Nota naar aanleiding van het verslag
Brontekst
Versie e1f58dae54287a02 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 922Wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 inverband met de verstrekking van eenaanvullende tegemoetkoming aan studenten dieonder het studievoorschotstelsel hebbengestudeerdNr. 7 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAGOntvangen 10 juni 2026 De regering dankt de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur enWetenschap voor de schriftelijke inbreng bij het wetsvoorstel tot wijzigingvan de Wet studiefinanciering 2000 in verband met de verstrekking vaneen aanvullende tegemoetkoming aan studenten die onder het studie-voorschotstelsel hebben gestudeerd. De regering is erkentelijk voor degetoonde belangstelling en de vragen van de leden van de fracties vanD66, VVD, GroenLinks-PvdA, CDA, JA21, BBB, DENK, SGP, Partij voor deDieren en ChristenUnie. Deze nota naar aanleiding van het verslag volgtde indeling van het verslag.I. Algemeen De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie delen de mening dat groepenstudenten die eerder buiten de tegemoetkoming vielen, alsnog eentegemoetkoming toe te kennen. Deze leden vragen zich af of hiermee allegroepen studenten in beeld zijn.Bij de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs is ervoor gekozen omalleen (oud-)studenten die binnen de diplomatermijn een diploma hebbenbehaald in aanmerking te laten komen voor de tegemoetkoming. De redenvoor deze diploma-eis was dat als er ten tijde van het leenstelsel wel eenbasisbeurs was geweest, dat een prestatiebeurs was geweest, die ookalleen bij het behalen van een diploma zou zijn omgezet in een gift.Bij dit wetsvoorstel wordt de doelgroep voor de tegemoetkominguitgebreid met (oud-)studenten die tijdens hun studie geconfronteerd zijnof worden met bijzondere omstandigheden en als gevolg daarvan geendiploma hebben kunnen behalen. Net als voor de (oud-)studenten diebinnen de diplomatermijn een diploma hebben behaald, geldt immersvoor hen dat als er ten tijde van het leenstelsel wel een basisbeurs in devorm van een prestatiebeurs was geweest, deze (op aanvraag) ook voorhen zou zijn omgezet in een gift. In zoverre hebben zij hetzelfde financieelnadeel ondervonden van het leenstelsel als (oud-)studenten die wel eendiploma hebben behaald.Hiermee zijn nu alle groepen (oud-)studenten die in aanmerking zoudenmoeten komen voor de tegemoetkoming in beeld. kst-36922-7ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 71 De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie, de JA21-fractie, de BBB-fractieen de CDA-fractie vragen om een overzicht van de hoogte van destudieschulden van de generatie studenten van vóór 2015, van degeneratie studenten tussen 2015–2023 en van de generatie studenten vanna 2023, en de (met inbegrip van de in dit wetsvoorstel geregeldetegemoetkoming) totale ontvangen tegemoetkoming. Ook zien de ledenvan de GroenLinks-PvdA-fractie graag in dit overzicht een onderverdelingnaar studenten die hun opleiding al dan niet met een diploma hebbenafgesloten, dan wel langer dan voorgeschreven over hun opleidinghebben gedaan.Om een indicatie te geven van de hoogte van studieschulden wordtgekeken naar de gemiddelde studieschuld die is opgebouwd tot en metstudiejaar 2024. Onderstaande tabel toont de gemiddelde studieschuldnaar instroomcohort naar onderwijsniveau. De bedragen zijn inclusiefrente en exclusief aflossingen op de studieschulden. Schulden van € 0 zijnook meegenomen in de gemiddelden. De gemiddelde studieschulden zijntot en met instroomcohort 2019/20 weergegeven. Voor de latere instroom-cohorten zijn de cijfers niet representatief, omdat het overgrote deel uitdie cohorten nog studeert waardoor de gemiddelde studieschuld nog zaltoenemen. Dit geldt deels ook voor de laatste twee cohorten in onder-staand overzicht.2014/152015/162016/172017/182018/192019/20HBO€ 13.387€ 20.686€ 20.698€ 19.328€ 15.959€ 12.538WO€ 24.171€ 34.051€ 33.741€ 31.642€ 26.002€ 19.313 (Oud-)bachelor-studenten uit het instroomcohort 2015/16 zijn de eerstestudenten die onder het leenstelsel studeerden. (Oud-)studenten uit hetinstroomcohort 2014/15 vallen nog onder het daarvoor geldendebasisbeursstelsel en hebben basisbeurs genoten voor de volledigenominale studieduur.Deze cijfers kunnen niet uitgesplitst worden naar (oud-)studenten die welof geen diploma hebben behaald. Deze cijfers zijn niet beschikbaar, omdateen deel van deze groep nog studeert. Naar verwachting zal ongeveer75 procent van de hbo-bachelor-, 85 procent van de wo-bachelor- en90 procent van de wo-master-studenten de opleiding met een diplomaafsluiten. Naar verwachting haalt ongeveer een derde van alle studentenhet diploma in de nominale studieduur. De definitieve cijfers zijn nog nietbeschikbaar, omdat ook hiervoor geldt dat een deel van deze groep nogstudeert.De leden van de JA21-fractie stellen dat het niet aannemelijk is dat de900.000 leden van de «pechgeneratie» allemaal in een financieel moeilijkesituatie zijn beland door de afschaffing van de basisbeurs en vragen of deregering heeft overwogen om te onderzoeken of maatwerktrajecten devoorkeur verdienen boven deze tweede generieke tegemoetkoming zodatde focus kan liggen op studenten die disproportioneel zijn benadeeld doorhet leenstelsel?In de hoofdlijnenbrief van maart 20221 is uiteengezet welke mogelijk-heden er zijn om de doelgroep voor de tegemoetkoming af te bakenen. Bijde Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs is ervoor gekozen omalle (oud-)studenten die onder het leenstelsel hebben gestudeerd inaanmerking te brengen voor de tegemoetkoming. Daarbij is inaanmerking genomen dat het leenstelsel voor al deze (oud-)studentengevolgen heeft gehad. In het kader van stabiel en duidelijk overheids-beleid heeft de regering ervoor gekozen om voor de aanvullende1Kamerstukken II 2021/22, 24 724, nr. 176.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 72 tegemoetkoming aan te sluiten bij deze afbakening van de doelgroep. Bijde aanvullende tegemoetkoming wordt net als bij de tegemoetkomingonderscheid gemaakt naar het aantal maanden dat een (oud-)studentonder het leenstelsel heeft gestudeerd, waarbij een minimum van twaalfmaanden wordt gehanteerd.Voornoemde leden vragen of de regering kan toelichten waarom de eersteonverplichte betaling «te laag» zou zijn en waarom de twee betalingen bijelkaar opgeteld wel passend zouden zijn?Bij een onverplichte tegemoetkoming als hier aan de orde kan perdefinitie geen eenduidige relatie gelegd worden tussen de aard van denadeelsituatie en het bedrag aan tegemoetkoming dat daarbij passend is.Er is daarom altijd een politieke afweging nodig om te komen tot eenpassend bedrag aan tegemoetkoming. De regering vindt het totaalbedragvan de beide tegemoetkomingen passend. Hiermee wordt een sluitendbetekenisvol en substantieel financieel gebaar gegeven als erkenning.Voornoemde leden vragen of de regering inzichtelijk kan maken bij welkegelegenheden eerder is besloten tot een onverplichte tegemoetkomingdoor de overheid en welke overwegingen hierbij een rol hebbengespeeld?Het Ministerie van Justitie en Veiligheid is in de «Staat van de wetgevings-kwaliteit» van oktober 2024 ingegaan op onverplichte tegemoetkomingendoor de overheid. Daarbij zijn verschillende, uiteenlopende, voorbeeldengenoemd van onverplichte tegemoetkomingen in het verleden: «Het kangaan om compensatie voor (natuur)rampen, zoals overstromingen, ofcompensatie ter bescherming van de economie, zoals de diversecompensatieregelingen die in het kader van de coronapandemie of deenergiecrisis als gevolg van de inval van Rusland in Oekraïne tot standzijn gekomen. Ook erkenning van leed kan een reden zijn voor eencompensatieregeling; denk aan de tegemoetkoming voor zorgmede-werkers met langdurige post-COVID klachten.»2 Zoals de Afdelingadvisering van de Raad van State in «Tegemoetkomen doe je niet zomaar,een afwegingskader voor onverplicht handelen van de overheid bijklemmende situaties» van mei 2025 heeft gesteld: «[...] is [er] geenalgemeen antwoord te geven op de vraag wanneer de overheid zich eensituatie moet aantrekken; elke situatie vereist een individuele en integraleafweging. Omdat er geen sprake is van juridische verplichtingen, zullenethische, sociale, economische en politieke overwegingen de basisvormen voor het onverplichte handelen door de overheid. Ook debeschikbare publieke middelen en beleidsprioriteiten spelen een rol.»3Voornoemde leden vragen aandacht voor het volgende. Het wetsvoorstelbreidt het aantal studenten met deze tweede tegemoetkoming uit metnieuwe categorieën, studenten die tijdens het leenstelsel geen studiefi-nanciering hebben ontvangen en die door bijzondere omstandighedengeen diploma hebben gehaald, dan wel langer hebben gedaan over hetbehalen van hun diploma. Kan de regering uitleggen hoe DUO in dezegevallen vaststelt of sprake is van bijzondere omstandigheden? Dezeleden vragen of DUO de regering heeft laten weten of de controles dienodig zijn door de uitbreiding met nieuwe groepen studenten die inaanmerking komen voor een tegemoetkoming uitvoerbaar zijn en of hetvoor studenten doenlijk is om met terugwerkende kracht aan te tonen datzij door bijzondere omstandigheden zijn benadeeld?2Ministerie van Justitie en Veiligheid, «Staat van de wetgevingskwaliteit», oktober 2024,p. 22–26.3Afdeling advisering van de Raad van State, «Tegemoetkomen doe je niet zomaar, Eenafwegingskader voor onverplicht handelen van de overheid bij klemmende situaties»,mei 2025, p. 12.