KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een commissiedebat, gehouden op 5 december 2024, over Jeugdbescherming

14 jan 2025 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie e85490005804343e · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202531 839JeugdzorgNr. 1062 VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBATVastgesteld 14 januari 2025 De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid en de vaste commissievoor Volksgezondheid, Welzijn en Sport hebben op 5 december 2024overleg gevoerd met de heer Karremans, Staatssecretaris Jeugd,Preventie en Sport, en de heer Struycken, Staatssecretaris Rechtsbe-scherming, over:–de brief van de Minister voor Rechtsbescherming d.d. 24 okto-ber 2023 inzake bestuurlijke afspraken over landelijk tariefjeugdbescherming en jeugdreclassering (Kamerstuk 31 839,nr. 986);–de brief van de Minister voor Rechtsbescherming d.d.18 december 2023 inzake voortgangsbrief uithuisplaatsingenkinderopvangtoeslagaffaire (UHP KOT) december 2023(Kamerstuk 31 839, nr. 989);–de brief van de Minister voor Rechtsbescherming d.d. 19 janu-ari 2024 inzake nieuwe aanwijzingen aan de certificerendeinstelling inzake jeugdbescherming (Kamerstuk 31 839,nr. 991);–de brief van de Minister voor Rechtsbescherming d.d. 31 janu-ari 2024 inzake rapport Adviescommissie Rechtsbeschermingen Rechtsstatelijkheid in het Toekomstscenario kind- engezinsbescherming (Kamerstuk 31 839, nr. 992);–de brief van de Minister voor Rechtsbescherming d.d. 24 april2024 inzake beleidsreactie op het rapport «Kinderen en oudersmet recht goed beschermd» van de Adviescommissie Rechts-bescherming en Rechtsstatelijkheid in het Toekomstscenariokind- en gezinsbescherming (Kamerstuk 31 839, nr. 1018);–de brief van de Minister voor Rechtsbescherming d.d. 31 mei2024 inzake incident pleeggezin Vlaardingen (Kamerstuk31 015, nr. 274);–de brief van de Minister voor Rechtsbescherming d.d. 12 juni2024 inzake voortgang ondersteuning uithuisplaatsingenkinderopvangtoeslagaffaire (Kamerstuk 31 839, nr. 1022);–de brief van de Staatssecretaris Rechtsbescherming d.d.7 oktober 2024 inzake RSJ-advies Kind-onveiligheid incomplexe (ex-)partnerrelaties (Kamerstuk 31 839, nr. 1026); kst-31839-1062ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 10621 –de brief van de Staatssecretaris Rechtsbescherming d.d.14 oktober 2024 inzake beantwoording vragen commissie overde beleidsreactie op het rapport «Kinderen en ouders metrecht goed beschermd» van de Adviescommissie Rechtsbe-scherming en Rechtsstatelijkheid in het Toekomstscenariokind- en gezinsbescherming (Kamerstuk 31 839, nr. 1018)(Kamerstuk 31 839, nr. 1027);–de brief van de Staatssecretaris Rechtsbescherming d.d.15 oktober 2024 inzake WODC-onderzoek Evaluatie van depilot kosteloze rechtsbijstand kinderbescherming (Kamerstuk31 839, nr. 1028);–de brief van de Staatssecretaris Rechtsbescherming d.d.18 november 2024 inzake contouren wetsvoorstel ter verster-king van de rechtsbescherming in de jeugdbescherming(Kamerstuk 31 839, nr. 1047);–de brief van de Staatssecretaris Rechtsbescherming d.d.2 december 2024 inzake verzamelbrief jeugdbescherming(Kamerstuk 31 839, nr. 1048).Van dit overleg brengen de commissies bijgaand geredigeerd woordelijkverslag uit.De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid,PoolDe voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn enSport,MohandisDe griffier van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid,BroodTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 10622 Voorzitter: PoolGriffier: MeijerAanwezig zijn negen leden der Kamer, te weten: Bruyning, Ceder, Dobbe,Dral, Paulusma, Pool, Smitskam, Westerveld en Wijen-Nass,en de heer Karremans, Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport, en deheer Struycken, Staatssecretaris Rechtsbescherming.Aanvang 10.02 uur.De voorzitter:Een hele goede morgen, allemaal. Het is 5 december, de mooiste dag vanhet jaar. Ik open bij dezen het commissiedebat over Jeugdbescherming.Hartelijk welkom aan onze twee Staatssecretarissen. Welkom aan deleden; we zijn met een flink aantal. We hebben hier vandaag tot 13.00 uurde tijd, dus ik wil u een beetje wijzen op de urgentie van uw spreektijd endat soort dingen. De spreektijden zijn vier minuten, met daarbij voor udrie interrupties in deze eerste termijn. Dan geef ik nu als eerste hetwoord aan mevrouw Dral. Gaat uw gang.Mevrouw Dral (VVD):Dank u wel, voorzitter. In de huidige jeugdbescherming krijgen kinderen,gezinnen en huishoudens niet de hulp en bescherming die nodig is. Dieschokkende constatering komt nota bene van Jeugdzorg Nederland. Eenbijzonder tragisch en schrijnend voorbeeld is het geval van het pleegkindin Vlaardingen. Daarnaast zijn er helaas nog vele andere voorbeeldenwaaruit blijkt dat het systeem – let wel: het systeem; ik heb het niet overde professionals – van de jeugdbescherming faalt. Het gaat ten koste vanhet kind. De VVD is van mening dat het belang van het kind altijd vooropmoet staan. Voor een goed besef: wij zitten hier nu bij elkaar in een veiligeomgeving. Elders in ons land zijn er nu angstige, onveilige en bedreigdekinderen die niet worden beschermd. Het huidige systeem heeft daargeen antwoord op en loopt vast in risicomijdend gedrag, een afvink-cultuur en wachtlijsten. Op dit moment doet een op de zeven kinderen eenberoep op jeugdhulp. 25 jaar geleden was dit aantal 1 op de 27. Mijnvraag aan de Staatssecretaris is of hij inzicht heeft in de oorzaak hiervan.Zo ja, wat wordt er ondernomen om dit te stoppen?Sinds enige jaren is in een aantal gemeenten ervaring opgedaan metproeftuinen Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming, TKG.Daarbinnen heeft ontschotting plaatsgevonden en is er ruimte gecreëerdom anders met regelgeving om te gaan. Het resultaat: een snelleredoorloop, substantieel lagere kosten en positieve ervaringen van kinderenen hun ouders. In deze opzet wordt het gezin direct centraal gezet. Ook isde benodigde expertise integraal beschikbaar, in plaats van volgordelijk,zoals nu. Die volgordelijkheid kost namelijk heel veel tijd. Het TKG lijkt hetbelang van het kind beter te waarborgen, en het is in de praktijk metprofessionals uitgewerkt en getoetst. Om de mogelijkheden die het TKGbiedt, goed over het voetlicht te krijgen, heb ik het initiatief genomen vooreen rondetafelgesprek. De urgentie daarbij is dat de financiering van deproeftuinen afloopt na 2025.De betrokken ministeries zijn positief over de resultaten van het TKG. Decommissie-Van Dooijeweert is ook positief, maar stelt wel dat in detoekomst de huidige onafhankelijke rol van de Raad voor de Kinderbe-scherming en de jeugdreclassering in het kader van de rechtsbescherminggehandhaafd moet blijven. De commissie heeft zich bij dit advies beperkttot de juridische dimensies. De praktijk van alledag – denk aan hetverstopte systeem en de wachtlijsten – is er niet in betrokken. Deministeries geven aan het advies in dit opzicht te willen volgen. Binnenhet TKG hebben professionals daarover breed een andere opvatting. ZeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 10623 willen de genoemde rollen integreren binnen het TKG. Ze pleiten ervoorde rechter een veel sterkere ondersteuning te geven om zo het onafhan-kelijk oordeel als onderdeel van de rechtsbescherming te waarborgen. Indit verband is wellicht de praktijk in België interessant.Vanuit het TKG wordt verder aangegeven dat de rechtsbescherming in depraktijk van de jeugdbescherming andere eisen stelt en anders uitwerktdan wat de commissie voor ogen heeft. Dat betreft bijvoorbeeld hetbelang van uniformiteit bij de jeugdbeschermingsmaatregel. De praktijkbinnen het TKG laat zien dat de omstandigheden bij zo’n maatregelzodanig individueel zijn dat dit altijd maatwerk vergt en gebaat is bij eenintegrale afweging. Die is binnen het TKG beschikbaar. Gaat het dus nuom uniformiteit of om maatwerk? Ook het onderzoek van professorBruning naar de rechtsbescherming in de jeugdbescherming toont aandat rechtsbescherming in deze context meer vergt dan een formeel-juridische benadering.Ik rond af. De VVD wil, gegeven dit alles, het TKG in dit verband thebenefit of the doubt gunnen, en dus niet bij voorbaat alle rollen van deRaad voor de Kinderbescherming en de jeugdreclassering buiten dewerkwijze van het TKG houden. In plaats daarvan willen we de uitwerkingvan de rechtsbescherming in de keten, inclusief de rollen en de ophangingdaarvan, werkende weg en via monitoring in de praktijk vormgeven. Zokan gefundeerd worden uitgezocht wat in de praktijk werkt, met alsbelangrijkste richtsnoer: wat werkt het beste voor het kind en het gezin?Mijn vraag aan de Staatssecretaris is hoe hij hiertegen aankijkt. Ik zal in detweede termijn een tweeminutendebat aanvragen om een motie in tedienen.Dank u wel.De voorzitter:Mevrouw Westerveld heeft nog een interruptie voor u.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Yes, want ik hoorde hele mooie woorden over onder meer het toekomst-scenario jeugd. Ik hoorde dat daar ruimte voor moet zijn. Wat echter inieder geval niet helpt, is dat er een forse bezuiniging aan zit te komen, ookop de jeugdbescherming. Die bezuiniging loopt op naar 7 miljoen. Daar zitook onder meer het toekomstscenario bij. We gaan vanmiddag stemmenover een amendement dat door mevrouw Lahlah en mij is ingediend. Ikhoop dan – dat is ook mijn vraag – dat de VVD ook voor dit amendementgaat stemmen om die bezuiniging op de jeugdbescherming terug tedraaien.Mevrouw Dral (VVD):Dat is iets waar ik bij u op terugkom, om de volgende reden. In mijn optiekgaat het niet altijd over geld. Het is zeker nodig, zeker als we op dit terreineen transitie willen. Dan is er geld nodig. Mijn eerste vraag – die heb ik netook aan de Staatssecretaris gesteld – gaat echter vooral over dehoeveelheid kinderen in de jeugdzorg. Want als er minder kinderen in dejeugdzorg zitten – dat zou volgens mij ook goed zijn voor het kind – zal erminder geld nodig zijn. Dat is mede omdat die proeftuinen hebbenbewezen dat het efficiënter en goedkoper kan. Het gaat uiteindelijk om hetbelang van het kind. Als dat betekent dat er geld nodig is voor die transitiedie nu nog niet is vastgelegd, dan ga ik me daar zeker hard voor maken.Het gaat namelijk uiteindelijk over het kind, en niet over het systeem.De voorzitter:Er is nog een interruptie van mevrouw Westerveld.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 10624 Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Vergeef me als ik misschien wat pinnig klink, maar ik wil me eigenlijk nietlaten vertellen dat het mij alleen om geld zou gaan. Ik ben nu al zeven jaarKamerlid, en al zeven jaar doen wij voortdurend voorstellen om het beterte maken. Dat gaat echt lang niet alleen over geld. Al zeven jaar stellen wijeen heel aantal van de vragen die mevrouw Dral ook stelt. We lopen ookal zeven jaar tegen bewindspersonen aan, ook van VVD-huize, die er naarmijn idee te weinig aan hebben gedaan. Mijn vraag was de volgende. Hethelpt in ieder geval niet om te bezuinigen op iets dat goed werkt. Weweten van alle problemen in de jeugdbescherming. Dan is toch het laatstedat helpt: bezuinigen op dit soort mooie initiatieven, zoals dat toekomst-scenario, dat gewoon goed loopt? Mijn tweede vraag is: dat moeten wedan toch niet willen?Mevrouw Dral (VVD):Volgens mij ben ik mijn eerste beantwoording heel duidelijk geweest enheb ik ook gezegd dat ik een rondetafelgesprek ga organiseren omdat heturgent is, omdat de financiering na 2025 ophoudt. Volgens mij heb ik daarook een reactie op gegeven. Ik zou een handreiking willen doen. Volgensmij moeten we hier niet met elkaar lopen te jij-bakken. U maakt zich ernamelijk hard voor en volgens mij zitten we hier allemaal met hetzelfdedoel: het gaat over het belang van het kind. De kinderen die nu in dezekwetsbare situatie zitten, zitten gewoon enorm in de knel. Volgens mij zijner hele mooie voorbeelden, onder andere dat van die proeftuinen, dat hetanders kan. En het moet vooral ook anders. Volgens mij moeten we metz’n allen moedig voorwaarts.De voorzitter:Mevrouw Westerveld, voor haar laatste interruptie.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Zeker, voorzitter. Ik ben het er helemaal mee eens dat we met elkaarmoedig voorwaarts moeten gaan. Mijn punt is alleen dat de Kamereigenlijk al jaren hetzelfde vindt. Wij vinden al jaren met elkaar dat hetbeter moet en al jaren spreken we met elkaar bewindspersonen aan. Mijnbezwaar is wel – dan kijk ook naar de rol van de Kamer – dat we vaak nietdoorpakken op momenten dat het echt nodig is. Ik hoop ook dat dezecommissie dat de komende jaren anders gaat doen en dat de Kamer opeen gegeven moment ook echt met de vuist op tafel slaat, als het gaat omde verdeling van budgetten en als we zien dat er dingen gebeuren dieecht niet door de beugel kunnen. Ik hoop dat de Kamer dan zegt «zo doenwe het niet» en het kabinet terugroept.De voorzitter:Dank u wel. Mevrouw Dobbe heeft ook nog een interruptie.Mevrouw Dobbe (SP):Zal ik even wachten tot de bel stopt?De voorzitter:Dat is goed, hoor. Laten we even wachten.Gaat uw gang.Mevrouw Dobbe (SP):Dank aan mevrouw Dral voor haar inbreng. Die straalt heel veel urgentieuit, en die urgentie delen wij denk ik allemaal. Het klopt: jongeren zitten inde knel. Dat mag niet en dat hoeft ook niet. We weten namelijk waar hetknelt; we moeten het alleen oplossen. Dat is het. Het gaat niet alleen overgeld. Deze discussie hebben wij echter niet alleen met mevrouw Dral,maar ook met haar collega’s, als het bijvoorbeeld gaat over jeugdzorg enTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 10625 die bezuiniging van 1 miljard euro op de jeugdzorg die eraan komt in dehervormingsagenda. Telkens krijgen we het antwoord: het gaat niet alleenover geld. Nee, dat is waar, maar, aan de andere kant, als je er zo veel geldweghaalt zonder dat je weet dat het kan en terwijl er nog geen maatre-gelen zijn genomen die geld opleveren – het kan inderdaad efficiëntermaar het gaat nog niet efficiënter – dan gaat dat knellen. Dat knelt altijd opde werkvloer. Als de urgentie zo hoog is en de jongeren nu in de knelzitten, wil ik dan toch van de VVD een reflectie op dit punt.Mevrouw Dral (VVD):Volgens mij is de reflectie heel duidelijk, als u goed naar mijn betoog heeftgeluisterd. Het tweede punt is het volgende. Ik kom met een motiewaarmee ik zal oproepen om de huidige proeftuinen door te laten gaan.Zoals het er nu ligt, wordt er namelijk in het advies van Van Dooijeweertgezegd: laten we deze rollen apart houden en in beton gieten. Mijnpleidooi zou zijn: wacht er nou even mee; geef de professionals de ruimteom die proeftuinen verder uit te werken, en rol ze ook op andere plekkenin het land uit. Volgens mij is dat dus een prima reflectie.De voorzitter:Mevrouw Dobbe, een tweede interruptie.Mevrouw Dobbe (SP):Het is natuurlijk prima, hè. Er zijn heel veel proeftuinen in Nederland. Alshet iets oplevert: hartstikke goed! De kans dat het al in 2025 die bezui-niging oplevert die vanaf 2025 gaat lopen, is natuurlijk niet groot; zegmaar: nihil. Dáár wil ik dus graag een reflectie op. Het is te snel en debezuiniging, de besparing, is nog niet gehaald.Mevrouw Dral (VVD):Ik blijf in herhaling vallen, met alle respect. Ik ben nu bij twee werkbe-zoeken over die proeftuinen geweest. Echt respect, fantastisch hoe dieworden georganiseerd. Het is zeker wel goedkoper. Het moet dus gaanover het feit dat het wel werkt voor het kind. Dat is volgens mij welbewezen. Sterker nog, volgens mij weten professionals het het allerbesteen moet het vanuit de praktijk worden opgebouwd. Uiteindelijk zijn dieproeftuinen goedkoper. Ik heb net al iets gezegd over transitiekosten,kosten om het om te vormen. Op dit moment is dat nog niet begroot,maar ik ga me daar zeker hard voor maken. Waarom zou je namelijk eenoud systeem dat niet werkt en waarin kinderen dagelijks wordenbeschadigd, in stand houden als je weet dat er een ander systeem is datgoedkoper en efficiënter is? Er moet dus een omslag komen. Dat kost gelden daar zal ik me hard voor maken.Mevrouw Dobbe (SP):Natuurlijk helemaal mee eens. Alleen, het is nu december en dezebezuinigingen gaan in vanaf januari. Die besparingen die nu wordeningeboekt, die bezuinigingen die over een paar weken al ingaan, zijn dannog niet gehaald. Kinderen die nu in knel zitten, krijgen daar dan last van.Dat is de reflectie die ik vraag. Ik hoef niet te horen dat het beter kan, wantongetwijfeld kan er heel veel beter. Professionals werken keihard en doenhartstikke goed werk. Alleen, wat de VVD nu voorstelt, is niet realistisch.Daar wil ik een reflectie op.Mevrouw Dral (VVD):Ik blijf in herhaling vallen. Volgens mij geef ik een heel realistisch beeldvan hoe we er als VVD in staan. Volgens mij is het ook zeker haalbaar,zeker met de motie die ik ga maken. Die wil juist de professionals, hetsysteem dat wél werkt, de ruimte geven om vanuit de praktijk op tebouwen wat bewezen goedkoper is. Nog veel belangrijker is dat het heelTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 10626 goed is voor het kind en het gezin, omdat veel minder kinderen bij deRaad voor de Kinderbescherming komen. Daar moet het over gaan endaar wil ik met u de discussie over voeren.De voorzitter:Goed, dank u wel. Dan is nu het woord aan mevrouw Westerveld voorhaar betoog.