Verslag van een commissiedebat, gehouden op 30 juni 2026, over Sportbeleid
Brontekst
Versie 1edb721c14b354ea · officiële bron30234 Toekomstig sportbeleid Nr. 444 VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBAT Vastgesteld 15 september 2026 De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft op 30 juni 2026 overleg gevoerd met mevrouw Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, over: - de brief van de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport d.d. 27 februari 2026 inzake deelname van Russische en Belarussische sporters aan de Paralympische Spelen (Kamerstuk 30234, nr. 437); - de brief van de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport d.d. 23 april 2026 inzake verzamelbrief sport en bewegen april 2026 (Kamerstuk 30234, nr. 439); - de brief van de minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport d.d. 20 april 2026 inzake reactie op petitie betreffende het WK voetbal en de oproep tot een boycot (Kamerstuk 30234, nr. 438). Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit. De voorzitter van de commissie, Mohandis De griffier van de commissie, Esmeijer Voorzitter: Vellinga-Beemsterboer Griffier: Heller Aanwezig zijn negen leden der Kamer, te weten: El Abassi, Inge van Dijk, Dobbe, Huizenga, Van der Maas, Van Meetelen, Mohandis, Moinat en Vellinga-Beemsterboer, en mevrouw Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport. Aanvang 16.59 uur. De voorzitter: Goedenavond, dames en heren. Welkom bij dit debat over sportbeleid. Welkom aan de leden, welkom aan de minister en haar ondersteuning, en uiteraard welkom aan iedereen hier in de zaal en de meekijkzaal hiernaast en iedereen die dit via een andere weg volgt, via de livestreaming. Wij gaan vanavond tussen 17.00 uur en 21.00 uur, maximaal vier uur lang, debatteren over het sportbeleid. Er is vier minuten spreektijd per fractie. Ik stel voor om in eerste instantie vier interrupties toe te staan. Op het moment dat wij er vlot doorheen gaan, kunnen we daar dan altijd nog een beetje van afwijken. Wij zullen na de eerste termijn van de Kamer schorsen, uiteraard voor de minister om haar antwoord voor te bereiden, maar ook voor een korte dinerpauze. En zoals gezegd, gaan we dit rond een uur of negen afronden. Dat gezegd hebbende, denk ik dat wij kunnen beginnen. Ik kijk eerst naar mijn linkerkant en geef het woord aan de heer Mohandis van PRO. Ga uw gang. De heer Mohandis (PRO): Voorzitter, dank u wel. En wat goed dat wij elkaar nog voor het reces spreken over het sport- en beweegbeleid. Dat is al helemaal belangrijk omdat er weer een nieuwe bewindspersoon zit, die een minderheidskabinet vertegenwoordigt, en PRO altijd bereid is om goede plannen te steunen als die concreet iets in beweging brengen. Voorzitter. De 20% laagste inkomens leeft circa 24 jaar korter in goede gezondheid dan de 20% hoogste inkomens. Dit is een concreet doel waaraan gewerkt zou kunnen worden. De voorgangers van deze minister -- zo vraag ik via u, voorzitter -- hadden ook concrete doelen. We spreken hier met de vierde minister, of de vierde bewindspersoon, in vier jaar tijd, in de vier jaar tijd dat ik weer sportwoordvoerder ben. Ik ben dus benieuwd hoe deze minister terug gaat kijken, over vier jaar als zij geen minister meer is, op wat er concreet is veranderd. Wat gaat zij anders doen dan haar voorgangers? We zien een brief met vooral nog heel weinig richting, met aflopende Sportakkoordmiddelen, met weinig concrete doelstellingen. Ik vraag me dan af: wat wordt dan het stempel van dit kabinet, van dit minderheidskabinet om precies te zijn? Graag een reactie. Voorzitter. Velen zitten hier op de tribune, en dan heb ik het over de sportbestuurders. Zij moeten het doen. Zij moeten als vrijwilliger een club draaiende houden. En als er één ding is dat hen nu bezighoudt, is dat hoe de BOSA-chaos zich de afgelopen maanden heeft voltrokken. Ik weet dat ze grotendeels dingen heeft geërfd op dit dossier, maar ik hoor graag van de minister hoe zij dit anders gaat doen. Er wordt aangegeven dat er extra middelen worden uitgetrokken. Hoe gaat zij er nou voor zorgen dat die enorme opgave voor sportaccommodaties werkelijk wordt aangepakt? Want die opgave is mega. En ik snap ook dat het niet allemaal in één keer kan, maar we weten gewoon donders goed dat de afhankelijkheid dermate is dat er, als er niet wordt ingegrepen, verenigingen zijn die het gewoon niet gaan redden, die gaan omvallen. Graag een concrete reactie over hoe zij dit in werking gaat zetten en wanneer wij daar actie op kunnen verwachten, en over hoe we omgaan met de sportverenigingen die nu in de knel zitten. Een concrete reactie graag ook voor die specifieke groep. Voorzitter. De afgelopen maanden waren er verschillende collega's, ook hier aan deze kant, in ieder geval aanwezig bij de presentatie van de landelijke impact van wat sportverenigingen de maatschappij te bieden hebben. Wat mijn fractie in ieder geval duidelijk is uit het onderzoek, is dat als sportverenigingen omvallen, dit onbetaalbaar is als het gaat om wat zij opleveren aan maatschappelijke waarde, aan allerlei effecten die ons als samenleving sterker maken: sociale cohesie, het "sociale cement" zoals ik dat eerder heb genoemd. Ik ben dus heel erg benieuwd naar hoe die strategie voor sportverenigingen -- de motie is al eerder aangenomen -- straks weer uiting krijgt in het nieuwe beleid. Hoe gaan we dat teruglezen? En worden zij ook betrokken bij het beleid? Ik schrok een beetje van de brief. Ik houd van heel veel sportorganisaties, maar