KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een schriftelijk overleg over Ontwikkelingen uitvoering taakstelling Rijksoverheid (Kamerstuk 31490-391)

2 feb 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie fdc9e49e2d5bf39b · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202631 490Vernieuwing van de rijksdienstNr. 393 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 2 februari 2026 De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heefteen aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister vanBinnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de brief van 3 oktober2025 over Ontwikkelingen uitvoering taakstelling Rijksoverheid(Kamerstuk 31 490, nr. 391)De vragen en opmerkingen zijn op 23 januari 2026 aan de Minister vanBinnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voorgelegd. Bij brief van2 februari 2026 zijn de vragen beantwoord.De fungerend voorzitter van de commissie,Van EijkAdjunct-griffier van de commissie,Van der Haas kst-31490-393ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 490, nr. 3931 Reactie van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksre-latiesIk dank de leden van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken voorhun inbreng en de door hen gestelde vragen. In het navolgende zal ik devragen thematisch groeperen en zo veel mogelijk in elkaars samenhangbeantwoorden.De leden hebben vragen gesteld over de volgende thema’s:A.Werkgeverschapa.Taakstellingb.Externe inhuur, kennis en vakmanschapc.Sociale veiligheid, discriminatie en de KCOOd.CAO-onderhandelingene.Spreiding rijkswerkgelegenheidf.Diversiteit, gelijkwaardigheid en inclusieB.De hervorming van de Algemene BestuursdienstC.Staat van de Uitvoering en Naar een uitvoerende machtD.RijksinkoopE.Onevenredige Hardheden AanpakF.Jaarevaluaties Campagnes Rijksoverheid 2024 In het geplande commissiedebat had ik u willen meenemen in een aantalontwikkelingen rondom het functioneren van de rijksdienst. Graag licht ikdeze hier kort toe.We bouwen aan een toekomstbestendige en effectieve rijksdienst diewendbaar, open, integer, lerend en responsief, effectief en betrouwbaar is.Dat is hard nodig om maatschappelijke opgaven beter aan te kunnenpakken. Adviezen van onder andere WRR, de Staat van de Uitvoering enWennink bevestigen dat structurele beperkingen ons hinderen. Dewerkwijze van de rijksdienst is opgavegericht: de maatschappelijkeopgaven staan centraal. We investeren in opgavegericht organiseren,sterk publiek leiderschap, en ambtelijk vakmanschap, waarbij teams zichvormen rond die opgaven in plaats van rond structuren en kokers.Medewerkers van de rijksdienst, met hun kennis, ervaring en vakman-schap zetten in op opgaven die het meest urgent zijn. Bij het maken vanbeleid letten we op de uitvoerbaarheid. Effectief werken betekent ook eensysteemverandering met minder hardheden, minder bureaucratie enminder administratieve lasten. Daarbij werken we aan een veilige,weerbare, inclusieve en lerende werkomgeving waarin prestatie enresultaat samengaan met werkplezier, integriteit en groei.In de bedrijfsvoering werken we toe naar meer gezamenlijke voorzie-ningen, zoals informatie- en documentatiesystemen en voorzieningen ophet gebied van HR, inkoop en faciliteiten binnen de rijksdienst om allemedewerkers optimaal te faciliteren in het werken aan de opgaven waarwij voor staan.A. Werkgeverschap a. Taakstelling Vraag:Uit de brief van 3 oktober 2025 blijkt dat de omvang van de rijksdienst ineen half jaar tijd met 3.934 fte is gegroeid (in de periode van 31 december2024 tot en met 30 juni 2025). De leden van de D66-fractie vragen deMinister hoe hij deze toename verklaart, zeker in het licht van de voorge-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 490, nr. 3932 nomen besparingen op het Rijksapparaat. Wat is de voortgang op detaakstelling? Kan de Minister een overzicht geven binnen welke catego-rieën de grootste besparingen hebben plaatsgevonden? Welke investe-ringen zijn er gedaan in het vergroten van de arbeidsproductiviteit om optermijn te kunnen besparen, zo vragen deze leden.Antwoord:De huidige taakstelling is een budgettaire taakstelling en het is aan deafzonderlijke departementen om hier invulling aan te geven. Over devoortgang van de taakstelling wordt gerapporteerd in de begrotingen enjaarverslagen van de afzonderlijke departementen. Rijksbreed wordtgerapporteerd bij de Miljoenennota en in de Jaarrapportage Bedrijfs-voering Rijk (JBR).De groei in 2025 vindt voornamelijk plaats in de categorieën inspectie,uitvoering en ondersteuning. De groei in deze categorieën bedraagt, in heteerste half jaar, tussen 2,5% en 5,2%.In het derde kwartaal van 2025 zien we, ten opzichte van het vierdekwartaal 2024, een stijging van het aantal fte in de categorieën uitvoering(3,5%), ondersteuning (4,4%) en bij de inspectie (5,7%). De groei in decategorie beleid is minimaal.Afgesproken is om de uitvoering en inspecties in de taakstelling teontzien. Ministers kunnen, na zorgvuldige afweging, besluiten om deuitvoering en inspecties wel te laten bijdragen. Vanuit deze optiek en hetfeit dat 2025 het eerste jaar van de taakstelling was, is de stijgingverklaarbaar.De verdeling van de taakstelling naar o.a. uitvoering of apparaat is nietrijksbreed inzichtelijk te maken. Verdere ontwikkelingen in de groei ofkrimp van apparaatsbudget zijn het gevolg van keuzes van de betreffendedepartementen in hun begrotingen.Het jaar 2025 stond in het teken van plan- en besluitvorming die, zekerwaar het om medewerkers gaat, zorgvuldig moet plaatsvinden. Degekozen oplossingen leiden op zichzelf tot een vermindering van hetaantal fte.Met betrekking tot de geconstateerde groei moet echter opgemerktworden dat de 2025 het eerste jaar van de taakstelling is en dezedoorloopt tot en met 2029. Tevens kan er, door de het terugdringen vanexterne inhuur, verambtelijking plaatsvinden. Tenslotte worden politiekekeuzes gemaakt die de omvang van de ambtelijke organisatie doengroeien.De rijksdienst maakt stappen om de mogelijkheden van inzet van AI toe tepassen. Hiervoor lopen op dit moment verschillende initiatieven,waaronder via de Nederlandse Digitaliseringsstrategie (NDS). Detoepassing van AI kan bijdragen aan het vergroten van de arbeidsproduc-tiviteit. Tegelijkertijd dient de toepassing hiervan, gegeven de publiekewaarden, zorgvuldig te gebeuren.Vraag:Het inmiddels demissionaire kabinet heeft eerder gesteld fors te willenbezuinigen op het aantal rijksambtenaren. De leden van de fractie vanGroenLinks-PvdA hebben vaker aangegeven deze puur op financiëledoelstellingen gebaseerde bezuiniging onverstandig te vinden omdat hiergeen grondige kwalitatieve analyse aan ten grondslag lag. Juist in tijdenwaarin er al grote tekorten zijn op de arbeidsmarkt en dat de vergrijzingde komende tijd grotere gevolgen zal hebben is het belangrijk om juistgoed te investeren in een kwalitatieve rijksdienst. Graag ontvangen de aanhet woord zijnde leden een reflectie hierop van het kabinet. Erkent deMinister dat een bezuiniging puur gebaseerd op financiële doelstellingenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 490, nr. 3933 geen recht doet aan de kwaliteit van de rijksdienst? Hoeveel openstaandevacatures zijn er op dit moment bij de Rijksoverheid en kan de Ministernader ingaan op de te verwachte gevolgen van de vergrijzing voor derijksdienst?Antwoord:In zijn algemeenheid hebben de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en devergrijzing van het personeelsbestand effecten op de organisatie van deRijksdienst. Dat is ook de reden waarom het kabinet deze taakstellingmede vanuit deze context benadert.In de brieven van 14 maart en 3 oktober 2025 (Kamerstukken 31 490,nr. 359 en Kamerstuk 31 490, nr. 391) heeft het kabinet helder aangegevendat de invulling van de taakstelling realistisch moet zijn en dat behoudvan kennis belangrijk is. Het is vervolgens aan de departementen zelf omhier, afhankelijk van hun eigen situatie, rekening mee te houden bij hetrealiseren van de taaktelling.Het blijft van belang dat de publieke taken uitgevoerd worden en dat hiervoldoende mensen voor zijn. Daarom is er ook geen rijksbrede vacatu-restop. Tegelijkertijd is het aan de departementen om telkens goed af tewegen of vacatures (extern) opengesteld worden. De laatste cijfers latenzien dat er, tot en met het derde kwartaal van 2025, ruim 16.000 vacaturesopengesteld zijn.Investeren in de kwaliteit van de rijksdienst doet het kabinet doorlopend.Onder andere door te investeren in de aanpak van hardheden, opgavege-richt werken, medewerkers rijksbreed inzetbaar te maken en hun ambtelijkvakmanschap te vergroten.Vraag:Met betrekking tot de rijksbrede taakstelling (structureel 1 miljard in 2029)zien we juist een groei van rijksmedewerkers, met name bij inspectie,uitvoering en ondersteuning. De taakstelling ligt bij de verschillendeministeries. De leden van de CDA-fractie vragen daarom hoe realistisch deMinister de ingezette bezuinigingstaakstelling vindt?Antwoord:De huidige taakstelling