Voortgangsbrief werken met en als zelfstandige(n)
Brontekst
Versie 9d34ebd45f6898a6 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202631 311Zelfstandig ondernemerschapNr. 295 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELE-GENHEID EN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 10 december 2025Het kabinet wil de balans op de arbeidsmarkt herstellen en zorgen vooreen toekomstbestendige manier van werken met en als zelfstandige(n).Enerzijds zodat zelfstandig ondernemers de ruimte en vrijheid houden omte ondernemen, anderzijds om ongewenste effecten van de jarenlangegroei van het aantal schijnzelfstandigen1 tegen te gaan.De Nederlandse economie is gebaat bij een gezond ondernemersklimaat,waar de bijdrage en unieke eigenschappen van zelfstandigen niet weg tedenken zijn. Zelfstandig ondernemers kiezen hier bovendien vaak heelbewust voor: met regie over het eigen werk, de manier waarop ze dataanpakken en door zich ook op die manier te presenteren. Dat geeft henvrijheid en flexibiliteit, waar onder werkenden veel behoefte aan is.Daarnaast voegen zelfstandigen unieke kennis toe aan organisaties die zijzelf niet in huis hebben en leveren zij op die manier een belangrijkebijdrage aan innovatie en economische groei.Met deze voortgangsbrief komen wij onze toezegging na aan het lidYesilgöz (VVD), gedaan tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen, omde Kamer te informeren over de laatste stand van zaken van het beleid datraakt aan zelfstandigen. Hierover voeren wij regelmatig gesprekken metsociale partners, waaronder zelfstandigenorganisaties, en uiteraard ookmet uw Kamer. Dit past in het voornemen van het kabinet om de Kamerperiodiek te informeren over de voortgang van dit beleid. Net als uwKamer wil het kabinet zorgen voor meer zekerheid, duidelijkheid en rustonder zelfstandigen en situaties van schijnzelfstandigheid voorkomen.Daar zijn zowel zelfstandigen als opdrachtgevers bij gebaat. Daarom wilhet kabinet samen met uw Kamer werken aan oplossingen die daar aanbijdragen.1Een schijnzelfstandige is iemand die in een arbeidsrelatie werkt als zelfstandige, maar volgenshet arbeidsrecht, socialezekerheidsrecht en de fiscaliteit een werknemer is. kst-31311-295ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 311, nr. 2951 Brede aanpak langs drie lijnenHet kabinet werkt aan oplossingen langs drie lijnen: zorgen voor eengelijker speelveld tussen contractvormen (lijn 1), meer duidelijkheidwanneer gewerkt wordt als werknemer of zelfstandige (lijn 2) en verbe-tering van de handhaving op schijnzelfstandigheid (lijn 3).Deze brede aanpak, inclusief de probleemanalyse die daaraan tengrondslag ligt, is uitgebreid beschreven in diverse voortgangsbrieven2 3en vormt ook de structuur van deze brief.In deze voortgangsbrief informeren wij – de Minister van Sociale Zaken enWerkgelegenheid en de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit,Belastingdienst en Douane, mede namens de Minister van EconomischeZaken – u over de maatregelen die samenhangen met de genoemdeaanpak. Het betreft onder meer de stand van zaken van de wetgevingstra-jecten basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen (BAZ) enverduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Vbar),een update van de activiteiten op het gebied van communicatie envoorlichting, de voortgang van de handhaving op schijnzelfstandigheid eninzicht in de effecten op de arbeidsmarkt.Daarnaast gaan wij in op diverse moties en toezeggingen, waaronder diegericht op het zo snel mogelijk (maar uiterlijk per 1 januari 2026) terug-dringen van schijnzelfstandigheid binnen de rijksoverheid naar nul en ophet bevorderen van goed werkgeverschap in sectoren waar relatief veelschijnzelfstandigen werkzaam zijn.In algemene zin merkt het kabinet op dat veel betrokkenen in diversesectoren hard bezig zijn om hun werkwijze aan te passen om te werkenconform wet- en regelgeving. Er wordt actief nagedacht over het aangaanvan de juiste arbeidsrelatie – in aanloop naar, maar ook sinds de opheffingvan het handhavingsmoratorium per 1 januari 2025.Wij blijven ons inzetten om voorlichting te geven aan werkgevenden enwerkenden, omdat deze overgang niet altijd eenvoudig is. Bijvoorbeeldvoor de bedrijfsvoering in situaties van schijnzelfstandigheid of omdat er(tijdelijk) onnodige terughoudendheid kan bestaan onder werkgevendenom zelfstandigen in te huren. In lijn met de moties van de leden Vermeeren Rikkers-Oosterkamp4 (BBB) en Aartsen (VVD) c.s.5 zijn we daarombezig om de ingezette communicatie-activiteiten verder te verbeteren, enop die manier meer duidelijkheid te verschaffen aan zelfstandigen enopdrachtgevers. Dit doen we ook in de vele gesprekken die wij, SZW ende Belastingdienst samen, door het hele land voeren met brancheorgani-saties en opdrachtgevers. Daarbij benadrukken we tevens de meerwaardedie zelfstandig ondernemers te bieden hebben voor onze economie, enook hoe nog wél met en als zelfstandige(n) gewerkt kan worden, maar ookwanneer er wel sprake is van een arbeidsovereenkomst.Zelfstandigen leveren een belangrijke bijdrage aan onze economie.Daarom blijven we werken aan meer duidelijkheid voor zowel zelfstan-digen als opdrachtgevers en zetten we ons waar mogelijk in voor eenbeter ondernemersklimaat. In dat kader werkt het kabinet tevens aan eenproductiviteitsagenda6 om de productiviteit in Nederland te versterken.Hierin is o.a. een verkenning aangekondigd naar de mogelijkheden om2Kamerstukken II, 31 311, nr. 246 (2022), nr. 263 (2024), nr. 281 (2025).3Kamerstukken II, 29 544, nr. 1198 (2023).4Kamerstukken II, 2025/2026, 29 544, nr. 1294.5Kamerstukken II, 2024/2025, 31 311, nr. 283.6Kamerstukken II, 2025/2026, 29 544, nr. 1287.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 311, nr. 2952 ondernemend gedrag te stimuleren en faciliteren, zodat zelfstandigondernemers productiever worden.Deze verkenning wordt in 2026 opgeleverd. Dit past in de brederekabinetsaanpak om werken met zelfstandigen toekomstbestendiger temaken en schijnzelfstandigheid tegen te gaan.1. Gelijker speelveld en betere balans arbeidsmarkt De ongelijke behandeling van verschillende contractvormen binnen hetarbeidsrecht, de sociale zekerheid en fiscaliteit kan leiden tot oneigenlijkeprikkels op de arbeidsmarkt. Dit doet zich bijvoorbeeld voor wanneerwerkenden of werkgevenden – afhankelijk van hun positie – ervoor kiezenom werkzaamheden buiten dienstbetrekking te verrichten of te latenverrichten, louter vanwege financiële of fiscale prikkels op de kortetermijn, terwijl er volgens de arbeidsrechtelijke criteria feitelijk sprake isvan een arbeidsovereenkomst. Daarom werkt het kabinet aan een gelijkerspeelveld tussen contractvormen. Er zullen echter altijd verschillen in debehandeling van werknemers en zelfstandigen blijven