KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een commissiedebat, gehouden op 24 maart 2026, over de Participatiewet

15 mei 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 7cfdc2a94cd1651b · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202634 352Uitvoering en evaluatie ParticipatiewetNr. 369 VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBATVastgesteld 15 mei 2026 De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft op24 maart 2026 overleg gevoerd met de heer Aartsen, Minister van Werk enParticipatie, over:–de brief van de Staatssecretaris Participatie en Integratie d.d.24 januari 2025 inzake kwaliteit Wajong-dienstverlening(Kamerstuk 26 448, nr. 798);–de brief van de Staatssecretaris Participatie en Integratie d.d.20 maart 2025 inzake Gemeentenieuws van SZW 2025-2(2025Z05195);–de brief van de Staatssecretaris Participatie en Integratie d.d.8 mei 2025 inzake voortgang programma Simpel Switchen inde Participatieketen (Kamerstuk 34 352, nr. 339);–de brief van de Staatssecretaris Participatie en Integratie d.d.8 mei 2025 inzake initiatieven voor de ondersteuning vanjongeren in een kwetsbare positie (Kamerstuk 36 582, nr. 69);–de brief van de Staatssecretaris Participatie en Integratie d.d.6 mei 2025 inzake monitorrapportage en ervaringsonderzoekWet vereenvoudiging Wajong (Kamerstuk 35 213, nr. 43);–de brief van de Staatssecretaris Participatie en Integratie d.d.22 april 2025 inzake uitkomsten invoeringstoets breedoffensief (Kamerstuk 34 352, nr. 338);–de brief van de Staatssecretaris Participatie en Integratie d.d.10 april 2025 inzake niet starten pilot no-riskpolis voorlangdurig bijstandsgerechtigden (Kamerstuk 29 544, nr. 1278);–de brief van de Staatssecretaris Participatie en Integratie d.d.19 mei 2025 inzake Gemeentenieuws van SZW 2025-3(2025Z09642);–de brief van de Staatssecretaris Participatie en Integratie d.d.19 juni 2025 inzake verbeteringen banenafspraak (Kamerstuk34 352, nr. 340);–de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 10 juli 2025 inzake Gemeentenieuws van SZW 2025-4(2025Z14533);–de brief van de Staatssecretaris Participatie en Integratie d.d.3 juli 2025 inzake toezeggingen gedaan tijdens commissiede- kst-34352-369ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 352, nr. 3691 bat Participatiewet op 16 januari 2025 en enige andereonderwerpen (Kamerstuk 34 352, nr. 343);–de brief van de Staatssecretaris Participatie en Integratie d.d.4 juli 2025 inzake voortgang fundamentele herziening Partici-patiewet spoor 2 (Kamerstuk 34 352, nr. 344);–de brief van de Staatssecretaris Participatie en Integratie d.d.3 juli 2025 inzake resultaten banenafspraak 2024 (Kamerstuk34 352, nr. 342);–de brief van de Staatssecretaris Participatie en Integratie d.d.2 juli 2025 inzake voortgang sociaal ontwikkelbedrijven enbeschut werk (Kamerstuk 34 352, nr. 341);–de brief van de Staatssecretaris Participatie en Integratie d.d.29 september 2025 inzake nadere uitwerking taaleis Participa-tiewet (Kamerstuk 34 352, nr. 345);–de brief van de Staatssecretaris Participatie en Integratie d.d.7 oktober 2025 inzake bijstandsbudgetten 2025 en 2026(Kamerstuk 30 545, nr. 201);–de brief van de Staatssecretaris Participatie en Integratie d.d.14 oktober 2025 inzake de gedoogde onderdelen van Partici-patiewet in balans (Kamerstuk 36 582, nr. 71);–de brief van de Staatssecretaris Participatie en Integratie d.d.14 oktober 2025 inzake Gemeentenieuws van SZW, specialeeditie over spoor 1 van wetsvoorstel Participatiewet in balans(2025Z18968);–de brief van de Staatssecretaris Participatie en Integratie d.d.20 oktober 2025 inzake rapport Wajongdienstverlening UWV2017–2022 (Kamerstuk 34 352, nr. 346);–de brief van de Staatssecretaris Participatie en Integratie d.d.30 oktober 2025 inzake invulling van de motie van het lid DeKort over het herzien van de toekenning van werk- en/ofvervoersvoorzieningen (Kamerstuk 36 449, nr. 11) (Kamerstuk36 449, nr. 17);–de brief van de Staatssecretaris Participatie en Integratie d.d.10 december 2025 inzake maatregelen garantiebedrag Wajong(Kamerstuk 26 448, nr. 861);–de brief van de Staatssecretaris Participatie en Integratie d.d.12 december 2025 inzake monitoringsbrief Participatiewet2025 (Kamerstuk 34 352, nr. 349);–de brief van de Staatssecretaris Participatie en Integratie d.d.10 februari 2026 inzake stand van zaken optimalisering van detaaleis in de Participatiewet (Kamerstuk 34 352, nr. 350);–de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegen-heid d.d. 12 februari 2026 inzake Gemeentenieuws van SZW2026-1 (2026Z03147);–de brief van de Minister van Werk en Participatie d.d. 24 maart2026 inzake toezegging gedaan tijdens de begrotingsbehande-ling Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 maart 2026,over garantiebedrag Wajong (Kamerstuk 26 448, nr. 870).Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijkverslag uit.De voorzitter van de commissie,Van der LeeDe griffier van de commissie,PostTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 352, nr. 3692 Voorzitter: Van der LeeGriffier: MorrinAanwezig zijn elf leden der Kamer, te weten: De Beer, Biekman, Van Brenk,Ceder, Ceulemans, Flach, Hamstra, Lahlah, Van der Lee, Van Meetelen enMoinat,en de heer Aartsen, Minister van Werk en Participatie.Aanvang 18.00 uur.De voorzitter:Ik open de vergadering van de vaste Kamercommissie voor Sociale Zaken.We hebben een commissiedebat over de Participatiewet. Ik heet deMinister en zijn ondersteuning van harte welkom, net als de leden. Ik ga zeeven introduceren: mevrouw Lahlah namens GroenLinks-Partij van deArbeid, mevrouw Van Meetelen namens de PVV, mevrouw Moinat van deGroep Markuszower, de heer Hamstra namens het CDA, mevrouwBiekman namens D66 en de heer De Beer namens de VVD. We hebben vijfminuten spreektijd per fractie. Ik stel voor dat we vier interruptiesonderling hanteren in de eerste termijn van de zijde van de Kamer.Ik geef als eerste het woord aan mevrouw Lahlah namens GroenLinks-Partij van de Arbeid. Gaat uw gang.Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):Dank u wel, voorzitter. Voor het eerst in lange tijd spreken we weer echtover de Participatiewet. Dat is ook hard nodig, want het heeft veel te langgeduurd. Bovendien wordt te vaak over deze wet gesproken alsof hetenkel een uitvoeringsvraagstuk is, terwijl mensen al die tijd de gevolgenvoelen in hun portemonnee, hun gezondheid, hun relaties en hunbestaanszekerheid. Deze Minister gebruikt op de site van de Rijksoverheidhele mooie woorden. Hij zegt dat niemand aan de kant mag staan, datiedereen iets te bieden heeft en dat werken moet lonen. Maar dan vind ikook dat hij vandaag mag uitleggen waarom hij een wet verdedigt die nogsteeds uitgaat van wantrouwen, straf en bestaansonzekerheid. Dediagnose met betrekking tot de Participatiewet is namelijk glashelder: deParticipatiewet is voor veel te veel mensen geen springplank, maar eenfuik.Als wij vandaag niets doen, blijven koppels in de bijstand bijvoorbeeldgekort worden zodra zij überhaupt denken aan samenwonen. Dan krijgtiemand die een fout maakt of een regel niet begrijpt niet eerst hulp, maareen boete, alsof armoede wordt opgelost door mensen dieper in deschulden te duwen. Dan kan iemand die tijdelijk opgenomen moetworden, bijvoorbeeld vanwege ernstige psychische problemen of eeneetstoornis, ook nog eens gekort worden op de uitkering, met het risicozijn of haar woning te verliezen, alsof ziek zijn nog niet zwaar genoeg is.En dan moet iemand die buiten zijn schuld in de bijstand terechtkomteerst het spaargeld, de auto of zelfs de laatste buffer opeten voordat erhulp komt, alsof we eerst iemands bestaanszekerheid moeten afbrekenvoor we bereid zijn om die weer op te bouwen. Dit zijn geen lossevoorbeelden; het is een systeem dat de menselijke maat uit het oog isverloren, dat niet begint bij vertrouwen, maar bij achterdocht.Wantrouwen is niet alleen hard; het is ook oneerlijk. Vooroordelen overmensen in de bijstand werken door in beleid en uitvoering. Daarom vraagik de Minister heel concreet: is op de Participatiewet een gendertoetstoegepast? Is de Discriminatietoets Publieke Dienstverlening al gebruikt?En als dat niet zo is, waarom niet? Een wet die op papier neutraal lijkt, kanin de praktijk namelijk nog steeds discriminerend uitpakken. Datwantrouwen raakt niet alleen individuen, maar ook kinderen en gezinnen,zo hoorden we vandaag ook weer. Kinderhulp wijst daar terecht op.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 352, nr. 3693 Financiële onzekerheid, controles en verplichtingen zorgen niet alleenvoor stress bij ouders, maar werken ook direct door in de rest van hetgezin. Als wij het over de Participatiewet hebben, dan hebben we het dusook over de vraag in wat voor omstandigheden kinderen opgroeien. Juistdaarom is het zo pijnlijk dat de verschillen tussen gemeentes nog steedszo heel groot zijn. De ene familie krijgt snel passende ondersteuning; deandere verdwaalt in loketten, drempels en regels. Dat is niet uit te leggen.Armoede mag nooit afhangen van je postcode. Daarom vraag ik deMinister of hij bereid is om veel steviger landelijk te normeren en teharmoniseren, zodat gemeenten minder ver uit elkaar lopen en gezinnen– dat zeg ik daar wel bij – méér zekerheid krijgen en niet minder.Voorzitter. Een van de hardste voorbeelden is de zoektermijn van vierweken voor jongeren. Eerst vier weken zien te overleven en dan pas magje aankloppen voor bijstand. Maar jongeren zonder buffer, stabielethuissituatie of ouders die kunnen bijspringen, komen in die vier wekendirect in de problemen. Schulden, betalingsachterstanden en stressstapelen zich op nog voor er überhaupt hulp op gang komt. Mijn vraagaan de Minister is dus heel direct. Waarom houdt hij vast aan een regelingdie problemen vergroot voordat hulp überhaupt begint? En is hij bereidom die zoektermijn van vier weken af te schaffen? Deze groep loopt doorhet huidige systeem namelijk helemaal vast. We hebben het inmiddelsover 42.000 jongeren. Gemeenten zelf geven aan dat een deel van hennog helemaal niet klaar is voor werk. Toch is dat precies wat de Participa-tiewet van hen blijft eisen. Dat geldt natuurlijk veel breder, want voor eenaanzienlijke groep mensen in de bijstand is werk op korte termijnsimpelweg niet haalbaar vanwege gezondheidsproblemen of anderezware omstandigheden. Dan is het niet effectief, niet realistisch en ookniet eerlijk om te blijven doen alsof meer druk vanzelf tot participatie leidt.Mijn vraag aan de Minister is dus: erkent hij dat de Participatiewet vooreen groeiende groep geen springplank is, maar een wielklem? En waarblijven dan zijn fundamentele koerswijzigingen? Iemand zonder stabielebasis help je namelijk niet met meer druk, maar met rust, begeleiding enbestaanszekerheid. Participatie lukt pas als er een infrastructuur is diemensen echt verder helpt. Ik denk aan sociaal ontwikkelbedrijven, beschutwerk, begeleiding, rust en continuïteit. Ook hier vraag ik dus: kiest deMinister eigenlijk voor eenvoud, voorspelbaarheid en een stevige publiekebasis? Of blijft hij vasthouden aan een stelsel waarin kansen te veelafhangen van woonplaats en uitvoeringsbereidheid?Voorzitter. Tot slot de Wajong. Ook daar gebruikt de politiek de taal vanmeedoen, participatie en perspectief. We hadden het daar vorige week,tijdens de begroting van Sociale Zaken, ook al over. Maar veel Wajongershoren niet: werken loont. Zij horen: pas op, want als je werkt, kun je jezekerheid verliezen. Dat hoorden we ook net weer, bij de ontvangst vaneen petitie. Als de Minister zegt dat werken moet lonen, hoe kan hij danbeleid verdedigen waarbij werken voor Wajongers juist een financieelrisico wordt?Voorzitter. De kern van dit debat is niet technisch. De kern van dit debat ispolitiek. Wat voor overheid wil je zijn? Kiest de Minister voor eenfundamenteel andere koers? Of voorziet hij het oude systeem vanwantrouwen alleen van nieuwe woorden? Ik vraag de Minister vandaagdus niet om nieuwe slogans. Ik vraag hem om een politieke keuze. Blijft hijeen systeem verdedigen dat mensen klemzet? Of kiest hij eindelijk vooreen Participatiewet die niet wantrouwt, maar ondersteunt?De voorzitter:Dank u wel voor uw inbreng. Ik zie geen interrupties. Dan geef ik hetwoord aan mevrouw Van Meetelen. Zij voert het woord namens dePVV-fractie.Mevrouw Van Meetelen (PVV):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 352, nr. 3694 Dank u, voorzitter. De Participatiewet is ooit ingevoerd met een helderuitgangspunt: wie kan werken, werkt, en wie dat niet kan, wordtbeschermd. Dat klinkt simpel, maar de praktijk laat zien dat juist diehelderheid de laatste tijd steeds verder is vertroebeld. Regels wordenzachter, voorwaarden vager en handhaving gevoeliger. Ondertussengroeit de groep mensen die structureel langs de kant staan.Voorzitter. Ik begin kort met sociaal ontwikkelbedrijven en beschut werk.Voor mensen die echt niet meekunnen in het reguliere arbeidsproces zijnsociaal ontwikkelbedrijven en beschut werk geen luxe, maar eennoodzaak. Dit zijn geen mensen die even moeten worden geprikkeld. Ditzijn mensen die structureel ondersteuning nodig hebben. Juist voor hen isstabiliteit, duidelijkheid en passend werk van belang. De PVV ziet sociaalontwikkelbedrijven niet als parkeerplaatsen, maar als werkplekken metechte waarde. Werk geeft structuur, eigenwaarde en ritme. Dan moet hetwel serieus werk zijn, geen eindeloze trajecten zonder perspectief.Wij zien dat gemeenten verschillend omgaan met het begrip «beschutwerk». Er zijn grote regionale verschillen in toegang, in tempo en inbegeleiding. Dat leidt tot willekeur. Dat moeten we niet willen. Erkent deMinister dat de grote regionale verschillen in toegang tot beschut werkleiden tot rechtsongelijkheid? Zo ja, welke concrete stappen is hij bereid tezetten om die verschillen te verkleinen?Wij willen daarom dat beschut werk wordt ingezet voor wie het nodigheeft. Het moet snel, doelgericht en zonder bureaucratische drempels. Wewillen geen eindeloze indicatiestapelingen, maar handelen. Tegelijk willenwe geen inflatie van beschut werk voor mensen die wél regulier inzetbaarzijn. Dus: bescherming waar nodig, geen afschuifmechanisme.Voorzitter. Dan een voor de PVV heel belangrijk punt. Mijn collega Mulderheeft hier vorige week tijdens de begroting nog een motie over ingediend.We hebben daar vanmiddag over gestemd. Helaas heeft de motie het netniet gehaald. Het gaat over de taaleis. Die is voor ons belangrijk. Detaaleis is voorwaarde voor en handhaving bij de bijstand. Daar wil ikhelder over zijn. Dit is voor de PVV geen bijzaak. Dit is de kern. Dit hebbenwij ook altijd uitgedragen. Dat zullen we blijven doen.Wie bijstand ontvangt in Nederland, ontvangt geld van hardwerkendeNederlanders. Dat is geen recht zonder plichten. Dat is een wederkerigeafspraak. Die afspraak is de afgelopen jaren structureel uitgehold. Detaaleis is daar hét voorbeeld van. De wet is namelijk glashelder: wielangdurig in de bijstand zit, moet aantoonbaar moeite doen om deNederlandse taal te leren. Dat is niet vrijblijvend, voor als het maartoevallig uitkomt, maar een voorwaarde.Toch zien we dat gemeenten er verschillend mee omgaan, wegkijken,uitzonderingen stapelen en sancties vermijden. Dan blijkt de taaleisgewoon een dode letter. Kan de Minister aangeven hoeveel gemeenten opdit moment daadwerkelijk handhaven op de taaleis? Hoeveel sancties zijndaar het afgelopen jaar daadwerkelijk uit voortgekomen? Zonder taal geenwerk, zonder taal geen integratie, zonder taal geen zelfstandigheid. Wie najaren nog steeds weigert de taal te leren, weigert mee te doen, en wieweigert mee te doen, hoort niet onbeperkt op kosten van de samenlevingte leven.Voorzitter. De Participatiewet is verworden tot een systeem waarinwantrouwen richting de belastingbetaler de norm is en wantrouwenrichting de uitkeringsontvanger taboe. Dat is de wereld op zijn kop. Desollicitatieplicht wordt opgerekt, maar tegenprestaties verdwijnen.Sancties worden een laatste redmiddel in plaats van een normaalinstrument. Zo ontstaat een cultuur waarin niet-werken meer lonend kanzijn dan werken. Dat ondermijnt niet alleen het draagvlak maar ook derechtvaardigheid. Is de Minister het met de PVV eens dat sancties eenregulier en noodzakelijk onderdeel zijn van de Participatiewet? En zo ja,hoe gaat hij gemeenten actief aanspreken die structureel niet handhaven?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 352, nr. 3695 Voorzitter. Dan nog de jongeren. Mevrouw Lahlah had het er ook al over.Jongeren in de bijstand zouden eigenlijk de absolute uitzondering moetenzijn. Toch zien we een groeiende groep jonge mensen, inmiddelsinderdaad 42.000, vroegtijdig afhankelijk raken van een uitkering. Dat isfunest – voor hun toekomst, voor hun arbeidsmoraal en voor de samen-leving. Ik wil benadrukken wat mevrouw Lahlah zei: als je ziek bent of nietin staat om te werken, dan is dit vangnet uiteraard absoluut nodig. Maarals je dat wel kan, dan vindt de PVV dat jongeren maximaal moetenworden geactiveerd, met opleiding, werk, leerwerktrajecten et cetera.Geen comfortabele uitkering zonder harde verplichtingen. Wie jong is, kanleren. Wie kan leren, moet leren, en wie kan werken, moet werken. Welkeconcrete maatregelen gaat de Minister nemen om te voorkomen datjongeren langdurig in de bijstand blijven hangen? Is hij bereid devoorwaarden en verplichtingen voor deze groep aan te scherpen?De voorzitter:Wilt u afronden?Mevrouw Van Meetelen (PVV):Ja. We willen dat de Minister harde keuzes gaat maken. Gaat hijgemeenten daadwerkelijk aanspreken op het niet-handhaven van detaaleis? Gaat hij accepteren dat sancties weer een normaal onderdeelworden van de bijstand? De Participatiewet moet weer worden waarvoordie bedoeld was: een springplank, geen hangmat, met bescherming voorwie die nodig heeft en duidelijke grenzen voor wie er misbruik van maakt.De voorzitter:Dank u wel. Meneer Ceder, ik meld even dat er vier interrupties zijn in deeerste termijn. Ik meld ook even dat er inmiddels nog meer leden zijnbinnengekomen: de heer Flach namens de SGP, mevrouw Van Brenknamens 50PLUS, de heer Ceder namens de ChristenUnie en de heerCeulemans namens JA21. De heer Ceder heeft een interruptie. Gaat uwgang.De heer Ceder (ChristenUnie):Voorzitter, het zijn er vier. Ik had gehoopt dat het er acht zouden zijn, dusik laat het voor nu even zitten.De voorzitter:Heel goed. Dan gaan we nu luisteren naar mevrouw Moinat namens deGroep Markuszower.Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):Dank, voorzitter. De Participatiewet heeft een helder doel: mensen diekunnen werken, helpen om weer mee te doen op de arbeidsmarkt. Maarals we naar de praktijk kijken, zien we dat gemeenten worstelen met deuitvoering, dat het systeem nog steeds te ingewikkeld is en dat veelmensen te lang in de bijstand blijven hangen. Groep Markuszower heefthet uitgangspunt «simpel zijn». De bijstand is tijdelijk, werk staat centraalen dus zou de kernvraag simpel moeten zijn: werkt dit systeem nog voorde mensen voor wie het is bedoeld? In de stukken voor dit debat lezen weveel over programma’s, monitors en trajecten, maar uiteindelijk gaat hetom de resultaten. Komen mensen daadwerkelijk aan het werk? Dat lijktniet het geval. De uitstroom uit de bijstand blijft maar beperkt en decomplexiteit van het systeem groeit alleen maar verder.Ik sprak al eerder over de taaleis. Voor Groep Markuszower is het principehelder: wie in Nederland woont en een beroep doet op de bijstand, moeter alles aan doen om de Nederlandse taal te leren. Zonder het beheersenvan de Nederlandse taal is het onmogelijk om werk te vinden, om mee tedoen in de samenleving en om zelfstandig vooruit te komen. De taaleis isTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 352, nr. 3696 niet vrijblijvend, maar staat gewoon in de wet. De praktijk laat echter ziendat de handhaving van deze taaleis nog altijd zwak is en dat gemeentenverschillend omgaan met de regels. Waarom lukt het nog steeds niet omde taaleis consequent toe te passen? De wet is namelijk de wet, engemeenten ondermijnen hiermee niet alleen het draagvlak onderNederlandse belastingbetalers, maar houden zich niet aan de wet die zijbehoren uit te voeren. Wat vindt de Minister van de suggestie omgemeenten te korten op middelen die zij ontvangen van het Rijk, wanneerzij de taaleis niet uitvoeren? Heeft de Minister zicht op de cijfers? Weet hijhoe vaak er gekort wordt door die taaleis? Hoeveel mensen ontvangeneen bijstandsuitkering terwijl zij de Nederlandse taal niet beheersen?Graag een reactie.Groep Markuszower vindt dat statushouders die een bijstandsuitkeringontvangen, direct ingezet moeten worden voor werk of voor eenmaatschappelijke activiteit, en dat niet pas na maanden van trajecten enonderzoeken, maar gewoon zo snel mogelijk. Daarom vraagt onze fractiede Minister: hoe gaat hij ervoor zorgen dat gemeenten sneller inzetten opwerk vanuit de bijstand? De bijstand is geen hangmat, maar een vangnet.Voorzitter. Dan ga ik naar de plannen voor een fundamentele herzieningvan de Participatiewet. Op papier klinkt het ambitieus, maar het risicobestaat dat we opnieuw jaren praten over stelselwijzigingen, terwijlmensen nu duidelijkheid nodig hebben. Groep Markuszower wil dat hetuitgangspunt simpel blijft: werken moet altijd lonen en afhankelijkheidvan de bijstand moet tijdelijk zijn. Dat betekent drie dingen. Ten eerste.Minder bureaucratie voor werkgevers en gemeentes, zodat mensensneller aan het werk kunnen. Ten tweede. Duidelijke verplichtingen voormensen die een uitkering ontvangen. Wie kan werken, moet werken ofzich maximaal inspannen om werk te vinden. Ten derde. Betere onder-steuning voor mensen die echt niet zelfstandig kunnen meedoen,bijvoorbeeld via beschut werk of sociaal ontwikkelbedrijven. We kunneneindeloos nieuwe programma’s bedenken, maar uiteindelijk telt maar eenresultaat: meer mensen uit de bijstand en aan het werk.Voorzitter, tot slot. Voor mensen die door een beperking en/of ziekte nietzelfstandig kunnen werken, moeten we natuurlijk goede voorzieningenhebben, zoals beschut werk en ondersteuning via sociaal ontwikkelbe-drijven. Maar voor iedereen die wel kan werken, moet de boodschapduidelijk zijn: meedoen is de norm. De Participatiewet moet uiteindelijkleiden tot minder afhankelijkheid van een uitkering en meer mensen diehun eigen inkomen verdienen. Dat begint met een eenvoudige aanpak:werk, taal en verantwoordelijkheid.Dank u wel.De voorzitter:Hartelijk dank voor uw inbreng. Dan gaan we nu door naar de heerHamstra namens de CDA-fractie. Gaat uw gang.De heer Hamstra (CDA):Voorzitter, dank. Meedoen aan de samenleving, dat wil toch iedereen? Datwas ook de gedachte achter de invoering van de Participatiewet. Het doelwas om zo veel mogelijk mensen met arbeidsvermogen naar werk toe teleiden of te ondersteunen. Dat is een nobel doel, wat volgens mij iedereenhier aan tafel kan onderschrijven.Maar tijden veranderen. In 2015 kwamen we bijvoorbeeld net uit eeneconomische crisis. De arbeidsmarkt was ruimer en de werkloosheidrelatief hoog. Daarnaast kwamen we uit een tijd waarin de Bulgarenfraudespeelde, waardoor we, hoe menselijk dat ook is, doorsloegen in hetharder aanpakken en bestraffen van fraude. Nu zien gemeenten bijvoor-beeld dat juist bij jongeren de problematiek vaak complexer wordt, meteen stapeling van problemen, zoals mentale klachten, schulden enwoonproblemen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 352, nr. 3697 Vandaag wil ik drie onderdelen bespreken: ons mensbeeld, de rol vangemeenten en de rol van sw-bedrijven. Ik begin bij ons mensbeeld. Hetmensbeeld dat ten grondslag lag aan de Participatiewet, ging uit van dezelfredzame mens, de mens die volledig verantwoordelijk is voor zijngedrag. Wanneer hij een fout maakte, was hij daarvoor verantwoordelijken werd hij daarvoor verantwoordelijk gehouden. In die tijd was hetvanzelfsprekend dat hij hiervoor gestraft werd.Voorzitter. Het CDA wil mensen niet reduceren tot enkel rationeelhandelende individuen. Wij gaan uit van de waardigheid van ieder mensen een relationeel mensbeeld. Mensen staan niet op zichzelf, maar staanin verbanden met gezin, werk, school