ik miste gewoon hen die het elke dag, twee à drie dagen in de week, in hun vrije tijd moeten doen. Hoe worden zij betrokken, en niet alleen maar de reguliere sportorganisaties, maar ook de bestuurders zelf? Er ligt bijvoorbeeld ook een motie die heel concreet vraagt om een ombudsfunctie in te richten. Nu krijg ik in de brief terug dat "we gaan kijken of we die gaan inrichten", maar dat was niet de vraag van de motie. Die ombudsfunctie moet er gewoon komen; de vraag is hoe we die gaan borgen. Graag een concrete reactie op waarom Kamermoties niet worden uitgevoerd. Maar ook de clubondersteuning: waarom worden hier de verenigingen niet bij betrokken? Wij hebben eerder gevraagd om altijd een klankbord van sportverenigingen te betrekken bij het beleid. Er wordt hier alleen maar gesproken over de reguliere partners. Wie zijn dat dan? Graag een concreet antwoord. Voorzitter. Ik kom bij het punt van een sport- en beweegwet. Ook hier proefde ik weer aarzeling. Ik ben ook benieuwd of deze minister echt wel heil ziet in een sportwet, of dat zij die ervaart als een moetje van de Kamer. Graag hoor ik concreet van de minister wanneer wij een wetsvoorstel kunnen verwachten. Ik ben wel blij -- ik denk dat ik dat hier al wel kan verklappen -- dat de minister in ieder geval bereid is om net als haar twee voorgangers een kantinedienst te draaien en om met sportverenigingen in gesprek te gaan. Dus na de zomer pakken we die handschoen weer op. Maar er moet echt heel veel gebeuren. PRO wil heel graag een helpende hand zijn. Tot slot, voorzitter, nog twee vragen. Audiodescriptie in de topsport. Ik hoor heel graag hoe de minister dit verder gaat oppakken. We zien dat audiodescriptie toeneemt, maar dat is nog niet genoeg en het wordt incidenteel gefinancierd. Graag een reactie. Tot slot zijn we blij met de inzet van de minister voor Thialf. Ik ben heel erg benieuwd hoe de minister ons gaat meenemen in hoe die financiering er precies gaat uitzien in de komende jaren, en of Thialf ook gaat ervaren dat het Rijk gaat helpen en steunen om 2030 mogelijk te maken. Dank u wel, voorzitter. De voorzitter: Dank u wel, meneer Mohandis. Ik zie dat u geen interrupties heeft, dus ... O, een interruptie van mevrouw Van Dijk. Ga uw gang. Mevrouw Inge van Dijk (CDA): Ja, vooral ook omdat we met weinig sprekers zijn en ik het belangrijk vind dat we hier het debat voeren met elkaar. Over de BOSA, ik denk dat hier meerdere collega's zijn die hier iets over gaan zeggen. Ik in ieder geval ook. Maar ik was benieuwd naar hoe de heer Mohandis kijkt naar structurelere oplossingen om verbouw, bouw en het onderhouden van onze basissportinfrastructuur overeind te houden. De heer Mohandis (PRO): Ik dank collega Van Dijk voor deze vraag. We hebben afgelopen jaren best vaak samen op verschillende manieren echt wel geschreeuwd om aandacht voor de BOSA, om dit op te lossen. Ik denk dat we dit moeten opknippen in twee zaken. We hebben te maken met een bestaande regeling, een toegankelijk loket waar in de afgelopen jaren een beetje mee is gepingpongd, ook richting een ander ministerie, met DUMAVA. En dat terwijl de BOSA op zichzelf, wat je ook van die regeling vindt, als toegankelijk wordt ervaren door veel sportbestuurders -- tot erop werd bezuinigd, totdat er werd gezegd "ga maar naar de DUMAVA", totdat het een loterij werd. Ik denk dat dat gepingpong heel slecht is. Daar moeten we dus op de kortste termijn iets op verzinnen, want de komende jaren is er gewoon een vraag en als we die vraag niet oplossen, dreigen er sportverenigingen om te vallen omdat ze rekenen op kosten. Maar mevrouw Van Dijk zegt wel terecht: op de lange termijn zullen we met elkaar moeten nadenken over hoe we via een revolverend fonds, of op een andere manier, die megaopgave van het onderhoud van sportaccommodaties met elkaar moeten oplossen. Want een BOSA alleen gaat dit niet oplossen. Een BOSA alleen is, denk ik, ook niet altijd een eerlijk systeem, als de ene een miljoen krijgt en de ander anderhalve ton. Ik denk dat we wel met elkaar door kunnen denken over hoe we dat beter gaan maken. Alleen zijn er nu wel honderden sportverenigingen die in de knel zitten. Daar moeten we een oplossing voor verzinnen. Ik hoop dat de minister daartoe bereid is. De voorzitter: Dank u wel. Nog een interruptie van de heer Van der Maas. Ga uw gang. De heer Van der Maas (VVD): De heer Mohandis noemt een revolverend fonds. Misschien kan hij daar iets meer over zeggen, over hoe dat eruit zou kunnen gaan zien en hoe dat een rol zou kunnen spelen. De voorzitter: Meneer Mohandis, kunt u een klein beetje beknopt antwoorden? We zitten nog aan het begin, maar als we daar nu op letten, hebben we straks voldoende tijd. De heer Mohandis (PRO): Ik begrijp het, maar dit is wel een hele open vraag van de heer Van der Maas. De voorzitter: Daarom geef ik die waarschuwing vast mee. De heer Mohandis (PRO): Nou, het korte antwoord is dat de Kamer hier al moties over heeft aangenomen, waaronder -- uit mijn hoofd -- van CDA, NSC en ondergetekende. Moties in verschillende varianten, zeg ik even. Er liggen dus al voorstellen om hiertoe te komen. Het houdt in dat je funding gewoon nodig hebt, omdat we nu al weten dat het onderhoud van sportaccommodaties, maar ook zwembaden -- die noem ik er ook even bij -- een enorme opgave is, die gemeenten niet alleen gaan dragen. Dan is dus alleen maar een potje dat ooit was bedoeld voor btw-compensatie misschien net niet het goede potje om die grotere vraagstukken op te lossen. Ik spreek ook verenigingen die zeggen: als ik een 