bestaan.Daarnaast wordt onder een gelijker speelveld ook de vertegenwoordigingvan zelfstandigen binnen de sociale partners verstaan. Sinds 1 januari2023 zijn er drie extra zetels voor zelfstandigen in de Sociaal-EconomischeRaad (SER), op advies van de SER. De veranderende arbeidsmarkt zorgtervoor dat zij hun stem duidelijk moeten kunnen laten horen, over de veleonderwerpen die ook hen aangaan. Denk aan de hervorming van dearbeidsmarkt, de aanpak rond leven lang ontwikkelen en de arbeidsonge-schiktheidsverzekering voor zelfstandigen. Zoals in eerdere Kamerbrievenis beschreven, blijft het kabinet zich inzetten voor een stevige vertegen-woordiging van zelfstandigen binnen de polder. Mede naar aanleiding vande motie Smals (VVD)7 c.s. die het kabinet verzocht zich hiervoor in tespannen. Ook na de eerdere uitbreiding van het aantal zetels in de SER.Die grotere betrokkenheid in de SER leidt ertoe dat het perspectief vanuitzelfstandigen meer wordt meegewogen in beleidsvorming.1.1 Wetsvoorstel Basisverzekering Arbeidsongeschiktheid Zelfstandigen(BAZ) Met een verplichte verzekering tegen het risico op inkomensverlies doorarbeidsongeschiktheid wordt een gelijker speelveld bereikt tussenzelfstandigen onderling en tussen zelfstandigen en werknemers. Dieverplichting wordt geregeld met het wetsvoorstel Wet Basisverzekeringarbeidsongeschiktheid zelfstandigen. Uw Kamer is recent geïnformeerdover de voortgang van dit wetsvoorstel.8 Het wetsvoorstel ligt op ditmoment voor advies bij de Afdeling advisering van de Raad van State.Vervolgens hoopt het kabinet het wetsvoorstel in samenwerking met uwKamer zo spoedig mogelijk te kunnen behandelen.Het wetsvoorstel is onderdeel van het Nederlandse Herstel- enVeerkrachtplan (HVP). Per 31 augustus 2026 moeten alle mijlpalen zijnbehaald. Gezien de status van het wetgevingstraject is er een aanzienlijkrisico dat afronding van de twee op de wet betrekking hebbende mijlpalenniet voor het eind van augustus 2026 zal zijn behaald.97Kamerstukken II, 2021/2022, 29 544, nr. 1096.8Kamerstukken II, 2024/2025, 31 311, nr. 292.9De twee mijlpalen betreffen de publicatie van de wet in het Staatsblad en een Kamerbrief overde voortgang van implementatie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 311, nr. 2953 Als deze mijlpalen niet voor 31 augustus 2026 zijn afgerond, heeft ditfinanciële gevolgen in de vorm van een substantiële korting op de teontvangen middelen (in totaal mogelijk 1,2 mld. euro). Op 4 november jl.is uw Kamer door de Minister van Financiën geïnformeerd over devoortgang van de implementatie van het Nederlandse HVP.101.2 Verkleinen fiscale verschillen Om een gelijker speelveld tussen werknemers en zelfstandigen tebereiken, treft het kabinet ook fiscale maatregelen. Het gaat hierbij om de(versnelde) afbouw van de zelfstandigenaftrek, uitfasering van de fiscaleoudedagsreserve (FOR) en de fiscale verruiming opbouw derde pensioen-pijler. Daarnaast draagt de verlaging van de MKB-winstvrijstelling naar13,31% in 2024 en 12,7% in 2025 ook bij aan het creëren van een gelijkerspeelveld. Over deze maatregelen bent u onder andere in de Kamerbriefvan 6 september 2024 geïnformeerd.112. Meer duidelijkheid over de beoordeling van arbeidsrelaties Het kabinet wil de regelgeving rondom de beoordeling van arbeidsrelatiesverduidelijken en het grijze gebied (daar waar deze bestaat) tussenwerknemers en zelfstandigen op die manier verkleinen. Doel hiervan is deduidelijkheid te vergroten voor werkenden, werkgevenden, uitvoeringsor-ganisaties en rechtspraak. Dit is niet alleen gericht op het bieden vanbescherming van diegenen die daarop recht hebben en het zorgen voorde juiste plichten wanneer sprake is van loondienst, maar ook omzelfstandigen meer duidelijkheid te geven over de ruimte om te onder-nemen. Verduidelijking (codificatie van de jurisprudentie) moet het voorde markt, de uitvoeringsorganisaties en de rechtspraak inzichtelijkermaken wanneer als zelfstandige of werknemer wordt gewerkt. Daarmeewil het kabinet bevorderen dat de wijze van beoordeling van arbeidsre-laties consistent is. Onderdeel hiervan zijn ook de activiteiten op hetgebied van communicatie en voorlichting.2.1 Wetsvoorstel verduidelijking beoordeling arbeidsrelatie en rechtsver-moeden (Vbar) De wettelijke norm om werknemers van zelfstandigen te onderscheiden iseen open norm die door rechterlijke uitspraken (jurisprudentie) isingekleurd. Met het wetsvoorstel Vbar worden indicaties in de wetverankerd aan de hand van twee hoofdelementen: 1) werkinhoudelijke enorganisatorische sturing en 2) werken voor eigen rekening en risico.Daarnaast wordt met het wetsvoorstel een rechtsvermoeden van eenarbeidsovereenkomst, gekoppeld aan een uurtarief, geïntroduceerd.Hiermee moet duidelijker worden wanneer iemand werknemer is enwanneer werk gedaan kan worden als zelfstandige.Het wetsvoorstel is op 7 juli 2025 naar de Tweede Kamer gestuurd. Op8 oktober 2025 is door uw Kamer inbreng geleverd op het wetsvoorstel.Het kabinet streeft ernaar de beantwoording van uw vragen zo spoedigmogelijk naar de Kamer te sturen, zodat uw Kamer kan besluiten over hetverdere verloop van het wetsvoorstel. Daarnaast liep de consultatiepe-riode voor de bijbehorende AMvB af op 13 oktober jl.10https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2025/11/04/voortgang-implementatie-herstel-en-veerkrachtplan11Kamerstukken II 2023/2024, 31 311, nr. 263.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 311, nr. 2954 Het wetsvoorstel Vbar is onderdeel van het Nederlandse HVP. Het kabinetis voornemens om voor het einde van dit jaar een wijzigingsverzoek in tedienen bij de Europese Commissie. Daarin wordt voorgesteld om de wetVbar te verplaatsen naar het vijfde betaalverzoek, waarvoor indieninggepland staat in 2026. De Minister van Financiën heeft u hierover op4 november jl. geïnformeerd.Zoals bekend is de Herstel- en Veerkrachtfaciliteit (HVF) eindig: per eindaugustus 2026 moeten alle mijlpalen zijn behaald. Dit betekent dat de WetVbar op zijn laatst op 31 augustus 2026 gepubliceerd moet zijn in hetStaatsblad om een korting (oplopend tot € 600 miljoen) te vermijden.Spoedige parlementaire behandeling is daarom van groot belang.Het kabinet heeft daarnaast met interesse kennisgenomen van hetinitiatiefwetsvoorstel waar diverse partijen (VVD, D66, CDA en SGP) uit deTweede Kamer aan werken. Beide voorstellen hebben het doel om meerduidelijkheid te bieden over het werken met en als zelfstandige(n), iedermet een andere insteek. Het kabinet heeft veel waardering voor dehoeveelheid werk en tijd die Kamerleden aan dit initiatiefvoorstelbesteden. Ook onderschrijft het kabinet het doel van de initiatiefnemers:zorgen voor meer rust en zekerheid onder zowel zelfstandigen enopdrachtgevers, als werknemers en werkgevers. Daarom