Gevolgen van de aangenomen amendementen pakket Belastingplan 2026
Brontekst
Versie bb6f8c621c44deea · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 812Wijziging van enkele belastingwetten en enigeandere wetten (Belastingplan 2026)Nr. 113 BRIEF VAN DE MINISTER EN STAATSSECRETARIS VANFINANCIËN Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 1 december 2025Op 27 november jl. is het pakket Belastingplan aangenomen door uwKamer. Op de wetsvoorstellen Belastingplan 2026, Overige fiscalemaatregelen 2026 en Wet differentiatie vliegbelasting zijn enkeleamendementen aangenomen. Het amendement met de grootstebudgettaire impact is het amendement Grinwis met betrekking tot box 3.Dit geeft in 2026 en 2027 een budgettaire derving van € 1,2 mld.Daarnaast werkt dit amendement door op de wetsbehandeling box 3.Mocht de invoering van de Wet werkelijk rendement box 3 verderevertraging oplopen, dan kost dit als gevolg van het amendement€ 2,4 mld in plaats van de eerder genoemde € 1,2 mld. Wij hopen dat uwKamer de behandeling van het wetsvoorstel voortvarend zal oppakken,om het risico op uitstel te beperken.In deze brief gaan wij in op de (budgettaire) gevolgen van de aangenomenamendementen. Aan het eind van de brief informeren wij uw Kamer overhet voornemen om het tweede Europese emissiehandelssysteem (ETS2)met een jaar uit te stellenGevolgen aangenomen amendementen pakket Belastingplan 2026Alle amendementen die de uw Kamer heeft ingediend op het pakketBelastingplan 2026 heeft het kabinet met een brief op 24 november1 en26 november jl.2 voorzien van een appreciatie met daarbij ook eentoelichting op onder andere de budgettaire dekking, de wetstechnischegevolgen en quickscans op de uitvoeringsgevolgen van de amende-menten. Sommige amendementen zijn ingrijpend van aard en kunnen omdie reden een negatief effect hebben op de betrouwbaarheid van deoverheid. Ik heb de leden van de Tweede Kamer daarom opgeroepen om1Kamerstukken II, 2025/26, 36 812, nr. 57.2Kamerstukken II, 2025/26, 36 812, nr. 108. kst-36812-113ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1131 de nodige voorzichtigheid te betrachten bij het indienen van en stemmenover de amendementen. De leden van uw Kamer hebben op donderdag27 november gestemd over de amendementen. Negen amendementenzijn aangenomen.In de bijlage is in de vorm van een quickscan nadere informatieopgenomen over de uitvoerbaarheid van de aangenomen amende-menten. Net als in voorgaande jaren, stelt de Belastingdienst voor deaangenomen amendementen uitvoeringstoetsen op, die met hetparlement zullen worden gedeeld.Amendement 36 812, nr. 32 (Grinwis)Het amendement Grinwis heeft als gevolg dat de accijnzen op benzine,diesel en LPG in 2026 hoger uitvallen dan oorspronkelijk in het Belas-tingplan 2026 was voorzien. In het oorspronkelijke voorstel zouden detarieven ten opzichte van het basispad dalen met 21,3 cent voor benzine,13,8 cent voor diesel en 5 cent per liter voor LPG. Door het amendementdalen de tarieven ten opzichte van het basispad met 15,7 cent voorbenzine, 10,2 cent voor diesel en met 3,7 cent per liter voor LPG. Detoelichting van het amendement noemt dat de CBAM-inkomsten uit 2026en 2027 (448 miljoen euro) niet worden ingezet voor de korting op debrandstofaccijns, maar worden aangewend om bezuinigingen op hetopenbaar vervoer te voorkomen. Hiervoor is een separaat amendementingediend (Kamerstuk 36 800 XII-9).Het amendement is uitvoerbaar voor de Belastingdienst per 1 januari2026.Amendement 36 812, nr. 47 (Grinwis, Stoffer en Vermeer)Met dit amendement komt de voorgestelde