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Dank, voorzitter. Een maand geleden zaten wij ook bij elkaar en hoorde ikurgentie in de woorden van de Staatssecretaris Rechtsbescherming. Hetwas in het debat over de begroting Jeugd. Des te groter was mijnverbazing toen na dat debat een subsidietaakstelling bekend werd metdaarin een forse bezuiniging op de jeugdbescherming. Dat is in 20251,1 miljoen, oplopend tot 6,9 miljoen in 2028. Hoe rijmt de Staatssecretarisdeze bezuiniging met, in zijn eigen woorden, de acute nood in dejeugdbescherming? Ziet hij ook hoe die de sector raakt? Jeugdbe-schermers werken zo enorm hard. We erkennen met elkaar dat dewerkdruk hoog is en dat ze ontzettend hard hun best doen om de sectorbeter te maken. Maar nu zien zij opnieuw een bezuiniging tegemoet. Hoerijmt de Staatssecretaris zijn eigen mooie woorden over de proeftuinen– we hoorden net ook al dat er hele mooie dingen gebeuren – met degeplande extra bezuiniging op die proeftuinen?Samen met collega Lahlah heb ik dus een amendement ingediend. Daargaan we vanmiddag over stemmen. Ik hoop dus ook op steun van dezeKamer om in ieder geval deze bezuiniging terug te draaien, want ik vindhet onuitlegbaar om in deze periode van grote crisis nog extra te gaanbezuinigen terwijl we weten dat kinderen in de knel zitten. En diebezuinigingen gelden dan juist voor de organisaties die we vragen om hetop te lossen.Voorzitter. Ik lees in de brief van de Staatssecretaris dat er sprake is vaneen dalend aantal kinderen in de jeugdbescherming en ook van een dalingvan de gemiddelde workload bij jeugdbeschermers, maar dat dewachtlijst wel langer is geworden. Ik zou de Staatssecretaris willen vragenhoe dit precies kan. Ik kon die cijfers niet goed plaatsen. Kan hij uitleggenhoe dit komt? Hoe gaat hij de wachtlijsten aanpakken? Ook de inspectieconcludeerde namelijk in oktober nog dat vijf jaar na hun rapport,Kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd, nog steeds niet elk kindpassende bescherming en hulp krijgt. Al vijf jaar lang luiden de inspectiesde alarmklok en schrijven ze elke paar maanden een signaalbrief naar deKamer, waarin ze nog een keer hun bezorgdheid over kwetsbare kinderenbeschrijven. Ze geven in die brieven ook altijd een aantal concretepraktijkvoorbeelden. Af en toe krijg ik het daar koud van. We lezen ook datkinderen die in een risicovolle situatie zitten, nog steeds geenbescherming krijgen. We konden in de recente brief ook weer lezen dathet dan echt over honderden kinderen gaat. Dit zijn ook de meestkwetsbare kinderen. Ik hoor graag van de Staatssecretaris wat hij ervanvindt dat de inspectie het toezicht nu anders gaat inrichten.Voorzitter. Ik lees dat de Staatssecretaris mijn aangenomen motie dievraagt om zo snel mogelijk een wetsvoorstel te maken voor een landelijktarief voor kinderbeschermingsmaatregel en jeugdreclassering, anders wilinvullen dan beloofd door zijn voorganger. Zijn voorganger zei: ik wil ditwetsvoorstel in de tweede helft van 2025 bij de Kamer hebben. Maar dezeStaatssecretaris zegt: nee, ik ga één wetsvoorstel maken voor standaardi-satie van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclas-sering; ik informeer u dan over de voortgang voor de zomer van 2025.Maar informeren is wat anders dan indienen. Ik ben bang dat het nogjaren kan duren, zeker als we beseffen dat de standaardisatie van allevormen van jeugdzorg in dit wetsvoorstel meegenomen moet worden. Ikwil dus graag een reactie daarop. Ik wil nog even zeggen: we wachten alTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 10627 op heel veel wetsvoorstellen van deze Staatssecretaris en de andereStaatssecretaris, die hem vandaag souffleert.Voorzitter. Ik heb nog een laatste vraag aan Staatssecretaris Karremans.Vorige week las ik zijn interview in de NRC. Daarin vertelde hij ook overwat hij zelf had meegemaakt. Dat raakt mij natuurlijk en ik neem aan ookde lezers. Het was een indringend interview. Tegelijkertijd merkte ik dat dezaken waarover hij verderop in dat interview iets zei, kwaad bloed zette bijonder meer jeugdbeschermers en hulpverleners. Mijn concrete vraag aande Staatssecretaris is: hoe gaat hij zorgen dat die relatie met hen goedkomt? Jeugdbeschermers, hulpverleners en wij hebben elkaar dekomende jaren namelijk keihard nodig.De voorzitter:Ik dank u hartelijk voor uw inbreng. Dan geef ik het woord aan de heerSmitskam.De heer Smitskam (PVV):Dank u wel, voorzitter. Er is veel aandacht voor hetgeen het meisje inVlaardingen is aangedaan, en terecht. In mijn betoog wil ik dit eigenlijk alsvoorbeeld nemen om het haperen van ons rechtssysteem aan de kaak testellen.De mishandeling van het 10-jarige meisje in Vlaardingen roept diepeafschuw en verontwaardiging op. Het kind, dat op meerdere momentenhaar noodsignalen uitzond, werd compleet genegeerd door degenen diehaar juist hadden moeten beschermen. De ernst van haar verwondingen,waaronder botbreuken en hersenletsel, getuigt van een gruwelijke enlangdurige kwelling binnen een omgeving die veilig had moeten zijn.Ondanks de vele zorgen en meldingen vanuit verschillende hoekenfaalden de instanties om in te grijpen, waardoor dit jonge leven voor altijdwerd getekend. Het feit dat dit meisje, dat alleen maar liefde en zorg nodighad, deze onvoorstelbare wreedheid heeft moeten doorstaan, is eenbeschamende schaduw op ons jeugdzorg- en rechtssysteem. Mijn eerstevragen aan de Staatssecretaris zijn dan ook als volgt. Hoe vaak bestaat ereen vermoeden dat pleegouders zich schuldig maken aan kindermishan-deling? Wordt dit geregistreerd? Hoe wordt hierop geacteerd?Voorzitter. Het raakt ons allemaal enorm, maar dat is niet genoeg. Er isnoodzaak tot actie. Het is in het verleden eerder gebeurd en het zal in detoekomst opnieuw gebeuren als we niet nu, voor eens en voor altijd,duidelijk krijgen wie eindverantwoordelijke is. Instanties en mensenmoeten vervolgens ook verantwoordelijk worden gehouden.Voorzitter. Pleegzorgorganisatie Enver, de kinderrechter, de Raad voor deKinderbescherming, de stichting William Schrikker, een speltherapeut, deschool, de leerplichtambtenaar, Veilig Thuis en tot slot ook de politie:allemaal waren zij betrokken, maar geen van hen nam de verantwoorde-lijkheid. Behalve dat er hier en daar melding werd gemaakt van mogelijkemisstanden, heeft geen enkele instantie dit meisje in bescherminggenomen en accepteert geen van hen aansprakelijkheid. Dit is zeerverwerpelijk.Ik vraag de Staatssecretaris om duidelijk in kaart te brengen wie waarvoorverantwoordelijk is en wie de uiteindelijke eindverantwoordelijkheiddraagt wanneer het gaat om uithuisplaatsing van kwetsbare kinderen.Welke instantie is verantwoordelijk voor wat in het totale proces vanuithuisplaatsing, controle op de pleegouders en het tijdig ingrijpen terbescherming van kinderen? Ook verzoek ik de Staatssecretaris om teonderzoeken op welke wijze er duidelijke kaders geschept kunnen wordenin de ketens van verantwoordelijkheid, om daarnaast de mogelijkheid teonderzoeken om zo nodig tot strafrechtelijke vervolging over te gaan bijernstige fouten en nalatigheid.Wie een kind wegneemt bij zijn biologische ouders, heeft de plicht ervoorte zorgen dat het kind veilig is. Laat dat duidelijk zijn. Is de wijze waaropTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 10628 pleegouders gescreend worden wel echt voldoende? Wij gaan ervan uitdat de grote meerderheid van de pleegouders zich met de beste intentiesheeft aangemeld, maar we mogen niet uitsluiten dat de maandelijksepleegoudervergoeding van tussen de € 700 en € 900 per kind, voorkwaadwillende mensen een reden kan zijn om zich aan te melden terwijlde oprechte intentie ontbreekt om goed voor die kwetsbare kinderen tezorgen. Is de Staatssecretaris bereid om te onderzoeken hoe de screeningvan pleegouders kan worden verbeterd?Tot slot, voorzitter. Uit nieuwsberichten komt naar voren dat bij depleegouders in de zaak van het meisje in Vlaardingen, eerder tweepleegkinderen, twee jongetjes, zijn weggehaald. De nieuwe pleegmoederheeft direct aan de bel getrokken. De jongetjes waren namelijk bont enblauw geslagen en er waren sporen van op het lichaam uitgedruktesigaretten. Kan de Staatssecretaris uitleggen hoe het in vredesnaammogelijk is dat dit pleeggezin daarna gewoon weer de zorg voor tweeandere kinderen kreeg toegewezen? Moet niet eerlijk worden toegegevendat de verschrikkelijke mishandeling van dit meisje voorkomen hadkunnen en moeten worden door de pleegouders direct op een zwarte lijstte plaatsen? Aan de Staatssecretaris de vraag om te onderzoeken hoeverplicht gesteld kan worden dat als een kind weggehaald wordt bijpleegouders vanwege mishandeling, eventueel aanwezige anderepleegkinderen direct in veiligheid gebracht worden en daar ook nooitmeer pleegkinderen worden ondergebracht. Het beleid moet gericht zijnop voorkomen, want genezen kan en mag in dit soort gevallen geen optiezijn.Dank u.De voorzitter:U bedankt. Dan is het woord aan mevrouw Paulusma. MevrouwWesterveld, ik waardeer uw inzet, maar u heeft maar drie interrupties,anders lopen we echt gierend uit de tijd.Mevrouw Dobbe (SP):Ik gun mevrouw Westerveld nog wel een extra interruptie.De voorzitter:Dat gaan we niet doen. Mevrouw Paulusma is aan het woord.Mevrouw Paulusma (D66):Dank u wel, voorzitter. «Verantwoordelijkheden doorschuiven, wegkijken,een gebrek aan visie, lef, leiderschap en daadkracht in een afrekencultuur;de jeugdzorg heeft een structureel probleem.» Dit schreef Jan Struijs,oud-voorzitter van de Politiebond, over de mishandeling van hetpleegmeisje in Vlaardingen. Het kabinet weet ook: het is vijf over twaalf. Ikspreek met hulpverleners binnen de jeugdbescherming en die geven aandat het een kwestie van tijd is voordat het opnieuw volledig misgaat. Debewindspersonen lijken af te wachten, maar dit kan niet meer. Dus welkestappen neemt de Staatssecretaris op korte termijn om het volgendeschrijnende geval te voorkomen?Voorzitter. We zien keer op keer dezelfde aarzeling om in te grijpen. Erwordt een melding gedaan bij Veilig Thuis, jeugdzorg en de kinderbe-scherming, maar zelfs bij concrete signalen dat het fout gaat, wordt ergeen actie ondernomen. Hoe frustrerend moet dat zijn voor wijkagentendie heel goed weten in welke huizen de thuissituatie niet deugt, of voorhuisartsen die vermoeden dat een kind wordt mishandeld, maar geeninformatie hebben over de thuissituatie? Zij gaan er niet over, maarmoeten wel toezien hoe de situatie verslechtert. Ik vraag de Staatssecre-taris: waarom is er zo’n beperkt handelingsperspectief voor dezeprofessionals en wordt de verantwoordelijkheid voor een kwetsbaar gezinkeer op keer doorgegeven? Welke obstakels ziet de Staatssecretaris inTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 10629 wetgeving en regelingen van hulpverleners om in te grijpen bij huiselijkgeweld? Welke privacywetgeving staat agenten, jeugdzorg en anderehulpverleners in de weg om informatie uit te wisselen?Voorzitter. Er zijn veel pleeggezinnen waarvan wordt getwijfeld over hunveiligheid. Hulpverleners en omstanders voelen aan hun water dat er ietsniet klopt. Toch wordt er weer een kind bij zo’n gezin geplaatst. Zo ook inVlaardingen, waar eerder al drie kinderen waren mishandeld. Wachtlijstenen een tekort aan pleeggezinnen mogen er nooit voor zorgen dat kinderenin onveilige gezinnen blijven. Als dat toch gebeurt, zou je verwachten datde toezichthouder zo’n situatie meteen signaleert en dat de pleegzorgstopt. Wat gaat de Staatssecretaris doen om ervoor te zorgen dat er wordtingegrepen in pleeggezinnen waarbij twijfel bestaat over de veiligheid vankinderen? Hoe kunnen we beter luisteren naar de zorgen van het kind?Zijn er mogelijkheden om de rechtsbescherming van kinderen ingezinshuizen en pleeggezinnen te versterken?Voorzitter. Er zijn ook pleegouders – laten we dat niet onbenoemd laten –die fantastisch werk leveren. Maar ook naar hen wordt te weinigomgekeken. Er is niemand die hun ondersteuning biedt of hen vraagt ofzij het nog wel redden met de rekeningen van de opvang of van alleandere kosten die het met zich meebrengt. Dat horen wij van pleegoudersdie het fantastisch doen, terwijl we juist deze mensen keihard nodighebben. Wat gaat de Staatssecretaris doen om ervoor te zorgen datpleeggezinnen voldoende ondersteuning krijgen door pleegzorgin-stanties?Voorzitter, ik rond af. Er staat nu weer een vakantieperiode voor de deur.Dat is een tijd die niet voor alle kinderen draait om vrolijke kerstfeesten;voor een heleboel kinderen over wie we het vandaag hebben, is dat eenvan de meest afschuwelijke perioden in hun leven. Ik hoop dan ook vanharte dat de Staatssecretarissen de urgentie en de ernst van de situatie inde jeugdbescherming zien. Want alle kinderen, echt alle kinderen, moetenveilig en gezond de kerstvakantie uit komen en weer naar school gaan.Dank u wel.De voorzitter:U bedankt. Mevrouw Wijen-Nass.Mevrouw Wijen-Nass (BBB):Dank u wel, meneer de voorzitter. Jeugdbescherming is een beladenonderwerp na de gebeurtenissen van de afgelopen jaren. De kranten-koppen over onterechte uithuisplaatsingen, falende kinderbescherming enincidenten zoals in Vlaardingen staan nog goed in mijn gedachten geprint.Maar ik wil vandaag ook mijn waardering uitspreken voor al die jeugdbe-schermers, die dag in, dag uit het beste proberen te doen voor dekinderen. Ik ben blij dat een recent artikel van de NOS laat zien dat dewerkdruk in de jeugdbescherming wel gedaald is. Ik wil vandaag vooralook oplossingsgericht benaderen en het hebben over de volgende punten:het terugdringen van uithuisplaatsingen, de proeftuinen en het Toekomst-scenario kind- en gezinsbescherming.Voorzitter. Uithuisplaatsing is een onderwerp dat veel gezinnen in onsland raakt. Door financiële problemen en sociale onrust zijn veel kinderenuit huis geplaatst, soms zonder directe rechtvaardiging. Om dat terug tedringen, is volgens de BBB het volgende van belang. We vragen om eenbredere uitrol van een verplicht familiegroepsplan bij zorgen. Daaroverzijn ook al enkele moties ingediend, maar we krijgen toch signalen dat hetnog niet helemaal lekker loopt. Ik ben benieuwd hoe de Staatssecretarisdit in de praktijk breder zou willen uitrollen.Voorzitter. Als commissie brachten we onlangs een werkbezoek aan degemeente Utrecht. Daarbij werd gesproken over de ervaring met deproeftuinen van kind- en gezinsbescherming. Hierbij staat de hulpvraagvan het hele gezin centraal en niet alleen die van het kind. Dat is eenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 106210 nieuwe aanpak vanuit de hulpverlening, zodra een kind in het gedrangkomt. Ervaringen in de praktijk leerden hen dat de nieuwe aanpak ervoorzorgt dat veel meer hulpvragen in een vroegtijdig stadium opgelostkunnen worden. Kortom, iedereen was daar heel erg positief over. Ik benheel benieuwd hoe de Staatssecretaris hiernaar kijkt.Ik heb nog wel een kritische kanttekening. Er is namelijk een verschiltussen organisaties waarbij betrokkenen op een vrijwillige manier hulpkrijgen en organisaties die ook in een dwingend kader hulp kunnenopleggen. Denk daarbij ook aan Veilig Thuis. Ik ben heel benieuwd om vande Staatssecretaris te horen hoe die partijen straks met en naast elkaargaan functioneren in die proeftuinen.We hebben ook nog gelezen dat het besluit over de ontwikkelrichting vanhet toekomstscenario alleen door Rijk en gemeentes is genomen. Ikbegreep dat Jeugdzorg Nederland hierin geen invloed of inspraak heeftgehad. Ik ben benieuwd of zij in de toekomst daarin wel worden meege-nomen.Tot slot, voorzitter. Zelf ben ik als sociaal advocaat werkzaam geweest inhet personen- en familierecht. Ik heb dan ook van dichtbij gezien hoeingrijpend de uithuisplaatsing of ondertoezichtstelling van kinderen kanzijn. Dat geldt ook bij gezags- en omgangszaken, als ouders uit elkaargaan en jeugdbescherming om de hoek komt kijken. Dat zijn ingrijpendegebeurtenissen, voor zowel ouders als kind. Het belang van het kind moetin deze zaken altijd vooropstaan. Maar het belang van het totale gezinmag ook niet worden vergeten. Ik ben dan ook heel erg benieuwd naar deverdere ontwikkeling van de proeftuin.Dank u wel, voorzitter.De voorzitter:Dank u wel voor uw inbreng. Mevrouw Bruyning.Mevrouw Bruyning (NSC):Dank u wel, voorzitter. Vandaag debatteren we over jeugdbescherming.Mijn eerste ingeving is: wie zijn we nou aan het beschermen in hethuidige systeem? Zijn dat de gezinnen, jongeren en kinderen, deinstanties, de medewerkers, de maatschappij of onszelf? Verandering kanalleen als je in staat bent om te reflecteren en te leren en om de geleerdelessen de basis te laten zijn van het nieuwe. Hoe komt het dat we debelangrijkste les nog steeds niet hebben geleerd? In het leven is er eenharde waarheid die we allemaal moeten accepteren: het kan vreselijkmisgaan. Ondanks de juiste intentie kunnen we niet iedereen redden enkunnen we niet alles voorkomen. De angst voor verantwoordelijkheid enschuld rechtvaardigt immers niet het te snel ingrijpen in gezinnen