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 73 Deze nieuwe groep (oud-)studenten die met bijzondere omstandighedente maken heeft gehad, bestaat uit ongeveer 5.800 (oud-)studenten diestudiefinanciering hebben ontvangen en naar verwachting uit enkeletientallen (oud-)studenten die geen studiefinanciering hebben aange-vraagd.De eerste groep (oud-)studenten (die studiefinanciering heeft ontvangen),hoeft geen aanvraag te doen voor de tegemoetkoming en hoeft ook nietopnieuw hun bijzondere omstandigheden aan te tonen. DUO beschiktnamelijk al over hun gegevens. Zij krijgen de tegemoetkoming en deaanvullende tegemoetkoming ambtshalve toegekend. Dit zal gebeurennadat is vastgesteld dat bij de (oud-)student sprake is van bijzondereomstandigheden als bedoeld in artikel 5.15 of 5.16, derde lid, WSF 2000als gevolg waarvan de (oud-)student geen diploma heeft kunnen behalen.Concreet betekent dit dat deze (oud-)student via de bestaande aanvraag-procedure eerst een verzoek heeft gedaan of doet om vanwege bijzondereomstandigheden de prestatiebeurs om te zetten in een gift.De tweede groep (oud-)studenten (die geen studiefinanciering heeftaangevraagd), moet zelf een aanvraag doen voor de tegemoetkoming.DUO beschikt niet over hun gegevens. Deze (oud-)studenten moetendaarbij aantonen dat zij als gevolg van bijzondere omstandigheden hetzijgeen diploma hebben kunnen behalen hetzij er langer dan tien jaar totmaximaal vijftien jaar over hebben gedaan om een diploma te behalen.(Oud-)studenten kunnen dit aantonen met een beschikking van eenWajong-uitkering (artikel 5.15 WSF 2000), respectievelijk met eenverklaring van hun onderwijsinstelling en bij bijzondere medischeomstandigheden aangevuld met een verklaring van een arts (artikel 5.16WSF 2000). Hierbij zal de (oud-)student doorgaans ervan afhankelijk zijn ofde bijzondere omstandigheden bekend zijn bij zijn onderwijsinstelling ende arts. Naarmate meer tijd zit tussen de aanvraag en het moment dat debijzondere omstandigheden zich voordeden, kan dit lastiger worden. Dezesituatie doet zich overigens ook nu al voor bij aanvragen in het kader vande Voorziening Prestatiebeurs die ook tot vijf jaar na afloop van dediplomatermijn kunnen worden ingediend. Er is helaas geen andere eneenvoudigere mogelijkheid om vast te stellen dat deze (oud-)studenten opgrond van bijzondere omstandigheden recht hebben op de tegemoet-koming. Daarbij komt dat de regering het wenselijk vindt om(oud-)studenten met bijzondere omstandigheden die wel en die geenstudiefinanciering hebben aangevraagd wat betreft de tegemoetkomingzoveel mogelijk gelijk te behandelen.DUO heeft op 14 mei 2025 een uitvoeringstoets en op 10 februari 2026 eenaanvullende uitvoeringstoets uitgebracht. DUO heeft geconcludeerd dathet wetsvoorstel, waaronder ook dit onderdeel, uitvoerbaar is. Debeoordeling van de naar schatting enkele tientallen aanvragen waarbijsprake is van bijzondere omstandigheden is volgens DUO wel complexervoor haarzelf, onderwijsinstellingen en artsen, omdat er meer tijd zalzitten tussen de aanvraag en het beëindigen van de studie.Voornoemde leden vragen hoe de regering zal reageren wanneer blijkt datde uitkering van de tweede tegemoetkoming niet wordt begrepen door(een deel van) de begunstigde studenten die vervolgens zullenaandringen op een derde ronde van tegemoetkomingen?De regering onderschrijft het uitgangspunt van de Afdeling advisering vande Raad van State dat een onverplichte tegemoetkoming in beginsel«eenmalig» en «definitief» hoort te zijn. De regering beschouwt decombinatie van de tegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkomingals «definitief». De regering geeft hiermee aan de betrokken groep(oud-)studenten een sluitend betekenisvol en substantieel financieelTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 74 gebaar als erkenning. De regering ziet in lijn met het advies van deAfdeling geen reden voor een derde ronde onverplichte tegemoetkomingen ziet hiervoor ook geen ruimte. Als het wetsvoorstel is aangenomen,dan zal de regering de discussie over deze maatschappelijke kwestie alsafgesloten beschouwen.De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in het antwoord van deregering op het advies van de Raad van State dat de regering ervoor heeftgekozen om af te wijken van het uitgangspunt dat een onverplichtetegemoetkoming «eenmalig» dient te zijn om de reden dat de regeringvan mening is dat de eerder ingevoerde tegemoetkoming te laag is. Kande regering inhoudelijk onderbouwen waarom de aanvullende tegemoet-koming, geregeld in dit wetsvoorstel, wél toereikend zou zijn?Bij een onverplichte tegemoetkoming als hier aan de orde kan perdefinitie geen eenduidige relatie gelegd worden tussen de aard van denadeelsituatie en het bedrag aan tegemoetkoming dat daarbij passend is.De ervaring van elke (oud-)student met het leenstelsel is immers anders.Er is daarom altijd een politieke afweging nodig om te komen tot eenpassend bedrag aan tegemoetkoming. De regering vindt het totaalbedragvan de beide tegemoetkomingen passend. Hiermee wordt een sluitendbetekenisvol en substantieel financieel gebaar gegeven als erkenning.De leden van de ChristenUnie-fractie maakten zich ten tijde van hetleenstelsel niet alleen zorgen over de effecten van het leenstelsel, maarook over de toenemende druk in den brede waar jongeren mee te makenhadden. Deze leden wijzen in dit verband bijvoorbeeld op het advies vanhet SER Jongerenplatform «Hoge verwachtingen» uit 2019, waarin ondermeer wordt gewezen op de effecten van de stapeling van beleid. Debasisbeurs is opnieuw ingevoerd, maar de hoge druk waar jonge mensenmee te maken hebben is er nog steeds, zo zien deze leden. Zij vragen indat kader hoe de regering nu, zeven jaar later, de positie van dezogenoemde «leenstelselgeneratie» taxeert, bijvoorbeeld op de woning-markt. Zij vragen ook in hoeverre de aanbevelingen van toen zijnopgevolgd en in hoeverre er verbetering is opgetreden in de situatie vanjongeren sinds de genoemde analyse uit 2019. Zij vragen daarnaast of deregering de noodzaak ziet voor een nieuw advies over de positie vanjongeren en de druk waar ze mee te maken hebben, als vervolg op hetadvies van het SER Jongerenplatform uit 2019. Zo ja, is de regering bereideen adviesorgaan als de SER voor te vragen? Zo nee, waarom niet?Voor elke generatie geldt dat zij te maken kan krijgen met overheidsbeleidwaarvan zij positievere dan wel negatievere gevolgen kan ervaren invergelijking met andere generaties. Zoals in de memorie van toelichtingbij de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs is beschreven, geldtin die gevallen dat er juridisch geen verplichting is om hiervoor eentegemoetkoming te verstrekken. In die memorie van toelichting is echterook aangegeven dat de (oud-)studenten die gestudeerd hebben onder hetleenstelsel in een bijzondere positie verkeren ten opzichte van de(oud-)studenten die vóór en ná het leenstelsel hebben gestudeerd. Deregering heeft ingezien dat het als wrang kan worden ervaren dat dezegroep (oud-)studenten anders dan de generaties vóór en ná hen geenbasisbeurs heeft mogen genieten. Daarom wordt deze groep(oud-)studenten ook tegemoetgekomen met een financieel gebaar alserkenning. Naar de mening van de regering wordt hiermee een sluitendbetekenisvol en substantieel financieel gebaar gegeven als erkenning.Wat betreft de woningmarkt is het moeilijk om te duiden wat de positie isvan de generatie die onder het leenstelsel heeft gestudeerd. Bij hetaangaan van een hypotheek wordt ook gekeken naar de maandlasten dieeen (oud-)student heeft bij DUO voor het afbetalen van een studieschuld.Sommige (oud-)studenten hebben door het leenstelsel meer moetenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 75 lenen, waardoor zij een hogere studieschuld hebben opgebouwd. De(oud-)studenten onder het leenstelsel zijn echter ook de eerste generatiestudenten die hun studieschuld in 35 jaar mogen aflossen in plaats van15 jaar. Een langere aflosduur betekent lagere maandlasten. Het effect vanhet invoeren van het leenstelsel op bijvoorbeeld de woningmarkt isdaarmee moeilijk te duiden. Daarnaast spelen op de woningmarkt ookandere factoren een rol die de kansen op deze markt beïnvloeden. Bij debehandeling van de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs in deEerste Kamer heeft de regering toegezegd onderzoek te doen naar depositie van de leenstelselstudenten op de woningmarkt en arbeidsmarkt.Dit onderzoek wordt in 2027 uitgevoerd.Het rapport van de SER uit 2019 doet in totaal tien aanbevelingen,waarvan er vier raken aan dit wetsvoorstel. Allereerst wordt de aanbe-veling gedaan om onderzoek te doen naar het (sociaal) leenstelsel. In 2020heeft de evaluatie van het leenstelsel plaatsgevonden. De beleidsdoor-lichting van artikel 11 (studiefinanciering) van de begroting van hetMinisterie van OCW (VIII) laat zien dat het leenstelsel geen negatief effectheeft gehad op de toegankelijkheid van het hoger onderwijs als naar hetgeheel wordt gekeken.4 Daarnaast wordt in het trendrapport hogeronderwijs jaarlijks de gemiddelde studieschuld (inclusief rente enexclusief aflossingen) van de groep leenstelselstudenten in beeldgebracht. Het voornemen is om vanaf komend trendrapport ook deactuele gemiddelde studieschuld (inclusief rente en inclusief aflossingen)en de aflossing op de studieschuld van deze groep debiteuren in beeld tebrengen.Een andere aanbeveling in het SER-rapport is om de financiële positie vanjongeren inzichtelijk te maken. De regering blijft de financiële positie vanstudenten monitoren. Onder meer door het tweejaarlijkse studentenon-derzoek door het Nibud. Dit onderzoek is voor het laatst in 2024verschenen en wordt nu opnieuw uitgevoerd. Ook stelt het Nibud metsubsidie van het Ministerie van OCW jaarlijks koopkrachtplaatjes op voorstudenten.Een andere aanbeveling in het SER-rapport is om