is een budgettaire taakstelling die rechtstreeks bijde departementen is ingeboekt. Budgettair is daarmee ook de taakstellinggerealiseerd. Het is aan de afzonderlijke departementen om te bepalen opwelke wijze zij die, op basis van de doelstellingen van hun organisatie, hetbeste kunnen invullen.In 2025 hebben departementen hiervoor, op basis van de strategischelijnen zoals verwoord in de Kamerbrief van 14 maart 2025 (Kamerstuk31 490, nr. 359), plannen gemaakt die uitgevoerd worden.Ongeacht de keuze voor een centrale of decentrale taakstelling blijft hetvan belang dat de departementen deze vertalen naar hun eigen situatie.Dit moeten zij doen op basis van scherpe politieke keuzes over de takendie de rijksdienst moet uitvoeren.b. Externe inhuur, kennis en vakmanschap Vraag:De leden van de D66-fractie lezen dat uit de cijfers over 2023 en 2024 blijktdat bij het terugdringen van de externe inhuur weinig vooruitgang isgeboekt. Hoewel de Minister spreekt van «een stap in de goede richting»,was er feitelijk sprake van stilstand: in beide jaren bleef het aandeelexterne inhuur steken op 15,4 procent. Uit het nieuwe dashboard externeinhuur, dat is ontwikkeld naar aanleiding van de motie-Sneller/Vermeer(Kamerstuk 31 490, nr. 354), blijkt dat de externe inhuur in de eerste helftvan 2025 is gedaald naar 11,4 procent. Dat is een duidelijke verlaging.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 490, nr. 3934 Waaruit is deze daling te verklaren en welke lessen trekt de Ministerhieruit, zo vragen deze leden. Kan de Minister inzicht geven in welkesectoren de grootste daling in externe inhuur heeft plaatsgevonden en inwelke sectoren nog het meeste winst is te behalen? Om te kunnenbeoordelen of deze verlaging zich over het hele jaar heeft doorgezet,ontbreekt nog data. Wanneer wordt de rapportage over het derde envierde kwartaal van 2025 verwacht.Antwoord:In 2024 is het inhuurpercentage gelijk gebleven aan 2023, dit is een kleinestap in de goede richting. In de jaren ervoor was elk jaar sprake van eenstijging ten opzichte van het voorgaande jaar.Zoals ook opgenomen in mijn brief van 5 december 2025 Dashboardexterne inhuur n.a.v. de motie Sneller/Vermeer (Kamerstuk 31 490, nr. 392)is hetgeen nu is opgenomen in het dashboard externe inhuur eentussenstand, dat een overzicht geeft over het eerste half jaar van 2025. Hetis dit jaar de eerste keer dat er een tussenstand is weergegeven van deuitgaven aan externe inhuur. Omdat dit een eerste keer betreft is het nietmogelijk om deze tussenstand te vergelijken met voorgaande jaren.Hierdoor is het op dit moment niet mogelijk om aan te geven in welkesectoren in 2025 de grootste daling in externe inhuur heeft plaatsge-vonden.Met betrekking tot de vraag om aan te geven in welke sectoren nog degrootste winst te behalen valt in de reductie van externe inhuur, geeft hetdashboard weer dat de categorie advisering opdrachtgevers automati-sering en de categorie uitvoering (formatie en piek) verantwoordelijk zijnvoor respectievelijk 43% en 33% van de totale uitgaven aan externeinhuur. Deze twee categorieën bieden daarom procentueel de grootstekansen voor verdere reductie aan externe inhuur.In de jaarverslagen 2025 van de departementen zal worden gerapporteerdover de totale uitgaven aan externe inhuur en indien van toepassingwordt in het jaarverslag toegelicht waarom de norm is overschreden. Dejaarverslagen worden in mei 2026 gepubliceerd. Een samenvattendresultaat vanuit de jaarverslagen en het rijksbrede overzicht externeinhuur wordt opgenomen in de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk dieook in mei 2026 verschijnt, en in het dashboard externe inhuur.Vraag:Wanneer verwacht de Minister dat de Rijksoverheid aan de Roemer-normvoldoet? En welke extra stappen zijn hiervoor nodig?Antwoord:Het is primair de verantwoordelijkheid van de ministeries en hunuitvoeringsorganisaties om de externe inhuur terug te dringen. Ik kan enwil daar niet in treden omdat ministeries en hun uitvoeringsorganisatieszelf het beste kunnen beoordelen of in bepaalde, specifieke gevallenexterne inhuur nodig is voor de taakuitvoering en maatschappelijkedienstverlening.Vermindering van inhuur vindt plaats door verambtelijking en ook deaanpak van de schijnzelfstandigheid (wet DBA) heeft tot gevolg dat meermedewerkers in ambtelijke dienst zullen worden genomen in plaats vanextern ingehuurd. Ook leidt dit ertoe dat een aantal zzp-contracten nietwordt verlengd.Ik acht het van groot belang dat de trend dat de Roemernorm wordtoverschreden, wordt doorbroken en er een daling zal worden gereali-seerd. De stand ten opzichte van de Roemernorm in 2024 is dezogenaamde 0-meting. In de daaropvolgende rapportages wordt devoortgang gemonitord. Indien daaruit blijkt dat de stijgende trend nietTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 490, nr. 3935 wordt doorbroken, zal ik op dat moment in overleg met de collega’sbezien welke aanvullende maatregelen nodig zijn.Door beleidsintensiveringen kan het zijn dat op korte termijn veelarbeidsinzet gevraagd wordt, waardoor inhuur noodzakelijk is. Ook doorexogene factoren zoals de digitaliseringsopgave en tijdelijke (herstel)operaties die op korte termijn gerealiseerd moeten worden kan ook inhuurnodig zijn.Derhalve is niet aan te geven wanneer de Rijksoverheid aan deRoemernorm voldoet.Vraag:De externe inhuur komt een aantal keer voorbij. In 2024 was deze, net alsin 2023 15,4%, in de eerste helft van 2025 11,4% (grootste deel ICT). Deleden van de CDA-fractie constateren dat er wordt vastgehouden aan deRoemernorm van maximaal 10 procent, terwijl er met name op ICTexterne inhuur nodig is. Kan de Minister aangeven waarom er niet isgekeken naar differentiatie?Antwoord:In mijn brief van 18 april 2025 over Externe inhuur (Kamerstuk 314190,nr. 363) is beschreven dat ondanks het feit dat uit het onderzoek van deAuditdienst Rijk (ADR) blijkt dat de Roemernorm uit 2010 als gedateerdwordt ervaren, de norm wel alom bekend is en in die zin een signaal-functie heeft. Een alternatieve norm, zoals een gedifferentieerde norm metbijvoorbeeld verschillende percentages per inhuur-categorie, acht de ADRweinig zinvol, omdat dit geen recht doet aan de complexe werkelijkheid.Het kabinet houdt dan ook vast aan de doelstelling dat de uitgaven aanexterne inhuur in lijn moeten komen met de Roemernorm.Vraag:De leden van de BBB-fractie vragen de Minister om een overzicht van detotale kosten die de afgelopen vijf jaar zijn gemaakt voor externeonderzoeken uitgevoerd door consultancybureaus en universiteiten/kennisinstellingen, uitgesplitst per ministerie en per type opdrachtgever.De leden van de BBB-fractie vragen welke trend zichtbaar is in dezeuitgaven. Is sprake van een structurele stijging? Zo ja, wat zijn daarvolgens de Minister de belangrijkste oorzaken van?Antwoord:Op basis van de bij mijn ministerie beschikbare financiële data is het nietmogelijk een dergelijk betrouwbaar totaaloverzicht te verstrekken. Dereden hiervoor is dat externe onderzoeken niet als eenduidige rubriek inde administratie te vinden zijn en niet op basis hiervan uit de uitgavenkunnen worden gefilterd. Externe onderzoeken vallen in de regel binnende ministeries onder grotere posten en worden gefinancierd uit verschil-lende programma’s en organisatieonderdelen. De informatie is daarmeewel beschikbaar maar niet gestandaardiseerd en te versnipperd om in eenoverzicht te kunnen presenteren.Overigens worden sinds enkele jaren externe onderzoeksrapportenstandaard actief openbaargemaakt op www.rijksoverheid.nl.Vraag:De leden van de BBB-fractie vragen welke beleidsregels, kaders entoetsingscriteria momenteel gelden voor het uitzetten van externeonderzoeksopdrachten en consultancytrajecten binnen de Rijksoverheid.Wordt vooraf structureel getoetst of de benodigde kennis en capaciteitintern beschikbaar is, en zo ja, hoe wordt die afweging vastgelegd? Inhoeverre is er sprake van centrale sturing of uniforme richtlijnen tussenministeries, en hoe wordt voorkomen dat externe inhuur de standaardop-lossing wordt in plaats van een uiterste middel?