KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een wetgevingsoverleg, gehouden op 10 februari 2025, over Wetboek van Strafvordering (Boeken 5 en 6)

24 mrt 2025 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 511b1fe1c5951f5a · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202536 327Vaststelling van het nieuwe Wetboek vanStrafvordering (Wetboek van Strafvordering)Nr. 75 VERSLAG VAN EEN WETGEVINGSOVERLEGVastgesteld 24 maart 2025 De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid heeft op 10 februari 2025overleg gevoerd met de heer Struycken, Staatssecretaris Rechtsbe-scherming, over:–het wetsvoorstel Vaststelling van het nieuwe Wetboek vanStrafvordering (Wetboek van Strafvordering) (Kamerstuk36 327).Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijkverslag uit.De voorzitter van de commissie,PoolDe griffier van de commissie,Brood kst-36327-75ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 751 Voorzitter: Van NispenGriffier: PaauweAanwezig zijn vier leden der Kamer, te weten: Ellian, Koops, Mutluer enVan Nispen,en de heer Struycken, Staatssecretaris Rechtsbescherming,alsmede de heer Knigge, regeringscommissaris.Aanvang 14.03 uur.De voorzitter:Goedemiddag. Welkom terug bij de bespreking van het Wetboek vanStrafvordering in de vaste Kamercommissie voor Justitie en Veiligheid.Wederom heet ik de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, zijnondersteuning en de regeringscommissaris van harte welkom. Wijbespreken nu de Boeken 5 en 6. Ik geef daarvoor allereerst het woord aanmevrouw Mutluer. Zij spreekt namens GroenLinks-PvdA.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Dank, voorzitter. Ik ben natuurlijk uitermate geïnteresseerd in Boek 6, ooknaar aanleiding van een eerdere initiatiefnota over het slimmer straffenvan jeugdigen. Maar voordat ik op die punten inga, wil ik beginnen metBoek 5. Ik wil ook eerst graag een opmerking maken ten aanzien van denieuwe vormgeving van het hoger beroep. Volgens het voorstel gaat hetgerechtshof zich namelijk vooral buigen over de door de verdedigingingebrachte bezwaren tegen het vonnis in eerste aanleg. Ik snap dat, wantals je je tot de kern van het hoger beroep kunt beperken, voorkom jeonnodig lange zaken. Het kan dus goed uitpakken. Daarbij denk ik ook aande verdachte die bijgestaan wordt door een raadsman. Maar als deverdachte die niet heeft, dan bestaat het risico dat er geen adequatebezwaren worden geformuleerd, het vonnis in eerste aanleg nauwelijksnog aangevochten kan worden en het daardoor in stand wordt gelaten.Het hoger beroep strandt dan vanwege gebrek aan het vermogen van deverdachte om zich goed te kunnen verdedigen. Ik weet het: in de meestegevallen, zeker in hoger beroep, zal er een raadsman zijn. In het geval vaneen minderjarige of kwetsbare verdachte zal die aangewezen worden.Maar in het geval dat de verdachte zelf de verdediging wenst te voeren ofgeen recht heeft op gesubsidieerde rechtsbijstand en zelf geen advocaatkan betalen, kan hij zwakker komen te staan. Dan is de verdachteafhankelijk van het gerechtshof om ervoor te zorgen dat de verdachte deinformatie verstrekt die voor zijn verdediging nodig is.Voorzitter. Ik vind dat – daarom maak ik de volgende opmerking – datgewoon heel erg kwetsbaar wordt. Ik denk dat verplichte bijstand, ook inhoger beroep, eigenlijk voor iedereen het beste zou zijn. Wat zichdaartegen verzet, is dat het erop neerkomt dat de overheid dit vooriedereen zou moeten gaan betalen, denk ik. Mede vanwege die financiëleconsequenties komt die verplichting er niet. Ik wil eigenlijk aan deStaatssecretaris vragen of hij bereid is om de financiële consequentieshiervan goed in kaart te brengen. Wellicht kan hij daar nu al iets overzeggen, en zo niet, dan vraag ik hem of hij mij voor het plenaire debatschriftelijk kan informeren over wat de gevolgen kunnen zijn van eenverplichte rechtsbijstand in hoger beroep. Nogmaals, ik denk dat dat wijsen verstandig is. Ik wil de afweging van dit kabinet, zeker ook gelet op definanciën, goed snappen. Daarnaast zou er vanaf de invoering van hetnieuwe hoger beroep streng gemonitord moeten worden wat de gevolgenzijn voor de verdachte zonder raadsman. Ik wil de Staatssecretaris vragenhoe hij dat zelf ziet.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 752 Voorzitter. Dan heb ik een wat technischer punt. Misschien zit hier ook eenwat principiële kwestie onder. Ik heb het over het schrappen van demogelijkheid om in cassatie te gaan tegen veroordelingen op grond vandelicten die in verordeningen van gemeenten en provincies staan. Watvoor deze schrapping pleit, is dat er tot op heden nooit van dezemogelijkheid gebruik is gemaakt. Het komt nu ook niet in de systematiekvan de nieuwe wet te passen. Twee eerdere pogingen om dezemogelijkheid te schrappen zijn door de Kamer in het verleden metamendementen tegengehouden. Wat nu nieuw is, is dat er geen sprake isvan een kale schrapping. De prejudiciële toets komt nu als het ware in deplaats van deze cassatiemogelijkheid. De rechter kan de Hoge Raad danvragen stellen over de uitleg van een rechtsregel, ook als het gaat om eengemeentelijke verordening. Volgens mij kan dat wel van belang zijn, alshet gaat over de bescherming tegen niet toegelaten beperkingen vangrond- en mensenrechten, zoals de uitingsvrijheid, het demonstratierechtof het handhaven van de openbare orde. Ik denk dat dat best wel actueleonderwerpen zijn, waar je wel veel meer rekening mee moet gaanhouden. Daarom houd ik een pleidooi voor het in stand houden van diecassatiemogelijkheid. Om dat goed te kunnen inschatten, denk ik dat wenu al inzicht moeten kunnen hebben in hoe die prejudiciële toets daarvoorgebruikt gaat worden. Er is een pilot geweest in de Innovatiewet, maar eris nog weinig en beperkt ervaring opgedaan met die judiciële toets, zekerals het gaat over de uitleg van gemeentelijke verordeningen. Kortom, mijnvraag is of de regering kan uitleggen waarom de mogelijkheid tot hetstellen van een prejudiciële vraag een afdoend alternatief is voor hetschrappen van de cassatiemogelijkheid. Mijn vraag is ook wat cassatie inhet belang van de wet kan betekenen in het geval waarin er discussie isover een gemeentelijke verordening die bijvoorbeeld – ik noem maargelijk het meest actuele – het demonstratierecht te veel zou beperken. Datover Boek 5.Ik ga nu naar Boek 6, met uw permissie, voorzitter. Ik wil beginnen meteen voor mij zeer belangrijk onderwerp, namelijk jeugdigen die strafbarefeiten plegen. Ook al lijkt het qua aantal jeugdige criminelen beter te gaandan jaren geleden, het blijft een hardnekkig fenomeen dat voor groteproblemen zorgt voor de samenleving en met name de kinderen zelf, vanwie we weten dat hun brein tot hun 25ste in ontwikkeling is. Maar ik denkook met name aan kwetsbare jongeren in moeilijke buurten of opvoe-dingssituaties. Met het programma Preventie met Gezag probeert hetkabinet te voorkomen dat jongeren terechtkomen en vast blijven zitten ineen criminele carrière. Ik ben fan van Preventie met Gezag. Het is goed dathet wordt uitgebreid. Het is belangrijk dat we de zaken die goed gaan,landelijk gaan uitrollen.Maar het programma kan nog steeds niet voorkomen dat jongeren tochover de schreef gaan en strafbare feiten plegen. Dat vraagt in mijnbeleving om een reactie waarbij helaas strafvorderlijke procedures nodigzijn en jeugdstraffen in beeld komen. Bij jeugdstrafrecht zou het bestraffenvan de dader echter niet voorop moeten staan. Zeker als het gaat omjeugdigen is het streven een pedagogisch karakter met als doel kinderendie nog in ontwikkeling zijn bij te sturen en hen op het rechte pad tehouden en te brengen, en dat het jeugdstrafrecht zich juist van hetvolwassen strafrecht onderscheidt door het pedagogische uitgangspunt.Dat is weliswaar een uitgangspunt, maar zo is het niet verankerd in onzewet. Als je kijkt naar internationale verdragen, in dit geval het Internati-onaal Verdrag inzake de rechten van het kind, zie je dat dat onder anderebepaalt dat een verdacht kind een pedagogische benadering moet krijgen,waarbij rekening gehouden moet worden met de leeftijd van het kind enhet zo veel mogelijk buiten strafrechtelijke procedures moet wordengehouden. Het opsluiten van kinderen is dan alleen nodig als ultimumremedium, als laatste redmiddel als de daad, de persoonlijkheid van hetkind en de leeftijd daartoe noodzaken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 753 Voorzitter. Ik vind dat er meer gebruik moet worden gemaakt van dealternatieven voor straf om dat uitgangspunt kracht bij te zetten. Daaromheb ik samen met collega Van Nispen een amendement ingediend omherstelrecht voor minderjarigen te bevorderen en daarmee niet alleenrecidive te voorkomen, maar ook het leed te verminderen dat dit soortgedragingen veroorzaakt bij slachtoffers, waardoor herstelrecht dus meerdan nu het geval is als uitgangspunt wordt genomen in plaats van deterechtzitting en de vrijheidsstraf. Ik wil graag van de Staatssecretarishoren hoe hij hiernaar kijkt.Ik snap dat je niet alles met het herstelrecht kunt oplossen. Dat zou ik welwillen, maar zo zit de wereld niet in elkaar. Die sancties zullen altijd nodigzijn om jonge verdachten toch voor de rechter te laten verschijnen, maarals dat gebeurt, moet dat zo zorgvuldig mogelijk gebeuren, zeker als erzware straffen boven hun hoofd hangen. Nu staat er in Boek 6 een voormij nogal in het oog springende en verstrekkende wijziging. Die gaat eromdat de kinderrechter als alleenzittende rechter bevoegd wordt tot hetopleggen van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf tot zes maanden. Datis 6.1.17, lid 2. Hiermee lijkt het wettelijk mogelijk te worden dat dezerechter als straf bij 12-jarige tot en met 15-jarige verdachten jeugddetentieoplegt van een jaar, waarvan zes maanden voorwaardelijk, en bij16-jarigen tot en met 23-jarigen twee jaar, waarvan achttien maandenvoorwaardelijk. Ik vind dat best wel een stevige verzwaring ten opzichtevan de huidige mogelijkheden. Nu kan de kinderrechter geen langerevrijheidsstraf dan zes maanden opleggen in totaal, ongeacht of deze strafdeels of voorwaardelijk wordt opgelegd. Mijn vraag is waarom dit nodig isbij jeugdigen. Als het om dergelijk zware straffen gaat, zeker voorkinderen, dan zou ik liever zien dat er meer rechters naar kijken. Het is nietvoor niets zo dat een alleenzittende politierechter maximaal maar een jaarin totaal mag opleggen bij zaken voor volwassenen. Ik wil van debewindspersoon horen waarom hij dus anders besluit in deze kwestie,want anders overweeg ik in de grande finale, dus tijdens de plenairebehandeling, een amendement hierop in te dienen.De heer Ellian (VVD):Ik was aandachtig aan het luisteren. Is collega Mutluer nu klaar met hettoelichten van het amendement? Ik had daar namelijk nog wat vragenover. Oké, dat is het geval. Check! Ik heb het amendement voor me. Er valthier veel over te zeggen. Je kunt echt een fundamenteel debat voerenover de manier waarop je naar jeugdigen in het strafrecht zou moetenkijken, of nog specifieker: wil je überhaupt dat ze in het strafrechtterechtkomen of niet? Dat is misschien nog wel de betere vraag. Ik denkniet dat dit debat daar helemaal de juiste plek voor is, maar sta mij wel toeom het volgende op te merken. Die opmerking heb ik ook gemaakt naarcollega Lahlah. Ik ben in alle gevangenissen in Nederland geweest en ookin gevangenissen in Amerika en in Italië, maar ik heb me nergens zoonveilig gevoeld als in de jeugdgevangenis in Nederland. Empirischgezien zeg ik dat het verschilt van de omschrijving die ik vaak hoor vanGroenLinks-PvdA. Daarmee wil ik niet zeggen dat die omschrijving fout is,maar de types die ik daar zag, waren volgens mij niet de types waarmevrouw Mutluer het nu over heeft.Voorzitter. Dan nu het amendement. Dit is een amendement dat ook van ukomt, voorzitter. Wat me opvalt, is dat aan het Openbaar Ministerie en derechter vrij specifiek wordt voorgeschreven hoe te oordelen en hoe tevorderen. Dat valt me op, want dat is niet iets wat ik deze leden normaalzie doen. Sterker nog, normaal zijn deze leden vrij kritisch op anderecollega’s die er nu niet zijn, maar die beweren dat het OM iets zou moetendoen. Kunnen jullie daar een toelichting op geven? Waarom is hetamendement zo dwingend geformuleerd? Is er geen andere manier omherstelrecht een betere plek dan nu te geven in het Wetboek, maar danTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 754 wel een manier die ook weer niet zo dwingend is dat het een keiharduitgangspunt wordt? Ik ben benieuwd naar de antwoorden.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Laat ik vooropstellen dat ik eigenlijk heel blij ben met deze constructievebijdrage van mijn collega. We hebben weleens een discussie over hetherstelrecht. Ik weet dat collega Ellian daar anders naar kijkt. Hetuitgangspunt is dat we willen dat jeugdigen zo veel mogelijk slim eneffectief worden gestraft, zodat ze niet opnieuw de fout ingaan. Ik denk datcollega Ellian en ik elkaar daarin absoluut vinden. Het recidivegedrag inheftige jeugdgevangenissen – ik noem even Teylingereind, waar hij en ikzijn geweest – bedraagt 60%. Ik vind dat gewoon schrikbarend hoog en ikheb niet het idee dat de jeugdigen, ook gelet op de inspectierapporten,echt beter worden in die gevangenissen. Wij zijn dus aan het nadenkenover hoe we in ieder geval een deel van de jongeren op een andere wijzeop het rechte pad kunnen krijgen. Dan heb ik het niet over jongeren methele zware en ernstige delicten, zoals moord of zedendelicten. Herstel-recht kan een heel belangrijke rol daarin spelen. Wat we in ditamendement expliciet hebben gedaan, is in ieder geval de Raad voor deKinderbescherming een belangrijke rol geven om te onderzoeken of hetüberhaupt handig is om herstelrecht of mediation in te zetten en deofficier van justitie daaromtrent te adviseren.Ik had al het vermoeden dat de heer Ellian de nodige vragen zou hebbenover lid 3. In theorie kan ik het ook omdraaien. Als de ernst van het feit, depersoon van de verdachte of de omstandigheden waaronder het feit isbegaan, dat niet toelaten, dan leidt een geslaagde mediation of herstel-conferentie niet tot een bepaald voorwaardelijk sepot et cetera. Uitein-delijk is het nog steeds aan de rechter om die beslissing te nemen. Wewillen dus niks opleggen. Het enige wat we hebben trachten te doen, iseen mogelijkheid creëren om mediation of een herstelconferentie toe tepassen bij bepaalde typen delicten die zich daarvoor lenen. Ik durfnamelijk nu al te zeggen dat misschien niet alle misdrijven, moorden,doodslagen en zedendelicten zich daarvoor lenen. Soms ook wel, hè?Want ik kan me heel goed voorstellen – misschien wordt dit een heel langantwoord op de interruptie, voorzitter – dat ook nabestaanden het heel fijnvinden, ook in hun herstel, om met een verdachte, een dader, het gesprekte voeren. Die mogelijkheid moet er dus altijd zijn. Maar uiteindelijk is hetnog steeds aan de rechter om op basis van de uitkomsten van eenmediation een bepaalde afweging te maken. We hebben geprobeerd omdat op te schrijven. Als collega Ellian zegt dat we hem meekrijgen als wedit veranderen, ben ik samen met collega Van Nispen best bereid om tekijken hoe we dit amendement kunnen aanpassen.De heer Ellian (VVD):Hoewel ik alle waardering heb voor elke collega die tijd en moeite steektin een amendement, gebiedt de eerlijkheid mij om te zeggen dat om mijmee te krijgen ... Lid 1 is bijvoorbeeld al dwingend geformuleerd.Bovendien wordt de Raad voor de Kinderbescherming ineens geïntrodu-ceerd. Ik ben geen woordvoerder over jeugdigen, jeugdzorg en dat soortzaken, maar waarom de Raad voor de Kinderbescherming? De meestgeëigende partij zou hier de reclassering of jeugdreclassering zijn, zoalsook in de huidige werkwijze. Bijvoorbeeld bij toepassing van het adoles-centenstrafrecht moet de reclassering een advies geven. Maar dan lid 2:«De officier van justitie of de rechter onderzoekt ambtshalve» – dat is dusdwingend – «of een herstelconferentie mogelijk is.» Wat als het slachtofferniet wil? De positie van het slachtoffer of van nabestaanden moet altijddoorslaggevend zijn. Lid 3 verwonderde mij, want daarin wordt eigenlijkeen voorschrift aan het OM en de rechter gegeven. In lid 4 gaat het om«uitsluitend de vrijheidsbenemende sanctie, voorafgegaan door eenadvies van de Raad voor de Kinderbescherming». Als je het hebt overTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 755 majeure wijzigingen en techniek, zou dit ... Wat voorgesteld wordt – daaris dit wetgevingsoverleg voor – is echt geen klein amendement, zeg ikmaar even. Dit is echt fors. Ik sta hier dus niet meteen voor te springen. Ikkan me wél voorstellen dat je bij jeugdigen wil kijken naar een ander soortinterventie, maar ik weet niet of dit amendement de goede manier is.Jeugdigen kunnen overigens hele ernstige delicten plegen. Voor allewetenschappers die luisteren, zeg ik ook maar even dat de groepjeugdigen die explosieven aan deuren hangen, nog niet is meegenomenin alle WODC-onderzoeken, want dat is iets uit 2023 en 2024. Ik ben dusook wel benieuwd hoe die onderzoeken er over twee jaar uitzien.