aandacht te hebbenvoor prestatiedruk en psychische klachten. De regering heeft verschillendemaatregelen in gang gezet om te werken aan het mentaal welzijn vanjongeren in het hbo en wo. Zo is in 2021 de monitor mentale gezondheiden middelengebruik van studenten in het hbo en wo voor het eerstgepubliceerd, in opdracht van de Ministeries van OCW en VWS. Inmiddelszijn er drie metingen van de monitor geweest (2021, 2023, 2025) en is ergelukkig een positieve trend te zien in het mentaal welzijn van studenten:studenten ervaren minder emotionele uitputtingsklachten, eenzaamheiden prestatiedruk. Tegelijkertijd zijn de cijfers nog steeds zorgwekkend en isblijvende inzet vanuit de overheid en onderwijsinstellingen op dit themanodig. De regering blijft daarom onverminderd werken aan deze aanpak.In 2023 is het Landelijk Kader Studentenwelzijn opgezet, waarin hetMinisterie van OCW met de koepels UNL en VH en de studentenorgani-saties ISO en LSVb afspraken heeft gemaakt over een gezamenlijkeaanpak voor studentenwelzijn (tot 2030). Instellingen ontvangen€ 15 miljoen per jaar voor de uitvoering hiervan. Onlangs heeft eentussenevaluatie van het kader plaatsgevonden. De reactie op de tusse-nevaluatie is op 28 mei 2026 naar uw Kamer gestuurd.5 Ook is in 2023 hetprogramma studentenwelzijn (Stijn) opgezet. Stijn wordt uitgevoerd doorhet Trimbos Instituut, ECIO en Pharos en helpt mbo-, hbo- en4ResearchNed, Beleidsdoorlichting artikel 11 Studiefinanciering: Onderzoek in opdracht van hetMinisterie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2020.5Kamerbrief «Welzijn en onderwijs», 28 mei 2026, kenmerk 2026Z11170.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 76 wo-instellingen, gemeenten en preventie- en zorgprofessionals omintegraal te werken aan studentenwelzijn. Het programma richt zich optwee thema’s: mentale gezondheid en middelengebruik. De regering blijftde mentale gezondheid van studenten monitoren en houdt uw Kamerhiervan op de hoogte.Tot slot bevat het SER-rapport ook een aanbeveling met betrekking tot dewoningmarkt. De SER heeft aanbevolen om vast te leggen dat hypotheek-verstrekkers alleen de actuele studieschuld meenemen in de berekeningvan de maximale hypotheekhoogte. Deze aanbeveling is opgevolgd. Vanaf2024 geldt een nieuwe systematiek en zijn de actuele maandlasten van destudieschuld bepalend voor de impact op de leenruimte.De SER heeft in oktober 2025 een nieuw advies uitgebracht onder de titel’t Tij keren; Kansen en belemmeringen voor jongeren in 2025. In ditrapport wordt aangekondigd dat het SER Jongerenplatform drie thema’sverder gaat verkennen, waaronder de financiële positie van studenten. Deregering ziet mede daarom geen noodzaak om opnieuw advies aan deSER te vragen.1. Hoofdlijnen van het voorstel De leden van de VVD-fractie constateren dat het wetsvoorstel voorziet ineen tweede, aanvullende tegemoetkoming bovenop de eerder ingevoerderegeling. Deze leden zien dat de regering deze aanvullende tegemoet-koming motiveert met de stelling dat de eerdere tegemoetkomingonvoldoende zou zijn. Zij vragen de regering om deze motivering nader teonderbouwen. Kan de regering nader toelichten op basis van welkecriteria is vastgesteld dat de eerdere tegemoetkoming onvoldoende was,zo vragen zij. Zij vragen de regering te bevestigen dat het oorspronkelijkebedrag destijds als passend is beoordeeld en waarom daar nu andersnaar gekeken wordt.Het parlement heeft bij de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijsde hoogte van het bedrag van de tegemoetkoming gewogen enbekrachtigd. Het kabinet-Schoof is tot de conclusie gekomen dat detegemoetkoming te laag is, heeft in zijn regeerprogramma middelenvrijgemaakt voor een aanvullende tegemoetkoming en heeft hiervoor eenwetsvoorstel in procedure gebracht. De regering wenst dit voort te zetten.Bij een onverplichte tegemoetkoming als hier aan de orde kan perdefinitie geen eenduidige relatie gelegd worden tussen de aard van denadeelsituatie en het bedrag aan tegemoetkoming dat daarbij passend is.De ervaring van elke (oud-)student met het leenstelsel is immers anders.Er is daarom altijd een politieke afweging nodig om te komen tot eenpassend bedrag aan tegemoetkoming. In haar afwegingskader vooronverplicht handelen van de overheid bij klemmende situaties stelt deAfdeling advisering van de Raad van State onder meer dat «er [...] geenalgemeen antwoord te geven [is] op de vraag wanneer de overheid zicheen situatie moet aantrekken; elke situatie vereist een individuele enintegrale afweging. Omdat er geen sprake is van juridische verplichtingen,zullen ethische, sociale, economische en politieke overwegingen de basisvormen voor het onverplichte handelen door de overheid. Ook debeschikbare publieke middelen en beleidsprioriteiten spelen een rol.»6 Deregering is zich hiervan bewust en heeft dit betrokken bij haar afwegingom tot een aanvullende tegemoetkoming te komen. Hierbij hebben met6Afdeling advisering van de Raad van State, «Tegemoetkomen doe je niet zomaar, Eenafwegingskader voor onverplicht handelen van de overheid bij klemmende situaties», mei2025, p. 12.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 77 name sociale en politieke overwegingen en de beschikbare publiekemiddelen een rol gespeeld.De leden van de VVD-fractie vragen de regering nader in te gaan op hetadvies van de Raad van State dat stelt dat voor een onverplichtetegemoetkoming zwaarwegende redenen noodzakelijk zijn en dat deze inde toelichting ontbreken. Deze leden vragen zich af welke zwaarwegenderedenen de regering hier ziet.In de memorie van toelichting bij de Wet herinvoering basisbeurs hogeronderwijs heeft de regering uiteengezet waarom zij van mening is dataanleiding bestaat om (oud-)studenten die zonder basisbeurs onder hetleenstelsel hebben gestudeerd in aanmerking te brengen voor eentegemoetkoming. De regering heeft gemotiveerd dat zij hiertoe juridischniet verplicht is, maar zich daartoe wel geroepen voelt gezien debijzondere situatie waarin deze (oud-)studenten verkeren. De regeringachtte het voor de (oud-)studenten die gedurende de – relatief korte –periode van het leenstelsel hebben gestudeerd wrang dat zij, anders danvoorgaande en komende generaties, geen gebruik hebben kunnen makenvan een basisbeurs. Deze (oud-)studenten hebben ten opzichte van zowelde studenten vóór hen als (naar verwachting) de studenten ná hengemiddeld gezien een hogere studieschuld opgebouwd of hebben,doordat zij zich bijvoorbeeld genoodzaakt voelden meer te gaan werken,andere gevolgen van het leenstelsel ondervonden. Bij de behandeling vande Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs heeft het parlement dezemotivering gewogen en bekrachtigd. Waar deze motivering opgaat voorde tegemoetkoming, gaat deze ook op voor de aanvullende tegemoet-koming. De tegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkoming dienenimmers samen één doel; namelijk om richting (oud-)studenten die zonderbasisbeurs onder het leenstelsel hebben gestudeerd een gebaar te makenter erkenning van bovengenoemde bijzondere, wrange, situatie.De leden van de VVD-fractie hechten bijzonder aan een betrouwbareoverheid die consistent is in haar beleid. Deze leden delen de zorgen vande Raad van State over het ondermijnen van het karakter van eeneenmalig gebaar door herhaalde tegemoetkomingen en dat dit verwach-tingen kan scheppen van verdere compensatie. Zij vragen de regeringdaarom toe te lichten of zij deze aanvullende tegemoetkoming wel alsdefinitieve compensatie ziet en waarom.De regering onderschrijft het uitgangspunt van de Afdeling advisering vande Raad van State dat een onverplichte tegemoetkoming in beginsel«eenmalig» en «definitief» hoort te zijn. De regering beschouwt decombinatie van de tegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkomingals «definitief». De regering geeft hiermee aan de betrokken groep(oud-)studenten een sluitend betekenisvol en substantieel financieelgebaar als erkenning.De leden van de SGP-fractie vragen of de regering kan toelichten waaromhet niet mogelijk is om in plaats van twee afzonderlijke geregeldetegemoetkomingen te komen tot een enkele tegemoetkoming, waarvanhet eerste deel in veel gevallen reeds uitbetaald is, aangezien dedoelgroepen van beide regelingen samenvallen.De tegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkoming dienen samenéén doel; namelijk om richting (oud-)studenten die zonder basisbeursonder het leenstelsel hebben gestudeerd een gebaar te maken alserkenning. Juist omdat de tegemoetkoming al aan het grootste deel vande (oud-)studenten is toegekend, heeft de regering ervoor gekozen om inde wetgeving naast de tegemoetkoming een aanvullende tegemoet-koming op te nemen. Twee aparte tegemoetkomingen en twee apartebedragen bieden meer duidelijkheid voor de (oud-)studenten. Ook is ditTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 78 onderscheid nodig voor de inrichting van de systemen van DUO en deuitvoering door DUO.1.1. Probleembeschrijving en doelstellingen 1.1.1. De tegemoetkoming De leden van de CDA-fractie vragen de regering of er ook gegevensbekend zijn van jongvolwassenen die de keuze hebben gemaakt niet tegaan studeren door het wegvallen van de basisbeurs en zo ja, of deregering deze cijfers kan delen.De gegevens die de leden van de CDA-fractie vragen, zijn nietbeschikbaar. De beleidsdoorlichting van artikel 11 (studiefinanciering) vande begroting van het Ministerie van OCW (VIII) laat zien dat het leenstelselgeen negatief effect heeft gehad op de toegankelijkheid van het hogeronderwijs.7De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen zich af op basis vanwelke redenatie de regering vaststelt dat de eerdere tegemoetkoming telaag