en gemeenschap. Daarom zijn weblij met de beweging van de Participatiewet in Balans: meer menselijkemaat, meer vertrouwen en meer oog voor wat iemand nodig heeft omduurzaam mee te kunnen doen. Dat betekent dat de overheid in debejegening van mensen uitgaat van de menselijke maat, kijkt naar watiemand echt nodig heeft in plaats van waar iemand recht op heeft, enmensen in staat stelt tot duurzame participatie. Wij geloven dan ook in hetuitgangspunt «controle is goed, maar vertrouwen is beter». We gelovenook in mensen veel beter begeleiden naar participatie, bijvoorbeeld viabetaald werk, en waar dat lastig is, naar andere vormen van participatie.Mijn vraag is of de Minister dit uitgangspunt deelt. Als het antwoord ja is,hoe zien we dit terug in de uitvoering van de wet of bij de Participatiewet2.0?Voorzitter. Dit brengt mij op mijn tweede punt: de gemeenten. Deuitvoering van de Participatiewet ligt bij gemeenten. De gedachte achterdecentralisatie was om de uitvoering te beleggen bij de overheidslaag diehet dichtst bij onze inwoners staat. De ruimte die er is om lokaal maatwerktoe te passen, is waardevol. Ik zei het net al: kijken naar wat iemand nodigheeft, in plaats van naar waar iemand recht op heeft. Tegelijkertijd zien wegrote verschillen in de uitvoering tussen gemeenten. Die verschillenkunnen doorschieten in onzekerheid en ongelijkheid voor burgers. Hetmag niet uitmaken waar je woont; je moet op een vergelijkbare manierworden geholpen. De postcodeloterij is al eerder genoemd. Hoe kijkt deMinister hiernaar?Voorzitter. Het punt van de gemeenten brengt mij op de volgende tweepunten. Consulenten die bij gemeenten actief zijn, zijn jarenlang gewendom de wet volgens dit eenzijdige mensbeeld uit te voeren. Ze zijngevormd door een systeem dat sterk leunde op controle, sanctionering enstandaardisering. Als we echt naar een wet willen waarin vertrouwen,vakmanschap en passende begeleiding centraal staan, is een cultuur-omslag nodig. Hoe ondersteunt de Minister gemeenten daarbij? Doet hijdat niet alleen juridisch, maar misschien ook in opleiding, professionali-sering en aansturing?Voorzitter. Het tweede punt is dat de Participatiewet zo moet wordeningericht dat die beter recht doet aan de verschillen in ondersteuningsbe-hoeften. Sommige mensen staan dicht bij de arbeidsmarkt en kunnendirect aan het werk. Anderen kunnen met intensieve begeleiding naarwerk, maar er is ook een groep voor wie participatie of beschut werkpassender is. We lezen bijvoorbeeld in de monitoringsbrief Participatiewet2025 dat gemeenten in de praktijk keuzes moeten maken, terwijl zetegelijkertijd te maken hebben met een groeiende groep met een zwareondersteuningsbehoefte. Heeft de Minister het beeld dat gemeenten nuover voldoende ruimte en instrumenten beschikken om zowel mensennaar werk te begeleiden als mensen met een grotere afstand tot dearbeidsmarkt passend te ondersteunen?Voorzitter. Dan mijn laatste punt, over de rol van sw-bedrijven.Sw-bedrijven zijn een wezenlijk onderdeel van de sociale infrastructuur enblijven onmisbaar. Wij zijn blij dat ze er zijn. We zien dat zij een belangrijkerol spelen bij de voormalige WSW-groep, waarvan de laatste in 2048 metpensioen gaat. De cijfers laten zien dat de behoefte aan beschut werkTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 352, nr. 3698 groter is dan eerder geraamd. Cedris wijst er bijvoorbeeld op datgemeenten in de praktijk niet altijd voldoende budget hebben omiedereen met een indicatie daadwerkelijk te kunnen plaatsen. Juist dat isvan belang nu het CPB verwacht dat de arbeidsmarkt de komende jarenminder krap wordt en de werkeloosheid oploopt naar 4,3% in 2027. Dandreigt de groep met de grootste ondersteuningsbehoefte als eerste buitenbeeld te raken. Heeft de Minister het beeld dat we voor mensen dieduurzaam afhankelijk zijn van beschut werk, inmiddels een stabiele entoekomstbestendige infrastructuur hebben? Als dit niet zo is, wat is er dannodig voor deze doelgroep?Voorzitter. Hier laat ik het bij voor de eerste termijn. Dank u wel.De voorzitter:Hartelijk dank daarvoor. Dan gaan we door naar mevrouw Biekman. Zijspreekt namens de D66-fractie.Mevrouw Biekman (D66):Dank u wel, voorzitter. D66 kiest voor een arbeidsmarkt waarin iedereenkan meedoen. Een goede baan is de beste manier om op te kunnenklimmen. Een baan is echter meer dan dat. Een baan zorgt voor zingeving,voor een persoonlijk netwerk en voor regelmaat. Een goede baan gun jeiedereen, maar een baan vinden is soms makkelijker gezegd dan gedaan.Nog te vaak komt het voor dat mensen met een arbeidsbeperking graagwillen meedoen, maar tegen allerlei hobbels aan lopen. Deze groepverdient onze speciale aandacht. Ik wil mijn spreektijd daarom graaginzetten voor vragen die belangrijk zijn voor deze groep. In een krappearbeidsmarkt zou je verwachten dat de banen voor het oprapen liggenvoor mensen met een arbeidsbeperking, maar de praktijk is weerbarstiger.Het lukt nog onvoldoende om iedereen die hulp nodig heeft bij het vindenvan een baan, te helpen.Eerst iets over de banenafspraak. In de brief van juni staat dat het aantalextra banen van de banenafspraak flink achterblijft bij het doel. Deachterstand is opgelopen tot ruim 25.000 banen. Verdere verbeteringenaan de banenafspraak lijken hard nodig. Als we de doelgroep banenaf-spraak verruimen, moeten we echter ook meer ambitie tonen. Een optie isom bij aanpassingen aan de banenafspraak de ondersteuningsbehoeftecentraal te stellen. Deze optie wordt ook in de brief van juni genoemd. Ikben benieuwd welk deel van de doelgroep banenafspraak momenteelgeen ondersteuningsbehoefte heeft, bijvoorbeeld omdat ze weliswaar vsohebben gedaan en ingeschreven zijn bij het UWV, maar sindsdien eenberoepsopleiding hebben afgerond. Welke groepen mensen met eenarbeidsbeperking buiten de doelgroep banenafspraak hebben naarverwachting wél een ondersteuningsbehoefte? Nog los van allerleibeleidsmatige verbeteringen aan de banenafspraak, wat gaat de overheidzelf als werkgever doen om meer werk aan te bieden aan mensen met eenarbeidsbeperking?Sociaal ontwikkelbedrijven zijn onmisbaar voor de mensen over wie ik hetheb. Ze weten veel mensen met een arbeidsbeperking toch te begeleidennaar een goede reguliere baan en bieden veel mensen vaste beschuttewerkplekken die er anders niet zouden zijn; mijn collega’s zeiden datzojuist ook al. Om die beschutte werkplekken te realiseren, zijn een goedwerkend stelsel en voorspelbare financiering nodig. De vorige Staatsse-cretaris heeft in brieven aangekondigd te werken aan een nieuweverdeelsystematiek. Wanneer kan de Minister ons informeren over debeoogde nieuwe verdeelsystematiek? Overweegt hij explicietere prikkelsvoor de realisatie van beschutte werkplekken? De vorige Staatssecretarisschrijft heel voorzichtig in zijn brief dat hij in het kader van de verbeter-agenda beschut werk verkent in hoeverre er ruimte is om in specifiekegevallen gebruik te maken van de praktijkroute of een verlicht beoorde-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 352, nr. 3699 lingsproces. Is de Minister bereid om iets breder te kijken naar de inzetvan de praktijkroutes bij de vaststelling van beschut werk?Ten slotte nog iets over de Wajongers. Voor veel Wajongers is de stapnaar werk lastig. In onderzoek naar de UWV-dienstverlening lees ik datruim driekwart van de Wajongers die eind 2022 zonder werk zaten ook inde drie jaar daarvoor nooit hadden gewerkt. Als het blijkbaar zo lastig isom een reguliere baan te vinden, is beschut werk of maatschappelijkeparticipatie dan niet realistischer dan regulier werk? Wordt dat voldoendegefaciliteerd? Ik nodig de Minister uit hierop te reflecteren.Wajongers die wél genoeg inkomen uit werk kunnen verdienen, verliezenna vijf jaar hun Wajong-uitkering en het daarmee gemoeide garantie-bedrag; we hebben het al eerder hierover gehad. Dat na een periode vanwerk het recht op de uitkering vervalt, is misschien heel erg vervelend –dat snap ik – maar dit gebeurt ook bij andere uitkeringen. Tegelijkertijd wilik benadrukken dat ik het belangrijk vind dat we een oplossing biedenvoor deze plotselinge en onverwachte inkomensdalingen. We moeten dievoorkomen. Ik zie in de beslisnota’s verschillende opties om dezeinkomenseffecten te verzachten. Ik wil graag aan de slag met deze opties,maar ik begrijp ook dat het complex is. We hebben tijdens de procedure-vergadering al een technische briefing ingepland. Ik dank de Ministerdaarvoor.De voorzitter:U zit aan de tijd.Mevrouw Biekman (D66):Het tweeminutendebat is ingepland. Ik dank de Minister daarvoor. Ik hoopdat we na het tweeminutendebat en de technische briefing kunnen kijkennaar werkbare oplossingen voor deze groep.De voorzitter:Dank u wel. Eerst heeft de heer Ceder een interruptie en dan mevrouwLahlah.De heer Ceder (ChristenUnie):In het verlengde van wat de collega zei het volgende. Een van de groepenwaar we de afgelopen jaren best wel veel aandacht voor hebben gehad –er is ook een rondetafel over geweest een tijdje geleden – zijn diechronisch zieken die geen recht hebben op een WIA omdat ze terzijde vande bijstand ziek werden. We hebben het stelsel zo ingericht dat zijvastzitten. Zij kúnnen niet werken, maar vallen wel onder de verplich-tingen van de Participatiewet. Dat is best wreed, want je moet solliciterenterwijl je eigenlijk te ziek bent. Tot op heden is het nog niet gelukt om ditte veranderen. Het kabinet heeft destijds naar aanleiding van eenaangenomen motie van mij aangegeven dat dit aan een volgend kabinetis. Dat is dit kabinet. Volgens mij heeft D66 altijd de lijn gesteund dat wijeen apart regime voor deze best grote groep mensen moeten gaaninrichten.De voorzitter:Wat is uw vraag?De heer Ceder (ChristenUnie):Een groot deel van mijn bijdrage gaat ook over die groep. Ik vind dat wedit grote onrecht eindelijk recht moeten trekken. Mijn vraag is of D66vanuit de coalitie ook van mening is dat deze groep chronisch zieken in deParticipatiewet eindelijk uit die vernederende verplichtingen gehaald moetworden. We weten dat zij niet in staat zijn om te werken en dat zij dus uitde Participatiewet moeten komen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 352, nr. 36910 Mevrouw Biekman (D66):De heer Ceder stelt een terechte vraag en ik ben het eens met die vraag.Volgens mij staat er in het regeerakkoord van dit kabinet dat er gekekenwordt of er voor de groep mensen die gewoon echt niet aan de slagkunnen, gekeken kan worden naar dergelijke ontheffingen. Wat mij betreftis deze groep een onderdeel daarvan.De voorzitter:De heer Ceder met een vervolgvraag.De heer Ceder (ChristenUnie):Ik ben blij om dat te horen. Ik wil daarom met een voorstel komen,voortbordurend op mijn eerdere motie. Ik hoop dat dat voorstel Kamer-breed omarmd wordt. Mijn vervolgvraag is of mevrouw Biekman nietvindt – andere partijen hebben dit ook aangegeven – dat als de Participa-tiewet primair bedoeld is om mensen te begeleiden naar werk, iets wat ikondersteun en heel belangrijk vind, ontheffing voor deze groep in deParticipatiewet eigenlijk niet passend is. Immers, de mensen in deze groepworden eigenlijk niet begeleid naar werk. Vindt zij niet dat een apartregime in plaats van ontheffingen, iets wat een wetswijziging zal vragen,veel passender is? Zo kun je de rust creëren die deze mensen helaasnodig hebben. Ziet u deze lijn van een apart regime?Mevrouw Biekman (D66):Ik zou in dit geval het kabinet graag de ruimte willen geven om te kijkenhoe ze hiermee om willen gaan. Als het voorstel van de heer Ceder komt,zal ik dat zeker op waarde beoordelen, maar ik geef het kabinet ook deruimte om met een oplossing te komen.Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):In het verlengde van de vraag van de heer Ceder heb ik een punt over eenaantal hardheden in de Participatiewet. Ik wil aandacht vragen voor metname de groeiende groep jongeren. Als je jonger bent dan 27 en je meldtbij de gemeente, dan is er een zoektermijn van vier weken. Een gemeentekan je dus in principe weer naar huis sturen voordat je hulp kunt krijgen.Als je ouder bent dan 27, dan is dat niet het geval. Deelt mevrouwBiekman van D66 met mij dat dit onnodig hard is en dat jongeren directhulp verdienen?Mevrouw Biekman (D66):In de gemeente Schiedam heb ik gezien hoe we jongeren kunnen helpen.Vandaag hebben we ook gestemd over een amendement om jongeren diepreventie en hulp nodig hebben, te ondersteunen en weer een stukjeademruimte te geven en om gemeenten te faciliteren om daar opexperimentele wijze mee bezig te zijn. Ik schaar het aangenomenamendement in de lijn van wat mevrouw Lahlah aangeeft.Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):Het amendement ging volgens mij specifiek over preventief acteren tenaanzien van het Bouwdepot voor jongeren. Maar het is fijn dat D66hiermee heeft ingestemd. Is mevrouw Biekman het met mij eens dat diezoektermijn voor jongeren, waarbij het uitgangspunt wantrouwen enachterdocht is en waarbij je jongeren het zelf laat uitzoeken, echt nietmeer van deze tijd is? Is zij dan bereid om in te stemmen met een motieop dit punt, om de default vertrouwen te laten zijn en mensen gewoon tehelpen?Mevrouw Biekman (D66):Ik ben er sowieso voor dat we jongeren hulp aanbieden. Daarom zal ikmoties in het kader van schuldhulppreventie, zoals de motie die zojuist isTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 352, nr. 36911 aangenomen, ook steunen. Ik ben een beetje moe, voorzitter. Maar goed,alle moties en amendementen die mijn kant op komen, zal ik op waardebeoordelen. Ik zal ook kijken of er een juiste dekking bij zit. Ik kijk natuurlijkook naar de uitvoerbaarheid. Maar mevrouw Lahlah vindt mij zeker aanhaar zijde als het gaat om het idee dat we jongeren moeten helpen, dat zijrust moeten vinden en dat zij een tweede kans verdienen.De voorzitter:Dit is de derde interruptie.Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):Tot slot. Ik ben heel blij dat mevrouw Biekman van D66 aandacht heeftvoor schuldhulppreventie, maar voorkomen is nog beter dan genezen,dus ik hoop dat ze ook positief staat tegenover het loslaten van dezoektermijn. Mijn laatste vraag ging over de groep Wajongers. We hebbenvanmiddag de petitie en het manifest Wie werkt verliest ontvangen. Deeltmevrouw Biekman dat dit voor veel Wajongers geen slogan is, maar echtde realiteit, omdat mensen gemiddeld € 750 per maand minderverdienen? Deelt zij dit en is zij bereid om samen naar oplossingen tezoeken, idealiter niet pas na een jaar? We zien hoelang het duurt om ietste doen met de groep chronisch zieken in de Participatiewet. We zijn nueen jaar verder en er is nog steeds niks gebeurd. Ik hoop dat we met deKamer gezamenlijk veel sneller tot oplossingen kunnen komen.Mevrouw Biekman (D66):Ook hier vindt mevrouw Lahlah mij zeker aan haar zijde. Er moet eenoplossing komen voor de Wajongers. Volgens mij heeft belangenorgani-satie Ieder(in) vandaag gepleit voor afbouw en verzachtende maatregelen.Ik ga graag met het kabinet hierover in gesprek. Wellicht horen we daarook meer over tijdens de technische briefing. Maar mevrouw Lahlah vindtmij zeker aan haar zijde als het gaat om het idee dat dit moet wordenverzacht.De voorzitter:Dank u wel. Dan gaan we door naar de heer De Beer. Hij spreekt namensde VVD-fractie.De heer De Beer (VVD):Dank u wel, voorzitter. In Nederland staan honderdduizenden mensenlangs de kant, terwijl werkgevers staan te springen om personeel. Dat iszonde en onnodig. Het is zonde omdat meer mensen hun talenten zoudenmoeten kunnen ontdekken, ontwikkelen en benutten. Voor de VVD staatcentraal dat er meer mensen aan het werk moeten en dat werken ookmoet lonen. Daar hebben we vorige week, tijdens het begrotingsdebatSZW, al uitgebreid over gesproken, maar we kunnen het er eigenlijk nietvaak genoeg over hebben. Vandaar dat we vanavond weer een commis-siedebat hebben. Deze week gaan we natuurlijk ook nog verder met hetvraagstuk armoede.Het is immers hard nodig om meer mensen aan het werk te hebben.Terwijl werkgevers schreeuwen om personeel, zien we dat het aantalmensen in de bijstand een hardnekkige uitdaging blijft. Inmiddels gaat hetom ongeveer 410.000 mensen. Juist onder jongeren zien we eenzorgwekkende ontwikkeling. Dat is niet alleen economisch, maar vooralmaatschappelijk onwenselijk, vooral voor de jongeren zelf. Werk betekentnamelijk inkomen, maar ook zelfstandigheid, sociale contacten enperspectief. De vraag is dus niet of mensen talenten hebben, maar of wijdie talenten voldoende benutten. En daar wringt het. We hebben eensysteem dat complex en versnipperd is, en dat soms nog onvoldoendeprikkelt om mensen daadwerkelijk naar werk te begeleiden. Dat zien weTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 352, nr. 36912 ook terug in de banenafspraak, waarvan de realisatie nog achterblijft,terwijl werkgevers juist staan te springen om personeel.Tegelijkertijd zien we dat het wel kan. Ik noemde in het begrotingsdebat aleerder mijn eigen ervaringen, bijvoorbeeld met de BovengrondseVakschool in Heerlen en met de aanpak in Rotterdam. Het aandeelmensen in de bijstand daalt daar, tegen de landelijke trend in, en dat isgeen toeval. De Rotterdamse aanpak laat zien wat werkt: intensievebegeleiding met wekelijks contact in plaats van enkele keren per jaar, envooral in de periode waarin mensen net in een uitkering komen, want juistdan is die begeleiding het meest effectief. Het gaat om een combinatievan begeleiding en duidelijke handhaving, bijvoorbeeld rond de taaleis,een actieve benadering richting gemeenschappen waarin mensen nu nogbuiten beeld blijven en vooral de samenwerking met sociale werkgeversdie kijken naar wat iemand wél kan. Dat is een aanpak die keuzes maakt:niet iedereen een beetje aandacht, maar gerichte inzet op mensen diekunnen werken en die mensen daadwerkelijk begeleiden naar werk.Voor de VVD is de vraag: hoe zorgen we ervoor dat aanpakken die werken,bijvoorbeeld die in Rotterdam, niet de uitzondering blijven maar de normworden? Ziet de Minister mogelijkheden om elementen van deze aanpakof van andere aanpakken in het land, zoals intensieve begeleiding engerichte handhaving, op korte termijn breder toe te passen in anderegemeenten? En deelt de Minister de opvatting dat de huidige vrijheidbinnen de Participatiewet er soms toe leidt dat gemeenten kiezen voorminder effectieve aanpakken en dat ze meer van elkaar zouden moetenkunnen leren?De voorzitter:Een ogenblik. Mevrouw Van Brenk heeft een interruptie.Mevrouw Van Brenk (50PLUS):U noemt de Rotterdamse aanpak en intensieve begeleiding, maar ik kanme ook voorstellen dat sommige gemeentes niet over zo veel mensenbeschikken. Misschien lukt het Rotterdam wel, maar een klein dorp in eengemeente in Groningen of Friesland niet. Hoe kijkt de VVD daarnaar? Is zijbereid om daar meer geld voor uit te trekken?De heer De Beer (VVD):Dat was mijn eerste interruptie in de plenaire zaal. Toen heeft mijn collegadiezelfde vraag gesteld. Mijn antwoord was – en dat blijft ook mijnantwoord – dat gemeenten moeten kijken welke goede aanpakken en bestpractices ze zelf zouden kunnen overnemen. Maar ze moeten ook kijkenhoe ze beter zouden kunnen samenwerken in de regio. We hebbenNederland ingedeeld in 35 arbeidsmarktregio’s. Er is heel veel opgetuigdaan instellingen, regelingen, sociale diensten, sociaal ontwikkelbedrijvenen regionale werkcentra. Volgens mij is de uitdaging veel meer hoe je erin de samenwerking met werkgevers en het onderwijs voor kunt zorgendat er uiteindelijk meer gestuurd wordt op resultaat. Ik zou niet zeggen:laten we inzetten op nog grotere instellingen en nog meer geld. Wemoeten veel meer kijken hoe we de elementen die zich bewezen hebben,beter kunnen uitrollen over de rest van Nederland.De voorzitter:Mevrouw Van Brenk, uw tweede interruptie.Mevrouw Van Brenk (50PLUS):Ik kan me voorstellen dat dat veel makkelijker is in een grote gemeentezoals Rotterdam. Hoor ik nu een pleidooi van de VVD om regionaleverbanden af te bouwen en het in de gemeenten te doen of omgekeerd?De heer De Beer (VVD):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 352, nr. 36913 Ik zou zeggen: omgekeerd. Werk in de regio meer met elkaar samen. Doedat niet alleen tussen gemeenten, maar vooral ook met werkgevers en hetonderwijs. Maak daar slimme combinaties en aanpakken richtingtekortsectoren en werkgevers die in de regio zitten en die schreeuwen ompersoneel. Er zijn altijd werkgevers te vinden in zo’n regio die wel degelijkbereid zijn om ook voor deze doelgroep een aantal extra stappen te zetten.Mevrouw Van Meetelen (PVV):Ik heb ook een vraag aan de heer De Beer. Misschien komt u er nog op,maar vanmiddag heeft de VVD meegestemd met de motie van EdgarMulder die de taaleis voor het verkrijgen van een uitkering in allegemeenten wil handhaven. Wij willen dat daar echt keiharde sancties opkomen. De motie was ontraden door uw eigen Minister. Mijn vraag aanmeneer De Beer is dus of hij het met de PVV eens is om dat op die manieruit te voeren.De heer De Beer (VVD):Ja. Als ik mij niet vergis, hebben wij zelf ook een motie ingediend ommeer te gaan handhaven op die taaleis of in ieder geval gemeentendaartoe op te roepen. Ik heb zojuist ook in mijn spreektekst benoemd dathet enerzijds gaat om het stimuleren van mensen en het bieden vanperspectief, en dat het anderzijds gaat om het handhaven op een aantalzaken, waaronder op de taaleis.Mevrouw Van Meetelen (PVV):Dan heb ik nog een vraag voor de heer De Beer. De PVV wil dat degrenzen gewoon dichtgaan. Wij zitten daar niet voor niks bovenop. U zegtdat 410.000 mensen een bijstandsuitkering hebben. Meer dan 51% van diemensen heeft een niet-westerse achtergrond. Als mensen de taal dus nietmachtig zijn, en dat geldt voor een hoop van die mensen, dan hebben weeen probleem. Zij komen gewoon niet aan de bak. Waarom is de VVD erdan nog steeds voor om die grenzen open te houden? Op deze manierkrijgen we er alleen maar meer van die mensen bij. De aantallen zijngigantisch. Ik vraag meneer De Beer dus waarom hij daarachter blijftstaan en niet ook, net als de PVV, zegt: grenzen dicht, we stoppen ermee;we gaan er eerst eens voor zorgen dat iedereen die hier al is, aan de slaggaat en de taal gaat leren en we stoppen met het dweilen met de kraanopen.De heer De Beer (VVD):We zitten bij het commissiedebat Participatiewet, dus we hebben het overde doelgroep. Die heeft inderdaad bepaalde karakteristieken waardoormensen soms wat moeilijker aan de slag komen. Het klopt dat een grootdeel daarvan ook een bepaalde achtergrond heeft waardoor ze deNederlandse taal niet machtig zijn. Ons pleidooi is daarom ook om tehandhaven op die taaleis en om mensen begeleiding, handvatten enperspectief te geven om uiteindelijk de stap naar de arbeidsmarkt temaken. Daarom hebben we ook die moties gesteund.De voorzitter:De heer De Beer gaat door met zijn inbreng.De heer De Beer (VVD):Nu weet ik niet meer precies waar ik ben gebleven, maar ...De voorzitter:U heeft nog twee minuten.De heer De Beer (VVD):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 352, nr. 36914 Volgens mij was ik bij Rotterdam gebleven. Ziet de Minister mogelijk-heden om elementen van die goede aanpak in den lande uit te dragennaar andere gemeenten?Voorzitter. Naast de begeleiding van mensen moeten we ook de drempelsvoor werkgevers verlagen. De VVD heeft daar eerder voorstellen voorgedaan. Zo heeft de Kamer middelen vrijgemaakt voor een pilot met eenno-riskpolis voor langdurig bijstandsgerechtigden. Die pilot is uiteindelijkniet doorgegaan, omdat er onvoldoende gemeenten wilden deelnemenom tot een evalueerbare opzet te komen. Dat is misschien begrijpelijkvanuit de uitvoerbaarheid, maar daarmee laten we een goed instrumenttoch niet zomaar stranden? De vraag aan de Minister is daarom hoe hijervoor gaat zorgen dat het idee, namelijk het wegnemen van risico’s voorwerkgevers, alsnog vorm kan krijgen. Juist dat is namelijk essentieel omwerkgevers over de streep te trekken.De Kamer heeft daarnaast middelen vrijgemaakt voor zogenaamde«inclusiviteitstechnologie», specifiek gericht op het midden- en kleinbe-drijf. Die technologie kan mensen ondersteunen in hun werk, takenverlichten en de