waarbijdat achteraf gezien waarschijnlijk niet nodig bleek te zijn.Een veelgebruikt gezegde is: oude wijn in nieuwe zakken. Dit betekent datwe niet in de val mogen trappen van cosmetische veranderingen zonderbetekenisvolle impact. We moeten ons niet laten misleiden door nieuwetermen of kleine beleidsaanpassingen wanneer de kern van de problemenonveranderd blijft. Als ik kijk naar het toekomstscenario, valt bijvoorbeelddirect de term «regionale veiligheidsteams» op. We willen dichtbij of,anders gezegd, naast het gezin staan. Maar hoe kan dat als we in onzebejegening en benadering niet al nadenken over wat woorden kunnendoen? Hoe gaat de Staatssecretaris ervoor zorgen dat dit vanaf nugegarandeerd wordt binnen een toekomstscenario? Belangrijker nog: hoegaat de Staatssecretaris ervoor zorgen dat ervaringsdeskundigen nauwbetrokken worden bij het kiezen van niet alleen de juiste woorden, maarook de juiste kaders?Het is altijd mooi om op papier anders te denken en te doen. Maar eenpapieren werkelijkheid is niet dé werkelijkheid. In de proeftuinen gebeurengoede dingen. Het belangrijkste gegeven is dat de mens vooropstaat endat er buiten de gebaande paden van het bestaande systeem wordtTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 106211 gewerkt. Gezinnen en jongeren voelen zich gehoord en gezien, en krijgenwat ze nodig hebben. Het draait om wat zij aangeven als hun behoefte enniet om wat wordt bepaald als hun behoefte.Deze successen zijn niet opzichzelfstaand, maar hebben allemaal eengemene deler: onbevooroordeeld naast de mensen staan op gelijk-waardige basis vanuit een ondersteunende rol. Hoe is de Staatssecretarisvan plan om van deze denk- en werkwijze door het hele land dé werkwijzete maken, en dit niet alleen te vertalen naar beleid, maar ook te latendoorwerken in wetgeving? Dat gaat niet alleen om dit gegeven. Hoe wil deStaatssecretaris daarnaast omgaan met mensen die in het systeemwerken en niet op een andere manier kunnen of willen werken? Laten wenamelijk niet vergeten dat er, los van de wettelijke veranderingen, ookmenselijke verandering benodigd is om de cultuuromslag en veranderingvan mindset te kunnen garanderen en waarborgen. Er is nog een vraagdie gesteld moet worden, want we zijn tenslotte in Den Haag: hoe gaat deStaatssecretaris de benodigde middelen vrijmaken om de ingezetteverandering te waarborgen en door te zetten?In het kader van rechtsbescherming wil ik het hebben over het hoorrecht.Het hoorrecht van kinderen is een fundamenteel recht. Zij moetengehoord worden in zaken die hen aangaan, zoals vastgelegd in het IVRK.Ze verdienen dan ook een stem in de processen die hun levenbeïnvloeden. Het is een stap in de goede richting dat de leeftijd wordtverlaagd naar 8 jaar. De vraag hoe dit wordt vormgegeven, houdt mijbezig. Is de stem van kinderen hierbij betrokken? In hoeverre is derechtspraak hierop voorbereid?Dan hebben we nog de vrije advocaatkeuze. De vrije advocaatkeuze is eencruciaal element voor rechtsbescherming in de jeugdbescherming enmoet daarom goed worden ingebed in het beoogde wetsvoorstel. Hetdraait immers om de mogelijkheid voor ouders en jongeren om te kiezenvoor een advocaat die zij vertrouwen en die hun belangen het best kanvertegenwoordigen. Is de Staatssecretaris van mening dat dit niet alleenin beleid, maar ook bij wet geregeld dient te worden?Tot slot, voorzitter. Een goede rechtsbescherming bestaat niet alleen uiteen vrije advocaatkeuze en hoorrecht, maar ook uit een gedegenklachtenprocedure, waarheidsvinding, toezicht en de rollen van betrokkeninstanties. Hoe kijkt de Staatssecretaris hiernaar? Kan de Staatssecretaristoezeggen dat hij ook hierin verandering gaat brengen?Dank u wel, voorzitter.De voorzitter:U bedankt. Mevrouw Paulusma heeft een vraag voor u.Mevrouw Paulusma (D66):Ik ken mevrouw Bruyning als een heel gepassioneerde collega op ditonderwerp. Dat was ook zo toen wij samen op de eilanden waren. Zeheeft een grote betrokkenheid, ook voor de mensen daar. De generieketaakstelling die nu op tafel ligt, de forse bezuiniging die dus volgens mijjeugdbescherming raakt, raakt ook jeugdbescherming op de eilanden. Ikben benieuwd wat mevrouw Bruyning daarvan vindt.Mevrouw Bruyning (NSC):Dank u wel voor de vraag, collega Paulusma. Bezuinigen is altijd lastig,zeker als het een moet is; we moeten bezuinigen. Tegelijkertijd hebben weook de taak om met elkaar te kijken waarop en hoe we dat doen. Ik vinddus ook dat we een goed gesprek met elkaar moeten hebben over waaropwe dat doen, hoe we dat doen en wat de gevolgen zijn. Tegelijkertijdmoeten we ook met elkaar kijken wat voor gevolgen het heeft en hoe wedat anders zouden kunnen oplossen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 106212 Mevrouw Paulusma (D66):Maar dat weten we al. Daar heb ik geen glazen bol voor nodig. MevrouwBruyning weet donders goed: als je bezuinigt op een organisatie die zoonder druk staat, zeker op de eilanden, dan gaan er dingen mis. Danwordt de druk te groot, komen de kinderen in de knel en worden dekinderen ook niet geholpen. Wij gaan het amendement van collegaWesterveld steunen. Daar zit een keurige dekking bij. Ik zou me dus heelgoed kunnen voorstellen dat NSC dat ook doet, niet alleen vanuit goedbestuur, maar ook vanuit de betrokkenheid richting de eilanden enkinderen in het algemeen.Mevrouw Bruyning (NSC):Ik hoor wat collega Paulusma zegt. Tegelijkertijd zeg ik: ik moet daaropterugkomen, want we gaan vanmiddag stemmen. Ik heb daar nu noggeen uitsluitsel over, maar weet inderdaad dat ik mij inzet om ervoor tezorgen dat er steun zou kunnen zijn voor dat amendement.Mevrouw Paulusma (D66):Ik had drie interrupties en ik heb er nog één over. Ik hoop echt van hartedat mevrouw Bruyning het dan niet alleen bij woorden laat, want er ziteen keurige dekking bij het amendement. Ik vind het ook onbehoorlijkbestuur dat we dit zo laat doen, terwijl organisaties al in januari aan deslag moeten met minder geld. Dat vind ik ook niet netjes. Ik kan me dusbijna niet voorstellen dat u tegen dit amendement zou stemmen, vanwegehet feit dat NSC goed bestuur zo hoog in het vaandel heeft en vanwegeuw eigen betrokkenheid.Mevrouw Bruyning (NSC):Zoals ik net al heb aangegeven, gaan we daar vanmiddag over stemmen.Ik zal mijn uiterste best doen om ervoor te zorgen dat we iets kunnendoen met de kinderen in nood en de bezuiniging.De voorzitter:U heeft nog een vraag, van mevrouw Wijen-Nass.Mevrouw Wijen-Nass (BBB):Mevrouw Bruyning had het in haar betoog over de vrije advocaatkeuze.Dat gedeelte was mij niet helemaal duidelijk, want die is er momenteel al.Mensen kunnen al kiezen. Waarom zou je dat in dit geval nog een keer zospecifiek vragen?Mevrouw Bruyning (NSC):Inderdaad, op papier is de pilot heel goed vormgegeven. Alleen, ik hebgeluiden gehoord dat de pilot in de praktijk niet goed wordt uitgevoerd.De vrije advocaatkeuze is dus toch niet helemaal vrij. Daarbij vinden ookAVG-schendingen plaats. In het geval er een zaak wordt toebedeeld aande advocaat, heeft de advocaat het dossier namelijk al, zonder dat deouder formeel toestemming heeft gegeven of heeft gekozen voor dieadvocaat. Vandaar dat ik het hier opnieuw aandraag.Mevrouw Wijen-Nass (BBB):Dat betekent dus eigenlijk dat de vrije advocaatkeuze er wel gewoon is,maar dat die in de praktijk niet goed loopt. Mag ik het dan zo begrijpen?Mevrouw Bruyning (NSC):Dat is correct.De voorzitter:Oké, dan hebben we dat opgehelderd. Dan is mevrouw Dobbe nu alsspreker aan de beurt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 106213 Mevrouw Dobbe (SP):Dank u wel, voorzitter. Iedere keer dat wij met mensen spreken overjeugdzorg en jeugdbescherming, horen wij steeds te veel problemen enschrijnende verhalen. We hebben ook in Vlaardingen gezien – dat kwamnet al even langs – hoe erg het mis kan gaan en hoe impactvol dat is. Erzijn te lange wachtlijsten, uithuisplaatsing is niet altijd op orde en somszorgt de inzet van jeugdbeschermingsmaatregelen zelfs voor schade aanjongeren en kinderen. Dat roept ook vragen op over het toezicht en debescherming. Hoe kijkt de Staatssecretaris hiernaar?Commerciële zorgcowboys kunnen winst maken, terwijl jongeren nietaltijd de hulp of bescherming krijgen die ze nodig hebben. Er zijn dusverbeteringen nodig om jongeren en gezinnen in kwetsbare situatiesbetere hulp en ondersteuning te bieden. In de brieven van het kabinetover jeugdbescherming lijkt de urgentie wel gevoeld te worden en lijkterkend te worden dat er echt heel veel beter moet, maar die urgentievertaalt zich wat ons betreft nog onvoldoende naar duidelijke stappen enverbeteringen. De wachtlijsten blijven bijvoorbeeld nog altijd te hoog. Ookals we kijken naar de financiële keuzes van dit kabinet – dat kwam net ookal even langs – zien we die urgentie niet terug. En ja, ik weet wat hetkabinet en de coalitie hierop zullen zeggen: geld lost niet alles op; het gaatom meer dan alleen geld. Ik beweer hier ook absoluut niet dat het alleenmaar gaat over geld, zeker niet. Maar nieuwe miljoenenbezuinigingen opde jeugdbescherming, naast de bezuiniging van een miljard op dejeugdzorg die al stond, gaan absoluut niet helpen als er zaken verbeterdmoeten worden. Doe dit dus niet. Als het dit kabinet echt menens is deproblemen en de jeugdbescherming aan te pakken, dan moeten we eerstde grote problemen oplossen. Pas daarna moeten we kijken wat ereventueel goedkoper kan. Eerst de kinderen, dan de financiële opgave.Bent u het daarmee eens, vraag ik aan de Staatssecretaris.Bovendien mogen kinderen die te maken krijgen met jeugdbeschermings-maatregelen daarna wat ons betreft niet in handen vallen van commer-ciële zorgaanbieders. Die hebben meer met winst maken dan met goedejeugdzorg. Welke stappen is de Staatssecretaris bereid te zetten ompartijen te weren die alleen voor het geld en de winst jeugdzorg enjeugdbescherming aanbieden? Is hij bijvoorbeeld bereid om het winst-verbod uit te breiden naar jeugdbescherming? Hoe staat het met deuitvoering van de motie-Dobbe/Westerveld over een centraal register voorprivate-equitypartijen die actief zijn binnen zorg- en jeugdhulpaanbieders?Op welke termijn kunnen we de resultaten daarvan verwachten?De plannen voor het inrichten van de regionale veiligheidsteams roepenbij ons ook vragen op. Het kabinet kiest er nu voor om die in te richten ophet niveau van 25 veiligheidsregio’s, aangestuurd door gemeenten.Tegelijkertijd is nu het plan om de specialistische jeugdzorg te organiserenin 42 jeugdregio’s. De basale jeugdzorg blijft belegd bij 342 gemeenten.De jeugdreclassering blijft belegd op rijksniveau. Op al die gebieden moetwel worden samengewerkt. Dat is gewoon ontzettend ingewikkeld. Is hetgeen risico om dit allemaal op verschillende niveaus te organiseren?Sowieso is mijn partij er voorstander van om de organisatie van specialis-tische jeugdzorg een rijkstaak te maken. Waarom is er niet gekozen voorcentrale verantwoordelijkheid, ook voor de jeugdbescherming? Watzouden volgens de Staatssecretaris de voor- en nadelen zijn als we datzouden doen?Daarnaast heeft mijn partij zorgen over de mate waarin werknemersworden betrokken bij het toekomstscenario. Zij zijn degenen die uitein-delijk het werk moeten doen. Hoe worden hun inbreng en die van devakbonden geborgd? Hetzelfde geldt natuurlijk voor de kinderen zelf. Hoewordt hun stem beter gehoord? Welk zeggenschap hebben zij? Het ginghier net al eventjes over de vrije advocaatkeuze. Die is volgens mij heelgoed. Hoe kijkt de Staatssecretaris naar de suggesties van pleegzorgad-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 106214 vocaat Erkens om kinderen in de pleegzorg een sterkere eigen stem tegeven, bijvoorbeeld door middel van toegang tot een eigen advocaat?Dank u wel, voorzitter.De voorzitter:U bedankt, voor uw inbreng. Het woord is aan de heer Ceder.De heer Ceder (ChristenUnie):Dank u wel, voorzitter. Excuses, ik moest even de zaal uit.Voorzitter. Het is goed om het vandaag te hebben over de toekomst vanons jeugdzorgstelsel. Ik heb als advocaat jarenlang tientallen zakenbijgewoond en als vertegenwoordiger opgetreden. Ik heb van heel dichtbijde tragiek, de dilemma’s en de spanningen gezien van het moment dateen kind uit huis geplaatst dreigt te worden. Aan de ene kant is er eenveiligheidsnoodzaak: het is belangrijk dat een kind in veiligheid gebrachtwordt. Maar ik heb ook de pijn van ouders gezien die het soms nietkonden begrijpen. Ik heb de frustratie gezien van ouders die niet perfectzijn, maar wel hun best doen. Ze zien een overheid tegenover zich waarbijhet heel ingewikkeld is om feiten en gevoelens nog op de juiste plaats telaten landen.Voorzitter. Het is nog ingewikkelder. Uit onderzoek van de afgelopen jarenblijkt namelijk dat het misschien zelfs schadelijker is als een kind uit huiswordt geplaatst en dat het kind er niet beter van wordt, maar misschienzelfs verslechtert. Daarmee heeft de overheid een medeaandeel in dejeugdzorgproblematiek bij kinderen.Voorzitter. Dit alles vraagt om een nieuw toekomstperspectief en-scenario. Daarom ben ik in ieder geval blij dat dit kabinet en zijnvoorganger al een tijd bezig zijn met kijken hoe verder. Er worden eenaantal ontwikkelrichtingen beschreven. Ik vind het belangrijk dat dieuitgezet worden. Tegelijkertijd is wel de vraag in hoeverre dit financieel terijmen valt. In hoeverre gaat het geld dat beschikbaar gesteld gaatworden, de problematiek oplossen? Het stapelt zich namelijk op. Ik noemde wachtlijsten en onvoldoende personeel.Ik mis nog een passend antwoord van het kabinet op de vraag hoe wij ditgaan oplossen. Ik vrees daarom dat we aan het einde van het kabinet-Schoof – ik weet niet wanneer dat zal zijn – met elkaar constateren dat wewel heel veel hebben opgeschreven, maar het voor de kinderen inNederland helaas niet beter hebben gemaakt.Voorzitter. Er is al veel gezegd en er zijn al veel vragen gesteld. Ik zou nogeen aantal specifieke vragen willen stellen. Ik heb eerder een motieaangenomen gekregen om daar waar een kind thuis in een onveiligesituatie zit, niet het kind uit zijn of haar omgeving te halen, maar te kijkenof een ouder misschien tijdelijk uit huis geplaatst kan worden, om heteven zo te zeggen. Daarmee bedoel ik dat het kind met familie of anderekennissen in dezelfde omgeving kan blijven en naar school kan gaan,omdat het onveiligheidsaspect, namelijk een ouder, verwijderd wordt, enniet het kind. Ik vraag me af wat er met die motie is gebeurd. Volgens mijzou daar namelijk een deel van de oplossing kunnen zitten wat betreftervoor zorgen dat er verbetering optreedt voor een kind.Voorzitter. Ik heb ook vaak in de rechtszaal gezien dat ouderverstoting eengroot probleem is. Ik heb mannen huilend tegenover me gehad. Zijervaren dat er in het huidige stelsel onvoldoende borging is dat oudershet recht op omgang daadwerkelijk kunnen effectueren. Ik vraag me afwelke stappen daarin gezet worden, juist ook omdat het recht op omgangniet per se aan de ouder, maar aan het kind toebehoort. Om die reden zouhet om extra inzet van het kabinet moeten vragen.Voorzitter. De vragen over de financiën zijn gesteld. Die laat ik dus zitten.Maar ik heb eerder bepleit dat het financieel zou helpen als de rechter bijhet beslissen in een zaak meer gebruikmaakt van het instrumentarium datvoorhanden is. Dat zou bijvoorbeeld kunnen zijn dat er, daar waarTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 106215 bijvoorbeeld sprake is van een complexe scheiding, in plaats van dat eenuithuisplaatsing gelijk goedgekeurd wordt, de ouders worden verplichtom eraan te werken of andere maatregelen te nemen. Zo wordtvoorkomen dat de vergaande maar ook dure noodoplossing van eenuithuisplaatsing uiteindelijk geëffectueerd moet worden.Voorzitter, ik wil het hierbij laten. Volgens mij is mijn tijd ook redelijk op.De voorzitter:Zeker.De heer Ceder (ChristenUnie):Maar ik sluit me ook aan bij de vele vragen die gesteld zijn. Volgens mijwijzen de neuzen in dezelfde richting.De voorzitter:Ik dank u voor uw bijdrage. Daarmee zijn we aan het einde gekomen vande eerste termijn van de zijde van de Kamer. Ik dank u allen hartelijk vooruw gepassioneerde inbreng. Dat is ook zeer verdiend. Ik kijk naar deStaatssecretarissen. Hoelang heeft u nodig voor een schorsing? Tot11.15 uur? Dat is wel erg lang. Zullen we er 11.10 uur van maken? Ja? Ikschors tot 11.10 uur.De vergadering wordt van 10.47 uur tot 11.17 uur geschorst.De voorzitter:Dames en heren, ik heropen deze vergadering. We zijn aangekomen bij deeerste termijn van onze Staatssecretarissen. De leden hebben deze termijndrie interrupties. Graag bondig, want we zitten met de tijd. Staatssecreta-rissen, u bent rijkelijk laat, dus begint u alstublieft snel aan uwbeantwoording.Staatssecretaris Struycken:Onze excuses, voorzitter. Ik wilde u en uw collega die voorzitter is van decommissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport juist een complimentmaken in verband met het debat op 11 november. 