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Ik geloof hier wél in en ik weet ook dat ze hiermee in Scandinavië helegoede ervaringen hebben. Daar hebben ze herstelrecht echt in hetWetboek opgenomen als straf. Dat heeft geleid tot recidivecijfers van 20%.Het doel is uiteindelijk dat wij proberen om anders te kijken naar de wijzewaarop we jeugdigen straffen. Hun hersenen ontwikkelen zich tot hun25ste en zij kunnen dus inderdaad hele stomme keuzes maken in hunleven, mede gelet op de sociaaleconomische achterstanden diemeespelen; daarom hebben we de Preventie met Gezag-programma’s. Ikdenk dat het beter kan en wij denken dat mediation daar een belangrijkerol in kan spelen. Ook in internationale verdragen worden jeugdexperts,bij ons de Raad voor de Kinderbescherming, overigens gevraagd omadvies te geven, bijvoorbeeld bij voorlopige hechtenis. Daar hebben wedit amendement een beetje op gestoeld. Nogmaals, ik ben samen metcollega Van Nispen echt bereid om te kijken hoe we naar aanleiding vandit debat nog moeten sleutelen aan dit amendement, maar hetuitgangspunt is en blijft dat we effectiever en anders moeten straffen. Ditkan daar een bijdrage aan leveren, zonder op de stoel van de rechter tegaan zitten.De voorzitter:Een vraag nog van de heer Koops.De heer Koops (NSC):Nog steeds naar aanleiding van het amendement over herstelvoorzie-ningen. Ik kijk welwillend naar dit amendement, maar heb daarbij wel devraag aan mevrouw Mutluer hoe zij staat ten opzichte van het verhogenvan straffen in het jeugdstrafrecht voor de echt doodernstige gevallen. Ikprobeer hier twee dingen tegen elkaar af te zetten. Er is het geval waarineen minderjarige in de eerste plaats didactisch en pedagogisch moetworden aangepakt, bij het soort van delict dat zich daarvoor leent. Maar erzijn natuurlijk ook delicten die kunnen worden gepleegd door minderja-rigen waarbij een heel zware straf simpelweg op zijn plek is. Hetzelfdegeldt voor de toepassing van het adolescentenstrafrecht op meerderja-rigen. Je kan je voorstellen dat dit uitgebreider moet worden gemotiveerdomdat de didactische en de pedagogische doelen bij het straffen vanminderjarigen niet moeten doorwerken in de gevallen waarin gewoon ietsdoodernstigs gebeurt. Als ik dat allemaal afzet tegen het amendement, isde vraag om toe te lichten hoe die twee dingen zich tot elkaar verhouden.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Voor mij is nog hoger straffen, zoals ook in het regeerprogramma staat,niet de oplossing van het probleem. Sterker nog, ik denk dat dat meer eenprincipiële discussie is. Ik ben er geen groot voorstander van, ook gelet opde overvolle gevangenissen en alle inspectierapporten waarover ik het nethad die zeggen dat deze jongeren de jeugdgevangenis in gaan en erslechter uit gaan vanwege een beperkte capaciteit en weinig internemogelijkheden om ze zodanig op het rechte pad te krijgen dat ze daarnaniet meer de fout in gaan. We hebben inderdaad het volwassenenstraf-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 756 recht, dat overigens kan worden toegepast bij verdachten in de leeftijdvan 16 tot 18 jaar als het gaat om heel ernstige zaken. Detentie blijftmogelijk, maar ik denk dat hoger straffen niet het doel moet zijn. Ik denkook niet dat je daarmee standaard de samenleving veel beter en veiligermaakt. Geef ik daarmee een antwoord op de vraag?De heer Koops (NSC):Dat is een gedeeltelijk antwoord. Ik probeer voor mezelf op een rijtje tezetten hoe een eventueel steunen van dit amendement zich verhoudt toteen voornemen om wel degelijk zwaarder te straffen in voorkomendegevallen. Ik voeg daaraan toe dat ik de overtuiging heb dat dit in sommigegevallen echt op zijn plek is, dus om zwaarder te straffen dan nu mogelijkis.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Dat snap ik, bekeken vanuit NSC. Alleen gaan deze zaken over een andersoort delicten, die niet altijd zo ernstig zijn dat nog hogere straffen redelijkzijn. Eigenlijk gaat dit meer om het middengroepje, dat ongrijpbaar is enin mijn beleving dus ook vaker recidiveert. Daar zouden we mediation enherstelrecht eventueel beter op kunnen loslaten en toepassen.Voorzitter. Ik ga verder met mijn laatste punt: de voorlopige hechtenis vanminderjarigen. Ik blijf dus nog even bij dit onderwerp. Veel experts zijnmet mij van mening dat het voorarrest van jeugdige verdachten slechtsals uiterste maatregel en voor de kortst mogelijk passende duur magworden toegepast. Ook het OM en de reclassering onderstrepen hetbelang om het ultimum remedium als uitgangspunt uitdrukkelijk in de wetop te nemen als het gaat om de voorlopige hechtenis van jeugdigeverdachten. Dat geldt ook voor het ophouden voor verhoor en deinverzekeringstelling. Dit uitgangspunt staat wel in de memorie vantoelichting, maar waarom niet in de wet? Dat is mijn vraag.Ook is er het beleidsuitgangspunt «geen overnachting van een minder-jarige in een politiecel, tenzij». Waarom niet? Zeg ik het nou goed? Ik raakzelf in de war van mijn eigen tekst. U snapt ’m wel, hè? Volgens mij staat«geen overnachting van een minderjarige in een politiecel» er alsuitgangspunt, maar ook dat staat weer niet in de wet. Wel staat in hetwetsvoorstel dat het ophouden voor verhoor en de inverzekeringstellingvan een jeugdige verdachte op elke geschikte locatie ten uitvoer kunnenworden gelegd. Mijn vraag is of dat dan een garantie is dat een jeugdigeniet in een politiecel terechtkomt.Tot slot, voorzitter. Waarom zijn er geen jeugdspecifieke termijnen voorvoorlopige hechtenis? Waarom kunnen volgens het wetsvoorstel jeugdigeverdachten, net als volwassen verdachten, nog altijd zes dagen enachttien uur in een politiecel vastgehouden worden? In mijn beleving isdat namelijk niet in lijn met de VN-richtlijn daarvoor. Ik hoop op een goedeuitleg, want anders overweeg ik ook op dit punt een amendement bij hetplenaire debat.De voorzitter:Dank u wel. Dan gaan we nu eerst luisteren naar de heer Ellian, van deVVD.De heer Ellian (VVD):Een groot deel van het betoog van mevrouw Mutluer ging over jeugdigen.Als het gaat om de positie van jeugdigen, onderschrijf ik haar betoog niethelemaal. Daar debatteren we op allerlei momenten uitvoerig over.Overigens was in Zweden het veiligheidsgevoel van de mensen nog nooitzo slecht als nu, juist vanwege jeugdbendes. Je kunt er op een heleboelmanieren naar kijken. Ik hoor mevrouw Mutluer zeggen dat ze het overScandinavië had. Zweden valt daaronder.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 757 Ten aanzien van de jeugdigen heeft de VVD, om iedereen te verrassen,wel een amendement voorbereid. Als je succesvol wilt interveniëren bijjeugdigen, moet je in de regel – dat is een natuurlijk gegeven – wel eenpoging doen om de ouders erbij te betrekken. Sommigen zijn zelfs zovergegaan om te stellen dat de ouders een boete moeten kunnen krijgen,meen ik me te herinneren. Mijn fractie heeft het volgende voorstel. Devoorgestelde wetsbepaling, 6.1.43, lid 2, luidt aldus: de rechter kan demedebrenging van de ouder bevelen. Ik ga ervan uit dat daarmeeverwezen wordt naar de situatie dat de opgeroepen ouder niet op deterechtzitting verschijnt. Deze bepaling, lid 2, is geformuleerd als eenbevoegdheid van de rechter: hij kan de medebrenging of aanwezigheidvan de ouder bevelen, maar dat hoeft niet. In het geval van weigerachtigeouders, of ouders die niet bereikbaar zijn of in ieder geval weiniginspanningen verrichten om zich te vergewissen van de situatie waarinhun kind op dat moment verzeild is geraakt, stellen wij het volgende voor.We gaan niet voorschrijven wat de rechter wel moet doen, maar wijstellen de volgende toevoeging voor: «Indien de rechter geenmedebrenging van de ouder beveelt, wordt deze beslissing door derechter deugdelijk gemotiveerd.» Vergeeft u mij meteen als het woord«deugdelijk» niet past in de wetssystematiek. Ik weet niet of ik dat woordeerder heb gezien, maar dat gaat de regeringscommissaris mij strakswaarschijnlijk haarfijn vertellen. De gedachte achter dit amendement isdat je in de wet vastlegt dat medebrenging het uitgangspunt zou moetenzijn als een ouder opgeroepen wordt maar niet komt en dat de rechter, alshij besluit dat hij in een bepaald geval, vanwege een aantal omstandig-heden en argumenten, een dergelijk bevel niet geboden acht, dat duidelijkmoet motiveren. Dat is de gedachte erachter.Daar zet ik een punt, want ik zag vanuit mijn ooghoek een beweging bijmevrouw Mutluer.De voorzitter:Ik had de punt niet gehoord, maar bij dezen. Mevrouw Mutluer.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Ik probeer het te begrijpen. In het verleden werden er volgens mij inRotterdam boetes uitgedeeld aan ouders als hun jongere of jeugdigekinderen bepaalde delicten pleegden. Toen werd Rotterdam teruggeflotendoor de rechter. Ik probeer het te snappen. Ik denk dat de rol van deouders zeker heel belangrijk is. We weten van jeugdige delinquenten datze soms ouders hebben met een licht verstandelijke beperking of dat zebijvoorbeeld alleen een moeder hebben en dus uit een eenoudergezinkomen. Dat laten de cijfers zien. Hoe moet ik dit amendement nou lezen?Ik heb het overigens nog niet gezien. Ik weet niet of het al ingediend is?Ja, begrijp ik, maar ik heb het niet voor me nu. Hoe moet ik dat nou lezen?De heer Ellian (VVD):Volgens mij is het een algemeen aanvaard uitgangspunt dat de rol van deouders vrij cruciaal is bij enerzijds het op het rechte pad houden vankinderen en anderzijds het uit de penarie helpen of op het rechte padbrengen van kinderen. Dat lijkt me niet ter discussie te staan. Wat je nuziet – dat hoeft geen punt te zijn – is dat de ene rechter wat meer genegenzal zijn om medebrenging te bevelen dan de andere rechter. Wij zeggendat het, door deze formulering te introduceren, nog steeds aan de rechteris ... Het lijkt ons namelijk wat kras om te verplichten dat een ouder altijdter zitting aanwezig moet zijn. Dat had natuurlijk ook gekund, maar webegrijpen dat de uitvoeringsconsequenties daarvan echt huge zijn en ookvrij principieel. Maar goed, dat zou hier nog wel passen in dit debat. Wedachten dus: dan doen we het met de formulering «indien de rechter geenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 758 medebrenging beveelt, dan moet dat wel deugdelijk» – ik weet niet of«deugdelijk» het goede woord is – maar in ieder geval «goed gemotiveerdzijn».Daarmee willen we tot uitdrukking brengen dat het een nadere motiveringvraagt als je het als rechter niet nodig vindt dat de ouders aanwezig zijn.Dat betekent niet dat die ouders vervolgens de consequenties van dekinderen hoeven te dragen, helemaal niet. Ik denk overigens dat datindirect, in de kern, wel zo zal zijn. In ieder geval zorg je er daarmee welvoor dat de ouder er is en ook ten volle ondergaat wat daar ter terecht-zitting gebeurt. Ik denk dat dat juist bij jeugdigen superessentieel is. Dat isde gedachte van het amendement. Als de rechter het niet nodig vindt, danis het natuurlijk nog steeds aan de rechter.Overigens – tot slot, voorzitter – denk ik dat het bij een heleboel minderja-rigen heel belangrijk is dat de ouder erbij is, juist ook in het licht van debescherming van de positie van de minderjarige. Stel dat in specifiekegevallen de ouders niet te vinden zijn of er sprake is van een eenouder-gezin. Volgens mij hoeft het niet zo gedetailleerd in de wet te wordengeregeld, omdat de term «ouder» natuurlijk ook een familierechtelijkebetekenis heeft. Maar even heel simpel: als feitelijk een van de ouders tevinden is en het redelijkerwijs mogelijk is, dan moet een van die oudersop de zitting aanwezig zijn, tenzij de rechter gemotiveerd zegt dat dat niethoeft.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Nogmaals, ik ben er een groot voorstander van dat ouders van jeugdigedelinquenten worden betrokken, maar ik vraag me oprecht af of het nu inde praktijk een heel groot probleem is dat ouders er niet bij zijn. Ik vraagme ook af wat de sanctie is op het moment dat ouders, ondanks hetverzoek dat ze naar de zitting moeten komen, er niet zijn. Ik ben dus op ditmoment op zoek naar het nut en de noodzaak voor een dergelijkamendement. Kijk, als er een heel groot probleem is in de praktijk, dansnap ik het. Misschien kan de Staatssecretaris daar zijn licht op latenschijnen. Dus «ja» wat betreft het uitgangspunt, maar «twijfel» voor watbetreft de noodzaak.De voorzitter:Meneer Ellian, u kunt continueren.De heer Ellian (VVD):Wat betreft de sanctie: het is een bevel tot medebrenging van de rechter;je wordt dan dus opgehaald. Dat lijkt mij de logische consequentie.Voorzitter. Dan een ander amendement. Ik denk dat de regeringscommis-saris mij de oren gaat wassen, zoals collega Sneller zei, maar dat gaan wezo meemaken. Het amendement gaat om het fenomeen van de klaag-schriften. Ik zat het vanochtend nog eens goed voor te bereiden. Ik moethet even goed uitleggen. In de oorspronkelijke, eerste versie van ditwetsvoorstel – dat is ook alweer jaren geleden – was de mogelijkheid nietopgenomen dat het doen van een klaagschrift openstaat in situatieswaarin erover wordt geklaagd dat gegevens zijn overgebracht ofbijvoorbeeld zijn gevorderd. In de definitieve versie, die nu uiteraard inonze Kamer voorligt, staat dat wel, namelijk in artikel 6.4.5: «Belangheb-benden kunnen zich beklagen over: a. het overnemen van gegevens enhet bevelen gegevens te verstrekken, met het oog op teruggave ofvernietiging van die gegevens». Dat staat ook in de huidige wet, in artikel552a van het Wetboek van Strafvordering. Wij vonden het juist een bestwel een goed idee om die bepaling wat terug te schroeven. Een groot deelvan artikel 552a is overgenomen. Wij waren juist wel enthousiast over deeerste consultatieversie, waarin de bepaling die specifiek ziet op hetklaagschrift ten aanzien van gegevens wordt geschrapt, omdat dat eenwerklastbesparing gaat opleveren. Je kunt je ook afvragen hoe zinnig hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 759 is om te klagen over die gegevens als een telefoon toch al doorzochtwordt. We hebben vorige week en de week daarvoor best uitvoeriggesproken over de doorzoeking van telefoons.Voorzitter. Toen ik de eerste versie, de definitieve versie en de antwoordenbij de nota naar aanleiding van de verslagen las, zag ik dat er door deregering niet echt een principieel en inhoudelijk punt werd gemaakt, maarmeer een uitvoeringspunt. Er stond: we denken dat het een werklastver-mindering oplevert, maar we weten dat niet zeker, dus we hebben er maarvoor gekozen om de mogelijkheid tot klagen hierover toch op te nemen. Ikbedoel dit helemaal niet badinerend. Toen dacht ik: elke besparing die jekunt realiseren... De regeringscommissaris zei al: de beperkte capaciteit isnu eenmaal een gegeven waar we ons toe hebben te verhouden.Toen dacht ik: laat ik toch een poging doen om het wetsvoorstel terug tebrengen in lijn met de oorspronkelijke versie. Het is wat technischematerie, maar wat ons betreft is een klaagschrift, het zich kunnenbeklagen over bijvoorbeeld het overnemen van gegevens, niet nodig. Totzover over het amendement. Ik ben natuurlijk heel benieuwd hoe hetkabinet dit gaat appreciëren. Ik sta uiteraard open voor suggesties. Degedachte erachter is echt een werklastvermindering. Bij zo’n klaagschriftschrijft het Wetboek een specifieke procedure voor. Er moet informatieworden ingewonnen door het Openbaar Ministerie bij de politie. Kortom,elk klaagschrift dat je kunt voorkomen is er een.Dat was het van mijn kant, voorzitter.De voorzitter:Dank u wel. Dan gaan we naar de heer Koops van NSC.De heer Koops (NSC):Dank u wel, meneer de voorzitter. Met uw welnemen draai ik even devolgorde om van de bespreking van de twee Boeken. Dat doe ik omdat devertegenwoordigers van de VVD en PvdA-GroenLinks zojuist allebei zijningegaan op de toepassing van het jeugdstrafrecht. Ik zal niet zeggen datik het amusant vind, maar ik vind het wel passend als ik daar als midden-partij iets over ga zeggen.Laat ik vooropstellen dat ik inderdaad vrij genuanceerd sta tegenover hetstandpunt over hoe met jeugdigen moet worden omgegaan. Ik hechteraan om één specifiek ding te benadrukken, namelijk dat het Verdraginzake de rechten van het kind voorschrijft dat voorlopige hechtenis envrijheidsbeneming echt tot de