stap naar regulier werk mogelijk maken, maar we zienook dat deze technologie nog relatief onbekend is en dat de investeringenvoor het mkb een drempel zijn. Hoe zorgt de Minister ervoor dat dietechnologie en de middelen daadwerkelijk terechtkomen bijmkb-ondernemers die hiermee mensen aan het werk kunnen helpen? Hoewordt de bekendheid van die mogelijkheden vergroot? Wat mij betreft zithier een bredere lijn onder. We moeten toe naar een systeem waarin weniet denken in beperkingen maar in mogelijkheden, waarin we nietprimair kijken naar wat mensen niet kunnen, maar vooral naar watmensen wel kunnen, en waarin we instrumenten zo inrichten dat zegedrag uitlokken dat we willen zien, namelijk dat mensen aan het werkgaan en dat werkgevers mensen aannemen.Tot slot heb ik nog één punt. De arbeidsmarkt is op dit moment bestversnipperd en overgeorganiseerd. Werkgevers en werkzoekenden wetenelkaar vaak niet goed te vinden. Private partijen zoals uitzendbureaus zijnvaak effectiever in het plaatsen van werkzoekenden, maar hebben nietaltijd toegang tot de informatie die daarvoor nodig is. Ziet de Ministermogelijkheden om deze partijen, of andere private partijen, beter toegangte geven tot relevante, geanonimiseerde gegevens, zodat vraag enaanbod sneller bij elkaar kunnen komen? We hebben in Nederland geentekort aan talent, maar soms wel een systeem dat talent nog onvoldoendebenut. Als we doen wat werkt, namelijk drempels verlagen en instru-menten beter inzetten, kunnen we veel meer mensen aan het werk helpen.Dat is uiteindelijk waar het om gaat.De voorzitter:Dank u wel. We gaan door naar de heer Flach, die het woord voertnamens de SGP-fractie.De heer Flach (SGP):Dank u wel, voorzitter. ««Ik ben zo klein», zei de mol. «Ja», zei de jongen,«maar je maakt een enorm verschil.»» Aan dit citaat uit het prachtige boekDe jongen, de mol, de vos en het paard moest ik denken toen ik dit debatvoorbereidde. Iedereen is van waarde; zelfs iemand die zichzelfbeschouwt als de kleinste schakel in onze samenleving telt mee en kaneen groot verschil maken. Juist daarom is het belangrijk dat we zorgendat iedereen kán meedoen. Dat is iets waarbij de Participatiewet helpt.Dit kabinet heeft het voornemen om de tegemoetkoming arbeidsonge-schikten af te schaffen. Nu het eigen risico ook nog eens omhooggaatbetekent dit dat chronisch zieken er financieel flink op achteruitgaan endat noodzakelijke zorg voor hen onbetaalbaar kan worden. De SGP vindtdat de meest kwetsbaren juist zouden moeten worden ontzien bij devoorgenomen hervormingen. Gaat het kabinet ook voor deze maatregel inTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 352, nr. 36915 kaart brengen wat dit doet voor deze mensen, conform de motie-Stofferc.s. over de gevolgen van de bezuiniging op sociale zekerheid en zorgvoor kwetsbare doelgroepen? Deelt de Minister het uitgangspunt dat dezemensen er financieel gezien niet méér op achteruit zouden moeten gaanten opzichte van anderen?Daarnaast hakt het stopzetten van het garantiebedrag voor mensen dieminstens vijf jaar werken er hard in bij de Wajongers. Vanmiddag kregenwe hierover een brief waarin het dilemma helder geschetst wordt. Er moetvoorkomen worden dat we deze mensen in financiële problemen brengen.Daarom moet hier goed naar gekeken worden. De vraag is: wanneerwordt de Kamer hierover geïnformeerd?Voorzitter. Een aantal collega’s noemde al de sociaal ontwikkelbedrijven,die fantastisch werk doen. Ik ben in de afgelopen maanden bij Novatecgeweest in Westerkwartier. Ik was ook bij Dokwurk in Dokkum. Het is tochwel fantastisch hoe mensen daar geactiveerd worden en de kans krijgenom mee te doen, soms binnen een beschutte omgeving en soms bijreguliere bedrijven. Mensen kunnen met een klein beetje begeleidinggewoon volop meedoen. Dat is heel waardevol, voor hen en voor onsallemaal. Daarom is het goed dat er een maatschappelijke kosten-batenanalyse komt naar aanleiding van de motie van de SP, deChristenUnie en de SGP, zodat ook inzichtelijk wordt wat deze mensenbijdragen aan onze samenleving en economie. Is de Minister daarnaastbereid om te kijken naar een wettelijke verankering van de sociaalontwikkelbedrijven? Welke ambities heeft hij ten aanzien van de finan-ciering van deze wettelijke taken?Op dit moment telt beschut werk nog niet mee voor de banenafspraak,terwijl wij zo veel mogelijk mensen aan een baan willen helpen. Daarkunnen werkontwikkelbedrijven uitstekend bij helpen. Wat de SGP betreftgaat beschut werk gewoon meetellen voor de banenafspraak. Pakt hetkabinet die handschoen ook op?Tot slot wil ik nog een heel ander punt aansnijden. Veel asielzoekersontvangen dwangsommen, omdat het de IND niet lukt op tijd te beslissenover hun aanvraag. Vorig jaar kostte dat de Staat 79 miljoen euro.Volgende week komt er een SGP-amendement hierover, dat de asiel-dwangsommen definitief afschaft, in stemming. Op gemeentelijk niveaukrijgen inkomensconsulenten regelmatig te maken met deze dwang-sommen voor statushouders. Boven een bepaalde vermogensgrens zijnzij verplicht die te melden, maar dit gebeurt nauwelijks. Het gevolg kanzijn dat de bijstandsuitkering moet worden teruggevorderd. Het zougemeenten helpen als er betere gegevensuitwisseling komt met de IND enhet COA, zodat zij automatisch worden geïnformeerd als een statushouderin hun gemeente een dwangsom ontvangt. Nu gebeurt het vaak dat destatushouder niet op de hoogte is van deze regel, dat de dwangsommenniet worden gemeld of dat het geld al is uitgegeven, waardoor invor-dering niet meer mogelijk is. Is de Minister bereid hiernaar te kijken? Datvraag ik zolang die dwangsommen nog niet zijn afgeschaft, natuurlijk,want dat blijft natuurlijk het ideaal, dat we in het amendement hebbenvoorgelegd.Tot zover, voorzitter.De voorzitter:Dank u wel. Dan gaan we door naar mevrouw Van Brenk. Zij spreektnamens 50PLUS.Mevrouw Van Brenk (50PLUS):Dank, voorzitter. De Participatiewet heeft als doel om zo veel mogelijkmensen naar werk toe te leiden. Juist de mensen die ondersteuning nodighebben, moeten daarop kunnen rekenen. De Minister kent het probleemdat ik geschetst heb van een Wajong-gerechtigde met de status«duurzaam geen arbeidsvermogen» die gelukkig werk heeft gevonden enTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 352, nr. 36916 volledig werkt, maar geen volledig loon krijgt. We wachten nog op hetonderzoek over het verbeteren van de Wajong, dat in 2025 afgerond zouzijn. Wanneer kunnen wij dat verwachten? Komt er dan ook een oplossingvoor het door mij geschetste probleem? Datzelfde geldt voor de perio-dieke rapportage over jonggehandicapten en de wetsevaluatie Wajong.Die zou het eerste kwartaal van 2026 komen. Wanneer kunnen we dezetegemoetzien?Voorzitter. Het is al eerder genoemd: vandaag hadden we een ontmoetingmet Wajongers van de FNV. We kregen het document dat ik nu toonuitgereikt. Is de Minister daarmee bekend? Hij knikt ja. Dat is fijn. Er staanvier verbeterpunten in. Ik zou graag een reactie van de Minister daaropwillen hebben. Wij zijn inderdaad door het ministerie op 10 decembergeïnformeerd. Een gemiddeld verlies van € 250 per maand, wie kan datnou dragen? Ik hoor heel graag wat de Minister daaraan gaat doen.Voorzitter. De weg naar arbeidsparticipatie voor Wajongeren is, zoals aleerder is gezegd, helemaal niet eenvoudig, zeker gezien de beperkingenvan de doelgroep en de afhankelijkheid van werkgevers voor geschiktebanen. Er worden stappen vooruitgezet richting arbeidsparticipatie, maarook is er regelmatig sprake van terugval. Zij krijgen ook heel vaak temaken met baanverlies. Nu wil het UWV meer mensen helpen, maar decaseload is al hoog. Of meer mensen bij het UWV echt gaat werken, daarzijn twijfels over, ook bij 50PLUS.Intussen blijkt uit het coalitieakkoord Aan de slag dat er veel bezuini-gingen in de sociale zekerheid worden voorgesteld, waaronder eenjaarlijkse efficiencydoelstelling bij uitvoeringsorganisaties, waarvan dehelft mag worden geherinvesteerd in doelmatigheid en verbetering.Misschien kan de Minister ons vertellen wat dit betekent en wat degevolgen zijn voor het UWV. Wij zijn daar heel erg kritisch op. Wat is ergebeurd met de vijf adviezen van de Algemene Rekenkamer, en danvooral met het punt dat uitkeringsgerechtigden de mogelijkheid moetenhebben om in elk geval de plausibiliteit – mooi woord trouwens – van hunbeoordeling en uitkering te kunnen checken? Eigenlijk moet je gewoonkunnen snappen wat daar staat en of het bedrag reëel is. Voor ons is datheel belangrijk. Wij krijgen daar graag een reactie op.Voorzitter. De banenafspraak is een afspraak uit het sociaal akkoord uit2013, om in 2026 125.000 extra banen te realiseren voor mensen met eenarbeidsbeperking. In dat jaar, 2013, was ik voorzitter van de vakbond waarook de leden van de sociale werkvoorziening onder vielen. Die banenaf-spraak vonden wij toen al boterzacht, omdat die stok achter de deurachter de deur bleef staan als de afspraken niet gehaald werden. En watblijkt? De resultaten worden ook niet gehaald. Er zijn eind 2025 90.000banen gecreëerd, terwijl de doelstelling stond op 115.000. Dus 25.000mensen die graag willen werken staan nog steeds aan de kant. Zowel deoverheidssector als de marktsector loopt achter op de doelstelling. Mijnvragen aan de Minister. Wanneer gaat de quotumregeling voor deoverheid en marktsector in? Waarom is daar nog steeds niet op ingezet?De resultaten blijven immers achter. Wat zijn de stappen die de Ministergaat nemen om het aantal van 125.000 wel te halen? Kan de Ministeraangeven waar het quotum van 2,76% binnen de overheid gehaald wordtof – dat mag ook – niet gehaald wordt?Het laatste punt, voorzitter. Het is ook al door collega’s genoemd: detaaleis bij bijstandsgerechtigden. We zien een grote toename vanbijstandsgerechtigden met een herkomst van buiten Europa. Wat gaat deMinister doen om deze groep, voornamelijk mannen, toe te leiden naar dearbeidsmarkt? De taaleis speelt hierin een hele grote rol. We zullen in aprilgeïnformeerd worden over de verbeteringen die op stapel staan, maarmisschien kan de Minister al een tipje van de sluier oplichten. Ik noemdehet al in het debat over de begroting: een enthousiaste oud-leraarNederlands klopte bij het COA aan en wilde heel graag asielzoekers lesTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 352, nr. 36917 gaan geven in Nederlands. Maar daar was geen behoefte aan. Hij werdweggestuurd. Wat vindt de Minister daar nu van? Dat is toch doodzonde?De voorzitter:Wilt u afronden?Mevrouw Van Brenk (50PLUS):Voorzitter. In hoeverre wil de Minister serieus werk gaan maken van defundamentele herziening van de Participatiewet en hier middelen voorbeschikbaar stellen? Wat is zijn plan van aanpak? We horen het graag,voorzitter.De voorzitter:Hartelijk dank. Dan is het woord aan de heer Ceder namens deChristenUnie.De heer Ceder (ChristenUnie):Dank u wel, voorzitter. Soms hebben mensen een steuntje in de rug nodigom mee te kunnen doen in ons land, of om een baan te vinden. Dat vindtde ChristenUnie belangrijk, want werk zorgt niet alleen voor inkomen,maar ook voor zingeving, voor contacten en voor gemeenschap. Het zorgtvoor een gevoel van eigenwaarde. Wij vinden het heel belangrijk datparticipatie en begeleiding ook vanuit de overheid geboden worden. Danmaakt het niet uit wat jouw «economisch rendement» is, als je eenbeperking hebt. Omdat werk in zichzelf, inherent, van waarde is, vindenwij het belangrijk dat wie dit wil en kan de gelegenheid krijgt om mee tedoen. Daarom is de Participatiewet voor ons een belangrijk en nobelstreven.We hebben de afgelopen jaren ook heel veel debatten gehad omdat dewens niet altijd overeenkomt met de werkelijkheid. We hebben gezien dater hardheden in zitten. We hebben gezien dat, als iemand geld moetterugbetalen, gemeenten te weinig ruimte hebben om te kunnen afwijkenen zij moeten terugvorderen en boetes moeten opleggen. Dat heeft totveel tragedies geleid. We hebben hier in de Tweede Kamer ook heel veelmensen gehad die niet alleen geklaagd hebben, maar ook tranen hebbenlaten vloeien over hoe de Participatiewet geen nobel streven enbegeleiding naar werk is geworden, maar een kooi. Een kooi van eenhardvochtige overheid die geen oog heeft voor de werkelijkheid, maar aande tekentafel maar iets bedacht heeft.De afgelopen jaren is dat erkend en zijn er ook wisselingen geweest. Datsteun ik. Dit nieuwe kabinet heeft aangegeven dat het verder wil gaan methet voortzetten en verbeteren van wat er mogelijk is. Ik vind wel dat ernog weinig concreets in staat. Ik zou graag de Minister de gelegenheidwillen bieden om aan te geven wat hij concreet voor zich ziet en gaatveranderen de komende jaren.Ik heb ook een paar vragen. In het akkoord staat: in ruil voor de prikkel omte gaan werken, zal de kleine groep die echt niet kan werken niet constantworden gevraagd om dit te gaan doen. Kan de Minister aangeven wiedeze mensen zijn die in het coalitieakkoord worden bedoeld en wat degrootte van deze groep is? Ik heb al eerder in een interruptiedebatgerefereerd aan een groep die bij mij zeer op het netvlies staat, omdat zijgeregeld in de Tweede Kamer hun verhaal gedaan hebben, te weten dechronisch zieken. Het zijn mensen die door de systematiek die we hier metelkaar hebben bedacht vanuit de bijstand ziek worden en vervolgens geenrecht meer hebben op een WIA-uitkering, het regime dat we hebben voorarbeidsongeschikten, maar in de Participatiewet in een kooi gevangenblijven, met regels om mensen naar werk te begeleiden. Maar als je ziekbent en niet kunt werken, maar wel de sollicitatieverplichting hebt, of alsje maar een x-aantal weken op vakantie kunt gaan omdat je beschikbaarTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 352, nr. 36918 moet blijven voor werk, dan hebben we het hier met z’n allen als TweedeKamer en kabinet niet goed gedaan.Ik heb met een groot deel van de Kamer overigens een motie ingediendom dit te regelen, maar het vorige kabinet heeft gezegd: ja, we zien dit,maar het is aan het volgende kabinet om met oplossingsrichtingen tekomen. Nou, dat bent u. Ik hoop dat we vandaag met elkaar kunnenuitspreken dat we dit gaan regelen. Voor mij is het geen hocus pocus;volgens mij horen deze mensen niet thuis in de Participatiewet zoals diebedoeld is. Wij moeten daar niet moeilijk over doen en hen in een apartregime plaatsen, waardoor zij niet die verplichtingen hebben dievernederend zijn, niet het gewenste effect hebben en juist het tegenge-stelde effect hebben. Mijn vraag is: hoe kijkt de Minister naar deze groep?Er komt ook meer nadruk op de effectieve handhaving van de taaleis. Datsnap ik en wij zijn daar ook voor, maar wat betekent het effectief in ditverband? Als je de uitkering gaat verlagen, dan kan dat, maar dan ontstaater een situatie dat mensen onder het minimum leven en in Nederlandmerk je dat dit ook weer neveneffecten heeft waar uiteindelijk demaatschappij voor opdraait en betaalt, als mensen hun huur niet meerkunnen betalen en de schuldhulpverlening in actie moet komen. Ik snapdit als prikkel, maar ik vraag me af of dit doordacht is. We moeten vooralniet doen wat we in het verleden hebben gedaan, namelijk hardvochtig-heden inbouwen waar we uiteindelijk als samenleving zelf de maatschap-pelijke kosten van dragen. Dus ik ben gewoon even benieuwd wat precieshet plan is, zodat we als commissie goed kunnen wegen wat we daarvanvinden.Met de Participatiewet in Balans zijn veel belangrijke wijzigingenaangebracht om hardheden te verminderen. Krijgen initiatieven als hetBouwdepot meer ruimte en de kans om kwetsbare jongeren een duwrichting een perspectiefvolle toekomst te geven? Ook op dit punt zie ikecht kansen en de noodzaak om de positie van deze groepen te verbe-teren.Voorzitter. Het is ook belangrijk om mensen met een afstand tot dearbeidsmarkt aan het werk te helpen. Met de focus op werk was ik enormverbaasd over de bezuiniging op re-integratiemiddelen, namelijk100 miljoen euro per jaar. Heeft de Minister al in kaart wat hiervan deconsequenties zijn?Met de start van de Participatiewet was de verwachting dat veel meermensen een beroep zouden doen op een loonkostensubsidie, een effectiefinstrument om mensen aan het werk te helpen, maar in tegenstelling totde verwachte 87.000 mensen zijn er maar 45.000 mensen met eenloonkostensubsidie aan het werk. Hoe kan dit? Wat kunnen we doen omdit te verbeteren?Voorzitter. Het is al eerder genoemd, maar laten we eerlijk zijn: debanenafspraak is geweldig, maar wordt ook al jaren niet gehaald. Het iseen papieren tijger. Er zijn 25.000 minder banen gecreëerd dan deafspraak was.De voorzitter:Wilt u afronden?De heer Ceder (ChristenUnie):Wat gaat de Minister doen met de quotumregeling en de afbakening vande doelgroep?Voorzitter. Mijn laatste vraag gaat over het terugdringen van hetniet-gebruik van regelingen. Het belangrijkste dat we moeten regelen, isdat gegevens van de Belastingdienst gedeeld kunnen worden metgemeenten. Volgens mij heb je daarmee het grootste deel daarvanafgedekt. In aanvulling op eerdere moties is mijn concrete vraag: gaat deMinister de specifieke koppeling van belastinggegevens naar gemeentenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 352, nr. 36919 mogelijk maken door automatische toekenning en andere vormen diemogelijk zijn?Tot zover, voorzitter. Dank u wel.De voorzitter:De heer De Beer heeft nog een interruptie.De heer De Beer (VVD):Het pleidooi van de heer Ceder is duidelijk. Ik snap hem ook. Als je eengroep chronisch zieken hebt die echt niet aan het werk kan, waarom zou jedie dan voortdurend belasten met bepaalde verplichtingen uit deParticipatiewet? Ik zou hem ook wel een andere kant willen voorhouden.Stel dat je weer nieuwe grenzen en nieuwe categorieën maakt. Ik zegdaarmee niet dat we het niet moeten doen, maar het is wel een punt omover na te denken. Mijn ervaring is ook dat als je op een gegeven momenthet bestand van mensen in de Participatiewet weer gaat bekijken enmensen gaat beoordelen, of in ieder geval gaat bekijken waar hetarbeidspotentieel zit, er dan heel snel de neiging is om te zeggen: u heeftproblemen, u heeft hardnekkige problemen, dus u hoeft niet meer tewerken en u komt daar nooit meer voor in aanmerking. Maar de arbeids-markt verandert natuurlijk voortdurend en mensen veranderen. Ik heb ookheel veel voorbeelden gezien van mensen die tien jaar of langer in deParticipatiewet zaten ...De voorzitter:Wat is uw vraag?De heer De Beer (VVD):... die nooit meer of nauwelijks iets van de gemeente hadden gehoord endie zeiden: ja, ik wil best, als mij maar de mogelijkheid wordt gegeven. Devraag aan de heer Ceder is eigenlijk: is hij het met mij eens dat het creërenvan een nieuwe categorie ook een soort lock-ineffect zou kunnenbewerkstelligen?De heer Ceder (ChristenUnie):Ik snap de zorg, maar ik ben het er niet mee eens. Dat heeft te maken metde afbakening van de groep die ik heel bewust «chronisch zieken» noem.Ik noem ze niet «ziek». Ziek is een tijdelijke situatie waarin je lichaam hetop een bepaalde manier begeeft en ons immuunsysteem zodanig isingeregeld dat je binnen afzienbare tijd – voor sommigen is dat een dagen voor anderen kan dat jaren duren – weer herstelt. Je hebt ook de groepdie chronisch ziek is. We hebben nu een denkfout ingebouwd in hetsysteem. Stel dat iemand uitstroomt uit een baan. Als iemand ziek is, kaniemand na twee jaar een WIA aanvragen. Ik vind het heel normaal datiemand dan gekeurd wordt. Stel dat die vervolgens arbeidsongeschikt is.Dat stelsel is overigens ook aan verbetering onderhavig. We vinden datnormaal met elkaar. Wat we niet bedacht hebben als wetgever, is wat ergebeurt als iemand in de bijstand uitstroomt en dus niet ziek is, maarvervolgens ziek wordt. Dan is het aanvragen van een WIA in verband metons premiestelsel heel ingewikkeld. Dat is eigenlijk buiten schot gelaten.Dan is er geen keuringsarts. Dan valt het regime niet. Wat er dan gebeurt,is dat iemand die chronisch ziek is, iemand waarvan we weten dat hetlichaam dusdanig niet in staat is tot herstel dat die niet meer kan werken,wél degelijk aan de verplichtingen moet voldoen die de Participatieweteist, omdat de wet bedoeld is om mensen naar werk te begeleiden. Eenpraktisch voorbeeld is de sollicitatieplicht. Mensen die niet kunnenwerken, moeten elke keer weer sollicitatiebrieven indienen voor banenwaarvan zowel de gemeente, de inkomensconsulent, als de persoon diede aanvraag doet en als de potentiële werkgever weten: dit is voor debühne; dit is papierwerk. Dit gaat al jarenlang door, zonder oplossing. HetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 352, nr. 36920 kabinet erkent dit overigens ook. De VVD heeft als coalitiepartner in hetvorige kabinet in de voortgangsbrief aangegeven: dit erkennen wij en ermoet een oplossing voor komen. Ik ben het dus met u eens dat wemensen niet moeten ...De voorzitter:Iets bondiger, graag. Dit is een heel college.De heer Ceder (ChristenUnie):Sorry, voorzitter. Ik probeer de VVD te overtuigen, maar ik snap dat hetveel korter kan. Ik ben het dus met u eens, meneer De Beer. Ik ben ook nietvan het pamperen van mensen. Mensen die langs de zijlijn staan, moet jeecht stimuleren om aan het werk te gaan. Nogmaals, ik vind dat werkintrinsiek van waarde is. Het is niet alleen om inkomen te verdienen; het isintrinsiek van waarde. We moeten ook eerlijk met elkaar zijn: door eensysteemfout is er een groep mensen, die best groot is, ...De voorzitter:Maar dit heeft u al gezegd. Meneer Ceder, ga nu echt afronden.De heer Ceder (ChristenUnie):... waarbij het niet alleen vernederend is, maar eigenlijk ook een averechtseffect heeft. Die groep hoort dus niet in de Participatiewet. Dat is mijnstelling.De voorzitter:Er is nog een vervolgvraag van de heer De Beer.De heer De Beer (VVD):Ik zit niet zo in de techniek van de wet – laat ik het zo zeggen – maar welwat meer in de praktijk. We zeggen al snel dat de Participatiewet bedoeldis om mensen op weg naar werk te brengen of aan het werk te helpen,maar het is natuurlijk ook een laatste vangnet. Als andere regelingen geensoelaas bieden, heb je uiteindelijk de bijstand, zoals we die vroegerzouden noemen, als laatste vangnet. Maar wat was nou ook alweer mijnvraag? O ja! Is het niet zo dat ook in de Participatiewet in balans meerruimte is gelaten aan gemeenten om op basis van maatwerk de afwegingte maken of mensen voortdurend gehouden worden aan de sollicitatie-plicht? Mijn ervaring is namelijk dat heel veel gemeenten zelf dieafweging maken op basis van gesprekken met mensen in de bijstand.De heer Ceder (ChristenUnie):Ja, de Participatiewet in balans is een verbetering. Dat heb ik ook in mijnbijdrage aangegeven. Maar het zit ’m niet alleen in de sollicitatieplicht; hetzit ’m in het hele regime dat bedoeld is om mensen naar werk tebegeleiden, bijvoorbeeld ook wat betreft vakanties. Het gaat echt om eenvrij streng en strak regime als laatste vangnet; dat ben ik met u eens. Datgeldt bijvoorbeeld niet voor mensen in de WIA, terwijl je als je die mensennaast elkaar zou zetten zonder hun arbeidsverleden te kennen, zou ziendat het om exact dezelfde mensen gaat. Wij hebben als werkgeverbedacht dat iemand door het tijdstip waarop diegene ziek wordt, de restvan zijn leven in een soort keurslijf zit, waarvan iedereen weet dat het eenvicieuze cirkel is, terwijl dat voor iemand anders niet geldt. Ik doe eenpoging om dat te corrigeren. Ik denk dat een apart regime veel beter is. Jekan ook ontheffingen voor die groep creëren. Dat kan. Ik ben het met ueens dat het ingewikkelde daarvan is dat je dan het bepalen wie daarvoorin aanmerking komt, bij de gemeente belegt. Dan ben ik bang voor hetlock-ineffect, dat u noemde. Daarom zou ik die dus liever niet categori-seren als groepen die in aanmerking komen voor de Participatiewet, juistook omdat wij daarin, denk ik, hetzelfde doel snappen en zien.