11 november was eenbijzondere dag. Het was de dag dat allerlei kinderen de straat op gingenom een lichtje op te steken voor Sint-Maarten, de grote kindervriend.Vandaag is weer een goed gekozen dag. Het is 5 december: de dag vandie andere sint die zich bezighoudt met kinderen, Sint-Nicolaas. Deze tweesinten dragen zorg voor kinderen. Voor u zitten niet twee sinterklazen. Wijworden gehinderd door het gevoel dat wij geen cadeautjes hebben om uitte delen, maar wij doen ons best om toch zorg te dragen voor die velekinderen. Terecht werd door verschillende leden opgemerkt dat hetvandaag om de kinderen gaat die geen feest kunnen vieren, vandaag niet,maar ook niet met kerst. Dat onderstreept wel de ernst van de zaak en hetbelang om hier met volle inzet aandacht voor te hebben.Gemeenten en jeugdhulpaanbieders zetten zich dagelijks in om gezinnenen kinderen te helpen. Dat doen ze met ongelofelijk veel inzet en goedebedoelingen. Ik ben blij dat mevrouw Wijen-Nass dat ook even uitdruk-kelijk heeft gezegd, want we kunnen niet vaak genoeg onze waarderingdaarvoor uitspreken. Ik was vorige week in Rotterdam in het Huis van deWijk. Daar wordt met wijkrechtspraak geëxperimenteerd, ook in jeugd-zaken. Dat biedt grote mogelijkheden om de jeugdzorg en de jeugdbe-scherming te verbeteren door de partijen dichterbij elkaar te brengen enallemaal bij elkaar te laten zijn, zodat er veel directere hulp kan wordenverleend.Ingrijpen door de overheid is soms nodig. Op 1 oktober waren er 31.000kinderen met een jeugdbeschermings- of jeugdreclasseringsmaatregelonder toezicht van een gecertificeerde instelling. Ondanks de inzet van aldeze professionals knelt het nog steeds. De inspecties benoemen dit ookTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 106216 in hun signaalbrieven over de jeugdbeschermingsketen. Er zijn wacht-lijsten, passende jeugdhulp is niet altijd tijdig beschikbaar en kinderen enouders kunnen nu nog onvoldoende voor hun rechten opkomen en hunstem laten horen.De zaak van het meisje in Vlaardingen is natuurlijk een voorbeeld van hoehet gruwelijk mis kan gaan. Het is daar gruwelijk misgegaan. Woordenschieten tekort. Juist daar was een veilige en beschermende omgevingnodig. Het is buitengewoon pijnlijk voor iedereen met hart voor dejeugdzorg en jeugdbescherming. Ik kom daar straks op terug.Er is de afgelopen jaren hard gewerkt aan de problemen in de jeugdbe-scherming. We werken langs verschillende sporen. We zetten in op hetverbeteren van het stelsel van de jeugdbescherming op de langeretermijn. Daarin spelen het veelgenoemde Toekomstscenario kind- engezinsbescherming, en de proeftuinen, die daar in zekere zin op antici-peren, een grote rol. Het moet eenvoudiger. Het moet meer gezinsgerichtworden georganiseerd. Het moet ook met minder mensen, omdat demensen er eenvoudigweg niet zijn om in het huidige systeem debenodigde hulp te bieden. Doordat er te weinig mensen zijn, is er eenwerkdrukproblematiek, die meer speelt op de korte termijn. De verlagingvan de werkdruk lijkt de goede kant op te gaan, onder meer doorinvoering van het landelijk tarief, dat ook door mevrouw Westerveld werdgenoemd. Ik kom daar nog op terug. Inmiddels wordt het landelijk tariefdoor vrijwel alle gemeenten gehanteerd. We hebben met een subsidiere-geling ook geïnvesteerd in het aantrekken van zijinstromers. Daar ismaximaal gebruik van gemaakt. Dat betekent dat mede op basis van diesubsidieregeling 160 mensen zijn gestart als jeugdbeschermer.Deze maatregelen hebben effect. De werklast is sinds 2022 flink gedaald.De beoogde workloaddaling naar 12,8 kinderen per medewerker – dat zijner bijna 13 – is gerealiseerd. Dat is een daling van 25%. We kunnen daarook met een zekere voldoening en tevredenheid naar kijken. Jeugdbe-schermers hebben hierdoor namelijk meer tijd en ruimte om de kwetsbarekinderen die aan hun zorg zijn toevertrouwd goed te beschermen, beterdan voorheen.De rechtsbescherming van ouders en kinderen die in een jeugdbescher-mingstraject geraken, moet verbeterd worden. Ik ben blij dat ik recent deKamer hierover een brief heb kunnen sturen. Wij verwachten nog dezemaand eindelijk te kunnen komen met een wetsvoorstel. Dat wetsvoorstelziet op verbetering van de rechtsbescherming. Het streven is om dat nogecht deze maand in consultatie te brengen.De uithuisplaatsingen in verband met de toeslagenaffaire verdienennatuurlijk steeds bijzondere aandacht. Onverminderd trachten wij daar denodige inzet te geven, want erkenning en herstel van het leed waar dezegedupeerden mee te maken hebben gehad en nog steeds hebben – degevolgen laten zich namelijk gevoelen tot de dag van vandaag en ik vreesnog vele jaren nadien – is essentieel. Dat doen we concreet door middelvan het Ondersteuningsteam, dat sinds 2025 functioneert en in feite in depraktijk een hele belangrijke rol speelt in het herstel, specifiek in diesituaties waar een uithuisplaatsing heeft plaatsgevonden. Inmiddelshebben zich in totaal 1.100 mensen aangemeld voor ondersteuning doorhet Ondersteuningsteam en 490 trajecten zijn afgerond. Ik kom daar zonog op terug. Ik kan al wel zeggen dat de ondersteuningstrajecten in veelsituaties concrete resultaten hebben opgeleverd. Er wordt ook voort-durend gepolst of de betrokkene gedupeerden tevreden zijn. De signalenzijn overwegend positief. Dat betekent concreet dat in veel situaties definanciële situatie met hulp van het ondersteuningsteam is verbeterd. Debestaanszekerheid is vergroot. Passende hulp is gevonden. Het is ook heelbelangrijk dat er meer contact is tussen de ouders en de kinderen. Tot nutoe heeft dat er in 57 situaties toe geleid dat er sprake is van een terugkeernaar de ouders, een terugplaatsing.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 106217 Ik heb de vragen in de volgende thema’s gegroepeerd. Eerst zal ik het eenen ander zeggen over het toekomstscenario, daarna iets over continuïteiten financiering, daarna volgt een blokje over rechtsbescherming, daarnaheb ik het kort over de situaties rondom echtscheidingen, en ten slottespreek ik een paar woorden over Vlaardingen. De Staatssecretaris vanVWS zal ook over Vlaardingen spreken. Dat vormt het bruggetje.Mevrouw Paulusma (D66):Ik heb een praktische vraag. Het zou mij wel helpen als ik weet welkeblokjes Staatssecretaris Karremans heeft, want anders blijf ik zo meteenzoeken wie ik welke vraag mag stellen.De voorzitter:Ik ga het gelijk voor u vragen. De vraag is duidelijk. De Staatssecretaris.Staatssecretaris Karremans:Ik was voornemens het in twee blokjes te doen: pleegzorg en jeugdhulpalgemeen.De voorzitter:Is dat voldoende verduidelijking? Ja. Dan gaan we zo door. Staatssecre-taris, aan u weer het woord.Staatssecretaris Struycken:Wat betreft het toekomstscenario raken veel van uw vragen aan de opzetdie nu wordt gekozen. We hebben op 30 oktober een ontwikkelrichtinggekozen. Dat is vanuit ons perspectief een grote stap geweest, omdat ermet Staatssecretaris Karremans en de andere partner, de VNG, na langpraten en zoeken nu een richting is gekozen. Wat ons betreft hebben wenu een basis om verder te kijken en te ontwikkelen. Op basis van defeedback die we krijgen, kunnen we steeds weer herbezien of de gekozenontwikkelrichting klopt en hoe die uitgewerkt kan worden op een manierdat die ontwikkelrichting ook doet wat we beogen. Dat in algemene zin.Dit brengt mij op de vraag van mevrouw Dral over de commissie-VanDooijeweert, over de problematiek van het onafhankelijke advies en overde toets door de Raad voor de Kinderbescherming, namelijk of die oprijksniveau moet gebeuren, dan wel elders ondergebracht moet worden.Professionals willen alles integreren, met een sterkere rol voor de rechter.Wat vindt de Staatssecretaris hiervan? Ik hecht erg aan de inbreng van hetveld en ik deel hun wens om het stelsel eenvoudiger te maken. Dat is ookeen basiselement, een basismotief, bij het kiezen van de ontwikkelrichting.In die ontwikkelrichting maken de onafhankelijke toets en het advies doorde Raad voor de Kinderbescherming geen onderdeel uit van de beoogderegionale veiligheidsteams. Daar is een zwaarwegende reden voor: eenkinderbeschermingsmaatregel is zeer ingrijpend, een uithuisplaatsing inhet bijzonder. Daarom moeten we extra zorg besteden aan het borgen vanzowel de rechtsbescherming, in dit concrete geval, alsook de rechtsge-lijkheid in Nederland. Gebaseerd op de wensen en ervaringen vankinderen, ouders en de rechterlijke macht zelf, lijkt dit het beste te kunnenworden gedaan door een onafhankelijke instantie op rijksniveau. Het gaatdan om een instantie die niet al onderdeel is geweest van het voortraject,en die op objectieve gronden een opvatting vormt.Een punt van aandacht is wel dat we moeten voorkomen dat door diezelfstandige onafhankelijke instantie het werk van de regionale veilig-heidsteams wordt overgedaan. Daarom zetten we ons in om ervoor tezorgen dat in die lokale teams, met ondersteuning van het regionaleveiligheidsteam, beter onderzoek wordt gedaan. Zo kan het werk van deRaad voor de Kinderbescherming, die daar dus los van staat, wordenbeperkt tot een analyse die strikt nodig is voor het advies over demaatregel.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 106218 Mevrouw Dral (VVD):Dank voor de beantwoording door de Staatssecretaris. Dat was juist mijnpunt. Als we dat nu al in beton gieten, dan is dat het. En dan blijft in hetlaatste stukje, waar het gaat over de Raad voor de Kinderbescherming ende jeugdreclassering, sprake van het oude systeem. Mijn oproep in demotie zou dan ook de volgende zijn. Laten we dat nog even niet in betongieten; laten we nou eerst nog eens verder exerceren. En kijk bijvoorbeeldook naar voorbeelden zoals in België, waar het heel erg goed werkt.Staatssecretaris Struycken:Ik onderschrijf de wens om met een open geest te blijven kijken. Ik gebruikdan ook heel zorgvuldig het woord «ontwikkelrichting» en niet al«besluit», om onszelf nog de ruimte te geven om in de uitwerking degoede keuzes te maken. Hierachter speelt natuurlijk wel het debat overcentraal versus decentraal. Als het gaat om de jeugdreclassering en omde kinderbeschermingsmaatregelen, leidt het perspectief van het centraletoezicht op de strafrechtketen van nature tot een centralere insteek, eencentralere kijk. Dan gaat het over de aansturing. Ik zeg daar nadrukkelijkbij dat in de uitwerking van de ontwikkelrichting, de inbedding in dielokale teams en regionale veiligheidsteams cruciaal is. Wat betreft dejeugdreclassering kiezen we voor een instantie die centraal wordtaangestuurd, maar wel wordt ingebed in die regionale veiligheidsteams.De crux zit waarschijnlijk in die inbedding en de praktische uitwerkingdaarvan. Die zou uw zorg moeten adresseren of we er wel voor zorgen dathet voldoende lokaal is ingebed. Dat doen we vanuit het principe vancentrale aansturing. Dat is de ontwikkelrichting die we kiezen, omdat hetzo’n verstrekkende maatregel betreft, omdat de rechtsbescherming daarnog crucialer is dan bij vrijwillige hulpverleningsmaatregelen, en ookomwille van de rechtsgelijkheid en de uniformiteit.Er zit nog één aspect bij. Het gaat om hooggespecialiseerde hulp vanuitde jeugdreclassering. Die is nu georganiseerd, volgens het kader, viadertien GI’s. Een ander element van de ontwikkelrichting is dat we naar de25 rvt’s willen. Dat betekent dat er een risico is dat de thans beschikbarespecialistische zorg voor de jeugdreclassering, als je die lokaal zouaansturen in die regionale veiligheidsteams, verder verspreid wordt overeen bijna dubbel aantal teams. Dus het aantal van 25 regioteams verklaartmede dat we zeggen: de jeugdreclassering is té specialistisch en hetluistert te nauw om die daarin mee te laten gaan; die willen we centraalhouden.De voorzitter:Dank u wel. Was dat voldoende? Er is geen interruptie, dus we gaan door.De Staatssecretaris.Staatssecretaris Struycken:Ik denk dat ik hiermee ook antwoord gegeven heb op de vraag vanmevrouw Dobbe, die ook dat thema van centralisering en centraleverantwoordelijkheid ter tafel bracht. Centraal versus decentraal is steedsde afweging geweest. Daarbij is dus niet op alle punten voor dezelfdebenadering gekozen. Het is inderdaad zo dat er verschillen zullen zijntussen het aantal regio’s, maar daar is lang over nagedacht. Het ideevanuit het veld is dat we het beste kunnen gaan werken met maximaal25 regionale veiligheidsteams, en dus niet alles centraal bij de overheidmoeten regelen. Dat zou namelijk weer afbreuk doen aan het principe vandecentralisering, wat nu in de jeugdzorg het uitgangspunt is.Mevrouw Dobbe (SP):Tegelijkertijd zien we een discussie als het gaat over decentralisatie enzeker als het gaat over gemeenten: er zijn te veel taken en er is te weiniggeld. Het systeem is complex. Het is niet te geloven op hoeveel verschil-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 106219 lende niveaus er moet worden samengewerkt. Dat is wat wij vanbijvoorbeeld aanbieders horen. Mensen die hier werken, zeggen: het isbijna niet meer te overzien; wij moeten nu op zo veel niveaus aan de slag.Ik snap de afweging waarom dit is gedaan. Maar mijn vraag is concreetwat de voor- en nadelen zouden zijn om gewoon alles, ook voor dejeugdbescherming, op centraal niveau te organiseren.Staatssecretaris Struycken:Dat het moeilijk is om met deze complexiteit het veld te overzien, herkenik volledig. Ik hecht eraan te zeggen dat dit niet door ons is bedacht, maardat deze ontwikkelrichting heel sterk de reflectie is van de ervaringen diein de afgelopen jaren in dat lange traject zijn opgedaan. Het is mede totstand gekomen op basis van de input van al die verschillende partners,met de VNG als opdrachtgever voorop. De keuzes die we gemaakt hebbenbij deze ontwikkelrichting, worden dus wel degelijk ingegeven door deperceptie in het veld dat het op deze manier beter wordt. Daarbij is ook deafweging gemaakt: wat nou als alles centraal is? Al die voor- en nadelenzijn steeds gewogen.U noemde nog één element, dat me nu ontschoten is. Maar het zit indezelfde lijn, namelijk dat het in zekere zin beantwoordt aan de geconsta-teerde behoeftes in het veld.Mevrouw Dobbe (SP):Ik heb natuurlijk maar drie interrupties, hè?De voorzitter:Ja. Een korte verduidelijkende vraag.Mevrouw Dobbe (SP):U zegt dat de voor- en nadelen zijn gewogen. Kunt u die weging met onsdelen?Staatssecretaris Struycken:Ik verwijs naar het rapport van AEF, dat met uw Kamer is gedeeld. Daarinis een analyse gemaakt van vijf verschillende scenario’s, en één daarvanis centrale aansturing.De voorzitter:Dank voor die verheldering. Gaat u verder.[Wegens een ontbrekende geluidsregistratie is een deel van de uitge-sproken tekst niet beschikbaar.]Staatssecretaris Struycken:De lokale teams in het vrijwillig kader spelen hierin een belangrijke rol.Daar waar dat onvoldoende lukt, zal in de toekomst het rvt betrokkenworden. Het gaat dus om versterking van de lokale teams, met 25 rvt’s diespecialistische ondersteuning bieden. Het rvt zal dan dus ook de bevoegd-heden krijgen die daarvoor nodig zijn.In het kader van de proeftuinen wordt al gewerkt aan een handelings-kader. Dat handelingskader is ook in zekere zin de basis voor de werkwijzein dat toekomstscenario. Dat handelingskader is dus een van deproducten van de proeftuinen waar we al op korte termijn baat vanhebben, ook in de zorg zoals die nu bestaat. Dat handelingskader blijktecht te werken als uniform richtinggevend kader. De professionals van delokale teams hebben daar houvast aan. Wij zien dit als een belangrijkegerealiseerde stap op de korte termijn. Dat kader moet en lijkt namelijk bijte dragen aan een efficiëntere samenwerking, betere informatiedeling enhet meer gezamenlijk nemen van beslissingen, zonder dat de verantwoor-delijkheden al gedeeld zijn.