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 490, nr. 3936 Antwoord:In de rijksbegrotingsvoorschriften zijn in de bijlage inhuur externen decriteria opgenomen wanneer sprake is van inhuur.1Externe inhuur is nodig bij piekbelasting, ziekte, moeilijk vervulbarevacatures en specialistische en innovatieve werkzaamheden, dit laatstevooral op het gebied van ICT. Daarnaast biedt inhuur flexibiliteit bij eenveranderende vraag naar capaciteit. De beslissing om al of niet over tegaan tot externe inhuur is, binnen de huidige kaders, een managementbe-slissing binnen het desbetreffende ministerie.Ministeries en hun uitvoeringsorganisaties beoordelen zelf of in bepaalde,specifieke gevallen externe inhuur nodig is voor de taakuitvoering enmaatschappelijke dienstverlening.Het is primair de verantwoordelijkheid van de ministeries en hunuitvoeringsorganisaties om de externe inhuur terug te dringen binnen huneigen departement.Vraag:De leden van de BBB-fractie vragen welke concrete ambitie het kabinetheeft om de kosten voor externe inhuur en externe onderzoeksopdrachtenterug te dringen. Zijn hier kwantitatieve doelstellingen aan verbonden? Deleden van de BBB-fractie vragen welke actieprogramma’s, beleidslijnen ofmaatregelen momenteel lopen om deze afhankelijkheid van externepartijen te verminderen. Kan de Minister aangeven welke resultaten dezeprogramma’s tot nu toe hebben opgeleverd?Tot slot vragen de leden van de BBB-fractie hoe wordt geborgd dat kennisdie extern wordt ingehuurd ook daadwerkelijk duurzaam wordt overge-dragen aan de organisatie, zodat herhaalde externe inhuur in de toekomstkan worden voorkomen.Antwoord:Zie de beantwoording van de vragen hierboven over de ambities endoelstellingen van het kabinet op het gebied van het terugdringen vanexterne inhuur en de afhankelijkheid van externe partijen.Vraag:De leden van de BBB-fractie vragen welke stappen worden gezet omstructureel meer kennis en expertise binnen de ministeries zelf op tebouwen en te behouden. Hoe wordt ingezet op het aantrekken vaninhoudelijke specialisten, het behoud van ervaren ambtenaren en hetversterken van interne kennisnetwerken?Antwoord:Binnen de Rijksoverheid bestaat een uitgebreid netwerk van verschillendeacademies en leer- en ontwikkelafdelingen, sommige gericht op het eigenministerie of organisatie en andere met een rijksbrede opdracht. Bij elkaarzorgen zij voor een ruim aanbod aan onder andere vakinhoudelijkeleeractiviteiten en leeractiviteiten op het gebied van persoonlijkeontwikkeling. Vakinhoudelijk bijvoorbeeld op het gebied van ICT, vanwetgeving en van financiën. Daarnaast wordt gekeken naar de mogelijk-heden van het delen van expertises binnen de Rijksoverheid en de bouwvan (online) communities als middel om kennis te delen en efficiënt in tezetten.Zowel departementaal als interdepartementaal lopen er diverse initia-tieven op instroom en behoud. In het geval van externe werving wordt,onder ander via (sociale) media, de focus gelegd op specifieke (schaarse)beroepsgroepen, zoals ICT’ers en financieel specialisten.1Model 3.60 - Bijlage: Inhuur externen | RijksbegrotingsvoorschriftenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 490, nr. 3937 Vraag:Naar aanleiding van de motie-Sneller van 3 juli 2025 (Kamerstuk36 740 VII, nr. 33) is onderzocht op welke wijze de primaire arbeidsvoor-waarden zouden moeten worden aangepast om specialistischeICT-capaciteit in huis te halen. De Minister geeft aan dat er verschillen metde markt zullen blijven bestaan, onder meer vanwege de beperkteloonruimte voor rijksambtenaren. De leden van de D66-fractie vragen ofde Minister voorziet dat dit tot problemen zal leiden bij de werving. Opwelke manier denkt de Minister de algehele arbeidsvoorwaarden voorICT-specialisten toch op een aantrekkelijk niveau te kunnen brengen?Verwacht de Minister dat hiermee de beperkte loonruimte kan wordengecompenseerd, zodat alsnog voldoende specialisten kunnen wordenaangetrokken?Antwoord:De Rijksoverheid zet in op versterking van de ICT-capaciteit binnen hetRijk, onder meer via gerichte regie op ICT personeel, het aantrekken vannieuw talent, het benutten van interne ICT pools, een sterkere positio-nering als ICT werkgever en het duurzaam ontwikkelen en behouden vanICT professionals. Voor de omgang met arbeidsmarktkrapte in bepaaldefuncties zijn ook andere instrumenten beschikbaar, zoals arbeidsmarkttoelages.Tegelijkertijd beperkt de in het Hoofdlijnenakkoord opgenomen nullijnvoor salarisontwikkeling de mogelijkheden in het overleg met de bonden.Het is niet zeker dat zowel loonaanpassingen als invoering van het nieuweFUWA Rijk kunnen worden overeengekomen. Voor uitvoerende functiesworden de arbeidsmarktverschillen kleiner indien middelen beschikbaarzijn voor de invoering van FUWA-Rijk. Ook met opheffing van de nullijnblijven er naar verwachting verschillen met de markt – met name voor ICTfuncties – bestaan, maar worden deze niet groter.c. Sociale veiligheid, discriminatie en de KCOO De leden van Denk en GroenLinks-PvdA hebben vragen gesteld over debekendheid van de rijksbrede klachtencommissie ongewenste omgangs-vormen (KCOO) en welke acties ik heb ondernomen om de KCOO onderde aandacht te brengen van rijksambtenaren. De leden van Denk hebbengevraagd of ik erken dat er binnen de Rijksoverheid sprake kan zijn vanonderrapportage van discriminatie door angst voor repercussies of gebrekaan vertrouwen. Zij vragen ook welke concrete maatregelen wordengenomen om meldingsbereidheid en bescherming van melders tevergroten, onder meer via de KCOO? Tot slot hebben zij gevraagd welketermijnen de KCOO hanteert voor het oppakken en afhandelen vanklachten (intake, ontvankelijkheid en inhoudelijke behandeling)?De rijksbrede klachtenregeling en de KCOO is via www.rijksoverheid.nl enhet rijksbrede intranet onder de aandacht gebracht van de medewerkersvan het Rijk. Ook zijn er meerdere voorlichtingsbijeenkomsten gehoudenvoor rijksmedewerkers, voor integriteitscoördinatoren, vertrouwensper-sonen en HR professionals van alle departementen om het Meldpunt ende KCOO onder de aandacht te brengen. Daarnaast is er zoals aange-kondigd in de Kamerbrief Focusgroepenonderzoek Racisme binnen deRijksoverheid van 25 oktober 2024 (Kamerstuk 30 950, nr. 424) eenhandreiking «De-escalatieladder voor leidinggevenden van het Rijk» in demaak waarin we leidinggevenden informeren over de verschillendenrijksbrede meld- klacht- en hulp kanalen, waaronder KCOO, voormedewerkers. De KCOO heeft zich gepresenteerd tijdens de week van deintegriteit. Tevens zal extra aandacht worden besteed aan de KCOO en deIC Rijk in een artikel op het rijksbrede intranet. Daarnaast wordt er gewerktaan een actualisatie van de Gedragscode Integriteit Rijk waarin ookTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 490, nr. 3938 informatie is opgenomen over de KCOO. Nieuwe rijksmedewerkersworden hier bij de start van hun werkzaamheden over geïnformeerd.Vraag:Erkent de Minister dat er binnen de Rijksoverheid sprake kan zijn vanonderrapportage van discriminatie door angst voor repercussies of gebrekaan vertrouwen, en welke concrete maatregelen worden genomen ommeldingsbereidheid en bescherming van melders te vergroten, ondermeer via de KCOO? Welke termijnen hanteert de KCOO voor het oppakkenen afhandelen van klachten (intake, ontvankelijkheid en inhoudelijkebehandeling)?Antwoord:Ik wil benadrukken dat het Rijk streeft naar een (sociaal) veilige werkom-geving voor al haar medewerkers. Ik vind het belangrijk dat in eersteinstantie het gesprek op de werkvloer kan plaatsvinden over ongewensteomgangsvormen. Om dit bespreekbaar te maken kan hulp wordengeboden door te praten met een leidinggevende, een vertrouwens-persoon of een andere professional die bijdraagt aan een veiligwerkklimaat bij het Rijk. Als dit niet leidt tot een gewenste oplossing, kande rijksmedewerker via het Meldpunt integriteit en ongewenste omgangs-vormen een klacht indienen over ongewenst gedrag. Het Meldpunt kan deklacht doorsturen naar de KCOO. Door de KCOO laagdrempelig in terichten, een onafhankelijke positie te geven en divers van samenstelling temaken, is de verwachting dat de drempel voor medewerkers om eenklacht in te dienen laag is. In de rijksbrede klachtenregeling is opgenomendat de klager vanwege het te goeder trouw indienen van een klacht nietbenadeeld wordt in zijn of haar (rechts)positie of de uitoefening van zijn ofhaar functie.Het klachtrecht van KCOO is gebaseerd op hoofdstuk 9 van de Algemenewet bestuursrecht en de daar genoemde termijnen vormen de basis voorde behandeling van klachten door de KCOO. De termijnen die de KCOOhanteert voor het oppakken en afhandelen van klachten worden nadertoegelicht in de Klachtenregeling ongewenste omgangsvormen Rijk.Vraag:De Minister geeft aan te werken aan een departementaal rapportage-model voor de aanpak van discriminatie. Kan de Minister aangeven watde status hiervan is en wanneer de Kamer dit model kan verwachten? Inhoeverre is dit model afdwingbaar? Hoe ziet het model eruit?Antwoord:Het raamwerk voor het rapportagemodel is inmiddels vastgesteld door dedepartementen en het wordt momenteel nog verder vormgegeven insamenspraak met de departementen.In lijn met de toezegging van mijn voorganger zal ik u het model in iedergeval voor het zomerreces toesturen.Het rapportagemodel heeft als doel een beeld te geven van hetdepartement-brede beleid en structurele maatregelen op het gebied vande aanpak van discriminatie en racisme op de werkvloer van de eigenorganisatie.Dit gebeurt langs een viertal pijlers: normstelling, handelingsvaardigheiden handhaving leidinggevenden, activering omstanders, en hulp- enmeldkanalen.Alle departementen hebben toegezegd de rapportage te zullen aanleverendus van afdwingen is in dit verband geen sprake.