uitzonderlijkste gevallen beperkt moetenworden. Dat is één kant. Aan de andere kant gaan er geluiden op om destraffen te verhogen die aan jeugdigen kunnen worden opgelegd. Ik moetbekennen dat ik beide uitgangspunten hartstikke goed begrijp. Er zijnsituaties in de huidige samenleving waarin de straffen die aan eenjeugdige kunnen worden opgelegd, zo laag zijn dat ze geen recht doenaan de gevoelens van de slachtoffers of aan het gevoel van rechtvaar-diging in de maatschappij. Ik zie het vooralsnog als volgt. Hetamendement-Mutluer, dat zojuist werd toegelicht, verhoudt zich heel goedtot de voorstellen om de straffen te verzwaren. Bij die opmerking wil ikblijven als het gaat om Boek 6.Inhoudelijk heb ik meer tijd besteed aan Boek 5. Ik zal uitleggen waarom.Ik moet eventjes mijn aantekeningen erbij zoeken. Neem de volgendesituatie. Een verdachte die iemand heeft mishandeld, moet voor depolitierechter verschijnen. Hij komt daar zonder advocaat, want hij weetniet hoe hij een toevoeging moet aanvragen en hij heeft weinig geld. Hijwordt daar veroordeeld omdat hij zich onhandig uitdrukt en niet preciesde juiste toon aanslaat bij de rechter. Hij gaat in hoger beroep. Dat moethij binnen twee weken beslissen. Hij is nog helemaal ontdaan enondersteboven van de straf die hem zojuist is opgelegd, omdat hijovertuigd is van zijn onschuld. Althans, hij heeft het niet zo erg gedaan alsde rechter heeft geoordeeld. Hij gaat dus onmiddellijk in hoger beroep,Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7510 want daar heeft hij geen keuze in. Hij dient geen appelschriftuur in. In hethoger beroep komt hij wederom bij een enkelvoudige rechter. Laten weeven voor het gemak zeggen dat het de politieraadsheer is. Dat durf ikeigenlijk niet te zeggen met de regeringscommissaris erbij, maar ik doelop een enkelvoudig oordelende rechter. Die kijkt wat er in eerste aanleg isgebeurd. Dat doet hij tamelijk afstandelijk. Hij kijkt naar wat dezeveroordeelde mishandelaar in de zitting tijdens het hoger beroep naarvoren brengt. De goede man heeft immers nog steeds geen advocaat. Dierechter in hoger beroep, die raadsheer, kijkt dan of de bezwaren die naarvoren zijn gebracht, aanleiding zijn om er toch anders over te denken alsje kijkt naar het vonnis in eerste aanleg. Dat betekent – ik kom aan heteinde van mijn voorbeeld – dat de toetsing die in hoger beroep gebeurtvan hetgeen in eerste aanleg is gebeurd, minder fundamenteel is dan opdit moment.De manier waarop dat tot uitdrukking komt in het Wetboek is niet met hetwoord «grievenstelsel» maar met de woorden «voortbouwend appel». Demanier waarop het voortbouwend appel nu is vormgegeven in de wethoudt in, als ik het goed zie, dat de raadsheer in hoger beroep eigenlijkvooral kijkt naar de bezwaren die door de verdachte naar voren zijngebracht en niet meer kijkt, uit zichzelf, naar hoe de rechter in eersteaanleg tot zijn vonnis gekomen is. Ik zeg niet «veroordeling» maar«vonnis». Dat is dus een groot verschil ten opzichte van de situatie nu,waarin kan worden bevestigd wat in eerste aanleg is gebeurd en waarinde rechter dus in alle gevallen in hoger beroep de beslissingen voor zijnrekening neemt; zélf voor zijn rekening neemt, ten goede en ten kwade.Hij of zij of het college is degene die de verantwoordelijkheid neemt voorde straf die is opgelegd of de vrijspraak die is gevolgd. Ik heb er grotemoeite mee dat er afbreuk wordt gedaan aan dat systeem, het systeemwaarin de rechter in hoger beroep zelf de verantwoordelijkheid neemtvoor de inhoud van de rechterlijke uitspraak waarmee een straf wordtopgelegd.Ik heb goed gekeken naar de memorie van toelichting en vooral ook naarde nota’s naar aanleiding van het verslag, die inzichtelijk maken hoe er inhet verleden een enorme discussie heeft bestaan, afgerond en al, over datgrievenstelsel, dat het Openbaar Ministerie graag wilde, maar waar dustoch van af is gezien zodat we het hier moeten hebben over het behan-delen van bezwaren, met een soort van ambtshalve bevoegdheid voor derechter in hoger beroep om verder te gaan kijken.Ik ga hier praten vanuit het verlangen dat rechters zichzelf controleren endat ze daartoe ook worden genoodzaakt, en dat dus in de hele keten vanrechter eerste aanleg, rechter hoger beroep en Hoge Raad die rechtersecht fundamenteel de beslissing voor hun rekening nemen waarbijiemand wordt veroordeeld tot een straf maar ook met alle mogelijkeandere gevolgen van dien.Tegen deze algemene inleiding begin ik dan in de eerste plaats over determijn waarbinnen hoger beroep moet worden ingesteld. Die termijnzoals nu opgenomen in het Wetboek bedraagt twee weken. Dan moet ervervolgens binnen twee weken een appelschriftuur worden ingedienddoor de officier van justitie. Verdachte hoeft dit niet maar mag het wel.Maar kern is dat de verdachte binnen twee weken zijn beslissing moetnemen om al dan niet in hoger beroep te gaan. Ik leg de Kamer en hetkabinet voor dat heel veel beslissingen die genomen worden doorstrafrechters een forse teleurstelling opleveren voor een van beidepartijen, hetzij de officier van justitie, hetzij de verdachte wiens vrijspraakdan wel lagere straf is betoogd. Dat element van teleurstelling houdt indat naar het vonnis in eerste aanleg heel kritisch wordt gekeken maar ookheel verontwaardigd, heel gefrustreerd, heel geëmotioneerd, om datwoord te gebruiken.Als ik zou moeten praten voor mezelf in de tijd dat ik nog strafadvocaatwas – die tijd ligt niet ver achter mij – herinner ik mij dat er mankementenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7511 in een vonnis zaten; tenminste, ik vond dat die erin zaten, wat daar ookmaar van zij. Daar was ik dan gefrustreerd over en dan adviseerde ik mijncliënt: ga in hoger beroep, want deze rechter in eerste aanleg heeft hetvolgens mij niet goed begrepen. Dat zei ik dan – ik neem expres mijzelf alsvoorbeeld in plaats van voormalige confrères aan te wijzen – terwijl ik ookhet vonnis even terzijde had kunnen leggen. Je kunt dan als het ware hetstof even laten neerdalen en even wat anders gaan doen en pas daarnakijken wat er in dat vonnis staat. Op die manier kun je zeggen «nou, dierechter zag het misschien beter dan ik», of «daar valt ook iets voor tezeggen» en vervolgens aan de verdachte het advies geven «tel jeknopen.» Want appelleren is riskeren, zoals ze zeggen. Hiermee intro-duceer ik dus mijn voornemen om de termijn in de wet aan te passen vantwee weken naar maar liefst drie maanden. Dat is een langere termijn omhoger beroep in te stellen. Natuurlijk is de vraag daarbij hoe de regering,het kabinet, ertegen aankijkt als ik dat voorstel daadwerkelijk doe. Dat doeik bij wijze van amendement, dat ik natuurlijk tijdig aan de collega’sverstrek.Ik verwacht dat het verlengen van de termijn van twee weken naar driemaanden als gevolg heeft dat er veel minder vaak hoger beroep wordtingesteld, omdat de emoties veel meer zijn afgekoeld, en dat de beslissingveel zakelijker wordt genomen. Ik wijs er ook meteen op dat die termijnvan drie maanden voldoende is om een nieuwe advocaat of, zo u wilt,second opinion te vinden voor dat hoger beroep. Ik heb het dus overiemand anders, die kan zeggen: meneer, dit is een uitstekend vonnis; ikzou niet in hoger beroep gaan. Kortom, je hebt een langere termijn omiemand met een frisse blik naar het vonnis te laten kijken voordat hetbesluit wordt genomen om in hoger beroep te gaan.Ik wil hier ook aan toevoegen dat het instellen van hoger beroep eenwilsbesluit is. Ik weet heel goed dat de wet erin voorziet dat een hogerberoep later altijd weer kan worden ingetrokken; dat gebeurt ook metenige regelmaat. Maar dan vind ik ook dat we niet moeten onderschattenwat het emotionele is aan het instellen van een hoger beroep, namelijkhet zelf verlengen van de ellende van de procedure waarin je zit. Op hetmoment dat je het wilsbesluit genomen hebt om die ellende voort tezetten, kom je daar nou eenmaal niet zo heel gemakkelijk meer van terug.Het besluit is eenmaal gevallen en dan ga je gewoon door. Dat is ook eenreden om te zeggen: laat nou eerst het stof neerdalen voordat je iemandertoe dwingt om de beslissing te nemen om hoger beroep in te stellen.Daar voeg ik ook aan toe dat ik op dit moment helemaal geen vertragingvoorzie als gevolg van het verlengen van die termijn. Ik zet dat gewoon aftegen de twee jaar die nu gemiddeld aan de orde is op het moment dateen hoger beroep gaat dienen. Daar zijn andere termijnen bepalend vooren niet die twee weken dan wel drie maanden voor het instellen vanhoger beroep.Ik ga in één moeite door. Bij het instellen van hoger beroep, de toetsingvan de rechter in hoger beroep, ligt het in de rede om een advocaat dieverantwoordelijk is voor dat hoger beroep, een appelschriftuur te latenopstellen. Ik bedoel dat je de verantwoordelijkheid voor het concipiërenvan de grieven neerlegt bij de advocaat die het hoger beroep zal gaanbehandelen en die verantwoordelijkheid niet neerlegt bij de man diegefrustreerd heeft gezien hoe al zijn prachtige verweren een voor eenongemotiveerd verworpen zijn, om het zo eens te zeggen. Dat is namelijkniet de meest geschikte persoon om een besluit te nemen over het hogerberoep. Dit alles als toelichting op de vraag hoe het kabinet staattegenover het verlengen van de termijn voor het instellen van hogerberoep van twee weken naar drie maanden.Dan kom ik op mijn tweede onderwerp in dezelfde voege: de unus, deraadsheer die rechtspreekt in een enkelvoudige kamer. De toelichting isglashelder: de strafrechtspleging is overmatig en gewoon verstopt. Erzitten efficiencyredenen achter het uitgangspunt dat een rechter enkel-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7512 voudig rechtspreekt in hoger beroep als dat in eerste aanleg ook isgebeurd. Ik vind dat daarbij voor de verdachte de bevoegdheid ontbreektom te verzoeken om een verwijzing naar de meervoudige kamer. In hetvoorliggende voorstel is het zo geregeld dat de enkelvoudige raadsheerzelf kan zeggen: dit is te ingewikkeld voor mij; ik vind dat dit door eenmeervoudige kamer moet worden behandeld. Ik zou graag zien dat deverdachte kan verzoeken om het te laten behandelen door demeervoudige kamer. Dat heeft als eerste consequentie dat hij zich, als hijzo’n verzoek niet doet, impliciet nadrukkelijk neerlegt bij het feit dat hetenkelvoudig zou worden afgedaan in hoger beroep.Het heeft er ook mee te maken dat het de verdachte is, dan wel de officiervan justitie, die complexiteiten van de zaak beter kan verwoorden bij destart van de zitting dan de raadsheer in hoger beroep. Immers, deverdachte en de officier van justitie hebben het in de eerste aanleg zelf algedaan. Die kunnen dus zeggen: gelet op het vonnis dat er nu geweest is,lijkt het me wel handig dat het meervoudig wordt behandeld, al is het ineerste aanleg enkelvoudig behandeld. De vraag is dus hoe het kabinetaankijkt tegen het introduceren van een verwijzingsbevoegdheid naar demeervoudige kamer op verzoek van de verdachte.Hiermee samenhangend en nog steeds op het punt van de rechtsbe-scherming, want daar gaat het mij hier echt om. Dat is een ding dat mijzorgen baart. Ik heb het lid Mutluer zojuist gehoord over de mogelijkheidvan een verplichte procesvertegenwoordiging in hoger beroep, zoals dieal bestaat bij het beroep in cassatie bij de Hoge Raad. Ik hecht er heel ergaan dat het echt maar zelden voorkomt dat een verdachte geen raadsmanheeft in hoger beroep en daar dus in z’n eentje aankomt. Ik zie wel in dewet staan dat de rechter moet compenseren als iemand geen raadsmanheeft. Ik zie ook in de wet en in jurisprudentie staan dat er wel evengecheckt moet worden waarom iemand geen advocaat heeft, of diepersoon echt z’n eigen verdediging wil doen of dat er een praktischereden ten grondslag lag aan het alleen verschijnen. Bijvoorbeeld dat diede ingang bij de Raad voor Rechtsbijstand niet goed kent, ik noem maarwat.Hoe kijkt het kabinet ertegen aan om alsnog onderzoek te doen naar hetaantal gevallen waarin er geen advocaat in hoger beroep was, terwijl hetarrest op tegenspraak werd gewezen? Dat is een belangrijke toevoeging,dus niet bij verstek. Hoe kijkt het kabinet ertegen aan om die verplichteprocesvertegenwoordiging in te voeren, aangezien het nu eenmaal zo isdat bijna niemand in z’n eentje in hoger beroep gaat en er ontzettend veelbelang wordt gehecht aan de te formuleren bezwaren tegen het vonnis ineerste aanleg? Ten aanzien van het voortbouwend appel is alles wat iklees: iemand moet de kans krijgen om z’n bezwaren tegen het vonnisgoed te formuleren, maar hij moet dat dan ook echt dóén, want het zijndie bezwaren die worden beoordeeld, en de rechter neemt dus niet langerhet vonnis in eerste aanleg voor zijn rekening.Tegen die achtergrond vraag ik het kabinet om een standpunt in te nemenover het alsnog introduceren van een verplichte procesvertegenwoor-diging in hoger beroep. We moeten ons niet laten afleiden door de situatiewaarin een verdachte geen advocaat wíl in hoger beroep. Het gaat om aldie gevallen waarin iemand toevallig geen advocaat hééft in hoger beroepen dus alleen verschijnt.Meneer de voorzitter, tot slot. Eerder is hier al aan de orde geweest dat jeafstand kan doen van het instellen van hoger beroep en dat de rechter deverplichting zou kunnen krijgen in het Wetboek om de verdachte erop tewijzen wat de consequenties daarvan zijn. Als je eenmaal afstand hebtgedaan van hoger beroep, dan kan je daarop niet weer terugkomen. Dat iseenrichtingsverkeer. Dan is het gewoon klaar. Ik heb gezien dat deregering het prima vindt om dat in te voeren en dat vind ik geweldig vande regering. Het is een goed idee. Heel fijn dat ze dat zo overnemen,Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7513 wederom indachtig de toegang tot de rechter en de rechtsbeschermingvan in dit geval de verdachte.Dit zijn vooralsnog mijn commentaren.De heer Ellian (VVD):Op het punt van de verplichte procesvertegenwoordiging in hoger beroepheb ik nog een vraag. Onze strafvordering kenmerkt zich al heel lang doorde afwezigheid van een verplichte procesvertegenwoordiging, integenstelling tot bijvoorbeeld bepaalde rechtsgebieden in het civielerecht. In het appel in civiel recht heb je sowieso een advocaat nodig.Waarom in het strafproces geen verplichte procesvertegenwoordiging inde wet noodzakelijk is, hebben onze voorgangers lang geleden uitgedis-cussieerd en beargumenteerd. Ik vraag mij het volgende af. Ik hoor datcollega Koops broedt op een amendement, afhankelijk van het antwoordvan de regering. Ik beluister dat collega Koops verplichte procesvertegen-woordiging in ieder geval in hoger beroep mogelijk zou willen maken.Maar daar zit natuurlijk ook een kostencomponent aan. Dat is ééncomponent. Ik ben benieuwd hoe collega Koops zich daarvan rekenschapheeft gegeven.Punt twee is dat de korte doorlooptijden die de strafvordering kent, ooknog weleens een uitdaging kunnen zijn. Iemand die geen advocaat heeft,moet dan immers een advocaat krijgen, die moet beschikbaar zijn, deRaad voor Rechtsbijstand... Er komen, kortom, nog heel veel uitvoerings-vragen hierachter weg. Ik ben benieuwd of collega Koops zich ookdaarvan rekenschap heeft gegeven.De heer Koops (NSC):Dat zijn hartstikke goede vragen, met name de vraag over de extra kostendie ermee gemoeid zouden zijn als je procesvertegenwoordiging verplichtstelt. Nou heb ik zelf het idee dat het niet heel veel extra kosten met zichmeebrengt, omdat de meeste verdachten al een advocaat hebben inhoger beroep, bijvoorbeeld omdat ze voorlopig gehecht zijn. Dan is detoegang makkelijker. Ik stel me ook voor dat de inzet van een verplichteprocesvertegenwoordiging simpelweg leidt tot minder hoger beroepen endus een kostenbesparing, al is die moeilijk te kwantificeren voor iemandin mijn positie. Maar het is daadwerkelijk de bedoeling dat er minderhoger beroepen komen, namelijk alleen in die gevallen waarin iemand vrijobjectief kan zeggen «wat er in eerste aanleg is gebeurd, klopt gewoonecht niet», welke kant dan ook op. Niettemin is het onderwerp kosten weldegelijk van belang bij het geheel. Dat kan ik als volgt formuleren tot eenaanvullende vraag aan het kabinet: heeft het kabinet niet beter dan ikzelfde kosten van verplichte procesvertegenwoordiging in hoger beroep in desmiezen en, als dat zo is, wat behelzen die kosten dan? De vraag over dekorte doorlooptijden ben ik even kwijt.De heer Ellian (VVD):Strafvordering kent natuurlijk hele strikte termijnen voor hoger beroep.Die kent collega Koops beter dan ik. Die zijn er ook voor het indienen vande appelschriftuur en de gronden van het appel. Maar als iemand – latenwe gemakshalve uitgaan van een veroordeelde – geen advocaat heeft,moet die een advocaat krijgen toegewezen in