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 106220 Dan heb ik een vraag van mevrouw Bruyning en mevrouw Dobbebetreffende de ervaringsdeskundigen. Mevrouw Dobbe refereerdeuitdrukkelijk aan het kind. Het is voor ons evident dat ervaringsdeskun-digen relevant zijn. Er zijn hier twee ervaringsdeskundigen: de ouders diehet meegemaakt hebben en de nu volwassenen die het als kind meege-maakt hebben. Hun beider ervaringen zijn essentieel om dit vorm tegeven. Mevrouw Bruyning heeft daar herhaaldelijk en met overtuigingaandacht voor gevraagd. De ervaringsdeskundigen zijn al betrokken bij deproeftuinen die nu gaande zijn. Ze zijn ook betrokken geweest bij deontwikkeling van de nieuwe werkwijze en het handelingskader. Zij zullenzeker betrokken blijven bij de verdere uitwerking van de ontwikkelrichting,de voorkeursrichting die we hebben verwoord. Wat dat betreft is er bij onsgeen terughoudendheid om van hun expertise gebruik te maken.Voorzitter. Mevrouw Bruyning vroeg ook naar de betrokkenheid van deuitvoering. Ze vroeg met name naar de mensen die al lang in de branchewerkzaam zijn, maar de stap niet willen maken. Wat mevrouw Bruyningzei, is belangrijk, want in belangrijke mate gaat het om een stelselwij-ziging en wetgeving, maar in nog veel grotere mate gaat het om eencultuuromslag. Dat waren niet de woorden die u gebruikte. Omdat ik ze zobelangrijk vind, zoek ik uw eigen woorden er even bij. «Er is ook mense-lijke verandering nodig.» De mensen moeten het doen. We weten dat hetvoor de hulpverleners en jeugdbeschermers best wel een grote stap isvanuit het heden naar de toekomst toe. Dat zien we bijvoorbeeld ook bijde ondersteuningsteams. Daar wordt heel erg sterk vanuit het gedach-tegoed van de proeftuinen gewerkt. De betrokken hulpverleners enjeugdbeschermers zijn dan tijdelijk in een ondersteuningsteam werkzaam.Zij ervaren het als een zegen dat ze op een andere manier kunnen gaanwerken. Maar dat vergt wel dat mensen die slag kunnen maken. Decultuuromslag bewerkstelligen en mensen meekrijgen zal in de komendejaren natuurlijk de grootste uitdaging worden. We moeten een open eneerlijk gesprek hebben met de mensen die niet mee kunnen of willen. Ikheb er zelf wel vertrouwen in. Ik ervaar het zelfs vanaf grote afstand alsinspirerend, dus ik heb er wel vertrouwen in dat de meeste mensen meewillen. Maar ik heb er ook vertrouwen in dat we een nieuwe plaats vindenvoor de mensen die niet mee willen, opnieuw in het besef dat wij allehanden kunnen gebruiken, omdat er veel te weinig mensen beschikbaarzijn. Dat zal helaas niet anders worden. We moeten ons voortdurend voorogen houden dat we in de toekomst met minder mensen dezelfde takenmoeten gaan verrichten, omdat de mensen er eenvoudigweg niet zijn.De heer Ceder vroeg aandacht voor een motie met de niet voor de handliggende maar wel interessante gedachte om niet het kind maar de ouderuit huis te plaatsen. Dat is namelijk misschien soms beter voor het kind.Je trekt het kind dan niet uit de eigen omgeving. Binnen het toekomstsce-nario is er een verkenning gestart naar nieuwe, meer gezinsgerichteinterventies. Vanuit de praktijk is er ook een krachtige wens om meermogelijkheden te krijgen. Dit is een ingewikkelde kwestie die ook temaken heeft met ingrijpen in het privéleven en het EVRM. Dat vergt dusnadere aandacht, maar die aandacht zal het krijgen bij het onderzoek naarmeer, creatievere en meer gediversifieerde interventiemogelijkheden.Daarmee kom ik aan het einde van mijn blokje toekomstscenario.Dat brengt mij op het blokje continuïteit en financiering. MevrouwWesterveld vermeldde dat de inspecties hebben besloten op te houdenmet het sturen van signaalbrieven. De vraag «hoe gaat het toezicht danvorm krijgen?» rijst dan. Het toezicht wordt dus thans uitgevoerd doorzowel de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd als de Inspectie Justitie enVeiligheid. Ik zeg het maar even: dit toezicht is onafhankelijk en dat moetook vooral zo blijven. Inspecties gaan zelf over de wijze waarop hettoezicht wordt ingericht. Dat is cruciaal voor elke vorm van toezicht enzeker ook hier bij de jeugdbescherming. In de laatste signaalbrief inoktober hebben de inspecties inderdaad aangekondigd over te willen naarTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 106221 een nieuwe toezichtstrategie. De inspecties zijn gestart met toezicht bijgecertificeerde instellingen. Ze richten zich ook in dit toezicht op deeffecten van het uitblijven van passende bescherming en hulp voorkinderen en gezinnen. In plaats van het regelmatig publiceren vansignalen over de jeugdbeschermingsketen zullen de inspecties in detoekomst rapporten en publicaties uitbrengen over de resultaten van hettoezicht dat ze gaan houden op de jeugdbeschermingsorganisaties. Naaronze indruk leidt dit niet tot minder toezicht, maar tot ander toezicht enandere rapportages daarover.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Mijn vraag was misschien niet zozeer gericht op de werkwijze van deinspectie, maar meer op hoe de Staatssecretaris dit ziet. Dat raakt ook aanbijvoorbeeld de situatie in Vlaardingen, die door meerdere collega’s isgenoemd. Mijn stelling is namelijk: als je goed hebt gekeken naar wat deinspecties in de afgelopen maanden voortdurend naar ons en hetministerie stuurden, dan hadden we het op onze klompen kunnenaanvoelen dat er een keer wat mis zou gaan, hoe ontzettend erg dezesituatie ook is. In al die signaalbrieven die zij sturen, schetsen zij namelijkvoortdurend situaties van kinderen die in een onveilige situatie zitten. Hetkan mijn interpretatie zijn, maar ik meen in de brief van oktober een kleinbeetje te lezen dat de inspectie ook wel moedeloos wordt. Zij wijzenministeries en de Kamer hier voortdurend op. De signalen wordenvoortdurend niet serieus genoeg genomen. Mijn vraag aan de Staatsse-cretaris is eigenlijk: hoe leest hij nou die brief van de inspectie uit oktober?Staatssecretaris Struycken:Ik begrijp de vraag. Ik kom straks nog terug op de casus Vlaardingen. Inverband met en als gevolg van de casus Vlaardingen zullen de inspectiesergens aan het begin van 2025 komen met rapporten. In de inspectierap-porten die heel erg sterk toegespitst zullen zijn op wat er is misgegaan inVlaardingen, zal zeker een brede reflectie komen op wat er meer struc-tureel niet goed gaat. Dat zal ook zeker aanleiding zijn om met deinspecties meer in het algemeen door te spreken over signalering, toezichten hun zorgen zoals die expliciet of impliciet in de oktoberbrief zijnverwoord. Het is iets wat we graag meenemen in het vervolg op deinspectierapporten in verband met Vlaardingen, die begin 2025 komen.De voorzitter:Gaat u verder.Staatssecretaris Struycken:Een belangrijke vraag betreft de wachtlijsten. Daar werd door mevrouwWesterveld naar gevraagd, maar er werd ook door anderen aan gerefe-reerd. U refereerde er al even aan dat de inspecties alsmaar weerconstateerden dat een te hoge werkdruk voor de jeugdbeschermers eenvan de belangrijkste onderliggende oorzaken is voor de problematiek inde jeugdbescherming. De GI-bestuurders hebben vervolgens gezocht naarmanieren om hun werknemers te beschermen tegen deze hoge werkdruk.Zij hebben gekozen om een wachtlijst in te stellen. Er was ook extra geldnodig om die werkdruk te verlagen. Samen met de gemeenten is dat inoktober 2023 geborgd met een extra bedrag van 60 miljoen, waarvan30 miljoen afkomstig is van de begroting van Justitie en Veiligheid. Er isgekomen tot een landelijk tarief. De bestuurders hadden vervolgens eendilemma. Als een jeugdbeschermer met zeventien kinderen bij een kindde begeleiding kon afsluiten, moest de jeugdbeschermer dan direct weereen kind dat op de wachtlijst stond, gaan begeleiden? Op deze manierwerk je natuurlijk niet aan de verlaging van de werkdruk. De werkdrukwordt gezien als de kern van de problematiek en de wachtlijst is daar eensymptoom van. De bestuurders van de GI’s hebben dus gekozen voorTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 106222 verlaging van de werkdruk. Dat is gelukkig ook gelukt. Het is ook geluktom de wachtlijst te verkorten. Eind 2022 stonden daar ongeveer 2.000kinderen op; nu zijn dat er ongeveer 1.500. Wel is de wachtlijst in deafgelopen zes maanden weer iets gegroeid. Dat komt doordat de instroomin sommige regio’s weer wat aan het toenemen is. Dat is een van demogelijke oorzaken, maar wij onderzoeken nog wat de andere oorzakenzijn. Nu de werkdrukverlaging gerealiseerd is, hebben de GI’s zelfaangegeven dat ze hun aandacht weer meer kunnen richten op hetwegwerken van de wachtlijst zonder de werkdruk weer te verhogen. Hetdilemma tussen het verlagen van de werkdruk en het verkorten van dewachtlijst is wat verdwenen. Volgende week gaat het ministerie hieroverin overleg met de sector.Ik voeg nog één opmerking toe aan dat getal van die 1.500 kinderen op dewachtlijst. Ongeveer twee derde van de 1.500 betreft kinderen die op eenzogenaamde interne wachtlijst staan. Dat zijn kinderen aan wie al wel hulpwordt verschaft en die al wel worden begeleid, maar nog niet depassende hulp krijgen die ze behoren te krijgen. Ze zijn gelukkig niethelemaal verstoken van hulp, maar ze hebben nog niet de juiste hulp. Hetbesef dat er al wel iets van hulpverlening is, zij het nog onvoldoende,verzacht het getal van 1.500 een klein beetje.Dan kom ik op de vraag van mevrouw Westerveld inzake de landelijketarieven en het wetsvoorstel daarover. We hebben met de gemeentenbestuurlijke afspraken gemaakt over het toepassen van de landelijketarieven. Zoals eerder gemeld worden in 2024 bij bekostiging door degemeente bij gemiddeld 99% van de gevallen de landelijke tarievengehanteerd. We hadden hiervoor een tweejarig ingroeipad afgesproken.Maar dit is dus voortvarend door de gemeenten opgepakt. Zonderwetgeving functioneert het landelijk tarief dus al. Dat is natuurlijk de kern.In de komende periode zullen we nader kijken of die landelijke tarieveninderdaad blijven worden toegepast. Dat monitoren we. Als dat verandert,zullen we u daarvan op de hoogte brengen. We hebben in onze brief aanuw Kamer aangegeven dat de vraagstukken over standaardisatie,landelijke tarieven en gespecialiseerde jeugdhulp in hoge mate hetzelfdezijn. Daarom heeft het onze voorkeur om dat in één wet te regelen. Doorde verbreding van dit wetstraject hebben we ook meer tijd nodig om diewet er te laten komen. Dat is de reden, maar dat wordt mede ingegevendoor de constatering dat datgene wat die wet beoogt te bereiken in depraktijk in feite al vrijwel volledig is gerealiseerd.Dan kom ik op het heikele punt van de taakstelling en de bezuinigingen.Velen van u hebben daar aandacht voor gevraagd, onder wie mevrouwWesterveld, mevrouw Paulusma en de heer Ceder. Heeft de rijksbredesubsidietaakstelling gevolgen voor het budget van de jeugdbescherming?Vanuit mijn perspectief – dat wil zeggen: vanuit mijn portefeuille – gaathet dan natuurlijk vooral om de proeftuinen en het OndersteuningsteamUHP KOT. Het antwoord is dat de taakstelling, die generiek overheids-breed zal gelden, geen gevolgen heeft voor de proeftuinen en hetOndersteuningsteam UHP KOT. Bij de proeftuinen gaat het om eentijdelijke programmafinanciering die tot 2026 loopt. Daar wordt niet opgekort. Die programmafinanciering staat dus ook voor 2025. Er zal nadermoeten worden bezien hoeveel geld er nodig is voor de benodigdemiddelen voor de transitie naar de regionale veiligheidsteams in hettoekomstscenario. Maar dat geldt dus voor de situatie na 2025. Dat valt inzekere zin ook buiten de generieke taakstelling. Op het gebied vanjeugdbescherming kunnen wij geen andere projecten zien met eenverlaagd budget als gevolg van de generieke taakstelling.Ik maak ook nog een algemene opmerking, die ook diverse keren isgemaakt bij de behandeling van de begroting van Justitie en Veiligheid.Het gaat om artikel 34 in de begroting. Dat betreft subsidies aan een zeergroot aantal instellingen en instanties. Het hoofdlijnenakkoord kent diegenerieke taakstelling. Die generieke taakstelling is gereflecteerd in deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 106223 regel die daarvoor in de begroting is te vinden. Die is dus reeds ingeboektop de subsidiebudgetten. Maar zoals de Minister ook diverse keren heeftgezegd, zal bij de Voorjaarsnota 2025 nader worden bekeken of er eenherschikking van de subsidietaakstelling binnen de JenV-begroting nodigis. Deze termijn geeft ons de tijd om samen met de partners van geval totgeval zorgvuldig te bezien wat de gevolgen van een eventuele subsidie-taakstelling zouden zijn voor de betreffende organisatie en of eenherschikking nodig is. Dat wilde ik in algemene zin zeggen met betrekkingtot de subsidietaakstelling.De voorzitter:Dat leidt tot een vraag van mevrouw Westerveld.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Het is natuurlijk standaard zo dat bij er de Voorjaarsnota naar alles wordtgekeken. Dit antwoord zegt dus niet zoveel. Ik wil de Staatssecretarisvragen waar dan wel op bezuinigd gaat worden. Ik heb het lijstje bij me.Die specifieke taakstelling, die bezuiniging, loopt op tot 7 miljoen in 2028.Als ik het lijstje erbij pak, dan staan daarop de Jeugdautoriteit, ErasmusUniversiteit, Zorg en Jeugd Caribisch Nederland, Verwey-Jonker Instituut,Jeugdzorg Nederland, gecertificeerde instellingen, Landelijk en BestuurlijkNetwerk Zorg-Straf, Veilig Thuis, ondersteuningsteams, proeftuinen,William Schrikker Groep, Nederlands Jeugdinstituut en Stichting Fiom.Waar wordt dan wel op bezuinigd? 7 miljoen kan niet zomaar even ergensweggehaald worden zonder dat dat consequenties heeft.Staatssecretaris Struycken:Het antwoord daarop kan ik nog niet geven, want dat hangt af van denadere afweging die nog niet is gemaakt. De Minister heeft bij debegrotingsbehandeling verwoord dat we gaan kijken naar de noodzaak totherschikking van de subsidietaakstelling. Dat hebben we nog niet gedaan.Zover is het nog niet.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Maar dit is wel een relevant punt, want we stemmen vanmiddag over debegrotingen. Er staat gewoon een keihard bedrag dat oploopt tot min7 miljoen voor de organisaties die ik net noemde. Dat zijn organisatieswaarvan wij hier met elkaar allemaal zeggen dat ze zulk belangrijk werkdoen. Kinderen zijn vaak niet veilig. Het jeugdbeschermingsstelsel looptniet goed; ik druk het maar even heel zacht uit. Als je dan 7 miljoenweghaalt bij de organisaties en de mensen die dit werk moeten uitvoeren,die moeten zorgen dat kinderen bescherming krijgen en dat er op tijdwordt ingegrepen als een kind mishandeld kan worden, dan kan deStaatssecretaris hier toch niet zeggen «daar gaan we nog naar kijken»? Ditbetekent toch daadwerkelijk iets voor organisaties en mensen die nu hetvuur al uit hun sloffen lopen om te zorgen dat datgene wat wij allemaal zobelangrijk vinden, wordt gedaan?Staatssecretaris Struycken:Mevrouw Westerveld brengt tot uitdrukking dat deze jeugdzorg urgent enbelangrijk is. Dat gevoel deel ik volledig. Dat zal ook mede bepalen inhoeverre we kunnen komen tot een herschikking van de subsidietaak-stelling. Het is voor mij zeker dat het Ondersteuningsteam en de proef-tuinen in 2025 hier niet door geraakt zullen worden. Voor het overigezullen we moeten kijken of de instellingen die artikel 34 betreft – dat is eenhele ruime groep; ik denk meer dan u noemde – geraakt zullen wordendoor die subsidietaakstelling. Ik kan daar nu niet op vooruitlopen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 106224 De voorzitter:Goed, gaat u dan verder. We zitten inderdaad met de tijd. Om 12.55 uurzijn de stemmingen over de begrotingen. De leden moeten daarbij zijn,want als de stemmen staken, moeten we gelijk hoofdelijk gaan stemmen.We hebben echt weinig tijd, dus ik vraag u met spoed verder te gaan.Staatssecretaris Struycken:Goed, dan probeer ik het nog meer summier te houden. Er was een vraagvan mevrouw Bruyning over ouders en de vrije advocaatkeuze. Ikonderschrijf dat de regels duidelijk zijn en dat die vrije advocaatkeuze ermoet zijn. Mevrouw Bruyning, ik hoorde dat er in de uitvoering nog welproblemen zijn. Die moeten we adresseren, want het beginsel van de vrijeadvocaatkeuze moet in de praktijk natuurlijk ook gestalte kunnen krijgen.Mevrouw Bruyning vroeg ook naar het hoorrecht uit het IVRK. Ik ben blijdat we in ieder geval de stap hebben gezet om dat te verlagen naar 8 jaar.Bij de nadere uitwerking daarvan in de komende tijd is niet alleen derechtspraak betrokken, maar zijn alle instanties betrokken. Ik neem hetadvies opnieuw ter harte om daar ook kinderen, of in ieder gevalorganisaties die weten hoe kinderen hiertegen aankijken, in te betrekken.Ik noem bijvoorbeeld Villa Pinedo.Mevrouw Bruyning (NSC):Dank aan de Staatssecretaris voor zijn beantwoording. Ik heb wel nog eenandere vraag over de pilot met de vrije advocaatkeuze. Hoe is deStaatssecretaris van plan gevolg te geven aan de signalen die nu uit depraktijk komen dat de pilot niet goed wordt uitgevoerd?Staatssecretaris Struycken:Dat wil ik doen door te gaan praten met de instanties die daarover gaan. Ikhoorde u specifiek het probleem noemen dat advocaten dossiers al blijkente hebben. Dat zal bijzondere aandacht moeten hebben in de wijze waaropde toewijzing van de advocaat praktisch georganiseerd is. Ik weet nietprecies hoe dat nu in de praktijk gaat, maar het is duidelijk dat daarovergesproken moet worden. Ik vermoed dat dat daar allereerst met de Raadvoor Rechtsbijstand over gesproken moet worden.De voorzitter:Een vervolgvraag.Mevrouw Bruyning (NSC):In de praktijk is het nu zo dat de rechtbank gewoon direct een advocaattoewijst. Het dossier van de ouder in kwestie komt direct bij de toege-wezen advocaat terecht, zonder dat die daar formeel toestemming voorheeft gegeven. Dat druist eigenlijk in tegen de vrije advocaatkeuze entegen het idee dat een ouder zelf zou moeten kiezen. Ik hoor de Staatsse-cretaris zeggen dat hij in gesprek gaat met de instanties die daarovergaan. Het lijkt mij ook handig om in gesprek te gaan met de ouders die ditin de pilot hebben meegemaakt, zodat zij hun ervaring met de Staatsse-cretaris kunnen delen.Staatssecretaris Struycken:Ik probeer in alle toonaarden uit te stralen dat we het belang vanervaringsdeskundigen zien. Ook hier vermoed ik dat er duidelijkergecommuniceerd moet worden met de aangewezen advocaat dat hij moetwachten met het werk en geen kennis moet nemen van dossiers totdatzeker is dat de betreffende ouder van de diensten van de advocaat gebruikwil maken.De voorzitter:Goed, dank u wel. Gaat u vooral verder.