0%-rentelening krijg en een beetje zekerheid, dan durf ik wel dat risico te nemen. Alleen zie je dat het nu heel erg op de BOSA is gefixeerd. Dat neem ik de verenigingen niet kwalijk, want dat is het potje. Tja, dat potje werkt niet. Sterker nog, het is niet effectief als je echt die grote opgave wil aanpakken. Alleen, de verenigingen hebben daar nu niks aan, als er geen alternatief voorhanden is. Dus op de korte termijn moet je iets fiksen voor de verenigingen die nu in de knel zitten, via de BOSA voor mijn part, omdat dat systeem bestaat. Op de lange termijn moet je echt gaan zoeken naar hoe je verenigingen ontlast met die huisvestingskosten. Die zijn enorm. De voorzitter: Nog een interruptie van mevrouw Huizenga. Ga uw gang. Mevrouw Huizenga (D66): Ja, dan ga ik ook nog even door op de BOSA. Kan de heer Mohandis van PRO aan ons uitleggen waarom hij vindt dat de gelden die naar de BOSA gaan terwijl het om accommodaties gaat, niet beter op een ander domein zouden kunnen liggen? Want dat gaat over gebouwen, en verenigingen zouden zich bezig moeten houden met sport, met dat er een kader is zodat mensen kunnen sporten en bewegen. En nu zijn ze bezig met het dak van een pand. Hoe kijkt u daarnaar? De heer Mohandis (PRO): Nou, wij liepen de afgelopen jaren een beetje voorop door ook te kijken naar het Klimaatfonds. We hebben daar toen ook voorstellen voor ingediend. Dus we zijn echt wel bereid om domeinoverstijgend te kijken. Ik weet alleen dat onze twee departementen niet kampioen zijn in samenwerken. Als we ergens silo's hebben, dan zijn het juist de departementen zelf, die niet in staat zijn om breder te kijken naar maatschappelijke vraagstukken. Als je kijkt naar het klimaatbeleid, dan is er bijvoorbeeld nagedacht over huisvesting voor het bouwdeel, maar voor het sportdeel is er dan heel weinig visie. Het is versnipperd en het is vaak een gemeentelijke verantwoordelijkheid. Het Rijk probeert wat te doen, maar dat is niet doorwrocht. Het is een heel erg versnipperde aanpak. Maar het risico, mevrouw Huizenga, is dat op het moment dat u zegt dat we ergens anders moeten kijken, mijn ervaring is dat er vervolgens helemaal niks gebeurt. Ik ben pas bereid om naar iets anders te kijken als dat loket functioneert. En zolang er niet een ander loket functioneert, moet je een bestaand loket niet slopen. De voorzitter: Geen vervolgvragen meer. Dan gaan we nu toch naar mevrouw Moinat van de Groep Markuszower. Ga uw gang. Mevrouw Moinat (Groep Markuszower): Dank, voorzitter. Sport is veel meer dan een hobby. Sport houdt mensen gezond, brengt mensen samen, leert kinderen discipline. Juist daarom vinden wij het belangrijk dat belastinggeld dat voor sport en beweging wordt uitgetrokken, ook daadwerkelijk tot meer sportende Nederlanders leidt. Maar als wij de evaluatie van het Actieplan Nederland Beweegt en het Sportakkoord lezen, dan ontstaat een ongemakkelijk beeld. We lezen over allianties, netwerken, samenwerkingsverbanden, regionale afspraken, procesdoelen en overlegstructuren. Tegelijkertijd constateert het RIVM dat nog steeds ongeveer de helft van de Nederlanders onvoldoende beweegt. De grote ambitie dat in 2040 driekwart van de bevolking voldoende beweegt, lijkt daarmee nog ver weg. Dat roept een fundamentele vraag op: hoeveel extra Nederlanders bewegen vandaag daadwerkelijk meer dankzij deze programma's? Graag een reactie van de minister. Kan de minister concreet aangeven wat de meetbare resultaten zijn van alle investeringen die de afgelopen jaren zijn gedaan? Want uiteindelijk gaat het niet om het aantal overlegtafels of convenanten; het gaat om de vraag of kinderen vaker buitenspelen, of ouderen langer vitaal blijven en of volwassenen daadwerkelijk meer bewegen. Voorzitter. Wat ons opvalt, is dat het RIVM zelf concludeert dat er vooral relatief eenvoudige maatregelen zijn genomen en dat er weinig fundamentele veranderingen zijn doorgevoerd op plekken waar mensen het grootste deel van de dag doorbrengen, zoals op school en op het werk. Deelt de minister de conclusie dat de aanpak op dit moment onvoldoende doorwerkt in het dagelijkse leven van veel Nederlanders? En welke aanvullende maatregelen acht zij noodzakelijk om de gestelde doelen überhaupt nog haalbaar te maken? Voorzitter. De grootste gezondheidswinst valt nog altijd te behalen bij kinderen. Juist daarom vinden wij het zorgelijk dat uit de evaluatie blijkt dat structurele veranderingen op school achterblijven. Kinderen bewegen minder, zitten meer stil en kampen steeds vaker met overgewicht. Tegelijkertijd weten we dat gezonde gewoontes juist op jonge leeftijd worden aangeleerd. Kan de minister aangeven welke concrete resultaten er in de afgelopen jaren zijn geboekt op het gebied van bewegen door kinderen? Hoeveel extra kinderen zijn daadwerkelijk meer gaan sporten of bewegen dankzij deze programma's? En welke aanvullende maatregelen is de minister bereid te nemen om bewegen op school en in de directe leefomgeving van kinderen structureel te versterken? Voldoet inmiddels elke basisschool aan de wettelijke verplichting van minimaal 90 minuten per week gymles? Voorzitter. Daarnaast willen we aandacht vragen voor de sportverenigingen. Sportverenigingen vormen het hart van de Nederlandse sport. Er staan duizenden vrijwilligers iedere week klaar voor onze kinderen, ouderen en amateursporters. Maar juist die vrijwilligers lopen steeds vaker vast in bureaucratie, subsidievoorwaarden, verantwoordingsverplichtingen en administratieve regels. Kan de minister inzichtelijk maken hoeveel geld uit de