streeft hetkabinet ernaar om in gezamenlijkheid met uw Kamer te bezien hoe wedaar het beste voor kunnen zorgen. Wel verkeert het initiatiefvoorstel zichnog in een ander stadium, waarbij een aantal inhoudelijke keuzes nogwordt opengelaten en ook de gevolgen voor de uitvoering nog in kaartgebracht moeten worden. Zoals ook is toegezegd aan het lid Yesilgöz(VVD) tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen is het kabinet ingesprek gegaan met de initiatiefnemers. Met hen heeft het kabinet eerderreeds gesprekken gevoerd, en breder met uw Kamer, maar daar gaat hetkabinet vanzelfsprekend mee door nu het wetsvoorstel in de TweedeKamer ligt. Indien het huidige wetsvoorstel Vbar wordt aangepast, is hetmet het oog op de uitvoering van belang dat de uitvoeringsgevolgen inkaart worden gebracht.2.2 Voortgang communicatie-activiteiten In de laatste voortgangsbrief van 27 maart 202512 heeft het kabinet uwKamer geïnformeerd over de voortgang van de communicatie-activiteitenen de plannen voor de voortzetting van de publiekscampagne «ZZP ja ofnee», in vervolg op de communicatie-activiteiten die in 2024 plaats-vonden. Deze campagne heeft tot doel om (potentiële) zelfstandigen enopdrachtgevers bewust te maken van wanneer gewerkt kan worden metof als zelfstandige(n), en wanneer sprake is van schijnzelfstandigheid. Ookwordt handelingsperspectief geboden wanneer sprake is van schijnzelf-standigheid. De campagne bestaat onder meer uit advertenties op socialemedia, radiospotjes bij radiozenders en podcasts, en het plaatsen vanartikelen op nieuwssites. De waarde van goede en eenduidige overheids-communicatie over dit onderwerp wordt eens te meer benadrukt door desoms foutieve of door commerciële belangen gedreven berichten vanderden. Bijvoorbeeld door met advertenties of via sociale media tesuggereren dat juridische constructies het risico op schijnzelfstandigheidkunnen wegnemen.De doelgroep van de campagne wordt steeds doorverwezen naar deoverheidswebsite «hetjuistecontract.nl», waar alle informatie overzich-telijk is weergegeven. De website is geoptimaliseerd met een handzaamstappenplan. Op deze website zijn ook praktijkvoorbeelden uit verschil-12Kamerstukken II, 2024/2025, 31 311, nr. 281.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 311, nr. 2955 lende sectoren toegevoegd, worden veel gestelde vragen beantwoord enstaat een verwijzing naar de webmodule beoordeling arbeidsrelaties. Decampagne zal achteraf onafhankelijk worden geëvalueerd, ook omtoekomstige campagnes verder te verbeteren. Dit is tevens in lijn met deeerdergenoemde motie van de leden Vermeer en Rikkers-Oosterkamp.Het eerste gedeelte van de meest recente campagne liep van 25 augustustot 21 september 2025. Het tweede gedeelte zal van 24 november tot21 december 2025 plaatsvinden. In de communicatie wordt niet enkelgewezen op de risico’s van schijnzelfstandigheid. Conform de motieAartsen (VVD) c.s.13 heeft het kabinet ook aandacht voor wanneer wél alszelfstandige gewerkt kan worden. Ook in gesprekken met de markt, bijvoorlichtingsbijeenkomsten en webinars is er vanuit het Ministerie vanSZW en de Belastingdienst enerzijds aandacht voor de risico’s vanschijnzelfstandigheid en anderzijds voor wat wél kan als zelfstandige, omonnodige terughoudendheid bij opdrachtgevers te voorkomen.Zelfstandigenorganisaties pleiten er in dat kader eveneens voor omduidelijker te maken wanneer wel met zelfstandigen kan worden gewerkt.Hier wordt bij de evaluatie en verdere verbeteringen rekening meegehouden. Ook na 1 januari 2026 zullen het Ministerie van SZW en deBelastingdienst voorlichting blijven geven. Daarbij kunnen ook praktijk-voorbeelden worden toegevoegd aan hetjuistecontract.nl.2.3 Gebruik en ontwikkeling webmodule beoordeling arbeidsrelatie In de vorige voortgangsbrief is aangegeven dat er sinds de zomer van2024 een duidelijke stijging was te zien in het gebruik van de webmodule,waarbij uit de cijfers bleek dat met name in november en december 2024een flinke toename in het gebruik werd geconstateerd.Over de periode januari 2025 tot en met juli 2025 is het gebruik van dewebmodule afgenomen. Er zijn diverse verklaringen mogelijk voor detoename in het gebruik aan het einde van vorig jaar. Het zou kunnen datwerkgevenden en werkenden zich in aanloop naar de opheffing van hethandhavingsmoratorium extra hebben afgevraagd of een bestaandearbeidsrelatie met of door een zelfstandige kon worden uitgevoerd of niet.Mogelijk dat de huidige gebruikers vooral nieuwe arbeidsrelaties willentoetsen.Uit de cijfers over de maanden januari 2025 tot en met juli 2025 blijkt datde daling in het aandeel «indicaties dat er mogelijk sprake is van een(fictieve) dienstbetrekking» zich verder doorzet (van 36,7% in december2024 naar 32,7% in april 2025 tot 24,2% in juli 2025). Tegelijkertijd is hetaandeel «indicatie geen dienstbetrekking» toegenomen (van 30,5% indecember 2024, naar 36,5% in april 2025 tot 48,1% in juli 2025). Hetaandeel «geen oordeel mogelijk» is verder gedaald (van 32,8% indecember 2024 naar 30,8% in april 2025 tot 27,7% in juli 2025).De precieze redenen van deze verschuivingen zijn niet direct aan te geven,maar bij onderzoek naar mogelijke verbeteringen zal het verlagen van hetaandeel «geen oordeel mogelijk» worden meegenomen.Ook in de afgelopen maanden zijn gebruikers die de vragenlijst in dewebmodule hebben afgerond, gevraagd of zij wilden meewerken aan eenkorte enquête over hun ervaringen met het gebruik van de webmodule.De webmodule kan door alle sectoren worden gebruikt. In de enquêtewordt uitgevraagd in welke sector de werkgevende actief is. Uit deantwoorden blijkt dat de webmodule door gebruikers uit veel verschil-13Kamerstukken II, 2024/2025, 31 311, nr. 283.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 311, nr. 2956 lende sectoren wordt gebruikt. Daarmee wordt de webmodule dus ingezetin diverse sectoren en kom ik tegemoet aan eerdere moties en toezeg-gingen over het gebruik van de webmodule in bepaalde sectoren14 15.Uit de enquête blijkt ook dat in zijn algemeenheid een groot aandeel vande gebruikers positief is over de webmodule. Zo geeft 90,2% een cijfer 6of hoger, en 41,7% geeft een cijfer 8 of hoger. Desalniettemin blijvenverbeteringen mogelijk. In de brief van 27 maart 2025 is een aantalmogelijke verbeteringen benoemd. Het onderzoek naar deze mogelijkeverbeteringen zal worden meegenomen in de aanpassingen die nodigzullen zijn vanwege het wetsvoorstel Vbar, waarmee tevens tegemoetgekomen wordt aan een eerdere motie hierover van het lid Tielen (VVD)16.Bij de ontwikkeling van de webmodule is, conform de toezegging in debrief van 20 september 2021, ook gesproken met vertegenwoordigers vande tussenkomstbranche om de mogelijkheid van een webmodule teontwikkelen gericht op situaties van tussenkomst. De