aanpassing van het forfaitvoor overige bezittingen in box 3 te vervallen. Daardoor komt het forfait in2026 uit op 6% in plaats van 7,78%. De voorgestelde verlaging van hetheffingvrije vermogen in box 3 is eveneens vervallen. Het heffingvrijevermogen wordt als gevolg van het amendement op 1 januari 2026volledig geïndexeerd met de tabelcorrectiefactor. Het heffingvrijevermogen in 2026 komt daardoor uit op € 59.357, in plaats van € 51.396.Als dekking wordt de afbouw van de aftrek wegens geen of geringeeigenwoningschuld (Wet Hillen) versneld. Met ingang van 1 januari 2026wordt het jaarlijkse afbouwpercentage verhoogd van 3 1/3%-punt naar4,8%-punt, met dien verstande dat de aftrek niet verder kan wordenverlaagd dan tot nihil. Hierdoor wordt de aftrek in 2041 volledigbeëindigd, in plaats van in 2048 zoals in de huidige wet is voorzien.Hierdoor ervaren huishoudens zonder of met een geringe eigenwoning-schuld de komende jaren een iets hogere belastingdruk op de eigen-woning dan zonder dit amendement het geval zou zijn geweest.Het terugdraaien van de box 3-maatregelen leidt tot een derving in 2026en 2027. Deze derving wordt in de eerste jaren niet opgevangen door dedekking, omdat de afbouw van de Wet Hillen een ingroeipad kent. Ditloopt pas in 2041 rond en leidt daarom tot een significante belasting vanhet saldo in 2026 en 2027. Eventueel verder uitstel van de invoering vande Wet werkelijk rendement box 3 tot na 1 januari 2028 kent als gevolgvan dit amendement een hogere derving van ca. € 2,4 miljard in plaatsvan ca. € 1,2 miljard. Dit onderstreept het belang van een spoedigebehandeling van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3. Deplanning voor invoering per 1 januari 2028 is haalbaar als het momenteelbij de Tweede Kamer aanhangige wetsvoorstel uiterlijk 15 maart 2026 isTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1132 aangenomen door de Tweede Kamer. In die planning past ook eenvoortvarende behandeling in de Eerste Kamer.Het amendement is uitvoerbaar per 1 januari 2026, als wordt geaccep-teerd dat de Belastingdienst de massaal opgelegde eerste voorlopigeaanslagen inkomstenbelasting berekent met de parameterwaarden voorbelastingjaar 2026 zoals die bekend zijn op 14 november. Optredendeverschillen worden verrekend in de definitieve-aanslagregeling.Amendement 36 812, nr. 50 (Stultiens)Het bedrag van de energie-investeringsaftrek (EIA) en het bedrag van demilieu-investeringsaftrek (MIA) dat in een jaar door een ondernemer vande winst kan worden afgetrokken, wordt met dit amendement beperkt tothet bedrag van de winst uit de betreffende onderneming. Een nietgerealiseerde aftrek kan in latere jaren in aanmerking worden genomen.Dit amendement betreft een maatregel die is gericht op het tegengaanvan specifieke structuren waarbij de EIA en MIA wordt gebruikt. Demaatregel kan tot gevolg hebben dat de EIA en MIA minder bijdragen aande beoogde beleidsdoelen, doordat het voordeel van de EIA of de MIA pasin een later jaar geëffectueerd kan worden, of uiteindelijk kan vervallen.Door deze maatregel valt de budgetuitputting van de EIA en de MIA lageruit. Doordat de EIA en de MIA gebudgetteerde regelingen zijn resulteertdit niet direct in een opbrengst. De maatregel werkt complexiteitver-hogend. De maatregel vergt een structuuraanpassing in de systemen voorde inkomensheffingen en daarmee is rekening gehouden door demaatregel per 1 januari 2029 door te voeren. Het amendement isuitvoerbaar met dien verstande dat dit amendement ertoe leidt dat debeschikbare ruimte voor systeemwijzigingen in de keten