was en eveneens op basis waarvan de regering de conclusie trekt dathet nu beschikbaar gestelde budget van € 1,4 miljard, wat leidt tot eenbedrag van € 44,50 per (oud-)student per maand, wél passend is.Bij een onverplichte tegemoetkoming als hier aan de orde kan perdefinitie geen eenduidige relatie gelegd worden tussen de aard van denadeelsituatie en het bedrag aan tegemoetkoming dat daarbij passend is.De ervaring van elke (oud-)student met het leenstelsel is immers anders.Er is daarom altijd een politieke afweging nodig om te komen tot eenpassend bedrag aan tegemoetkoming. De regering vindt het totaalbedragvan de beide tegemoetkomingen passend. Hiermee wordt een sluitendbetekenisvol en substantieel financieel gebaar gegeven als erkenning.Voornoemde leden vragen zich af of de regering over de hoogte van hetbedrag met studentenorganisaties gesproken heeft. Is de regering zichbewust van het feit dat de LSVb8 het genoemde bedrag als te laagbeschouwt en meerdere reacties op de internetconsultatie dezelfdeboodschap geven?9Bij de voorbereiding van dit wetsvoorstel is met het ISO en de LSVbgesproken over de aanvullende tegemoetkoming. Hierbij zijn zij ookgewezen op de start van de internetconsultatie. De LSVb en een deel vande overige 22 respondenten bij de internetconsultatie hebben kenbaargemaakt het bedrag van de aanvullende tegemoetkoming te laag tevinden. Zij vinden dit bedrag te laag in verhouding tot de gemistebasisbeurs, de hoogte van hun studieschuld of hun huidige persoonlijkeomstandigheden. De regering is zich van deze reacties bewust.Voornoemde leden vragen hoe de regering kijkt naar het eerdereonderzoek van het CPB10 waaruit blijkt dat de studieschuld van de eerstegroep hbo-studenten die onder het leenstelsel vielen gemiddeld € 7.800hoger is dan van de groep die een jaar voor het leenstelsel begon en datdit verschil voor wo-studenten zelfs € 10.000 is?11 Hoe vergelijkt deregering dit bedrag met de aanvullende tegemoetkoming van € 2.136,00per vier jaar studie die dit wetsvoorstel regelt?De regering benadrukt dat er juridisch geen verplichting is om detegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkoming te verstrekken. De7ResearchNed, Beleidsdoorlichting artikel 11 Studiefinanciering: Onderzoek in opdracht van hetMinisterie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2020.8LSVb: Landelijke Studentenvakbond.9Internetconsultatie, reactie Landelijke Studentenvakbond.10CPB: Centraal Planbureau.11Centraal Planbureau, 10 december 2024, Een betere kijk op studieschulden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 79 tegemoetkomingen zijn niet bedoeld als compensatie voor de gemistebasisbeurs of een hogere studieschuld, maar als gebaar van erkenningvoor leenstelselstudenten. De regering vindt het totaalbedrag van debeide tegemoetkomingen hiervoor passend. Het totaalbedrag aantegemoetkoming en aanvullende tegemoetkoming is € 3.830,88 bij vierjaar studie zonder basisbeurs onder het leenstelsel (prijspeil 2026).Hiermee wordt een sluitend betekenisvol en substantieel financieel gebaargegeven als erkenning.Voornoemde leden vragen zich af op basis waarvan de regering hetgepast acht om zelf «een punt achter deze maatschappelijke kwestie» tezetten. Is het niet aan de (oud-)studenten zélf om te beoordelen of zijvinden dat er met dit wetsvoorstel een punt wordt gezet achter dekwestie? Hoe beoordeelt de regering in dat licht het advies van de Raadvan State dat waarschuwt dat de regering niet motiveert waarom deeerdere tegemoetkoming «te laag» zou zijn en waarom de twee tegemoet-komingen bij elkaar opgeteld wel «passend» zouden zijn, het daardoor«niet duidelijk is of het voorstel bijdraagt aan een behoefte aanerkenning» en tot slot het risico schetst dat hierdoor «de maatschappelijkekwestie niet wordt afgesloten»?De regering onderschrijft het uitgangspunt van de Afdeling advisering vande Raad van State dat een onverplichte tegemoetkoming in beginsel«eenmalig» en «definitief» hoort te zijn. De regering beschouwt decombinatie van de tegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkomingals «definitief». De regering geeft hiermee aan de betrokken groep(oud-)studenten een sluitend betekenisvol financieel en substantieelgebaar als erkenning.Bij een onverplichte tegemoetkoming als hier aan de orde kan perdefinitie geen eenduidige relatie gelegd worden tussen de aard van denadeelsituatie en het bedrag aan tegemoetkoming dat daarbij passend is.De ervaring van elke (oud-)student met het leenstelsel is immers anders.Er is daarom altijd een politieke afweging nodig om te komen tot eenpassend bedrag aan tegemoetkoming.Het zal per (oud-)student verschillen of dit financieel gebaar in voldoendemate bijdraagt aan erkenning. Ook zal het per (oud-)student verschillen ofzij het totaalbedrag aan tegemoetkoming passend vinden. Als gezegd, isde ervaring van elke (oud-)student met het leenstelsel immers anders. Alshet wetsvoorstel is aangenomen, dan zal de regering de discussie overdeze maatschappelijke kwestie als afgesloten beschouwen.Voornoemde leden vragen hoe de regering in dat licht het standpunt vande LSVb beoordeelt, dat het genoemde bedrag «volledig ontoereikend»beschouwt en «een druppel op een gloeiende plaat» noemt? Op welkemanier heeft de regering de input van studentenvertegenwoordigersmeegenomen? Is de regering het met deze leden eens dat het belangrijk isdat er draagvlak is onder studentenvertegenwoordigers voor het voorstel,gezien de ernstige fout die de overheid heeft gemaakt door ooit hetleenstelsel in te voeren?Bij de voorbereiding van het wetsvoorstel is gesproken met het ISO en deLSVb over de aanvullende tegemoetkoming. Hierbij zijn zij ook gewezenop de start van de internetconsultatie. De LSVb heeft kenbaar gemaakt hetbedrag van de aanvullende tegemoetkoming te laag te vinden. Deregering ziet dat anders. De regering vindt het totaalbedrag van de beidetegemoetkomingen passend. De regering vindt dit bedrag ook substan-tieel en zeker niet «een druppel op een gloeiende plaat». Dit is eenpolitieke afweging. Het in het regeerprogramma van het kabinet-Schoofbeschikbaar gestelde budget van € 1,4 miljard heeft hierbij het kadergevormd. De regering hecht net als de leden van de Partij voor deDieren-fractie aan een zo groot mogelijk draagvlak. Het is echter nietrealistisch om te verwachten dat deze onverplichte tegemoetkoming opTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 710 een volledig draagvlak kan rekenen, omdat er immers een politiekeafweging is gemaakt.1.1.2. Een aanvullende tegemoetkoming De leden van de CDA-fractie lezen dat de hoogte van de tegemoetkomingte laag wordt geacht en vragen de regering toe te lichten hoe zij tot dezeconclusie is gekomen.In haar afwegingskader voor onverplicht handelen van de overheid bijklemmende situaties stelt de Afdeling advisering van de Raad van Stateonder meer dat «er [...] geen algemeen antwoord te geven [is] op de vraagwanneer de overheid zich een situatie moet aantrekken; elke situatievereist een individuele en integrale afweging. Omdat er geen sprake isvan juridische verplichtingen, zullen ethische, sociale, economische enpolitieke overwegingen de basis vormen voor het onverplichte handelendoor de overheid. Ook de beschikbare publieke middelen en beleidspriori-teiten spelen een rol.»12 De regering is zich hiervan bewust en heeft ditbetrokken bij haar afweging om tot een aanvullende tegemoetkoming tekomen. Hierbij hebben met name sociale en politieke overwegingen en debeschikbare publieke middelen een rol gespeeld.Voornoemde leden lezen dat de aanvullende tegemoetkoming € 44,50 permaand bedraagt die een student onder het leensteelstel heeft gestudeerden verzoeken de regering om de onderbouwing van dat bedrag toe telichten.Bij de berekening van het bedrag aan aanvullende tegemoetkoming is hetin het regeerprogramma van het kabinet-Schoof hiervoor opgenomenbudget van € 1,4 miljard als uitgangspunt genomen. Hieruit zijn eerst deuitvoeringskosten en de kosten voor de uitbreiding van de doelgroepgedekt. Vervolgens is berekend hoeveel de aanvullende tegemoetkomingper (oud-)student per maand bedraagt (inclusief de uitgebreidedoelgroep). Inclusief indexering komt deze berekening uit op een bedragaan aanvullende tegemoetkoming van € 44,50 per gestudeerde maandzonder basisbeurs onder het leenstelsel (prijspeil 2026).De leden van de DENK-fractie vragen of de regering nader kan motiverenwaarom zij nu pas tot de conclusie komt dat de eerdere tegemoetkomingonvoldoende was?Het parlement heeft bij de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijshet bedrag van de tegemoetkoming gewogen en bekrachtigd. In hetparlement was destijds discussie over de hoogte van het bedrag. Dit heefttoen echter niet geleid tot een verhoging. Het kabinet-Schoof is tot deconclusie gekomen dat de tegemoetkoming te laag is, heeft in zijnregeerprogramma € 1,4 miljard aan middelen vrijgemaakt voor eenaanvullende tegemoetkoming en heeft een wetsvoorstel in proceduregebracht. De regering wenst dit wetsvoorstel voort te zetten. Het eerderbeschikbaar gestelde budget vormt hierbij het kader. Bij een onverplichtetegemoetkoming als hier aan de orde is altijd een politieke afwegingnodig. Deze politieke afweging heeft hier geleid tot het onderhavigewetsvoorstel.Voornoemde leden vragen op welke wijze bij het bepalen van deaanvullende tegemoetkoming rekening is gehouden met de gestegeninflatie en de torenhoge rente op de studieschulden, die voor veeloud-studenten een zware last vormen?12Afdeling advisering van de Raad van State, «Tegemoetkomen doe je niet zomaar, Eenafwegingskader voor onverplicht handelen van de overheid bij klemmende situaties»,mei 2025, p. 12.