die korte termijn. Dieadvocaat zal ook het dossier moeten kunnen bestuderen alvorensfatsoenlijk een appelschriftuur te kunnen maken. Daar komt dus best watbij kijken. Ik vraag me af of dat überhaupt past binnen de termijnen diestrafvordering kent.De heer Koops (NSC):Ik neem één stapje terug. De reden om hier überhaupt over te beginnen isdat ik erg opzie tegen de situatie dat, onder de grote tijdsdruk die ligt opde hele strafrechtketen, een enkelvoudig rechtsprekende rechter in eersteTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7514 aanleg een verdachte zonder rechtsbijstand veroordeelt, en dat dehogerberoepsrechter, wederom zonder dat er sprake is van rechtsbijstand,niet zozeer dat vonnis voor zijn rekening neemt, maar alleen deverwerping van de bezwaren die worden aangevoerd tegen dat vonnis.Dan blijft die toetsing als geheel ondermaats. Dat baart mij zorgen.Daarom begin ik over verplichte procesvertegenwoordiging. Ik kan ookzomaar bedenken dat je kiest voor verplichte procesvertegenwoordigingwanneer er in eerste aanleg geen advocaat was. Dan is er in ieder geval ineen van beide instanties sprake van rechtsbijstand en vindt het niet geheelzonder die rechtsbijstand plaats, specifiek gelet op het voortbouwendappel dat hier wordt uitgebreid, waar ik op zichzelf heel veel voor vindpleiten, maar dus niet zonder dat er ergens een raadsman een keertje zijnding doet. Dat is een antwoord.De voorzitter:Dan zoek ik een voorzitter. Bij voorkeur is dat niet iemand die van plan omallemaal moeilijke vragen te gaan stellen aan de volgende spreker, wantdat is gewoon niet praktisch.De heer Ellian (VVD):Dat weten we van tevoren niet, natuurlijk.De voorzitter:Nee, dat weet je niet, dus het is een beetje een gok. Naar wie kan ikkijken? De heer Ellian.Voorzitter: EllianDe voorzitter:En anders ga ik toch gewoon die moeilijke vragen stellen, hoor. Dan geefik graag het woord aan collega Van Nispen namens de SocialistischePartij.De heer Van Nispen (SP):Dank u wel. Ik zal dit niet opvatten als een vrijbrief om allemaal lelijkedingen over de VVD te gaan zeggen; dat is niet handig.Dan zijn we nu alweer bij de rechtsmiddelen en de bijzondere regelingenaanbeland. Dat is ook cruciaal, want als er een veroordeling is, of juistniet, wat kun je daar dan tegen ondernemen? Boek 5 gaat over dierechtsmiddelen.Ook ik wil graag aandacht vragen voor de positie van de verdachte bij hethoger beroep, zeker als deze geen advocaat heeft. Dat sluit eigenlijk aanop het laatste punt van de heer Koops. Die regel wordt inderdaad dat hetonderzoek van het hof zich in beginsel beperkt tot de bezwaren die tegenhet vonnis worden ingebracht. Dat betekent dus meer verantwoorde-lijkheid voor de verdediging om alle relevante punten naar voren tebrengen. De rol van de rechter wordt dus minder actief in hoger beroep.Ook de NOvA heeft hiervoor gewaarschuwd. Hoe weegt de regering dezerisico’s? Graag een reactie.Enkelvoudige zaken worden in de toekomst in beginsel ook in hogerberoep enkelvoudig afgedaan. Unusrechtspraak, door één rechter dus,wordt de hoofdregel. Maar dat wil niet altijd zeggen dat het eenvoudigezaken zijn. Met name zaken voor de kinderrechter of de politierechter zijnjuridisch of bewijstechnisch gezien niet altijd eenvoudig van aard. Deadvocatuur vindt dit geen goed idee en noemt dit verschraling van derechtspleging. Als aan dit voorstel wordt vastgehouden, stelt deadvocatuur voor dat er een verzoekrecht komt voor de verdachte om dezaak te verwijzen naar een meervoudige kamer, op welk verzoek gemoti-veerd beslist moet worden. De heer Koops stelde dit volgens mij ook voor.Ook de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak staat afwijzendTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7515 tegenover dit voorstel van de hoofdregel naar enkelvoudige rechtspraakin hoger beroep, juist omdat de eerste jaren na de introductie van hetnieuwe Wetboek sprake zou kunnen zijn van een toename van het aantalrechtsvragen en een toename van combinaties van juridische problemen.Die vragen mogelijk om brede en grondige overdenkingen enevenwichtige oplossingen, waarvoor nu juist de meervoudige kamer is,aldus de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak.Kortom, ook ik wil hier de vraag opwerpen hoe verstandig het nou is omde meervoudige berechting in hoger beroep te verminderen. Is dit wel ofniet verantwoord? Ik heb van tevoren overwogen om hier eenamendement over in te dienen, maar ik heb besloten om eerst te kijkennaar het draagvlak in dit debat en naar de andere vragen die erover zijngesteld. Nu ik dit zo heb gehoord, gaat het ook een beetje om destapeling, van: hoe zit het nou met de rechtsbescherming en hogerberoep, als er dus sprake is van een beperktere toetsing, als er dus sprakeis van enkelvoudige afdoening en dan mogelijk ook nog eens zonderadvocaat? En dan hoor ik van de heer Koops ook nog eens dat er binnenveertien dagen moet worden besloten om in hoger beroep te gaan. Datalles samengenomen maakt dat ik denk dat we hier iets mee moeten.Maar ik heb zelf niet de wijsheid in pacht om voor te schrijven – het is ookniet verstandig als ik dat ga proberen – hoe dat dan precies is. Laten wede vraag dus inderdaad bij de regering neerleggen.Ik heb wel nog twee technische ... Ik weet niet of dat zo is, maar ik heb inieder geval nog twee vragen over dit punt. Het oordeel of de zaak wel ofniet eenvoudig genoeg is, is aan de raadsheer die zitting heeft in deenkelvoudige kamer. Ontstaan hierdoor niet allerlei verschillen tussenrechtbanken of zelfs binnen rechtbanken? Want wat de een eenvoudigvindt, vindt de ander misschien niet eenvoudig genoeg om door éénrechter af te doen. Ziet de Staatssecretaris dergelijke verschillen alsproblematisch?Dan heb ik nog een wetstechnische vraag. De artikelen 5.4.43 en 5.4.44vind ik niet logisch na elkaar lezen, in alle bescheidenheid. Het kan ookaan mijn leesvaardigheden liggen. Ik zou willen vragen om hier nog eensgoed naar te kijken, want volgens mij staat er twee keer hetzelfde,namelijk de hoofdregel dat een zaak van eenvoudige aard die in eersteaanleg is behandeld door een enkelvoudige kamer, ook in hoger beroepdoor een enkelvoudige kamer kan worden behandeld. Mogelijk zit erverschil in, maar volgens mij moeten we niet twee keer hetzelfdeopschrijven. Het verzoek is dus om daar nog eens goed naar te kijken.Voor de regeling voor de herziening ten voordele heeft mijn fractie altijdbijzondere belangstelling gehad, vooral met het oog op bepaalde justitiëledwalingen in het verleden, waarbij grote fouten zijn gemaakt door politie,OM en rechters, geruchtmakende zaken die ook diepgravend onderzochtzijn, vastgestelde dwalingen. Mijn fractie heeft in het verleden herhaal-delijk bepleit dat de regeling voor de herziening ten voordele van deverdachte zou moeten worden uitgebreid, bijvoorbeeld met het novumcri-terium. Maar nu lees ik artikel 5.8.1, lid 1, sub c, en dat komt mij dan zeerbekend voor. Volgens mij is dit nog steeds hetzelfde strakke criterium,namelijk dat er sprake moet zijn van een gegeven dat bij het onderzoek opde terechtzitting bij de rechter niet bekend was en dat met de veroordelingniet bestaanbaar schijnt, zodanig dat het ernstige vermoeden ontstaat datals dit gegeven bekend zou zijn geweest, het zou hebben geleid tot eenvrijspraak. Het is een hele mond vol, maar dat is het novumcriterium zoalshet er was en zoals het er volgens mij nu ook weer is. Klopt het dat deregering ervoor heeft gekozen om de regeling uit het huidige Wetboek vanStrafvordering inhoudelijk nagenoeg ongewijzigd te laten? Waarom isdaarvoor gekozen? Waarom nou niet meer ruimte om fouten van rechterste kunnen herstellen?Dan kom ik op Boek 6, bijzondere regelingen. Allereerst heb ik nog eenvraag. Ten tijde van de schriftelijke behandeling kon nog geen antwoordTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7516 worden gegeven op onze vraag hoe vaak de maximale sanctie door dealleenzittende kinderrechter de afgelopen jaren is opgelegd. Wij vroegendit omdat de kinderrechter voortaan hogere straffen mag opleggen:6.1.17, lid 2. Dan is de vraag volgens mij wel gerechtvaardigd hoe vaak derechter nu al als het ware aanbotst tegen dat maximum. Is die informatieinmiddels beschikbaar?Het Openbaar Ministerie, de Vereniging van Nederlandse Jeugdrechtad-vocaten en Reclassering Nederland deden de aanbeveling om de duur vanhet ophouden voor verhoor van een jeugdige verdachte te begrenzen totmaximaal zes uur in plaats van negen uur. Ook adviseren de jeugdrecht-advocaten om expliciet in de wet te regelen dat de inverzekeringstellingvan jeugdige verdachten een uiterste maatregel moet zijn, zoals mevrouwMutluer al zei. Kan vanuit de regering worden uitgelegd hoe zij hiernaarkijkt? Volgens mij zijn deze adviezen niet overgenomen. Dan ben iknatuurlijk zeer benieuwd waarom niet, want het klinkt mij als erg redelijken verstandig in de oren.Dan kom ik bij het onderscheid tussen de aangehouden jeugdigeverdachte en de niet-aangehouden jeugdige verdachte als het gaat om hetrecht op kosteloze consultatie- en verhoorbijstand door een advocaat.Volgens de jeugdrechtadvocaten is dit in strijd met een EU-richtlijn. Ditstandpunt wordt gesteund in de rechtspraak. Daarom heeft ook deniet-aangehouden jeugdige verdachte in de praktijk recht op kostelozerechtsbijstand bij het politieverhoor. Maar als ik het goed begrijp, is ditrecht nog niet opgenomen in de voorgestelde regeling. Klopt dit? Zou hetdan niet verstandig zijn om dit wel te doen? Is er een reden om dit wel ofniet aan te vullen? Graag een reactie.Dan heb ik nog een punt over de mogelijkheid om prejudiciële vragen testellen in het strafrechtproces. Hierdoor kan de feitenrechter op kortetermijn antwoord krijgen van de Hoge Raad, als dat nodig is om in eenvoorliggende zaak de juiste beslissing te nemen. Hier ben ik positief over.Wij deden deze oproep namelijk al in 2014, met de motie-Dijkhoff/VanNispen. Het doel, die snelle duidelijkheid, kan alleen worden behaald alsde prejudiciële vraag voortvarend wordt beantwoord. Toch is er niet voorgekozen om hier een maximale termijn aan te stellen. Dat begrijp ikergens ook wel, want geen zaak is hetzelfde. Maar nu hebben wehelemaal geen maximum. Ik wil vandaag vragen hoe verstandig dat danis. De orde van advocaten bepleit bijvoorbeeld een termijn van maximaalzes maanden voor een antwoord. Ik weet niet zeker of dat realistisch is,maar ik snap het idee ergens wel. Er loopt nu ook nog een pilot, maarkomen de resultaten hiervan op tijd om deze bijvoorbeeld nog in deaanvullingswet te verwerken?Ik kom bijna bij «tot slot». Ik constateer dat paragraaf 1.5 in Boek 6gereserveerd is voor regels over vervolging van bewindspersonen enKamerleden voor ambtsdelicten, omdat dit breder herzien wordt, opadvies van de commissie-Fokkens. Ik vind het goed dat hier een plekjevoor wordt overgehouden, maar waarom duurt het zo verschrikkelijklang? Zonder te overdrijven is het inmiddels tien jaar geleden – ik putweer een beetje uit de historie – dat ik in de commissie-Schouten zat enonderzoek moest doen naar het lek bij de commissie-stiekem. Dat was in2015. Het was een onmogelijke opdracht. Toen bleek maar weer eens datde Kamer met de huidige regeling eigenlijk niet goed uit de voeten kan.Toen is de commissie-Fokkens gevraagd. Die heeft grondig werk gedaan.Er ligt inmiddels een conceptwet. Maar wanneer kunnen we nu echtvoortgang verwachten? Hoe de regels nu luiden, is eigenlijk niet meer vandeze tijd.Dan kom ik helemaal tot slot bij het amendement dat ik samen metmevrouw Mutluer heb ingediend, over het herstelrecht voor jeugdigen. Ikvind dat uitstekend toegelicht. Ik denk dat ik daar nog maar één ding aantoe te voegen heb. Ik begrijp echt wel de vragen als: ja, maar er zijn tochook hele zware criminelen? Jazeker, daarom is dit ook niet voor alleTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7517 gevallen verplicht voorgeschreven. Ik begrijp ook de vraag: is nou niet ergdwingend voorgeschreven hoe het Openbaar Ministerie en rechters inbepaalde zaken dienen te oordelen? Die vraag snap ik ook. Maar volgensmij is het antwoord tweeledig. Ik geef een aanvulling op wat mevrouwMutluer hierover zei. Allereerst is het een soort stapeling. Het begint metlid 1: er wordt onderzocht of er gronden zijn om prioriteit te geven aan deinzet van mediation. Vervolgens is er ook het idee dat je ambtshalve wilonderzoeken of er een reden voor is. Als er dan een reden is voormediation of een herstelrechtvoorziening, dan moet er wel een goedereden zijn om ook alsnog over te gaan tot het opleggen van een gevange-nisstraf. Dat moet dan ook worden gemotiveerd. Rechtsstatelijk geziendeugt het volgens mij in die zin in ieder geval meer dan bepaaldevoorstellen van partijen die weleens langskomen om de bevoegdheid vande rechter dusdanig in te perken, dat er bijvoorbeeld in het geheel geentaakstraf meer mag worden opgelegd voor bepaalde feiten. Dat zijnvolgens mij de echte inperkingen. In vergelijking daarmee valt dit nog welmee. Ik denk dat het net kan. Maar we zeiden net al tegen elkaar dat weervoor openstaan. Als het beter kan worden, als het beter moet worden,dan staan we daarvoor open en gaan we daar absoluut toe over.Helemaal tot slot zou ik dan nog het volgende tegen de heer Koops willenzeggen. Ik snap zijn standpunt. Hij zegt: volgens mij kan het naast elkaarbestaan. We kunnen de allerernstigste strafbare feiten inderdaad zwaarderstraffen, als je daar al voor bent – die wetten gaan we natuurlijk afzon-derlijk bespreken – maar we kunnen toch ook kijken hoe je een herstel-rechtvoorziening vaker kunt toepassen, hoe je dat kunt stimuleren. Datnog even ten overvloede.Dat was het, voorzitter.De voorzitter:Dan laat ik die opmerking over het taakstrafverbod maar voor wat die is,collega Van Nispen. Maar u maakt zich wel schuldig aan hetzelfde, hoor.Maar dat bespreken we wel in de tweede termijn. Ik geef het voorzitter-schap weer aan collega Van Nispen.Voorzitter: Van NispenDe voorzitter:Wij geven de Staatssecretaris enige tijd om de beantwoording goed voorte bereiden. Mijn voorstel is om te schorsen tot 16.00 uur. Mij is detoezegging gedaan dat de antwoorden dan ook beknopter worden en udan ook niet veel vervolgvragen meer nodig heeft. Goed, we laten het bij16.00 uur.De vergadering wordt van 15.12 uur tot 16.01 uur geschorst.De voorzitter:Welkom terug bij het wetgevingsoverleg van de vaste Kamercommissievoor Justitie en Veiligheid over Boeken 5 en 6 van het Wetboek vanStrafvordering. We zijn toegekomen aan de eerste termijn van deStaatssecretaris. Die geef ik daartoe graag het woord.Staatssecretaris Struycken:Voorzitter. Ik zal de vragen in drie blokken beantwoorden. Het eerstebetreft Boek 5. Het tweede betreft Boek 6, maar in het bijzonder jeugd.Dan zijn er nog een drietal vragen over andere onderwerpen uit Boek 6.Ik begin met Boek 5. Als eerste heb ik de vraag van mevrouw Mutluer ende heer Van Nispen over de gevolgen van het nieuwe proces in hogerberoep, met name voor verdachten zonder rechtsbijstand. De ledenvragen aandacht voor de nieuwe vormgeving en de verantwoordelijkheidvan een verdachte om alle relevante punten naar voren te brengen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7518 Allereerst, het voortbouwend appel is niet nieuw, maar is al in 2007ingevoerd. Het nieuwe Wetboek bouwt hierop voort in artikel 5.4.19. Hetvoortbouwend appel houdt in dat de appelrechter bij de behandeling vanhet hoger beroep in beginsel kan uitgaan van het onderzoek van derechter in eerste aanleg. Hij hoeft de zaak niet over te doen, maar kan zichvooral richten op de bezwaren van het Openbaar Ministerie en deverdachte tegen het vonnis in eerste aanleg. De appelrechter behoudt welde mogelijkheid om de onbestreden onderdelen van het vonnis zelf aande orde te stellen en te toetsen. De verdachte die hoger beroep heeftingesteld, kan via een schriftuur maar ook mondeling op de terechtzittingbezwaren opgeven. Dit is bijvoorbeeld van belang als hij niet wordtbijgestaan door een raadsman. Van de verdachte zonder raadsman wordtgeen juridisch onderbouwd betoog verwacht. Verdachten die procederenzonder bijstand van een raadsman zijn veelal goed in staat in eigenwoorden aan te geven waarom zij hoger beroep hebben aangetekend enwaarom zij het niet eens zijn met de beslissingen die de rechtbank in dezaak heeft genomen. Bij een verdachte zonder rechtsbijstand is hetgerechtshof nog meer alert op de mogelijkheid dat de verdedigings-rechten kunnen worden uitgeoefend en zal het tijdens de behandeling vaneen zaak bijzondere aandacht schenken aan het gesprek met de verdachte.De rol van de rechter is dan dus juist actiever. Dit kan bijvoorbeeldbetekenen dat het gerechtshof op de terechtzitting doorvraagt als deverdachte geen bezwaren opgeeft of deze niet duidelijk toelicht, en dat hetinformatie verstrekt die de verdachte voor zijn verdediging behoeft. Dit isvan groot belang tegen de achtergrond van het recht op een eerlijkproces, dat ook de rechter in appel zal sturen in de mate waarin hij zichactief opstelt. Het is dus niet anders qua resultaat waar het de verantwoor-delijkheid betreft die de rechter neemt voor de uitspraak. Wat wél andersis, is het beslismodel. Maar dat zou geen wezenlijke nieuwe materiëlegevolgen moeten hebben voor het proces in hoger beroep.Als u het op prijs stelt om meer toelichting op het beslismodel te krijgen ...De voorzitter:Mevrouw Mutluer, heeft u nu al een vraag?Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Ja, want ik probeer het te volgen. Het mag iets concreter. Volgens mij was... Maar als u dat gaat doen, wacht ik even.Staatssecretaris Struycken:Ik heb getracht concreet te maken dat de nieuwe vormgeving van hetproces in appel, met inbegrip van het nieuwe beslismodel, naar onzeinschatting geen gevolgen zal hebben voor de verdachte zonder rechtsbij-stand.Mevrouw Mutluer vroeg ook naar het monitoren van de gevolgen. Er zijntwee wijzen voorzien voor het monitoren. Dat zijn de bekende wijzen: deevaluatie en de invoeringstoets. De gevolgen van de nieuwe procedurevan hoger beroep kunnen worden meegenomen in de evaluatie van hetWetboek. Dat gebeurt, zoals gebruikelijk, binnen vijf jaar na inwerking-treding. Maar de invoeringstoets vindt plaats na één jaar en na drie jaar.Naar onze inschatting kan de procedure in hoger beroep het beste na driejaar worden meegenomen in de invoeringstoets, omdat binnen één jaarna inwerkingtreding mogelijk nog onvoldoende gegevens beschikbaarzijn.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Ik heb een motie gemaakt om dit na één jaar toch mee te nemen. Dusmochten we met een amendement komen dat het niet haalt, zou ik willenvragen om dan eventueel via een invoeringstoets te monitoren hoe denieuwe regels voor het hoger beroep ingaan. Ik overweeg, gelet op wat ikTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7519 nu heb gehoord, om wat wijzigingen door te voeren. Dat meld ik nu dusmaar even.Staatssecretaris Struycken:Dan kom ik op de verplichte rechtsbijstand in hoger beroep. De regelingenin het Wetboek van Strafvordering en de Wet op de rechtsbijstandwaarborgen dat verdachten ook in hoger beroep in de meeste gevallenvan rechtsbijstand kunnen worden voorzien. Onder verplichte rechtsbij-stand in hoger beroep versta ik dat voor alle verdachten in aanwijzing vaneen raadsman wordt voorzien, dus niet alleen voor verdachten voor wienu al op grond van de wet een raadsman wordt aangewezen; kortom,gesubsidieerde rechtsbijstand die voor elke verdachte kosteloos zou zijn.Het hoeft geen betoog dat dit kostbaar zou zijn. Mevrouw Mutluer en deheer Ellian wezen hier ook al op. Niet uitgesloten kan worden dat het voorelke verdachte kosteloos beschikbaar stellen van gesubsidieerderechtsbijstand een aanzuigende werking heeft op het aantal keren dathoger beroep wordt ingesteld. Het zorgvuldig in kaart brengen van definanciële consequenties van verplichte rechtsbijstand in hoger beroepvergt nader onderzoek en tijd. Ik kan niet toezeggen dat ik uw Kamerhierover kan informeren voorafgaand aan de plenaire behandeling. Maarin het wetgevingsoverleg over Boek 2 heb ik toegezegd uw Kamer in hetderde kwartaal van dit jaar te informeren over een geactualiseerdoverzicht betreffende de effecten van het nieuwe Wetboek op de gesubsi-dieerde rechtsbijstand. Ik kan verplichte rechtsbijstand in hoger beroepdaarbij betrekken.De voorzitter:Ik zie sommige leden knikken, inclusief mijzelf. Als de Staatssecretaris zegt«ik kan dat doen», is dat dan iets wat we als toezegging kunnen noteren?Of is daar dan bijvoorbeeld een motie voor nodig? Ik vraag dat ook evenin het kader van de toezeggingenregistratie.Staatssecretaris Struycken:Ik zal dat doen.De voorzitter:Dank, dat is concreet. De heer Koops.De heer Koops (NSC):Op het gevaar af voor mijn beurt te spreken: gaat de Staatssecretaris ooknog iets zeggen over het geval dat in eerste aanleg er geen advocaat wasen in tweede aanleg ook geen, dus over de situatie dat wordt voorzien datin ieder geval in een van beide aanleggen er sprake was van rechtshulp?Staatssecretaris Struycken:Ik kom daarop terug in de tweede termijn, als het goed is.Dan kom ik op de vraag wat de instrumenten cassatie in het belang derwet en de prejudiciële procedure betekenen als het gaat om vragen inzakelagere regelgeving zoals een gemeentelijke verordening, bijvoorbeeldbeperkingen van het demonstratierecht. Dat was een vraag van mevrouwMutluer. Zoals mevrouw Mutluer aangeeft, zal de mogelijkheid omcassatieberoep in te stellen tegen een verordening van een provincie, degemeente op grond van een APV of een waterschap, of indien het om eenverordening van een met toepassing van de Wet gemeenschappelijkeregelingen ingesteld openbaar lichaam gaat, het huidige artikel 404,vierde lid, in bepaalde gevallen niet worden gehandhaafd.Om misverstanden weg te nemen, wil ik benadrukken dat hoger beroepen cassatie tegen veroordeling op grond van de hiervoor genoemdelagere regelgeving wel gewoon openstaan als de opgelegde geldboetehoger is dan € 50 – dat is de appeldrempel – of € 250 – dat is de cassatie-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7520 drempel – en in situaties waarin er een andere straf of maatregel isopgelegd. Het gaat dus om gevallen waarin niet al op deze basis hogerberoep en cassatie mogelijk zijn.De gewenste controle door de Hoge Raad blijft dan bestaan, maar krijgtnu op een andere wijze vorm in twee opzichten. Allereerst kan de rechterdie moet oordelen over de tenlastelegging van een in lagere regelgevingopgenomen verboden gedraging, rechtsvragen die daarbij opkomen viaeen prejudiciële vraag voorleggen aan de Hoge Raad op grond van titel2.3 van Boek 6. De officier van justitie en de verdachte kunnen derechtbank vragen om dat te doen. Als de rechtbank besluit een prejudi-ciële vraag aan de Hoge Raad te stellen, mogen zij een standpuntinnemen over de inhoud van de te stellen vraag. De procespartijenhebben dus daadwerkelijk invloed op de beslissing om een prejudiciëlevraag te stellen en op de inhoud daarvan. Als er rechtspraak langs dezeweg aan de Hoge Raad is voorgelegd, is het niet meer nodig om cassatie-beroep in te stellen om een antwoord op de rechtsvraag te krijgen.Een tweede opzicht waarin de gewenste controle vorm kan krijgen, is demogelijkheid die de procureur-generaal heeft om cassatie in het belangder wet in te stellen op grond van artikel 5.7.1. In de praktijk wordt deprocureur-generaal vanuit de praktijk geattendeerd op zaken waarin eenoordeel van de Hoge Raad wenselijk wordt geacht, bijvoorbeeld dooradvocaten, rechters of het Openbaar Ministerie. Zaken waarin belangrijkevragen aan de orde zijn over de uitleg van lagere regelgeving, kunnen dusook langs deze weg aan de procureur-generaal worden voorgelegd terbeoordeling van de vraag of instelling van cassatie in het belang der wetopportuun is. In het licht hiervan bestaan er voldoende waarborgen omrechtsbescherming te bieden in zaken waarin lagere regelgeving centraalstaat.Dan kom ik op de vraag of het verstandig is om meervoudige berechtingin hoger beroep te verminderen. Bij de rechtbank wordt thans 17% van dezaken meervoudig afgedaan. In hoger beroep is dat 80%. Meervoudigebehandeling is aangewezen voor zaken die complex zijn, over principiëlerechtsvragen gaan of grote maatschappelijke onrust veroorzaken. In veelzaken is dat niet aan de orde. Veel zaken die bij de rechtbank alseenvoudig worden aangemerkt en door de politierechter wordenbehandeld, kunnen ook in hoger beroep als eenvoudig worden aange-merkt. Die zaken worden namelijk niet opeens ingewikkelder of funda-menteler doordat hoger beroep wordt ingesteld. Daarom wordt voorzaken die in eerste aanleg enkelvoudig zijn behandeld, het uitgangspunt inhoger beroep hetzelfde als bij de rechtbank, namelijk «enkelvoudig,tenzij». Dit laat uiteraard onverlet dat een zaak alsnog kan wordenverwezen naar een meervoudige kamer als daartoe aanleiding bestaat.Dat kan via het verzoekrecht van de verdachte.Daarmee kom ik op de vraag van de heer Koops en de heer Van Nispen:kan de verdachte in hoger beroep verzoeken om de zaak te verwijzen naareen meervoudige kamer? Ja, de verdachte kan inderdaad altijd verzoekende zaak bij de meervoudige kamer aan te brengen. Hij kan dit voorafgaandaan de terechtzitting doen bij het instellen van een schriftuur vanbezwaren, na het instellen van hoger beroep op grond van artikel 5.4.7,tweede lid, of na ontvangst van de kennisgeving van ontvangst van deprocesstukken op grond van artikel 5.4.10. Ook tijdens het onderzoek opde terechtzitting kan de verdachte om verwijzing naar de meervoudigekamer verzoeken. De algemene regeling in Boek 1 maakt verwijzing doorenkelvoudige kamers naar meervoudige kamers mogelijk. Dat kanoverigens ook vice versa op grond van artikel 1.2.6. Voor een verzoekdaartoe tijdens de terechtzitting biedt artikel 4.2.6 de basis. Dat is deopvolger van het huidige artikel 328. Het ziet op een vordering van deofficier van justitie of op een verzoek van de verdachte tot het nemen vaneen rechterlijke beslissing. Via de schakelbepalingen, artikel 5.4.16, inverband met 43, is dat artikel ook van toepassing in hoger beroep.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7521 Een onvolkomenheid die in aanloop naar dit wetgevingsoverleg werdontdekt, is dat artikel 4.2.6, eerste lid, spreekt van een verzoek tot hetnemen van een rechterlijke beslissing op grond van de bepalingen van dathoofdstuk. De algemene verwijzingsregel in artikel 1.2.6 staat echter nietin dat hoofdstuk, maar in Boek 1. Deze per ongeluk ontstane leemte is dusmede dankzij de vraag van de heren Koops en Van Nispen aan het lichtgekomen. Daarvoor zijn wij u zeer erkentelijk. Deze onvolkomenheid kannog in de eerste aanvullingswet worden gerepareerd. Ik zeg hierbij toe omdit te zullen doen.Ik kom op de meer technisch georiënteerde vragen, althans naar zeggenvan de heer Van Nispen, inzake de artikelen 5.4.43 en 5.4.44. Hetuitgangspunt is dat behandeling plaatsvindt door een meervoudigekamer. Behandeling door een enkelvoudige kamer vindt plaats in degevallen als in de wet bepaald, artikel 1.2.5. In artikel 4.5.2 is aangeduidwanneer een zaak in eerste aanleg kan worden behandeld door deenkelvoudige kamer, de politierechter. Het artikel 5.4.43 vormt dan devergelijkbare bepaling in hoger beroep.Artikel 5.4.44. vertoont inderdaad enige overlap met het artikel 43, maarartikel 44 heeft een andere functie, want artikel 44 regelt de oproeping vande verdachte. Het uitgangspunt is dat de verdachte wordt opgeroepenvoor de enkelvoudige kamer als de zaak in eerste aanleg is behandelddoor de kantonrechter of de politierechter en deze een straf of eenmaatregel heeft opgelegd. Met dit voorschrift wordt beoogd een prikkel tegeven om meer zaken die zich daarvoor lenen, in hoger beroep in deenkelvoudige kamer te behandelen dan nu het geval is. Dit laat dusonverlet dat een zaak kan worden verwezen naar de meervoudige kamerals daartoe aanleiding bestaat, zoals ik hiervoor uiteen heb gezet.Ik kom op de vraag van de heer Van Nispen over beoordelen of de zaakeenvoudig is en over de verschillen die kunnen ontstaan tussen gerechts-hoven of zelfs binnen gerechtshoven. Verschillen zijn niet uit te sluiten,maar de verwachting is niet dat die groter zullen worden dan thans hetgeval is. In de praktijk maakt het Openbaar Ministerie bij het aanbrengenvan zaken de aanvankelijke selectie: voldoet een zaak aan de criteria vooreen enkelvoudige of voor een meervoudige behandeling? Die selectieverloopt goed. Men kijkt daarbij onder andere naar de ernst van hetstrafbare feit, de vermoedelijke strafeis en de vragen die voorliggen inhoger beroep. Door nu in het Wetboek hetzelfde uitgangspunt voor hetaanbrengen van zaken te hanteren ten aanzien van zowel de eerste aanlegals het hoger beroep, wordt deze praktijk verder ondersteund, zo is deverwachting.Dan kom ik op de vraag van de heer Van Nispen inzake de herzieningsre-geling in verband met het novumcriterium. Wat de heer Van Nispen heeftopgemerkt, klopt. Het novumcriterium is ongewijzigd overgenomen uithet huidige Wetboek van Strafvordering. In 2012 is de regeling vanherziening ten voordele ingrijpend herzien. Toen is ook het novumcri-terium verruimd. Een nieuw gegeven, een novum, kan een nieuwefeitelijke omstandigheid betreffen, maar ook een gewijzigd deskundige-ninzicht in al bekende feiten, bijvoorbeeld op basis van nieuwe foren-sische expertise. Maar het moet altijd gaan om een gegeven dat leidt tothet ernstige vermoeden dat de rechter, als hij met dit gegeven bekend zouzijn geweest, tot een ander oordeel in de strafzaak zou zijn gekomen. Ikbenadruk daarbij dat de drempel voor herziening in lijn met het uitzonder-lijke karakter van dit buitengewone rechtsmiddel tegelijk voldoende hoogblijft.Daarnaast kan nu door de procureur-generaal bij de Hoge Raad feitelijkonderzoek worden gedaan naar de mogelijke aanwezigheid van eennovum, waarbij ook het advies van de Adviescommissie afgeslotenstrafzaken en de inbreng van deskundigen kan worden benut. De evaluatievan de herziene regeling door het WODC in 2018 leidde, ook na uitvoerigdebat met uw Kamer, tot de conclusie dat er geen reden is voor eenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7522 verdere verruiming van het novumbegrip of de omschrijving daarvan inde wet. Mede tegen deze achtergrond is in het nieuwe Wetboek daaromvolstaan met beperkte aanpassingen en zijn alleen verwijzingen enterminologie afgestemd op andere onderdelen van het Wetboek.Ik zie nu dat de heer Koops mij nog een vraag heeft gesteld over hogerberoep. Het is een nogal fundamentele vraag over de verlenging van determijn van twee weken naar drie maanden. De heer Koops stelde voorom de termijn voor het instellen van hoger beroep te verlengen naar driemaanden. De inschatting van het kabinet is dat dit negatieve conse-quenties zal hebben voor de doorlooptijden in het strafproces. De heerKoops noemde als argument voor het voorstel dat de verdachte zo meertijd krijgt om met zijn raadsman het instellen van een hoger beroep teoverwegen. Dan zou wellicht in minder gevallen onnodig hoger beroepworden ingesteld. Wij denken dat het voorstel om de beroepstermijn danzo te verlengen meer nadelen in zich bergt vergeleken met hoe het nu isgeregeld. Als een verdachte direct na het uitspreken van het vonnis hogerberoep instelt, kan dit op basis van artikel 5.4.5 worden ingetrokken totéén week nadat de kennisgeving van ontvangst van de processtukken inhoger beroep aan de verdachte is betekend. Dat is vaak maanden na hetinstellen van het hoger beroep, omdat in veel gevallen het proces-verbaalvan de zitting en het vonnis nog moeten worden uitgewerkt en de stukkennaar het gerechtshof moeten worden gezonden. Er is dus genoeg tijd omte overwegen of het hoger beroep wel moet worden doorgezet. Voor eendergelijke heroverweging van het ingestelde hoger beroep is ook alleruimte als een verdachte na het instellen van een hoger beroep vanraadsman wisselt.De toevoeging van een raadsman loopt tot het einde van de zaak in eersteaanleg. Dat omvat mede het adviseren of het instellen van het hogerberoep. Vanaf het ingestelde hoger beroep is een nieuwe toevoeging vaneen advocaat mogelijk. Die zal dan steeds een second opinion geven, diekan leiden tot intrekking van het ingestelde hoger beroep.Het terugdringen van de doorlooptijd is juist een belangrijk aandachtspuntvoor het bestuurlijk ketenberaad. Dit voorstel zou een daaraan tegenge-stelde beweging zijn. De vraag is ook of het voorstel inderdaad zal leidentot minder hogere beroepen. Dat vergt een inschatting van de subjectievebeweegredenen van mensen om in hoger beroep te gaan. Daarbij komtdat de langere doorlooptijd van het strafproces ertoe zou kunnen leidendat het veel langer duurt voordat een voor tenuitvoerlegging vatbaarvonnis of arrest beschikbaar is. Die langere duur is bezwaarlijk voor demaatschappij, voor de verdachte en vooral ook voor het slachtoffer. Almet al is de inschatting dat een dergelijke verlenging van de doorlooptijdals gevolg van een langere appeltermijn veel zwaarder op de keten zoudrukken dan de last van vroegtijdig ingestelde hogere beroepen die lateralsnog worden ingetrokken.Ten slotte in verband met hoger beroep de vraag van de heer Koops hoehet kabinet ertegen aankijkt om onderzoek te doen naar het aantalgevallen waarin er geen vertegenwoordiging in hoger beroep was. DeRaad voor de rechtspraak registreert niet de reden waarom verdachtengeen rechtsbijstand hebben. Om die reden is het niet eenvoudig omhiernaar onderzoek te verrichten. Dat zal ik wel aan het WODC vragen inhet kader van het onderzoek dat het WODC verricht naar de gesubsidi-eerde rechtsbijstand. In artikel 1.4.7, tweede lid wordt geregeld dat deverdachte van het recht op rechtsbijstand in kennis wordt gesteld. Datgebeurt ten aanzien van hoger beroep op de volgende manieren: door dekennisgeving van een door de officier van justitie ingesteld hoger beroeptegen een eindvonnis – dat is onderdeel b – of door de kennisgeving vanontvangst van de processtukken nadat hoger beroep is ingesteld tegenhet eindvonnis; dat is onderdeel c. Op deze manier wordt gepoogd tevoorkomen dat de verdachte niet weet hoe deze verdachte rechtsbijstandkan krijgen. Tot zover mijn opmerkingen over Boek 5.