Inkomenshef-fingen per 2029 verder wordt beperkt waardoor er minder of geen ruimteis voor andere systeemwijzigingen.Amendement 36 812, nr. 73 (Inge van Dijk en Grinwis)Het amendement creëert een eenmalige indexatie van de schijfgrens in deWBSO per 1 januari 2026. De WBSO is een fiscale regeling, waarmee deoverheid technische innovatie stimuleert. Het speur- en ontwikkelingswerkdat bij (technisch) innovatieve werkzaamheden hoort, kost vaak veel geld.Met de WBSO kunnen bedrijven en andere werkgevers deze kostenverlagen, doordat zij een percentage van de speur- en ontwikkelings-kosten (loonkosten en overige kosten die samenhangen met de uitvoeringvan de speur- en ontwikkelingswerkzaamheden) in mindering brengen opde loonheffing die zij moeten afdragen aan de Belastingdienst. Ditpercentage bedraagt 16%. Voor de eerste € 380.000 wordt dit percentageechter met 20% verhoogd naar 36%. Voor starters geldt voor de eerste€ 380.000 een percentage van 50%. Op basis van het aangenomenamendement wordt de «schijfgrens» van € 380.000 per 1 januari 2026eenmalig geïndexeerd. Door toepassing van het amendement bedraagt de«schijfgrens» met ingang van 2026 € 391.020 en blijft daarop vervolgensgehandhaafd. Hierdoor kunnen bedrijven over een groter bedrag hetverhoogde percentage toepassen. Deze aanpassing betekent relatiefgezien vooral een voordeel voor MKB en startende bedrijven.De budgettaire derving als gevolg van het amendement bedraagt€ 5 miljoen structureel. Tijdens de behandeling van het Belastingplan2026 is tevens een motie aangenomen die de regering verzoekt ommogelijkheden voor structurele indexatie van de «schijfgrens» teonderzoeken (Kamerstuk 36 812, nr. 85).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1133 De maatregel is uitvoerbaar per 1 januari 2026 voor boekjaren dieaanvangen op of na 1 januari 2026.Amendement 36 812, nr. 102 en 36 813, nr. 9 (Grinwis en Oosterhuis)Dit amendement heeft tot gevolg dat de korting op de bijtelling voorauto’s zonder CO2-uitstoot blijft nog twee jaar bestaan en de leeftijdsgrensvan de youngtimerregeling wordt in twee stappen verhoogd naar 25 jaar.Allereerst wordt door dit amendement in het Belastingplan 2026 voorge-steld dat de korting op de bijtelling voor het privégebruik van een autovan de zaak zonder CO2-uitstoot per 1 januari 2026 nog twee jaar blijftbestaan, en daarin stapsgewijs wordt afgebouwd naar 2028. De bijtellingbedraagt momenteel 22% van de catalogusprijs. De korting geldt alleenvoor auto’s zonder CO2-uitstoot en is als volgt vormgegeven:−In 2026 geldt een bijtelling van 18% van de catalogusprijs;−In 2027 geldt een bijtelling van 20% van de catalogusprijs;−Per 2028 wordt de korting afgeschaft en geldt een bijtelling van 22%van de catalogusprijs.De korting op de bijtelling wordt gemaximeerd, de zo te noemen cap).Voorzover de cataloguswaarde boven deze cap uitkomt geldt de bijtellingvan 22%. De maximale korting wordt bereikt bij een autowaarde van€ 30.000.3 De korting kent ook eerbiedigende werking: als in 2026 of 2027sprake is van een eerste toelating van een auto zonder CO2-uitstoot enrecht ontstaat op de korting op de bijtelling, geldt deze korting voor eenperiode van 60 maanden te rekenen vanaf de eerste dag van de maandvolgend op de datum van eerste toelating.Zonder dit amendement zou de korting op de bijtelling per 2026 vervallen,waarbij de eerbiedigende werking (zie hiervoor) wel nog als gevolg heeftdat deze korting een aantal jaren na 2026 kan blijven gelden. Hetamendement heeft het volgende effect voor het toe te passen bijtellings-percentage