Belastingdienst. Dit weegt niet optegen de mogelijk beperkte budgettaire derving die dan plaats zou vinden.Daarom is dit voorstel niet overgenomen en wordt de einddatum met ditwetsvoorstel niet aangepast.Wel is voorgesteld om ook deze data over te hevelen naar een algemenemaatregel van bestuur. Op die manier biedt het overhevelen van deeinddatum van de compensatieperiode naar lagere regelgeving demogelijkheid om bijvoorbeeld bij een verdere verlenging van de transitie-periode ook de compensatieperiode te verlengen.Tot slot heeft de VCP verzocht om de overige data gekoppeld aan 2037 teverleggen naar 2038. Het betreft de einddatum van de fiscale premiegrensen de einddatum van de tijdelijke maximale omvang van de solidariteits-reserve en risicodelingsreserve. Met de Wet toekomst pensioenen is depremiegrens tot 2037 vastgezet; en wordt alleen bij een verschil van meerdan 5%-punt de premiegrens tijdens de compensatieperiode aangepast.Het vastzetten tot 2038 zou daar niets aan veranderen aangezien hetmogelijk is dat een grote tussentijdse wijziging plaatsvindt. Voor desolidariteitsreserve en risicodelingsreserve geldt dat gekozen wordt voor2037 als einddatum omdat hiermee wordt aangesloten bij de andereeinddata. Dit biedt sociale partners en pensioenuitvoerders daarmee eeniets eenduidiger kader, in plaats van dat er veel verschillende data zijnwaar rekening mee gehouden zou moeten worden.Aanpassen mijlpalenWTW verzoekt tot slot om de mijlpalen voor het transitieplan (1 januari2025) en implementatieplan (1 juli 2025) op te schuiven. Ze onderkennenhet belang van een voortvarende transitie en dat het enkel opschuivenvan de einddatum meer tijd geeft voor de uitvoering. Tegelijkertijd menenze dat er voldoende belang is van alle partijen voor voortvarendebesluitvorming van sociale partners, waardoor het opschuiven van hetuiterste indieningsmoment niet zou afdoen aan de urgentie. Daarnaastbenoemen ze dat er daarmee meer tijd is om onduidelijkheden, ofonvolkomenheden in wet- en regelgeving weg te nemen.In de Wet toekomst pensioenen start de pensioentransitie met dearbeidsvoorwaardelijke fase. Sociale partners moeten afspraken makenover de gewijzigde pensioenregeling en de transitie. Bij het maken van dieafspraken zullen zij met elkaar moeten onderhandelen om tot eenpensioenregeling te komen en om af te spreken hoe zij de transitie willenvormgeven. Bij dergelijke onderhandelingen is het mogelijk dat partijenalle mogelijke tijd benutten om het resultaat binnen te halen dat zij zelfwenselijk achten. Het opschuiven van het uiterste indieningsmoment voorhet transitieplan kan dergelijk gedrag in de hand werken, terwijl dituiteindelijk niet ten goede komt van de uitvoering. Het is van belang omde onderhandelingen de ruimte te geven die zij nu wettelijk hebben,voordat in een vroeg stadium van de transitie al besloten wordt om meertijd te geven. Bovendien geven sociale partners en pensioenuitvoerders ingesprekken met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aante hechten aan de huidige mijlpalen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 578, nr. 310 Zodoende is er vooralsnog geen noodzaak om deze mijlpalen aan tepassen. Medio 2024 is er, in lijn met de afspraak met de Eerste Kamer, eenweegmoment waarbij zal worden gekeken naar de mijlpalen van detransitie. Met dit wetsvoorstel wordt een eventuele aanpassing op datmoment, of later in de transitie, makkelijker gemaakt.II. Artikelsgewijs Artikel IOnderdelen A, B, C, E, F, G, H, (artikelen 150f, 150n, 150p, 220e, 220g,220ha en 220i van de Pensioenwet)Voorgesteld wordt om de data of periodes die in deze artikelen wordengenoemd, te vervangen door verwijzingen naar een