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 490, nr. 3939 Vraag:Tot slot vraagt de fractie van DENK aandacht voor de rol van leidingge-venden bij discriminatie en voor inkoop en aanbestedingen als instrumentvoor inclusie. Deelt de Minister de noodzaak om rijksbreed te borgen datleidinggevenden verplicht worden getraind op het tegengaan vandiscriminatie en hierop ook worden beoordeeld? Kan de Ministerbevestigen dat in de opvolger van «Inkopen met Impact» een concreetbeleidskader Diversiteit & Inclusie wordt opgenomen, en toelichten hoedit wordt vertaald naar aanbestedingen? Welke mogelijkheden gebruikthet Rijk om bedrijven die zich aantoonbaar schuldig maken aan discrimi-natie te weren van opdrachten, en welke criteria worden daarbij gehan-teerd?Antwoord:Mijn voorganger heeft reeds in de kamerbrief Aanpak discriminatie enracisme bij de Rijksoverheid van 14 april 2025 (Kamerstuk 30 950, nr. 451)deze vraag beantwoord. Het is essentieel dat leidinggevenden binnen deRijksoverheid verantwoordelijkheid dragen voor het bewerkstelligen vaneen sociaal veilige en inclusieve omgeving, met daarbij specifiekeaandacht voor racisme en discriminatie.Om die reden heb ik opdracht gegeven om uitvoering te geven aan demotie Bamenga (Kamerstuk 30 950, nr. 415) van 12 september 2024waarin verzocht wordt om in functieomschrijvingen en beoordelingscyclivan ambtenaren met een leidinggevende functie de expliciete verantwoor-delijkheid op te nemen actief zorg te dragen voor een veilige en inclusievewerkomgeving vrij van racisme en discriminatie. Dit is voorgelegd aan deambtelijke commissie (CFFR) die adviseert over het Functiegebouw Rijk.De CFFR is onlangs een onderzoek gestart waarin wordt beoordeeld of dieexpliciete verantwoordelijkheid voldoende is gedekt en – als dat niet zois – te adviseren over aanpassingen. De resultaten van de analyseverwacht ik in de loop van het voorjaar.De handelingsvaardigheid van leidinggevenden voor het bewerkstelligenvan een veilige werkvloer zonder discriminatie is daarnaast ook als éénvan de vier pijlers meegenomen in het rapportagemodel aanpak racismeen discriminatie. Over dit model dat rijksbreed is vastgesteld enmomenteel samen met de departementen nog verder wordt vormge-geven zal ik uw Kamer voor het zomerreces informeren.Daarnaast worden er binnen het Rijk diverse trainingen aangeboden terbevordering van gelijke behandeling, inclusief leidinggeven en bewust-wording van vooringenomenheid. Deze trainingen dragen bij aan hetvoorkomen van discriminatie. De training voor objectief werven enselecteren is verplicht voor alle leidinggevenden en werknemers die bijselectiecommissies betrokken zijn.Verder is er een handreiking «De-escalatieladder ongewenst gedrag voorleidinggevenden van het Rijk» in de maak waarin we leidinggevendeninformeren en adviseren over hoe met ongewenst gedrag, waaronderdiscriminatie en racisme, om te gaan en een veilige werkomgeving tecreëren.Op het moment werkt mijn departement aan de nieuwe Rijksinkoopstra-tegie. Maatschappelijk Verantwoord Opdrachtgeven en Inkopen (MVOI) isdaarin één van drie hoofdopgaven. D&I is hierin een belangrijke pijlerwaarover ook het gesprek wordt gevoerd in consultatiesessies met hetRijksinkoopstelsel.Naast de aandacht voor D&I in de nieuwe strategie, zijn er ook nu almogelijkheden om diversiteit, inclusie en anti-discriminatie in inkooptra-jecten mee te nemen door in de aanbestedingsprocedure eisen, criteria envoorwaarden op te nemen. Indien proportioneel kan door het opnemenvan een uitsluitingsgrond, bijvoorbeeld op grond van milieu, sociaal- ofarbeidsrecht, een onderneming worden uitgesloten van deelname aan deaanbesteding.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 490, nr. 39310 Vraag:De leden van de D66-fractie vragen of de Minister signalen heeftontvangen dat er druk wordt uitgeoefend op de professionaliteit vanambtenaren om politieke redenen, bijvoorbeeld het niet gebruiken vanbepaalde gangbare beleidstermen om politieke redenen of het schrijvenvan adviezen die strijdig zijn met wetgeving. Op welke manieren zoudenambtenaren dergelijke signalen kenbaar kunnen maken?Antwoord:Als Minister van BZK heb ik die signalen niet ontvangen. Dat neemt nietweg dat er spanning tussen een ambtelijk advies en politieke wens kanbestaan. Mijn inzet is dat ambtenaren te allen tijde hun vak professioneelen objectief moeten kunnen uitoefenen. Daartoe behoort ook het scherpadviseren en je daarin uitspreken als je professioneel oordeel daar omvraagt. Ook als dat tegen de politieke wens in is.Na het ambtelijk advies besluit uiteindelijk de bewindspersoon. Met onderandere workshops en dialoogvoering, op alle niveaus in de rijksdienst, zetik me in voor een werkklimaat waarin ambtenaren alle relevante kennis,feiten en omstandigheden in hun ambtelijk advies veilig kenbaar enbespreekbaar kunnen maken. Als de ambtenaar druk ervaart kan hij of zijdit bespreken met de leidinggevende, maar ook met bijvoorbeeld devertrouwenspersoon of de integriteitscoördinator.d. CAO-onderhandelingen Vraag:De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA hechten veel waarde aangoede arbeidsvoorwaarden. Dit is niet alleen van belang voor derijksambtenaren zelf, maar ook voor de kwaliteit van het werk van deRijksoverheid. In dit kader hebben de aan het woord zijnde leden grotezorgen over het feit dat de oude cao inmiddels afgelopen is en het kabineteen nullijn voor komend jaar heeft voorgesteld. Deze leden vinden dit eenonverstandig besluit van het kabinet en constateren ook dat de vakbondenzich hier ook tegen verzetten en bij de onderhandelingen over een nieuwecao hier niet mee akkoord zullen gaan. De leden van de fractie vanGroenLinks-PvdA hebben hierover een aantal specifieke vragen. Allereerstvernemen zij graag wat de stand van zaken is met betrekking tot degesprekken over een nieuwe cao. Wanneer verwacht de Minister hierovermeer nieuws? En op welke manier zorgt de Minister ervoor dat er spoedigeen akkoord met de vakbonden kan worden bereikt over een nieuwe cao?Verder ontvangen de aan het woord zijnde leden graag een reactie van hetkabinet op het onderzoek dat in ESB is gepubliceerd waarin gesteld wordtdat de nullijn de loonachterstand van rijksambtenaren met de marktvergroot en daarmee de personeelstekorten verder zal worden vergroot,met name in de uitvoering. Deelt de Minister deze zorgen en zo nee,waarom niet?Antwoord:De stand van zaken rond de cao-onderhandelingen is dat de bonden hetcao-overleg hebben gestaakt. 3 bonden (FNV, Ambtenarencentrum enCNV) zijn gestart met acties, zoals werkonderbreking en stiptheidsacties.Eén bond (CMHF) is een juridisch traject gestart, waarbij ze de Advies- enArbitragecommissie (AAC) om advies hebben gevraagd. Een spoedigcao-akkoord is niet te verwachten omdat de standpunten van bonden ende werkgever Rijk ver uit elkaar liggen. Ten aanzien van het artikel vanFNV dat geplaatst is in ESB, delen we niet de mening van FNV dat er opdit moment sprake is van een achterstand in beloning tussen het rijk en demarkt. Onderzoek van SEO, waarin op basis van opleidingsniveaugekeken wordt hoe de beloning in verschillende sectoren is, geeft aan dathet rijk voor de lagere schalen iets meer betaalt dan de markt, en in deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 490, nr. 39311 hogere schalen iets minder. Dit is echter op basis van opleidingsniveau enzegt niets over de beloning van specifieke functies bij het rijk versus demarkt. De verwachte gemiddelde cao-loonstijging in 2026 is 4,2%. Er is nuonvoldoende loonruimte beschikbaar om voor het Rijk een vergelijkbarecao-loonstijging te bieden waardoor er wel een achterstand t.o.v. anderewerkgevers ontstaat. Met name in de veiligheidsfuncties binnen het rijk,zoals gevangenisbewaarders, douanepersoneel en rijksbeveiligers is datkwetsbaar, vanwege de concurrentie met bijvoorbeeld politie, defensie ende particuliere beveiligingssector. Het verloop in de mbo3 en mbo4 niveaufuncties kan daardoor toenemen. Waakzaamheid is nodig, maarbudgettair zie ik momenteel geen mogelijkheden om deze kwetsbaarheidweg te nemen.Vraag:De leden maken zich zorgen over de nullijn en de rijksbrede taakstellingvan 22% en de gevolgen die deze maatregelen zullen hebben voor hetloon van ambtenaren en voor het functioneren van de overheid alsgeheel. Is de Minister zich ervan bewust dat ambtenaren een zeer diversegroep vormen? Zo vallen ook medewerkers in lagere loonschalen, zoalsschoonmakers en beveiligers in dienst van het Rijk, onder de nullijn. Voordeze groepen kan de nullijn tot financiële problemen leiden, aangezienvaste lasten zoals huur en andere kosten wel blijven stijgen. Hoe gaat deMinister hiermee om? Is de Minister bereid om de nullijn van tafel tehalen, zodat gesprekken met de vakbonden weer mogelijk zijn?Antwoord:De taakstelling staat los van de nullijn en heeft geen invloed op hetinkomensniveau van rijksambtenaren. Ik ben mij ervan bewust dat hetloonbod dat ik tijdens de cao-onderhandelingen op tafel heb gelegd, van0% in 2026 en 3% in 2027, door de verwachte inflatie van 2,6% in 2026 eennegatief effect op de koopkracht heeft van de rijksambtenaren. Dat is aande orde voor alle inkomensgroepen, maar ik ben