sportakkoorden uiteindelijk terecht is gekomen bij sportverenigingen zelf, en hoeveel geld er blijft hangen in uitvoeringsorganisaties, ondersteuningsstructuren, adviesbureaus en coördinatie? Want iedere euro die niet op het sportveld terechtkomt, kan niet worden besteed aan trainers, materialen of jeugdactiviteiten. En kan de minister aangeven hoeveel kinderen er momenteel gebruikmaken van ondersteuningsregelingen om toch te kunnen sporten? Voorzitter. Als laatste wil ik nog een vraag stellen over de toename van de mensen die prestatieverhogende middelen gebruiken bij het sporten, en daarbij gezondheidsklachten ervaren. Een op de vijf mensen zoekt daarbij medische hulp. Naast een zorgwekkende ontwikkeling lijkt dit mij ook best een belasting voor de zorg. Wat kan de minister doen op dit punt om te voorkomen dat er nog meer, vaak jonge, mensen en jongvolwassenen, met hartproblemen op de SEH belanden? Voorzitter, tot slot. Wat DNA betreft, moet sportbeleid minder draaien om processen en meer om resultaten: minder papier, meer beweging; minder vergaderen en meer sporten, en minder geld naar structuren en meer geld naar verenigingen, vrijwilligers en sportvoorzieningen. Want uiteindelijk telt maar één ding: krijgen we Nederlanders daadwerkelijk meer in beweging? Daar horen wij graag een duidelijke reactie op van de minister. Tot zover. De voorzitter: Dank u wel, mevrouw Moinat. Ik zie geen interrupties, dus we gaan door naar mevrouw Huizenga. Ga uw gang. Mevrouw Huizenga (D66): Dank u wel, voorzitter. Als we het over sportbeleid hebben, dan gaat het vaak over accommodaties, subsidies, soms topsport en momenteel heel veel over het WK voetbal, alhoewel, sinds vanochtend iets minder. Maar ander verheugend nieuws is wel -- en daar hoorde ik mijn collega over -- dat we misschien weer een groot sportevenement hier in Nederland krijgen over zoveel tijd, en dat is in Thialf. Als Friezin kan ik daar alleen maar blij mee zijn. Maar sport is zoveel meer dan alleen een evenement of een accommodatie. Daarom wil ik het vandaag niet alleen over de sport hebben, maar juist over sport, bewegen en buitenspelen. Sport en bewegen zijn misschien wel het beste medicijn dat we hebben, niet alleen om ziekte te voorkomen, maar ook om mensen samen te brengen, kinderen gezond te laten opgroeien, ouderen langer vitaal te houden en mensen met een beperking ook mee te laten doen. Sport verdient daarom wat mij betreft geen plek als los beleidsterrein, maar als vanzelfsprekend onderdeel van een gezonde leefstijl en een gezonde samenleving. Dat vraagt om een lange adem; geen sprint, maar een duurloop. Het vraagt vooral om samenwerking met andere ministeries. Tijdens het sporten, of zelfs bij het kijken naar sport, ontmoeten mensen met verschillende achtergronden elkaar vanzelfsprekend. Jongeren leren samenwerken, verliezen en weer opstaan. En sport brengt gezondheid, preventie en sociale cohesie bij elkaar. Internationale voorbeelden laten zien wat dat kan opleveren. In landen als IJsland, Finland en Noorwegen is sport niet alleen een vrijetijdsbesteding, maar ook een vast onderdeel van het preventiebeleid. Dat zien we terug in een hogere sportdeelname, sterkere gemeenschappen en minder risicogedrag onder jongeren. Daarom wil ik de minister vragen hoe sport een stevigere plek kan krijgen binnen het nationale preventiebeleid. Ziet zij daarbij ook kansen om sport en bewegen mee te nemen in het preventie-investeringsmodel, zodat de maatschappelijke opbrengsten van investeren in bewegen echt beter zichtbaar worden? En niet alles hoeft meer geld te kosten; soms zit de winst juist ook in het slimmer organiseren. Waarom staan sporthallen, gymzalen en schoolpleinen soms een deel van de tijd leeg, terwijl jongeren op zoek zijn naar plekken om elkaar te ontmoeten, te bewegen en buiten te spelen? En waarom benutten we sportverenigingen niet veel vaker als ontmoetingsplek in de buurt voor ouderen en voor andere maatschappelijke initiatieven? Maar ook: waarom maken we vrijwilligers die een vereniging draaiende houden, het soms moeilijker dan nodig is met regels, formulieren en administratieve lasten? Niet iedere maatschappelijke opgave vraagt om een nieuwe subsidie. Soms helpt het meer om een hek open te zetten, een formulier weg te gooien of een sporthal, die toch al betaald is, ook daadwerkelijk te gebruiken. Juist in een tijd waarin eenzaamheid groeit, mentale gezondheid onder druk staat en mensen steeds meer tijd zittend en online doorbrengen, moeten we de kracht van sport en bewegen maximaal benutten. Dat vraagt om een overkoepelende sport- en beweegvisie, waarin gezondheid, onderwijs, de leefomgeving en het sociale domein met elkaar worden verbonden. Is de minister bereid om hiervoor samen met haar collega's van andere ministeries op te trekken, zodat sport en bewegen niet langer een apart beleidsterrein zijn, maar een rode draad vormen in het beleid? Een leven lang sporten en bewegen begint bij de kleinsten, met buitenspelen, en gaat via de school en sportvereniging door tot op hoge leeftijd. En natuurlijk geldt dat ook voor mensen met een beperking, want sport is pas echt voor iedereen als mensen met een beperking makkelijk kunnen meedoen. Dat is nog vaak niet het geval. Hoe gaat de minister eraan werken om dat in de komende jaren te verbeteren? Laten we er dan ook voor zorgen dat sport en bewegen niet alleen iets is wat we doen in onze vrije tijd, maar iets is wat in alles terugkomt en wat we benutten om Nederland gezonder, socialer en leuker te maken. Dank u wel. De voorzitter: Dank u wel. Ik zie een interruptie van mevrouw Dobbe. Ga uw gang. Mevrouw Dobbe (SP): Dank u wel voor de inbreng. Er is een evaluatie geweest van het Sportakkoord. Daaruit blijkt dat dat heeft geleid tot een sterker sportbeleid, meer samenwerking tussen sport, welzijn, onderwijs en gezondheid, en een inclusiever sportaanbod. Ik hoorde D66 zeggen dat ze dat ontzettend belangrijk vinden. Het leidt ook tot preventie, minder zorgvraag. Dat vindt D66 ook heel belangrijk, hebben we net gehoord. Maar waarom schaft D66 dan dit Sportakkoord af? Er zijn zelden akkoorden geweest waarvan ik zulke lovende evaluaties heb gelezen. Mevrouw Huizenga (D66): Het Sportakkoord was natuurlijk een mooi initiatief, ook om de sportverenigingen vooruit te helpen. Ik ben benieuwd naar de reactie van de minister daarop. Wij hebben niet gezegd dat dat afgeschaft moet worden, dus ik wil graag de reactie van de minister daarop vragen. Wij willen eigenlijk inzetten op structureel de gezondste generatie, en ik weet niet of het Sportakkoord daarvoor per definitie de oplossing is. Dit lijkt mij nu, zo in eerste instantie, wel een goede reactie. Mevrouw Dobbe (SP): Nou ja, als D66 zegt "het was niet onze keuze, maar de minister mag het uitleggen", vind ik dat ook goed. Maar dan houd ik er ook rekening mee dat we kunnen rekenen op de steun van D66, als het inderdaad de resultaten van deze evaluatie leest over hoe goed en welke goede effecten het juist heeft om mensen aan het sporten te krijgen, en ook mensen met een beperking en kinderen. Dan zullen die resultaten dus niet worden weggegooid en zullen we ze kunnen behouden, en dan zal het Sportakkoord dus niet worden afgeschaft. Mevrouw Huizenga (D66): Nou, wij willen vooral inzetten op een brede sport- en beweegvisie en een sport- en beweegwet. Misschien komt het Sportakkoord dan in een hele andere vorm terug, maar niet zo, op deze manier. Ik wil dus liever werken aan een brede visie op sport en bewegen en aan een sport- en beweegwet. De voorzitter: Tot slot, mevrouw Dobbe. Mevrouw Dobbe (SP): Dat kan ik snappen. Alleen, die is er nu natuurlijk nog niet. Dus dan hebben we wel dat je het kind met het badwater weggooit, zoals dat dan heet. Op het moment dat je iets afschaft voordat er iets nieuws is waarvan je weet dat het al die mooie effecten die het Sportakkoord nu geeft kan opvangen ... Tja, dan weet je dat dus niet en dan ben je zo meteen misschien wel dat mooie effect kwijt. Dus is D66 dan in ieder geval bereid om te wachten met het afschaffen van het Sportakkoord, totdat er een alternatief ligt dat in ieder geval die positieve effecten kan behouden? Mevrouw Huizenga (D66): Een kind met het badwater weggooien, daar ben ik zeker geen voorstander van; ik denk dat je kinderen moet leren zwemmen. Maar als we kijken naar het Sportakkoord, denk ik dat we echt gezamenlijk moeten werken aan die bredere sport- en beweegvisie. Dus daar moeten we wat ons betreft mee aan de slag. Dat Sportakkoord kan denk ik nog steeds -- en dit is een herhaling van mijn vorige antwoord -- op een andere manier in die toekomst meegenomen worden. De voorzitter: U heeft ook nog een interruptie van de heer Mohandis. Ga uw gang. De heer Mohandis (PRO): Ja, en ouderen moeten ook blijven zwemmen, maar dat terzijde. Ik had een aanvullende vraag. Stel nou dat een deel van de Sportakkoordmiddelen wordt beëindigd, zodat die gewoon komen te vervallen. We kunnen natuurlijk ook de keuze maken om die middelen niet te laten vervallen en zeggen dat we ze op een andere manier gaan inzetten, bijvoorbeeld voor de enorme noden bij sportverenigingen. Ik ga u dat niet uitleggen, want die kent u. Maar nu is het zo dat, als die Sportakkoordmiddelen eindigen voor een deel, ze gewoon weg zijn en niet worden ingezet voor sport. Ik was benieuwd hoe u daarnaar kijkt. Mevrouw Huizenga (D66): Ik denk dat het sowieso verstandig is om de middelen die zijn gericht op sport, nooit weg te gooien. Daarin ben ik het dus met u eens. Alleen, of de manier via een Sportakkoord is of op een andere manier ... Daar moeten we denk ik mee aan de slag. Ik vind het belangrijk dat we de middelen die er zijn voor sport, ook voor sport en bewegen inzetten, maar dan dus niet alleen voor sport, maar ook voor bewegen en buitenspelen. De voorzitter: Dank u wel. Ik zie geen aanvullende interrupties meer. Mevrouw Dobbe? Nee? Prima. Dan gaan we door naar de volgende spreker: mevrouw Inge van Dijk van het CDA. Ga uw gang. Mevrouw Inge van Dijk (CDA): Dank je wel, voorzitter. Dit is ons eerste sport- en beweegdebat met deze minister. Zij heeft aangekondigd in het najaar met haar sport- en beweegambities te komen. Wat het CDA betreft mogen die ambities groot zijn. Want als we het echt menen met een gezonder Nederland, dan kunnen sport en beweging niet ergens onderaan de beleidsagenda bungelen. Daar hoort ook bij dat beleid niet van bovenaf wordt bedacht, maar van onderop wordt opgebouwd, samen met de sportbonden, de verenigingsachterban en lokale bestuurders; want daar gebeurt het, daar zit de kennis. Juist daarom vinden wij dat de brief van de minister nog te veel vanuit systemen is geschreven. Neem de uitwerking van de sportloketten: toets eerst bij verenigingen of zij dat werkelijk nodig hebben, voordat we er weer naar neigen om nieuwe Haagse structuren op te tuigen. Datzelfde geldt voor de ombudsfunctie voor verenigingen. De aangenomen motie was helder, maar de uitwerking sluit daar wat ons betreft nog onvoldoende op aan. Voorzitter. Collega Krul en ik presenteren na het zomerreces onze initiatiefnota