dat geldt voor auto’s zonder CO2-uitstoot:Daarnaast wordt door dit amendement in het Belastingplan 2026, terdekking, voorgesteld dat de zogenoemde youngtimerregeling wordtaangepast. De youngtimerregeling verwijst naar de manier waarop hetprivévoordeel wordt vastgesteld van een auto die meer dan 15 jaargeleden voor het eerst in gebruik is genomen: 35% van de waarde in heteconomische verkeer. Dit amendement regelt dat de leeftijdsgrens per2026 wordt verhoogd van 15 jaar naar 16 jaar. Voor auto’s die onder dezeleeftijdsgrens zitten, wordt de bijtelling in 2026 vastgesteld op 22% van decatalogusprijs, voor zover van toepassing verminderd met de hiervoorgenoemde kortingspercentages. Vanaf 2027 wordt deze leeftijdsgrensverder verhoogd van 16 jaar naar 25 jaar.Dit amendement is uitvoerbaar per 1 januari 2026, als wordt geaccepteerddat de Belastingdienst de massaal opgelegde eerste voorlopige aanslageninkomstenbelasting berekent met de parameterwaarden voor belas-tingjaar 2026 zoals die bekend zijn op 14 november 2025. Optredendeverschillen worden verrekend in de definitieve aanslagregeling.3Er geldt geen maximering voor auto’s die worden aangedreven door een motor die kan wordengevoed met waterstof en voor auto’s die zijn voorzien van geïntegreerde zonnepanelen waarbijde voor de aandrijving benodigde energie wordt opgeslagen in een accupakket dat geen loodbevat en het vermogen van de zonnepanelen in wattpiek gedeeld door het verbruik in wattuurper kilometer ten minste 7 is.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1134 Amendement 36 812, nr. 109 (Van Eijk, Inge van Dijk en Hoogeveen)Met dit amendement is de introductie van de voorgestelde multiplier in delucratiefbelangregeling met twee jaar uitgesteld tot 1 januari 2028. Teruitvoering van de motie-Idsinga (Kamerstuk 36 725, nr. 29) is in hetwetsvoorstel een maatregel voorgesteld waardoor de grondslag voorinkomen uit een middellijk gehouden lucratief belang wordt verbreeddoor middel van een multiplier, als de voordelen vanwege toepassing vande zogenoemde aanmerkelijkbelangvariant in box 2 zijn belast. Hierdoorwordt de belastingdruk op de betreffende voordelen uit een middellijkgehouden lucratief belang via deze grondslagverbredende multiplier inbox 2 verhoogd tot maximaal 36%.Het uitstellen van de voorgestelde multiplier wordt gedekt door deAof-premietarieven in 2026 en 2027 te verhogen. Na afronding stijgt hethoge Aof-tarief hierdoor met 0,02 procent in 2026 en het lage Aof-tariefmet 0,01 procent. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zal,zoals met het amendement is verzocht, de verhoging van de Aof-premiebij ministeriële regeling doorvoeren. De inwerkingtreding van multiplier-maatregel per 1 januari 2028 in plaats van 1 januari 2026 leidt tot eenderving van 45 miljoen per jaar in 2026 en 2027.Het amendement is voor de Belastingdienst uitvoerbaar per 1 januari2028.Amendement 36 813, nr. 10 (Van Eijk)Dit amendement heeft tot gevolg dat het tijdelijke overgangsrecht voorfondsen voor gemene rekening wordt uitgebreid. In het oorspronkelijkewetsvoorstel was het overgangsrecht alleen beschikbaar voor fondsen dievoor 1 januari 2025 als transparant kwalificeerden. Als gevolg van hetamendement kunnen alle fondsen die op of na 1 januari 2025 zijnopgericht gebruik maken van het tijdelijke overgangsrecht. Dit betekentdat fondsen die op of na 1 januari 2025 zijn opgericht of aangegaan dekeuze hebben of zij als niet-transparant (zelfstandig belastingplichtig) danwel als transparant (deelgerechtigden in het fonds belastingplichtig)worden