mij ervan bewust dat delagere inkomensgroepen minder speelruimte hebben om stijgende lastenop te vangen. Mogelijk bieden toeslagen daarvoor een kleine compen-satie. Wat de cao-onderhandelingen betreft, heb ik een bod neergelegd engeen eindbod. De deur voor verdere onderhandelingen staat open. Maarhet zal duidelijk zijn dat door de bezuiniging uit het Hoofdlijnenakkoord opde cao voor rijksambtenaren de speelruimte klein is.Vraag:Is de Minister zich ervan bewust dat ambtenaren er in feite op achter-uitgaan, omdat zij niet worden gecompenseerd voor de inflatie? Waaromis ervoor gekozen deze maatregel twee jaar op rij toe te passen?Antwoord:Het klopt dat als de loonstijging in 2026 lager uitkomt dan de inflatie,rijksambtenaren er in koopkracht op achteruit gaan. U geeft echter aan dater twee jaar op rij sprake is van een nullijn. Dat klopt niet. Het huidigecao-akkoord heeft een looptijd van 1,5 jaar, namelijk van 1 juli 2024 tot1 januari 2026. De procentuele loonstijging zat in dat akkoord in zijngeheel aan het begin van de looptijd. Daardoor lijkt het alsof er geenloonstijging in 2025 heeft plaats gevonden, maar je moet de loonstijgingover de hele looptijd van het akkoord bekijken.Vraag:Daarnaast vragen de leden hoe de Minister wil voorkomen dat op termijneen tekort aan personeel ontstaat doordat de overheid steeds minderaantrekkelijk wordt als werkgever. Dit geldt bijvoorbeeld in de ICT, maarook in de DJI, waar juist een grote behoefte bestaat aan personeel.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 490, nr. 39312 Antwoord:Door de krapte op de arbeidsmarkt én de uitstroom door o.a. pensio-nering en externe mobiliteit is het voor het Rijk belangrijk om naast hetwerven van nieuw personeel huidig personeel te behouden, waarvoor eenblijvend sterk en aantrekkelijk werkgeversmerk van belang is.Naast departementale initiatieven lopen er ook interdepartementaleinitiatieven op instroom en behoud.De Rijksoverheid biedt goede primaire en secundaire arbeidsvoor-waarden, waaronder het Individueel Keuzebudget (IKB) en een ruimeouderschapsverlofregeling. Daarnaast is bijvoorbeeld vanuit het strate-gisch personeelsbeleid op het gebied van arbeidsmarktcommunicatieaandacht voor zowel de interne als externe arbeidsmarkt.In het geval van externe werving wordt, onder andere via (sociale) media,de focus op specifieke (schaarse) beroepsgroepen, zoals ICT’ers,financieel specialisten etc. gelegd.e. Spreiding rijkswerkgelegenheid Vraag:In de «Stand spreiding van de rijkswerkgelegenheid 2025–2029» zien wein sommige provincies groei, maar andere blijven achter. De leden van deCDA-fractie vragen waar de Minister het meest tegenaan loopt als het omspreiding gaat.Antwoord:Om daadwerkelijk een beweging te creëren naar een andere spreiding vanrijkswerkgelegenheid over het land, is de coördinerende rol van deMinister van BZK versterkt. Ik adviseer collega’s in het kabinet bijlocatiekeuzes voor nieuwe diensten, bij uitbreiding of herhuisvesting.Daar betrek ik de regioprofielen van provincies en regio’s bij. Zo kunnener goede matches worden gemaakt tussen een regio en een rijksdienst,als een kans zich voordoet. In de afgelopen periode heb ik meerderemalen mijn adviesbevoegdheid ingezet om locatiekeuzes te beïnvloeden.Het tot stand brengen van passende huisvestingsoplossingen en hetdaarmee realiseren van een andere spreiding van rijkswerkgelegenheid iswel een proces van langere adem. Internalisering van de rijksbredeaanpak bij departementen en continuering van de samenwerking metprovincies en regio’s zijn vereist en kosten tijd.f. Diversiteit, gelijkwaardigheid en inclusie Vraag:Met betrekking tot de voortgang van de banenafspraak overheid was hetde bedoeling dat er voor 1 januari 2026 100.000 banen door de markt en25.000 banen door de overheid zouden zijn ingevuld. Door de SROI maaktde overheid naast het invullen van de eigen banen ook banen mogelijk bijde markt (deze worden niet meegeteld). Per 1-7-2026 komt er een nieuwewet. Hierdoor maakt het niet uit of de banen door de overheid of de marktworden gerealiseerd. De leden van de CDA-fractie constateren dathiermee het risico bestaat dat men naar elkaar gaat kijken waardoor hetrealiseren van de doelen lastiger wordt. Op welke wijze wordt ditvoorkomen? De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast of, en zo ja opwelke wijze, werkgevers bij het behalen van de doelstellingen ontzorgdworden, zodat het invullen van de banen makkelijker wordt (minderadministratieve rompslomp). Hoe helpt de Minister de werkgevershiermee?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 490, nr. 39313 Antwoord:Het is evident dat de overheid een voorbeeldfunctie heeft bij het reali-seren van banen voor deze doelgroep. Ook na het opheffen van hetonderscheid blijft de overheid zich inzetten om banen te creëren en tebehouden voor deze doelgroep en blijf ik de realisatie bij de overheidapart monitoren.Ik ben er ook van overtuigd dat het opheffen van het onderscheid kanleiden tot meer energie en mogelijkheden bij werkgevers. Samenwerkingtussen markt en overheid door bijvoorbeeld inkoop van diensten wordtdaarmee makkelijker. Het uiteindelijke doel is om zoveel mogelijk banen terealiseren, het gaat dan niet meer om waar iemand werkt, maar datiemand werkt.De Minister van SZW blijft in gesprek met werkgevers om daar waarmogelijk verbeteringen te doen om het voor werkgevers zo gemakkelijkmogelijk te maken om mensen met een arbeidsbeperking in dienst tenemen.Vraag:Kan de Minister de meest recente cijfers delen over de brede diversiteit bijde Rijksoverheid en kan de Minister deze ook uitsplitsen voor de (sub)topvan het Rijk, bijvoorbeeld salarisschaal 15 en hoger en/of de ABD, enaangeven hoe zich dit de afgelopen jaren heeft ontwikkeld?Antwoord:De meest recente cijfers over de brede diversiteit bij de Rijksoverheid zijnte vinden in de Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk 2024. Deze isgepubliceerd op 21 mei 2025 en blikt terug op 20242. De JaarrapportageBedrijfsvoering Rijk 2025 zal medio mei 2026 gepubliceerd worden.In deze rapportage staan de meest recente cijfers over genderdiversiteit,culturele diversiteit, leeftijd en de banenafspraak. Deze cijfers hebbenbetrekking op het aandeel van de betreffende groep binnen het medewer-kersbestand, schaalcategorie, in- en uitstroom naar schaalcategorie enleeftijdscategorie. Voor genderdiversiteit worden de cijfers ook uitgesplitstvoor de ABD en voor culturele diversiteit naar ministerie.Verder publiceert het CBS voor het aandeel culturele diversiteit binnen deRijksoverheid elk jaar via het instrument Barometer Culturele Diversiteitde meest recente data, met uitsplitsingen. De laatste versie bevat cijfersover 2024, de gegevens over 2025 volgen dit jaar.Hoewel de rapportage op jaarbasis plaatsvindt en de manier van metentussen de jaren kan verschillen kunnen we op basis van de beschikbaredata stellen dat de ontwikkeling de afgelopen jaren positief is geweest. Opdit moment voldoen we nog niet aan alle kwantitatieve doelstellingenvoor een (diverse) samenstelling van het medewerkersbestand van hetRijk.Vraag:Hoe beoordeelt de Minister de effectiviteit van het beleid om de bredediversiteit te bevorderen?Antwoord:Het beleid van het Rijk is gericht op een medewerkersbestand dat eenafspiegeling is van de samenleving, met verschillende perspectieven,achtergronden, ervaring en kennis. De voortgang op onze kwantitatievedoelstellingen is een indicatie van de effectiviteit van het gevoerde beleid.Hoewel het Rijk, zoals eerder aangeven, niet alle meetbare doelstellingenhaalt, is de voortgang door de jaren heen, positief.2Jaarrapportage Bedrijfsvoering Rijk 2024, hoofdstuk 1 (paragraaf 1.1.1, 1.1.2 en 1.2.3 enbijlage 2a.