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7523 Dan kom ik bij de antwoorden inzake jeugd. Het onderdeel jeugdstrafrechtkrijgt veel aandacht van uw Kamer. Dat lijkt me uiterst verstandig enterecht. Ik begin met de vraag van de heer Van Nispen inzake het recht opkosteloze consultatie- en verhoorbijstand voor de niet aangehoudenjeugdige verdachte. Jeugdige verdachten van een misdrijf die niet zijnaangehouden, hebben inderdaad recht op kosteloze rechtsbijstandvoorafgaand aan en ook tijdens een politieverhoor. Dit recht wordtvastgelegd in de wet. De Raad voor Rechtsbijstand voert nu al beleid opgrond waarvan voor minderjarige verdachten van misdrijven die wordenuitgenodigd om op een plaats van verhoor te verschijnen, een raadsmanwordt aangewezen. De consultatiebijstand en verhoorbijstand van eendergelijk raadsman is kosteloos. Ik meldde u al dat er een wetsvoorstel isvoorbereid ten behoeve van de versterking van de rechtsbijstand in hetstrafproces. Dit wetsvoorstel zal voorzien in een wettelijke grondslag voordit beleid. Het wetsvoorstel is, zoals ik al meldde, afgelopen vrijdag doorde ministerraad aanvaard en wordt deze week naar de Raad van Stategestuurd voor advies. Als het wetsvoorstel tot wet wordt verheven, zullende wijzigingen uit dit voorstel via aanvullingswetgeving ook in het nieuweWetboek van Strafvordering worden opgenomen.Mevrouw Mutluer vroeg waarom in het wetsvoorstel sprake is van eenverruiming van de sanctiemogelijkheden voor de alleenzittende kinder-rechter. In het wetsvoorstel is opgenomen dat de kinderrechter nietbevoegd is tot het opleggen van een vrijheidsstraf waarvan het onvoor-waardelijke deel de duur van zes maanden overstijgt. Het wetsvoorstelheeft het voorwaardelijke deel dat de alleenzittende kinderrechter magopleggen, niet beperkt. Dat is artikel 6.1.17. Door naast ten hoogste zesmaanden onvoorwaardelijke vrijheidsstraf ook een voorwaardelijkevrijheidsstraf te kunnen opleggen, krijgt de alleenzittende kinderrechtermet dit voorstel meer ruimte om via bijzondere voorwaarden gericht aangedragsbeïnvloeding te kunnen werken. Een voorwaardelijk strafdeelmoet immers van voldoende lange duur kunnen zijn om de naleving vande bijzondere voorwaarden te bevorderen. Naar aanleiding van de vragenin het verslag over Boek 6 wordt via de eerste aanvullingswet de duur vande totale vrijheidsstraf die de alleenzittende kinderrechter kan opleggen,beperkt tot ten hoogste één jaar. Die beperking wordt neergelegd in6.1.17, lid 2. Het onvoorwaardelijke deel daarvan mag maximaal zesmaanden zijn.De duur van één jaar sluit aan bij artikel 4.5.2, lid 2, waarin is bepaald datde politierechter niet is bevoegd tot het opleggen van een gevangenisstrafvan meer dan een jaar. Hoewel de wijziging een verruiming is ten opzichtevan het huidige recht, waarin is bepaald dat de alleenzittende kinder-rechter een vrijheidsstraf van in totaal ten hoogste zes maanden kanopleggen, is met de wijziging niet beoogd om een verschuiving van zakenvan de meervoudige kamer naar de alleenzittende kinderrechter tebewerkstelligen. Langdurige, dus nog langdurigere, vrijheidsbeneming enhet behandelen van en beslissen over complexere zaken is en blijftvoorbehouden aan de meervoudige kamer, op grond van artikel 6.1.17.Een voorwaarde voor het enkelvoudig kunnen afdoen is namelijk ook datde zaak van eenvoudige aard is.Ik kom aan de vraag van de heer Van Nispen over de beschikbareinformatie over de maximale sanctie. De betreffende systemen van derechtspraak waren inderdaad enige tijd niet beschikbaar. Daardoor kon devraag niet eerder worden beantwoord. Inmiddels zijn de systemen weeroperationeel, maar deze informatie is niet direct uit de registratiesystemente halen. De uitvraag is gedaan en ik kom daarop graag schriftelijk terug,in ieder geval voor de plenaire behandeling van het wetsvoorstel.Mevrouw Mutluer stelde een vraag over het uitgangspunt dat eenjeugdige niet in een politiecel mag overnachten. Zij vroeg met namewaarom dat uitgangspunt niet in de wet is opgenomen. Het uitgangspuntis dat een minderjarige verdachte alleen in een politiecel of een justitiëleTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7524 jeugdinrichting verblijft als dit niet anders kan. De vrijheidsbeneming isvoor een zo kort mogelijke duur. Bij een dergelijke vrijheidsbeneming is erextra aandacht voor het voorkomen van een overnachting in eenpolitiecel. Zo kan voor het ophouden voor onderzoek en voor inverzeke-ringstelling elke geschikte plaats worden aangewezen op grond van artikel6.1.10. Dat kan bijvoorbeeld ook thuis of in een zorginstelling zijn. Ookvoor het ondergaan van voorlopige hechtenis kan het bevel elke geschikteplaats vermelden, gezien artikel 6.1.13, zevende lid. Maar in de meestegevallen zal tenuitvoerlegging van voorlopige hechtenis van jeugdigeverdachten plaatsvinden in de daarvoor bestemde justitiële jeugdinrich-tingen.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):De praktijk leert dat het nog wel gebeurt dat jeugdigen in een politiecelkomen, ondanks het beleidsuitgangspunt. Kan dat worden bevestigd doorde Staatssecretaris?Staatssecretaris Struycken:Ik heb daarop geen antwoord op dit moment. Daar kom ik op terug in detweede termijn.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Waarom stel ik die vraag? Dat is omdat wij, nogmaals, wel signalenontvangen dat dit helaas nog te vaak gebeurt. We weten allemaal dat eenlangdurig verblijf in een politiecel schadelijk kan zijn voor de ontwikkelingvan jongeren. In mijn beleving draagt het dus ook niet bij aan depedagogische benadering van het jeugdstrafrecht, wat ook onsuitgangspunt is. De concrete vraag is dus in hoeverre dit rijmt met depraktijk. Ik heb ook een vraag gesteld over de VN-richtlijnen, die zich daarook nadrukkelijk over uitspreken. Hoelang kan dat dus toch wordentoegepast, als laatste redmiddel?Staatssecretaris Struycken:Mijn uiteenzetting betrof het toekomstige recht en niet per se het heden. Ikmoet hierop terugkomen in de tweede termijn. Dan zal ik ook vermeldenin hoeverre hetgeen ik heb gezegd over elke geschikte plaats als wettelijkcriterium nieuw is ten opzichte van het huidige recht, want dat zoubetekenen dat er meer ruimte is om te voorkomen dat een jeugdige in eenpolitiecel moet verblijven.U vroeg terecht naar de internationale verdragen. Inderdaad geldt voorvrijheidsbeneming van jeugdige verdachten het ultimumremediumbe-ginsel, op grond van artikel 10 van Europese richtlijn 800 uit 2016 enartikel 37 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind.Het is goed dat u daar aandacht voor vraagt. Zeker bij jeugdigeverdachten moet op deze basis de vrijheidsbeneming altijd zo veelmogelijk beperkt zijn in duur.Ophouden voor onderzoek en inverzekeringstelling vinden plaats in hetbelang van het onderzoek. In deze relatief kortdurende fase van vrijheids-beneming moeten veel onderzoekshandelingen worden verricht,waaronder identiteitsvaststelling, het inroepen van rechtsbijstand, hetverhoor en de beoordeling van de vraag of er een reden is om deverdachte langer vast te houden. In het bijzonder bij jeugdige verdachtenis deze fase bedoeld om een beeld te krijgen van de verdachte en zijnleefomstandigheden. Het voor jeugdigen verkorten van de termijnen voorhet ophouden voor onderzoek en inverzekeringstelling zou het opspo-ringsonderzoek kunnen bemoeilijken, omdat de politie dan te weinig tijdheeft om binnen de termijn het benodigde onderzoek uit te voeren. Datzou tot gevolg kunnen hebben dat de officier van justitie vaker en eerdereen vordering tot bewaring moet doen en dus dat verdachten vaker enTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7525 eerder in voorlopige hechtenis zouden worden genomen, wat nu juist nietde bedoeling is.Een ander effect van specifieke termijnen zou kunnen zijn dat in zakenwaarin mogelijk een voorlopige hechtenis nodig is, een vordering totbewaring binnen de dan kortere termijnen voor ophouden voor onderzoeken inverzekeringstelling lastiger zou zijn te onderbouwen. In zulkegevallen zou de verdachte dus in vrijheid moeten worden gesteld, zonderdat het onderzoek is afgerond, wat ook niet wenselijk is.De fase van ophouden voor onderzoek en de inverzekeringstelling duurtdus slechts zo lang als nodig is in het belang van het onderzoek. Hetnieuwe Wetboek bevat al twee voorschriften waaruit dat in algemene zinvoortvloeit: artikel 2.5.11, inzake ophouden voor onderzoek, en artikel2.5.14, lid 4, inzake inverzekeringstelling. Daar staat in het algemeen datde verdachte zodra het belang van het onderzoek het toelaat, in vrijheidwordt gesteld. Dit geldt ook als de termijn voor het ophouden vooronderzoek of de inverzekeringstelling nog niet is verschenen.In de systematiek van het nieuwe Wetboek gelden deze algemenevoorschriften uit Boek 2 ook voor het jeugdstrafprocesrecht in Boek 6. Eenadditioneel voorschrift in Boek 6 dat inhoudt dat ophouden vooronderzoek of inverzekeringstelling bij jeugdige verdachten voor een zokort mogelijke passende duur wordt bevolen, zou daaraan niks toevoegen.Ik teken daarbij aan dat op het moment van het geven van het bevel nietsteeds is te voorzien wat een zo kort mogelijke passende duur is. Daarombepaalt de wet dat een al voor onderzoek opgehouden of in verzekeringgestelde verdachte zodra het belang van het onderzoek dat toelaat, invrijheid wordt gesteld.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Ik snap de opsporingsbelangen, maar in hoeverre is het in het belang vande pedagogische benadering die we als uitgangspunt nemen? Voor mijngevoel valt dat niet met elkaar te rijmen.Staatssecretaris Struycken:Het is onmiskenbaar dat de pedagogische functie centraal staat in entyperend is voor het jeugdstrafprocesrecht. Ik denk dat dat uitgangspuntde toepassing van al deze bepalingen mede kleurt. Er staat: zo lang alsnodig is in het belang van het onderzoek. Dat wordt mede gekleurd doorde pedagogische functie in algemene zin.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Dat is de positieve uitleg, maar ik kan het ook negatief uitleggen. Op hetmoment dat er weinig capaciteit is of zaken heel erg lang duren, gaan deopsporingsbelangen vóór de belangen van in dit geval de jeugdige en deschade die hem of haar kan worden berokkend als die in hechtenis wordtgezet. De VN spreekt van een maximum van 24 uur. Nogmaals, hoe rijmtu het eerste uitgangspunt dat we hebben met de bepaling die in hetwetvoorstel staat?Staatssecretaris Struycken:Ik begrijp het probleem en ik zie het belang, maar ik denk niet datspecifieke termen in de wet voor voorarrest voor jeugdigen de oplossingzijn. Als er capaciteitsproblemen zijn, zullen de risico’s van snellereinbewaringstelling die ik schetste zich eerder materialiseren.De voorzitter:Een korte toelichting van de regeringscommissaris.De heer Knigge:Ja, even specifiek. U beroept zich op de Verenigde Naties en de termijnvan 24 uur. Binnen die termijn van 24 uur moet een functionaris over deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7526 vrijheidsbeneming hebben beslist. Dat is bij ons de officier van justitie, dieover de inverzekeringstelling oordeelt. Onze regeling is dus wel degelijk inovereenstemming met de VN-bepaling die u aanhaalt.Staatssecretaris Struycken:Dan kom ik op de vraag van mevrouw Mutluer waarom het uitgangspuntdat voorlopige hechtenis slechts een uiterste maatregel kan zijn, nietuitdrukkelijk in de wet is vermeld. Inderdaad is voorlopige hechtenis eenuiterste maatregel en wordt die alleen toegepast als het niet anders kan.Dat is het ultimumremediumbeginsel, dat is opgenomen in artikel 2.5.31.Bij het bevelen van voorlopige hechtenis wordt door de rechter onmid-dellijk nagegaan of het bevel tot voorlopige hechtenis kan wordengeschorst. Dat de rechter dit moet nagaan volgt uit de algemene regelingen geldt ook onverkort voor jeugdige verdachten, want hierop is in deregeling voor jeugdige verdachten geen uitzondering geformuleerd. Hetalgemene beginsel in 2.5.31 bepaalt dus ook het jeugdstrafprocesrecht.Dat brengt mij, aan het eind van dit blok over jeugd, bij de appreciatie vantwee amendementen: het amendement op stuk nr. 23 en het amendementop stuk nr. 37. Het amendement op stuk nr. 23 is het amendement dat deheer Ellian heeft ingediend. Dat betreft de situatie dat een ouder nietverschijnt en de vraag of er een motiveringsplicht moet gaan gelden alsde rechter geen medebrenging van de ouder beveelt. Het amendementbetreft artikel 6.1.42, tweede lid, en beoogt daarin een motiveringsplichtvoor de rechter op te nemen voor de gevallen waarin de ouder van eenminderjarige verdachte niet op de zitting verschijnt en de rechtervervolgens niet beslist tot een bevel tot medebrenging van de ouder. Laatmij vooropstellen dat ik de achterliggende wens van de indiener deel omde ouder zo veel mogelijk te betrekken en aanwezig te laten zijn bij destrafzaken van een minderjarige verdachte, in het licht van de pedago-gische functie van het jeugdstrafprocesrecht en de belangrijke rol die eenouder daarin pleegt te spelen of moet spelen.De minderjarige heeft het recht te worden vergezeld door de ouder. Datrecht om door de ouder vergezeld te worden is opgenomen in de wet.Oproeping en verschijning van de ouder op de terechtzitting is dan ookhet wettelijke uitgangspunt. Dit uitgangspunt blijft onveranderd. Dit ligtbesloten in artikel 6.1.41, eerste lid, dat duidelijk verwoordt dat de ouderwordt opgeroepen om in persoon op de zitting te verschijnen. Indien deouder desondanks niet op de zitting verschijnt, kan de rechter hetonderzoek om de terechtzitting schorsen en de hernieuwde oproeping vande ouder bevelen, op grond van artikel 42, eerste lid. Uit artikel 42, tweedelid, volgt dan dat voor een vervolgzitting de medebrenging van de ouderkan worden bevolen. «Medebrenging» klinkt neutraal, maar het is eeningrijpend middel. Het houdt in dat de ouder tegen de wil door de politiewordt opgehaald en in een cel van de rechtbank moet wachten tot de zaakbegint. Bij de afweging of de rechter medebrenging beveelt, zal de rechteralle relevante factoren en omstandigheden moeten betrekken, waaronderhet pedagogisch karakter van het jeugdstrafprocesrecht. De officier vanjustitie zal zijnerzijds ook het pedagogische karakter betrekken bij hetinnemen van een standpunt over de schorsing van de zitting zoalsvoorgeschreven in artikel 42, lid 1. Het eerste en het tweede lid van artikel42 geven de rechter dus een bevoegdheid. Hij kán het onderzoek schorsenen hij kán de medebrenging van de ouder bevelen. Het niet uitoefenenvan die bevoegdheid van de rechter kan echter niet worden gezien als eenbeslissing in de systematiek van de wet en dus ook niet, zoals voorgesteldin het amendement, als een beslissing die moet worden gemotiveerd.Inhoudelijk stelt het amendement een motiveringsplicht voor in degevallen waarin wordt overgegaan tot een vervolgzitting en waarin debevoegdheid om de medebrenging van de ouder te bevelen, niet wordttoegepast. Feitelijk betekent dit dat hierdoor als uitgangspunt zou geldendat medebrenging van de ouder in beginsel wordt bevolen. Dat is eenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7527 aanpassing die administratieve lasten en uitvoeringsconsequentiesmeebrengt. Daarnaast wijs ik nogmaals op het ingrijpende karakter vanhet bevel van medebrenging, dat noopt tot behoedzaam gebruik van ditinstrument.Ten slotte geldt dat het systematisch onjuist kan worden geacht dat uit hetamendement niet volgt dat ook een motiveringsplicht geldt voor degevallen waarin ondanks het niet-aanwezig zijn van de ouder op de zittingniet wordt overgegaan tot een vervolgzitting, dus tot aanhouding, en dusook geen bevel tot medebrenging van de ouder wordt gegeven. Derechter ziet zich immers eerst gesteld voor de vraag