branche heeftdestijds laten weten eerst te willen wachten op nieuwe wet- en regel-geving op het terrein van onderscheid tussen werknemers en zelfstan-digen. Nu het wetsvoorstel Vbar bij uw Kamer is ingediend, zal het kabinethet gesprek over een webmodule voor tussenkomst weer gaan opstarten.3. Betere handhaving op schijnzelfstandigheid 3.1 Handhaving op schijnzelfstandigheid door de Belastingdienst Sinds 1 januari 2025 handhaaft de Belastingdienst weer volledig opschijnzelfstandigheid. De handhaving is gebaseerd op de algemeneUitvoerings- en Handhavingsstrategie van de Belastingdienst en hethandhavingsplan arbeidsrelaties 202517. Daarbij is er inzet van een breedpalet aan handhavingsinstrumenten. Deze instrumenten worden ingezetom de «compliance»18 te bevorderen, lopend van het geven vanvoorlichting tot het doen van opsporing. Het doel van de strategie is datzoveel mogelijk burgers en bedrijven uit zichzelf regels naleven, zonderdwingende en kostbare acties van de zijde van de Belastingdienst.Dit sluit aan bij de oproep uit de Kamerbrief van 16 december 2022 waarinhet kabinet een beroep doet op de gedeelde verantwoordelijkheid vanwerkgevenden en werkenden ten aanzien van de juiste kwalificatie van dearbeidsrelatie.In aanloop naar het opheffen van het handhavingsmoratorium voor deloonheffingen is door de Belastingdienst, in samenwerking met hetMinisterie van SZW, veel capaciteit ingezet op het geven van voorlichtingen het creëren van bewustwording om de compliance te bevorderen. Erzijn o.a. informatieve bijeenkomsten georganiseerd. Denk hierbij aanfysieke bijeenkomsten, webinars en branche specifieke overleggen. Dezevinden vaak plaats via branche- en koepelorganisaties, zodat zoveelmogelijk opdrachtgevers en werkenden kunnen worden bereikt. Het doelvan deze voorlichting is om burgers en bedrijven voldoende informatie tegeven over de wijze waarop beoordeeld moet worden wat de juistekwalificatie van de arbeidsrelatie is. Wat we tot nu toe zien, stemt ons zeerpositief. Veel organisaties zijn actief aan de slag gegaan met de kwalifi-14Kamerstukken II, 2021/2022, 29 544, nr. 1078.15Toezeggingen 4397 en 4254 om gebruik in zorg en cultuursector na te gaan.16Kamerstukken II, 2019/2020, 35 300 XV, nr. 38.17https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/bldcontentnl/themaoverstijgend/brochures_en_publicaties/handhavingsplan-arbeidsrelatie18Compliance staat voor gedrag dat conform de regels is. De Belastingdienst stemt zijninstrumenten af op de bereidheid en het vermogen van burgers en bedrijven om aan (fiscale)regels te voldoen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 311, nr. 2957 catie van de arbeidsrelatie. We zien dat een deel van de markt verantwoor-delijkheid neemt en de bedrijfsvoering in lijn brengt met wet- en regel-geving. Samen zetten we de schouders eronder en dat verdientwaardering.Zoals beschreven in het handhavingsplan 2025 is de praktijkervaring dateen onjuiste kwalificatie van arbeidsrelaties in alle branches en sectorenvoorkomt. De Belastingdienst handhaaft risicogericht. In de afgelopenperiode zijn uiteenlopende organisaties uit bijvoorbeeld de sectorenarbeidsbemiddeling, bouw, handel en industrie, onderwijs, overheid enzorg bezocht.Zachte landing 2025Op verzoek van de Tweede Kamer (naar aanleiding van de motie Aartsen(VVD) c.s.19) geldt voor 2025 een zachte landing. Dit houdt o.a. in dattoezicht in principe begint met een bedrijfsbezoek. Tijdens het bezoekbespreekt de inspecteur de inhuur van zelfstandigen, maar doet nog geencontrole. Op deze wijze krijgen organisaties de ruimte om het goed tedoen en zich te houden aan de wet- en regelgeving. Het bedrijfsbezoekkan een vervolg krijgen in de vorm van een boekenonderzoek. Bijvoor-beeld indien er significante risico’s op schijnzelfstandigheid wordenvastgesteld. In enkele gevallen kan schijnzelfstandigheid direct via eenboekenonderzoek aan de orde komen, bijvoorbeeld bij concrete risicosig-nalen die duiden op evidente schijnzelfstandigheid of als er bij controle opeen ander belastingmiddel, bijvoorbeeld BTW, door de inspecteurschijnzelfstandigheid wordt geconstateerd. Ook de afgelopen jarenhebben boekenonderzoeken plaatsgevonden.Vanaf 1 januari 2025 kan de Belastingdienst met terugwerkende kracht tot1 januari 2025 correctieverplichtingen en naheffingsaanslagen loonhef-fingen opleggen als tijdens het boekenonderzoek schijnzelfstandigheidwordt vastgesteld. Alleen als sprake is van kwaadwillendheid of het nietopvolgen van een eerdere aanwijzing, kan hiervan worden afgeweken. DeBelastingdienst kan in deze situaties tot 5 jaar terug naheffingsaanslagenloonheffingen opleggen, dus ook voor 1 januari 2025. Als onderdeel vande zachte landing legt de Belastingdienst over 2025 geen boetes op. Ditgeldt voor zowel de opdrachtgever als de opdrachtnemer. In 2030 kan deBelastingdienst weer tot 5 jaar terug correctieverplichtingen en nahef-fingsaanslagen opleggen.Door dit ingroeimodel worden de financiële risico’s van een eventuelecorrectieverplichting of naheffing loonheffingen elk jaar groter.Met ingang van 1 januari 2026 vervalt de zachte landing20. Dat is in lijnmet het eerder aangekondigde tijdspad. Dit betekent dat er weer boeteskunnen worden opgelegd. Daarnaast vervallen de uitgangspunten dat deBelastingdienst in beginsel start met een bedrijfsbezoek en in beginselkiest voor een onderzoek van het meest recente aangiftetijdvak.Het aanpakken van schijnzelfstandigheid is cruciaal. Dat gaat om meerdan tegengaan van uitbuiting en misbruik. Werk moet gedaan wordenconform het juiste contract. Mensen op de juiste plek, op het juistecontract met de juiste rechten en plichten. Daarmee pakken we ookoneerlijke concurrentie op arbeidsvoorwaarden aan, zowel tussenwerkenden als werkgevenden, zorgen we voor meer solidariteit op dewerkvloer als het gaat om werkdruk en voorkomen we dat de druk op het19Kamerstukken II, 2024/2025, 31 311, nr. 264.20Kamerstukken II, 2025/2026, 31 311, nr. 294.