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 711 De aanvullende tegemoetkoming wordt per 1 januari 202713 jaarlijksgeïndexeerd aan de hand van de consumentenprijsindex (CPI). Hierdoorwordt rekening gehouden met de inflatie, zodat de koopkracht van detegemoetkoming op peil blijft. In de praktijk wordt hierdoor ook rekeninggehouden met de rente op studieleningen. Er is echter geen koppelingmet de rente op studieleningen. De tegemoetkoming is niet alleenbeschikbaar voor (oud-)studenten met een studieschuld (waarover zijrente betalen), maar ook voor (oud-)studenten zonder een studieschuld.Volledigheidshalve vermeldt de regering dat de CPI de afgelopen jarenhoger is geweest dan de rente op studieleningen.De leden van de SGP-fractie vragen hoe de regering kan onderbouwen datnu werkelijk een punt achter de tegemoetkomingen gezet wordt. Inhoeverre is met deze uitspraken sprake van zelfbinding richting volgenderegeringen?De regering onderschrijft het uitgangspunt van de Afdeling advisering vande Raad van State dat een onverplichte tegemoetkoming in beginsel«eenmalig» en «definitief» hoort te zijn. De regering beschouwt decombinatie van de tegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkomingals «definitief». Als het wetsvoorstel is aangenomen, dan zal de regeringde discussie over deze maatschappelijke kwestie als afgeslotenbeschouwen. In ons democratisch bestel kan uiteraard nooit wordenuitgesloten dat een kabinet of het parlement in de toekomst opnieuw dediscussie hierover zou willen voeren. De mening van de regering is dat ernu een sluitend betekenisvol en substantieel financieel gebaar is gegevenals erkenning.1.2. Inhoud wetsvoorstel 1.2.1. Doelgroep en voorwaarden tegemoetkoming De leden van de CDA-fractie lezen dat EER-studenten die recht hadden opvolledige studiefinanciering ook in aanmerking komen voor de tegemoet-koming. Deze leden vragen de regering of zij zicht heeft op de omvangvan deze groep en potentiële financiële implicaties en of zij deze inzichtenkan delen.Tot nu toe hebben ruim 17.400 (oud-)EER-studenten voor een totaalbedragvan circa € 14,2 miljoen aan tegemoetkoming ontvangen. Wanneer zij in2027 ook de aanvullende tegemoetkoming ontvangen, komt daar eentotaalbedrag van circa € 18,5 miljoen bij (prijspeil 2026). Daarnaast is ereen groep van ongeveer 34.000 EER-studenten die onder het leenstelselhebben gestudeerd en toen (enige tijd) aanspraak op volledige studiefi-nanciering hadden, maar die op dit moment nog niet voldoen aan devoorwaarden voor de tegemoetkomingen, omdat zij nog geen diplomahebben behaald. Als al deze EER-studenten alsnog hun diploma behalenen recht krijgen op de tegemoetkomingen, dan komt er nog een totaal-bedrag bij van circa € 68 miljoen (prijspeil 2026).14Een belangrijke kanttekening bij het aantal (oud-)EER-studenten met rechtop de tegemoetkomingen is dat zij gemiddeld minder maanden onder hetleenstelsel met recht op volledige studiefinanciering hebben gestudeerddan Nederlandse studenten. Gemiddeld gaat het om circa twee jaar. Ditkomt bijvoorbeeld doordat zij alleen een masteropleiding in Nederlandvolgden en/of niet gedurende hun gehele opleiding recht hadden op13Volledigheidshalve vermeldt de regering dat er over de jaren 2025 en 2026 LPO (loon- enprijsontwikkeling) is toegekend aan het budget van € 1,4 miljard voor de aanvullendetegemoetkoming. Hierdoor is ook rekening gehouden met de prijsstijgingen die in die tweejaren hebben plaatsgevonden.14Volledigheidshalve vermeldt de regering dat de tegemoetkomingen voor de (oud-)EER-studenten ook gedekt worden uit de voor de tegemoetkomingen beschikbaar gesteldebudgetten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 712 volledige studiefinanciering. Bijvoorbeeld omdat zij niet gedurende hungehele opleiding kwalificeerden als migrerend werknemer.1.2.2. Doelgroep en voorwaarden aanvullende tegemoetkoming De leden van de SGP-fractie vragen waarom de regering er opnieuw voorkiest om de tegemoetkoming te richten op alle studenten, ook die uitgezinnen met zeer hoge inkomens. Deze leden constateren dat uitonderzoeken bleek dat met name de middeninkomens het zwaar teverduren hadden door het leenstelsel. Waarom is de nieuwe tegemoet-koming niet benut om meer maatwerk toe te passen en vooral diegroepen te bedienen die het het meest nodig hebben?In de hoofdlijnenbrief van maart 202215 is uiteengezet welke mogelijk-heden er zijn om de doelgroep voor de tegemoetkoming af te bakenen. Bijde Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs is ervoor gekozen omalle (oud-)studenten die onder het leenstelsel hebben gestudeerd inaanmerking te brengen voor de tegemoetkoming. Daarbij is inaanmerking genomen dat het leenstelsel voor al deze (oud-)studentengevolgen heeft gehad. In het kader van stabiel en duidelijk overheids-beleid heeft de regering ervoor gekozen om voor de aanvullendetegemoetkoming aan te sluiten bij deze afbakening van de doelgroep. Bijde aanvullende tegemoetkoming wordt net als bij de tegemoetkomingonderscheid gemaakt naar het aantal maanden dat een (oud-)studentonder het leenstelsel heeft gestudeerd, waarbij een minimum van twaalfmaanden wordt gehanteerd. Hiermee houdt de regering zoveel mogelijkrekening met de mate waarin (oud-)studenten zonder basisbeurs hebbengestudeerd.De leden van de SGP-fractie vragen of het klopt dat de studenten die eenaanvullende beurs hebben gekregen, mogelijk zelfs een volledige, ookopnieuw in aanmerking komen voor een volledige tegemoetkoming. Dezeleden vragen hoe dit te verdedigen zou zijn vanuit het perspectief van deverdelende rechtvaardigheid.De tegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkoming zijn bedoeld alsgebaar voor het – in tegenstelling tot de generaties (oud-)studenten vóóren ná het leenstelsel – hebben moeten missen van een basisbeurs. Alle(oud-)studenten die tijdens het leenstelsel recht hadden op volledigestudiefinanciering hebben zonder een basisbeurs moeten studeren, ookde (oud-)studenten met een aanvullende beurs. De regering acht hetdaarom rechtvaardig om al deze (oud-)studenten – voor zover zij ook aande overige voorwaarden voldoen – de tegemoetkomingen toe te kennen.Het studiefinancieringsstelsel veronderstelt dat ouders financieelbijdragen aan de opleiding van hun kinderen. De aanvullende beurs isbedoeld voor ouders die op grond van hun inkomen niet of minderkunnen bijdragen. De regering acht het juist niet rechtvaardig om(oud-)studenten die een aanvullende beurs hebben gehad, uit te sluitenvan de tegemoetkomingen.De leden van de SGP-fractie vragen de regering inzichtelijk te maken wathet verschil in bedragen is tussen studenten die gedurende vier jaarmaximale aanvullende beurs als gift hebben ontvangen en studenten diegeen aanvullende beurs hebben gekregen.De hoogte van het bedrag dat (oud-)studenten na vier jaar maximaleaanvullende beurs hebben ontvangen, hangt af van het studiejaar waarinzij begonnen met studeren. De aanvullende beurs wordt namelijk jaarlijksgeïndexeerd. Wanneer wordt uitgegaan van studiejaar 2015/2016, heteerste studiejaar onder het leenstelsel, komt het totaalbedrag aanmaximale aanvullende beurs uit op € 18.636,28.15Kamerstukken II 2021/22, 24 724, nr. 176.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 713 1.2.3. Uitbreiding doelgroep De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering voornemens is degroepen (oud-)studenten die in aanmerking komen voor zowel detegemoetkoming als de aanvullende tegemoetkoming uit te breiden. Dezeleden vragen de regering of de tegemoetkoming van deze aanvullendegroep (oud-)studenten past binnen het budget van € 1,0 miljard gezienhet feit dat bij de vaststelling van dit budget er met deze groep(oud-)studenten geen rekening is gehouden.De kosten voor de uitbreiding van de doelgroep worden gedekt uit hetbudget van de aanvullende tegemoetkoming.De leden van de BBB-fractie vragen aandacht voor het volgende. In hetwetsvoorstel wordt geregeld dat specifieke groepen studenten die tijdenshet leenstelsel geen studiefinanciering hebben ontvangen en die doorbijzondere omstandigheden geen diploma hebben gehaald, dan wellanger hebben gedaan over het behalen van hun diploma, ook inaanmerking komen voor de tegemoetkoming en de aanvullendetegemoetkoming. Kan de regering nader toelichten hoe DUO in diegevallen vaststelt of sprake is van deze bijzondere omstandigheden? AchtDUO het goed uitvoerbaar om deze vaststelling te doen en acht deregering het doenlijk voor (oud-)studenten om nog de bijzondereomstandigheden ten tijde van de studie aan te kunnen tonen? In hetverlengde hiervan vragen de leden van de DENK-fractie de regering hoeDUO in de praktijk gaat vaststellen of er sprake is van deze bijzondereomstandigheden, zeker wanneer deze jaren geleden hebben plaatsge-vonden. Acht de regering het voor (oud-)studenten doenlijk om na eenlange periode nog met bewijsstukken te komen over hun toenmaligesituatie? Hoe wordt voorkomen dat juist de meest kwetsbare studenten,die wellicht de administratieve weg minder goed weten te vinden,hierdoor buiten de boot vallen?Deze nieuwe groep (oud-)studenten die met bijzondere omstandighedente maken heeft gehad, bestaat uit ongeveer 5.800 (oud-)studenten diestudiefinanciering hebben ontvangen en naar verwachting uit enkeletientallen (oud-)studenten die geen studiefinanciering hebben aange-vraagd.De eerste groep (oud-)studenten (die studiefinanciering heeft ontvangen),hoeft geen aanvraag te doen voor de tegemoetkoming en hoeft ook nietopnieuw hun bijzondere omstandigheden aan te tonen. DUO beschiktnamelijk al over hun gegevens. Zij krijgen de tegemoetkoming en deaanvullende tegemoetkoming ambtshalve toegekend. Dit zal gebeurennadat is vastgesteld dat bij de (oud-)student sprake is van bijzondereomstandigheden als bedoeld in artikel 5.15 of 5.16, derde lid, WSF 2000als gevolg waarvan de (oud-)student geen diploma heeft kunnen behalen.Concreet betekent dit dat deze (oud-)student via de bestaande aanvraag-procedure eerst een verzoek heeft gedaan of doet om vanwege bijzondereomstandigheden de prestatiebeurs om te zetten in een gift.De tweede groep (oud-)studenten (die geen studiefinanciering heeftaangevraagd), moet zelf een aanvraag doen voor de tegemoetkoming.DUO beschikt niet over hun gegevens. Deze (oud-)studenten moetendaarbij aantonen dat zij als gevolg van bijzondere omstandigheden hetzijgeen diploma hebben kunnen behalen hetzij er langer dan tien jaar totmaximaal vijftien jaar over hebben gedaan om een diploma te behalen.De aanvraagprocedure voor deze kleine groep (oud-)studenten vraagt eenzeker doenvermogen van een relatief kwetsbare groep (oud-)studenten.