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 352, nr. 36921 De voorzitter:Dank u wel. We gaan luisteren naar de heer Ceulemans, die namens JA21zal spreken.De heer Ceulemans (JA21):Voorzitter, ik zal u een plezier doen en het kort en staccato houden. Wehebben het vandaag over de Participatiewet, een groot onderwerp.Ik wil daarbij even ingaan op de bijstand. Nederland telt momenteel zo’n410.000 bijstandsgerechtigden. Ook wat JA21 betreft is de bijstand eenbelangrijke pijler onder onze verzorgingsstaat. Het is een vangnet voorwie tijdelijk niet aan het werk is en niet op een andere manier in zijnlevensonderhoud kan voorzien, maar wat JA21 betreft zijn daar altijd driebelangrijke voorwaarden aan verbonden. Ten eerste zou een bijstandsuit-kering per definitie tijdelijk moeten zijn. Iedereen die kan werken, moetook werken. Van wie een bijstandsuitkering ontvangt, mag gevraagdworden dat hij zich aan de regels en voorwaarden houdt die daarbijkomen kijken. De overheid dient daarop toe te zien en te handhaven. Tenderde is de overheid het aan de samenleving verplicht om ervoor tezorgen dat bijstandsuitkeringen uitsluitend terechtkomen bij wie daar echtrecht op heeft. Werken vanuit vertrouwen is natuurlijk een mooi streven –daar zal iedereen aan tafel het hier meer eens zijn – maar fraude moetgewoon actief worden opgespoord en aangepakt.Over deze aspecten heb ik een aantal vragen. Zo is het aantal bijstandsuit-keringen in Nederland hoog. Daarover zijn eigenlijk twee dingen op temerken. Ten eerste is dat natuurlijk moeilijk te rijmen met de krapte op dearbeidsmarkt. Hoe ziet de Minister dit? Hoe ziet de Minister kans om,boven op wat gemeenten al doen op dat vlak, wat ik ook erken, mensenvanuit de bijstand aan het werk te krijgen in bijvoorbeeld kraptesectoren,in overeenstemming met de branche?Een ander belangrijk onderdeel van de omvang van het bijstandsbestandheeft te maken met statushouders en migranten. We lezen dat de groeivan de bijstand te maken heeft met een grote toename van jongestatushouders. Zoals ik al zei, is migratie sowieso een belangrijke factor inde omvang van het bijstandsbestand. 51% van de mensen in de bijstandis buiten Europa geboren. Mevrouw Van Meetelen noemde datpercentage al. In grote steden ligt dit hoger. In Rotterdam is dit bijvoor-beeld 61%. Daarbij gaat het dus echt alleen om de eerste generatiemigranten. Als je dat doorvertaalt, is de druk op het bijstandsbestand doormigratie eigenlijk nog groter. Wij zijn voor alle maatregelen om status-houders aan het werk te krijgen vanuit een bijstandsuitkering, maar hetblijft dweilen met de kraan open. Erkent de Minister dat we om de bijstandtoekomstbestendig te houden toe moeten naar zeer forse migratiebe-perking en een einde aan asielopvang in Nederland? Graag een reactie.Kan de Minister ook verder inzicht geven in de hoeveelheden status-houders in de bijstand, hoelang zij gemiddeld in de bijstand blijven enwelke kosten hiermee gepaard gaan?Dan ga ik verder met de tegenprestatie. De tegenprestatie is voor JA21een heel belangrijk aspect. Ik heb daar ook een motie over ingediend, diehelaas verworpen is. De tegenprestatie is via de route van Participatiewetin Balans omgevormd tot maatschappelijke participatie. Ik blijf een beetjein het duister tasten over de concrete gevolgen daarvan. Aan de ene kantwerd toen de tegenprestatie werd omgevormd naar maatschappelijkeparticipatie gezegd: dat doen we omdat we het belangrijker vinden datmensen meer in zichzelf investeren, dat we werken vanuit vertrouwen endat het meer gaat om cursussen. Dat terwijl wij het wederkerige aspectheel erg belangrijk vinden. Iedereen die een bijstandsuitkering ontvangt,moet gewoon maatschappelijk relevant werk terugdoen voor de samen-leving die die bijstandsuitkering opbrengt. Maar als ik daarnaar vraag, isde reactie vanuit het kabinet: dat zit er eigenlijk nog steeds in. Dus wat ishet nou? Is het karakter van de tegenprestatie nou wel veranderd toen hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 352, nr. 36922 maatschappelijke participatie werd, of is dat niet het geval? Kan deMinister daar nou eens een keer nader op ingaan?Dan kom ik op de taaleis. Een aantal fracties hebben daar al van alles overgezegd. Dat is volkomen terecht. Het is onverteerbaar dat linkse gemeen-tebesturen het goedvinden dat mensen op de zak van de samenlevingteren zonder dat ze bereid zijn om hun Nederlandse taalbeheersing teverbeteren. Het kabinet heeft gezegd dat het werk wil gaan maken vanbetere handhaving daarvan. Ik had daar vorige week ook al even eengesprek over met de Minister tijdens de begroting van SZW. De Ministerzei daarbij: dat begint met gesprekken voeren met gemeenten. Ik kan mevoorstellen dat je gesprekken voert met gemeenten als zij tegen obstakelsaanlopen in de praktische uitvoering van de handhaving van de taaleis,maar bij gemeenten die gewoon zeggen «wij willen dit principieel niet»– die zijn er ook gewoon – kunnen we het hele gesprekstraject wat onsbetreft gewoon overslaan en meteen overgaan op sancties. Kan deMinister daarop reageren?Wat ons betreft wordt de taaleis, die nu in de praktijk een inspanningsver-plichting is waarbij gekeken wordt of iemand zich inspant om de taal beterte beheersing, in de praktijk veel meer omgevormd tot een resultaatver-plichting. Het is niet alleen relevant of iemand zijn best doet om de taalbeter te leren; het is ook relevant dat iemand daadwerkelijk beterNederlands spreekt. Wat ons betreft moet dat aangescherpt worden. Ikheb daar een motie over ingediend. Die is aangehouden, maar kan deMinister daar alvast nader op ingaan?Dan fraudebestrijding. Veel gemeenten bieden inwoners de mogelijkheidom het vermoeden van bijstandsfraude te melden bij de gemeente, zodatde gemeente daar onderzoek naar kan verrichten. We zien ook dat eenaantal gemeenten daar inmiddels mee aan het ophouden is en dat er inveel gemeenten ook een discussie loopt over het stoppen daarmee.Daarbij wordt het eigenlijk heel oneerbiedig weggezet als een «kliklijn». Ikvind dat niet terecht. Ik weet uit de praktijk in Rotterdam dat het kunnenmelden van vermoedens van bijstandsfraude op jaarbasis zo’n zesenhalveton oplevert aan bijstand die kan worden teruggevorderd bij mensen dieinderdaad gefraudeerd hebben. Ik vind het heel oneerbiedig om dat wegte zetten als een «kliklijn» en als iets gemeens. De samenleving moet ergewoon van uit kunnen gaan dat geld alleen terechtkomt bij de mensendie daar recht op hebben en dat mensen die een bijstandsuitkeringontvangen, maar daar geen recht op hebben, daar niet mee wegkomen.Kan de Minister daar nader op ingaan? En onderschrijft hij ook het belangvan het kunnen melden van vermoedens van bijstandsfraude?De voorzitter:Wilt u afronden?De heer Ceulemans (JA21):Ben ik al zó ver?De voorzitter:Ja, u bent al over uw vijf minuten heen.De heer Ceulemans (JA21):En ik had nog wel beloofd om het kort te houden.De voorzitter:Ja, ja, ja.De heer Ceulemans (JA21):Dan moet ik eventjes gaan kiezen welk blokje ik nog ga doen.De voorzitter:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 352, nr. 36923 Ik denk eigenlijk dat een heel blok niet meer kan.De heer Ceulemans (JA21):Nou, het is heel kort. Ik wil nog even aansluiten bij de heer De Beer. Hijhad het in het kader van re-integratie over het Rotterdams model en kijkennaar kansrijke mensen die relatief kort in de bijstand zitten met een relatiefkorte afstand tot de arbeidsmarkt. Daar zit heel veel logica in, omdat jemensen daarmee sneller uit de bijstand krijgt. Tegelijkertijd moeten wenatuurlijk ook voorkomen dat het granieten bestand, oneerbiedig gezegd,steeds vaster komt te zitten door deze werkwijze. Ziet de Minister datrisico ook, en hoe wil hij dat mitigeren?Dank u wel.De voorzitter:Dit was de eerste termijn van de Kamer. We gaan een halfuur schorsen endan krijgen we antwoord van de Minister in zijn eerste termijn. Weschorsen dus tot 19.40 uur, zo te zien. Dat is een halfuur, ja. De dinerpauzevalt bij de plenaire vergadering altijd ruimer uit, maar in commissiede-batten hebben we geen dinerpauzes, dus het is een halfuur.De vergadering wordt van 19.13 uur tot 19.46 uur geschorst.De voorzitter:Ik heropen de vergadering van de Kamercommissie voor Sociale Zaken enWerkgelegenheid. We zijn in dit commissiedebat over de Participatiewettoe aan de eerste termijn van de zijde van de regering. Ik geef het woordaan de Minister. Gaat uw gang, Minister. Ik doe weer vier interrupties.Minister Aartsen:Dank, voorzitter. Wilt u eerst de blokjes weten?De voorzitter:Dat is helemaal aan u, maar meestal helpt het wel.Minister Aartsen:Precies. Ik zal na een korte intro iets zeggen over de Participatiewet in hetalgemeen. Daar zijn een aantal vragen over gesteld. Daarna zeg ik ietsover de verschillende doelgroepen in de Participatiewet, de taaleis enjongeren. Statushouders zitten daar ook bij. Daarna zal ik iets meerzeggen over re-integratie, so-bedrijven en banenafspraken. Vervolgenskomt de Wajong. Dan komt het fameuze kopje overig.Voorzitter. Fijn om hier vandaag te zijn als nieuwe Minister van Werk enParticipatie. Ik ben nu op de kop af een maand en een dag Minister. Er zijneen aantal vragen gesteld over hoe het kabinet aankijkt tegen werk enmeedoen voor de mensen die het kunnen, voor de mensen die hetmoeten, maar ook voor de mensen voor wie het misschien wat mindereenvoudig gaat, bij wie de wind niet in de rug waait in het leven of bij wiehet soms wat wiebelig is. Dit kabinet gelooft oprecht in een samenlevingwaarin iedereen kan meedoen. Dat is geen papieren ideaal. We gelovendat iedereen iets kan. Mijn doel is dan ook helder: iedereen moet kunnenmeedoen. Iedereen kan iets. Iedereen heeft passies, dromen en talenten.Een sterk land laat vervolgens niemand aan de kant staan. Iedereen kaneen bijdrage leveren, hoe klein of beperkt misschien dan ook. Iedereenmoet, denk ik, ook een bijdrage leveren aan ons mooie land. We moetenkijken wat mensen vooral wél kunnen.De Participatiewet is daar zeker een belangrijk instrument bij. In beginselkijkt het naar wat mensen wél kunnen. Het kijkt hoe mensen geholpenkunnen worden, maar ook hoe we die talenten, passies en dromen op eengoeie manier kunnen benutten. Meedoen en specifiek werken is dan ookhet uitgangspunt van de Participatiewet, niet zozeer de uitzondering. Er isTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 352, nr. 36924 al veel gezegd; er zijn verschillende invalshoeken benadrukt. Uiteindelijkvraagt meedoen ook wederkerigheid. Dat zit ook in deze wet. Het gaat omde inzet van mensen zelf aan de ene kant, maar ook om de support en desteun van de overheid, en eigenlijk dus ook van de samenleving, aan deandere kant.Voorzitter. Tegelijkertijd zien we knelpunten in deze wet. Ik zal daar zo watmeer over zeggen. Er is al veel over gesproken. De heer Ceder zei er alwat uitgebreiders over. We zien dat mensen vastlopen in systemen, inhokjes, in belemmeringen en in regels. Er zitten ook groepen mensen inde Participatiewet bij wie we zien dat het knelt, dat het niet helemaalmatcht met het doel van deze wet. Dat is namelijk willen meedoen enwerk. Het is een laatste vangnet. Het heet niet voor niets «de bijstand».Het is echt een laatste strohalm voor mensen. Daar horen ook een aantalspelregels bij. Tegelijkertijd zien we dat die spelregels niet matchen bij degroepen die er altijd in zitten. Ik ga daar zo wat meer op in.Bijstand is dus een vangnet voor mensen die tijdelijk niet in een inkomenkunnen voorzien. Het zal dus ook altijd gericht moeten zijn op eenspringplank, gericht op werk en meedoen. De kracht van het stelsel zit noujuist in die balans. Aan de ene kant wordt er support en steun gebodennamens de samenleving, maar daar vraagt de samenleving ook iets voorterug, namelijk dat je je inzet om mee te doen en werk te vinden. Het zijnrechten aan de ene kant en plichten aan de andere kant. Die balans zit ookin de Participatiewet. De komende tijd willen we daarmee aan de slag, opeen gerichte, persoonlijke en menselijke manier en vol vertrouwen datmensen uiteindelijk iets kunnen. Iedereen kan meedoen. Iedereen moetook meedoen. Iedereen kan een bijdrage leveren aan ons land. Vanuit eenpositieve, optimistische blik kijken we naar wat mensen vooral wélkunnen. Dat in algemene zin over de Participatiewet.Er zijn een aantal vragen gesteld over de Participatiewet op zichzelf. Deheer Ceder en mevrouw Lahlah vroegen onder andere hoe dit kabinetaankijkt tegen bijvoorbeeld chronisch zieken en mensen die ziek zijngeworden in de bijstand. Hoe verhouden zij zich op dit moment tot hetstelsel? Ik kan daar eigenlijk vrij duidelijk over zijn. We zien dat er op ditmoment een groep mensen in de Participatiewet zit die niet tot dedoelgroep van de Participatiewet behoren. Ik noem mensen die ziek zijn.Als we gaan kijken naar de bredere analyse, denk ik, heel eerlijk, nietzozeer dat dit een fout is in de Participatiewet zelf. De Participatiewet iseen vangnet voor iedereen; wat dat betreft is het juist goed dat mensen indat vangnet terechtkomen als ze door andere stelsels niet wordenopgevangen. Daar zit nu juist de crux: we zien dat ons arbeidsongeschikt-heidsstelsel, ons WIA-stelsel, een werknemersregeling is. Als je nooit eenwerknemer bent geweest, of niet volledig werknemer bent geweest, danval je daardoorheen en kom je vervolgens terecht in de Participatiewet. DeParticipatiewet gaat ervan uit dat je kunt werken, dat je arbeidsfit bent endat je die bijdrage ook moet leveren. Dat is die wederkerigheid aan de enekant, ten opzichte van steun aan de andere kant.We zien op basis van een schatting van de Nederlandse Arbeidsinspectiedat ongeveer een derde van de mensen die op dit moment in de Participa-tiewet zitten, daar eigenlijk niet goed in passen, omdat ze moeilijk tot nietkunnen werken vanwege ziekte of beperking. Dat probleem is al lange tijdbekend. Het interruptiedebatje tussen de heer De Beer en de heer Cederwas volgens mij ook wel tekenend voor hoe snel we het eens zijn over hetprobleem, terwijl de oplossing een heel stuk ingewikkelder is. Je kuntnamelijk naar de WIA kijken en zeggen: daar horen mensen thuis die ziekzijn. Maar het is niet zo dat op dit moment de WIA een compleet foutloosstelsel is waarmee er geen problemen zijn. Sterker nog, ik denk dat dit opons ministerie op dit moment hoofdpijndossier nummer één is. Het is dusheel ingewikkeld om daarnaar te kijken als de makkelijke oplossing.Je zult voor de lange termijn toch echt moeten kijken wat we doen metdeze groep in het brede arbeidsongeschiktheidsstelsel. Dat is ook deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 352, nr. 36925 reden waarom in het coalitieakkoord heel duidelijk staat dat dit kabinetgraag op korte termijn wil spreken met de sociale partners over hoe dattoekomstige arbeidsongeschiktheidsstelsel eruitziet, al dan niet afhankelijkvan je contractvorm, want we zien dat op meerdere plekken een probleemvormen. We willen er graag over spreken hoe we dat probleem kunnenaanpakken buiten de Participatiewet, maar nogmaals, dat moet dan welgoed uitvoerbaar zijn en het gaat tijd kosten. Je wilt het immers het liefstdoen in lijn met bredere oplossingen voor het arbeidsongeschiktheids-stelsel.Daarom staat er ook heel duidelijk dat dit kabinet gaat kijken hoe we opkorte termijn iets voor deze groep kunnen doen. Er staat niet voor niets inhet coalitieakkoord ook dat we gaan kijken dat we mensen die niet kunnenwerken, niet steeds blijven vragen om dat toch te doen. We kijken dus hoewe deze mensen op korte termijn soelaas kunnen bieden. Ik zeg daar weltwee dingen bij. Ik denk dat we goed moeten oppassen hoe je dat danbeoordeelt. We weten dat er in de sociale zekerheid altijd een gevaar isdat er onnodig prikkels ontstaan als je ergens een regeling openzet die jeniet goed afbakent. Ik zie mevrouw Van Brenk knikken; zij kentongetwijfeld de WAO-situaties waar ik aan refereer. We weten dat dieprikkels er altijd zijn in ons socialezekerheidsstelsel.Daar moet je goed over nadenken, want het laatste wat we willen, ismensen afschrijven. Als we het over mensbeelden hebben – de heerHamstra had het daarover – geloof ik oprecht dat we niemand langs dekant mogen laten staan. Ook als mensen ziek zijn of een beperkinghebben, vind ik dat zij mee moeten doen; misschien niet met 40 uurbetaald werk op een bouwsteiger, maar wel met een actieve bijdrage diezij kunnen leveren aan onze samenleving om daar ook onderdeel van uitte maken. We moeten kijken naar wat mensen wel kunnen en huntalenten. We moeten er echt goed naar kijken hoe we dat kunnen doen. Ikrond dit blokje bijna af, voorzitter, of ten minste dit deel. Ik heb de Kamerbij de begrotingsbehandeling beloofd dat ik de Kamer voor de zomerinformeer over de voorgang op het specifieke punt van chronisch ziekenin de Participatiewet.De heer Ceulemans (JA21):Eerlijk gezegd kwam de Minister net nadat ik mijn vinger had opgestokenop het punt waar ik hem naar wilde vragen. Dat ging erover dat er nu eengroep in de Participatiewet zit, waarvan er wordt gezegd: het heefteigenlijk geen zin om die mensen steeds weer te laten solliciteren, omdatdie mensen toch niet meer aan het werk gaan. Daar zit een bepaaldelogica in, maar aan de andere kant is het gevaar – de Minister snijdt datzelf ook aan – dat die nieuw in het leven te roepen regeling dan«gunstiger» wordt om in te zitten, omdat je wordt ontslagen van allerleiverplichtingen die je in de Participatiewet wel had. Wij zien wel een grootrisico dat die regeling daardoor aantrekkelijk wordt, wat dan weer eenenorm bureaucratisch gebeuren gaat opleveren. Dit was dus geeninterruptie, maar een toelichting waarom ik mijn interruptie achterwegelaat.De voorzitter:Oké, dan zal ik hem niet tellen. Alleen gaat de Minister er dan ook niet opreageren.Minister Aartsen:Nee, precies. Ik denk dat we het hierover eens zijn. Die balans gaan wezoeken en het lijkt me verstandig daar even de tijd voor te nemen. Voor dezomer komen we daarop terug. Hetzelfde geldt eigenlijk voor de bredereherziening – dat is eenzelfde traject – van de Participatiewet spoor 2 enspoor 3. Over spoor 1 hebben we het al uitgebreid gehad. Daarin hebbenwe een aantal stappen gezet en een aantal maatregelen zijn al dit jaarTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 352, nr. 36926 ingegaan. Een aantal maatregelen gaan volgend jaar in. Gemeenteshebben de ruimte om daarin op een aantal onderdelen vooruit te lopen. Ikdenk dat dat verstandig is. Op dit moment kijken we goed naar debeleidsopties. Mevrouw Lahlah vroeg daar ook naar bij de begroting. Wezijn nu vier dagen verder. Ik kan u dus niet superveel voortgang geven,behalve dan over het denken in het weekend. Dat is inderdaad jammer,maar u onderschat mijn denkvermogen in het weekend, zeg ik tegenmevrouw Lahlah.Wij kijken op dit moment hoe we de herijking vormgeven. Daar is inverschillende brieven al uitgebreid over gesproken. Ik denk dat het nu echtde tijd is om keuzes te maken; ik denk dat we elkaar daarin vinden. Welkekeuzes maken we daar nou in? Welke dingen gaan we wel doen en welkeniet? Dan kunnen we daar ook een fundamenteel politiek debat overvoeren. Volgens mij is dat ook een zoektocht van mevrouw Lahlah. Hetingewikkelde is dat dat nu nog niet kan, omdat ik, als Minister, die keuzenog niet heb gemaakt. Dat moeten we dus snel doen. Ik denk dat hetverstandig is dat we dan over die keuzes ook politiek met elkaar vangedachten wisselen. Dat wordt de inzet voor de komende jaren, want hetkabinet heeft de ambitie om vier jaar te blijven zitten. Ik ga op een goedemanier met u van gedachten wisselen over de beleidsopties die daarinstaan. Dat doe ik samen met uw Kamer, want we hebben geenmeerderheid als kabinet zijnde. Dat was het ten opzichte van deherziening van de Participatiewet.Er zijn een aantal vragen gesteld over jongeren in een kwetsbare positie.We zien inderdaad dat dit een issue is. We zien een gestage toename vanhet aantal jongeren in de bijstand. Daar zijn een aantal verklaringen voor.We zien op dit moment een lichte afremming van onze economie. Ik hoopdat het een lichte afremming blijft. We zien breder problemen metmentale gezondheid. Dat zien we ook terug in de WIA. Minister Vijlbrief enik zijn serieus aan het kijken naar waar dat vandaan komt. Zijn datnatuurverschijnselen of zijn er andere oorzaken waar we iets aan kunnendoen? Dat zijn namelijk echt zorgelijke zaken. Een derde is dat er op ditmoment meer jonge statushouders instromen in de bijstand. Ik zal zo nogiets zeggen over nieuwkomers en statushouders.Er zijn op dit moment allerlei initiatieven gaande voor de ondersteuningvan jongeren, ook in de bijstand. Ik herhaal daarbij dat buitenwettelijkeinitiatieven op dit moment niet zijn toegestaan. Wij proberen wel te kijkenhoe je dat soort ideeën een plek kan geven, bijvoorbeeld bij gemeentes. Ikdenk dat je dat soort ideeën altijd moet waarderen, als mensen daar tijden energie in steken. Op dit moment hebben gemeentes voldoenderuimte voor maatwerk en is er samen met Divosa, de VNG en SZW eenhandreiking gemaakt voor hoe ze dat soort initiatieven kunnen onder-steunen. Er is vandaag een amendement van collega Ergin van DENKaangenomen, over het eenmalig uittrekken van 2 miljoen euro voorontwikkelgerichte interventies voor kwetsbare jongeren. We hebben datals kabinet ondersteund.Tot slot, voorzitter. We zullen in april samen met de Minister vanLangdurige Zorg, Jeugd en Sport een Kamerbrief sturen die meer ingaatop de mentale gezondheid van jongeren in een kwetsbare positie.Mevrouw Van Brenk (50PLUS):Misschien zou de Minister ook kunnen kijken of een steeds groter beroepop mantelzorgers een van de oorzaken zou kunnen zijn van uitval, omdater steeds meer bij familie gelegd wordt. Mijn vraag is of dit een van depunten is waar het ministerie naar kan kijken, als het toch dat onderzoekdoet.Minister Aartsen:Wij zijn breed aan het kijken wat de verklaringen daarvoor zijn. Daar kandit een onderdeel van zijn, maar ik kan dat op dit moment niet beoor-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 352, nr. 36927 delen. Ik denk dat we dat breed meenemen. Ik denk dat dat verstandig is,want het is een bredere trend, die niet alleen zichtbaar is in de Participa-tiewet. Volgens mij zien we op meerdere terreinen dat met name dementale gezondheid van jongeren een punt van zorg is.Mevrouw Van Meetelen (PVV):Ik heb ook een vraag, want ik hoorde de Minister zeggen dat de afrem-mende economie een van de oorzaken kan zijn of is. Ik vind overal watvan, maar je kan mij niet vertellen dat dat een reden kan zijn. Op ditmoment zijn er echt talloze sectoren die staan te springen om mensen. Zestaan te springen om mensen! Overal worden tienduizenden mensengevraagd. Ik denk dat er dan toch op een andere manier op ingezet moetworden om die jongeren op de een of andere manier te motiveren, tedoceren of wat dan ook, zodat ze toch gewoon aan de slag gaan in desectoren waar die vraag zo hoog is. Waarom komen ze daar dan nietterecht?Minister Aartsen:Dat is een terechte vraag. De verklaring is natuurlijk wat anders. Deverklaring heeft echt te maken met een afremmende economie. Jongerenhebben bijvoorbeeld amper WW opgebouwd. Ze hebben contractvormenwaarbij geen WW wordt opgebouwd. Maar we zijn het eens. Ik zal zo ookeen antwoord geven op de vraag over de zoektermijn. Met name vanjongeren mag je echt verwachten dat zij de banen die er zijn, aangrijpen ofdat ze naar school toe gaan; dat vind ik ook echt een principiële optie. Erzijn op dit moment 380.000 vacatures beschikbaar in Nederland. Op iederetien ... Nee, sorry, nu zeg ik het verkeerd. Op iedere 100 werklozen zijn erop dit moment 93 vacatures beschikbaar in Nederland. We zien dat er pasnet een kanteling is, vanwege die lichte dingen. Wat dat betreft zijn we hetdus met elkaar eens, maar dit is natuurlijk wel de verklaring van waar ditvandaan komt. Dat was de vraag van de leden.De voorzitter:Mevrouw Biekman en dan mevrouw Lahlah.Mevrouw Biekman (D66):Ik heb een vraag aan de Minister met betrekking tot de mentaleproblemen van jongeren. Ik weet dat er binnen gemeentes interventieszijn die de mentale kant en de schuldenproblematiek samen aanpakken. Ikvroeg me af of de Minister ook in gesprek is met de Minister van Zorg omte kijken hoe op dat niveau wellicht ook budgetten kunnen wordenontschot, want daar lopen gemeenten soms tegenaan. De jongerenhebben mentale problemen en schuldenproblematiek. Dat zijn tweepotten. Ik denk dat de jongeren ermee geholpen kunnen zijn als we op eennieuwe manier naar die ontschotting kijken.Minister Aartsen:Dit kan ik meenemen in mijn gesprek met de Minister van LangdurigeZorg, Jeugd en Sport. We sturen in april een brief over die situatie. Daarkunnen we dit onderdeel ook in meenemen.Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):De Minister noemde net verschillende redenen waarom het aantaljongeren dat in de bijstand zit, toeneemt. Hij noemde onder andere dementale gezondheid. Is dat niet juist een reden om de zoektermijn af teschaffen, zodat gemeenten die jongeren daadwerkelijk kunnen oppakkenen ofwel naar school ofwel richting werk kunnen begeleiden? Het feit datdie jongeren aankloppen bij de gemeenten, betekent uiteraard dat ze hulpnodig hebben. Ze worden dan vier weken weggestuurd, wat overigensTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 352, nr. 36928 leeftijdsdiscriminatie is. Is dat niet juist een reden om ze wel binnen tehouden?Minister Aartsen:Nee, het is goed dat we die zoektermijn hebben. Dat is aan de ene kanteen principiële keuze. Het legt de nadruk op de eigen verantwoorde-lijkheid van jongeren, namelijk dat ze zelf iets van hun leven moetenmaken. Ik vind dat ook een belangrijk signaal. De bijstand is niet het eersteloket waar je aanklopt; het is het laatste vangnet. Eerst ga je kijken of jehet op je eigen manier kan organiseren, of je zelf op zoek kan gaan naarwerk, of je andere vormen van hulp kan krijgen. Het past wat dat betreftdus echt niet bij het karakter van de bijstand als laatste vangnet. Ik vindhet belangrijk om tegen jongeren te zeggen: werk of school is je toekomst,niet de bijstand. Ik denk dat dat een heel belangrijk principieel punt is omte benadrukken.Voor jongeren die in de knel zitten, hebben gemeenten de ruimte omdaarvan af te wijken. Dat hebben we natuurlijk aangepast. Gemeentenhebben die ruimte. Gemeenten moeten dat vervolgens op individuelebasis toetsen. Er is dus geen generieke vrijstelling, maar het gaat opindividuele basis. Neem het voorbeeld dat mevrouw Lahlah noemt. Als erbijvoorbeeld sprake is van mentale ongezondheid, dan kan een gemeentezeggen: het is nu belangrijk. Of als er het gevaar is van dakloosheid ofthuisloosheid, dan kan een gemeente zeggen: ik maak een uitzonderingop de zoektermijn; iemand krijgt direct bijstand, want dat is in dit gevalnodig. Dat gaan we echter niet overal doen, want dat vind ik echtvoorbijgaan aan een heel belangrijk principieel punt, namelijk: werk is jetoekomst.Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):Daar moeten zij dan overigens apart beleid voor formuleren, wat heel veelgemeenten niet doen. Dat vraagt dus iets. Dat betekent nog steeds datcontrole en mensen aan hun eigen lot overlaten de default is van dezeMinister. Hij noemt dat dan «spreken over eigen verantwoordelijkheid».Dat hoor ik vaker. Dat hoorden we ook bij het WGO Integratie en inbur-gering. Daar hoorden we over de eigen verantwoordelijkheid vanuitkeringsgerechtigden. Hoe kijkt deze Minister dan naar de eigenverantwoordelijkheid van de overheid en van werkgevers? Als deoverheid afspraken niet nakomt of als werkgevers afspraken nietnakomen, bijvoorbeeld rondom de banenafspraak, dan blijft het namelijkopvallend stil. Waarom is deze Minister keihard voor mensen die al danniet een korte periode ondersteuning nodig hebben, maar opvallend mildvoor zichzelf en voor werkgevers die tekortschieten?Minister Aartsen:Nu wordt er een beetje een valse tegenstelling gecreëerd. Ik denk niet datdat verstandig is voor de kwaliteit van het debat. Beleid formuleren is eenkerntaak van de gemeente. Dat is wat ze moeten doen. Gemeenteshebben tot taak om beleid te maken voor hun eigen lokale mensen.Volgens mij mag je dus best van een gemeente verwachten dat als wezeggen «u staat aan de lat voor de bijstand; u staat aan de lat voorondersteuning van jongeren», die gemeente dan ook beleid maakt om datte doen. Wat dat betreft kan ik geen excuus vinden waarom gemeenten ditniet kunnen doen. Ik denk dat de balans goed is. Aan de ene kant wel echteen duidelijke, strakke lijn, in de trant van: werk is je toekomst; dat is heteerste loket en de bijstand is dat niet. Aan de andere kant hebbengemeentes als het echt nodig is de ruimte om ondersteuning te bieden;die ruimte bieden we ze ook. Ik vind dat een goede verantwoordelijkheiden ik denk dat heel veel gemeentes dit op een goede manier doen. Latenwe ze die credit vooral ook geven.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 352, nr. 36929 De voorzitter:De Minister vervolgt zijn betoog.Minister Aartsen:Dat brengt mij bij de taaleis. Daar zijn ook een aantal vragen over gesteld,onder anderen door mevrouw Van Meetelen en mevrouw Moinat. In hetvorige debat hebben we hierover ook van gedachten gewisseld. Het isbelangrijk dat we die taaleis hebben in de Participatiewet. De Nederlandsetaal is dé manier om mee te doen in onze samenleving en dé manier omaan werk te komen. We zien ook dat zo’n taaleis echt effect heeft, want diezorgt voor bewustwording van het belang van taal. Zonder taal kom jenergens. We zien dat er op dit moment een aantal knelpunten zijn; de heerCeulemans en ik hebben hierover gewisseld in het debat vorige week. Dieknelpunten moeten we wegwerken. Laat ik duidelijk zijn: ik verwacht vande gemeenten dat ze de wet uitvoeren. Of het nou gaat over het giften-beleid, over de taaleisen of over de Spreidingswet: op het moment dat wijals parlement hier met elkaar ... Excuus: op het moment dat u alsparlement en ik als medewetgever – het is een lange tijd geleden – hierdemocratisch iets besluiten, verwacht ik dat iedereen dat gewoon netjesuitvoert. Het hoort bij een beetje vertrouwen hebben in de overheid datdat goed gebeurt.Op het moment dat een gemeente principieel aangeeft dat niet te doen,zullen wij een escalatieladder inzetten richting die gemeente. Dat betekentdat wij eerst in gesprek zullen gaan met de gemeente om informatie op tevragen over hoe ze een en ander doen. Als een gemeente dan nog steedsvoornemens is om de taaleis of bijvoorbeeld het giftenbeleid niet uit tevoeren, hebben we een gesprek met die gemeente. Vervolgens ga je toenaar wat een «aanzegging van aanwijzing» heet; dat is een verzoek omeen zienswijze. Die heeft een termijn van acht weken. Vervolgens is er eenaanwijzing. Dan gebeurt er al iets met de opschorting van de betaling.Vervolgens ga je nog twee stappen verder als het gaat om de korting.Dit is hoe de escalatieladder werkt. In een goed, fatsoenlijk bestuurlijkland als Nederland vindt dat nergens plaats; meestal heb je een gewooneen goed gesprek met elkaar. Op dit moment zijn colleges druk bezig. Heelveel gemeenteraden moeten volgens mij deze week geïnstalleerd worden.Volgende week zullen dan de gesprekken voor de colleges volgen. Ikverwacht dat we er goede gesprekken over zullen hebben en dat heel veelgemeentes breed zullen zeggen: als een democratische wet is aange-nomen in Nederland dan voeren wij die gewoon netjes uit. Als er eenaantal gevallen anders zijn, zullen we daar netjes het gesprek overaangaan op basis van deze escalatieladder.De heer Ceulemans (JA21):Op zich goed om te horen dat de Minister dit serieus neemt en met diegemeenten in gesprek gaat. Ik zei in mijn termijn al dat wat ons betreft hetgesprek met gemeenten die gewoon op principiële gronden weigeren omde taaleis uit te voeren heel erg kort kan zijn. Wat ons betreft kunnen wedan in één grote stap heel veel treden op die escalatieladder nemen. Als jezoiets aan een Minister voorlegt, zegt die normaal gesproken in gesprek tezullen gaan en ervan uit te gaan dat het niet tot die laatste stap hoeft tekomen. Maar ik denk dat het voor het gewicht dat in het gesprek met diegemeente wordt gelegd, de Minister heel nadrukkelijk zou moetenaangeven dat hij zeer bereid is om ook over te gaan tot die laatste stap opde escalatieladder, dat het dus geen verzoek is maar een opdracht en dathij niet terughoudend zal zijn in het komen met sancties en kortingen.Minister Aartsen:Dit is een escalatieladder van zes stappen. Het concept is wel dat je diealle zes afloopt als dat noodzakelijk is. Dat vind ik ook bijdragen aan hetvertrouwen in de overheid; als we een wet aannemen, moet die netjesTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 352, nr. 36930 worden uitgevoerd. Er zijn twee redenen waarom je de stappen in dievolgorde moet doorlopen. Een is een juridische reden. Als ik die stappenniet doorloop, zal een rechter zeggen dat ik niet zorgvuldig heb gehandelden mij op de vingers tikken. Dat wil ik graag voorkomen. Daarnaast heb ikpersoonlijk inmiddels drieënhalf jaar pedagogische ervaring. Dan weet jedat over het algemeen van nul naar honderd schieten niet altijd de besteoplossing is, en dat het soms goed is om daar een paar tussenstappen inte zetten. Om die twee redenen zal ik dus de volledige escalatieladderbewaken. Maar we hebben gewoon goede colleges van burgemeester enwethouders in Nederland, dus ik ga ervan uit dat we die ladder niethoeven af te lopen.Mevrouw Van Meetelen (PVV):Ik had heel specifiek gevraagd aan de Minister of hij weet hoeveelgemeenten op dit moment daadwerkelijk de taaleis handhaven en hoeveelsancties daar daadwerkelijk uit zijn voortgekomen. Als de Minister daar nuniet op kan antwoorden, dan begrijp ik dat, maar dan wil ik wel graag detoezegging dat we dat antwoord op de een of andere manier toch nogkrijgen.Minister Aartsen:Wij kunnen daar op dit moment niks over zeggen omdat we daar niks overbijhouden. Maar ik kan mevrouw Van Meetelen toezeggen dat we ditmeenemen in de brief die we in april sturen over de taaleis. Dan komenwe daar in die brief nog even op terug.Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):Afgelopen zondag, als ik me niet vergis, hoorde ik Minister Yes¸ilgöz, decollega van deze Minister – en volgens mij is er zoiets als eenheid vankabinetsbeleid – zeggen dat dwang via de Spreidingswet pas verde-digbaar is als er eerst alles aan gedaan is om de instroom omlaag tekrijgen. Waarom geldt die redenering dan niet hier? Waarom geldtdiezelfde redenering niet voor het leren van de taal – het leren van de taalis namelijk superbelangrijk – maar is de Minister dan wel bereid ommeteen te straffen, terwijl de Minister niet eens kan aantonen dat mensenvoldoende kansen krijgen om de Nederlandse taal te leren? Kan hij nieteerst aantonen dat mensen echt een reële kans hebben gehad om zich dieNederlandse taal eigen te maken, alvorens hij tot dwang overgaat?Minister Aartsen:Ook hier komen er weer een aantal heel rare vergelijkingen langs. Ik ganiet gelijk over tot straf. Ik heb net in een uitgebreid interruptiedebat metde heer Ceulemans aangegeven dat het verstandig is om eerst zesstappen af te lopen voordat je op straffen uitkomt. Ik denk dat hetverstandig is om dat zo te doen. Er zijn op dit moment in Nederland talvan manieren om de taal te leren. Het is ook een eigen verantwoorde-lijkheid om de Nederlandse taal te leren; dat blijf ik zeggen. We leven ineen prachtig mooi land. Als je hier bent, heb je een verantwoordelijkheiden een burgerplicht om deel te nemen aan de samenleving, om eenbijdrage te leveren, om je best te doen om de Nederlandse taal te leren.Het is inderdaad een inspanningsverplichting. Nog los van de bijstand,vind ik dat je je uiterste best moet doen om de Nederlandse taal te lerenals je in Nederland bent. Als je in Nederland bent, moet je je uiterste bestdoen om onderdeel te zijn van onze open, vrije samenleving. Nog los vanbeleid, is het gewoon mijn opvatting dat dit hoort bij onderdeel van deNederlandse samenleving zijn. Dat is wat we vervolgens vervat hebben ineen inspanningsverplichting. Ik denk dat dit alleen maar verstandig is,want uiteindelijk draagt het leren van de taal ook bij aan het vinden vanwerk, en dat is uiteindelijk het doel van de Participatiewet.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 352, nr. 36931 De voorzitter:Heeft u een laatste interruptie, mevrouw Lahlah?Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):Het gevoel bekruipt me dan toch dat er wordt gemeten met twee maten.Aan de ene kant horen we dat de wet de wet is. Maar als een wet dan nietuitkomt, zoals de Spreidingswet, dan gelden er andere dingen. Ik heb hetweer over eenheid van kabinetsbeleid. Het kabinet zegt: die dwanghoeven we daar niet toe te passen. Vervolgens zeggen we «dat is de eigenverantwoordelijkheid». Dan gaat het om de eigen verantwoordelijkheidvan mensen die superkwetsbaar zijn of in een kwetsbare positie zitten eneigenlijk ondersteuning nodig hebben. Die eigen verantwoordelijkheidgeldt dan niet voor het kabinet zelf. Dit vind ik dus een beetje meten mettwee maten. Ziet u de Participatiewet ook als een soort loket waar mensenzich melden, waarbij je als gemeente mogelijkheden hebt om die mensente ondersteunen? Is de Minister dan ook bereid om geen dwang richtinggemeenten toe te passen, maar erop te vertrouwen dat zij dat lokalemaatwerk toepassen? Want je kunt niet zeggen: er is maatwerk, maar datis generiek en sluit aan op de uitgangspunten die passen bij mijn eigenmensbeeld. Wat ik hoor, is een mensbeeld van wantrouwen, achterdocht,controle en sancties in plaats van een mensbeeld van vertrouwen,ondersteuning en mensen verder helpen.Minister Aartsen:Ik vrees toch dat we vastzitten in beelden. De gemeentes hebben ruimtevoor maatwerk en kunnen de ondersteuning leveren die daarvoor nodigis. Ik zal zo wat zeggen over de discussie over regionale verschillen.Gemeentes hebben nou juist de ruimte om maatwerk te bieden en om dieondersteuning ook te bieden. Als het om taal gaat, dan bieden zij dieondersteuning op het gebied van taal aan. Ik ben niet van de school diezegt: mensen zijn altijd kwetsbaar en hebben dus nul eigen verantwoorde-lijkheid. Mensen kunnen iets. Ik heb vertrouwen in mensen en geloof inmensen. Ik heb een optimistisch mensbeeld. Dus mensen hebben ook eeneigen verantwoordelijkheid om de Nederlandse taal te leren. Je bent inNederland! Je mag in deze samenleving zijn. Dat is fantastisch. Dat biedtenorm veel vrijheid; dat betekent veel potentie wat betreft welvaart. Danheb je ook echt een eigen verantwoordelijkheid om je stinkende best tedoen om de Nederlandse taal te leren. Daar helpen we dan ook nog eenseen keer bij. Maar wel in die volgorde. Dat is wat we doen.Op het moment dat gemeenten principieel zeggen «ik weiger ditonderdeel van de Participatiewet uit te voeren» dan vindt er gewoon eengesprek plaats, zoals we die over tal van onderwerpen binnen het huisvan Thorbecke met elkaar hebben, waarin je zegt: we hebben met elkaareen wet afgesproken en dit zijn de stappen die we doorlopen. Dat isvolgens mij regulier beleid; dat is hoe het hoort. Het is volgens mij nietgek dat we gemeentes daaraan houden.De voorzitter:De Minister vervolgt zijn betoog.Minister Aartsen:Ik had nog een paar losse vragen. Mevrouw Lahlah vroeg mij nog of op deParticipatiewet een gendertoets is toegepast. Ook vroeg zij of de Discrimi-natietoets Publieke Dienstverlening al is gebruikt. De wetgeving van deParticipatiewet wordt heel breed getoetst, bijvoorbeeld door het Collegevoor de Rechten van de Mens. Ook de Raad van State kijkt hier specifieknaar. Daar worden vervolgens ook allerlei partijen en belangenorgani-saties bij betrokken. Ik weet niet of deze exacte toetsen zijn gedaan. Daarkunnen we in de tweede termijn nog even op terugkomen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 352, nr. 36932 De heer Flach vroeg mij naar de asieldwangsommen en de gegevens-deling tussen het COA, de IND en de gemeenten over de asieldwang-sommen. Ik snap dit punt. Ik denk dat dit een heel rechtvaardige vraag is,maar het is heel ingewikkeld omdat asielzoekers nog niet gekoppeld zijnaan een gemeente. De Participatiewet wordt uitgevoerd door degemeente, dus het wordt heel ingewikkeld om dat goed te koppelen. Wezullen in overleg treden met de VNG, de IND en het COA om te kijken water wel kan en hoe we dat op een goede manier kunnen vormgeven.De heer Ceulemans vroeg mij tot slot hoeveel statushouders er in debijstand zitten en hoelang ze in de bijstand verblijven. Op dit moment is20% van de bijstandontvangers statushouder of voormalig statushouder.Ongeveer 60% van de bijstandsgerechtigden is op dit moment «buiten-Europees», zoals we dat noemen. Van het totale aantal statushouders zit50% in de bijstand. Na drie jaar in Nederland met een status zit nog meerdan 70% in de bijstand. Ik heb daar in het wetgevingsoverleg integratie eninburgering ook veel over gezegd. Ik denk dat dat onwenselijk is. Als jenaar Nederland komt, dan is het belangrijk dat je ook een bijdrage aanNederland levert. We mogen van mensen verwachten dat ze aan het werkgaan. Daarom zal ik nog voor de zomer met een groot offensief komen alshet gaat om de vraag wat we moeten doen om nieuwkomers aan het werkte helpen. Dat is een topprioriteit voor mij als Minister, maar ook bredervoor dit kabinet. Ik hoop u daar nog voor de zomer breed over te kunneninformeren.Voorzitter, dat waren alle vragen ten aanzien van de Participatiewet. Ik wilnu de overstap maken naar re-integratie, als u dat goedvindt.De voorzitter:Mevrouw Van Brenk heeft nog een vraag over de Participatiewet die nietbeantwoord is.Mevrouw Van Brenk (50PLUS):Of komt de Wajong nog aan de orde?De voorzitter:Ja, dat is een apart blok.Minister Aartsen:Dan nu het kopje re-integratie. Dat gaat over de banenafspraak en desociaal werkbedrijven. Daarna kom ik bij het kopje Wajong en het kopjeoverig.Voorzitter. Er zijn een aantal vragen gesteld over de inzet van dit kabinetop het gebied van re-integratie. Bij alles wat er op dit moment gebeurt alshet gaat om de toekomstbestendigheid van de sociale zekerheid hoort datwe zo veel mogelijk mensen aan het werk helpen en houden, want dat isuiteindelijk een hele belangrijke stap om te zetten. Dat betekent dat wevoorkomen dat mensen in een uitkering komen. Dat kunnen we doen doorLeven Lang Ontwikkelen, maar ook door te kijken naar van-werk-naar-werktrajecten. We kijken veel meer naar het ontschotten en het harmoni-seren van een aantal instrumenten.Je ziet nu dat er een enorme waaier is aan allerlei hokjes, re-integratie-regelingen et cetera. De ene zit bij het UWV en de andere bij de gemeente.Bij werkgevers liggen er weer andere verplichtingen. Dat is een enormewaaier. Ik heb gisteren de landelijke aftrap mogen geven van dewerkcentra. Ik denk dat daar een hele mooie kans ligt om alle verschil-lende regelingen te centreren, net als de doorstap naar regelingen op hetgebied van Leven Lang Ontwikkelen en de ontwikkelfondsen. We kunnendaar ontschotten. Dan kun je veel meer kijken naar wat iemand echt nodigheeft om de stap van werk naar werk te maken of van een uitkering naarwerk of scholing, ongeacht in welk bakje die uitkering zit. Daar gaan we opdit moment volle bak mee aan de slag. We moeten daar flink op inzetten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 352, nr. 36933 Dat betekent dat we gaan kijken naar een nieuwe banenafspraak, samenmet de sociale partners, naar een herziening van de Participatiewet – daarheb ik net al wat over gezegd – naar de hervorming van de arbeidsmarkt-infrastructuur en naar de regionale werkcentra. We kijken samen met deMinister van SZW ook naar de uitwerking van de plannen op het gebiedvan Leven Lang Ontwikkelen.Er zijn een aantal vragen gesteld over de sociaal werkbedrijven. Misschienis het goed om die even bij de kop te pakken. Wat is op dit moment hetbeeld? Is de sociaal werkinfrastructuur stabiel en toekomstbestendig?Daar vroeg de heer Hamstra naar. Op dit moment is de lijn dat wij zeggendat iedereen moet kunnen werken op een plek die past. Als een regulierewerkgever niet passend is, kun je terecht bij een sociaal ontwikkelbedrijf,maar ik denk dat het belangrijk en mooi is – ik kom daar zo meteen ooknog op bij de banenafspraak – dat je ook bij een reguliere werkgever, ineen regulier bedrijf, een plek kunt vinden en dat we werkgevers dus ookuitdagen om dat op een goede manier te doen.We zien op dit moment dat die infrastructuur en de financiering daarvoornog niet stabiel genoeg zijn. We zien positieve voorbeelden – ik ben zelfop bezoek geweest in Den Bosch – maar we zien ook punten waarbij datnog niet het geval is of waarbij er uitdagingen zijn. Op dit moment loopter daarom een groot impulsbudget voor tien jaar, tot en met 2034. Datbetekent dat we nu in heel het land werken aan de versterking van dieinfrastructuur. We zijn er nog niet, maar we zien wel dat 80% bezig is omdit goed op orde te krijgen; dat is ook het beeld van de VNG. Aanvullendop dat budget hebben we structureel 190 miljoen extra beschikbaargesteld voor de sociale infrastructuur en het beschut werken.De heer Flach vroeg mij naar de wettelijke verankering. Ik denk dat er opdit moment geen aanleiding is om dat te doen en dat het misschien ookniet verstandig is dat te doen. Een sociaal ontwikkelbedrijf is eenwaardevol onderdeel van de re-integratie, maar het is uiteindelijk wel eenmiddel en geen doel op zich. Laten we dat dus ook niet op die maniervastleggen in de wet, want dat betekent dat we gemeenten dan ookvastzetten als het gaat om ruimte of experimenteerruimte voor andereroutes die in de toekomst potentieel een bijdrage kunnen leveren aanmensen die wat meer begeleiding nodig hebben om een plekje te krijgenop onze arbeidsmarkt. Ik verwacht dat ik voor de zomer een actuele standvan zaken kan geven in een voortgangsbrief.In het verlengde daarvan kom ik op de vragen over beschut werk. Beschutwerk is bedoeld voor mensen die niet bij een reguliere werkgeverterechtkunnen. Zij worden middels intensieve begeleiding ondersteund.We zien dat de doelstellingen hier nagenoeg worden gehaald. Ik denk datdat goed nieuws is. Er zijn een aantal vragen gesteld over de regionaleverschillen daartussen. We zien dat dilemma natuurlijk ook breder terug inde Participatiewet. Aan de ene kant wil je ruimte geven voor regionaalmaatwerk, want Rotterdam is niet vergelijkbaar met Urk – gelukkig maar.Tegelijkertijd wil je enige vorm van harmonisatie hebben, vandaar dat ervoor beschut werk landelijke criteria gelden. Het UWV toetst op ditmoment of mensen aan die criteria voldoen. Uiteindelijk zijn het wel degemeenten die het besluit nemen en daardoor kan de uitvoering dus pergemeente ook verschillen.Mevrouw Biekman vroeg mij naar de nieuwe verdelingssystematiek ...De voorzitter:Een ogenblik. Mevrouw Van Meetelen.Mevrouw Van Meetelen (PVV):Het leidt natuurlijk ook tot rechtsongelijkheid als het in de ene gemeentewel en in de andere gemeente niet kan. Ik vroeg dan ook welke concretestappen de Minister eventueel bereid zou zijn te nemen om die verschillente verkleinen. Ik hoor u ook heel snel iets over het UWV zeggen, maar daarTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 352, nr. 36934 zijn dus ook aantoonbare verschillen in hoe bepaalde dingen wordentoegekend. In de ene regio hebben ze het veel beter op orde dan in deandere regio. Zou het dus niet eens slim zijn om daarnaar te kijken en debest practice eruit te pakken om daarmee die regionale verschillen op telossen? Ik geef de Minister nu wel een voorzetje, maar wat wil hij hier nouaan gaan doen? Dit is namelijk een oneerlijk verschil.Minister Aartsen:Dit raakt natuurlijk wel de kern van het decentraal neerleggen van eentaak, namelijk dat je dan natuurlijk ook een vorm van beleidsvrijheid geeft.Nogmaals, Rotterdam is niet vergelijkbaar met Urk. Zo kunnen we nogmeer forse verschillen in Nederland aanwijzen. Je wil daar dus juist ookwel ruimte voor houden. Dat betekent inherent natuurlijk dat er dan ookandere uitkomsten kunnen zijn. Dat is de keuze die je dan maakt. De optieszijn of dat we het landelijk honderd procent gelijktrekken en datgemeenten de uitvoeringsloketten zijn – dat lijkt mij onverstandigvanwege al die regionale verschillen in dit land – of dat er ruimte is voorlokaal maatwerk en regionale invulling, waardoor er situaties ontstaan dieanders kunnen zijn. Ik ben het wel met mevrouw Van Meetelen eens datdie situaties natuurlijk niet extreem uit elkaar kunnen liggen. Er zijn ookallerlei gremia waarin de verschillende gemeentes en de