Sport en beweging als medicijn. Daarin willen wij voorstellen om sport en bewegen structureel te verankeren in preventie, de zorg en de inrichting van onze leefomgeving. Op drie punten wil ik onze inzet vandaag alvast markeren, omdat er ook haakjes zaten in de brief van de minister. Allereerst: de basis op orde. Onze sportbasisinfrastructuur staat onder druk. Bestaande accommodaties moeten worden onderhouden en verduurzaamd, en tegelijkertijd moeten er in nieuwe woonwijken voldoende sportvoorzieningen worden gerealiseerd. Maar de instrumenten die verenigingen en gemeentes daarbij helpen, schieten tekort. Dat zagen we dit jaar opnieuw bij de BOSA-regeling. Door het vastlopen van het systeem werd vervolgens gekozen voor loting. Achter iedere aanvraag zit een vereniging die maanden bezig is geweest met een sluitende businesscase, vrijwilligers die hun nek uitsteken en gemeenten en banken die meedenken, en vervolgens bepaalt het lot dan wie wel en wie niet mag investeren. Dat schuurt. Daarom vraag ik de minister of zij mogelijkheden ziet om verenigingen die dit jaar buiten de boot zijn gevallen, alsnog tegemoet te komen. Daarnaast vragen wij de minister om serieus te kijken naar een verhoging van het BOSA-budget vanaf 2027. De investeringsopgave in de sport is simpelweg veel groter dan de middelen die nu beschikbaar zijn. Dat zien we aan de jaarlijkse forse overschrijving. Maar ook dat is niet voldoende. Het systeem zelf is toe aan modernisering. Daarom pleit het CDA voor een landelijk revolverend fonds voor sportaccommodaties, een fonds waarmee investeringen in verduurzaming, renovatie, nieuwbouw en multifunctionele accommodaties kunnen worden gefinancierd via laagrentende leningen, garanties en achtergestelde financiering. En doordat aflossingen terugvloeien in dat fonds, kan hetzelfde publieke geld steeds opnieuw worden ingezet. Hoe mooi is dat, een euro die niet één keer maar meerdere keren kan worden uitgegeven? Zo ontstaat een toekomstbestendig financieringsstelsel. Kleine maatschappelijke projecten blijven gebruikmaken van de BOSA en grotere investeringen kunnen via het fonds worden gefinancierd, met eventueel een subsidiecomponent voor het maatschappelijke deel. Tijdens het commissiedebat Staatsdeelnemingen heeft staatssecretaris Eerenberg toegezegd om bij de uitwerking van de eventuele opbrengsten uit de verkoop van de Nederlandse Loterij ook te kijken naar een garantstelling voor zo'n revolverend fonds. Dat biedt een kans die we echt niet moeten laten lopen. Daarom de oproep aan de minister om dit samen met de collega van Fiscaliteit voortvarend op te pakken. Zo geven we verenigingen eindelijk de zekerheid van twee stabiele instrumenten om te investeren in de toekomst. Voorzitter. Mijn tweede punt, dat heel erg aansluit bij de oproep van de collega van D66. Een gezond Nederland vraagt om een integraal beweegbeleid. Bewegen raakt niet alleen aan sport, maar ook aan de inrichting van onze leefomgeving, het onderwijs, werkgevers, gemeenten en de zorg. Daarom vraag ik de minister of zij bereid is om te komen tot een integraal bewegingsbeleid met expliciete aandacht voor mensen met een beperking. Tot slot, voorzitter. We zeggen vaak dat voorkomen beter is dan genezen, maar in de praktijk winnen de korte termijn en de begrotingsregels nog te vaak van preventie, terwijl sport en bewegen juist laten zien dat preventie rendeert. Daarom is de nieuwe Richtlijn passend bewijs voor preventie zo belangrijk. Die maakt het mogelijk om niet alleen maar naar de korte termijn te kijken, maar ook naar de maatschappelijke opbrengsten op de langere termijn. Het CDA vraagt de minister dan ook om sport en bewegen als een van de eerste casussen op te nemen in de verdere uitwerking van deze richtlijn en het daarbij behorende afwegingskader. Want als we zichtbaar maken dat sport daadwerkelijk wat oplevert -- wat wij hier allang weten -- kunnen we ook betere keuzes maken. Dan wordt sport geen sluitpost, maar een vanzelfsprekend onderdeel van de preventieagenda en van toekomstige begrotingen. Dank je wel, voorzitter. De voorzitter: Dank u wel. U heeft een interruptie van de heer Mohandis. Ga uw gang. De heer Mohandis (PRO): Dank voor de inbreng van collega Van Dijk. Ik had een vraag die ik eigenlijk ook aan de minister had gesteld. Die stel ik ook aan u. Wij delen samen het lot dat we te maken hebben met de vierde bewindspersoon in vier jaar tijd. Ik was dus heel erg benieuwd naar hoe u gaat terugkijken naar deze minister als wat zij in de afgelopen jaren in werking heeft gesteld, niet gelukt is. We hebben vaak hetzelfde bepleit en weten allebei dat het vaak stroef is gegaan. Ik ben heel erg benieuwd hoe u daarnaar kijkt. En wat zijn de twee dingen die echt een erfenis moeten zijn van deze CDA-minister? Mevrouw Inge van Dijk (CDA): Nou, ik heb uiteraard heel veel vertrouwen in deze CDA-minister. Ik heb in het verleden ook met haar over verenigingsbeleid et cetera gesproken, dus ik weet dat bij haar in ieder geval een warm hart zit voor deze belangrijke groep mensen. Wat ik belangrijk vind in haar brief, los van de kritiek die ik ook heb, is dat ze heel duidelijk aangeeft dat ze voor lange lijnen wil gaan en voor een structurele financiering en oplossingen. Net was er een interruptie die ging over het Sportakkoord. Ik denk echt dat daar mooie dingen uit voort zijn gekomen, maar het is allemaal projectmatig, kort, aflopend. Daarmee bouw je geen structurele, goede infrastructuur op. Nou, die stukken in de brief geven mij heel veel hoop op een goede toekomst. Ik