(Oud-)studenten kunnen dit aantonen met een beschikking van eenWajong-uitkering (artikel 5.15 WSF 2000), respectievelijk met eenverklaring van hun onderwijsinstelling en bij bijzondere medischeomstandigheden aangevuld met een verklaring van een arts (artikel 5.16WSF 2000). Hierbij zal de (oud-)student doorgaans ervan afhankelijk zijn ofTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 714 de bijzondere omstandigheden bekend zijn bij zijn onderwijsinstelling ende arts. Naarmate meer tijd zit tussen de aanvraag en het moment dat debijzondere omstandigheden zich voordeden, kan dit lastiger worden. Dezesituatie doet zich overigens ook nu al voor bij aanvragen in het kader vande Voorziening Prestatiebeurs die ook tot vijf jaar na afloop van dediplomatermijn kunnen worden ingediend. Er is helaas geen andere eneenvoudigere mogelijkheid om vast te stellen dat deze (oud-)studenten opgrond van bijzondere omstandigheden recht hebben op de tegemoet-koming. Daarbij komt dat de regering het wenselijk vindt om(oud-)studenten met bijzondere omstandigheden die wel en die geenstudiefinanciering hebben aangevraagd wat betreft de tegemoetkomingzoveel mogelijk gelijk te behandelen.DUO heeft op 14 mei 2025 een uitvoeringstoets en op 10 februari 2026 eenaanvullende uitvoeringstoets uitgebracht. DUO heeft geconcludeerd dathet wetsvoorstel, waaronder ook dit onderdeel, uitvoerbaar is. Debeoordeling van de naar schatting enkele tientallen aanvragen waarbijsprake is van bijzondere omstandigheden is volgens DUO wel complexervoor haarzelf, onderwijsinstellingen en artsen, omdat er meer tijd zalzitten tussen de aanvraag en het beëindigen van de studie.DUO zal haar communicatiecampagne ook specifiek op deze groep(oud-)studenten afstemmen. Daarnaast zal zij de aanvraagprocedure voordeze groep (oud-)studenten zo laagdrempelig mogelijk inrichten. Het gaathier immers om (oud-)studenten in een kwetsbare positie.1.2.4. Toekenning aanvullende tegemoetkoming volgt toekenningtegemoetkoming De leden van de CDA-fractie lezen dat de groep (oud-)studenten die geenstudiefinanciering hebben aangevraagd maar wel onder de uitbreidingvan de doelgroep vallen, een aanvraag bij DUO kunnen indienen voortegemoetkoming. Deze leden lezen dat deze (oud-)studenten eenaanvraag moeten doen omdat zij niet bekend zijn bij DUO. Deze ledenvragen de regering of de omvang van deze groep wél bekend is en zo ja,of deze cijfers gedeeld kunnen worden.De groep leenstelselstudenten die geen studiefinanciering heeft aange-vraagd, maar die wel stond ingeschreven aan een Nederlandse hogeronderwijsinstelling en die binnen de termijn van tien jaar een diplomaheeft behaald, is bij DUO in beeld. Het gaat om ongeveer 5.000(oud-)studenten. Deze (oud-)studenten hebben eerder in het kader van detegemoetkoming een brief van DUO ontvangen met de mededeling dat zijeen aanvraag kunnen doen voor de tegemoetkoming. De groep(oud-)studenten die geen studiefinanciering heeft aangevraagd en die alsgevolg van bijzondere omstandigheden geen diploma heeft kunnenbehalen ofwel die als gevolg van bijzondere omstandigheden buiten determijn van tien jaar een diploma heeft behaald, is niet bij DUO in beeld.Hetzelfde geldt voor de groep (oud-)studenten die zonder studiefinan-ciering aan een buitenlandse instelling heeft gestudeerd. Naarverwachting gaat het bij beide om enkele tientallen (oud-)studenten.De leden van de CDA-fractie lezen dat de studenten die een aanvraagmoeten indienen voor de tegemoetkoming dit vanaf april 2027 kunnendoen. Deze leden vragen de regering of zij kan aangeven tot wanneer demogelijkheid tot het indienen van een aanvraag tot tegemoetkoming blijftopenstaan.De (oud-)studenten die vallen onder de uitbreiding van de doelgroepkrijgen naar verwachting vanaf april 2027 zowel de tegemoetkoming alsde aanvullende tegemoetkoming toegekend. Voor zover deze(oud-)studenten een aanvraag moeten doen voor de tegemoetkoming,kunnen zij deze naar verwachting vanaf april 2027 indienen bij DUO. Hetgaat hierbij naar verwachting om enkele tientallen (oud-)studenten. DeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 715 aanvraagtermijn voor de tegemoetkoming is geregeld in artikel 21b,derde lid, Besluit studiefinanciering 2000. Als de (oud-)student eenaanvraag moet doen voor de tegemoetkoming, dan moet hij deze op ditmoment doen uiterlijk binnen drie maanden na het verstrijken van dediplomatermijn (als hij wel studiefinanciering heeft aangevraagd)respectievelijk uiterlijk binnen tien jaar en drie maanden nadat hij zichvoor het eerst heeft ingeschreven voor het hoger onderwijs (als hij geenstudiefinanciering heeft aangevraagd). De regering is voornemens omdeze termijn bij het besluit tot wijziging van het Besluit studiefinanciering2000 in verband met de nadere uitwerking van de verstrekking van detegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkoming aan studenten dieonder het studievoorschotstelsel hebben gestudeerd als volgt teverlengen.16 Als de (oud-)student een aanvraag moet doen voor detegemoetkoming, dan moet hij deze doen uiterlijk binnen vijf jaar na hetverstrijken van de diplomatermijn (als hij wel studiefinanciering heeftaangevraagd) respectievelijk uiterlijk binnen twintig jaar nadat hij zichvoor het eerst heeft ingeschreven voor het hoger onderwijs (als hij geenstudiefinanciering heeft aangevraagd). De reden voor deze verlengingwordt toegelicht bij dat besluit.1.2.5. Beschikbaar bedrag voor de aanvullende tegemoetkoming De leden van de DENK-fractie constateren dat het beschikbare budget van€ 1,4 miljard leidend is geweest voor de hoogte van de tegemoetkomingvan € 44,50 per maand. Is de regering het met deze leden eens dat ditgetuigt van een budgetgestuurde benadering in plaats van eenbenadering die gebaseerd is op de werkelijke behoefte aan compensatievan de geleden schade? Verder vragen deze leden of de regering kantoelichten waarom er niet voor is gekozen om de tegemoetkoming tebaseren op een reële berekening van de gemiddelde extra schuld perstudent?Bij een onverplichte tegemoetkoming als hier aan de orde kan perdefinitie geen eenduidige relatie gelegd worden tussen de aard van denadeelsituatie en het bedrag aan tegemoetkoming dat daarbij passend is.De ervaring van elke (oud-)student met het leenstelsel is immers anders.Er is daarom altijd een politieke afweging nodig om te komen tot eenpassend bedrag aan tegemoetkoming. Het voor de aanvullende tegemoet-koming beschikbaar gestelde budget van € 1,4 miljard heeft inderdaad hetkader gevormd voor de hoogte van het bedrag van de aanvullendetegemoetkoming.De regering benadrukt dat er juridisch geen verplichting is om detegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkoming te verstrekken. Detegemoetkomingen zijn niet bedoeld als compensatie voor de gemistebasisbeurs of een hogere studieschuld, maar als gebaar van erkenningvoor leenstelselstudenten. De regering vindt het totaalbedrag van debeide tegemoetkomingen hiervoor passend. Hiermee wordt een sluitendbetekenisvol en substantieel financieel gebaar gegeven als erkenning.16Ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit studiefinanciering 2000 in verband met de nadereuitwerking van de verstrekking van de tegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkomingaan studenten die onder het studievoorschotstelsel hebben gestudeerd, Kamerstukken II2025/26, 24 724, nr. 251.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 716 2. Verhouding tot hoger recht en nationale regelgeving 2.1. Verhouding tot hoger recht 2.1.1. Grondslag en waarborgen verwerking bijzondere persoons-gegevens De leden van de DENK-fractie maken zich zorgen over de privacy van(oud-)studenten aangezien de regering voorstelt om gegevens overgezondheid tot tien jaar na het besluit te bewaren. Waarom is eendergelijke lange bewaartermijn noodzakelijk voor een eenmalig gebaar?Het is noodzakelijk om bedoelde gegevens over gezondheid te bewarentot tien jaar nadat het besluit over de (aanvullende) tegemoetkoming isgenomen. Hierbij is rekening gehouden met de (maximale) termijn vanvijf jaar waarbinnen op grond van artikel 7.1 WSF 2000 een besluit inzakede (aanvullende) tegemoetkoming kan worden herzien en deze gegevensnog nodig kunnen zijn. Daarnaast is hiermee gewaarborgd dat dezegegevens nog voldoende lang beschikbaar zijn in geval van een eventuelebezwaar-, beroeps- of hogerberoepsprocedure tegen het (herziene) besluitover de (aanvullende) tegemoetkoming.Voornoemde leden vragen of de regering kan garanderen dat dezegegevens over gezondheid, die verwerkt worden op basis van de AVG17uitsluitend toegankelijk zijn voor geautoriseerde personen bij DUO18 enniet voor andere doeleinden worden gebruikt?Op grond van het nieuwe artikel 11.6, eerste lid, WSF 2000 mogenbedoelde gegevens over gezondheid alleen worden verwerkt voor zoverdit noodzakelijk is in het kader van besluiten over voorzieningen alsbedoeld in het tweede lid van dat artikel. Dit artikel voorziet niet in eengrondslag om deze gegevens over gezondheid voor andere doeleinden teverwerken. Op grond van het nieuwe artikel 11.7, vijfde lid, WSF 2000 zijndeze gegevens alleen toegankelijk voor daartoe geautoriseerde personen.Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de autorisatie vandeze personen. Hierbij worden de autorisaties van de personen,medewerkers van DUO, afgestemd op de door hen te verrichtenwerkzaamheden. Zo kunnen alleen geautoriseerde medewerkers dezegegevens inzien.3. Gevolgen voor (oud-)studenten 3.1. Financiële gevolgen De leden van de DENK-fractie wijzen erop dat voor veel studenten destudieschuld een grote belemmering vormt op de woningmarkt. Kan deregering aangeven of zij heeft onderzocht wat het effect van dezeaanvullende tegemoetkoming is op de leencapaciteit van oud-studentenvoor een hypotheek?De aanvullende tegemoetkoming wordt in beginsel afgetrokken van destudieschuld. Door de aanvullende tegemoetkoming wordt de studie-schuld van de (oud-)student dus lager en worden zijn maandlasten inprincipe ook lager. Bij het bepalen van de leencapaciteit wordt onder meergekeken naar de maandlasten die de (oud-)student heeft. Lageremaandlasten zorgen voor een hogere leencapaciteit.Voornoemde leden vragen of de regering het billijk acht dat studenten diedoor de overheid in een schuldenpositie zijn gedwongen, nu geconfron-teerd worden met stijgende rentes die de waarde van deze tegemoet-koming in feite direct weer verdampen?17AVG: Algemene verordening gegevensbescherming.18DUO: Dienst Uitvoering Onderwijs.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 717 De regering deelt deze constatering van de leden van de DENK-fractieniet. De aanvullende tegemoetkoming wordt jaarlijks geïndexeerd aan dehand van de consumentenprijsindex (CPI). Hierdoor wordt rekeninggehouden met de inflatie, zodat de koopkracht van de tegemoetkoming oppeil blijft. In de praktijk wordt hierdoor ook rekening gehouden met derente op studieleningen. Volledigheidshalve vermeldt de regering dat deCPI de afgelopen jaren hoger is geweest dan de rente op studieleningen.3.2. Doenvermogen 3.2.1. Ambtshalve toekennen De leden van de DENK-fractie vragen de regering of met de voorgesteldeuitbreiding van de regeling iedereen in beeld komt die tot de zogenoemdepechgeneratie behoort en in aanmerking zou moeten kunnen komen voorcompensatie. Wordt met deze uitbreiding de volledige groep leenstelsel-studenten bereikt?Bij de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs is ervoor gekozen omalleen (oud-)studenten die binnen de diplomatermijn een diploma hebbenbehaald in aanmerking te laten komen voor de tegemoetkoming. De redenvoor deze diploma-eis was dat als er ten tijde van het leenstelsel wel eenbasisbeurs was geweest, dat een prestatiebeurs was geweest, die ookalleen bij het behalen van een diploma zou zijn omgezet in een gift. Bij ditwetsvoorstel wordt de doelgroep voor de tegemoetkoming uitgebreid met(oud-)studenten die tijdens hun studie geconfronteerd zijn of worden metbijzondere omstandigheden en als gevolg daarvan geen diploma hebbenkunnen behalen. Net als voor de (oud-)studenten die binnen de diploma-termijn een diploma hebben behaald, geldt immers voor hen dat als er tentijde van het leenstelsel wel een basisbeurs in de vorm van een prestatie-beurs was geweest, deze (op aanvraag) ook voor hen zou zijn omgezet ineen gift. In zoverre hebben zij hetzelfde financieel nadeel ondervondenvan het leenstelsel als (oud-)studenten die wel een diploma hebbenbehaald. Hiermee zijn nu alle groepen (oud-)studenten die in aanmerkingzouden moeten komen voor de tegemoetkoming in beeld. Er zijn geenandere groepen (oud-)studenten die hetzelfde financieel nadeel hebbenondervonden van het leenstelsel als bovengenoemde groepen(oud-)studenten.Voornoemde leden vragen of er specifieke groepen zijn waarvoorambtshalve toekenning in de praktijk lastig uitvoerbaar is? Zo ja, omwelke groepen gaat het en welke aanvullende maatregelen worden voorhen overwogen?(Oud-)studenten die geen studiefinanciering hebben aangevraagd, zijnniet bekend bij DUO. Zij moeten een aanvraag doen voor de tegemoet-koming. Als zij de tegemoetkoming toegekend krijgen, dan zullen zij invervolg daarop ambtshalve ook de aanvullende tegemoetkomingtoegekend krijgen. De aanvraagprocedure wordt zo laagdrempeligmogelijk ingericht.3.3. Regeldruk 3.3.1. Op aanvraag toekennen De leden van de D66-fractie zijn blij om te horen dat met dit wetsvoorstelook studenten die door bijzondere omstandigheden, zoals arbeidsonge-schiktheid, een functiebeperkingen of een chronische ziekte, geen diplomahebben kunnen behalen, alsnog in aanmerking komen voor de tegemoet-koming. Deze leden achten het terecht dat deze groep niet langer tussenwal en schip valt. De leden van de D66-fractie begrijpen dat voor hettoekennen van deze tegemoetkoming bewijs nodig is van bijzondereomstandigheden, maar vragen de regering hoe zij ervoor zorgt dat deaanvraagprocedure voor deze groepen daadwerkelijk toegankelijk enTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 718 uitvoerbaar blijft. Welke stappen worden gezet om te zorgen dat rechtheb-benden niet onnodig afhaken bij de aanvraag van de tegemoetkoming?Van het grootste deel van de (oud-)studenten dat valt onder de uitbreidingvan de doelgroep beschikt DUO al over de voor de toekenning benodigdegegevens. Deze (oud-)studenten hebben studiefinanciering ontvangen enhun bijzondere omstandigheden zijn al bekend bij DUO. Deze groep(oud-)studenten hoeft geen actie te ondernemen. Zij krijgen de tegemoet-koming en in vervolg daarop de aanvullende tegemoetkoming ambts-halve toegekend. DUO zal hen hierover informeren.Er is een kleine groep van naar schatting enkele tientallen (oud-)studentendie valt onder de uitbreiding van de doelgroep en van wie DUO nog nietbeschikt over de voor de toekenning benodigde gegevens. Deze(oud-)studenten hebben geen studiefinanciering aangevraagd en hunbijzondere omstandigheden zijn nog niet bekend bij DUO. Deze groep(oud-)studenten kan een aanvraag doen voor de tegemoetkoming.Wanneer zij de tegemoetkoming toegekend krijgen, krijgen zij in vervolgdaarop de aanvullende tegemoetkoming ambtshalve toegekend. Bij dezeaanvraag moeten deze (oud-)studenten aantonen dat zij als gevolg vanbijzondere omstandigheden hetzij geen diploma hebben kunnen behalenhetzij er langer dan tien jaar over hebben gedaan om een diploma tebehalen. Dit zijn dezelfde voorwaarden als de voorwaarden voor detoepassing van de Voorziening Prestatiebeurs. De aanvraagprocedurevoor deze (oud-)studenten zal zo laagdrempelig mogelijk wordeningericht. Voor hulp bij de aanvraag kunnen zij eventueel terecht bij destudentendecaan van hun onderwijsinstelling. Mogelijk beschikt destudentendecaan ook nog over gegevens over de studievertraging of-uitval.4. Advies en consultatie De leden van de CDA-fractie lezen in het advies van de Raad van State datdoor deze nieuwe onverplichte tegemoetkoming het eerdere gebaar aanzijn betekenis kan ontnemen en dat het risico bestaat dat zowel dieeerdere als de aanvullende onverplichte betaling zullen worden opgevatals compensatie waarover blijvend onderhandeld kan worden in plaatsvan een betekenisvol gebaar waarmee een maatschappelijke kwestiewordt afgesloten. Deze leden vragen de regering toe te lichten hoe zij ditweegt en hoe zij borgt dat dit daadwerkelijk het sluitstuk van eenmaatschappelijke kwestie betreft.De regering onderschrijft het uitgangspunt van de Afdeling advisering vande Raad van State dat een onverplichte tegemoetkoming in beginsel«eenmalig» en «definitief» hoort te zijn. De regering beschouwt decombinatie van de tegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkomingals «definitief». Met dit gebaar zet de regering een punt achter dezemaatschappelijke kwestie. De regering kan echter niet voorkomen dat eenkabinet of het parlement in de toekomst opnieuw de discussie hieroverzou willen voeren. Naar de mening van de regering wordt hiermee eensluitend betekenisvol en substantieel financieel gebaar gegeven alserkenning. Als het wetsvoorstel is aangenomen, dan zal de regering dediscussie over deze maatschappelijke kwestie als afgesloten beschouwen.De leden van de CDA-fractie vragen de regering hoe zij uitwerking geeftaan afweging 10 van het afwegingskader voor onverplicht handelen vande overheid bij klemmende situaties van de Raad van State om deerkenningsmaatregelen te monitoren en evalueren.19 Deze leden vragenin dat licht de regering ook toe te lichten hoe de financiële situatie vanspecifiek deze groep oud-studenten wordt gemonitord.19Raad van State, 26 mei 2025, Afwegingskader onverplicht overheidshandelen bij klemmendesituaties.