of schorsing van dezitting nodig is indien de ouder niet is verschenen.Alles afwegend kom ik tot de slotsom dat de aanneming van ditamendement in de vorm die het thans heeft, moet worden ontraden. Ditin het licht van de wens van de rechtspraak om dit een bevoegdheid telaten zijn en niet een verplichting, in het licht van het perspectief dat hetpedagogisch karakter ten grondslag ligt aan de toepassing van al dezebepalingen en dat het ertoe zal leiden dat de aanwezigheid van de ouderhet uitgangspunt zal zijn in de besluitvorming op al deze bepalingen. Totslot ook omdat dit amendement het technisch en wetssystematischcomplex maakt, daar het om een bevoegdheid gaat, waarbij het nietgebruiken van de bevoegdheid niet pleegt te worden gezien als eenbeslissing die gemotiveerd wordt.Op dit laatste punt zou ik de regeringscommissaris kunnen vragen om eennadere toelichting te geven, als u dat op prijs stelt.De heer Ellian (VVD):Wie ben ik om de regeringscommissaris van een toelichting teweerhouden.De voorzitter:Dat deel ik. Ik geef graag het woord aan de regeringscommissaris.De heer Knigge:Ik ga dan met name in op de technische aspecten van het amendement.De principiële vraag is inderdaad: willen wij de facultatieve bevoegdheiddie nu voorgesteld is in dit wetsvoorstel handhaven, of willen wij tochterug naar een wat dwingendere regeling waarin hernieuwde oproepingvooropstaat? Zoals het er nu staat, stuit het op een paar technischeproblemen. Het eerste noemde u zelf al eventjes bij het presenteren vanhet amendement, namelijk dat er staat dat de motivering «deugdelijk»moet zijn. Dat impliceert dat je bij alle andere motiveringsplichten ook meteen ondeugdelijke motivering zou kunnen volstaan. Wij juristen redenerenvaak a contrario, dus dat moeten we niet doen. Een motiveringsplichthoudt vanzelfsprekend in dat er deugdelijk gemotiveerd wordt. Datwoordje zou ik dus zeker geschrapt willen zien.Een ander technisch punt is – de Staatssecretaris zei het al – dat het nietuitoefenen van een bevoegdheid in de systematiek van het huidigeWetboek maar ook in het nieuwe Wetboek geen beslissing oplevert. Ikgeef een simpel voorbeeld. De wet schrijft voor dat de zitting openbaar isen de rechter krijgt de bevoegdheid om in uitzonderlijke gevallen dedeuren te sluiten. Als hij gebruikmaakt van die bevoegdheid, moet hij datnatuurlijk motiveren. Dan is dat een beslissing die hij neemt, een bevel dathij geeft, en dat moet gemotiveerd worden. Als hij geen gebruik maaktvan die bevoegdheid, hoeft hij dat niet te motiveren, want dat zou eenenorme verzwaring opleveren. Als er echter om verzocht wordt of als hetgevorderd wordt, dan moet hij dat verzoek of die vordering afwijzen, endat is dan natuurlijk wel weer een beslissing die hij moet motiveren. Maarals er niemand aan denkt of die deuren toch moeten worden gesloten ... Inde meeste gevallen is daar geen reden voor en staat ook het Europeseverdrag daaraan in de weg. De rechter hoeft dan niet uit te leggenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7528 waarom hij dat niet doet. Het is uiteindelijk ook onwerkbaar, want derechter heeft bijvoorbeeld ook de bevoegdheid om de zitting te onder-breken voor het nemen van enige rust. Als hij dat niet doet, moet hij datmotiveren, moet hij elk kwartier opnieuw gaan motiveren waarom hij nietvan die bevoegdheid gebruikmaakt. Het levert een onwerkbare regelingop. Bovendien zal het consequenties hebben voor de regeling van hethoger beroep, want er staat dat je ook tegen tussenvonnissen in hogerberoep moet gaan. Als je ieder niet toepassen van een beslissing eentussenvonnis zou noemen, zou dat ook allemaal in hoger beroep mee aande orde gesteld moeten worden.Dat is een technische opmerking. Ik wil niet zeggen dat wat u wilt, niet terealiseren zou zijn. Maar net zoals bij het voorbeeld van het sluiten derdeuren, moet u als regel vooropstellen dat de rechter een bevelmedebrenging geeft en dat hij daarvan in uitzonderingsgevallen kanafwijken. Dan is het de bevoegdheid om ervan af te wijken en het bevelniet te geven. Dat is dan een beslissing die gemotiveerd kan worden.Maar dat vergt dus een andere constructie van de wet dan nu gegeven is.Het derde punt noemde de Staatssecretaris ook al. In de geldende regel ishet verplicht om tot nieuwe oproeping over te gaan, en dus tot schorsingvan het onderzoek ter zitting; het is verplicht, tenzij. Maar bevelmedebrenging is facultatief. Dat is een discretionaire bevoegdheid. Ukeert het om. U laat het helemaal aan de discretionaire bevoegdheid vande rechter over of hij het overzoek wil schorsen en nieuwe oproeping wilbevelen. Maar áls hij het beveelt, dan zegt u dat er een bevelmedebrenging bij moet. Maar de rechter zal meestal een nieuw beveloproeping bevelen, stel ik mij zo voor, als er goede kans is dat de ouderdaaraan zal voldoen. Met onwillige ouders en met onwillige honden is hetkwaad hazen vangen. Ouders die hun kind niet willen bijstaan op dezitting, kun je wel met tien paarden naar de zitting slepen, maar of dejeugdige verdachte daar zo mee gebaat is, weet ik niet. Ook op dit puntzou het amendement heroverweging verdienen, dacht ik.Dat was mijn nadere toelichting.De voorzitter:Ik kan me zo voorstellen dat dat een interruptie oproept bij de heer Ellian.De heer Ellian (VVD):Dank voor het antwoord van de regeringscommissaris en de Staatssecre-taris. Vaak krijg ik de opmerking: joh, een amendement indienen doe jetoch even? Het wordt toch erg onderschat hoe complex het is. Ik kaniedereen verzekeren dat hier best goed over na is gedacht. Het isingewikkeld. Als het mag een vraag aan zowel de regeringscommissarisals de Staatssecretaris. Ik beluister dat de gedachte achter hetamendement op zich een politieke keuze is, maar dat die gedachte is tevolgen. Is het mogelijk de komende weken tot de plenaire behandelingover een maand ... Is het voorstelbaar dat het amendement, uiteraard metbijstand, op de juiste manier wordt vormgegeven? Of leent dit zich tochmeer voor een vraag via een motie aan de regering, zo van: zou u metinachtneming van deze gedachtes zelf willen kijken naar een aanpassingvan de wet? Ik wil dat uiteraard in overweging nemen.Staatssecretaris Struycken:Ik denk dat we elkaar op het doel snel vinden. Dat is in het licht van depedagogische functie van het jeugdstrafprocesrecht bewerkstelligen datde ouder zo vaak en zo veel mogelijk aanwezig is, ook om de ouder tekunnen aanspreken op de verantwoordelijkheden. Daar zit het probleemdus niet. Het zit meer in de uitwerking. Ik vind het meer voor de handliggen iets aan te passen in artikel 42, lid 1, dan in 42, lid 2, dat demedebrenging betreft, mede gezien de nogal ingrijpende aspecten vanbevel tot medebrenging. Lid 1 betreft de nu facultatieve bevoegdheid omTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7529 het onderzoek te schorsen en de ouder opnieuw op te roepen, al dan niettezamen met een bevel medebrenging. Denkbaar is lid 1 weer te wijzigenvan een facultatieve bevoegdheid naar een regel die zegt «schorsen,tenzij», en dan moet er altijd worden geschorst. Dat kan, maar dan gaanwe terug naar de situatie waarvan de rechtspraak nu juist heeft aange-geven dat dat vaak tot vertraging leidt, ook als dat niet per se opportuunis, ook niet vanuit een pedagogisch perspectief, omdat het niks oplevert ofom welke reden dan ook. Juist de rechtspraak heeft dus gevraagd om diteen facultatieve bevoegdheid te laten zijn. In dat licht denk ik dat het goedzou zijn om nog nader van gedachten te wisselen. Als de indiener wilpersisteren met een amendement, dan geef ik in overweging dat diegedachtevorming juist lid 1 betreft en niet zozeer lid 2.De voorzitter:Gaat u verder met de beantwoording. O nee, eerst nog mevrouw Mutluer.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Wat de Staatssecretaris doet, vind ik heel constructief. Hij verwijst ooknaar de rechtspraak. Wat vindt hij er zelf van?Staatssecretaris Struycken:Ik hecht veel waarde aan de rol van de ouder, daar waar dat opportuun is.Ik vrees wel dat het gaat om situaties waarin er niet altijd veel van deouder te verwachten is, maar dat moet ten minste worden geprobeerd. Ikgeloof in alles wat ertoe leidt dat aan de ouder een grotere rol wordttoegekend. Tegelijkertijd ben ik gaarne bereid om te denken dat derechtspraak in ruime zin, met inbegrip van de staande magistratuur, zichook laat leiden door het uitgangspunt dat het in het licht van de pedago-gische functie van belang is om de ouder erbij te laten zijn. Desalnietteminvraagt de rechtspraak om de aanpassing die in artikel 42, lid 1, isneergelegd, dus een facultatieve mogelijkheid. Dat doet mij denken dat derechtspraak het oog heeft op situaties waarin schorsing van de zitting omde ouder er alsnog bij te krijgen, niet zo veel zoden aan de dijk zet – ik zeghet maar even kort door de bocht – terwijl het wel andere negatieveconsequenties heeft, ook voor de jeugdige. Want dit betekent eenschorsing en weer een nieuwe zitting. Dat is ook niet per se in het belangvan de jeugdige. Nu het mij zo gevraagd wordt, ben ik dus geneigd om tedenken dat we het moeten proberen met de systematiek die thans inartikel 42 besloten ligt en dat we daarbij dan steeds weer opnieuwaandacht moeten vragen voor de pedagogische functie en de rol van deouder daarbij.De voorzitter:U komt volgens mij op het volgende amendement.Staatssecretaris Struycken:Dat is het amendement op stuk nr. 37 van de heer Van Nispen enmevrouw Mutluer en is ten minste zo van belang. Het gaat namelijk overherstelrechtvoorzieningen voor minderjarige verdachten. Hetamendement beoogt in allerlei opzichten uitgangspunten op het gebiedvan herstelvoorzieningen voor jeugdige verdachten in de wet vast teleggen. Uw Kamer is ermee bekend dat ik het doel van het amendement,namelijk de bevordering van mediation, in heel algemene zin ondersteun,ook in het algemeen bij strafzaken en des te meer wanneer het gaat omstrafzaken met een jeugdige verdachte. Toch ontraad ik het amendementin deze vorm. In beginsel zijn de gewone bepalingen van het Wetboek vanStrafvordering ook van toepassing op jeugdige verdachten. Boek 6, titel1.1, bevat een bijzondere regeling met daarin bepalingen die gelden voorjeugdige verdachten, voor zover die afwijkend zijn van of aanvullend ophet gewone strafprocesrecht. In Boek 1 is reeds een algemene regelingTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7530 van het herstelrecht opgenomen die dus ook geldt voor het jeugdstrafpro-cesrecht. Het is niet nodig om die bepalingen uit Boek 1 te herhalen inBoek 6.Voor Boek 1 hebben de indieners het amendement op stuk nr. 27ingediend. Dat beoogt een algemene regeling voor mediation te geven,die dus ook gaat gelden voor zaken met jeugdige verdachten. In het eerstewetgevingsoverleg heb ik dit amendement al geapprecieerd en heb ik ookaangegeven onder welke voorwaarden ik het oordeel daarover aan deKamer kan laten. Een van die voorwaarden – ik denk de belangrijkstevoorwaarde – was dat de ambtshalve plicht voor de officier van justitie envoor de rechter om mediation te onderzoeken uit het amendement op stuknr. 27 zou worden geschrapt. Nu constateer ik echter dat die plicht weerterugkomt in het amendement op stuk nr. 37, namelijk in het voorgesteldeartikel 16a, lid 2. Om dezelfde reden ben ik daarvan geen voorstander. Eris voor een ambtshalve plicht om dit te onderzoeken namelijk geendraagvlak bij de rechtspraak en het Openbaar Ministerie.Specifiek voor het amendement op stuk nr. 37 merk ik op dat hetdaarnaast ook nog andere ingrijpende gevolgen heeft. De bevoegdhedenvan de officier van justitie en de rechter bij afdoening van een zaakworden door het amendement ingeperkt zonder dat daarvoor eennoodzaak aanwezig lijkt. Ik merk op dat de heer Ellian er ook al op weesdat dit een beperking is van de beslissingsmogelijkheden en debewegingsruimte van de rechter. Als een mediation is geslaagd, zou hetamendement er namelijk toe leiden dat de zaak automatisch in een sepotvan de officier van justitie of een eindezaakbeslissing van de rechter moeteindigen, tenzij zij beslissen de zaak toch voort te zetten. In het geval datzij besluiten de zaak voort te zetten, mag de rechter vervolgens op basisvan dit amendement geen vrijheidssanctie opleggen zonder dat de Raadvoor de Kinderbescherming daarover heeft geadviseerd. Dit alles zou dusbetekenen dat in de wet nieuwe, dwingende voorschriften wordenvastgelegd voor de afdoening van strafzaken ten aanzien van jeugdigeverdachten.Ook in de huidige praktijk dienen de officier van justitie en de rechterzorgvuldig af te wegen welke afdoeningsbeslissing zij nemen en welkegevolgen zij verbinden aan een geslaagde mediation. Daarbij zijn zewettelijk verplicht rekening te houden met de gevolgen, ongeacht deleeftijd van de verdachte. Bij de jeugdige verdachte staat bij de afwegingvan de officier van justitie en van de rechter het pedagogische doel vanhet jeugdstrafrecht centraal, zoals ik al toelichtte. Het is voor mij tegendeze achtergrond niet duidelijk welke toegevoegde waarde de voorge-stelde punten in de leden 3 en 4 van het amendement voor het beoogdeartikel 6.1.16a zouden hebben. Ik ga ervan uit dat de regeling in hetnieuwe Wetboek, zeker als dat wordt aangevuld door middel van hetamendement op stuk nr. 27, bij de uitgangspunten in Boek 1 reedsvoldoet.Wat mij wel aanspreekt, is de gedachte dat de Raad voor de Kinderbe-scherming een rol speelt bij de overweging om herstelrecht toe te passen.Het is nu al de wettelijke taak van de Raad voor de Kinderbescherming omonderzoek te doen en advies te geven in jeugdstrafzaken. Dit advies kanook het herstelrecht betreffen, maar dat staat niet expliciet in de wet. Dealgemene adviestaak wordt vastgelegd in artikel 6.1.29 van het nieuweWetboek. Ik zie in het amendement een mooie kans op verbetering van derol van het herstelrecht bij jeugdige verdachten. Het voorstel van deindieners om de Raad voor de Kinderbescherming in de wet expliciet eenadviserende taak te geven ten aanzien van het herstelrecht spreekt mij dusaan. De vormgeving van deze taak in de wet moet wel goed bekekenworden. Er moet bijvoorbeeld rekening mee worden gehouden datherstelrecht alleen mogelijk is als het slachtoffer daarmee instemt. Ookover de te volgen procedure moet zorgvuldig worden nagedacht. Deformulering luistert nauw. Ik ben graag bereid om in de tweede aanvul-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7531 lingswet de gewenste rol voor de Raad voor de Kinderbescherming op tenemen. Daarbij laat ik mij dan inspireren door het eerste lid van hetvoorgestelde artikel 6.1.16a van het amendement, dat ik dus ontraad.Ik maak van de gelegenheid gebruik – we komen immers al richting heteind – om naar voren te brengen dat in de praktijk al met herstelrechtwordt gewerkt in jeugdzaken. Ik heb cijfers over 2024. In 2024 is er in 1.725gevallen verwezen ten behoeve van mediation. Dat betreft in 814 gevallenvolwassenen, in 250 gevallen adolescenten, dus van 18 tot en met 22 jaar,en in 661 zaken jeugdige verdachten jonger dan 18 jaar. Er is dus eengoede basis in de praktijk en ik werk er graag aan dat mediation injeugdzaken vaker wordt toegepast en verder wordt ontwikkeld. Op datpunt zitten de indieners van het amendement en ik dus op dezelfde lijn.Een alternatief zou nog kunnen zijn dat de indieners het amendement opstuk nr. 37 vervangen door een motie waarin ze vragen om de rol van deRaad voor de Kinderbescherming bij mediation in de wet op te nemen enom de inzet van herstelvoorzieningen in de praktijk bij jeugdigeverdachten te bevorderen. In dat geval kan ik het oordeel over die motieaan de Kamer laten.