sociaal werkbe-drijven elkaar treffen en good and bad ... Nee, sorry. Ik bedoel te zeggen:waarin ze good practices uitwisselen met elkaar. Maar misschien gebeurtdat met bad practices ook nog wel. Daar spreken ze met elkaar over hoeen wat. Die mensen hebben contact met elkaar en kijken hoe ze datmoeten doen. Dat stimuleren wij natuurlijk als ministerie.De voorzitter:De Minister vervolgt zijn betoog.Minister Aartsen:Mevrouw Biekman vroeg mij nog naar de verdelingssystematiek. Deuitwerking daarvan volgt dus in die voortgangsbrief vóór de zomer. Wezijn op dit moment wel aan het kijken naar een nieuwe verdelingssyste-matiek die eerlijker is en die ook past bij de prestaties die wordengeleverd door de verschillende werkbedrijven en regionale gremia.Daarbij zeggen we dus: als je meer plekken hebt, krijg je ook meer geld.Dat soort principes zitten dus ook in dat verdeelmodel. Dat zal dus om eenverdeling gaan op basis van realisaties.D66 vroeg ook nog naar de praktijkroute beschut werk. In de verbeter-agenda is dit punt ten aanzien van de vereenvoudiging van de aanvraag-procedure en de verkenning van de praktijkroute aangekondigd. We zijn erop dit moment mee bezig. Ook hierover zullen we meer kunnen melden inde voortgangsbrief.Voorzitter. Dan de banenafspraak, die ...De heer Hamstra (CDA):Voorzitter, kan ik toch nog interrumperen?De voorzitter:Ja.De heer Hamstra (CDA):Ik twijfelde even of ik het hier zou doen, want ik heb maar vier inter-rupties, maar ik ga het nu toch maar doen. Ik wil de Minister vragenwanneer hij gaat kijken naar de harmonisatie van de regionale verschillenwaar hij het net over had. Dit klinkt wat cryptisch, maar ik denk dat hetheel mooi is om er ook wel rekening mee te houden dat er regionaleverschillen zijn. Als je kijkt naar Nederland, dan zie je dat er in het enegebied meer maakindustrie is dan in het andere gebied. Dat heeft directeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 352, nr. 36935 invloed op hoe je beschut werk inricht. Voor de doelgroep van voormalig,maar ook nieuw beschut werk is het belangrijk dat ze gelijk behandeldworden, «of je nou in Rotterdam of op Urk woont», om met uw woordente spreken. Maar economisch gezien zitten er wel daadwerkelijkverschillen tussen Urk en Rotterdam. Ik wil de Minister in ieder gevalmeegeven dat dat wel een belangrijk uitgangspunt is.Daaraan wil ik nog één vraag koppelen die ik in de eerste termijn ook hebgesteld: is de transformatie in de regionale infrastructuur robuustgenoeg? In de afgelopen jaren zijn we die namelijk steeds meer af gaanbouwen, omdat we mensen zo regulier mogelijk aan het werk willenhouden. Tegelijkertijd zien we dat de economische krapte nu iets toe gaatnemen, dat de economie nu wat minder gaat worden, en dat de arbeids-markt wat ruimer wordt. Dan zijn deze mensen als eerste aan de beurt.Hoe ziet de Minister dat dus, meewegend wat ik eerst zei?Minister Aartsen:Wat dat laatste punt betreft, ik zie dat we dat meenemen. We hebben datimpulsbudget, dat oploopt richting 2034. Dat is dus een heel belangrijkestap die daarin zit als het gaat om de versterking van de infrastructuur,denk ik. Daarnaast hebben we nog die structureel 190 miljoen extra die webeschikbaar hebben gesteld voor de sociale infrastructuur en het beschutwerk, die juist ook moet bijdragen aan die robuustheid en de verande-rende situatie in de komende jaren. Wat dat betreft denk ik dat datverstandig is.De eerste vraag ging over de regionale verschillen. Die zijn er dus wel alshet gaat om de dienstverlening. Naar mijn weten zijn die nog niet op dezemanier opgenomen in de verdeelsystematiek. We zullen even goedmoeten kijken of dat kan en hoe dat dan kan. Ik denk dat het verstandig isdat we dat een aparte plek geven in de brief. Ik weet namelijk niet of datkan en of het verstandig is om dat te doen. Er is bij een verdeelsyste-matiek natuurlijk altijd een discussie over wat nou wijsheid is. Ik stel voordat we daar in die brief even op terugkomen. Dan kunnen we daarover hetgesprek hebben met elkaar.De heer Hamstra (CDA):Ik heb een vervolgvraag. Ik wil de Minister eigenlijk een beetje prikkelenom nog één spade dieper te gaan. De Minister had het net over die190 miljoen die we extra investeren. Daar zijn we natuurlijk blij mee, maarik zou hem eigenlijk willen uitnodigen om inhoudelijke plannen met ons tedelen. Die zak geld geloof ik wel. Dat is randvoorwaardelijk heel fijn, maarwat gaan we nou met dat geld doen om het robuust te maken? Kunt u ietsmeer inzicht geven in wat uw visie daarop is? Hoe maken we die socialeinfrastructuur dan robuust?Minister Aartsen:Ik kom daar graag in de tweede termijn op terug, als dat mag.De voorzitter:Dan gaat de Minister nu door.Minister Aartsen:Voorzitter. Dan de banenafspraak. Ook daar is veel over gezegd. Ik denkdat de banenafspraak op zichzelf een heel mooi instrument is. Debanenafspraak zorgt ervoor dat er plekken worden gerealiseerd in dereguliere economie. Hier geldt wel voor dat de doelstellingen niet zijngehaald als het gaat om de 125.000, maar ik ben ook een optimist; voormij is het glas halfvol. Het aantal van 93.000 plekken is namelijk welgehaald. Dat zijn extra banen, juist voor mensen met een beperking. Ikdenk dat we dat aan de ene kant moeten vieren, maar tegelijkertijdbetekent dit ook dat we niet op onze lauweren kunnen gaan rusten. DitTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 352, nr. 36936 betekent dat we op dit moment drie stappen doorlopen. Op dit momentzijn we aan het kijken of uitbreiding van de doelgroep van de banenaf-spraak verstandig en nodig is. Dat doen we in de tweede stap. De derdestap gaat over een vergaande verbetering van de banenafspraak opmiddellange termijn. Dat is ook iets waar ik graag over in gesprek zouwillen met werkgevers. Ik denk dat het verstandig is om dat te doen en datdit instrument in het verleden goed heeft gewerkt. We zien aan alle kantenwel dat ook hier behoefte is aan een nieuwe stap, aan een nieuwe impuls,aan nieuwe energie en misschien zelfs wel aan nieuwe, innovatieveideeën. Inmiddels hebben we een aantal voorbeelden gezien van hoe hetop een andere manier kan. Ik ga graag binnenkort in gesprek met desociale partners om te kijken hoe we dit dossier weer een stap verderkunnen brengen. Ik denk dat het belangrijk is om dat te doen.De heer De Beer (VVD):Misschien met het gevaar dat ik vraag naar iets wat we niet weten, omdatwe het niet weten: het zou natuurlijk best zo kunnen zijn dat er vanuit dedoelgroep of vanuit de categorisering zoals we die hebben aangebrachtbest mensen naar werk zijn begeleid of geholpen via de gemeente ofanderszins, maar niet zijn aangemeld in het doelgroepregister. Met anderewoorden, dan tellen zij dus niet mee in de 125.000, maar misschien zittenwe er wel overheen, hangen we ertegenaan of zijn we beter op weg. Zijner indicaties voor dat de registratie in het doelgroepregister niet helemaalcompleet zou kunnen zijn?Minister Aartsen:Daar kan zeker sprake van zijn. Wij kunnen die mensen dwingen om in hetdoelgroepregister te gaan zitten. Dat zien we wel degelijk. Maar dit is noujuist ook de reden waarom het denk ik verstandig is om die vervolgstapnaar een nieuwe banenafspraak te gaan zetten. We zien dat er ook eenroep om verbreding van de doelgroep is. Daar zitten voordelen aan, maarook nadelen. Ik denk dat het wel verstandig is om te kijken of je dedoelgroep op een andere manier kunt verbreden. Kun je ook ditinstrument opnieuw uitvinden? Kun je er ook nieuwe elementen aantoevoegen? Daarom is het onze ambitie om te kijken of we een nieuwebanenafspraak met elkaar kunnen maken.De voorzitter:De Minister vervolgt zijn betoog. Of wacht, mevrouw Van Brenk heeft nogeen interruptie.Mevrouw Van Brenk (50PLUS):Het ligt eraan of de Minister al helemaal klaar is met het kopjebanenafspraak.Minister Aartsen:Ik zit even te kijken, want ik heb nog een paar specifieke vragen over debanenafspraak. Zal ik die eerst even doen? Dat helpt.De voorzitter:Ja. Gaat u door.Minister Aartsen:Mevrouw Biekman vroeg mij welke mensen met een arbeidsbeperking diewel een ondersteuningsbehoefte hebben, op dit moment buiten dedoelgroep banenafspraak vallen. Het gaat hierbij vaak om mensen meteen beperking die met ondersteuning het minimumloon kunnenverdienen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een hogeropgeleid iemand meteen beperking. Het is op dit moment alleen niet bekend hoeveel mensenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 352, nr. 36937 binnen de doelgroep van de banenafspraak vallen die momenteel geenondersteuningsbehoefte heeft.Mevrouw Van Brenk en mevrouw Biekman vroegen mij wat de overheidals werkgever gaat doen om meer mensen aan het werk te helpen. Het isinderdaad zo dat de overheid een stuk achterblijft als het gaat om dezeambitie. Wij vinden dat de overheid hier een voorbeeldfunctie in heeft. DeMinister van BZK is verantwoordelijk voor de banenafspraak bij deoverheid en rapporteert jaarlijks in het najaar. Het Rijk als werkgever laatzien dat er de afgelopen tijd wel een enorme toename is geweest. De drukdaarop heeft dus ook geholpen, zeg ik maar even. We zien nu dat we op85% zitten. Bij het onderwijs zien wij echter dat het wel lastig is vanwegede onderwijsbevoegdheid. Dat waren zo goed mogelijk de antwoorden opde vragen over de banenafspraken en de drie stappen die wij op datgebied zetten. Ik benadruk daarbij wel dat het belangrijk is om te kijkenhoe we die nieuwe banenafspraken een impuls kunnen geven, omdat daaruiteindelijk de meeste winst te halen is als het gaat om de plannen van ditkabinet ten aanzien van re-integratie.Mevrouw Van Brenk (50PLUS):Als de Minister praat over 85% dan begrijp ik dat hij doelt op 85% van de2,76% die de overheid moet realiseren voor de mensen van de doelgroep.Die bevestiging krijg ik graag. Ik begrijp dus dat de Minister zegt: ik ga eennieuwe banenafspraak maken, want ik heb eigenlijk geen zin om aan hetquotum te komen. Ik begrijp dat de stok achter de deur nog steeds achterde deur blijft staan.Minister Aartsen:Laat mij in de tweede termijn hierop terugkomen, als u dat goedvindt.Anders ga ik vooral op het eerste punt dingen zeggen die mij onver-standig lijken. Ik kom in de tweede termijn wat ruimer terug op de driestappen en de quotumregeling. Ik denk dat dit verstandig is.De voorzitter:De Minister vervolgt zijn betoog.Minister Aartsen:Dan een paar vragen over re-integratie, allereerst over de 100 miljoen uithet regeerakkoord die bezuinigd worden. We kijken op dit moment nogwaar we die 100 miljoen binnen de re-integratiebudgetten breedneerzetten als het gaat om geld verminderen. Laat mij daar wel watachtergrond bij schetsen. Er zit een koppeling met het geld dat wij graagwillen uittrekken voor een Leven Lang Ontwikkelen. Dat is juist bedoeldom daar een enorme impuls aan te geven. Dat is een stap die we hierinwillen zetten. Een tweede stap is dat we breed willen kijken naar hoe jekunt ontschotten. Hoe kun je harmoniseren, waardoor het eigenlijk nietmeer uitmaakt in welk bakje je specifiek zit? Het gaat erom dat we debelemmeringen weghalen in het re-integratiebeleid. Hoe kunnen we datdoen? Dit sluit aan bij de vraag die de heer Ceulemans mij stelde over watwij doen om kraptesectoren te betrekken bij omscholing. We gaan op ditmoment bekijken welke belemmeringen wij kunnen wegnemen. We zienaan de ene kant dat de arbeidsmarkt enorm krap is en dat er enorm veelbanen zijn: 380.000. In sommige sectoren is het zelfs zo krap dat hetproblemen oplevert. Maar dit leidt nog onvoldoende tot een toestroomvan mensen die op dit moment een uitkering ontvangen. Daarom gaan webekijken of we met onze sectorale ontwikkelpaden hier iets aan kunnendoen. Ik noem ook de talentenstrategie die we ontwikkelen binnen deTaskforce Toekomstige Welvaart. Daarmee gaan we bekijken hoe je veelmeer focus kunt leggen op kraptesectoren of sectoren waar potentieelonze economische welvaart vandaan zal moeten komen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 352, nr. 36938 De heer Ceulemans vroeg mij ook nog naar de migratiebeperkingen. Dievraag heb ik volgens mij net beantwoord, als het gaat om de plannen omnieuwkomers aan het werk te krijgen. Als het gaat over de forse migratie-beperkingen waarover de heer Ceulemans mij bevraagt, moet ik hem echtverwijzen naar de Minister van Asiel en Migratie.De heer Ceder vroeg hoe het kan dat er minder mensen dan verwacht aanhet werk zijn binnen de loonkostensubsidie. Er was geen streefgetal voorhet aantal loonkostensubsidies. Op dit moment zijn er ongeveer 43.000loonkostensubsidies. We zien dat aantal nog steeds stijgen.De vragen over statushouders heb ik ook al beantwoord.Dit was het blokje re-integratie. Dan ga ik met gezwinde spoed door naarde Wajong.De voorzitter:De heer Ceulemans wil nog een vraag stellen.De heer Ceulemans (JA21):Ja. Even voor de zekerheid. Ik heb het gemist of het komt in een anderblokje aan de orde, maar het gaat om een punt dat zowel de heer De Beerals ik hebben aangekaart, namelijk de focus op het weer aan het werkkrijgen van mensen die relatief kort in de bijstand zitten. Hoe verhoudtzich dat tot het niet laten zitten van het granieten bestand? Heb ik datgemist of komt u daar nog op terug in een ander blokje?Minister Aartsen:Dit is benoemd in het regeerakkoord. Het gaat over de intensievebegeleiding van mensen. Dat is de reden waarom wij kijken naar dehervorming van de re-integratie. Hoe kun je nou zo dicht als mogelijk opmensen zitten, eigenlijk nog voordat ze hun baan verliezen? Dus van werknaar werk? We zien dat er in een aantal sectoren sprake is van situatieswaarin mensen hun baan dreigen te verliezen. Het zou mooi zijn als je datdat al voor kunt zijn. Maar ook als mensen net in de bijstand terecht zijngekomen is dat natuurlijk het moment om eraan te beginnen. Werefereren in het coalitieakkoord niet voor niks aan de situatie inRotterdam. Daar zien we dat het juist heel effectief is om je inzet te richtenop mensen met een korte afstand tot de arbeidsmarkt.De heer Ceulemans (JA21):Daar heb ik dan toch een vraag over. Ik was tot december afgelopen jaarRotterdams raadslid en had ook deze portefeuille. Ik ben ermee bekend.Het werkt goed. De bijstand is inderdaad gedaald, tegen de landelijketrend in. Het bijstandstarget is ook bijna gehaald. Het is heel vruchtbaarom je te richten op mensen die nog heel dicht op de arbeidsmarkt zittenen nog maar kort in de bijstand zitten. Die zijn makkelijk bemiddelbaar etcetera. Tegelijkertijd kan er natuurlijk wel een spanningsveld ontstaan alsje je te eenzijdig focust op mensen die een korte afstand tot de arbeids-markt hebben. De aandacht voor de hele groep daaronder – dat is watvroeger het «granieten bestand» heette: mensen die lang in de bijstandzitten en die moelijker bemiddelbaar zijn – kan dan helemaal verdwijnen.Dat heeft natuurlijk ook negatieve effecten, niet zozeer alleen voor debetrokkenen, maar ook voor de samenleving. Daarmee laat je eigenlijk welaan de samenleving zien dat je het oké vindt dat een hele grote groepmensen de rest van hun leven in de bijstand blijft zitten. Dat moeten wenatuurlijk ook niet willen.Minister Aartsen:Ik denk dat we het daarover eens zijn. Wat mij betreft is het geenof-ofbeleid. Volgens mij is het niet zo dat je of het een of het ander doet. Ikdenk dat het verstandig is om je wel direct te richten op intensievebegeleiding van mensen die relatief kort in de bijstand zitten, omdat jeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 352, nr. 36939 daar snel succes kunt bereiken. Maar we hebben natuurlijk niet voor niksallerlei instrumenten in de gereedschapskist zitten, juist voor mensen dielangere tijd in de bijstand verblijven. Denk bijvoorbeeld aan de loonkos-tensubsidies. Ik maak daarbij wel de nuance die ik ook aan het begin vanhet debat maakte, namelijk dat we zien dat een derde van de doelgroep inde bijstand op dit moment niet helemaal passend is in de Participatiewet.Daar moeten we dus ook iets anders voor bedenken.De voorzitter:De Minister gaat nu door met de Wajong.Minister Aartsen:De Wajong. Er zijn een aantal vragen gesteld over een punt waar ik deKamer vanmorgen over heb geïnformeerd en waar ik afgelopendonderdag in het debat bij heb stilgestaan. Dat gaat over de situatie vande beëindigingen, of eigenlijk de piek daarvan, in de Wajong en hetgarantiebudget. Ik heb vorige week tijdens het debat al gezegd dat dit mijzwaar op de maag ligt en dat ik dit een heel moeilijk dilemma vind. Aan deene kant zien we dat het beëindigingsprincipe in de wet staat. Dat is één.We zien ook dat daar een bepaalde rechtvaardiging voor uitgaat. Op hetmoment dat mensen op eigen benen kunnen staan, op het moment datmensen vijf jaar lang werk doen en dus zonder uitkering kunnen voorzienin hun eigen leven, dan is dat een rechtvaardiging voor het beëindigenvan een uitkering. Dat hoort daar ook bij, vind ik. Aan de andere kant zienwe dat de combinatie der dingen, zowel de beëindiging voor een aantalgroepen als de beëindiging in combinatie met het garantiebudget in éénkeer stoppen, een enorme impact heeft op mensen die op dit moment eenWajong-uitkering, al dan niet aangevuld met een garantiebedrag,ontvangen. We zien dat we daar nu een enorme piek in krijgen. Dat isgeen beleidsmatige keuze. Dat heeft te maken met het feit dat in 2021,toen dit wetsvoorstel is ingevoerd, de mensen die toen al lopend warenallemaal op nul zijn gezet. Daar zit dus wat dat betreft een voordeel in,maar die hebben we dus nu in een piek.In de brief die ik u vandaag gestuurd heb, hebben we geprobeerd dematerie wat verder toe te lichten. Ik zeg hier namelijk wel bij: hiervoor isecht de afdeling makkelijke oplossingen gesloten. Dit is een moeilijkdilemma. Het is bijna een soort politiek-moreel dilemma: wanneer stoptnou zo’n uitkering? We hebben nu namelijk besloten om de situatie vooréén jaar tegenwettelijk te verlengen – ik overtreed daarmee wet, zeg ik ookmaar even tegen de Kamer – omdat we het onverantwoord vonden omdeze situatie nu per 1 januari 2026 in te laten gaan. Ik zeg daar wel bij: hetoneindig uitstellen kan natuurlijk ook niet. We hebben met elkaar ook deverantwoordelijkheid om, hoe moeilijk dat dilemma ook is, daar wel eenantwoord op te formuleren. Ik heb u aangegeven wat de aantallen zijn. Intotaal gaat het om 11.500 mensen waarvan de Wajong-uitkering wordtbeëindigd vanwege die piekdatum. Daarbij zien we dat het bij 7.200mensen, verreweg het grootste deel, gaat om nuluitkeringen. Dat zijnnatuurlijk successituaties, maar daar hoort wel bij dat de Wajonguiteindelijk zal stoppen. Ook al krijgen zij op dit moment geen uitkering, zekunnen uiteraard wel terugvallen op de Wajong-uitkering die ze destijdshadden, op het moment dat de situatie daartoe noopt. Daarnaast zien wenog een paar andere groepen waarbij de inkomensachteruitgang echtpijnlijk is. Tegelijkertijd zeg ik er ook bij dat het handelingsperspectiefhierbij zeer gering is. Het UWV doet op dit moment alles om te kijken watde specifieke situatie van mensen is. Alles wordt uit de kast getrokken omdie mensen goed te ondersteunen.Ik bied u op korte termijn een technische briefing hierover aan. Ik denk datdat verstandig is. Ik kom graag op een later moment terug op deoplossingen die wij zien, maar ik geef daarbij aan dat die zeer beperkt zijn.We hebben namelijk te maken met de uitvoering van de wet zelf en metTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 352, nr. 36940 een rechtvaardigheidsprincipe waarbij er, nogmaals, geen makkelijkeoplossingen zijn. Op dit moment zijn we aan het onderzoeken hoe we hierop een rechtvaardige manier mee om kunnen gaan, zonder iets te doenwat niet kan, ook uitvoeringstechnisch gezien. Ik denk dat we dat ook inons achterhoofd moeten houden. Aan de andere kant moeten we ervoorzorgen dat mensen niet door het ijs zakken en niet in het putje belanden.Dat vind ik ook een belangrijke verantwoordelijkheid. Daar zijn we op ditmoment naar aan het kijken. Ik hoop uw Kamer daar snel over te kunneninformeren.Mevrouw Biekman (D66):Ik hoorde de Minister verwijzen naar een brief die naar de Kamer isverstuurd, maar ik zie die noch in mijn mailbox noch in de stukken. Ik hoornu van een collega dat die in de mail zit.Minister Aartsen:Die is natuurlijk veel te laat verstuurd. Excuus daarvoor.Mevrouw Biekman (D66):Oké.Minister Aartsen:Dat heeft ermee te maken dat het voor ons zeer complexe materie is endat ik persoonlijk een stempel wilde zetten op het akkoord voor deze brief.We hebben dus dit weekend en gisteren nog hard doorgewerkt. Ik kon pasvanmorgen mijn definitieve akkoord op deze brief geven, vandaar. Ik weetzelf hoe irritant het als Kamerlid is om dit soort informatie op een latermoment te krijgen. Ik had de toezegging aan mevrouw Lahlah gedaan omdit echt nog voor dit debat te sturen, maar vandaar ook het aanbod vaneen technische briefing. Dan zal ik wat meer ingaan op de opties uit debeslisnota. Mevrouw Biekman vroeg daar ook naar. Ik zal dan ookuitleggen waarom sommige dingen wel of niet kunnen, want ik denk datdat ook belangrijk is. Alle vragen die de Kamer heeft, hebben wij zelf ookgehad op dit dossier. Het is echt belangrijk om te benadrukken dat ditzwaar op de maag ligt. Tegelijkertijd past het ons als bij een van de optiesdoor het UWV wordt aangegeven dat het onuitvoerbaar is. We hebbenook een gesprek met elkaar over de situatie die er op dit moment is bij hetUWV. Het past niet bij ons om dat aan de kant te schuiven en te zeggen: ukijkt maar. Ook dat kan niet. Dus nogmaals, hier is de afdeling makkelijkeoplossingen echt gesloten. Ik kom snel naar uw Kamer met een uitge-breide brief over het handelingsperspectief hier.De voorzitter:De brief die verstuurd is, is ongeveer om 13.00 uur in de mailboxterechtgekomen.Mevrouw Van Brenk (50PLUS):Ik had ook gevraagd of mijn probleem rondom de Wajong-gerechtigde dieduurzaam geen arbeidsvermogen heeft maar wel volledig werkt, ookmeegenomen wordt. Wordt daarvoor een oplossing voorzien in hetonderzoek naar het verbeteren van de Wajong? Daar heb ik nog geenantwoord op.Minister Aartsen:Ik heb hier wel uw vraag over de periodieke rapportage over Wajong,maar op deze vraag over het onderzoek kom ik in de tweede termijn terug.De voorzitter:De Minister vervolgt zijn betoog.