aangemerkt. Daarmee ontstaat een ongelijkheid ten opzichte vanvergelijkbare op 1 januari 2025 reeds bestaande fondsen dieniet-transparant zijn. Het tijdelijke overgangsrecht vervalt in beginsel metingang van 1 januari 2028. Het amendement 36 813-10 is in de appreciatiebeoordeeld als niet uitvoerbaar per 1 januari 2026. Als gevolg van ditamendement kunnen ook fondsen met grote en dynamische groependeelgerechtigden een beroep doen op het overgangsrecht. Dit kan totproblemen leiden in de uitvoering en handhaving, omdat de Belasting-dienst niet altijd beschikt over de informatie die nodig is om tot heffing eninvordering op het niveau van de deelgerechtigden over te gaan. Hetrisico bestaat dat de toegenomen werkzaamheden en kwetsbaarheden inde handhaafbaarheid niet beheersbaar zijn. Deze risico’s zijn van dien aarddat dit amendement als niet uitvoerbaar is aangemerkt in de quickscan.De Belastingdienst zal bezien hoe uitvoering zal worden gegeven aan hetamendement. Daarbij wordt een uitvoeringstoets opgesteld, waarinvoornoemde risico’s en overige uitvoeringsgevolgen zo goed mogelijk inbeeld worden gebracht.Amendement 36 815, nr. 13 (Stultiens, Kröger en Teunissen)Per 1 januari 2030 wordt een apart tarief voor passagiers die vanaf eenNederlandse luchthaven vertrekken met een vliegtuig met 19 of minderzitplaatsen opgenomen in de vliegbelasting in de Wet belastingen opTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1135 milieugrondslag. De budgettaire opbrengst van deze maatregel is€ 49 miljoen. De tarieven zijn als volgt.•€ 420 per passagier indien de eindbestemming van de passagier isgelegen in een staat die is opgenomen in bijlage A (EU-lidstaten enstaten en gebieden tot ca. 2.000 km);•€ 1.015 per passagier indien de eindbestemming van de passagier isgelegen in een staat die is opgenomen in bijlage B (staten en gebiedenvanaf ca. 2.000 km tot ca. 5.500 km);•€ 2.100 per passagier indien de eindbestemming van de passagier isgelegen in een staat die niet is opgenomen in bijlage A of bijlage B(staten en gebieden verder dan 5.500 km).De externe kosten zijn op vluchten met kleine vliegtuigen per passagierveel hoger dan op een reguliere lijnvlucht. In dat licht is het dan ookrechtvaardig om dergelijke vluchten hoger te belasten.Het amendement kent verder een aantal aandachtspunten met betrekkingtot de uitvoerbaarheid voor zowel de Belastingdienst als de luchthavenex-ploitanten. Zo zijn er ten opzichte van reguliere lijnvluchten afwijkendegegevensstromen voor kleine vliegtuigen. Zowel passagiersgegevens alshet aantal zitplaatsen van een vliegtuig zijn daarom moeilijker te contro-leren bij dit soort vliegtuigen.Ook speelt mee dat het aantal vluchten met vliegtuigen met 19 of minderzitplaatsen aanzienlijk kleiner is dan dat van vluchten met anderevliegtuigen. Hierdoor is de administratieve last voor luchthavenexploi-tanten die gepaard gaat met dit amendement voor luchthavenexploi-tanten naar verwachting te overzien.Uit nader onderzoek zal moeten blijken dat voldoende betrouwbaregegevens in de administratie van de luchthavenexploitanten aanwezig isen voldoende handhaafbaar en uitvoerbaar is. Hiervoor zal overleg plaatsvinden met de luchthavenexploitanten en de Belastingdienst. Een nadereverkenning van de uitvoerbaarheid van de maatregel zal plaats vinden viaeen uitvoeringstoets.Budgettaire gevolgen amendementenEen deel van de aangenomen amendementen hebben budgettairegevolgen. Deze zijn weergegeven in de onderstaande tabel. Amendement36 812, nr. 47 (Grinwis, Stoffer en Vermeer) heeft het grootste budgettaireffect. Het