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 106225 Staatssecretaris Struycken:Ik kom bij de ellendige problematiek van echtscheidingen en de gerela-teerde problematiek van verstoting. Daar vraagt de heer Ceder aandachtvoor. Dat ziet op omgangsregelingen en handhaving daarvan. Het isnatuurlijk een probleem als de afgesproken omgangsregeling niet wordtnageleefd. Dat gaat ten koste van een van de ouders. Vaak wordtgerefereerd aan de vaders, maar het kan ook de moeders betreffen. Intheorie kun je dan civiele maatregelen inzetten, zoals dwangsommen,gijzeling, beëindiging van het gezag et cetera. Maar de ervaring leert dathet intensiveren op de handhaving niet de beste benadering is. Als ersancties worden toegepast, is dat vrijwel nooit in het belang van het kind.De oplossing moet toch worden gezocht in het tijdig bieden van de juistehulp en begeleiding aan de ouders, goede omgangsafspraken en meerdialoog. Dat zou onder andere kunnen door de inzet van een scheidings-adviesteam. We zijn in gesprek met de rechtspraak, de advocatuur en deRaad voor de Kinderbescherming over hoe beter maatwerk geleverd kanworden als omgangsregelingen niet worden nageleefd.De heer Ceder vroeg mij ook om iets te zeggen over het instrumentarium.Het lastige van echtscheidingsproblematiek is dat het druk legt op dejeugdbeschermers. Die worden geconfronteerd met complexe echtschei-dingssituaties. Soms krijgen ze dan het gevoel dat ze moeten kiezen vooreen van beide ouders. Wij denken dat de oplossing niet ligt bij dejeugdbescherming. Het oplossen van een echtscheidingsprobleem en hetterugbrengen van de relatie tussen ouders in een vechtscheidingssituatietot goede proporties zijn niet de taken van de jeugdbeschermers. Wijgeloven dan meer in de inzet van mensen die daar wel de deskundigheiden de expertise voor hebben. Er zijn diverse pilots gaande vanuit Justitieen Veiligheid, maar ook vanuit de Staatssecretaris Jeugd, Preventie enSport, om te kijken hoe we in dit soort vechtscheidingssituaties metadvies, begeleiding en hulp tot minder problematische situaties komen.De pilot die in de regio Haaglanden gaande is, is veelbelovend. In dekomende maanden wordt gezocht naar mogelijkheden om die breder uitte rollen. Ik verwacht dat we daar ook in het kader van het commissie-debat over familierechtelijke onderwerpen meer over kunnen zeggen.Dan wilde ik afsluiten met een paar opmerkingen over Vlaardingen.De voorzitter:Mevrouw Bruyning heeft nog een vraag.Mevrouw Bruyning (NSC):Sorry, voorzitter, maar ik heb eigenlijk nog een vraag over het vorigeblokje, als dat mag.De voorzitter:Ja, gaat uw gang. Dit is uw derde interruptie.Mevrouw Bruyning (NSC):O, gelukkig. Dank u wel.De vraag gaat over het kindverhoor. Op 2 september 2024 is er eennoodoproep geweest, een brief van meer dan zeventien organisaties. Ookkinderrechter Bart Tromp heeft zijn zorgen geuit over hoe het kindverhoornu plaatsvindt in de rechtspraak. De Staatssecretaris heeft daar natuurlijknet uitleg over gegeven. Is de Staatssecretaris voornemens om ook nogiets met de noodoproep te doen, met de overige instanties die daarinworden genoemd in gesprek te treden, waaronder UNICEF en VillaPinedo, zoals hij net heeft benoemd – er zijn er nog een aantal meer – endat ook mee te nemen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 106226 Staatssecretaris Struycken:Dit is in de contourenbrief over het versterken van de rechtsbeschermingeen cruciaal punt. De verlaging van de leeftijd, maar daarmee ook de wijzewaarop dat vorm krijgt, is nu onderdeel van het gesprek over hoe dat inde uitvoering gestalte kan krijgen. De rechtspraak heeft daarin natuurlijkeen mate van zelfstandige verantwoordelijkheid en een rol in hoe ze datprecies vormgeven. Maar het gesprek daarover is gaande. Daar kunnenandere organisaties ook bij betrokken worden. De intenties zijn heel goed.Bezwaren zijn hoogstens praktisch, maar het is met name ook een kwestievan het praktisch gaan organiseren. Ik heb er vertrouwen in dat dat goedkomt. Ik zal uw Kamer daarvan op de hoogte houden.Mevrouw Wijen-Nass (BBB):Ik heb ook nog een vraag over het vorige blokje. Die haakt eigenlijk aan ophet eerdere verhaal waar ik het over had, dat helaas veel zaken uiteindelijktoch uitmonden in een rechtszaak. Dan zie je wel dat de jeugdbe-scherming betrokken wordt, maar dat het in de praktijk, ondanks de bestebedoelingen van de jeugdbescherming, soms extra escalerend werkt. Ikben eigenlijk wel heel benieuwd hoe de Staatssecretaris dat ziet in hetlicht van de ontwikkelingen rondom die proeftuinen. Ik zou daar noggraag een reactie op willen.Staatssecretaris Struycken:Het spijt me, mevrouw Wijen-Nass. Kunt u het nog één keer kort duiden?Mevrouw Wijen-Nass (BBB):Mijn concrete vraag is eigenlijk de volgende. We zien nu heel vaak dat erin het oude systeem heel snel overgeschakeld wordt, jeugdbeschermingerbij betrokken wordt, gezag wordt aangesteld of een omgangsverzoekwordt ingediend. Zo’n kind komt eigenlijk klem te zitten tussen die ouders.Ik was gewoon benieuwd of u inderdaad de mening deelt van de BBB datwe met die proeftuinen op voorhand waarschijnlijk meer mensen aleffectief kunnen helpen en dat daarmee niet alleen de rechtspraak wordtontlast, maar dat we daarmee ook misschien best wel veel problemenkunnen voorkomen. Ik was gewoon heel benieuwd of u op dat punt opdezelfde lijn zat.Staatssecretaris Struycken:Ik geloof dat dit een van de belangrijke redenen is om door te gaan op hetspoor van die proeftuinen. Het voorziet immers veel beter en veel eerderin wat echt nodig is. Daarmee werkt het de-escalerend. Ik vind het welinteressant dat een vroegtijdige betrokkenheid van jeugdbeschermers ookpositief kan uitpakken door partijen, ouders en anderen al veel eerder ophet goede spoor te krijgen. Dat is voor mij toch de essentie van die meergeïntegreerde holistische benadering.Dan het afstand nemen van het estafettemodel. Het estafettemodel kentvanuit het perspectief van de rechtsbescherming een aantal belangrijkewaarborgen. Die verdienen aandacht in het kader van de proeftuinen. Dangaat het om waarborgen die thans in het estafettemodel liggen besloten,want daarvan doen we principieel afstand in de proeftuinen. Maar depositieve keerzijde van het afstand doen van het estafettemodel is weldegelijk dat veel eerder de juiste stappen gezet worden en maatregelengenomen kunnen worden. Gaarne, eens.Mevrouw Dral (VVD):Ik mis nog een antwoord op een vraag die ik gesteld had. Dat was mijneerste vraag, die ging over het feit dat een op de zeven kinderen nuberoep doet op jeugdhulp. Dat was 25 jaar geleden 1 op de 27. De ketenzit verstopt en kinderen krijgen niet de juiste hulp, omdat de keten zo volzit. Volgens mij is een hele legitieme vraag: waarom? Er zijn nu zo veelTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 106227 kinderen in de jeugdzorg. Wat gaan we doen om dit te stoppen? Want ditis natuurlijk niet houdbaar en al helemaal niet betaalbaar.Staatssecretaris Struycken:Vanuit mijn perspectief, dat echt ziet op de kinderbeschermingsmaatre-gelen, kan ik constateren dat er al een forse vermindering is van het aantalmaatregelen. Dat is erg belangrijk om allerlei redenen. Voor het overigeverwijs ik graag naar Staatssecretaris Karremans, die hier verder op zalingaan. Misschien moet ik het daarbij laten.Ik wilde over de casus Vlaardingen niet alleen nog een keer mijn afschuwuitspreken, maar u ook zeggen dat wij uitzien naar het rapport van deinspecties. Dat verwachten wij kort na het nieuwe jaar. Dat hangt ook afvan hoor en wederhoor bij de finalisering. In het licht van de feiten zullendie inspectierapporten erg belangrijk zijn om gebreken in het stelsel teconstateren en daarover door te spreken. Wij zitten niet stil. De urgentieervaren wij heel direct. Wij hebben zelf ook al met al die verschillendeinstanties gesproken en hen uitgenodigd om ook zelf te reflecteren op decasus, niet vanuit een stelstelperspectief, maar vanuit het eigenperspectief om op het eigen functioneren te reflecteren. Dat biedtinzichten en zodra die inspectierapporten er zijn, is dat ook de basis omstappen te zetten. Daarbij zou ik het willen laten.De voorzitter:U heeft nog een paar vragen. Allereerst mevrouw Dobbe.Mevrouw Dobbe (SP):Dank voor de beantwoording. Ik had nog wel een vraag gesteld over hetborgen van de stem van kinderen en jongeren, dus niet alleen zozeer vanervaringsdeskundigen, volwassenen die ooit een keer in de jeugdbe-scherming hebben gezeten, maar ook van kinderen en jongeren die daarnu in zitten. Mijn vraag was: hoe kijkt de Staatssecretaris naar desuggestie van pleegzorgadvocaat Erkens om kinderen in de pleegzorg eensterkere eigen stem te geven, bijvoorbeeld door een eigen advocaat?Staatssecretaris Struycken:In algemene zin denk ik dat we behoedzaam moeten opereren als hetmensen zijn die zelf nog kind zijn. We hebben geleerd dat je heelzorgvuldig met kinderen moet omgaan. Als je ze een stem geeft en als jeze hoort, dan moet dat gedaan worden onder begeleiding van mensen dieecht de expertise hebben om die kinderen op hun gemak te stellen, zegoed te verstaan, een veilige omgeving te bewerkstelligen en vertrouwente creëren. Wat mij betreft is dit een essentieel onderdeel van hetwetsvoorstel over de versterking van de rechtsbescherming, waarin we deleeftijd voor spreekrecht verlagen naar 8 jaar. Dat moeten en kunnen wenatuurlijk alleen maar doen als we weten dat dit op een wijze gebeurt diegoed is voor die kinderen en die hun echt de ruimte geeft om zich uit tespreken. Ik zal nog kennisnemen van de inzichten van de advocaat die unoemt om te kijken of daar nog nieuwe inzichten in zitten. Maar hetuitgangspunt is wat ons betreft helder, dat het van belang is, dat de stemvan het kind onderbelicht is gebleven en dat we moeten zoeken naarmanieren om dat op zo’n veilig mogelijke wijze te borgen.Mevrouw Dobbe (SP):Heel fijn dat de Staatssecretaris zegt dat hij daar nog naar wil kijken, ooknaar datgene wat deze meneer Erkens adviseert. Kunnen wij daar ook eenterugkoppeling van verwachten? En zo ja, wanneer kunnen we datkrijgen? Dat zou ik wel heel interessant vinden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 106228 Staatssecretaris Struycken:Ik stel voor daar niet specifiek op terug te koppelen, maar dat te doen inverband met de consultatie van het wetsvoorstel over het versterken vande rechtsbescherming voor de jeugd en de rapportages die we daaroveraan de Kamer zullen sturen.De voorzitter:Dan was er nog een andere vraag. Mevrouw Paulusma zag ik als eerste.Aan u het woord.Mevrouw Paulusma (D66):De Staatssecretaris geeft aan dat hij klaar is met zijn blokje, maar ik hadacht vragen gesteld. Dus of Staatssecretaris Karremans heeft een grootfeest met me of ... Staatssecretaris Struycken is er in ieder geval éénvergeten, want ik heb ook een vraag gesteld over de privacywetgevingomtrent de communicatie tussen hulpverleners. Dat is namelijk praktischgezien een vrij groot probleem.En er moet mij ook wel iets van het hart. Ik hoor StaatssecretarisStruycken namelijk een aantal keren zeggen dat de werkdruk in dejeugdbescherming verminderd is. Dat is iets wat door het vorige kabinetgerealiseerd is met extra middelen. Dat is dus niet iets van dit kabinet. Enik hoor de Staatssecretaris veel praten over de toekomst, ontzettendbelangrijk. Het gaat wel heel erg veel over systemen. Ik sluit me echt heelerg aan bij de urgentie die mevrouw Westerveld voelt. We stemmenvanmiddag. Organisaties weten niet waar ze aan toe zijn. Het verhaal «wegaan praten, het gaat over de toekomst, het gaat pas vanaf 2025» klinktheel plausibel, maar nú zitten de mensen in de problemen. Mijn aller-eerste vraag in mijn woordvoering was: voelen de Staatssecretarissen deurgentie? Ik heb van de Staatssecretaris, behalve over het systeem, niet zoveel over zijn persoonlijke urgentie gehoord. Ik zou deze Staatssecretariser graag toe uitnodigen om de privacyvraag te beantwoorden en in tegaan op zijn persoonlijke urgentie.Staatssecretaris Struycken:Ik heb die vraag verstaan als een retorische vraag. Op alle momenten dieik daarvoor had, heb ik tot uitdrukking gebracht dat ik de jeugdbe-scherming als een van de meest urgente en complexe dossiers hebervaren. Ik voeg eraan toe dat het niet goed zou zijn om van nieuwebewindspersonen een radicaal nieuwe koers te verwachten. Juist indossiers als deze is continuïteit cruciaal. Maar er moet ook vertrouwen zijnin het werk dat is gedaan en de analyses die er zijn geweest. Men moetdus niet eigenwijs met geheel nieuwe inzichten komen. Dus ik hecht eraande continuïteit te borgen, ook in de beleidsvorming hieromtrent.In mijn beleving hebben we een hele grote stap gezet op 30 oktober. Naweken van zeer intensief overleg hebben we een ontwikkelrichtinggekozen. Alle respect voor mijn voorgangers, die hier heel veel aangedaan hebben, maar in de afgelopen jaren is die ontwikkelrichting nietgekozen. Die stap hebben wij gezet, ingegeven door de urgentie die wijvoelen. Ik interpreteer de opmerkingen en de vraag van mevrouwPaulusma dan maar als een aansporing om nog een tandje bij te zetten.Die toezegging doe ik gaarne.Mevrouw Paulusma (D66):Ik had ook nog een vraag gesteld over de privacywetgeving en decommunicatie. Maar ligt die vraag dan bij Staatssecretaris Karremans?Mag ik dan een andere vraag stellen? Ik hoor de heer Struycken namelijkzeggen: continuïteit is heel erg belangrijk en je moet niet steeds metnieuwe dingen beginnen. Dat deel ik volledig. Maar ik snap niet hoecontinuïteit kan stroken met de volgende uitspraken: «We hebben eentaakstelling. De herschikking daarvan gaat plaatsvinden na deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 106229 stemmingen. Daar gaan we het dan later nog over hebben.» Die tweedingen zijn niet hetzelfde.Staatssecretaris Struycken:Ik had het over de continuïteit in de beleidsvorming. Dat zijn de trajectenvan de afgelopen maanden en jaren, waarin we nadenken over hettoekomstscenario, wat daarvoor nodig is en welk onderzoek daarvoornodig is. Dat is de continuïteit in de beleidsvorming waar ik op doelde. Destap naar de taakstelling begrijp ik, maar eigenlijk ook weer niet. Ik hebdaar niks nieuws over te zeggen. We komen er later op terug.De voorzitter:Voldoende zo? De heer Smitskam had ook nog een interruptie voor u.De heer Smitskam (PVV):Dank aan de Staatssecretaris voor zijn antwoorden. Het is goed dat ergesproken wordt met verschillende organisaties en dat er ook gereflec-teerd wordt op hun eigen verantwoordelijkheden. Maar ik mis tochduidelijkheid over wie nou die eindverantwoordelijkheid heeft. Ik geefdaar een voorbeeld van. Kijk naar wat er is gebeurd met dat meisje inVlaardingen. Vlak voordat zij uiteindelijk in het ziekenhuis terechtkwam,was er al sprake van dat zij bij dat gezin weg moest. Ze is daar niet directweggehaald, omdat de verschillende instanties het niet met elkaar eenskonden worden. Daar ontbreekt iets en daar moet echt een oplossing voorkomen. Want in dit geval was kennelijk het belang van dit kind onderge-schikt aan datgene wat de organisaties vonden.Staatssecretaris Struycken:Ik doe de heer Smitskam geen recht als ik dat niet uitdrukkelijk benoem. Ikdenk dat zijn vraag de kernvraag is, die niet alleen centraal zal staan in deinspectierapporten die we op basis van de situatie in Vlaardingen mogenverwachten, maar ook in de stappen die we moeten gaan zetten. Is deeindverantwoordelijkheid wel voldoende geborgd? En voor zover erverschillende verantwoordelijkheden zijn: hoe worden die gecoördineerden hoe sluiten die op elkaar aan? Het lijkt me dat dit de kernvraag is waarwe in de komende maanden een antwoord op moeten vinden.De voorzitter:Hartelijk dank. Daarmee zijn we klaar met die vragen. Dan geef ik hetwoord aan de Staatssecretaris van VWS.Staatssecretaris Karremans:Dank, voorzitter. Ik heb twee blokken. In het blokje pleegzorg neem ik allevragen van mevrouw Paulusma mee. Als het gaat over de jeugd, heb iknog een blokje jeugdhulp/algemeen. Omwille van de tijd ga ik geen langeinleiding houden.Ik ga beginnen met het stuk pleegzorg door op deze plek ook mijnwaardering – ik heb dat ook veel Kamerleden horen zeggen – uit tespreken voor pleegouders. Het is ontzettend belangrijk dat zij er zijn en datzij in vaak lastige situaties de zorg voor een kind willen overnemen. Dat iswaanzinnig belangrijk werk. Dat wil ik dus wel gezegd hebben. Dat heb ikook een aantal Kamerleden horen zeggen, dus daar sluit ik me volledig bijaan.Dan de eerste vraag ten aanzien van pleegzorg. De vragen zijn natuurlijkook gesteld in relatie tot die verschrikkelijke situatie met het meisje inVlaardingen. De eerste vraag die ik daarover zal beantwoorden, is devraag van de heer Smitskam over de screening van pleegouders: is diewel voldoende? Uiteraard is de screening ontzettend belangrijk. Daaromvinden de selectie en screening ook heel zorgvuldig plaats. Om pleeg-ouder te mogen worden, moeten aspirant-pleegouders in het bezit zijnTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 106230 van een verklaring van geen bezwaar. Die wordt afgegeven door de Raadvoor de Kinderbescherming. Aspirant-pleegouders volgen ook eenintensief voorbereidings- en screeningstraject, waarin huisbezoekenplaatsvinden en onderwerpen als veiligheid, seksualiteit, machtsrelatiesen mishandeling expliciet aan de orde komen. Om conclusies te trekkenover of er tijdens deze specifieke screening bij de casus