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 311, nr. 2958 sociale en fiscale stelsel verder toeneemt. Hiermee wordt ook oneerlijkeconcurrentie tussen bedrijven onderling aangepakt.Daarnaast is van belang dat de markt voldoende de tijd heeft gehad omzich op de opheffing van het handhavingsmoratorium voor te bereiden.We zien veel beweging van organisaties die zich inspannen om het echtgoed te willen doen en te werken conform wet- en regelgeving. Om dezepartijen te ondersteunen is het belangrijk dat de handhaving op deloonheffingen weer genormaliseerd wordt. We blijven deze organisatieshierbij ondersteunen, zoals we nu ook al doen.Aandacht voor de juistheid van de kwalificatie van de arbeidsrelatie dooropdrachtgevers en opdrachtnemers blijft noodzakelijk. Overigens is dehandhaving door de Belastingdienst op de juiste kwalificatie van dearbeidsrelatie voor de loonheffingen niet de enige manier om schijnzelf-standigheid tegen te gaan. Het blijft belangrijk om tegelijkertijd stappen tezetten op lijn 1 en lijn 2 (zie ook paragraaf 1 en 2 van deze brief). Zo wordthandhaving effectiever als de duidelijkheid over wet- en regelgevingtoeneemt, en zorgt een gelijker speelveld er onder meer voor dat om dejuiste redenen gekozen wordt voor een bepaald type arbeidsrelatie. Eenjuiste kwalificatie van de arbeidsrelatie is namelijk niet alleen belangrijkvoor de loonheffingen, maar heeft ook gevolgen voor pensioen- enarbeidsrecht.Periodieke rapportering over voortgang handhavingDe Belastingdienst rapporteert periodiek over de uitvoering van dehandhaving op schijnzelfstandigheid ter uitvoering van de motie Palland(CDA).21 In maart 2025 is over de voortgang van de handhaving over 2024gerapporteerd.22 In bijlage 1 bij deze brief is de voortgang van dehandhaving op arbeidsrelaties door de Belastingdienst in de vorm vaningezette uren en gerealiseerde producten over januari tot en met oktober2025 weergegeven. Voor 2025 verloopt de inzet van 80 fte – conform detoezegging in de Kamerbrief van 24 juni 201923 – volgens planning.Hoewel de focus van de handhaving op schijnzelfstandigheid ligt bij deopdrachtgevers, blijven ook opdrachtnemers niet buiten het zicht van deBelastingdienst. Via steekproeven kunnen ook onderzoeken bij zelfstan-digen worden ingesteld. Deze richten zich in beginsel op de laatstopenstaande aangifte inkomstenbelasting van de zelfstandige24. Indien deuitkomst van het onderzoek is dat geen sprake is van winst uit onder-neming dan kunnen er correcties plaatsvinden25. Dit kan tot gevolghebben dat ondernemersfaciliteiten zoals de zelfstandigenaftrek en deMKB-winstvrijstelling worden gecorrigeerd.De ambitie was om vanaf 2026 de handhaving op schijnzelfstandigheid te«normaliseren» binnen de reguliere klantbehandeling en de handhavingop dit thema vorm te laten krijgen binnen de reguliere handhavings-plannen. Omdat de zachte landing in 2026 vervalt26 en de markt behoefteheeft aan duidelijkheid over wat dat betekent, is besloten om voor 202621Kamerstukken II, 2018/2019, 29 544, nr. 935.22Kamerstukken II, 2024/2025, 31 311, nr. 281.23Kamerstukken II, 2018/2019, 31 066, nr. 515.24Zie in dit verband het memo doorwerking IH en OB 2024: https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/bldcontentnl/themaoverstijgend/brochures_en_publicaties/handhavingsplan-arbeidsrelatie25Zie in dit verband het memo doorwerking IH en OB 2024: https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/bldcontentnl/themaoverstijgend/brochures_en_publicaties/handhavingsplan-arbeidsrelatie26Kamerstukken II, 2025/2026, 31 311, nr. 294.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 311, nr. 2959 opnieuw een handhavingsplan arbeidsrelaties te maken en de handhavingarbeidsrelaties nog niet op te nemen in de reguliere handhavingsplannen.Het handhavingsplan 2026 zal gepubliceerd worden op de website van deBelastingdienst.Samenwerking Belastingdienst en Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA)Tijdens een tweeminutendebat over samenwerking tussen de NLA en deBelastingdienst met betrekking tot schijnzelfstandigheid heeft detoenmalige Staatssecretaris van Financiën, Fiscaliteit en Belastingdiensttoegezegd aan Kamerlid Tielen (VVD) nader in te gaan op een gezamenlijktoetsingskader en concrete samenwerking tussen diensten27. In een briefaan uw Kamer van 6 september 202428 schrijft het kabinet dat dearbeidswetten een ruimer werkgeversbegrip kennen dan het bestaan vande arbeidsovereenkomst (loon, arbeid, gezag). Zo is bijvoorbeeld opgrond van de Arbeidsomstandighedenwet iemand ook werkgever alsdiegene een ander onder zijn gezag arbeid doet verrichten; er hoeft dusniet sprake te zijn van loon volgens de definitie die voortvloeit uit hetBurgerlijk Wetboek. De Arbeidsinspectie en Belastingdienst doen dusuitspraken op basis van verschillende wettelijke definities.Dat neemt niet weg dat de NLA en Belastingdienst samenwerken omschijnzelfstandigheid tegen te gaan. Een belangrijke drempel bij deBelastingdienst voor deze samenwerking – het delen en verwerken vangegevens – wordt in 2026 weggenomen omdat de Belastingdienst danweer meldingen van de NLA over schijnzelfstandigheid kan betrekken inzijn handhaving. Andersom doet de NLA al verzoeken aan de Belasting-dienst om fiscale gegevens te delen. Een goed voorbeeld van de huidigesamenwerking tussen de NLA en Belastingdienst is de gezamenlijkeAanpak Misstanden Uitzendbranche, ook met het UWV en de SVB. Hierinwordt integraal gewerkt aan het bestrijden en voorkomen van overtre-dingen van zowel het fiscaal als het arbeidsrecht in de uitzendbranche.Hiermee beschouwen wij deze toezegging als afgedaan.Evaluatie handhavingsinzet BelastingdienstIn de uitvoeringstoets «herijking opheffen handhavingsmoratorium» dieop 8 november 202429 met uw Kamer is gedeeld, is voor Q2 2025 eenevaluatie uitgevoerd naar het effect van de ondersteunende maatregelenop de handhavingsinzet van de Belastingdienst.Vanwege het opheffen van het handhavingsmoratorium hebben we eenaantal ondersteunende maatregelen genomen om de handhavingsinzetbij de Belastingdienst beheersbaar te houden. Denk hierbij aangesprekken met de markt, toelichting op vooroverleg op de website vande Belastingdienst en het beschrijven van voorbeelden uit de praktijk ophet hetjuistecontract.nl. De maatregelen lijken momenteel voldoendeeffectief te zijn, aangezien de extra werkzaamheden beheersbaar zijngebleven voor de Belastingdienst.3.2 Cijfers arbeidsmarkteffecten In de voortgangsbrief werken met en als zelfstandige(n) van 27 maart jl.hebben wij aangegeven het belangrijk te vinden om meer feitelijk inzichtte krijgen in de gevolgen van de aanpak van schijnzelfstandigheid langs27Toegezegd is dat de Staatssecretaris F&B en de Staatssecretaris SZW een brief sturen over desamenwerking tussen BD en inspectie SZW, debat 7 oktober 2021.28Kamerstukken II, 2023/2024, 31 311, nr. 263.29Kamerstukken II, 2024/2025, 31 311, nr. 277.