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 352, nr. 36941 Minister Aartsen:Ik gaf over de drie suggesties die zijn gedaan in het pamflet van de FNVdus aan dat wij daar zelf ook naar gekeken hebben. Daar zitten een aantalhaken en ogen aan. Ik kom er graag in de brief over de oplossingsrich-tingen na de technische briefing bij u op terug waarom dat wel, of helaassoms niet, mogelijk is.Mevrouw Lahlah vroeg mij wat ik vind van dit beleid. Ik blijf erbij dat diteen heel lastig dilemma is. Aan de ene kant hebben we te maken met eenbeleid dat, denk ik, past bij een rechtvaardige overheid, waarbij je zegt: ophet moment dat iemand langjarig op eigen benen kan staan, hoort daarbeëindiging van ondersteuning bij. Als iemand werkt in de horeca en zijnbuurman hetzelfde werk doet in de horeca, kan ik niet uitleggen waaromde een dan een garantiebudget ontvangt en de ander niet. Dat vind iklastig uit te leggen. Tegelijkertijd vind ik het ook lastig uit te leggen alsmensen zulke enorme bedragen in één keer kwijtraken. Het was voorzien;dit stond duidelijk in de wet. Maar we hebben gezegd er nog een jaar detijd voor te nemen, zodat mensen zich kunnen aanpassen. In de tussentijdkijken wij dan wat we eraan kunnen doen. Maar ik temper wel deverwachting dat we dit probleem vlekkeloos kunnen gaan oplossen. Dithoort daar ook op die manier bij.Mevrouw Biekman vroeg mij nog of beschut werken of maatschappelijkeparticipatie niet realistischer zijn dan regulier werk. Wordt dat dan ookgefaciliteerd? Ja, dat is mogelijk en dat gebeurt op dit moment ook.Beschut werk is een van de mogelijkheden voor een deel van de mensenmet arbeidsvermogen. Hiertoe kan UWV op verzoek van de klant eenbeoordeling doelgroep beschut werk uitvoeren. Ook zet UWV voor dezemensen activerende dienstverlening in.Voorzitter. Volgens mij heb ik alle vragen ten aanzien van de Wajong inden brede beantwoord.De voorzitter:Ja, zo te zien wel. Dan gaan we door naar het laatste blokje. Dat is hetblokje overig, toch?Minister Aartsen:Voorzitter. Het kopje overig. Een aantal leden heeft mij gevraagd ...De voorzitter:Sorry. Er is toch nog een nabrander van mevrouw Biekman over deWajong.Mevrouw Biekman (D66):Nou, nog één punt eerder: een vraag over de beschutte werkplekken.Misschien heb ik het antwoord gemist, maar ik had ook gevraagd of deMinister overweegt om explicietere prikkels voor de realisatie van debeschutte werkplekken in te voeren.Minister Aartsen:Ja. Dat zit dus in dat verdienmodel waar ik het even over had met de heerHamstra. Wij komen in de voortgangsrapportage terug op hoe datverdienmodel werkt. Ik zei al dat het idee erachter is dat het een eerlijkerverdienmodel is, waarbij er veel meer wordt gekeken naar de prestatie, inde zin dat als je meer plekken realiseert, je ook een betere financieringkrijgt. Dat is daar het uitgangspunt.De voorzitter:Dan gaan we door naar het blokje overig.Minister Aartsen:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 352, nr. 36942 Dat ging over de gemeentelijke verschillen. Er is gevraagd of we deverschillende gemeentelijke regelingen gaan harmoniseren zodat erminder verschillen tussen gemeenten zijn. Ja, dat hebben we toegezegd.Het staat ook in het coalitieakkoord. Dit najaar wordt de Tweede Kamerdoor mijn collega Vijlbrief verder geïnformeerd over hoe dit precies zalworden vormgegeven. Het is een van de ambities uit het coalitieakkoord.De heer Flach vroeg mij nog naar de stapeling van maatregelen voorchronisch zieken en gehandicapten. Specifiek betrof zijn vraag detegemoetkoming arbeidsongeschikten. Wij zijn dat op dit moment in kaartaan het brengen, conform de motie-Stoffer. Samen met de MinistersSterk, Hermans en Vijlbrief stuur ik u op korte termijn een brief over dewijze waarop het kabinet invulling wil geven aan de motie-Stoffer zoalseerder toegezegd, ik meen in het debat over de regeringsverklaring.Mevrouw Van Brenk vroeg mij nog naar de Algemene Rekenkamer en hoede plausibiliteit van de beoordeling goed kan worden gecheckt. Er zijn opdit moment al mogelijkheden voor de uitkeringsgerechtigden om deberekening van hun uitkering en de loongegevens die daarvoor zijngebruikt in te zien. Dat is het zogeheten inzage- en correctierecht. Datrecht moet iemand zelf inzetten. Ik realiseer mij goed dat de huidige wet-en regelgeving voor medewerkers van UWV erg complex is, laat staanhoe dat is voor iemand die in de WIA – daar gaat het in dit geval over –verkeert. Voor de korte termijn verkennen we samen met UWV wat we inaanvulling op de lopende initiatieven nog kunnen doen om de navolg-baarheid van de berekeningen en de duidelijkheid van de communicatie teverbeteren. Ik verwees al even naar mijn collega Vijlbrief. Hij zalbinnenkort het gesprek met u aangaan over de WIA en de complexiteit eningewikkeldheid daarvan. Daar past dit punt wel bij, denk ik. Dan komenook de adviezen van de Algemene Rekenkamer aan de orde.De heer Ceder vroeg mij nog om een koppeling tussen de Belastingdiensten de gemeente mogelijk te maken. Ik denk dat het goed is om ditonderdeel bij de kop te pakken bij de Kamerbehandeling van hetwetsvoorstel Proactieve dienstverlening. Die behandeling zal eind aprilplaatsvinden. In dat voorstel is op dit moment gekozen voor een invullingdie relatief eenvoudig en snel te realiseren is. Ik meen dat de Belasting-dienst daar niet bij zit.De heer Ceder (ChristenUnie):Ik weet dat de Belastingdienst daar niet bij zit, maar kan de Ministererkennen dat de Belastingdienst de grootste bron in Nederland is vangegevens rondom inkomen en dat het een overheidsdienst is? Kan hijerkennen dat als de overheidsdienst van de Belastingdienst en deoverheidsdiensten van de gemeenten nou eens zouden gaan samen-werken en die gegevens met elkaar zouden gaan uitwisselen, heel veelkwetsbare mensen hierdoor geholpen zouden zijn? Kan de Minister dat inieder geval erkennen en, zo ja, is het dan niet onbegrijpelijk dat dit niet inhet wetsvoorstel zit terwijl dit de grootste gamechanger is?Minister Aartsen:Nogmaals, bij de invulling van het wetsvoorstel is gekozen voor eenrelatief eenvoudige en snel te realiseren stap. Dat impliceert wat mijbetreft dat het met de Belastingdienst niet relatief eenvoudig en nietrelatief snel te realiseren is en dat we daarover van gedachten gaanwisselen bij de Kamerbehandeling van dat wetsvoorstel. Ik denk dat hetgoed is om dat daar te doen. Als het specifiek gaat over de Belasting-dienst, zullen we netjes voorbereiden wat daar de haken en ogen van zijnen waar er wel stappen gezet kunnen worden.De heer Ceder (ChristenUnie):Ten aanzien van het wetsvoorstel: dat zullen we dan behandelen. Maar ikben wel gewoon benieuwd naar het standpunt van het kabinet-JettenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 352, nr. 36943 hierop. Over een maandje ben ik vijf jaar Kamerlid en het gaat al vijf jaarover de mogelijkheid om de gegevens uit te wisselen. Dat begint bij devraag of we erkennen dat dit de grootste doorbraak zou zijn als het gaatom het zorgen dat middelen bij de minima terechtkomen. Als hetantwoord daarop ja is, kan ik me niet voorstellen dat na vijf jaar hetantwoord van de Minister is dat bij de wetsbehandeling toegelicht zalworden waar de haken en ogen zitten. Ik verwacht dan een proactievehouding om dit misschien niet via dit wetsvoorstel, maar op een anderemanier te gaan regelen. Het begint bij de vraag of de Minister erkent datdit de grootste doorbraak kan zijn op dit dossier als we met elkaar diekoppeling dichterbij weten te brengen.Minister Aartsen:In de politiek is het soms handig om gewoon eerlijk te zijn. U overvraagtmij op dit moment op dit onderdeel. Als u daar meer over wil weten en ereen antwoord op wil, ga ik daar in de tweede termijn even verder op in,want dan kan ik daar ook goed ja of nee op zeggen.De voorzitter:De Minister vervolgt zijn betoog.Minister Aartsen:De heer Ceulemans vroeg mij naar het karakter van de tegenprestatie.Wederkerigheid blijft een fundament van de Participatiewet. Bijstandsont-vangers moeten werken, re-integreren of maatschappelijk participeren.Een tegenprestatie is dus een vorm van die maatschappelijke participatie.Op dit moment kan daar echt alles onder vallen, dus mensen hebben deruimte om dat ook op die manier in te vullen als onderdeel vanmaatschappelijke participatie.De voorzitter:Uw laatste interruptie, meneer Ceulemans.De heer Ceulemans (JA21):Ja, ik pleeg ’m toch. Is het echt de laatste, want de eerste was geeninterruptie, hè?De voorzitter:Die heb ik ook niet meegeteld.De heer Ceulemans (JA21):Oké. Nou, het was te proberen. Ik ga hier toch even op doorvragen, wantdit blijft een soort woordenspel. Destijds is de tegenprestatie, die toen ookals zodanig in de wet stond, bewust omgevormd tot maatschappelijkeparticipatie. Het verhaal daarbij was «we gaan meer inzetten op hetinvesteren in mensen zelf, op cursussen en zo om mensen ook in zichzelfte laten investeren en meer vertrouwen te laten opdoen» et cetera. Datpaste bij het hele verhaal dat we meer uitgaan van vertrouwen in plaatsvan controle. Als ik nu vraag welke gevolgen dat heeft gehad voor hetwederkerige aspect, namelijk niet zozeer investeren in jezelf, maar ietsterugdoen voor de samenleving, krijg ik terug dat er eigenlijk niksveranderd is. Maar waarom is die wijziging dan gedaan? Is het alleen eenander naampje?Minister Aartsen:Volgens mij is die wederkerigheid breder dan alleen de tegenprestatie. Ikdenk dat de wederkerigheid ook zit in het feit dat je je inspant om aan hetwerk te gaan en dat die wederkerigheid er ook in zit dat je je inspant omde Nederlandse taal te leren, dat je je inspant om te re-integreren en dat jeje dus ook inspant om maatschappelijk te participeren. Dat zou brederTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 352, nr. 36944 kunnen zijn dan hoe de tegenprestatie was vormgegeven. Ik denk dat deheer Ceulemans hier echt een tegenstelling opzoekt die er in de praktijkmisschien niet zozeer is. Ik denk dat het vooral uitmaakt hoe bij deverschillende gemeentes de tegenprestatie destijds is vormgegeven. Erzijn gemeentes geweest die deze op een manier hebben vormgegeven dieweerstand opriep en er zijn mensen die deze hebben vormgegeven opeen andere manier die misschien effectief hetzelfde was zonder dat dieweerstand werd opgeroepen. Ik denk dat door deze nu onderdeel te latenzijn van maatschappelijke participatie het doel, namelijk wederkerigheiden meedoen in de samenleving, veel beter bereikt kan worden, zonder datdaarbij de positieve elementen van een tegenprestatie specifiek wordenweggelaten.De voorzitter:De Minister vervolgt zijn betoog.Minister Aartsen:De heer De Beer vroeg mij nog naar de middelen die zijn vrijgemaakt voorinclusiviteitstechnologie, specifiek gericht op het midden- en kleinbedrijf,en hoe we ervoor zorgen dat die ook bij het midden- en kleinbedrijfterechtkomen. Het was een amendement van de heer De Kort. Er is5 miljoen euro vrijgemaakt voor het bevorderen van inclusieve techno-logie bij werkgevers. De helft hiervan is ingezet voor de ondersteuningvan het meerjarenprogramma, het Platform Inclusieve Technologie. Deandere helft is ingezet voor de subsidieregeling voor inclusieve techno-logie. Er wordt veel ingezet op de bekendheid van deze subsidieregelingdoor de betrokken partijen, bijvoorbeeld via social media, nieuwsbrievenen webinars. Daarmee hopen we natuurlijk ook de bekendheid van dezesubsidieregeling onder het midden- en kleinbedrijf te vergroten.De heer Ceulemans vroeg mij nog naar de tiplijn. Onderschrijft deMinister het belang van het kunnen melden van bijstandsfraude? Ja. Ikdenk dat een gezonde balans, waarbij we aan de ene kant fraudetegengaan, hoort bij het behouden van solidariteit voor wetten als deParticipatiewet. Ik heb zelf deel mogen uitmaken van de enquêtecom-missie Fraudebeleid en Dienstverlening. Daar hebben we ook het gevolggezien van doorschietend beleid. Het moet dus wel in balans zijn. Maardaar hoort zeker ook een tiplijn bij. Gemeenten kunnen dit zelf inrichten.Er is afgesproken met de VNG dat gemeenten laagdrempelig en goedbereikbaar zijn voor signalen. Het is uiteindelijk aan de gemeenten zelf omhier op een zorgvuldige wijze mee om te gaan en meldpunten in te richtenbinnen hun eigen handhavingsbeleid.Volgens mij heb ik geprobeerd de Kamer zo goed als mogelijk teinformeren. Zo niet, dan ga ik nog een poging wagen, en anders doen wedat in de tweede termijn.De voorzitter:Ik wou eigenlijk nog wel een tweede termijn doen, maar ik zie dat de heerDe Beer nog een vraag heeft. Gaat uw gang.De heer De Beer (VVD):Er is nog één puntje blijven liggen. Dat ging over de pilot met deno-riskpolis. Ik ken de achtergrond en de discussie en ik weet datgemeenten niet in de rij stonden om deel te nemen aan die pilot. De vraagis of de Minister er heil in ziet om te onderzoeken of we daar toch nogmee aan de slag zouden kunnen gaan, in welke vorm dan ook.Minister Aartsen:Ik kom voor de zomer nog met een brief over wat we kunnen doen omwerkgevers te helpen en welke belemmeringen we kunnen wegnemen,dus die toezegging kan ik de heer De Beer doen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 352, nr. 36945 De heer Hamstra (CDA):Ik weet niet of dit telt als interruptie, maar er zijn nog twee vragen blijvenliggen. Kan ik die nog een keer stellen?De voorzitter:Ja. Dan tellen ze wel als interruptie.De heer Hamstra (CDA):Ja? Meent u dat nou?De voorzitter:Ja, maar daarna is de termijn ook afgelopen. U heeft nog interrupties, dusstel de vragen gewoon. Of ik ze wel of niet tel, maakt niet zo veel meer uit.De heer Hamstra (CDA):Oké. Ik had nog een vraag gesteld over de cultuuromslag, over consu-lenten die bij gemeenten aan het werk gaan. Ik zie geknik. Daar zou ik noggraag een antwoord op krijgen. Hoe kunnen we ze voldoende helpen, nietalleen juridisch maar ook in opleiding, professionalisering en aansturing?De laatste vraag is deze. We zien dat de doelgroep enorm anders is dantoen we in 2015 begonnen. Die is ook complexer geworden. Zijngemeenten voldoende toegerust? Als het antwoord nee is: hoe kunnen weze beter toerusten? Daar zou ik ook nog graag antwoord op hebben.Minister Aartsen:De cultuuromslag maakt nadrukkelijk onderdeel uit van het derde spooruit de Participatiewet in Balans. We kunnen de veranderende doelgroepook meenemen in de brede herziening. Dat raakt ook aan het eerderegesprek dat we hadden over de herijking van met name bepaaldedoelgroepen in de Participatiewet. Je wil kijken hoe je dat zo goed alsmogelijk kunt doen. Ik denk dat gemeentes daar goed op zijn toegerust.We mogen er ook vertrouwen in hebben dat gemeentes dat op een goedemanier doen. Zij kennen de mensen vaak het beste en zitten er ook dichtop. Ik heb daar dus zeker vertrouwen in, maar we moeten ook blijvenerkennen dat er inderdaad sprake is van een complexiteit. Daarom helpthet ook als we investeren in kennisontwikkeling over de materie in dezewet.De voorzitter:Dank u wel. Ik stel voor dat we daarmee de eerste termijn van de zijde vande regering ook als afgerond beschouwen en nu gelijk doorgaan met detweede termijn. Als eerste is het woord aan mevrouw Lahlah namensGroenLinks-Partij van de Arbeid.Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):Dank u wel, voorzitter. Laat ik ook maar meteen zeggen dat ik eentweeminutendebat wil aanvragen.Voorzitter. Meedoen is belangrijk, vooral voor mensen in de bijstand, maarnet zo goed voor mensen in de Wajong. De taal leren en stappen zettenzijn op zichzelf niet het probleem. Dat is juist heel erg goed. Maar watdeze Minister laat zien, is een best eenzijdig begrip van de term «verant-woordelijkheid»: veel eisen aan mensen, veel woorden over controle,sancties en de eigen verantwoordelijkheid en zelfredzaamheid, maarvooral naar beneden. De vraag is dus: waar blijft die scherpte richting deoverheid zelf, richting werkgevers, richting een systeem dat mensen eerstlaat vastlopen alvorens ze te helpen? Richting gemeenten zien wedezelfde reflex. Wel verantwoordelijkheid neerleggen, maar geenmiddelen, geen plan, geen echte ondersteuning. Minister Aartsenverwacht dat gemeenten mensen vanuit de bijstand aan het werk helpen,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 352, nr. 36946 maar hoe moeten gemeenten dat doen met een beperkt budget of, als hetbijvoorbeeld gaat om Oekraïners, zelfs zonder extra budget?Mijn zorg zit na dit debat bij de mensen voor wie dit niet iets abstracts is:chronisch zieken in de bijstand, mensen die al op de armoedegrens leven,mensen die door de bezuinigingen van dit kabinet juist eerder in debijstand belanden en hun bestaanszekerheid – ik noem een auto en eenhuis – eerst moeten afbreken alvorens ondersteuning en hulp te krijgen.Hoe voorkomt de Minister dat juist zij de rekening betalen van dit beleid?Want meedoen is geen opdracht die je alleen maar bij mensen neerlegt.Meedoen is iets wat je samen mogelijk maakt.De voorzitter:Dank u wel. Dan gaan we door naar mevrouw Van Meetelen, die namensde PVV-fractie spreekt.Mevrouw Van Meetelen (PVV):Dank u, voorzitter. Dank aan de Minister voor zijn antwoorden en voor zijntoezegging dat hij in de brief gaat meenemen welke gemeenten de taaleisal dan niet handhaven en op wat voor manier er misschien sanctiesworden uitgevoerd. We hoorden van heel veel brieven die óf in april, ófvoor de zomer komen. Ik kijk daar allemaal naar uit, ook naar de brief diede Minister samen met Minister Sterk gaat opstellen over de mentalegezondheid. Ik hoorde verschillende dingen van de Minister over jongerenuit de bijstand en aan het werk zien te krijgen. Daarop moeten we alles opalles zetten, want er zijn te veel jongeren in de bijstand. Nogmaals, danbedoel ik niet de jongeren die niet in orde zijn, die ziek zijn, want daarhebben we alle begrip voor. Maar er zijn tienduizenden banen in sectorendie keihard staan te springen om mensen, en wij moeten alles op alleszetten om deze jongeren aan het werk of weer terug in de schoolbanken tezetten, ook als ze dat niet zo leuk vinden. We moeten dus wat minderpamperen en wat harder erop gaan zitten, want dit is geen goede tendens.Het gaat nu om 40.000 jongeren, maar voordat je het weet zijn het er50.000 en dat gaat alleen maar toenemen. Daarop verwacht ik van deMinister echt grote stappen.Dank u.De voorzitter:Dank u wel. Dan gaan we luisteren naar de heer Hamstra namens hetCDA.De heer Hamstra (CDA):Voorzitter, dank. Dank ook aan de Minister voor de beantwoording vanonze vragen in eerste termijn. Ik begin met het mensbeeld. Ik hoor deMinister zeggen «mijn mensbeeld is dat iedereen mee kan doen» en dat ismij uit het hart gegrepen. Ik ben blij dat we dat delen. Mijn vraag is danwel, als we wat dieper ingaan op dat mensbeeld dat ook de Minister eropnahoudt: heeft u het idee dat mensen wel willen, maar het op een ofandere manier nog niet kunnen? Of heeft u het idee dat mensen welkunnen, maar dat ze misschien wel beter hun best moeten doen? Dereden waarom ik die vraag stel is: als het het eerste is, dan hebben wij watte doen; als het het tweede is, dan hebben die mensen wat te doen. Ik benbenieuwd hoe de Minister daarnaar kijkt.Het tweede is de vraag of gemeenten voldoende toegerust zijn. Ik ben zelfin een eerder leven wethouder geweest. Ik hoop met u mee, maar het iswel complex geworden. Als we kijken naar de bijstandspopulatie –ggz-problematiek, verslaving, lvb, detentie – dan komt er best wel wat opgemeenten af, wat ook raakt aan ggz-zorg, verslavingszorg et cetera.Kunnen we daar nog iets aan doen? En moeten we gemeenten dan allevrijheid geven of bijvoorbeeld voor re-integratie – ik noem maar wat –Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 352, nr. 36947 middelen oormerken, om er zo iets meer sturing op te pakken? Ik benbenieuwd wat de Minister daarvan vindt.Tot slot, en daarmee rond ik af, ben ik benieuwd naar de visie van deMinister op het robuust maken van de sociale infrastructuur waar hij intweede termijn op terug zou komen. Dat hoor ik graag nog.Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel. Mevrouw Biekman, D66.Mevrouw Biekman (D66):Voorzitter, ook ik dank de Minister voor zijn beantwoording van de vragendie zijn gesteld door D66. Het doet me goed om de Minister metbetrekking tot de sociaal ontwikkelbedrijven en de verdeelsystematiek tehoren zeggen dat de uitwerking voor de zomer komt, en dat hij vanmening is dat die verdeelsystematiek eerlijker en beter moet. Zeker waarhet gaat om meer plekken, is er dan meer geld. Ik denk dat veel sociaalontwikkelbedrijven hier ook echt op zitten te wachten, zeker in de grote ende middelgrote steden. Daarnaast geeft de Minister aan dat hij opnieuwgaat kijken naar de banenafspraken. Dat juich ik toe. Alles om debanenafspraken te verbeteren. Maar ik wil u ook meegeven om niet hetwiel helemaal opnieuw uit te vinden, zodat we dan heel lang moetenwachten totdat er weer een nieuwe banenafspraak ligt. Volgens mij ligt ereen goede basis en moet er hier en daar worden bijgeschaafd.De voorzitter:Dank u wel. De heer De Beer, VVD.De heer De Beer (VVD):Voorzitter. Ik werd ook blij toen ik de Minister hoorde over zijn visie opparticipatie en over hoe hij kijkt naar mensen met talenten, passies endromen. Het gaat erom hoe wij die mensen in de gelegenheid stellen ommee te doen in de samenleving en specifiek op de arbeidsmarkt. Ik denkdat we daarom soms ook kritisch moeten zijn op onze eigen systemen.Hoe hebben we het allemaal ingericht en belemmert dat mensen somsniet om de stap naar werk te maken?Wat betreft de discussie over de zoektermijn voor jongeren van vierweken: het is ook een signaal voor gemeenten dat werk vooropstaat en dedienstverlening dus niet vier weken hoeft te wachten. Integendeel, je moeteigenlijk al aan de voorkant klaarstaan om jongeren zo snel mogelijk naarwerk te begeleiden in plaats van meteen in de modus van zorg te schietenen van uitkeringen in dit geval.Ik ben ook wel heel benieuwd naar het volgende. Ik kan eigenlijk hetantwoord wel raden, namelijk dat de Minister zal zeggen: dat komtallemaal in het bericht voor de zomer. Hoe brengen we de werkgeversmeer in positie aan de voorkant, in combinatie met het onderwijs?Laat ik nog één ding meegeven, en dat is dat we volgens mij niet zitten tewachten op weer heel specifieke regelingen per doelgroep. De Ministerverwees terecht naar het concept van de werkcentra, waarbij ervoor wordtgezorgd dat de dienstverlening op een herkenbare manier naar buiten toewordt georganiseerd met verschillende partijen.De voorzitter:Gaat u afronden?De heer De Beer (VVD):Ja. Ik heb ook meegemaakt dat we voor elk probleempje en voor elkedoelgroep weer afzonderlijke maatregelenpakketjes en subsidiestromengingen organiseren. Daar zitten wij in ieder geval niet op te wachten. Ikvraag de Minister om dat nog mee te nemen in zijn bericht voor de zomer.