zal ze haar in ieder geval willen meegeven als: ga daar vooral op inzetten; ga daar gewoon heel hard aan trekken. De voorzitter: Een vervolgvraag van de heer Mohandis. De heer Mohandis (PRO): Mevrouw Van Dijk en ik weten allebei dat geld niet voor alles de oplossing is, maar geld helpt soms wel om een probleem op te lossen. Nu is het wel zo dat in het Sportakkoord middelen zitten die aflopen. Die zouden we bijvoorbeeld heel gericht kunnen inzetten voor vraagstukken waar verenigingen voor staan. Ik was dus ook benieuwd of die hoop wel gerechtvaardigd is, als u ziet dat deze minister toch ook een deel van de bezuinigingen erft van het vorige kabinet. Hoe gaat zij dat waarmaken, ook met de middelen die aflopen? Ik ben benieuwd hoe u dat ziet. Mevrouw Inge van Dijk (CDA): Wat ik zie, en daarmee ben ik toch wel kritisch op de inbreng van een aantal partijen, is dat wij als Kamerleden ook wel wat creatiever mogen zijn. Als wij zien dat wij met een minister te maken hebben met een kleine portemonnee -- dat weten we, want dat is al jaren zo; ik heb nog nooit een debat gevoerd met een grote sportbegroting -- moeten wij gaan nadenken over hoe we deze minister kunnen helpen om geld te verzamelen om al die mooie sportambities groot te maken. Vandaar dat wij zeggen: denk na over een integraal beweegbeleid; denk na over sport als preventie. Want op het moment dat we die haakjes goed gaan slaan, geeft dat deze minister natuurlijk ook veel meer ruimte om middelen bij elkaar te rapen om sport en bewegen groot te maken. Een revolverend fonds; laten we daar vóór gaan staan, dan hebben we echt fundamenteel geld voor onze sportverenigingen. Dus ik vind dat ook wij creatiever moeten zijn en verder moeten durven kijken dan alleen maar sport. De voorzitter: Dank u wel. Ik zie verder geen ... O, ik zie een interruptie van mevrouw Dobbe. Ga uw gang. Mevrouw Dobbe (SP): Ja, dank u wel. Ik ben het daar ook wel mee eens. We moeten kijken op welke manieren we sport ook breder kunnen benaderen, omdat het natuurlijk ook breder is. Sport en bewegen hebben natuurlijk ook te maken met preventie. Ze hebben ook te maken met gemeenschap, samenhang. Het kan zoveel zijn. Maar ik wilde eigenlijk dezelfde vraag herhalen. Op het moment dat je het kind met het badwater weggooit en de mooie resultaten van de sportakkoorden nu niet voortzet, verliezen we ook wel wat in die zin. Dat zou ik wel zonde vinden. Ik vind dat we toe moeten naar een breder beleid, naar creatieve oplossingen; en niet naar incidentele sportinvestering, maar echt structureel. Het zou toch zonde zijn als we die mooie resultaten zouden verliezen? Mevrouw Inge van Dijk (CDA): Wat ik begrepen heb uit de brief van de minister is dat zij juist aangeeft dat ook zij gaat kijken hoe ze de dingen uit het Sportakkoord die inderdaad mooie resultaten hebben opgeleverd, gaat verankeren en structureel kan wegzetten. Dus volgens mij heeft ze de evaluatie goed gelezen. Als ik het verkeerd heb, zal ze daar straks zelf wel op reageren en zeggen: ik ga heel gericht kiezen voor wat goed heeft gewerkt en voor hoe ik dat voor de lange termijn kan doorzetten. Dat vind ik eigenlijk wel de weg vooruit, in plaats van kortetermijnsubsidies en ermee stoppen als iets net lekker begint te lopen. De voorzitter: U bent door de interrupties heen. We gaan daarom naar de volgende spreker: de heer Van der Maas van de VVD. Ga uw gang. De heer Van der Maas (VVD): Hartelijk dank, voorzitter. Eerst ook een welkom aan alle mensen die hier op de tribune zitten. Het is zo mooi om uw betrokkenheid te zien. Die betrokkenheid is zo ontzettend belangrijk. Sport en bewegen zijn gezond, bieden ontspanning en plezier, helpen om fit te blijven en spelen daarmee een heel belangrijke rol voor een vitale en gezonde leefomgeving. De VVD is dan ook grote dank verschuldigd aan al die vrijwilligers, bestuurders en iedereen die zich inzet op sportverenigingen, bij sportbonden en andere sportorganisaties. Die inzet is echt cruciaal voor een actieve sportsector. Dat gezegd hebbende, gebruik ik mijn spreektijd vandaag voor een drietal onderwerpen. Het eerste is het huidige Sportakkoord, dat aan het einde van dit jaar afloopt. Dat is al verschillende keren genoemd. Ik denk dat iedereen daar wel zorgen over heeft, en dat terwijl die evaluatie van Berenschot heeft geleid tot de constatering dat dat akkoord heeft gezorgd voor meer samenwerking en een sterkere sportsector. Dat beeld herkent de VVD ook uit de praktijk, en dat is zeer positief. Graag ziet de VVD dat die versterking zich doorzet. En ja, daarom roep ik alle partijen in de sportsector op om samen aan een vervolg te werken, en inderdaad datgene wat goed gaat te borgen en om daarop voort te bouwen. Het is ook belangrijk om daarbij niet alleen naar Den Haag te kijken en naar de minister, maar ook om echt met elkaar op te trekken en zelf het heft in handen te nemen. Dat betekent samenwerking tussen verenigingen en ondernemers, maar ook sporters en bestuurders en beleidsmakers en -uitvoerders; iedereen samen. Wat de VVD betreft moet dat dan leiden tot een integraal plan met een duidelijke uitvoeringsagenda, met ook een daarbij behorend financieringsperspectief. Maar dat komt dan wel op het moment dat je weet dat dat plan er ligt. Daarbij vindt de VVD dat er breder gekeken moet worden naar hoe sport ondersteund wordt. Ik bedoel daarmee dat sportfinanciering niet alleen via overheidsgeld moet gebeuren, maar ook via slimme samenwerkingen met private partijen. Dat zal u niet verbazen van de VVD. Daarbij denk ik bijvoorbeeld