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 311, nr. 29510 de drie genoemde lijnen, waaronder de opheffing van het handhavings-moratorium. Om een eerste beeld te vormen hebben we een drietalanalyses uitgevoerd: 1) een analyse op basis van het Handelsregister ende Polisadministratie, 2) een analyse op basis van aangiften omzetbe-lasting en loonheffingen en 3) een analyse op basis van de EnquêteBeroepsbevolking. Bij dergelijke kwantitatieve analyses spelen onvermij-delijk verschillende afbakeningsvragen en beperkingen in de beschik-baarheid van data. Ook zijn de geanalyseerde groepen niet gelijk. Toch zijnde uitkomsten vergelijkbaar en wijzen ze dezelfde kant op.Uit de analyses blijkt dat in de periode rondom het opheffen van hethandhavingsmoratorium een grotere verschuiving zichtbaar is van werkals zelfstandige naar (meer uren) werk in loondienst dan in dezelfdeperiode in eerdere jaren. In bijlage 2 gaan we uitgebreider in op deuitkomsten van de verschillende analyses. De vraag is verder of dezetrend zich al dan niet doorzet. Daarom blijft het kabinet ook het komendejaar op verschillende manieren zicht houden op bewegingen die op dearbeidsmarkt plaatsvinden.Signalen uitwisselenIn lijn met de uitvoering van de motie Boon (PVV) c.s. die de regeringverzoekt «de Kamer periodiek te informeren over de effecten van dehandhaving op schijnzelfstandigheid, met expliciete aandacht voor deervaringen van zelfstandigen, opdrachtgevers en de Belastingdienst»voeren wij regelmatig gesprekken met onder andere zelfstandigenorgani-saties, werkgeversorganisaties en vakbonden. Dit om signalen metbetrekking tot de opheffing van het handhavingsmoratorium tijdig op tehalen en met elkaar te delen. Hoewel vrijwel alle partijen het erover eenszijn dat schijnzelfstandigheid moet worden bestreden, wijzen sommigenerop dat opdrachtgevers terughoudend omgaan met de inhuur vanzzp’ers, ook in situaties waarin het (volgens de betrokkenen) goedmogelijk is om met zzp’ers te werken. We hebben al eerder onderkend datde opheffing van het handhavingsmoratorium inspanning vergt vanwerkenden en werkgevenden. Met behulp van goede communicatiebeogen wij zoveel mogelijk onzekerheid weg te nemen.Daarnaast verwachten wij dat het uitwisselen van ervaringen en infor-matie, bijvoorbeeld met hulp van brancheorganisaties, kan leiden totmeer zekerheid bij alle betrokkenen. Verder rapporteren vakbonden datbedrijven en instellingen, als onderdeel van de aanpassingen die zijmomenteel doen, meer zeggenschap geven aan werknemers over deroosters. Ook komend jaar blijven wij in gesprek met de hiervoorgenoemde partijen om signalen met elkaar uit te wisselen en zo op dehoogte te blijven van de effecten van de opheffing van het handhavings-moratorium.4. Afbouw schijnzelfstandigheid rijksoverheid en moties entoezeggingen 4.1 Afbouw schijnzelfstandigheid binnen rijksoverheid Het kabinet vindt het van groot belang dat de rijksoverheid het goedevoorbeeld geeft als het gaat om de aanpak van schijnzelfstandigheid enzorgt voor een snelle afbouw van het aantal (potentieel) schijnzelfstan-digen naar nul, uiterlijk per 1 januari 2026. Hiervoor is eerder ook eencirculaire ontwikkeld, waarmee ieder departement is opgeroepen om inhun inhuurbestand bij te houden wat de ondernemingsvorm van eeninhuurkracht is. Ook dient de beoordeling op indicaties van schijnzelfstan-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 311, nr. 29511 digheid vastgelegd te worden. Conform de motie Boon (PVV)30 is hetMinisterie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties gestart met hetinzichtelijk maken van het aantal potentieel schijnzelfstandigen datwerkzaam is binnen de rijksoverheid. Hiervoor is een rapportagemonitoringericht waarbij aantallen ingehuurde zelfstandigen en potentieelschijnzelfstandigen weergegeven worden. Over 2025 zal er gerapporteerdworden over 2 peildata; 1 januari 2025 en 1 juli 2025.Over de voortgang van het afbouwen van het aantal (potentieel) schijn-zelfstandigen bij de rijksoverheid wordt u op korte termijn geïnformeerddoor de Minister van BZK.Uitsluiten zzp’ers bij lagere overheden tegengaanHet kabinet is – in lijn met de motie van het lid Aartsen (VVD) c.s.31 – vanmening dat van categorisch uitsluiten van zzp’ers bij zowel de rijks-overheid als bij lagere overheden geen sprake kan zijn, wanneer dit nietstrookt met wet- en regelgeving en de bestaande jurisprudentie. Decontracten rondom een arbeidsrelatie moeten in lijn zijn met wet- enregelgeving. Daarbij moet aandacht zijn voor schijnzelfstandigheid, maarook voor wat er wél mogelijk is buiten dienstbetrekking. Ook in vervolgge-sprekken, zoals met de VNG, zal het kabinet hier aandacht aan blijvenbesteden.4.2 Aandacht voor goed werkgeverschap Een belangrijke manier om werknemers aan te trekken of te behoudenvoor een organisatie is het bevorderen van goed werkgeverschap. In lijnmet de motie32 van het lid Patijn (GL/PvdA) is het kabinet van mening datvoldoende autonomie en goede arbeidsvoorwaarden binnen een vastdienstverband daaraan bij kunnen dragen.Zoals eerder in deze brief en voorgaande voortgangsbrieven is aange-geven, voeren SZW en de Belastingdienst gezamenlijk veel gesprekkenmet organisaties in uiteenlopende sectoren over het aangaan van hetjuiste contract. In deze gesprekken wordt door SZW eveneens gewezen ophet feit dat er ook in loondienst veel mogelijkheden bestaan om tegemoette komen aan de wensen van werkenden, bijvoorbeeld als het gaat omflexibiliteit of meer autonomie. Het kabinet vindt het, in lijn met de motievan het lid Patijn (GL/PvdA), van belang om ook komend jaar aandacht teblijven besteden aan het bevorderen van goed werkgeverschap.4.3 Voorkomen onterecht afwentelen risico’s op zzp’ers Zoals de motie-Boon (PVV)33 aangeeft is het zowel onwenselijk alsonrechtmatig dat opdrachtgevers de risico’s op naheffingen en boetesafwentelen op zelfstandigen. Op grond van artikel 20 en artikel 125 van deWet financiering sociale verzekeringen mogen opdrachtgevers premiesvoor werknemersverzekeringen die zij verschuldigd zijn niet verhalen opde werknemer34. Daarbij geldt dat de loonheffing (loonbelasting enpremies volksverzekeringen) en boetes (mits niet in strijd met deredelijkheid en billijkheid, het goed werkgeverschap, de openbare orde, en30Kamerstukken II, 2024/2025, 31 311, nr. 269.31Kamerstukken II, 2024/2025, 31 311, nr. 284.32Kamerstukken II, 2024/2025, 31 311, nr. 286.33Kamerstukken II, 2024/2025, 31 311, nr. 289.34Artikel 34, tweede lid Wfsv bepaalt in afwijking van artikel 20 de werkgever ondervoorwaarden wel de verschuldigde gedifferentieerde premie ten behoeve van de Werkhervat-tingskas kan verhalen op de werknemer. Het gaat hierbij om ten hoogste de helft van de doorde werkgever verschuldigde premie met betrekking tot de werknemer.