gevolg van dit amendement is dat een groot tekort in hetinkomstenkader ontstaat in 2026 en 2027. De effecten worden verwerkt inde Voorjaarsnota, waarbij het kabinet zich kan buigen over de budgettairegevolgen en eventuele dekking daarvan.Tabel 1: Budgettaire gevolgen van amendementen BP26in miljoenen euro (+ issaldoverbeterend)20262027202820292030strucstruc. inAangenomen amendementenBP 20261Uitstellen invoering lucratiefbe-langregeling multiplier box 2naar 2028– 45– 45000020282Verhogen arbeidsongeschikt-heidsfonds (AOF) premie met0,02%-punt voor 2026 en 20274545000020283Verhogen bijtellingskortingemissievrij voertuig (EV) naar18% in 2026 en 20% in 2027voor de eerste € 30.000– 35– 54– 62– 50– 4002032Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1136 in miljoenen euro (+ issaldoverbeterend)20262027202820292030strucstruc. inAangenomen amendementenBP 20264Stapsgewijs versoberenyoungtimerregeling mrb doorverhoging leeftijdsgrens naar16 jaar in 2026 en 25 jaar in20272545454545420275Eenmalig indexeren WetBevordering Speur- enOntwikkelingswerk (WBSO)– 5– 5– 5– 5– 5– 520266Aanpakken «grondslag-leenconstructies» in deenergie-investeringsaftrek (EIA)en milieu-investeringsaftrek(MIA)0000007Niet verhogen forfait overigebezittingen box 3 naar 7,78%en niet verlagen heffingsvrijevermogen naar € 51.396– 1.267– 1.267000020288Versnellen afbouw Wet Hillent/m 20411329446076020489Beperken verlaging accijnzenbenzine, diesel en liquifiedpetroleum gas (LPG)144800000202710Invoeren apart tarief vliegbelas-ting voor passagiers vanvliegtuigen met ≤ 19 zitplaatsenper 2030000049492030Totaal effect inkomstenkader– 844– 1.24331591349811Terugdraaien van bezuinigin-gen op het openbaar vervoer(uitgavenkader)1– 224– 224Totaal effect amendementenBelastingplan– 1.068– 1.4473159134981 De verlaging van de brandstofaccijns wordt ingezet ter dekking van amendement 11 (terugdraaien bezuinigen OV) aan de uitgavenkant. Overamendement 11 is nog niet gestemd. Budgettaire gevolgen uitstel ETS2Voorafgaand aan de Europese Milieuraad van 4 november jl. heeft deCommissie gepleit voor een soepelere inwerkingtreding van ETS-2 zoalshet vervroegd veilen van rechten. Tijdens de Europese Milieuraad van4 november jl. is besloten tot het voornemen om het tweede Europeseemissiehandelssysteem (ETS2) met een jaar uit te stellen. ETS2 starthierdoor pas in 2028 in plaats van in 2027, wat leidt tot een inkomsten-derving. Het laatste jaar waarin uitstootrechten worden uitgegeven blijft2043. Zoals in de brief bij het verslag van de Milieuraad aan uw Kamer isgemeld is er – conform de begrotingsregels – sprake van een dekkings-opgave als gevolg van de Europese aanpassingen in het ETS2. ETS2 isnamelijk onderdeel van het inkomstenkader. Precieze omvang van dedekkingsopgave is nog niet bekend en afhankelijk van de interactie tussende het uitstel en de overige voorstellen, die momenteel worden uitge-werkt. De budgettaire gevolgen zijn desalniettemin naar verwachtingsignificant voor in ieder geval 2027, waarvoor momenteel 4 mld. aanETS-2 inkomsten zijn ingeboekt (zie onderstaande tabel). De budgettairegevolgen worden meegenomen in de voorjaarsbesluitvorming endaarmee integraal gewogen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1137 Reeds ingeboekte inkomsten ETS2 in mln. euro (t/m 2030)20262027202820292030ETS2-inkomsten (inclusiefopt-in)04.0402.9602.4902.340 De Minister van Financiën,E. HeinenDe Staatssecretaris van Financiën,E.H.J. HeijnenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1138
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.