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Ik hoor de Staatssecretaris. Het is natuurlijk jammer dat hij het zoapprecieert, maar ik stel voor dat wij nog even goed kijken naar ditamendement, mede gelet op de opmerkingen die nu worden gemaakt. Ikdenk dat er een kans ligt om in ieder geval de Raad voor de Kinderbe-scherming iets meer ruimte te geven. Ik ga dus even met collega VanNispen in conclaaf over de manier waarop we dat gaan doen, maar wehechten er ontzettend aan dat die herstelvoorzieningen vaker wordengebruikt bij de jeugdigen. Ik snap wat de Staatssecretaris zegt over hetonderzoek van de officier van justitie of rechter. Ik laat dat dus nog evenindalen en ik ga kijken of we zelf tot een ander amendement komen, insamenspraak met de medewerkers van de Staatssecretaris, of een motieindienen. Daar komen we op terug.Staatssecretaris Struycken:Dan ben ik hiermee aan het eind gekomen van de vragen inzake hetjeugdstrafprocesrecht.Dan heb ik nog twee vragen en een amendement in de categorie overig.Ten eerste heb ik de vraag van de heer Van Nispen inzake een maximum-termijn voor de beantwoording van prejudiciële vragen. Die moeteninderdaad voortvarend worden beantwoord. Het doel van de prejudiciëleprocedure is immers dat de feitenrechter binnen korte termijn hetantwoord krijgt op een rechtsvraag. De voorgestelde regeling bevatverschillende elementen die de voortgang moeten bevorderen. De rechterkan bijvoorbeeld afzien van het stellen van een vraag als die vraag totonevenredige vertraging zou leiden, de verdachte kan zijn standpuntdaarover naar voren brengen, en de Hoge Raad kan om deze reden afzienvan het beantwoorden van een vraag als die ondanks bezwaar van deverdachte of de officier van justitie is gesteld. Hier komt bij dat in hetprocesreglement van de Hoge Raad expliciet is bepaald dat de proceduremet voortvarendheid moet worden gevoerd. Dit procesreglement van deHoge Raad bevat termijnen voor het indienen van schriftelijke opmer-kingen door de procespartijen. Ik zie geen aanleiding om hiernaast eentermijn voor de beantwoording van de prejudiciële vragen in het Wetboekvan Strafvordering vast te leggen. Naar verwachting zal een korteredoorlooptijd dan zes maanden in de praktijk overigens niet haalbaar zijn.Ik merk daarbij nog op dat de regeling van de prejudiciële procedure in deInnovatiewet Strafvordering is geëvalueerd. Uit die evaluatie blijkt dat deeerste prejudiciële vragen door de Hoge Raad binnen een periode vanminder dan zes maanden zijn beantwoord. In de beleidsreactie op deevaluatie, die op 13 december jongstleden naar uw Kamer is gestuurd, isTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7532 aangegeven dat er op grond van de uitkomsten van het onderzoek geenreden is voor het aanpassen van de wettelijke regeling van de prejudiciëleprocedure in het strafrecht. Dat geldt ook voor de invoering van eenwettelijke termijn.Dan kom ik op de vraag inzake ambtsdelicten. Die gaat over paragraaf 1.5.Waarom duurt het zo lang? Ook de regering is van mening dat de huidigeregels voor opsporing, vervolging en berechting van ambtsmisdrijvenbegaan door Kamerleden en bewindspersonen niet meer van deze tijdzijn. Daarom is in het regeerprogramma opgenomen dat het kabinetdoorgaat met de al aangekondigde herziening van deze regels in lijn methet advies van de commissie-Fokkens. Twee wetsvoorstellen zijn invoorbereiding: een wetsvoorstel voor aanpassing van de Grondwet eneen op de aanpassing van de Grondwet vooruitlopend wetsvoorstel voorde aanpassing van gewone wetten, met name het Wetboek van Strafvor-dering. Een belangrijke stap is recent gezet: de wetsvoorstellen zijn inconsultatie gegeven. Nadat de consultatietermijn op 1 maart 2025 afloopt,zullen de adviezen worden verwerkt en zullen de aangepaste wetsvoor-stellen voor advisering naar de Raad van State worden gezonden. Al metal is de verwachting dat de wetsvoorstellen nog voor de zomer van ditjaar bij de Tweede Kamer kunnen worden ingediend.Dan kom ik ten slotte tot een appreciatie van het amendement van de heerEllian op stuk nr. 24. Dat betreft beklag over het overnemen van gegevensen het bevelen om gegevens te verstrekken. Sorry, het betreft dat beklagen behelst het voorstel om de regel in 6.4.5, eerste lid onder a, te latenvervallen. Het amendement zou maken dat het niet meer mogelijk is omeen klaagschrift in te dienen over het overnemen van gegevens en overhet bevel om gegevens te verstrekken. Hiermee wordt een werklastver-lichting voor de politie, het Openbaar Ministerie en de rechtspraakbeoogd, zo lees ik in de toelichting op het amendement. De beklagmoge-lijkheden met betrekking tot gegevens zijn in het wetsvoorstel behouden.Het aanvankelijke, oorspronkelijke voorstel in de consultatieversie vanBoek 6 om deze beklagmogelijkheden te schrappen, stuitte op kritiek vande adviesorganen, met name van de Raad voor de rechtspraak en deNederlandse orde van advocaten. Die kritiek hield in dat er geen afdoendalternatief bestaat voor de mogelijkheid van beklag met betrekking totgegevens, terwijl het onderzoek van digitale gegevens in de opsporingalleen maar een grotere rol gaat spelen. Deze kritiek heeft geleid totbehoud van deze beklagmogelijkheden in het wetsvoorstel. Daar komt bijdat de beklagregeling ook bijdraagt aan de bescherming van de privacyvan onverdachte burgers. De overgenomen of verstrekte gegevenskunnen immers ook op hen betrekking hebben. Hier zou ik niet aan willenafdoen.Ik heb oog voor de beperkingen in de capaciteit van de politie, hetOpenbaar Ministerie en de rechtspraak, maar het is ook juist de recht-spraak die wijst op het belang van het behouden van de regeling. Deregeling van beklag over gegevens is weloverwogen tot stand gebracht ener is telkens een afweging gemaakt tussen de diverse betrokken belangen,zoals het belang van rechtsbescherming en het belang van stroomlijningvan het strafproces. Het amendement geeft mij geen aanleiding om degemaakte keuzes te heroverwegen. Daarom ontraad ik het amendement.Hiermee ben ik tot het einde van de beantwoording gekomen.De voorzitter:Ik dank u hartelijk. Dan gaan we kijken of er behoefte is aan een tweedetermijn. Het mag ook kort zijn, een enkele zin. Ik heb zelf een enkeleopmerking. Gaat uw gang, meneer Ellian.De heer Ellian (VVD):Waar ik elke week mee afsluit en wat ik wel belangrijk vind voor in deHandelingen: dank voor de open houding en de inhoudelijke beant-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7533 woording. Die geeft stof tot nadenken. We gaan ons beraden op hetgeengezegd is.De voorzitter:Dank u wel. Mevrouw Mutluer.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Ook mijn dank voor de goede antwoorden. Die maken dat ik een aantalvoorstellen, moties of amendementen niet ga indienen. Dat is dus heelfijn. Ik ben in ieder geval blij met de antwoorden ten aanzien van cassatie.Die waren vrij helder, dus ik laat het voor wat het is. Ik denk nog wel evenna over het expliciet opnemen in de wet dat vrijheidsbeneming vanjeugdigen enkel als ultimum remedium mag worden ingezet. Ik houd datnog even in overweging. Wellicht dat ik op dat punt toch wel ergens meekom.Wij gaan dus het amendement ten aanzien van herstelvoorzieningenaanpassen of niet indienen. Wij moeten even kijken wat we ermee doen:of het een motie wordt of dat we zelf een amendement indienen. In datlicht heb ik nog één vraag. Misschien kan de Minister – ja, wie weet: deMinister – of de Staatssecretaris te zijner tijd of nu dat antwoord geven.Hoe kijkt hij naar de mogelijkheid om bijvoorbeeld bij de beslissing overde voorlopige hechtenis van jeugdigen ook verplicht advies van de Raadvoor de Kinderbescherming mee te nemen? Vind hij dat een goed idee,omdat we dus wellicht opnieuw naar die rol moeten gaan kijken, ook bijhet wel of niet inzetten van herstelvoorzieningen? Ik bedacht dus: ook bijdie voorlopige hechtenis zou een dergelijke expert een rol kunnen spelen,maar ik kan nu even niet goed overzien wat dat dan betekent. Ik ben heelerg benieuwd hoe de Staatssecretaris daarnaar kijkt.De voorzitter:Dank u wel. Het woord is aan de heer Koops.De heer Koops (NSC):Ik heb de Staatssecretaris horen zeggen dat hij in de tweede termijn nogergens op zou terugkomen. Ik pieker al tien minuten wat het ook alweerwas. Maar gelet op de snelheid van onze tweede termijn zou ik haastzeggen dat de Staatssecretaris er ook voor kan kiezen volgende week datbericht te geven, want dan zitten we hier toch weer.Verder sluit ik mij honderd procent aan bij alle dank die reeds is uitge-sproken en maak ik die ook tot de mijne aan u.De voorzitter:Ook dit doen we iedere week. Daarna gaan we nog even terug naarmevrouw Mutluer.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Ik had een motie, maar die kan ik ook bij het plenaire debat indienen. Ikparkeer ’m. Het is allemaal goed.De voorzitter:Dan heb ik zelf toch nog een enkele opmerking. Ik ga toch nog een keerresumerend, omdat het ook aanzet tot nadenken, terug naar het hogerberoep en de zorgen die we hadden over de rechtsbescherming. DeStaatssecretaris zegt: het voortbouwend appel is niet nieuw. Het invoerenvan verplichte rechtsbijstand kost geld; hoeveel weten we nog niet.Enkelvoudige afdoening wordt het uitgangspunt. En het verlengen van determijn voor het instellen van hoger beroep, daar wil de Staatssecretarisook nog niet aan. Het is een optelsom der dingen; het zijn toch de zorgendie ik hier wel behoud over de rechtsbescherming in den brede. Ik weetnog niet goed wat ik hiermee aan moet. Ik ga ook kijken naar waar de heerTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7534 Koops mogelijk mee komt bij de plenaire afronding. Dat geldt uiteraardook voor anderen, maar de heer Koops zei het zo nadrukkelijk. Ik ga hierzelf geen amendement over maken, maar ik blijf hier wel bezorgd over.Positiever ben ik over de opmerkingen van de Staatssecretaris over deambtsdelicten en de commissie-Fokkens. Als er iets deze zomer zouworden ingediend, dan zou dat toch tien jaar na dato zijn, na deervaringen in de commissie-Schouten, waar ik in zat en die het lek van decommissie-stiekem onderzocht. Het heeft vrij lang geduurd, maar goed,dat is deze Staatssecretaris niet te verwijten.Tot slot over het herstelrecht voor jeugdigen. Ik sluit me wederom aan bijwat mevrouw Mutluer daarover zei. Ik zal de opmerkingen van deStaatssecretaris over het inperken van de rol van de rechter onthouden,als deze regering met een voorstel komt over het taakstrafverbod. Wehebben dat goed gehoord en opgeslagen.Ik wil toch nog een vraag hierover stellen. De Staatssecretaris wijst op dealgemene regeling, die misschien met ons amendement wordt verbeterd,ten aanzien van het herstelrecht, mede voor volwassenen. Het lijkt mijtoch dat er voor jeugdigen wel iets extra’s nodig is. De Staatssecretarisheeft wel een opening geboden om te kijken naar de rol van de Raad voorde Kinderbescherming en hij noemde ook die cijfers. En ja, dan is hetrelatief veel, maar op het totaal nog steeds niet zo heel erg veel. Ik deelmet mevrouw Mutluer dat het de intentie is om juist een amendement temaken dat de herstelrechtvoorziening voor jeugdigen nog meer vanzelf-sprekend maakt dan die al voor de volwassenen was. Dat was natuurlijkde achtergrond van het amendement. Juist bij jeugdigen en het pedago-gische uitgangspunt van het jeugdstrafrecht ligt het nog meer voor dehand dan bij volwassenen om dat echt als eerste overweging te hebben.Misschien hebben we het hier en daar nog onhandig geformuleerd.Vergeef het ons, het is voor verbetering vatbaar, dus we gaan onsberaden. Maar wellicht kan de Staatssecretaris toch positief eindigen, diegedachte ondersteunen en daarbij helpen.Dat was de tweede termijn van de kant van de Kamer. Dan kijken we naarde Staatssecretaris.Staatssecretaris Struycken:Voorzitter. Mevrouw Mutluer stelde in de tweede termijn een vraag. Ik kanhaar wellicht nu al verblijden met het antwoord dat hetgeen zij naar vorenbracht reeds is geregeld in artikel 6.1.8. Daarin staat dat de Raad voor deKinderbescherming in kennis wordt gesteld op het moment dat deverdachte wordt opgehouden voor onderzoek. Daarmee speelt het adviesvan de Raad voor de Kinderbescherming al een rol bij de beslissing overde afdoening en de voorlopige hechtenis. De Raad voor de Kinderbe-scherming speelt dus al een rol. Maar nu herinner ik me dat u specifiekvroeg naar een verlenging van de voorlopige hechtenis.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Ook. Ze kunnen worden betrokken, staat er toch? Het is iets vrijblijvender,dus ik vraag me onder andere af hoe dat in de praktijk uitpakt. Eninderdaad, de tweede vraag.Staatssecretaris Struycken:Dit betreft de voorlopige hechtenis. Strikt genomen is dat de portefeuillevan de Minister. Mag ik voorstellen dat we hier in een latere instantie opterugkomen, eventueel uiteindelijk in het plenaire debat?Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Via een schriftelijke terugkoppeling, neem ik dan aan.De voorzitter:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7535 Misschien mag ik mij hier als bewaker van de orde mee bemoeien. Ik denkdat het op dit punt nuttig zou kunnen zijn om de inbreng van de Kamerweer scherper te maken bij de plenaire behandeling en niet pas in determijn van de beantwoording van de regering. Ik denk dus dat hetbehulpzaam is als het schriftelijk zou kunnen.Staatssecretaris Struycken:Ja. Nog een ander alternatief is dat we volgende week nog een wetge-vingsoverleg hebben, waarbij de Minister aanwezig zal zijn. Daar zou hetterzijde dus ook nog aan de orde kunnen komen. Dat werpt de algemenevraag op hoe we verdergaan in dit proces, maar dat is misschien iets omafzonderlijk te bespreken.Mevrouw Mutluer heeft in de tweede termijn nog een vraag gesteld,namelijk over het verblijf in een politiecel. Het uitgangspunt is en blijftinderdaad dat de jeugdige verdachte alleen in een politiecel magverblijven als het niet anders kan. Artikel 37 van het internationaal verdragonderschrijft dit uitgangspunt. Op dit moment zijn er echter gevallenwaarin er geen andere beschikbare plaats beschikbaar is en waarin hetonderzoek wél noodzakelijk maakt dat een jeugdige wordt opgehoudenvoor onderzoek of in verzekering wordt gesteld. Het gaat dan meestal om16- of 17-jarigen die verdacht worden van ernstige misdrijven. Ik brachtnog even de vraag op of de formuleringen die in het wetsvoorstel tevinden zijn over een andere geschikte plaats, nieuw zijn, maar dat is niethet geval. Die bewoordingen worden immers ook thans al gebruikt inartikel 489, lid 3. Dit is dus niet nieuw in het Wetboek. Tegelijkertijdonderstreep ik dat dit een uitzonderlijke situatie moet zijn en blijven,hoewel het dat niet altijd is.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Dat snap ik. Het is de praktijk, maar ik wil de praktijk in de wet opgenomenzien. Eigenlijk was dat de opmerking die ik maakte.Staatssecretaris Struycken:Als ik mevrouw Mutluer goed versta, gaat het erom dat het een uitzonde-ringssituatie moet zijn. Dit in het algemeen onmogelijk maken ismisschien niet effectief, maar ik noteer de gedachte dat dit in de wet totuitdrukking gebracht zou moeten worden. Dat geldt overigens ook voor deopmerking van de heer Van Nispen over de optelsom van beslissingenmet betrekking tot de verschillende elementen van de regeling van hogerberoep en de zorgen over de rechtsbescherming. Ik neem goede nota vandie zorgen. Misschien is dit inderdaad een onderwerp dat in het plenairedebat nader aandacht moet krijgen, zoals u, voorzitter, ook suggereerde.Ten slotte nog een opmerking over de uitkomsten van de commissie-Fokkens. Ik zie op rechts dat ik wat al te vrolijk zei dat die voor de zomerzouden komen. Dat moet ik nuanceren naar in of kort na de zomer, maarop tien jaar zal twee maanden extra het verschil niet maken. Bovendienhoop ik dat de Kamerleden en de bewindspersonen zich in die periodenetjes gedragen.Ik geloof dat ik hiermee alle vragen heb beantwoord.De voorzitter:Ik kijk naar links en mijn conclusie is niet anders. Dat betekent dat we bijnaaan het eind gekomen zijn van dit wetgevingsoverleg. Ik zal de toezeg-gingen nog doornemen. Dat zijn er twee, als ik het goed zie.–De Staatssecretaris Rechtsbescherming zegt de Kamer toe in het derdekwartaal van 2025 in het geactualiseerde overzicht betreffende deeffecten van het nieuwe Wetboek van Strafvordering op de gesubsidi-eerde rechtsbijstand de financiële consequenties van de verplichterechtsbijstand in hoger beroep mee te nemen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7536 –De Staatssecretaris Rechtsbescherming zegt de Kamer toe voor deplenaire behandeling in maart 2025 de Kamer te informeren over demaximale sancties, opgelegd door de alleenzittende kinderrechter.De laatstgenoemde toezegging heeft betrekking op een vraag dieschriftelijk reeds een keer was gesteld, maar ik zie u vragend kijken.Hebben we het niet goed geformuleerd?Staatssecretaris Struycken:Jawel.De voorzitter:Ja, ook met deze toezegging wordt akkoord gegaan.Dan is er een einde gekomen aan dit wetgevingsoverleg. Ik bedank heelhartelijk de Staatssecretaris, zijn ondersteuning, de regeringscommissaris,nogmaals alle ambtenaren, die weer hard gewerkt hebben in de SuzeGroenewegzaal, de bode, de Dienst Verslag en Redactie, de mensen op depublieke tribune en natuurlijk onze griffier, de aanwezige Kamerleden enalle mensen die dit op een andere wijze hebben gevolgd. Hartelijk dankallemaal en ik wens u alvast een hele fijne avond.Sluiting 17.19 uur.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7537

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 75121234cff69e1c

14 okt 2026 · bf8fd153bcf52158

Gerelateerde bronnen

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.