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 311, nr. 29512 de goede zeden) wel verhaald kunnen worden op de schijnzelfstandige.De Wet financiering sociale verzekeringen biedt het instrument omstrafrechtelijk op te treden tegen een werkgever indien die de premieswerknemersverzekeringen ondanks het wettelijke verbod, toch verhaald.Voorop staat dat clausules in strijd met de wet nietig zijn. Een opdracht-gever kan hier dus ook geen beroep op doen. Dat laat onverlet dat hetonwenselijk is dat opdrachtgevers deze clausules opnemen. Daarom is ditals aandachtspunt meegenomen in de communicatiestrategie richtingopdrachtgevers en opdrachtnemers en in het contact met de socialepartners.4.4 Motie van de leden Vermeer en Rikkers-Oosterkamp (BBB) De motie van de leden Vermeer en Rikkers-Oosterkamp (BBB)35 verzoektom te onderzoeken hoe de handhaving door de Belastingdienst zo kanworden ingericht dat deze zich uitsluitend richt op structureel misbruik enschijnzelfstandigheid. En daarbij voorrang te geven aan kwetsbaresituaties en er geen jacht te maken op bonafide ondernemers. Dit isonderzocht. Duidelijk is dat schijnzelfstandigheid in alle sectorenvoorkomt. Daarom is het belangrijk dat de Belastingdienst zijn risicoge-richte handhaving blijft voortzetten. Het is op voorhand immers nietduidelijk wanneer er sprake is van structureel misbruik of kwetsbaresituaties. Daarnaast is het niet aan de Belastingdienst om alleen tehandhaven bij kwetsbare situaties. De Belastingdienst ziet namelijk toe opeen juiste en volledige afdracht van loonheffingen. Het is dus belangrijkdat voor alle arbeidsrelaties die ten onrechte niet zijn gekwalificeerd alseen arbeidsovereenkomst alsnog loonheffingen worden ingehouden enafgedragen. Er wordt geen jacht gemaakt op bonafide ondernemers.Voor 2025 geldt een zachte landing. Daarnaast heeft de Belastingdienst,nu en in de toekomst, in zijn handhaving ruimte voor maatwerk en oogvoor de menselijke maat.Ten aanzien van het onderzoek of een verlenging van de zachte landingmet één jaar nodig en wenselijk is, verwijzen wij graag naar de Kamerbriefvan 6 oktober jl. inzake het niet uitvoeren van de motie Ergin (DENK) c.s.Daarin is toegelicht – en eerder in deze brief – waarom het niet nodig enniet wenselijk is dat de zachte landing wordt verlengd (Kamerstuk 29 544,nr. 1289). Op de vraag op welke wijze de communicatie richting zzp’ers enopdrachtgevers kan worden verbeterd, zijn wij eveneens reeds ingegaanin deze brief.4.5 Casuïstiek in de zorg De Minister van VWS heeft in een brief van 17 december 2024 brancheor-ganisaties in zorg en welzijn de mogelijkheid geboden om via casuspo-sities meer duidelijkheid te verkrijgen over de vraag in welke omstandig-heden de inzet van zzp’ers passend is. Deze casussen zijn door hetMinisterie van SZW, VWS en Financiën/Belastingdienst beoordeeld. Medenaar aanleiding hiervan verzoekt de motie Flach (SGP) c.s. de regering omin samenspraak met de beroepsgroep een flexibele schil in de huisart-senzorg te behouden voor ziek, piek en uniek, en in de anw-zorg(Kamerstuk 31 311, nr. 288).36Allereerst merkt het kabinet op dat de opheffing van het handhavingsmo-ratorium voor de kwalificatie van de arbeidsrelaties voor de loonheffingenniet heeft geleid tot andere wet- en regelgeving. De mogelijkheden van35Kamerstukken II, 2025/2026, 29 544, nr. 1294.36Anw = avond, nacht en weekenddiensten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 311, nr. 29513 inzet van zzp-huisartsen (net als in andere zorgbranches) zijn – conformhet geldende arbeidsrecht -derhalve onveranderd.De Minister van VWS is met de betreffende brancheorganisaties inoverleg over de verschillende mogelijkheden die er, op basis van huidigewet- en regelgeving, zijn om een flexibele schil te behouden voorzorgbranches. Hierbij wordt onderzocht welke mogelijkheden er zijn vooreen flexibele schil in loondienst, als ook voor de inzet van zzp’ers. DeMinister van VWS zal uw Kamer over de voortgang informeren.De gesprekken die de Minister van VWS voert, sluiten tevens aan op demotie van het lid Martens-America (VVD) c.s.37 van 2 oktober jl. waarin deregering wordt verzocht «zo spoedig mogelijk de effecten van het huidigwettelijk kader, de handhaving hierop en de concept-wet Vbar op dezorgsector te analyseren en te komen tot maatregelen om deze crucialesector de ruimte te blijven geven om te werken met zelfstandigen». Hetkabinet vindt het belangrijk te benadrukken dat er geen uitzonderingengelden voor specifieke sectoren, ook niet voor de zorgsector. Wel zorgende maatregelen die bijdragen aan meer duidelijkheid ervoor dat ook voorspecifieke sectoren en functies sneller duidelijk wordt wanneer iemand alszelfstandige of als werknemer aan de slag kan. Hier wordt eveneensaandacht aan besteed in de nota naar aanleiding van het verslag bijwetsvoorstel Vbar, die naar uw Kamer wordt gestuurd.AfsluitingHet kabinet blijft zich inzetten voor het toekomstbestendiger maken vanhet werken met en als zelfstandige(n). En voor meer zekerheid enduidelijkheid onder zelfstandigen, opdrachtgevers, werknemers enwerkgevers, zodat zij sneller weten waar ze aan toe zijn en schijnzelfstan-digheid wordt voorkomen.Ook onderzoeken we welke maatregelen ondernemend gedrag stimulerenen faciliteren, om te zorgen dat zelfstandig ondernemers kunnen blijvendoen waar ze goed in zijn en we het ondernemersklimaat in Nederlandversterken. De maatregelen die daaraan bijdragen, en in deze brief zijnbeschreven langs de drie lijnen (gelijker speelveld, verduidelijking, beterehandhaving), moeten allen in samenhang worden bezien. Het is belangrijkom op iedere lijn de juiste stappen te blijven zetten en dit vooral in goedoverleg met uw Kamer, werkgevers-, werknemers én zelfstandigenorgani-saties te blijven doen.Door die perspectieven steeds weer mee te nemen, zorgen we er metelkaar voor dat zelfstandigen ook in de toekomst een belangrijke bijdrageleveren aan onze economie, en gaan we schijnzelfstandigheid en denegatieve effecten daarvan tegen.De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,M.L.J. PaulDe Staatssecretaris van Financiën,E. Heijnen37Kamerstukken II, 2025/2026, 29 544, nr. 1300.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 311, nr. 29514 INZET VAN CAPACITEITIn het kader van de motie Palland (CDA) wordt hierna de voortgang vande handhaving op arbeidsrelaties door de Belastingdienst in de vorm vaningezette uren en gerealiseerde producten weergegeven.20242025 (tot en met oktober)TotaalOnderhandenAfgedaanTotaalOnderhandenAfgedaanBedrijfsbezoeken1.115370745842436406Boekenonderzoeken312176136237127110Aanwijzingen20nvtnvtNvtVerzoek beoordelen Modelover-eenkomsten16663103nvtnvtNvtVerzoeken verzekeringsplicht3054226326974195 Zoals toegezegd in de brief aan de Kamer van 24 juni 201938 is debeoogde inzet van de Belastingdienst op de handhaving schijnzelfstan-digheid 80 fte. Voor 2025 verloopt de inzet van 80 fte volgens planning.Naast de geregistreerde bedrijfsbezoeken, boekenonderzoeken enafgegeven beschikkingen verzekeringsplicht zijn er meer effecten bereiktdie als resultaat kunnen worden gekwalificeerd, maar die niet afzonderlijkgeregistreerd worden. Het betreft het geven van informatie, uitleg ofvoorlichting/toelichting door loonheffingen-specialisten tijdens bedrijfsbe-zoeken. Met als doel de betrokken opdrachtgever te ondersteunen bij dewijze waarop beoordeeld moet worden wat de juiste kwalificatie van dearbeidsrelatie(s) is door het goed