AMvB. In die AMvBzullen deze data of periodes, of eventueel aangepaste versies daarvan,worden opgenomen. Op die manier kunnen deze waar nodig makkelijkeren sneller worden aangepast, wat gewenst is met het oog op eenzorgvuldige transitie. Zie voor een verdere toelichting hierop hetalgemeen deel van de toelichting.Naar aanleiding van het advies van de Afdeling advisering van de Raadvan State wordt voorgesteld toe te voegen dat deze AMvB gedurende vierweken bij de Staten-Generaal wordt voorgehangen, voordat devoordracht voor deze AMvB wordt gedaan. Zie voor een verderetoelichting hierop het algemeen deel van de toelichting.Onderdeel D (artikel 150q van de Pensioenwet)De wijzigingen in het eerste, tweede en derde lid van dit artikel betreffen(verwijzingen naar) data die naar de AMvB worden verplaatst. Daarnaastis in het eerste lid een zin toegevoegd die verduidelijkt dat een fonds dateen overbruggingsplan wil indienen, dit meldt aan de toezichthouder.Aangezien de deadline voor het indienen van een overbruggingsplan lateris dan de deadline voor het indienen van een herstelplan, is deze meldingvoorgeschreven, zodat de toezichthouder ervan op de hoogte is dat eenoverbruggingsplan zal worden ingediend, en geen herstelplan. Degekozen datum van 1 april komt overeen met de datum voor het indienenvan het herstelplan op grond van artikel 138 van de Pensioenwet. In datartikel is bepaald dat een pensioenfonds binnen drie maanden (na depeildatum van 31 december, of zoveel eerder als de toezichthouderbepaalt) een herstelplan indient. Hoewel het ter verduidelijking dient, isdeze wijziging dus meer dan alleen het verplaatsen van de datum van wetnaar amvb.In het tweede lid is bovendien een zin aangepast over de situatie dat eenpensioenfonds voor het jaar 2023 een overbruggingsplan indient, terwijlhet pensioenfonds ook al een herstelplan voor 2023 heeft. Deze bepalingis nu breder getrokken en geldt niet meer specifiek alleen voor 2023, maarook voor andere jaren binnen de transitieperiode. Wanneer een fondstwee plannen in een jaar wil indienen, vervangt het overbruggingsplanhet herstelplan dat eerder dat jaar is ingediend. De wijzigingen in hetzevende lid zorgen ervoor dat er zonder jaartallen te noemen, wordtverwezen naar de jaren die nu in dat lid genoemd worden. Op die manieris er geen aanpassing van de wet meer nodig als er in de toekomst ietsgewijzigd wordt in de transitietermijnen.Ook hier wordt naar aanleiding van het advies van de Afdeling adviseringvan de Raad van State voorgesteld toe te voegen dat de in het eerste,tweede en derde lid genoemde AMvB gedurende vier weken bij deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 578, nr. 311 Staten-Generaal wordt voorgehangen, voordat de voordracht voor dezeAMvB wordt gedaan.Artikelen II en III (artikel 18a van de Wet op de loonbelasting1964 en artikel 39a van de Wet verplichte deelneming in eenbedrijfstakpensioenfonds 2000)Voorgesteld wordt om aan artikel 18a Wet LB 1964 een elfde lid toe tevoegen waarin de mogelijkheid wordt opgenomen om het tijdstip,genoemd in artikel 18a, zesde lid, Wet LB 1964, bij AMvB te vervangendoor een ander tijdstip. Het op de hiervoor beschreven wijze vervangenvan het tijdstip, genoemd in artikel 18a, zesde lid, Wet LB 1964, zal inbeginsel aan het begin van het kalenderjaar plaatsvinden na het kalen-derjaar waarin op grond van artikel 150f, eerste lid, onderdeel b, van dePensioenwet een tijdstip is gesteld.Ook hier wordt naar aanleiding van het advies van de Afdeling adviseringvan de Raad van State voorgesteld om toe te voegen dat deze AMvBgedurende vier weken bij de Staten-Generaal wordt voorgehangen,voordat de voordracht voor deze AMvB wordt gedaan.Artikel