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 490, nr. 39314 Omdat we op dit moment nog onvoldoende een afspiegeling zijn van desamenleving en arbeidsmarkt, blijven we hieraan werken, naast de inzetop gelijkwaardigheid en inclusie.B. De hervorming van de Algemene Bestuursdienst Vraag:In genoemde brief is te lezen dat het versoberen van de dienstverleningvan het nieuwe directoraat-generaal ertoe leidt dat managers in schaal 15voortaan niet meer kunnen rekenen op dienstverlening vanuit deAlgemene Bestuursdienst (ABD), terwijl het «niet opportuun» wordtgeacht dat departementen en uitvoeringsorganisaties deze ondersteuningzelf gaan organiseren. Dat roept bij de leden van de D66-fractie de vraagop voor wie het versoberen van deze dienstverlening dan wél opportuunis. De dienstverlening in schaal 15 wordt «aangepast». Wat houdt dezeaanpassing precies in, zo vragen deze leden. Wordt de dienstverleningverlaagd, verhoogd of in een andere vorm georganiseerd? Welke effectenverwacht de Minister hiervan op de kwaliteit en het behoud van talentonder managers in schaal 15, en op hen doorstroom naar en functionerenin topmanagementfuncties? Deze leden vragen zich, mede gezien de velekanttekeningen die de Minister zelf lijkt te plaatsen, af wie er preciesgebaat is bij deze voorgenomen versobering. Zij vragen ook welkestappen er zijn ondernomen om meer technische expertise van buiten deRijksoverheid aan te trekken binnen de programma’s van de ABD. In deeerdergenoemde brief wordt bovendien aangegeven dat gesprekken metkritische experts op het gebied van de ontwikkeling van de rijksdienst enambtelijk leiderschap nog gaande waren. Met wie is inmiddels gesproken,en hebben deze gesprekken tot nieuwe inzichten geleid en hebben dezeinzichten geleid tot bijstelling van de plannen?Antwoord:De hervorming van de Algemene Bestuursdienst (ABD) draagt bij aan hetversterken van publiek leiderschap. De ABD heeft een unieke positiebinnen de rijksdienst en speelt een belangrijke rol in het aantrekken enontwikkelen van het leiderschap dat nodig is voor een flexibele, wendbareen slagvaardige rijksdienst. De ambtelijk top bestaande uit de Topmanage-mentgroep (TMG) neemt hierin het voortouw.Om beter aan te sluiten bij de uitdagingen in de verschillende manage-mentlagen van de Rijksoverheid wordt de dienstverlening van de ABDanders georganiseerd. Ik vind het nodig differentiatie aan te brengentussen de TMG, de directeuren en de managers op senior managementniveau. De functie van afdelingshoofd vraagt immers iets anders op hetgebied van deskundigheid, verantwoording en leiderschap dan die vaneen directeur of een secretaris-generaal.Voor het senior management (managers op schaal 15 niveau) kies ikervoor om basisdienstverlening bij de ABD te blijven beleggen omefficiëntievoordelen te behouden en kwaliteit van het leiderschap teborgen. Juist omdat een groot deel van het senior management bijuitvoeringsorganisaties werkzaam is, is het belangrijk dat de ABD zichthoudt op talent in deze groep en doorgroeimogelijkheden kan stimulerenten behoeve van kennisbehoud en uitwisseling tussen beleid enuitvoering. Daarom vind ik het ook relevant dat deze groep kan blijvendeelnemen aan leeractiviteiten en dat de ABD regie houdt op de werving-en selectieprocedures. Wel zet ik in op minder intensieve begeleiding vanhet senior management.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 490, nr. 39315 De ABD zal intensiever betrokken zijn bij de werving, de selectie en deontwikkeling voor topambtenaren met eindverantwoordelijkheid (vanafschaal 16). Met hen zullen – bij het aangaan van een nieuwe functie – opindividuele basis afspraken worden gemaakt over hun specifieke bijdrageaan de maatschappelijke opgave. Ook zal een persoonlijk publiekleiderschapsplan worden opgesteld met concrete ontwikkelafspraken overhet versterken van hun (ambtelijk) vakmanschap. Dit noem ik hetmaatschappelijk commitment.Hoewel de focus in de dienstverlening meer zal komen te liggen op dehoogste managementfuncties (schalen 16 en hoger), blijft de groepmanagers in schaal 15 onder de reikwijdte van de dienstverlening van deABD vallen. Daarmee komt er geen extra druk op de departementen teliggen en wordt de dienstverlening niet verlegd. De gesprekken die deafgelopen maanden met wetenschappers, voormalig topambtenaren envertegenwoordigers van adviesorganen -zoals de WRR- hebben plaatsge-vonden, hebben tot deze lijn geleid.In de werving en selectie van topambtenaren wordt rekening gehoudenmet de deskundigheid die nodig is om effectief te kunnen bijdragen aande maatschappelijke opgaven. Hierbij wordt gekeken welke kennis enervaring beschikbaar zijn binnen de organisatie en het team. In dat kaderworden ook van buiten de Rijksoverheid talentvolle managers met(technische) vakkennis aangetrokken (ca. 20% externe instroom per jaar).Vraag:Tot slot vernemen de leden van de D66-fractie graag of er al zicht is opeen besluit over de mogelijke verlenging van de functieduur van ledenvan de topmanagementgroep van de ABD en welke argumenten daarbijeen rol spelen.Antwoord:Ik vind het belangrijk dat topambtenaren zich voor een langere periodeverbinden aan hun maatschappelijke opgaven omdat dit realisatiekracht,kennisbehoud en continuïteit bevordert. Daarom verken ik een aantalopties voor het verlengen van de functieduur van TMG-leden. Ik kijkhierbij naar wat in andere bestuursfuncties zoals bij ZBO’s gebruikelijk isen doe hiervoor ook onderzoek bij de TMG zelf. Voor het goed functio-neren van de overheid moeten topambtenaren lang genoeg op hunfunctie blijven om een maatschappelijke opgave daadwerkelijk verder tebrengen, maar ze moeten ook op tijd ruimte maken voor een frisse blik ennieuw talent van binnen en buiten de Rijksoverheid. Het gaat erom eenbalans te vinden tussen kennisbehoud, continuïteit en een relevantnetwerk aan de ene kant, en vernieuwing, diversiteit en professioneledoorstroom aan de andere kant. Ik zal uw Kamer hier later dit jaar overinformeren.Vraag:In de brief opvolging hervormingsagenda voor versobering van deAlgemene Bestuursdienst is te lezen dat de functies schaal 15 niet langerdeel uitmaken van de ABD, maar dat er mogelijkheden zijn tot doorgroei.De leden van de CDA-fractie vragen of het klopt dat hiermee de top duskleiner wordt gemaakt (1250 functies). Deze leden vragen of daarmee hetprobleem niet juist verschoven wordt?Antwoord:De focus in de dienstverlening van de ABD komt meer te liggen op dehoogste managementfuncties (schalen 16 en hoger). Tegelijkertijd blijfthet senior management (managers op schaal 15 niveau) onder dereikwijdte van de dienstverlening van de ABD vallen. Daarmee komt erTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 490, nr. 39316 geen extra druk op de departementen te liggen en wordt de dienstver-lening niet verlegd.Voor het senior management kies ik ervoor om basisdienstverlening bij deABD te blijven beleggen om efficiëntievoordelen te behouden en kwaliteitvan het leiderschap te borgen. Juist omdat een groot deel van het seniormanagement bij uitvoeringsorganisaties werkzaam is, is het belangrijk datde ABD zicht houdt op talent in deze groep en doorgroeimogelijkhedenkan stimuleren ten behoeve van kennisbehoud en uitwisseling tussenbeleid en uitvoering. Daarom vind ik het ook relevant dat deze groep kanblijven deelnemen aan leeractiviteiten en dat de ABD regie houdt op dewerving- en selectieprocedures. Wel zet ik in op minder intensievebegeleiding van het senior management.C. Staat van de Uitvoering en Naar een uitvoerende macht Vraag:De leden van het CDA vragen naar aanleiding van de Kabinetsreactie ophet ROB-advies «Naar een uitvoerende macht» hoe de UDO (Uitvoerbaar-heidstoets Decentrale Overheden) in de praktijk werkt.Antwoord:De UDO heeft tot doel om beleid voor decentrale overheden vorm tegeven dat uitvoerbaar is en zijn doelen bereikt, of dat nu eigen beleid vanhet Rijk is of beleid dat volgt uit Europese richtlijnen. Het vakdepartementis penvoerder van de UDO en betrekt de desbetreffende (koepel van)decentrale overheden vanaf de start van de beleidsvorming. Het Minis-terie van BZK adviseert over het proces van de UDO en over de bestuur-lijke en financiële randvoorwaarden aan de hand van het NormenkaderInterbestuurlijke Verhoudingen. De (koepels van) decentrale overhedenbrengen de praktijkkennis van decentrale overheden in. De partijenbepalen samen hoe omvangrijk de UDO moet zijn. Samen bepalen zij ofextern onderzoek nodig is, bijvoorbeeld voor de financiële gevolgen voordecentrale overheden of een uitvoeringstoets. De UDO wordt uitgewerktaan de hand van de vijf vragen van het Beleidskompas:1.Wat is het probleem?2.Wat is het beoogde doel?3.Wat zijn de opties om het doel te realiseren?4.Wat zijn de gevolgen van de opties?5.Wat is de voorkeursoptie?De uitwerking van de UDO wordt opgenomen in de memorie vantoelichting. De koepel van de decentrale overheden die door het beleids-voornemen wordt geraakt, krijgt de mogelijkheid in de formele consul-tatie, die doorgaans tegelijk met de internetconsultatie start, eenbestuurlijke appreciatie van de voorstellen en een reactie op deUDO-uitwerking te geven. De UDO en de aan de UDO ten grondslagliggende uitvoeringstoetsen en onderzoeken worden openbaar gemaaktop het moment dat het beleidsvoornemen in consultatie gaat.Vraag:De leden van de VVD-fractie vragen hoe uitvoeringsorganisaties eerder enbeter kunnen worden betrokken bij beleidsvorming en hoe ondersteu-nende diensten, zoals ICT, ook al aan de voorkant standaard betrokkenkunnen worden?Antwoord:Het kabinet hecht aan een sterkere positie van uitvoeringsorganisaties entoezichthouders in het beleids- en wetgevingsproces. Niet als doel opzichzelf, maar als middel om de behoeften van de samenleving (burgersen bedrijven) centraal te stellen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 490, nr. 39317 Dit is van essentieel belang en daarom wordt de praktijkkennis vanuit deuitvoering, het toezicht en de samenleving in het algemeen vanaf hetallerprilste begin bij de beleids- en wetsvorming betrokken. En blijftbetrokken worden in de aanloop naar de politieke besluitvorming.Dit vraagt aandacht voor zowel «zachte» als «harde» aspecten. Eenculturele verandering naar een proces van beleid en wetgeving waarin debehoeften van de samenleving centraal