Vlaardingen iets ismisgegaan en of de procedure verbeterd moet worden, moeten we hetinspectierapport afwachten. Als daar aanleiding toe is, zullen we daaruiteraard over in gesprek gaan met de sector. Dat is het antwoord op dievraag.Dan de vraag van mevrouw Paulusma welke stappen wij op de kortetermijn nemen om schrijnende situaties verder te voorkomen. Laat ikallereerst zeggen dat ik en mijn collega-bewindslieden – dat geldt voormijn collega Struycken, maar ook voor collega Coenradie en collegaMaeijer – de urgentie voelen om van deze zaak te leren en zulke vreselijkesituaties te voorkomen. Daartoe riep mevrouw Paulusma ook op in haarbetoog. We hebben hierover geregeld met elkaar contact. De meestebewindspersonenoverleggen die ik heb, gaan over dit onderwerp. Wewillen er namelijk bovenop blijven zitten. De vragen die de Kamer in ditlicht gesteld heeft, hebben wij natuurlijk vaak ook. Daarom wordt er nuonderzoek gedaan. Zoals mijn collega, de Staatssecretaris Rechtsbe-scherming, al heeft gezegd, hebben we wel aan betrokken organisatiesgevraagd om zelf te reflecteren en, waar nodig, al verbeteringen door tevoeren. We hebben ook in onze brief van 19 november gezegd dat we deinspectie niet voor de voeten willen lopen en voorbarige conclusies willentrekken. Maar we moedigen de organisaties natuurlijk wel aan omevidente knelpunten op te pakken als die er zijn. Ze hebben allemaal latenweten daarmee bezig te zijn. In veel gevallen hebben ze ook externedeskundigheid gevraagd om mee te kijken. Belangrijk is dat we, zoals mijncollega van Rechtsbescherming gezegd heeft, alle feiten op een rij moetenkrijgen om deze verschrikkelijke organisatie binnen het stelsel goed teanalyseren en te kijken hoe we in de toekomst dingen kunnen voorkomen.Daar zijn de inspecties nu mee bezig. Zoals collega Struycken zei, komtdat rapport begin 2025. De beleidsreactie van het kabinet is dan natuurlijkzo snel mogelijk.Dan de vraag wat ik eraan doe om ervoor te zorgen dat er wordtingegrepen in pleegezinnen waar twijfels zijn over veiligheid. Laat hetevident zijn dat we moeten zorgen voor een veilig leefklimaat, zeker voorkinderen die in een kwetsbare positie zitten, die uit huis worden geplaatstof die om een andere reden in een pleeggezin terechtkomen. Zoals ik netal in de beantwoording op de vraag van de heer Smitskam zei, moetenpleegouders in bezit zijn van een verklaring van geen bezwaar en volgenaspirant-pleegouders een intensief voorbereidings- en screeningstrajectbij de pleegzorgaanbieder. Daarnaast heeft de pleegzorgorganisatie ookals taak om tijdens de plaatsing minimaal één keer per jaar de veiligheidvan het pleegkind in kaart te brengen met een veiligheidschecklist. Daarbijwordt ook gesproken met het kind, apart van de pleegouders. Er vindt dandus een gesprek plaats. Ook wordt er bij vermoedens van kindermishan-deling uiteraard gewerkt met de meldcode Huiselijk geweld en kindermis-handeling. Daarnaast hebben we in dit licht, zoals ik net heb gezegd,organisaties gevraagd om zelf kritisch te reflecteren op wat er nodig is aanverbeteringen en die zo mogelijk al door te voeren.Mevrouw Paulusma vroeg hoe ik ervoor zorg dat er beter naar kinderenwordt geluisterd. Dat is uiteraard belangrijk. Het punt dat mevrouwPaulusma opbrengt, is zeer terecht. Vandaar ook dat die jaarlijkseveiligheidscheck er is. Daarin wordt dus specifiek met het kind gesproken,zonder de aanwezigheid van anderen, dus ook zonder de aanwezigheidvan de pleegouders. Ook is er uiteraard regulier contact tussen eenpleegzorgbegeleider en het kind. Daarnaast kunnen pleegkinderen terechtbij vertrouwenspersonen van Jeugdstem, als ze ergens anders tegenaanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 106231 lopen. Bij de uitvoering van een jeugdbeschermingsmaatregel voert dejeugdbescherming bovendien ook nog geregeld gesprekken met hetpleegkind.Voorzitter. Dan de vraag wat ik ga doen om ervoor te zorgen dat pleegge-zinnen voldoende ondersteuning krijgen van pleegzorgorganisaties. Dat iseen terecht punt. De pleegzorgwerker heeft absoluut een belangrijke rol inde begeleiding van pleegouders. Ik was onlangs tijdens de Week van dePleegzorg in Waarder. Daar heb ik met veel pleegouders en begeleidersgesproken. Daar is dit echt een onderdeel van gesprek. Er wordt ookgewerkt met nieuwe methodes, onder andere de Mockingbirdmethode.Daarin wordt er met schaduwgezinnen en hubgezinnen gewerkt. Op datvlak vindt dus veel innovatie plaats. Maar daarnaast is er altijd trainingtijdens de plaatsing, waar pleegouders steeds meer kennis en vaardig-heden opdoen, zijn er buddysystemen en is er uitwisseling van ervaring.Wij zetten met de sector ook in op de begeleiding en het behoud vanbestaande pleegouders. Dat is namelijk ontzettend belangrijk. Ik begonmijn betoog er al mee: zij verdienen die waardering, omdat ze ontzettendveel goed werk doen.Voorzitter. Dat is, samengevat, de beantwoording op de vragen die ik hadover pleegzorg.De voorzitter:Hartelijk dank. Gaat u dan vooral verder.Staatssecretaris Karremans:Ik ga door met het tweede blokje: jeugdhulp. De eerste vraag is vanmevrouw Dral: hoe kan het nou dat een op de zeven kinderen in dejeugdhulp zit? Dat is natuurlijk dé vraag. Grofweg zien we twee oorzaken:de samenleving, maar ook het stelsel. We zien in de samenlevingprestatiedruk, problematiek van ouders en een toegenomen mentale drukonder jongeren. Ook is er sprake van het meer medicaliseren vanproblemen die je zou kunnen bestempelen als behorend bij normaalopgroeien of opvoeden. Maar het ligt ook in het stelsel: aanbod creëert devraag. We zien ook dat professionals zich vaak niet voldoende gesteundvoelen om nee te zeggen tegen jeugdhulpverzoeken. Dus dat zien wegrofweg in de maatschappij gebeuren. Wat is de oplossing? Samen metgemeenten, de aanbieders en de professionals hebben we de Hervor-mingsagenda Jeugd opgesteld. Daar staan heel veel maatregelen in diemoeten helpen de druk op de jeugdhulp te verminderen. Daar werken wehard aan. Er zit een deel wetsvoorstellen in; daar werken we ook aan. Voorde kerst, heb ik aan mevrouw Westerveld beloofd, komt de beant-woording op alle vragen die de Kamer heeft gesteld over het wetsvoorstelover de beschikbaarheid van de jeugdzorg. Daar werken we hard aan.Daarnaast komt er natuurlijk het wetsvoorstel over reikwijdte. We werkensamen met gemeenten aan stevige teams, om lichtere zorgvragen tekunnen opvangen.Dan de vraag van mevrouw Westerveld over het interview dat ik hebgehad in de NRC. Dat is volgens mij een terechte vraag. Ik heb er veelreacties op gekregen. De kern van mijn oproep in de NRC, om hetduidelijk te stellen, is: niet alles is een probleem dat we met de jeugdzorgmoeten en kunnen oplossen. Ik weet dat dat ook de mening is vanmevrouw Westerveld. Ik heb zowel veel positieve reacties gehad alsreacties van mensen met een bepaald onbegrip en, soms, boosheid. Ikdenk dat het heel goed is om met die mensen in gesprek te gaan. Datprobeer ik ook te doen. Het ging inderdaad soms om mensen die in dejeugdzorg werken en het er totaal niet mee eens waren, maar er warenook mensen die in de jeugdzorg werken en het er wél heel erg mee eenswaren. Ik denk dat dat illustreert wat de maatschappelijke dialoog is waarwe naartoe moeten. Soms gaat het over bewoordingen of over hoe jedingen doet, maar uiteindelijk gaat het om de essentie: wat is jeugdzorgTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 106232 en wat niet? Welke keuzes moeten we daar met elkaar in maken? Middelsdat interview heb ik geprobeerd bij te dragen aan die discussie. Maar hetpunt van waardering en de relatie met jeugdhulpprofessionals en-aanbieders, want dat is het punt dat mevrouw Westerveld maakte, vind ikverschrikkelijk belangrijk. Daarom ga ik ook zo veel mogelijk zelf met ze ingesprek. Ik vind dit ook waardevolle gesprekken om met ze te voeren.Want laten we wel wezen: uiteindelijk doen we het voor de zorg van demeest kwetsbare kinderen. Daarom moeten we ook keuzes maken.Mevrouw Paulusma had een vraag over het handelingsperspectief vanwijkagenten en huisartsen en het steeds de verantwoordelijkheiddoorgeven. Als ik het goed begreep, was dat het punt van mevrouwPaulusma. Nu is het zo dat de politie agenten traint in de omgang metbetrekking tot onveiligheid in gezinnen. De politie werkt samen met VeiligThuis. Huisartsen kunnen voor advies en een melding eveneens terecht bijVeilig Thuis en voor inzet van forensisch-medische expertise bij hetLandelijk Expertise Centrum Kindermishandeling. Maar feit blijft – daarheeft mevrouw Paulusma absoluut een punt – dat we nu een estafette-model hebben in de jeugdbescherming, zoals de StaatssecretarisRechtsbescherming eerder ook al heeft benoemd. Precies daarom zettenwe in op het toekomstscenario. Dat is dat we veel meer als één team gaanopereren en echt gericht zijn op het gezin, in plaats van dat verantwoorde-lijkheden worden afgeschoven.Mevrouw Paulusma (D66):Op zich ging het mij niet zozeer om het afschuiven van verantwoordelijk-heden, want ik denk dat de wijkagent zich heel erg verantwoordelijk voelt,net als de huisarts. Maar het gaat mij erom dat de signalen langs elkaarheen gaan, in plaats van elkaar raken. Even los van alle beleidstermen diewe daarop plakken: ik denk dat professionals gewoon verrijkte data willen,om zo te kunnen weten dat ze echt aan de bel moeten trekken omdat er insituatie A en in situatie B ook al iets gemeld is. Dat was mijn vraagrondom privacywetgeving: hoe zorgen we er nou voor dat professionalsin dit veld beter met elkaar kunnen communiceren?Staatssecretaris Karremans:Dank voor die verduidelijking. Als dat in mijn beantwoording zooverkwam, dan wil ik dat rechtzetten. Het gaat inderdaad niet om deintentie van professionals, want die is uiteraard goed. Gegevensuit-wisseling is ook onderdeel van dat toekomstscenario. Dat is een heelterecht punt. Dat moet inderdaad niet los van elkaar lopen, maar veelmeer op elkaar inhaken.De voorzitter:Ja, oké. Mevrouw Paulusma, u heeft drie vragen gesteld. Gaat u verder,Staatssecretaris.Staatssecretaris Karremans:Ik kom nu op de vraag die mevrouw Paulusma over het privacyaspectheeft gesteld. Welke obstakels zien wij in wetgeving en in regelingen alshet gaat om het kunnen ingrijpen door hulpverleners bij huiselijk geweld?Er bestaan nu mogelijkheden om in te grijpen bij huiselijk geweld, via hetmeldrecht in de Wmo uit 2015 en de bijbehorende meldcode. Ik weet nietof mevrouw Paulusma daaraan refereerde, maar het is uiteraard zo dat uithet inspectierapport zou kunnen blijken dat er obstakels zijn. Dat wetenwe niet, maar dat zou het geval kunnen zijn.Mevrouw Wijen-Nass vroeg naar de familiegroepsplannen. Ze vroeg hoede Staatssecretaris het familiegroepsplan in de praktijk breder zou willenuitrollen. Samenwerking met informele steunfiguren is essentieel. Dat hebik, zeker als het gaat om pleegzorg, ook gezien in Waarder. Daarom is hetfamiliegroepsplan ontzettend waardevol. Maar het is niet de enige vorm.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 106233 We werken onder andere ook met JIM, Jouw Ingebrachte Mentor,steunouders en meeleefgezinnen. Het is uiteraard aan jeugdigen,pleegouders en professionals om samen te bekijken wat het meestpassend is in welke situatie. Samenwerking met informele steunfigurenheeft daarom een belangrijke plek in de Hervormingsagenda Jeugd, maarook in het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming.Dan vroeg mevrouw Bruyning naar het versterken van rechtsbeschermingwat betreft gezinshuizen en naar ... Boven deze vraag zie ik «mevrouwBruyning» staan, maar ik zie mevrouw Bruyning nee schudden. Maargoed, de vraag is gesteld. O, was het mevrouw Paulusma? Ja, kijk. Nukomen we aan de acht vragen. Nu snap ik het.Laat ik het zo zeggen: in dit geval is door mevrouw Paulusma de vraaggesteld of we die rechtsbescherming willen versterken. Daar sta ik zekervoor open. Het antwoord daarop is dus «ja». In dat geval is een randvoor-waarde een wettelijke definitie van gezinshuizen. Deze ontbreekt op ditmoment in de Jeugdwet en in andere wetten. We verkennen op ditmoment de mogelijkheden om dit wel te regelen, bijvoorbeeld en margevan een reeds geplande wetswijziging. Met een wettelijke definitie vangezinshuizen zou in Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek vervolgens hetblokkaderecht kunnen worden opgenomen. Dat werk ik verder uit metmijn collega van Rechtsbescherming. Wij informeren de Kamer – want ikweet dat mevrouw Paulusma daar prijs op stelt – hierover in de voort-gangsbrief, vóór de zomer van 2025.Dan was er nog een vraag. Ik hoop dat die wel van mevrouw Bruyning is;anders moet ik die ook corrigeren. Zij gaf aan dat goede rechtsbe-scherming ook bestaat uit een gedegen klachtenprocedure en gedegenwaarheidsvinding. Dat klopt wel, hè? Ja. Dank. Dat deel ik. Klachtenrechtin het jeugddomein is een belangrijke vorm van rechtsbescherming. Datwillen we verder verbeteren. Daarom voeren VWS en JenV op dit momenteen breed onderzoek hiernaar uit. Het doel is om een overzicht te krijgenvan de verbeterpunten en van de uitvoeringspraktijken van interneklachtenprocedures bij uitvoeringsorganisaties in het jeugddomein. Metdit onderzoek willen we bekijken wat er nodig is om de huidige uitvoeringdan wel wetgeving te verbeteren.Tot slot twee vragen van mevrouw Dobbe. Zij vroeg: wat gaat u doen omhet winstaspect uit de jeugdhulpsector te weren? Laat me heel helder zijn:het realiseren van uitkeerbare winst mag nooit ten koste gaan van hetmaatschappelijke belang van kwalitatief goede jeugdhulp. Volgens mij zijnwe het daar allemaal over eens. Er zijn meerdere maatregelen ingezet omhet risico op excessieve winstuitkeringen te mitigeren, namelijk hetwetsvoorstel Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg, waarmee erextra eisen worden gesteld aan aanbieders wat betreft de bestuurs-structuur en de financiële bedrijfsvoering, en het wetsvoorstel Integerebedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders, waarmee voorwaardenworden gesteld aan winstuitkeringen; dat wetsvoorstel ontvangt u beginvolgend jaar. Verder kunnen gemeenten bij inkoopprocedures nu al goedekwaliteitseisen stellen en tariefdifferentiatie toepassen, onder andere doorde AMvB reële prijzen.Tot slot de vraag waarom er nog geen centraal register voor private-equitypartijen actief is in de jeugdhulp. Uit onderzoek van Ernst & Youngblijkt dat private-equityinvesteerders zeer beperkt actief zijn in dejeugdhulpsector. Meerdere maatregelen zijn reeds in voorbereiding omnegatieve effecten van private equity te weren, namelijk het wetsvoorstelWet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg – daar had ik het net al evenover – en het wetsvoorstel Integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulp-aanbieders.Dat waren de vragen, voorzitter.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 106234 De voorzitter:Was er nog een onbeantwoorde vraag blijven liggen? Kunnen de ledendaar zo meteen in de tweede termijn op terugkomen? Ja? Zullen we datdan zo doen? Ik dank de Staatssecretaris voor de beantwoording.Dan zijn we aangekomen bij de tweede termijn van de zijde van de Kamer.Ik geef u daar één minuut voor, vanwege de tijd. U heeft één onderlingeinterruptie. Mevrouw Dral, het woord is aan u.Mevrouw Dral (VVD):Dank u wel, voorzitter. De VVD strijdt al jaren voor de kwetsbare positievan vrouwen, en terecht. Binnen de jeugdbescherming is er echter sprakevan een kwetsbare positie van mannen; mijn collega Ceder zei daar netook al iets over. Voor de wet zijn ouders gelijk, maar veel signalen wijzenop vooringenomenheid jegens vaders, in hun nadeel. Stichting DwazeVaders ontvangt jaarlijks duizenden telefoontjes. In overgrotemeerderheid gaat het om serieuze vaders die het contact met hun kindwillen herstellen, maar dit niet voor elkaar krijgen. Ook mijn eigen velegesprekken met dergelijke vaders bevestigen dit beeld. Vaders raken snelin een achterstandspositie als het gaat om de omgang met de kinderen.Dit is vrijwel niet meer te corrigeren. Ook ontbreekt handhaving alsrechterlijke uitspraken niet worden opgevolgd.Dan is er nog een defensiemechanisme: splitting. Kort gezegd houdt dit indat een kind dat door één ouder tegen de andere ouder wordt opgezet, inzijn brein automatisch overschakelt naar zwart-witdenken, om zichstaande te houden. Het kind wijst dan vaak de niet-aanwezige ouder af.Als dit niet snel hersteld wordt, kan dit een structureel karakter krijgen.Veel vaders lopen hierdoor het risico hun kinderen voor het leven teverliezen.De voorzitter:Denkt u aan de tijd?Mevrouw Dral (VVD):Ja, dat doe ik. Dit is een drama voor vaders, en nog veel meer voor dekinderen. Dit komt uiteraard ook bij moeders voor. De VVD vindt dit zeerzorgelijk. Sinds 2021 ligt er bij de Kamer een adviesrapport van hetExpertteam Ouderverstoting. Ik zal afronden. We vinden het een zeerurgent onderwerp. Daarom wil ik het volgende aan de Staatssecretarisvragen. U zei net iets over niet handhaven, omdat er uitspraken zijnzonder consequenties. Toch zijn er hele goede voorbeelden van situatieswaarin dit wel werkt. Dat blijkt ook uit de praktijk in Denemarken, Belgiëen Frankrijk. Is de Staatssecretaris bereid hiernaar te kijken? Daarnaast wilik een tweeminutendebat aanvragen, omdat ik over dit onderwerp eenmotie wil indienen.Dank u wel.De voorzitter:U heeft nog een interruptie van mevrouw Westerveld.