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 352, nr. 36948 De voorzitter:Mevrouw Van Brenk, 50PLUS.Mevrouw Van Brenk (50PLUS):Voorzitter, ik vind het belangrijk om ook succesverhalen te vertellen, wantdie zijn er ook. Bij de begroting vertelde ik al over Ramona die in haarrolstoel zit en een prima baan heeft gekregen bij Defensie. Dat is mooi. Ikdenk dat het ook goed is om even te vertellen over Hans Veldhuizen. Datis een broertje van mijn vriendin. Hij heeft via de sociale werkvoorzieningeen baan bij Remia gekregen. Daar heeft hij altijd met plezier gewerkt. Hijis nu met pensioen. Mensen in de Wajong mogen eerder met pensioen.Hij is van hetzelfde bouwjaar als ik, maar hij mag eerder, en terecht, wantzij leven in verhouding ook minder lang. Hij geniet van zijn pensioen enhet is goed dat mensen hoop krijgen om te weten dat er werkgevers zijnzoals Remia, die mensen een plek geven in hun gewone dagelijks leven.Dat is fantastisch en ik hoop dat dit een stimulans is voor anderewerkgevers.Dank, voorzitter.De voorzitter:Dank u wel. De heer Ceder, ChristenUnie.De heer Ceder (ChristenUnie):Voorzitter, dank u wel. Ik wil de Minister bedanken voor de beant-woording. Ik heb een aantal punten genoemd. Ik ben blij dat de Ministerdaar uitgebreid antwoord op heeft gegeven. Er zijn twee punten die ik ernog uit wil lichten. Ik ben blij dat er een tweeminutendebat is aange-vraagd over twee onderwerpen waar we het de afgelopen jaren overhebben gehad, maar waarop we niet doorpakken. Ik zou dit nu graag welwillen oppakken. Ik denk dat nu de tijd daarvoor is. Gezien het coalitieak-koord en de reacties van de Kamer denk ik dat de tijd er nu rijp voor is.Het gaat om twee dingen. Een betreft de chronisch zieken. Ik heb al eerderuitgelegd waarom ik dat belangrijk vind. Ik ben blij met het antwoord vande Minister, maar ik denk dat het toch tijd is om er snel voor te zorgen datwe die verplichtingen die niet leiden tot het gewenste resultaat voor dezespecifieke groep opheffen. Daar ga ik ook een voorstel voor doen, zoals ikheb aangekondigd.Het tweede punt is de koppeling tussen de Belastingdienst en degemeente. Ik denk dat dit een van de belangrijkste wissels is die wemoeten omzetten. Ik mis een beetje het fundamentele debat daarover. Hetis cynisch, maar als het kabinet zegt «die maatregel kost ons te veel geldomdat we bij niet-gebruik meer geld kwijt zijn», dan moeten we daar in deKamer een discussie over voeren. Die keuze moet het kabinet niet al aande voorkant maken. Misschien zijn er andere afwegingen om diekoppeling te maken als het te ingewikkeld is, maar dat horen we dan welgraag. Nogmaals, ik denk dat dit een van de grootste doorbraken is die wekunnen doorvoeren. Dat moeten we echt doen, want daarmee lossen weeen hoop op. Dit zijn twee voorstellen waarvan ik hoop dat we daar alsKamer in het tweeminutendebat een richtinggevende uitspraak overkunnen doen. Ik ben benieuwd naar de beantwoording van de Minister opdit tweede punt.Dank u wel.De voorzitter:De heer Ceulemans van JA21.De heer Ceulemans (JA21):Voorzitter, dank. Dank ook aan de Minister voor zijn beantwoording in deeerste termijn. Er is veel interessants de revue gepasseerd. Het is goed datTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 352, nr. 36949 er een tweeminutendebat is aangevraagd. Dat biedt ook de kans om watmoties in te dienen.Bij mij blijft aan het einde van een debat over de bijstand hangen hoemoeilijk het überhaupt wordt om bijstandsbeleid te ontwikkelen als we temaken hebben met zo’n grote toestroom van buiten in de bijstandsbe-standen. Ik heb het dan over statushouders. Een groot deel van de groeivan het bijstandsbestand komt daardoor. Maar dat geldt ook voor hetenorme aantal migranten dat in de bijstand zit. Ik realiseer me dat dat nietallemaal op het beleidsterrein van deze Minister ligt, maar onze inzet zaler in de komende jaren wel enorm op gericht zijn om dat zo veel mogelijkte beperken.Ik had nog een vraag openstaan, maar misschien heb ik het antwoordgemist en heeft de Minister het er wel over gehad. Mijn vraag ging overhet karakter van de taaleis. Dat is vormgegeven als een inspanningsver-plichting, maar het zou wat ons betreft meer moeten worden vormge-geven als een resultaatsverplichting. Als de Minister het erover heeftgehad, dan heb ik dat gemist. Maar anders heb ik graag dat hij daar nogeven op ingaat. Ik doel op de taaleis. Wij zouden liever een resultaatsver-plichting zien. Ik zie een blik van herkenning bij de Minister.De voorzitter:Ik kijk even naar de Minister. Wil hij nog een paar minuten schorsen? Tienminuutjes. Dan zijn we voor tien minuten geschorst.De vergadering wordt van 21.16 uur tot 21.24 uur geschorst.De voorzitter:Ik heropen de vergadering van de vaste Kamercommissie voor SocialeZaken en Werkgelegenheid. We zijn toe aan de tweede termijn van deMinister in dit debat over de Participatiewet. Ik geef hem het woord.Minister Aartsen:Voorzitter, dank. Ik dank de Kamerleden ervoor dat we vandaag over ditonderwerp kunnen spreken. Mevrouw Van Meetelen merkte op dat ik alsnieuwbakken Minister zeer veel brieven aankondig. Ik kan u zeggen datdat klopt. Ik mag nu al vier weken Minister zijn, waarvan ik ongeveer tweehele weken in dit Kamergebouw heb mogen doorbrengen. Ik hoop in dekomende tijd nog meer het land in te gaan en ook met allerlei concretewetsvoorstellen en veranderingen aan de slag te kunnen gaan. Die hoopik in die brieven met jullie te delen. Dan hoop ik op basis van die brievenverder met u het gesprek aan te gaan. Een van die dingen is de manierwaarop we ervoor zorgen dat mensen zo veel mogelijk aan het werk gaanof blijven. De heer Hamstra begon over het mensbeeld waarbij iedereenwat kan en iedereen meedoet. Hij vroeg specifiek naar gevallen waarbijmensen wel willen, maar niet kunnen of mensen niet kunnen, maar beterhun best moeten doen. Ik denk dat dat niet zo eenduidig te beantwoordenis. Ik denk dat daar echt een balans in zit.Ik zie het zo voor me dat je langs vier lijnen naar de brede re-integratie zoumoeten kijken. Welke ruimte kun je mensen bieden? Welke belemme-ringen moet je weghalen? Ik denk dat er nog te veel regelingen zijn dieonbedoeld een fuik zijn en er onbedoeld voor zorgen dat mensen vastblijven zitten in dat systeem. Mensen komen tegen regeltjes aan waardoorze de stap niet durven te zetten en er zitten dingen in de weg. Ik denk datje moet kijken hoe je met gerichte ondersteuning mensen een duwtje kangeven en van A naar B kan begeleiden. Ik denk dat er nog veel winst tebehalen is door dat slim te organiseren. Dat zag je gisteren ook weer bijde werkcentra. Dat zouden we op een net iets andere manier kunnendoen, die beter past bij mensen, met betere ondersteuning. Ik denk dat weals derde lijn moeten kijken naar hoe je werken meer kunt laten lonen inspecifieke situaties. Welke stappen moeten we daarvoor zetten? De laatsteTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 352, nr. 36950 lijn, die er ook bij hoort, is: welke prikkels of stok achter de deur heb jenodig in een aantal gevallen? Mevrouw Van Meetelen verwees daar ooknaar. Ik denk dat die vier elementen een goede lijn zouden kunnen zijn.Dan verklap ik waarschijnlijk al een deel van mijn beleidsbrief; wilt u datniet doorvertellen aan de rest van het kabinet? Dat zijn volgens mij delijnen die de kern vormen om mensen weer verder aan het werk te helpen.Dat staat een beetje in contrast met wat mevrouw Lahlah probeert teschetsen. Die probeert toch een soort spookbeelden te kleuren die nietbestaan. Ik heb de woorden «controle» of «sancties» nooit in de mondgenomen in mijn bijdragen, dus laten we in dit soort debatten geenspookbeelden optuigen die er niet zijn, zou ik zeggen. We doen heel veelom mensen te helpen. We trekken bijna 860 miljoen euro uit voor dere-integratie voor gemeenten en bijna 640 miljoen euro voor loonkosten-subsidie. Voor mensen met beschut werk of die werken op een socialewerkplaats, trekken we bijna 2,1 miljard euro uit. Dat zijn dus substantiëlebedragen, ook kijkende naar de rest van de rijksbegroting.We kijken op dit moment naar dat verdeelmodel, zeg ik in reactie opmevrouw Biekman. Dat is ook echt bedoeld om mensen te helpen diemeer plekken realiseren. Dat zit dus ook in de voorbeelden die mevrouwBiekman noemde. Als het gaat om de banenafspraak gaan we inderdaadniet opnieuw het wiel uitvinden. Tegelijkertijd wil je misschien juist ruimtebieden voor nieuwe elementen. Ik vond ook de voorbeelden die mevrouwVan Brenk noemde heel mooi. Daarmee kan je dus laten zien dat er voorwerkgevers ook enorme kansen liggen als we dit goed doen. Dan kunnendie wat dat betreft ook een goede rol vervullen. De heer De Beer zei er ookwat over dat we werkgevers veel meer in positie zouden moeten brengen.Heel eerlijk gezegd denk ik, als je mij diep in mijn hart kijkt, ook dat hetveel beter is om dat te doen: een soort – hoe noemen we dat? – onderne-merscultuur creëren waarbij het normaal is dat mensen voor wie hetleven niet vanzelf gaat of die de wind niet in de rug hebben gehad in hetleven, ook een plekje krijgen. In het verleden was het ook heel normaalom iemand bij wie het niet vanzelf ging, in het magazijn of op kantoorrond te hebben lopen om een handje te helpen. Ik zou er dus ook graagmet sociale partners over willen spreken welke kansen zij zien om dat veelregulierder terug te laten komen. De situaties die mevrouw Van Brenkschetst, zouden namelijk eigenlijk het nieuwe normaal moeten zijn, noglos van banenafspraken of wat dan ook.Mevrouw Van Brenk vroeg mij nog naar het quotumpercentage bij deoverheid. In 2024 betrof dat inderdaad 2,76%. Dat was dus correct.Daarvan is nu inderdaad 85% gerealiseerd door het Rijk.Mevrouw Van Brenk vroeg ook of we een nieuwe banenafspraak makenom de quotumregeling niet te activeren. Dat is niet het geval. We makennu vooral een nieuwe banenafspraak omdat er knelpunten zijn die moetenworden opgelost, namelijk uitgaan van ondersteuningsbehoeften en beteraansluiten bij het VN-Gehandicaptenverdrag. Zo, ik struikel steeds overmijn woorden; ik drink even een slok water. Ik probeer snel en op tijd klaarte zijn, voorzitter. Het kabinet heeft nog geen besluit genomen over hetactiveren van de quotumregeling, en het eenvoudiger en begrijpelijkermaken daarvan. Dat zal dus op een later moment volgen en uw kant opkomen. Er komt voor de zomer in ieder geval een brief over de banenaf-spraak.De heren Hamstra en De Beer vroegen mij eigenlijk twee verschillendedingen. Het ging om het afscheid nemen van specifieke regelingen. Deheer Hamstra vroeg of het niet verstandiger is om juist geoormerkteregelingen te hebben voor speciale zaken. Ik denk dat het onverstandig isom het te oormerken. Ik denk dat dat juist weer extra belemmeringenveroorzaakt en dat het veel beter is om te bekijken hoe we gemeentenkunnen ondersteunen als het complex wordt – wat kunnen we dan aankennisontwikkeling en -uitwisseling doen? – maar dat we voor de rest alshet gaat om de re-integratiemiddelen juist een pad op moeten waarop weTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 352, nr. 36951 gaan ontschotten en waarin het niet uitmaakt in welke regeling je zit en totwelke doelgroep je behoort, maar waarin er een breed scala aan onder-steuning mogelijk is waar je gebruik van kunt maken.De heer Ceder gaf iets aan over zijn initiatief voor chronisch zieken. Datsluit volgens mij aan op het deel van het antwoord dat ik aan het beginvan het debat gaf. Daar was de heer Ceder niet bij, maar we kennen deChristenUnie: zij horen het meestal goed via een soort buitenlijn, dus hijheeft dat antwoord vast meekregen. We vinden waarschijnlijk hetzelfde.Die ondersteuning kan ik ook zeker altijd gebruiken. Ik blijf er wel bij datwe even goed moeten kijken naar hoe je dat dan afbakent, want daarhebben we echt geen panklare oplossing voor, maar daar kom ik zeker opterug. Een aanmoediging mijner kant is altijd mogelijk.De heer Ceulemans vroeg mij naar de resultaatsverplichting. Dat zien weop dit moment niet zitten. Ik denk dat dat onnodige druk legt op deuitvoering bij gemeentes. Dan moet je dat gaan toetsen. Dan moet je datallemaal gaan inrichten. Laten we eerst eens zorgen dat de inspannings-verplichting op een goede manier wordt gehandhaafd en dat we ookkijken wat er nog aan verbeteringen mogelijk is in het inburgeringsstelsel.Als we ervoor zorgen dat dat inburgeringsstelsel veel meer gericht gaatzijn op werk, ben ik er namelijk van overtuigd dat werk gaat bijdragen aantaal, want uiteindelijk is de beste manier om de taal te leren die in debedrijfskantine of op de werkvloer met collega’s.De heer Ceder vroeg mij nog naar de proactieve dienstverlening. Ik vreesmet grote vreze dat dit antwoord hem, als kenner de afgelopen vijf jaar,niet gerust gaat stellen, maar ik ga toch een poging wagen. Hetwetsvoorstel Proactieve dienstverlening maakt het mogelijk om depolisadministratie die wordt uitgevoerd door het UWV te gebruiken. Diepolisadministratie wordt vervolgens uiteraard door de Belastingdienstgevuld. Gemeentes en SVB willen ook graag dat we gebruik kunnenmaken van vermogensgegevens van de Belastingdienst. Dat maakt ditwetsvoorstel niet mogelijk. Dat is erg ingewikkeld. Dat vergt dus in eenvolgende fase een eventuele extra wetswijziging met bijbehorendefinanciële consequenties. Ik stel voor dat we dit even wat beter uitdiscus-siëren in het debat over het wetsvoorstel Proactieve dienstverlening.De heer Ceder (ChristenUnie):Dank voor de uitleg. Dat via het UWV was mij bekend en ook dat het metbetrekking tot de vermogens via de Belastingdienst gaat. De Minister laatnet tussen de regels door doorschemeren dat het niet is opgenomen endat het nog verder uitgewerkt moet worden. Volgens mij is het gewooneen grondslag creëren, maar gaat het ook om de financiële conse-quenties. Klopt het dat een deel van de reden om dit niet op te nemen, isdat het kabinet bang is dat het te makkelijk koppelen van die gegevenservoor zorgt dat er te veel geld bij de juiste mensen komt en de Rijks-overheid daardoor meer geld kwijt is? Is dat een van de redenen waaromdit nu niet is opgenomen?Minister Aartsen:De heer Ceder overvraagt mij hier. Ik was zo naïef te denken dat ik hemmet dit antwoord gerust kon stellen. Ik ga hiervoor een oplossing zoeken.En daar komt die weer: ik ga u voorstellen om hierover volgende weekeven ... Nee, ik ga u voor de behandeling van dit wetsvoorstel even eenseparate brief sturen die specifiek hierover gaat en dan ga ik ook in op definanciële consequenties.De heer Ceder (ChristenUnie):Dat zie ik als een toezegging. Mijn vraag is of dat voor het tweeminuten-debat zou kunnen. Ik denk dat we dat pas over een paar weken hebben.Minister Aartsen:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 352, nr. 36952 Dat ligt eraan wanneer het tweeminutendebat is.De voorzitter:Dat weten we nooit van tevoren. Dat is aan Griffie plenair en hangt ook afvan de beschikbaarheid van de Minister.De heer Ceder (ChristenUnie):Dat weet ik ook niet, maar de vraag is wel om voor het tweeminutendebateen brief te sturen. Is dat een toezegging?Minister Aartsen:Ik denk dat de wetsbehandeling misschien sneller is dan het tweeminuten-debat, maar dat weet je natuurlijk nooit.De heer Ceder (ChristenUnie):O? Ja?De voorzitter:Het zou kunnen.De heer Ceder (ChristenUnie):Nou, dat mag ook, maar in ieder geval voor een van beide.Minister Aartsen:Ik ga het zo snel mogelijk doen.De heer Ceder (ChristenUnie):Dat noteer ik als een toezegging. Ik ben blij dat het punt ten aanzien vanchronisch zieken herkend wordt, maar ik zou graag willen weten welkeoplossingsrichting de Minister voor ogen heeft. Ik heb namelijk net in eendiscussie iets gewisseld over een apart regime of een ontheffing. Voorbeide valt wat te zeggen, maar er zitten ook nadelen aan beide opties. Ikben benieuwd welke afweging het ministerie gemaakt heeft. Ik wil graagsamen met de Kamer een richting geven, maar wel eentje die het kabinetook kan dragen. Mijn vraag is dus of u in ieder geval de oplossingsrich-tingen zou kunnen uitwerken. In de voortgangsbrief staat dat er verschil-lende richtingen zijn, maar ze worden niet uitgewerkt. Dat maakt het voormij lastig om de juiste optie te kiezen en u met de Kamer mogelijk eenopdracht mee te geven. Zou u ons daar voor het tweeminutendebat – er isnamelijk geen wetsvoorstel voor – in een separate brief over willenberichten?Minister Aartsen:Ik heb aan het begin van het debat al toegezegd dat ik voor de zomer meteen brief kom wat betreft die herziening en die afspraak uit het coalitieak-koord over wat we nu met die een derde groep uit de Participatiewetdoen. Ik ga kijken of we die brief voor het begin van de zomer kunnensturen. Dit vergt een politiek besluit van het kabinet. Ik heb daarover algezegd dat er een aantal belemmeringen zijn, dingen waar we echt overmoeten nadenken. Hoe baken je deze groep af? Hoe zorgen we ervoor dathet geen aanzuigende werking heeft, zoals we wel vaker zien bij de socialezekerheid? Wat vragen we vervolgens dan van die mensen? Hen helemaalniets laten doen, is wat mij betreft namelijk ook geen optie. Die drieelementen wil ik daarin opnemen. Ik vraag dus ook een klein beetjegeduld aan de heer Ceder. Ik kom echt voor de zomer met die brief. Ik zeinet ook al tegen mevrouw Lahlah dat we hier politiek gewoon een keergoed over moeten doorpraten, want dit loopt al enorm lang. Laat ons diekeuze maken, dan hoor ik vervolgens graag wat de Kamer daarvan vindt.Wij dienen ons daar als minderheidskabinet toe te verhouden. Volgens mijis het dus alleen maar heel goed als we daar een stevig politiek debat overTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 352, nr. 36953 voeren waarin we weten wat wel en wat niet aan de orde is. Maar danmoeten we eerst dat besluit nemen. Dat is wel van belang.De voorzitter:Oké. De Minister rondt zijn termijn af.Minister Aartsen:De heer Hamstra vroeg mij wat we doen om de sociale dienstverleningrobuuster te maken. Het is aan gemeenten om die inhoudelijke keuzes temaken, samen met de arbeidsmarktpartners. Het Rijk zorgt voor eenaantal voorwaarden. Een voorbeeld daarvan zijn de impulsbudgetten, dievrij besteedbaar zijn. Dat doen we dus ook zodat gemeenten zelf kunnenkijken hoe ze dat inrichten. Dat verschilt ook per gemeente: de ene doetdat in een gemeenschappelijke regeling, sommige houden dat in huis,sommige hebben het op afstand geplaatst en er zijn er een aantal die hethebben laten afbouwen. Dat verschilt echt per situatie. We hebben gezegddat die middelen echt bedoeld zijn om gemeenten daar zelf een afwegingin te laten maken. We houden daar samen met de VNG en Cedris dan ookzicht op. Zoals gezegd informeren wij u voor de zomer over de voortgang.Mevrouw Lahlah vroeg naar de verschillende toetsen. Als lid van hetkabinet ben ik erachter gekomen dat die toetsen een van de redenen zijndat wetgeving zo verschrikkelijk lang duurt: BZK heeft een Uitvoerbaar-heidstoets Decentrale Overheden gedaan, OCW heeft een gendertoetsgedaan – u kunt die, uit mijn hoofd, in hoofdstuk 9 van de memorie vantoelichting terugvinden – VWS heeft een aantal toetsen uitgevoerd,Financiën heeft een toets uitgevoerd in het kader van de financiëleconsequenties en JenV heeft een wetgevingstoets uitgevoerd. Al dezetoetsen hebben betrekking op de Participatiewet. Al deze departementenvoeren toetsen uit op de wet die SZW maakt. Dat is waarom al diewetgeving zo lang duurt. Ik kan u nog het hele tekstje uit de memorie vantoelichting voorlezen, maar dat zal ik u besparen. Ik zie hier staan dat u hetin hoofdstuk 9 terug kan vinden.De voorzitter:Was dat het?Minister Aartsen:Nee, voorzitter. We hebben nog de Wajong. Ik had mevrouw Van Brenknog een antwoord beloofd over mensen in de Wajong zonder arbeidsver-mogen. Zij kunnen op dit moment op basis van een experiment werkenmet loondispensatie. Voor hen gelden er dan ook andere rekenregels danvoor bijvoorbeeld mensen met arbeidsvermogen die werken metloondispensatie. De rekenregels kunnen op dit moment niet wordenaangepast, want daarvoor moet de wet worden aangepast. Deze mensenwerken dus op basis hiervan onder het experimentenartikel uit de Wajong.Uw Kamer wordt binnenkort per brief geïnformeerd over dit wetsexpe-riment. Dit wordt ook betrokken in de brief over de Wajong die wij u voorde zomer sturen.Volgens mij – ik kijk voor de zekerheid nog even – waren dit alle vragenvan uw Kamer.Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):Ik heb geen antwoord gekregen op de vraag die ik heb gesteld in detweede termijn. Ergens is dit dus een soort interruptie, maar ook eenpersoonlijk feit. De Minister refereerde namelijk aan een zogenaamdspookbeeld dat ik zou hebben opgeroepen, terwijl er in deze Kamer tochecht is gesproken over het korten op een uitkering wanneer je niet voldoetaan een taaleis. Ik hoef maar te verwijzen naar het rapport Onbenutpotentieel van de Rekenkamer. Daarin wordt ook iets gezegd over mensendie bang zijn om gestraft te worden als ze de taal niet leren en die zichTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 352, nr. 36954 daarom op een lager taalniveau inschrijven, maar dat terzijde. Mijn vraagging hierover: hoe reflecteert de Minister op termen als verantwoorde-lijkheid als het daarbij gaat om de eigen verantwoordelijkheid? Die termwordt namelijk wel genoemd als het gaat om de mensen in de bijstand ende inwoners zelf. Die term wordt ook genoemd als het gaat omgemeentes, terwijl die gewoon veel te weinig geld krijgen om hun taakgoed uit te kunnen voeren. Ik noem in het bijzonder de Oekraïners: eentaak zonder extra budget. Hoe reflecteert de Minister op het feit dat hijwoorden in de mond neemt als «eigen verantwoordelijkheid» maar nietkijkt naar zijn eigen verantwoordelijkheid op het moment dat dieverantwoordelijkheid niet wordt genomen?Minister Aartsen:Ik blijf afstand nemen van spookbeelden en woorden die ik niet hebuitgesproken. Mevrouw Lahlah refereert aan woorden die ik niet hebuitgesproken. Het ging over een situatie waarin er gekort wordt opgemeenten op het moment dat die zich niet houden aan de wet en deinterventieladder; dat was een interruptiedebat met de heer Ceulemans. Ikweet dus bijna honderd procent zeker dat controle, sancties en het kortenvan uitkeringen niet mijn woorden waren in dit debat, vandaar dat ikafstand neem van dergelijke spookbeelden. Ten aanzien van eigenverantwoordelijkheid: ik vind dat die past bij wat je van mensen magvragen. Iedereen heeft zijn eigen verantwoordelijkheid. Wij hebben alskabinet ook onze eigen verantwoordelijkheid; die nemen we dus ook. Zobekijken we bijvoorbeeld hoe je met die banenafspraken het een en anderkan doen.Ik ben het niet met mevrouw Lahlah eens dat gemeentes te weinig geldhebben. Ik heb net al iets genoemd over de hoeveelheid geld die aangemeentes wordt gegeven. Wij geven gemeenten een bedrag van860 miljoen voor het uitvoeren van de taak rond re-integratie. Ook is erbijna 640 miljoen euro beschikbaar voor loonkostensubsidie en 2,1 miljardeuro voor beschut werk. Ten aanzien van de Oekraïners zien wij juist dater zich een succesverhaal afspeelt. Als je het aantal Oekraïners namelijkafzet tegen het aantal statushouders dat in het reguliere asielsysteem zit,dan is dat een spectaculair verschil. Ik vind die Oekraïners dus juist eensuccesverhaal. Ik zou daar juist van willen leren als het gaat om deherijking van ons inburgeringsstelsel, want ons inburgeringsstelsel moeter echt voor gaan zorgen dat veel meer mensen die hier asiel aanvragenen een status ontvangen, aan het werk gaan in plaats van in de bijstandterechtkomen.De voorzitter:Tot slot, mevrouw Lahlah.Mevrouw Lahlah (GroenLinks-PvdA):Tot slot, nog één opmerking. U ontkent dus dat gemeenten geen extrabudget krijgen voor het helpen van Oekraïners richting werk vanuit debijstand? U zegt met uw inbreng dat gemeenten voldoende geld krijgenvoor re-integratie? Dat was namelijk mijn vraag. U kunt noemen watgemeenten nu krijgen, maar heeft u ook gesprekken met gemeentenwaarin zij aangeven «geen taken zonder knaken» te willen, maar dat ditwel common practice is?Minister Aartsen:Op dit moment zitten Oekraïense ontheemden niet in de bijstand. Diehebben nog geen toegang tot de Participatiewet.De voorzitter:Oké. Dat was de tweede termijn van de Minister.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 352, nr. 36955 Ik moet een aantal dingen voorlezen, namelijk de toezeggingen die zijngedaan. Ik begin met het feit dat mevrouw Lahlah een tweeminutendebatheeft aangevraagd. We gaan zien wanneer de plenaire Griffie, in overlegmet de bewindspersoon over de beschikbaarheid, tot een datum komt.Die zult u dan later horen.–In april stuurt de Minister samen met de Minister van Langdurige Zorgeen Kamerbrief die ingaat op jongeren in een kwetsbare positie.Dat was een toezegging aan de hele commissie volgens mij.–De Minister gaat in de brief die hij in april stuurt over de taaleis in opde vraag welke gemeenten de taaleis ook handhaven.Dat is een toezegging aan het lid Van Meetelen.–De Minister zal in de voortgangsbrief van de zomer ingaan op onderandere de nieuwe verdelingssystematiek, de praktijk, de route naarbeschut werk en regionale infrastructuur.–De Minister stuurt voorafgaand aan het tweeminutendebat over deParticipatiewet een brief aangaande gegevensuitwisseling met deBelastingdienst.Die brief zal voorafgaand aan de plenaire behandeling van hetwetsvoorstel komen als die eerder plaatsvindt dan het tweeminutendebat,denk ik. Maar goed, ik weet niet hoe het daarmee staat. Dat was eentoezegging aan het lid Ceder.–Dan is er nog een toezegging gedaan over de no-riskpolissen aan deheer De Beer over het meenemen van bepaalde informatie in een briefdie voor de zomer gestuurd wordt, maar die hebben we niet helemaalscherp.Minister Aartsen:Voorzitter, deze toezegging heb ik inderdaad gedaan, maar ik denk dat hetverstandig is dat wij even met de griffie schakelen. Minister Vijlbrief heeftvorige week ook een aantal toezeggingen gedaan, dus ik denk dat hetverstandig is dat wij even een totaaloverzicht maken voor de Kamer vanwat zij dit jaar van het kabinet kan verwachten. Volgens mij is het ookgebruikelijk dat we een soort wetgevingslijst maken, zodat u weet welkebeleidsbrieven u wanneer zult ontvangen. Ik denk dat dat helpt, want erstaan een hoop ambities in het coalitieakkoord. Dan weet u gewoonwanneer u wat zult ontvangen. Dat is misschien net zo makkelijk.De voorzitter:Dat is fijn.Minister Aartsen:Laten we dat zo afspreken.De voorzitter:Ja. Ik weet niet of dat bij SZW is gebeurd, maar op zich is zo’n plannings-brief al voor de strategische procedurevergadering gevraagd. Misschienmoet u dan een update sturen van die brief.Minister Aartsen:U krijgt een update.De voorzitter:Ja? Fijn. Dan zijn we aan het einde gekomen van dit commissiedebat.Dank aan de Minister, aan zijn ondersteuning en aan de leden, en zekeraan de mensen op de publieke tribune en iedereen die dit debat opafstand heeft gevolgd. Ik wens u nog een fijne avond.Sluiting 21.45 uur.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 34 352, nr. 36956

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 1bb3d543db5b8d72

14 okt 2026 · ddef8b68b9882007

Gerelateerde bronnen

  • Besproken tijdens · Officiële koppelingParticipatiewet
    Verslag van een commissiedebat, gehouden op 24 maart 2026, over de Participatiewet

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.