staan, veronderstelt dat struc-turele factoren, zoals een borging van de positie van uitvoeringsorgani-saties in het beleids- en wetgevingsproces, hiermee in lijn wordengebracht.Het kabinet werkt aan de modernisering van de regelgeving voorsamenwerking binnen de rijksdienst. Zelf bereid ik een modernisering vande Kaderwet zelfstandige bestuursorganen (zbo’s) voor. Hierin wordt eenbepaling opgenomen waardoor zbo’s een formele positie krijgen bij hetontwikkelen van beleid en regelgeving die raakt aan hun publieke taken ofhun functioneren. Deze nieuwe bepaling sluit aan bij de desbetreffendebepaling die ook is opgenomen in het voorontwerp voor een Kaderwet opde rijksinspecties. Het kabinet overweegt ook bij de volgende wijzigingvan de Aanwijzingen voor de regelgeving (beoogd in 2026) aanwijzing5.10, tweede lid, die verbiedt om een adviestaak met betrekking totalgemeen verbindende voorschriften of te voeren beleid van het Rijk op tedragen aan een zbo, te laten vervallen.Het Beleidskompas, als centrale werkwijze voor het maken van beleid bijde Rijksoverheid, omvat ook de aspecten die u noemt. Door de werkwijzevan het Beleidskompas te volgen, wordt geborgd dat vanaf de start van debeleidsvoorbereiding alle belanghebbenden en uitvoeringsorganisatiesworden betrokken. Het Beleidskompas vraagt daar continue aandachtvoor, omdat de vraag «Wie zijn belanghebbenden en waarom?» bij elkevraag terugkomt. Daarnaast bevat het Beleidskompas ook tools en toetsenzoals de tool ICT-uitvoeringsgericht wetgeven en de uitvoeringstoets.Het ambtelijk vakmanschap wordt rijksbreed ondersteund door gezamen-lijke programma’s en gesprekken over ervaren dilemma’s en deafwegingen die hierin gemaakt worden. Politiek-ambtelijke verhoudingen,het uitspreken en de ingewikkelde maatschappelijke context staan hierinvaak centraal. Ook gaan de gesprekken over de rol van de leidingge-venden en over samenwerking in een maatschappij die uit netwerkenbestaat. Specifiek komt ook de samenwerking tussen beleid en uitvoeringaan de orde.Verder stimuleert het programma Werk aan Uitvoering (Wau) eenhernieuwd samenspel tussen politiek, beleid en uitvoering. De inspan-ningen zijn gericht op het verbeteren van de werkwijzen en instrumentendie de samenwerking tussen politiek, uitvoering en beleid bevorderen. Zowordt het instrument van de uitvoeringstoets versterkt, onder meer doorhet beter te laten aansluiten bij de behoeften van Eerste en TweedeKamerleden. De verdere implementatie van het instrument «sneltoets» bijmoties en amendementen geeft het parlement inzicht in de gevolgen vanmoties en amendementen voor de uitvoerbaarheid van een wetsvoorstel.Tenslotte stimuleert het programma WaU dat de driehoek van politiek,beleid en uitvoering gaat experimenteren met nieuwe werkwijzen. In«proeftuinen» gaan vertegenwoordigers van de driehoek vroegtijdig metelkaar in gesprek over mogelijke beleidskeuzes, waarbij inzichtelijk wordtgemaakt wat de consequenties zijn en welke afwegingen kunnen wordengemaakt. Dit draagt bij aan beter uitvoerbaar beleid en wetgeving.Vraag:Daarnaast vragen de leden van de VVD-fractie hoe de bekendheid met hetbeleidskompas verbeterd kan worden?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 490, nr. 39318 Antwoorden:Om de bekendheid van het Beleidskompas te vergroten, onderneemt hetkabinet verschillende acties. Deze staan uiteengezet in de beleidsreactieop het WODC-onderzoek naar het gebruik van het Beleidskompas die uwKamer op 14 februari 2025 (Kamerstuk 29 362, nr. 372) heeft ontvangen.Dat onderzoek wees uit dat 54% van de beleidsmedewerkers het Beleids-kompas kent (2024). Het streven is dat eind 2026 nagenoeg allebeleidsmedewerkers het Beleidskompas kennen. Daartoe zetten we in opcommunicatie. Er zijn communicatiestrategieën en communicatiemid-delen ontwikkeld waar departementen gebruik van kunnen maken.Daarnaast vragen we aandacht voor het Beleidskompas op de Dag van hetBeleid op 26 januari 2026. Ook intensiveren we de rol van leidingge-venden bij de sturing op beleidskwaliteit en – als onderdeel daarvan – hetgebruik van het Beleidskompas. Tot slot zou u als Kamer ook de inzet vanhet Beleidskompas kunnen stimuleren door naar de uitkomsten te vragenbij de behandeling van regeringsvoorstellen.Vraag:De leden van de VVD benadrukken daarbij dat uitvoeringswetgevingregelmatig moet kunnen worden bijgesteld op basis van signalen van hetUWV, de Belastingdienst, DUO en andere uitvoeringsorganisaties. Deleden vragen zich af of het kabinet daartoe bereid is en hoe dit vormge-geven kan worden? Zou het een optie zijn om deze organisaties verplichtjaarlijks knelpunten te laten aanleveren?Antwoord:In de kabinetsreactie op de rapporten Werk aan Uitvoering: het versterkenvan de publieke dienstverlening die op 5 maart 2021 aan uw Kamer isgestuurd (Kamerstuk 29 362, nr. 290), staat dat, om de aandacht voor deuitvoering structureel te versterken en de voortgang op de verschillendedomeinen te kunnen volgen, de afzonderlijke uitvoerders jaarlijks eenStand van de Uitvoering opstellen. Daarin maken zij de dilemma’sinzichtelijk waar professionals mee worstelen en delen ze overzichtelijksignalen met het kabinet en het parlement.Aanvullend vindt overheidsbreed rapportage plaats in een Staat van deUitvoering die jaarlijks aan uw Kamer wordt aangeboden. De Staat van deUitvoering bundelt inzichten uit afzonderlijke domeinen en wordtvergezeld door een rijksbreed en trendmatig beeld van de uitvoerings-praktijk. De Staat van de Uitvoering focust nadrukkelijk op «slependeproblematiek» voorbij de waan van de dag. Het periodiek opstellen vaneen Staat van de Uitvoering levert input aan politiek, beleid en uitvoeringvoor het structurele gesprek over de uitvoering. Uw Kamer zou dedoorwerking van deze uitvoeringsinformatie kunnen helpen en vergrotendoor jaarlijks de Standen van de Uitvoering en de Staat van de Uitvoeringin uw Kamer te agenderen.Daarnaast kan ten aanzien van nieuwe wet- en regelgeving wordenbesloten een invoeringstoets uit te voeren. Ook de Kamer kan hier omvragen. De invoeringstoets is een beknopt onderzoek naar de werking vanreeds van kracht geworden wet- en regelgeving in de praktijk, metbijzondere aandacht voor de gevolgen voor de doelgroep en deuitvoering. Signalen vanuit de uitvoering worden in dit onderzoekmeegenomen. Het doel van een invoeringstoets is om in een vroegstadium knelpunten in de praktijk te signaleren, zodat deze kunnenworden opgepakt en opgelost binnen de kaders van het gekozen beleid.Indien nodig kan dit leiden tot het aanpassen van wet- of regelgeving.Vraag:De leden van de VVD-fractie vragen of het mogelijk is om iederebeleidsmedewerker vóór plaatsing én bij herplaatsing een praktijkperiodevan enkele weken te laten meelopen bij een uitvoeringsorganisatie? OokTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 490, nr. 39319 vragen de leden zich af of dit op reguliere basis kan worden herhaald,bijvoorbeeld via een uitwisselingsprogramma?Antwoord:Er is geen rijksbreed beleid of programma om beleidsmedewerkers bijaanname of doorstroom een praktijkperiode te laten meelopen bij eenuitvoeringsorganisatie. Rijksorganisaties kunnen uiteraard zelf dergelijkeinitiatieven nemen.Vraag:Volgens de Staat van de Uitvoering legt onder meer gebrekkige gegevens-uitwisseling tussen publieke dienstverleners een hoge druk op de publiekedienstverlening. In de ontvangen stukken worden diverse trajectengenoemd die vereenvoudiging zouden moeten bewerkstelligen. De ledenvan de D66-fractie vragen hoe de Minister de resultaten beoordeelt vandeze trajecten tot nu toe en wanneer hierover concreet kan wordengerapporteerd. Is de Minister daarnaast in gesprek met uitvoeringsorgani-saties over hun eigen behoeften en de door hen aangedragen oplossingenom gegevensuitwisseling te verbeteren? Ook vragen deze leden welkewet- en regelgeving in de weg staat van betere gegevensuitwisseling. Watzouden de mogelijke besparingen zijn als gevolg van efficiënter werkendoor meer gegevensuitwisseling?Antwoord:In maart 2025 hebben de Minister van SZW en de Staatssecretaris vanBZK uw Kamer geïnformeerd over de voortgang van het oplossen vanknelpunten in gegevensdeling. De casussen laten zien dat elk knelpuntverschilt in wat nodig is om tot een oplossing te komen en dat dit langduurt (Kamerstuk 29 362, nr. 374). De Minister van SZW stuurt eind Q2 eenupdate met overzicht van laaghangend fruit en wat daarmee gedaanwordt.De primaire verantwoordelijkheid voor knelpunten in de domeinen ligt bijde betrokken vak-bewindslieden, daar vinden vooral gesprekken metuitvoeringsorganisaties plaats. In de Nederlandse Digitaliseringsstrategieis opgenomen dat er overstijgend één werkwijze komt voor het duiden enophalen van knelpunten inclusief één aanpak om deze weg te nemen.Het is afhankelijk van onder meer het soort gegevens dat uitgewisseldwordt en welke overheidsorganisaties betrokken zijn, of en welke wet- enregelgeving in de weg staat van betere gegevensuitwisseling. Daarbij ishet van belang te benadrukken dat wet- en