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Ik vind het fijn dat de VVD ouderverstoting belangrijk vindt, want destijdsheeft de fractie van de VVD tegen mijn motie gestemd waarin ik vroeg omdit rapport.Maar ik heb een andere vraag. Ik heb nog een antwoord tegoed op mijnvraag over de stemmingen die we over 25 minuten hebben en waarbij onsamendement in stemming wordt gebracht. Ik vroeg me af wat de VVDgaat stemmen. Als dat tegen is, hoe rijmt u dat dan met uw mooiewoorden?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 106235 Mevrouw Dral (VVD):Volgens mij heb ik in mijn eerste termijn een heel duidelijk betooggehouden. Daar wil ik het graag bij laten.De voorzitter:Mevrouw Dral, mag ik u ...Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Voorzitter, mag ik één punt van orde maken?De voorzitter:Een punt van orde.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):We zitten hier in een Kamerdebat om argumenten te wisselen. We gaanover 25 minuten stemmen over een onderwerp dat hier direct mee temaken heeft. Ik vroeg in de eerste termijn: wat gaan jullie stemmen? Datantwoord hield ik tegoed; dat is prima. Maar de VVD-fractie weet nu echtwel wat ze over 25 minuten gaat stemmen. Als dat tegen is, moeten wehet er gewoon over kunnen hebben, in plaats van dat dat in het publiekedebat wordt ontweken.De voorzitter:Ja. Maar goed, de woordvoerder van de VVD gaat over haar eigenwoorden. Als u het daarmee oneens bent, is dat jammer voor u. U bentwel aan het woord. U heeft één minuut voor uw tweede termijn. O, er isook nog een vraag van mevrouw Dobbe.Mevrouw Dobbe (SP):Ik ben heel erg benieuwd naar wat de VVD-fractie straks gaat stemmen enwat haar argumenten zijn daarvoor.Mevrouw Dral (VVD):Volgens mij ben ik net heel duidelijk geweest.De voorzitter:Goed. Mevrouw Westerveld.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Voorzitter. Ik vind wel wat van de manier waarop dit debat wordt gevoerd.We hebben het over een ongelofelijk belangrijk onderwerp. Alle Kamer-leden hier geven aan dat kinderen die in een kwetsbare positie zitten,geholpen moeten worden. Ze geven aan dat de organisaties belangrijkwerk doen en dat we hen daarbij moeten ondersteunen. Dat hoor ik ookbeide bewindspersonen zeggen. Maar er is wel een verschil tussenzeggen en vervolgens ook doen. Ik kijk ook naar de rol van de Kamer. Ikkijk naar de rol van ons allemaal. Ik kijk niet alleen naar de rol van deKamerleden die nu toevallig hier zitten, maar naar de rol van politiekepartijen in het algemeen. Het stelsel loopt namelijk vast. Kinderen diesoms in een afschuwelijke situatie zitten, worden onvoldoende geholpen.Hulpverleners en jeugdbeschermers doen ontzettend hun best, maar weweten allemaal dat de workload de afgelopen jaren veel en veel te hoogwas. Wij zijn verantwoordelijk voor dat stelsel. Ik vind dat de Kamer dieverantwoordelijkheid moet pakken, in plaats van dat het, als het een keerafschuwelijk misgaat, alleen maar terug kan wijzen naar het stelsel. Mijnbelangrijkste hoop voor de komende tijd is dat de Kamer niet alleen al diemooie woorden zegt, maar dat het vervolgens ook de daad bij het woordvoegt en echt gaat staan voor alle kinderen in een kwetsbare positie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 106236 De voorzitter:Dank u wel. Mevrouw Westerveld, u heeft een vraag van mevrouw Dral.Mevrouw Dral (VVD):U houdt een betoog. Het is net alsof u de enige bent die de oplossingheeft voor dit probleem. Volgens mij hebben we allemaal uitgesprokendat we dit urgent vinden. We vinden dit allemaal heel erg belangrijk. DeVVD komt ook met twee moties op dit onderwerp. Ik heb in de eerstetermijn ook al tegen u gezegd: ik doe u een handreiking. Volgens mij gaathet namelijk over de oplossing voor dit probleem. Het probleem is dat erkinderen in het nauw zitten. Het werkt volgens mij niet als we hier gaanlopen hakketakken, want daarmee komt er geen oplossing. Volgens mijgaat het erom de gezamenlijkheid, de verbinding, te zoeken. U heeft in uwoptiek een bepaalde oplossing, een manier voor hoe het zou moetenworden opgelost. Wij kijken daar anders tegen aan. Volgens mij gaat heter juist om dat we verbinding zoeken. Ik doe u nogmaals een handreiking.Ik dien straks bij het tweeminutendebat twee moties in. Ik zou zeggen: gamet elkaar om tafel, kom langs en wees welkom; laten we het goede doenvoor de kinderen.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Volgens mij is dit een versimpeling van de stand van zaken. We wetenallemaal dat de problemen in de jeugdzorg en de jeugdbeschermingongelofelijk groot zijn. In de afgelopen jaren hebben we daar voortdurenddebatten over gehad. Vier minuten zijn natuurlijk te kort om een preciezeprobleemschets en een oplossing te geven. Daarom hebben we het hier inverschillende debatten in de afgelopen jaren over gehad. Ik heb niet éénoplossing. Ik heb ook niet een oplossing die meteen morgen neergezetkan worden. Dat heb ik ook nergens beweerd.Wat we wél moeten doen, is in dit debat argumenten uitwisselen voorwaarom je bepaalde zaken wel of niet doet. Ik trek het heel slecht – daarkomt ook mijn toon van nu vandaan – dat ik in de afgelopen jarenvoortdurend van politici heb gehoord wat het belang is van een beterstelsel en waarom kwetsbare kinderen beter beschermd moeten worden.Maar toen we op verschillende momenten oplossingen aandroegen,stemden diezelfde politici daartegen en durfden ze dat vervolgens nieteens hier te zeggen. Daar heb ik bezwaar tegen. We voeren hier niet heteerlijke debat met elkaar.De voorzitter:Dat is de reactie. Nee, we houden het echt bij één interruptie, want wemoeten door. Ik heb wel een urgente vraag binnengekregen. MevrouwDral, zou u het voorzitterschap heel even kunnen overnemen en demensen het woord willen geven? Ik ben zo weer terug. U kunt daargewoon blijven zitten, hoor. U hoeft ze alleen even het woord te geven.Voorzitter: DralDe voorzitter:Meneer Smitskam, gaat uw gang.De heer Smitskam (PVV):Dank je wel, voorzitter. Ik maak geen gebruik van mijn tweede termijn.De voorzitter:Mevrouw Paulusma.Mevrouw Paulusma (D66):Dank, voorzitter. Ik kan me alleen maar aansluiten bij de woorden vanmevrouw Westerveld. We kunnen in dit huis heel lang zeggen dat we eenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 106237 heleboel zaken belangrijk vinden. Ik weet hoe het is om in een coalitie tezitten, maar ik weet ook hoe het is om soms, tegen de coalitie in, voormoties en amendementen te stemmen.Ik heb nog wel twee zorgen. In zijn beantwoording had StaatssecretarisKarremans het over de screening. Ik denk dat het rapport uit Vlaardingenons een aantal dingen gaat leren, maar we kunnen nu al zeggen dat descreening op een aantal andere momenten ook niet afdoende is geweest.Ik maak me er zorgen over of kijken naar een vog, een slaapkamer en datsoort zaken wel voldoende is. Ik ben benieuwd hoe de Staatssecretarisdaarnaar kijkt.De Staatssecretaris gaf aan: het is heel belangrijk om naar kinderen teluisteren; daarom hebben we de jaarlijkse veiligheidscheck. Toen kreeg ikwel een beetje kippenvel. Als we dat jaarlijks doen, dan weet ik nu al datdat te weinig is. Ik wil dat we kinderen serieus nemen en dat we datfrequenter doen. Ik ben benieuwd naar de reactie van de Staatssecretaris.Dank u wel.De voorzitter:Mevrouw Wijen-Nass, gaat uw gang.Mevrouw Wijen-Nass (BBB):Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Ik wil de beide Staatssecretarissenhartelijk danken voor hun reactie op de door mij gestelde vragen vandaag.Ik wil tot slot nog iets meegeven. Het is heel goed dat we nu bezig zijn metdie proeftuinen, maar we moeten niet vergeten dat er ondanks dieproeftuinen nog een hoop zorgen zijn rond mensen die wel in eenrechterlijk traject terechtkomen. Denk aan de jeugdbescherming en aan depositie van het kind. Dat zou ik tot slot graag nog willen meegeven.Dank u wel.De voorzitter:Meneer Ceder, gaat uw gang.De heer Ceder (ChristenUnie):Dank u wel, voorzitter. Dank voor de beantwoording. Ook ik zal in hettweeminutendebat met een aantal moties komen.Ik heb nog één vraag. Binnen de proeftuinen en het toekomstscenariogaat het geregeld over «normale gezinnen» en «casuïstiek», maar ik zieweinig aandacht voor jongeren en gezinnen die verspreid wonen, die vaakverhuizen en die soms zelfs geen vaste verblijfplaats hebben, met hetrisico op dakloosheid. Mijn vraag is dan ook hoe deze specifiekedoelgroepen binnen het toekomstscenario geholpen worden en hoevoorkomen wordt dat er opnieuw een doelgroep tussen wal en schipdreigt te vallen. Misschien kan de Staatssecretaris de toezegging doen omdat mee te nemen bij de doorontwikkeling.Dank u wel.De voorzitter:Dank. Mevrouw Bruyning, gaat uw gang.Mevrouw Bruyning (NSC):Dank u wel, voorzitter. Ik wil ook de beide Staatssecretarissen bedankenvoor hun antwoorden. Het is goed dat we met z’n allen naar de toekomstkijken, maar we hebben ook vandaag de dag, het hier en nu. Wat wevandaag kunnen doen, moeten we vandaag doen en aan wat later kan,moeten we met elkaar werken. Het belangrijkste zijn de kinderen, dejongeren en de gezinnen. Het is echt belangrijk dat we gaan waarderenwaar hun stem voor staat en dat we hen meenemen in de processen diewe vormen en ontwikkelen.Daar wil ik het bij laten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 106238 De voorzitter:Mevrouw Paulusma heeft een interruptie.Mevrouw Paulusma (D66):Ja, ik had er volgens mij nog een. Ik ben benieuwd wat NSC zo meteengaat doen met het amendement van het lid Westerveld.Mevrouw Bruyning (NSC):Dank u wel, collega Paulusma. Ik moet mij verontschuldigen, want ik hebdaar geen antwoord op. Ik heb de fractievergadering over de amende-menten gemist, omdat ik hier met jullie zat, in dit belangrijke debat. Ik benu dat antwoord dus verschuldigd.De voorzitter:Mevrouw Dobbe, gaat uw gang.Mevrouw Dobbe (SP):Dank u wel. Wij zullen wél voor het amendement van Westerveld enLahlah stemmen. Wij hopen dat NSC ons daarin volgt. Ik zal ook deargumenten geven waarom wij voor zullen stemmen. Op dit moment isde urgentie binnen de jeugdbescherming enorm. Daar zijn we hetallemaal over eens. We weten ook dat er over een paar weken bezuini-gingen aankomen die de organisaties helemaal niet kunnen dragen,terwijl die organisaties keihard nodig zijn om ervoor te zorgen dat dejeugdbescherming op peil blijft. Daarom stemmen wij voor. Dat zijn onzeargumenten. Die onzekerheid kunnen wij vandaag wegnemen.Ik wil nog wat vragen aan de Staatssecretaris over zijn beantwoordingover winsten in de jeugdhulp en de jeugdzorg. Die mogen nooit ten kostegaan van de zorg. Tegelijkertijd zegt de Staatssecretaris: als we kijken naarde groei in de jeugdhulp, moeten we ook kijken naar het stelsel. We zienook dat het aanbod de vraag creëert. Dat is natuurlijk een direct gevolgvan de markt. Er wordt aanbod gecreëerd omdat er geld mee te verdienenvalt. Ik zou hierop graag een reflectie willen van de Staatssecretaris. Hoerijmt hij dit antwoord met het feit dat hij ook ziet dat het aanbod en devraag in de jeugdhulp juist stijgen vanwege het stelsel en vanwege dewinsten die kunnen worden gemaakt op de jeugdzorg?Dank u wel.De voorzitter:De voorzitter is weer terug.Voorzitter: PoolDe voorzitter:Ik dank u voor het overnemen. We zijn hiermee aan het einde gekomenvan de tweede termijn aan de zijde van de Kamer. Ik geef de Staatssecre-taris het woord voor de beantwoording.Staatssecretaris Struycken:Voorzitter. Ik zou op twee punten graag een nader antwoord willen geven.Ten eerste de vraag van mevrouw Dral inzake verstotingsproblematiek,vaders en moeders die geen omgang meer kunnen krijgen. Dit heeft onzeaandacht. Er zijn diverse pilots gaande. Ik noemde de pilot in de regioHaaglanden al. Daarbij wordt ook wetenschappelijk onderzoek gedaandoor TNO. De resultaten daarvan komen in de zomer van komend jaar.Ook is de juridische projectgroep kindvriendelijke procedures bijscheiding ingesteld. Daarin spreken de rechtspraak, de advocatuur en deRaad voor de Kinderbescherming samen over een bijstelling van deprocedure, zodat echtscheidingsprocedures kindvriendelijker verlopen,escalatie tussen vader en moeder wordt voorkomen en er beter rekeningTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 106239 wordt gehouden met het fenomeen «splitting», dat mevrouw Dralnoemde. Dat is een begrijpelijke maar complexe gedragsreactie waaraandacht voor moet bestaan. Dat is daar allemaal onderdeel van. Hetvoornemen is om uw Kamer te informeren met een beleidsreactie op allelopende pilots zodra de resultaten van TNO over de pilot in de regioHaaglanden er zijn. Die komen dus medio zomer. Dat kan ik u toezeggen,maar dat zal dus halverwege 2025 zijn. Dat is mijn ene punt.Mijn andere punt betreft privacy en gegevensuitwisseling. Dat is een puntdat door diversen van u is opgebracht, ook door mevrouw Paulusma. Hetis heel duidelijk dat dat een probleem is. Afgelopen maandag mocht ikspreken bij de Autoriteit Persoonsgegevens. Toen heb ik het themahandelingsverlegenheid als het gaat om gegevensverwerking eninformatiedeling centraal gesteld. Ik heb daar ook uitdrukkelijk genoemddat dit een groot probleem is in de jeugdzorg en de jeugdbescherming.Het probleem is misschien niet eens zozeer dat er geen informatie magworden uitgewisseld, maar dat er de vrees bestaat dat het niet mag, dat erde perceptie is dat er een belemmering is. Ik heb de Autoriteit Persoons-gegevens aangemoedigd om het perspectief van handhaving aan tevullen met een perspectief van advisering om meer handelingsrichting tegeven en die handelingsverlegenheid in al die verschillende domeinenweg te nemen als die daar ten onrechte is.De voorzitter:U bent klaar? Dan geef ik kort het woord aan de andere Staatssecretaris.Staatssecretaris Karremans:Dank, voorzitter. Ik houd het zo kort mogelijk. Er was een vraag vanmevrouw Paulusma over de screening. Ik ben het helemaal met haareens; die moeten we zeker nader bekijken in het licht van het rapport vande IGJ. Dat moet ook zeker omdat het doel is om kinderen die uit huismoeten worden geplaatst goed en veilig terecht te laten komen. Als ernaar aanleiding van dat rapport iets extra nodig is, dan moeten we datzeker gaan doen. Maar dat wil ik doen als ik dat rapport heb. Dat wilde ikdaarover zeggen. In dat licht noemde ik inderdaad de veiligheidscheck diejaarlijks plaatsvindt. Volgens mij noemde ik ook de frequente bezoeken diesowieso plaatsvinden, maar misschien heb ik die niet genoemd ofverkeerd uitgelegd. Als er ook sprake is van steungezinnen of deMockingbirdmethode, hebben die daar natuurlijk ook een functie bij. Er isdus veel meer dan alleen die jaarlijkse veiligheidscheck.Dan de vraag van mevrouw Dobbe over de winst. Bij de zwaardere hulp isdat zeker niet het geval. Het is wel zo dat er op lichtere vormen vanjeugdhulp – maar daar hebben we nou juist het gesprek over – zoals Rotsen Watertrainingen, winst wordt gemaakt. Maar we willen er natuurlijkvooral voor zorgen dat er juist voor de kinderen die het nodig hebben,passende hulp is en dat we toch wel een beetje een rem zetten op delichtere hulp die er is. Als het gaat om «aanbod creëert vraag», dan gaathet natuurlijk ook vooral om de mogelijkheid die we wettelijk hebbengecreëerd. De mogelijkheid om jeugdhulp te ontvangen is in algemene zineen aanbod. Met de Wet reikwijdte proberen we dat te verduidelijken en tespecificeren, zodat daar ook voor de gemeenten wat meer rem op zit.De voorzitter:Mevrouw Paulusma, als u moet gaan, dan moet u gaan. De heer Ceder.De heer Ceder (ChristenUnie):Voorzitter, sorry, ik weet dat we weinig tijd hebben. Ik zie dat de Staatsse-cretaris al aan het woord is, maar ik heb geen antwoord gehad op mijnvraag. Ik heb ook geen toezegging gehoord om die doelgroep mee tenemen in de doorontwikkeling. Dat vroeg ik aan de heer Struycken, maarik zie dat de heer Karremans al is begonnen met zijn beantwoording. MaarTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 106240 het is voor ons wel een hele belangrijke vraag. De beantwoording magook schriftelijk.De voorzitter:Dat gaan we dan schriftelijk doen. Goed. Dames en heren, dit is ook hetwerk van de Kamer. We staan af en toe onder tijdsdruk. Ik dank u allenvoor uw inbreng in dit debat en ik dank de Staatssecretarissen voor hunkomst naar de Kamer. De toezeggingen hebben we geregistreerd in hettoezeggingenregister. Mevrouw Dral heeft een tweeminutendebataangevraagd. Mag dat na de kerst worden ingepland? Het liefst ervoor,hoor ik. We gaan kijken of dat kan. Ik dank het publiek en ik sluit ditcommissiedebat.Sluiting 12.51 uur.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 106241

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · c3c55b9f7e9393a1

14 okt 2026 · 4233a38e80a9740f

Gerelateerde bronnen

  • Besproken tijdens · Officiële koppelingJeugdbescherming
    Verslag van een commissiedebat, gehouden op 5 december 2024, over Jeugdbescherming

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.