IVOnderdelen A, B, C, E, F, G, H (artikelen 145e, 145m, 145o, 214d, 214e,214fa, 214g van de Wet verplichte beroepspensioenregeling)Voorgesteld wordt om ook de data die in deze artikelen worden genoemd,te vervangen door een verwijzing naar een AMvB. Zie voor een verderetoelichting hierop het algemeen deel van de toelichting of de artikelsge-wijze toelichting bij artikel I. Ook hier wordt naar aanleiding van het adviesvan de Afdeling advisering van de Raad van State voorgesteld toe tevoegen dat deze AMvB gedurende vier weken bij de Staten-Generaalwordt voorgehangen, voordat de voordracht voor deze AMvB wordtgedaan.Onderdeel D (artikel 145p van de Wet verplichte beroepspensioenregeling)De wijzigingen in het eerste, tweede en derde lid van dit artikel betreffen(verwijzingen naar) data die naar de AMvB worden verplaatst. Daarnaastis in het eerste lid een zin toegevoegd die verduidelijkt dat een fonds dateen overbruggingsplan wil indienen, dit meldt aan de toezichthouder.Aangezien de deadline voor het indienen van een overbruggingsplan lateris dan de deadline voor het indienen van een herstelplan, is deze meldingvoorgeschreven, zodat de toezichthouder ervan op de hoogte is dat eenoverbruggingsplan zal worden ingediend, en geen herstelplan. Degekozen datum van 1 april komt overeen met de datum voor het indienenvan het herstelplan op grond van artikel 133 van de Wet verplichteberoepspensioenregeling. In dat artikel is bepaald dat een beroepspensi-oenfonds binnen drie maanden (na de peildatum van 31 december, ofzoveel eerder als de toezichthouder bepaalt) een herstelplan indient.In het tweede lid is bovendien een zin aangepast over de situatie dat eenberoepspensioenfonds voor het jaar 2023 een overbruggingsplan indient,terwijl het beroepspensioenfonds ook al een herstelplan voor 2023 heeft.Deze bepaling is nu breder getrokken en geldt niet meer specifiek alleenvoor 2023, maar ook voor andere jaren binnen de transitieperiode.Wanneer een fonds twee plannen in een jaar wil indienen, vervangt hetoverbruggingsplan het herstelplan dat eerder dat jaar is ingediend. Dewijzigingen in het zevende lid zorgen ervoor dat er zonder jaartallen tenoemen, wordt verwezen naar de jaren die nu in dat lid genoemd worden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 578, nr. 312 Op die manier is er geen aanpassing van de wet meer nodig als er in detoekomst iets gewijzigd wordt in de transitietermijnen.Ook hier wordt naar aanleiding van het advies van de Afdeling adviseringvan de Raad van State voorgesteld toe te voegen dat de in het eerste,tweede en derde lid genoemde AMvB gedurende vier weken bij deStaten-Generaal wordt voorgehangen, voordat de voordracht voor dezeAMvB wordt gedaan.Artikel V (artikel XIV van de Wet toekomst pensioenen)Voorgesteld wordt de periode die in artikel XIV, eerste lid, onderdeel c,van de Wet toekomst pensioenen werd genoemd, te vervangen door eenperiode die samenhangt met het moment waarop de compensatieperiodeeindigt. Op die manier wordt aangesloten bij artikel XIV, eerste lid,onderdelen a en b, van de Wet toekomst pensioenen en beweegt ditonderdeel mee met een eventuele wijziging van het einde van decompensatieperiode.ARTIKEL VIDit artikel regelt de inwerkingtreding van deze wijzigingswet. De datumvan inwerkingtreding zal worden bepaald bij koninklijk besluit en zalgelijktijdig zijn met de inwerkingtreding van de AMvB die de nieuwe databevat.Deze toelichting wordt gegeven mede namens de Staatssecretaris vanFinanciën.De Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen,C.J. SchoutenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 578, nr. 313
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.