regelgeving niet de enigefactor is waardoor gegevensuitwisseling niet tot stand kan komen. DeCentrale Commissie Gegevensgebruik die tot doel heeft om sectorover-stijgend grondoorzaken weg te nemen constateert dat knelpunten bijgegevensdeling uiteindelijk zijn te herleiden naar een aantal terugkerendethema’s: juridisch, datakwaliteit, organisatie, kennis & governance encultureel. In algemene zin kan gesteld worden dat gegevensdeling eenvorm is van verwerking van persoonsgegevens en daarmee eenbeperking van het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer.De regels hiervoor zijn voor de Europese Unie vastgelegd in de Algemeneverordening gegevensbescherming (AVG). Deze verordening stelt eisenaan de rechtmatige verwerking van persoonsgegevens, waaronder hetbestaan van een specifieke grondslag op basis waarvan het voorspelbaaris dat gegevens verwerkt worden, kenbaarheid van de betrokken partijen,gerechtvaardigde doeleinden en dataminimalisatie. Een overheidsorgani-satie mag persoonsgegevens verwerken voor zover dit noodzakelijk isvoor de uitvoering van diens eigen publiekrechtelijke taak of wettelijkeverplichting.De baten van het efficiënter delen van kwalitatief betere data zijnpotentieel enorm. De maatschappelijke kosten-baten analyse van deInterbestuurlijke Datastrategie is in de ordegrootte van 6% van deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 490, nr. 39320 jaarlijkse overheidsuitgaven. Er worden minder kosten gemaakt doororganisaties (aanbieders en afnemers van gegevens) om hun taken uit tevoeren, waarbij de kwaliteit van uitvoering verbetert (betere/snelleredienstverlening aan burgers en bedrijven met minder fouten en bijv.minder bezwaren, snellere beleidsvorming op maatschappelijke opgaven,een overheid die sneller kan inspelen op veranderingen en ook bedrijvendie op basis van betere overheidsdata hun dienstverlening kunnenverbeteren.D. Rijksinkoop Vraag:In de beleidsreactie over de evaluatie rijksinkoopstrategie wordt benoemddat leveringszekerheid ook een aandachtspunt is. De leden van deCDA-fractie lezen hier in de beleidskaders niets over terug (wel diversiteit,inclusie, milieu, biodiversiteit, circulair- en klimaatvriendelijk inkopen).Deze leden vragen daarom hoe de benoemde kaders zich verhouden totde leveringszekerheden? Daarnaast wordt aangegeven dat de rol van BZKverstevigd moet worden. Hoe gaat de Minister dit concreet vormgeven?Antwoord:Op het moment werkt mijn departement aan de nieuwe Rijksinkoopstra-tegie. Veiligheid en Leverancierszekerheid is daarin één van drie hoofdop-gaven, naast Maatschappelijk Verantwoord Opdrachtgeven en Inkopen(MVOI) en Digitaal Zaken Doen als één Rijksdienst. Door deze drieopgaven centraal te zetten, levert de Rijksinkoop een substantiële bijdrageaan het waarborgen van de continuïteit en veiligheid van de publiekedienstverlening in een onzekere geopolitieke situatie en een gedigitali-seerde samenleving.Beleid voor Veiligheid en Leveringszekerheid waar mijn ministerie nu alconcreet aan werkt betreft onder meer de Algemene Beveiligingseisenvoor Rijksoverheidsopdrachten (ABRO), die eind vorig jaar in de minis-terraad is vastgesteld en aan de Kamer is toegezonden. Daarnaast werktmijn ministerie in de Taskforce Continuïteit ICT-Dienstverlening (CID) aanmaatregelen om tijdig te kunnen ingrijpen bij dreigende acute enlangdurige uitval van ICT-diensten.De drie strategische hoofdopgaven van de Rijksinkoop vragen om snel enadequaat handelen en steviger sturing. Het Rijksinkoopstelsel dientdaartoe versterkt te worden, waar mijn ministerie stelselverantwoordelijkvoor is. Deze behelst naast versteviging van de sturing vanuit mijndepartement, ook andere versterkingen zoals het verder optimaliseren vanhet Rijksbrede categoriemanagement, het bundelen en verstevigen van deinkoopuitvoering en het verminderen van de regeldruk en de bureaucratierond inkooptrajecten. De nieuwe inkoopstrategie en de stelselherzieningzijn beide volop in ontwikkeling, waarbij het streven is dit uiterlijk Q3 tekunnen delen.Vraag:De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA hechten veel waarde aanduurzaam en maatschappelijk verantwoord opdrachtgeverschap eninkopen. Kan de regering aangeven hoe het staat met het opvolgen vande aanbevelingen uit de evaluatie uit 2024?Antwoord:Op het moment werkt mijn departement aan de nieuwe Rijksinkoopstra-tegie. Maatschappelijk Verantwoord Opdrachtgeven en Inkopen (MVOI) isdaarin één van drie hoofdopgaven van de Rijksinkoop, naast Veiligheid &Leverancierszekerheid en Digitaal Zaken Doen als één Rijksdienst. Wezetten onze inspanningen voort om via inkoop bij te dragen aan eenduurzaam en sociaal Nederland.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 490, nr. 39321 Eind 2025 is het Rijksinkoopstelsel geconsulteerd ten behoeve van deactualisatie van het MVOI-hoofdstuk van de nieuwe inkoopstrategie.Hierbij zijn de aanbevelingen uit de evaluatie van 2024 meegenomen, netals de beleidsreactie hierop die uw Kamer afgelopen jaar heeft ontvangen.Het uitgangspunt is om uiterlijk Q3 2026 de Rijksinkoopstrategie gereed tehebben voor verzending aan de Tweede Kamer.E. Onevenredige Hardheden Aanpak Vraag:Voorts zou er jaarlijks worden gerapporteerd over de aanpak vanonevenredige hardheden in beleid en uitvoering. Het eerste rapport wordtechter pas aangekondigd voor eind 2026. De leden van de D66-fractievragen wat de reden voor deze vertraging is? Ziet de Minister mogelijk-heden om de Kamer eerder te informeren over de voortgang van dezeaanpak en de uitdagingen waar hij in zijn coördinerende rol tegenaanloopt? De Kamer denkt graag mee over deze aanpak, maar wordt hierinbelemmerd door de late en beperkte informatievoorziening vanuit hetkabinet.Antwoord:Inderdaad heeft mijn ambtsvoorganger eerder aangekondigd dat er na dezomer een rapport «Hardheden en Oplossingen» zou verschijnen.Afstemming met verschillende organisaties en samenwerkingsverbandenbinnen de overheid heeft echter geleid tot de conclusie dat het aangekon-digde rapport op dit moment te vroeg zou komen. Het programma is per1 september 2025 op volle sterkte bezig. De methode van werken is volopin ontwikkeling en met behulp daarvan gaat het programma vanaf dezemaand werken aan concrete casuïstiek. Over de resultaten hiervan kanpas op een later moment worden gerapporteerd. Daarom zal het eersterapport pas in het najaar van 2026 verschijnen.Dit betekent niet dat er in de afgelopen periode niks is gebeurd. Hetprogramma OHA heeft onder andere een startdocument opgesteld, opbasis waarvan de methode om hardheden en de oorzaken ervan aan tepakken verder is vormgegeven. Passend bij de manier van werken diehoort bij een complexe opgave zoals die waar het programma voor staat,bevat dit startdocument het vertrekpunt van denken van waaruit devolgende stappen worden gezet en daarnaast een opmaat voor hetvervolg van de werkzaamheden van het programma.Ik hoop dat het startdocument als uitnodiging dient voor professionals enpartijen binnen en buiten de Rijksoverheid om met het programma hetgesprek aan te gaan. Op deze manier kan in de aanpak van onevenredigehardheden zoveel mogelijk gebruik worden gemaakt van de expertise enmogelijkheden die al beschikbaar zijn en kunnen perspectieven vanuitvoering, ondernemers en burgers zo goed mogelijk worden betrokken.Het programma draagt bij aan een overheid die meer betrouwbaar enresponsief te werk gaat. De doelstelling van het programma staatdaarmee in relatie tot het wetsvoorstel Wet versterking waarborgfunctieAwb en het daarbij behorende programma gericht op cultuurveranderingdat is aangekondigd in de kabinetsreactie op het rapport van de Staats-commissie Rechtstaat (Kamerstukken II 2024/25, 29 279, nr. 981).Uiteraard geldt dat ik ook graag met u verder spreek over dit programma,het is immers een belangrijk programma voor dit kabinet. Het aanbodvanuit uw Kamer om mee te denken neem ik daarom graag aan. Hetvoorkomen van hardheden is een opgave waarin wij allen vanuit onzeeigen positie een belangrijke rol kunnen spelen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 490, nr. 39322 F. Jaarevaluaties campagnes Rijksoverheid 2024 Vraag:In de Jaarevaluaties campagnes Rijksoverheid 2024 missen de leden vande CDA-fractie een beoordeling van de effectiviteit van de genoemdecampagnes. Deze leden vragen of de Minister hier inzicht in kan geven.Antwoord:In de Jaarevaluatie Campagnes Rijksoverheid is een link opgenomen naarhet dossier «Campagnes» op Rijksoverheid.nl.3 Hier vindt u de rappor-tages van alle campagnes met een mediabudget van meer dan 150.000euro. De inhoudelijke en financiële verantwoordelijkheid voor decampagnes berust bij de bewindspersoon van het departement dat decampagne(s) voert.3Campagneresultaten 2024 | Overheidscommunicatie | Rijksoverheid.nlTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 490, nr. 39323

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 582a647919771aee

14 okt 2026 · bdf7011f3221a1ae

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.