toepassen van de fiscale regels. Hierbijgaat het om compliante opdrachtgevers die na een bedrijfsbezoekvrijwillig ertoe overgaan de beheersing van hun interne processen op deinhuur van arbeidskrachten te versterken. Daardoor wordt het risico ophet onjuist kwalificeren van de arbeidsrelatie gemitigeerd, mede op grondvan het besef dat zij daarvoor als eerste verantwoordelijk zijn. Verderbetreft het opdrachtgevers die na een bedrijfsbezoek overtuigd zijn datarbeidsrelaties die in eerste aanleg gekwalificeerd werden als werkenbuiten dienstbetrekking, gekwalificeerd dienen te worden als werkenbinnen dienstbetrekking. Zij nemen de betreffende arbeidsrelatiesvervolgens in de loonadministratie op.38Kamerstukken II, 2018/2019, 31 066, nr. 515.BIJLAGE 1Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 311, nr. 29515 ANALYSES ARBEIDSMARKTEFFECTEN1) Analyse op basis van Handelsregister en PolisadministratieIn deze analyse hebben we aan de hand van CBS Microdata gekeken naarzzp’ers die zich in de periode oktober 2023 tot en met juni 2025 uit hebbengeschreven uit het Handelsregister (bij de KVK). Deze groep hebben weonderverdeeld in twee groepen: 1) zzp’ers die op het moment vanuitschrijving niet ook al in loondienst waren (hierna aangeduid alsexclusief zzp’er), en 2) zzp’ers die zowel zzp’er als in loondienst waren(hierna aangeduid als hybride zzp’er).Voor de groep die exclusief als zzp’er werkt en die zich uitschrijvenhebben we per maand gekeken naar het aandeel dat 3 maanden nauitschrijving uit het Handelsregister voorkomt in de Polisadministratie (endus in loondienst is gaan werken). Uit de analyse blijkt dat het aandeelzelfstandigen dat drie maanden na uitschrijving bij de KVK in loondienstis, in december 2024 (31.6%) zo’n 13,5%-punt hoger ligt dan in december2023 (18.1%). Ook in november 2024 en januari 2025 ligt dat aandeelhoger dan in dezelfde maand in het jaar ervoor. Maar het verschil iskleiner. Voor november 2024 gaat het om een toename van respectievelijk5,8%-punt. Voor januari 2025 om een toename van 5%-punt.Voor de groep hybride zzp’ers die zich uitschrijven, hebben we per maandgekeken naar het aandeel dat 3 maanden na uitschrijving meer uren inloondienst werkt dan op het moment van uitschrijven. Ook hier zien weeen duidelijke toename in de maand december 2024 t.o.v. dezelfde maandin het jaar ervoor. Het aandeel hybride zzp’ers dat drie maanden nauitschrijving bij de KVK meer uren in loondienst werkte, lag in december2024 zo’n 13%-punt hoger dan in december het jaar ervoor. Voornovember 2024 gaat het om een toename van 2%-punt, en voor januari2025 om een toename van 5%-punt.Het is bij deze analyse goed om op te merken dat de datum vanuitschrijving bij de KVK niet overeen hoeft te komen met de datum dat dezzp’er niet langer actief is als zzp’er. De zzp’er kan namelijk de inschrijvingaanhouden, ook als er geen werkzaamheden als zzp’er worden uitge-voerd. Dat maakt dat deze analyse maar een deel van het verhaal vertelt.2) Een analyse op basis van aangiften omzetbelasting en loonheffingenBij deze analyse is op basis van beschikbare data uit de aangiftenomzetbelasting en loonheffingen onderzocht in hoeverre er sprake is vaneen verschuiving van arbeid als zelfstandige zonder personeel (zzp) naararbeid in loondienst. De analyse zoals hiervoor opgenomen, richt zich opzzp’ers die gestopt zijn als zzp’er en zich hebben uitgeschreven uit hetHandelsregister. Onderstaande analyse richt zich op zzp’ers die in eenkwartaal zowel een substantiële toename in verloonde uren in loondienstlaten zien (minimaal 8 uur per week of meer) als een significante afnamein omzet uit zzp-activiteiten (minimaal 20% minder omzet).Deze analyse laat zien dat er zzp’ers zijn die hun zzp-activiteiten omzettennaar activiteiten in loondienst. Omdat de analyse vanuit de aangiftenomzetbelasting en loonheffingen is gedaan en van daaruit is gekeken ofzzp’ers minder omzet genereren en tegelijkertijd meer uren in loondienstzijn gaan werken, worden stoppende zzp’ers opgemerkt, óók wanneer ergeen uitschrijving bij het Handelsregister is. En op deze manier wordenalle verminderde zzp-activiteiten (minimaal 20% minder omzet) diesamengaan met meer uren in loondienst (minimaal 8 uur per week ofmeer) opgemerkt.BIJLAGE 2Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 311, nr. 29516 Zowel omzet als verloonde uren kunnen sterk fluctueren door bijvoor-beeld seizoensinvloeden. Door de cijfers te vergelijken met het overeen-komstige kwartaal in het voorgaande jaar, wordt zo veel mogelijkgeabstraheerd hiervan.De resultaten laten zien dat de groep zzp’ers die minimaal 20% minderomzet genereert en tegelijkertijd meer uren in loondienst maken (>8 uurper week), sinds begin 2024 gestaag groeit. In aantallen zzp’ers is deverandering t.o.v. hetzelfde kwartaal vorig jaar:2024 q12024 q22024 q32024 q42025 q12025 q238.00042.00044.00048.00052.00066.000 Daarnaast zien we een omgekeerde trend bij de groep zzp’ers die meeromzet (>20%) genereren en tegelijkertijd minder uren in loondienst maken(>8 uur per week).2024 q12024 q22024 q32024 q42025 q12025 q259.00062.00059.00057.00045.00044.000 Hiermee is een stijgende trend zichtbaar van zzp’ers die minder omzetgenereren en tegelijkertijd meer uren in loondienst werken. Tegelijkertijdzien we een trend van minder zzp’ers die meer omzet genereren als zzp’eren minder uren in loondienst zijn gaan werken.3) Analyse op basis van de Enquête BeroepsbevolkingIn de enquête beroepsbevolking worden mensen per kwartaal gevraagdnaar hun hoofdbaan (1e werkkring). Daarmee is het mogelijk om mensendie van het ene op het andere kwartaal wisselen van hoofdbaan in beeldte brengen. Met de CBS data was het op dit moment alleen mogelijk tekijken naar zelfstandigen in totaal (zelfstandigen met en zonderpersoneel). Zmp’ers (zelfstandigen met personeel) zijn bovendien eenrelatief klein deel van de groep zelfstandigen, waardoor ontwikkelingen inde groep zelfstandigen voornamelijk door zzp’ers (zelfstandigen zonderpersoneel) gedreven worden.Uit deze analyse blijkt van alle mensen die in Q4 2024 zelfstandige waren,zo’n 4,17% een kwartaal later werknemer was. Dat is een toename van1,8%-punt ten opzichte van het vierde kwartaal van het jaar ervoor. Ook inQ3 2024 en Q1 2025 zien we een toename ten opzichte van een jaar eerdervan respectievelijk 0,46%-punt en 1,24%-punt. Beperking hierbij is dat hetniet zeker is of deze mensen ook daadwerkelijk stoppen als zelfstandige.Het gaat om een wisseling van 1e werkkring, wat betekent dat menseneerder aangaven dat zij eerder de meeste uren werkten als zelfstandige,maar in het kwartaal daarna aangeven de meeste uren als werknemer tewerken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 311, nr. 29517
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.