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 719 De tegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkoming zijn onderdeelvan artikel 11 (studiefinanciering) van de begroting van het Ministerie vanOCW (VIII). Dit artikel wordt periodiek doorgelicht. Daarbij worden ook deeffecten van de tegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkominggemonitord en geëvalueerd. Verder wordt in het trendrapport hogeronderwijs jaarlijks de gemiddelde studieschuld (inclusief rente enexclusief aflossingen) van bedoelde groep (oud-)studenten in beeldgebracht. Het voornemen is om vanaf komend trendrapport ook deactuele gemiddelde studieschuld (inclusief rente en inclusief aflossingen)en de aflossing op de studieschuld van deze groep debiteuren in beeld tebrengen.4.1. Internetconsultatie De leden van de DENK-fractie merken op dat uit de internetconsultatiebleek dat veel respondenten de tegemoetkoming te laag vinden in relatietot de rente en de huizenmarkt. Waarom heeft de regering besloten omnaar aanleiding van deze signalen het wetsvoorstel niet aan te passen?Een deel van de 23 respondenten bij de internetconsultatie vindt hettotaalbedrag van de tegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkomingte laag. Bij een onverplichte tegemoetkoming als hier aan de orde kan perdefinitie geen eenduidige relatie gelegd worden tussen de aard van denadeelsituatie en het bedrag aan tegemoetkoming dat daarbij passend is.De ervaring van elke (oud-)student met het leenstelsel is immers anders.Er is daarom altijd een politieke afweging nodig om te komen tot eenpassend bedrag aan tegemoetkoming. De regering vindt het totaalbedragvan de beide tegemoetkomingen passend. Hiermee wordt een sluitendbetekenisvol en substantieel financieel gebaar gegeven als erkenning. Hetvoor de aanvullende tegemoetkoming beschikbaar gestelde budget van€ 1,4 miljard heeft hierbij het kader gevormd.4.2. Adviescollege toetsing regeldruk De leden van de DENK-fractie vragen de regering of het Adviescollegetoetsing regeldruk specifiek heeft gekeken naar de bewijslast voorstudenten die aanspraak maken op de regeling vanwege bijzondereomstandigheden. Acht de regering de administratieve lasten voor dezegroep proportioneel?Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft gekeken naar hetwetsvoorstel, waaronder de paragrafen over doenvermogen en regeldruk.Het ATR heeft vermeld hierbij geen opmerkingen te hebben en heeftgeadviseerd om het wetsvoorstel in te dienen. Genoemde paragrafen zijnsindsdien niet meer aangepast.Het uitgangspunt is dat de groep van enkele tientallen (oud-)studentenmet bijzondere omstandigheden die geen studiefinanciering heeftaangevraagd wat betreft de tegemoetkoming zoveel mogelijk gelijk wordtbehandeld als de groep (oud-)studenten met bijzondere omstandighedendie wel studiefinanciering heeft aangevraagd.De regeldruk voor deze kleine groep (oud-)studenten die de tegemoet-koming moet aanvragen, is berekend op € 90. Een (oud-)student moetminimaal twaalf maanden onder het leenstelsel hebben gestudeerd om inaanmerking te komen voor de tegemoetkomingen en krijgt dan minimaaltotaal € 957,72 aan tegemoetkoming en aanvullende tegemoetkomingtoegekend, wat kan oplopen tot totaal € 3.830,88 bij vier jaar studie onderhet leenstelsel (prijspeil 2026). De regering acht deze eenmalige regeldrukproportioneel in verhouding tot de hoogte van de tegemoetkomingen.Bovendien kunnen deze (oud-)studenten zelf de afweging maken of zijdeze (tijds)investering wel of niet doen, waaronder het zoeken van contactTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 720 met hun onderwijsinstelling en bij bijzondere medische omstandighedenook met een arts.5. Inwerkingtreding en communicatie 5.1. Communicatie De leden van de D66-fractie begrijpen dat DUO breed zal communicerenover de tegemoetkomingen en specifieke aandacht heeft voor(oud-)studenten die niet bij DUO bekend zijn. Deze leden vragen deregering nader toe te lichten op welke wijze deze moeilijk bereikbaregroep concreet wordt benaderd. Welke gerichte communicatiekanalen ensamenwerkingspartners worden ingezet om rechthebbenden te bereikendie mogelijk niet meer actief in contact staan met DUO? Tevens vragendeze leden hoe wordt gemonitord of de communicatiecampagnevoldoende effectief is en hoe wordt voorkomen dat rechthebbenden detegemoetkoming mislopen doordat zij niet op de hoogte zijn van deaanvraagmogelijkheid.Om een breed bereik te genereren onder (oud-)studenten en hun directeomgeving zal DUO op meerdere momenten aandacht geven aan detegemoetkomingen. Nadat de beide Kamers het wetsvoorstel hebbenaangenomen, zal DUO eerst een vooraankondiging doen. Vervolgens startDUO in april 2027 een brede communicatiecampagne. Naast de persoon-lijke communicatie via e-mails en brieven aan (oud-)studenten die bekendzijn bij DUO, worden generieke communicatiemiddelen ingezet.(Oud-)studenten die niet bekend zijn bij DUO worden door middel vanonder andere persberichten in de media, social media berichten(Facebook, Instagram en LinkedIn) en via de communicatiekanalen vanscholen, alumniverenigingen en andere stakeholders, zoals studenten-bonden, brancheorganisaties en samenwerkingspartners, geïnformeerd.Om (oud-)studenten die in het buitenland wonen te bereiken, werkt DUOook samen met Nederland Wereldwijd en de Stichting NederlandersBuiten Nederland. Daarnaast zal DUO de bij de tegemoetkoming gestartecommunicatiecampagne voortzetten om (oud-)studenten te bereiken dieniet bij DUO bekend zijn. Deze (oud-)studenten hebben en houdenspeciale aandacht in de communicatie, omdat zij zelf de tegemoetkomingmoeten aanvragen. Wanneer zij de tegemoetkoming toegekend krijgen,krijgen zij in vervolg daarop de aanvullende tegemoetkoming ambtshalvetoegekend.De leden van de DENK-fractie maken zich zorgen over de brede enalgemene communicatie richting de studenten over de tegemoetkoming.Hoe zal de regering waarborgen dat alle studenten goed zullen wordenbereikt? En hoe gaat de regering om met studenten die geen gebruikzullen maken van deze regeling? Wat voor mogelijke maatregelen zou deoverheid in dit geval kunnen nemen? Is er een mogelijkheid om dezestudenten proactief te benaderen?Alle (oud-)studenten die de tegemoetkoming toegekend hebben gekregen,krijgen de aanvullende tegemoetkoming ambtshalve toegekend. Daarmeeontvangt het overgrote deel van de (oud-)studenten de aanvullendetegemoetkoming ambtshalve. Deze (oud-)studenten ontvangen hieroverpersoonlijk bericht van DUO.Een kleine groep van naar schatting enkele tientallen (oud-)studenten dievalt onder de uitbreiding van de doelgroep kan als gevolg van ditwetsvoorstel voor het eerst een aanvraag doen voor tegemoetkoming.Om deze groep te bereiken, maakt DUO gebruik van persberichten in demedia, social media berichten (Facebook, Instagram en LinkedIn),communicatiekanalen van scholen, alumniverenigingen en anderestakeholders, zoals studentenbonden, brancheorganisaties en samenwer-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 721 kingspartners. Om (oud-)studenten die in het buitenland wonen tebereiken, werkt DUO ook samen met Nederland Wereldwijd en deStichting Nederlanders Buiten Nederland.Voorafgaand aan de communicatiecampagne zal DUO de communicatie-middelen testen om ervoor te zorgen dat deze aansluiten bij de doelgroep.DUO zet verschillende communicatiemiddelen in om alle (oud-)studentente bereiken. Het is niet mogelijk voor DUO om de effectiviteit van dezecommunicatiemiddelen te monitoren, omdat zij niet weet om hoeveel(oud-)studenten het gaat. Wel worden alle aanvragen gemonitord.II. Artikelsgewijs Onderdeel ADe leden van de DENK-fractie vragen om een nadere toelichting op hetvoorgestelde artikel 11.7, eerste lid, waarin de bewaartermijn van tien jaarwordt vastgelegd. Kan de regering uitleggen hoe deze termijn zichverhoudt tot het beginsel van minimale gegevenswerking?In artikel 5 AVG zijn de beginselen inzake verwerking van persoonsge-gevens opgenomen. Op grond van artikel 5, eerste lid, onderdeel c, AVGmoeten persoonsgegevens: «toereikend zijn, ter zake dienend en beperkttot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt(minimale gegevensverwerking).» De regering heeft dit beginsel in achtgenomen bij dit wetsvoorstel. Ten behoeve van de toekenning van de(aanvullende) tegemoetkoming worden niet meer persoonsgegevensverwerkt dan noodzakelijk. Verder worden deze persoonsgegevens nietlanger bewaard dan noodzakelijk. De bewaartermijn van tien jaar inartikel 11.7, eerste lid, WSF 2000 ziet op gegevens over gezondheid diezijn verwerkt in het kader van besluiten over voorzieningen als bedoeld inartikel 11.6, tweede lid, WSF 2000, waaronder de (aanvullende) tegemoet-koming. Het is noodzakelijk om bedoelde gegevens over gezondheid tebewaren tot tien jaar nadat het besluit over de (aanvullende) tegemoet-koming is genomen. Hierbij is rekening gehouden met de (maximale)termijn van vijf jaar waarbinnen op grond van artikel 7.1 WSF 2000 eenbesluit inzake de (aanvullende) tegemoetkoming kan worden herzien endeze gegevens nog nodig kunnen zijn. Daarnaast is hiermee gewaarborgddat deze gegevens nog voldoende lang beschikbaar zijn in geval van eeneventuele bezwaar-, beroeps- of hogerberoepsprocedure tegen het(herziene) besluit over de (aanvullende) tegemoetkoming.Onderdeel BDe leden van de DENK-fractie constateren dat in het gewijzigde artikel12.30, vijfde lid, het bedrag van € 44,50 wordt ingevoerd. Kan de regeringbevestigen dat dit bedrag jaarlijks zal worden geïndexeerd conformartikel 11.1, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000)zodat de koopkracht van de tegemoetkoming voor toekomstige rechtheb-benden behouden blijft?De regering kan dit bevestigen. Zoals voorgesteld in het wetsvoorstelwordt het bedrag van de aanvullende tegemoetkoming net als dat van deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 722 tegemoetkoming jaarlijks bij ministeriële regeling geïndexeerd aan dehand van de CPI. De eerste indexering van het bedrag van de aanvullendetegemoetkoming vindt plaats per 1 januari 2027.20De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,R.M. Letschert20Volledigheidshalve vermeldt de regering dat er over de jaren 2025 en 2026 LPO (loon- enprijsontwikkeling) is toegekend aan het budget van € 1,4 miljard voor de aanvullendetegemoetkoming. Hierdoor is ook rekening gehouden met de prijsstijgingen die in dietwee jaren hebben plaatsgevonden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 723
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.