aan prikkels, zoals kortingen op sportabonnementen via werkgevers of andere vormen van private financiering. Dat is in ieders belang, want iedere in sport geïnvesteerde euro -- dat weten we allemaal -- levert zo minimaal €3 aan gezondheidswinst op. Ik roep de minister dan ook op om op korte termijn alle partijen samen te brengen en goede gesprekken te faciliteren, waarbij wat betreft de VVD het uiteindelijke doel een echt integraal plan is. En ja, dat heeft haast -- dat weet u allemaal -- want dat Sportakkoord gaat aflopen. Dus hoe ziet de minister dat? En op welke manier kan de minister ervoor zorgen dat alle genoemde partijen -- en daarmee bedoel ik ook werkgevers, werknemers en andere partijen -- bij het opstellen van dat plan worden betrokken? Graag een reactie daarop. De voorzitter: U heeft een interruptie van mevrouw Inge van Dijk. Ga uw gang. Mevrouw Inge van Dijk (CDA): Volgens mij sluit die oproep best wel aan op andere oproepen. U richt zich met name op bedrijven, private partijen et cetera. Dat snap ik, die moeten we er zeker ook bij betrekken. Maar hoe kijkt u daarbij naar andere ministeries? Vindt u, of bent u het met het CDA eens, dat die misschien ook wel een duit in het zakje mogen doen? De heer Van der Maas (VVD): Nou, een integraal plan betekent dat we alle stakeholders aan tafel krijgen, dus als dat nodig is, kan ik mij voorstellen dat dat inderdaad gebeurt. Maar ik denk dat we eerst alle partijen die een directe betrokkenheid hebben bij de sport bij elkaar moeten brengen, dat we dan al die inzichten krijgen en zo samen tot een plan komen. Uiteraard kunnen we daarbij ook de inzichten van andere instanties, ministeries, ophalen. Dus ik geef de minister een aardige vraag mee, kan ik wel stellen. De voorzitter: U vervolgt uw betoog. De heer Van der Maas (VVD): Ja, oké. Dat was dus het integraal plan. Nu over naar steroïdegebruik; het is al eerder genoemd. De VVD maakt zich zorgen over het toenemende gebruik van steroïden in de individuele sport, en dan bijvoorbeeld ook in de sportmaxxingtrend. Volgens hoogleraar Pim de Ronde gaat het om honderdduizenden sporters in de leeftijd tussen de 20 en 40. Een convenant in de fitnessbranche, genaamd Eigen Kracht, is een hele goede stap, maar er is een bredere aanpak nodig, want we zien nog steeds een groei van het steroïdegebruik. Dat betekent dan een betere medische begeleiding op sportlocaties en ook meer openheid over problemen, dus mensen bewust maken van welke risico's ze eigenlijk lopen. Dat is belangrijk. Hoe ziet de minister dit? Wordt dit in het wetsvoorstel integere sport meegenomen? En hoe kan de overheid een krachtige rol spelen om dat steroïdegebruik tegen te gaan? Voorzitter. Als laatste een bredere ontwikkeling. Je ziet dat steeds meer mensen individueel sporten: van teamsport op de vereniging naar solo in de sportschool met de koptelefoon op. Uiteraard is dat een vrije keuze, en de VVD gaat uiteraard niemand vertellen hoe en waar hij moet sporten; laat dat helder zijn. Maar het is wel zo dat we een risico zien in deze trend, en dat heeft dan vooral te maken met het verenigingsleven, de continuïteit daarvan en dat die onder druk kan komen te staan. Hoe ziet de minister dat? Welke mogelijkheden ziet zij om het verenigingsleven verder te versterken? Graag een reflectie van de minister. Dat is het, dank u. De voorzitter: Hartstikke mooi. Ik wou u net vragen om af te ronden, inderdaad. De heer Van der Maas (VVD): Als het goed is, waren het precies vier minuten. De voorzitter: Vijf. Bijna vijf, daar zat u op. Maar goed, we hadden de anderen ook wat meer ruimte gegeven. Ik zie geen verdere interrupties voor u, dus dan gaan we naar de bijdrage van mevrouw Dobbe van de SP. Ga uw gang. Mevrouw Dobbe (SP): Dank u wel, voorzitter. Sporten is gezond, sporten is mooi. Het is ook een gevoel. Nou, dat hebben we vanochtend allemaal mogen ervaren. Ik wilde het eigenlijk verder niet hebben over het WK voetbal, ware het niet dat ik net een bericht las over racistische bejegeningen van de spelers van ons elftal. Ik denk dat het enorm zou helpen als onze minister zich, samen met ons, ondubbelzinnig daartegen zou willen uitspreken. Ik vond het heel naar om te lezen. Misschien kunt u daar even naar kijken. Niet nu door de minister, hè, maar ... Nee, ik las het bericht dat er allerlei berichten online staan tegen de spelers van Oranje en vind het heel naar om dat te lezen. Ik denk dat we ons daartegen moeten uitspreken. Dus daar wilde ik eigenlijk mee beginnen. Verder moet sport toegankelijk blijven voor iedereen, ook als je niet midden in een stad woont of in een rijke buurt, ook als je weinig geld hebt of een handicap hebt. Uit de evaluatie van het Sportakkoord van maart bleek dat dat op heel veel plekken heeft geleid tot een sterker sportbeleid, tot meer samenwerking tussen sport, welzijn, onderwijs en gezondheid, en tot een inclusiever sportaanbod. En preventie door sport is ook goedkoper dan zorg. Dit kabinet wil bouwen aan de gezondste generatie ooit. Dan vind ik het wel onbegrijpelijk dat het Sportakkoord wordt afgebroken. Begrijpt de minister dat wij dat onbegrijpelijk vinden? En is zij het met ons eens dat de positieve resultaten juist moeten worden voortgezet? Twee weken geleden dienden wij de motie-Dijk/Dobbe in om de financiering van de sportakkoorden na 2027 te behouden. Die hebben we aangehouden, wachtend op een appreciatie. Dat is inmiddels geweest. Ik hoor graag of de minister zich in die motie kan vinden. Ook de sportverenigingen, de plekken van ontmoeting en inzet van talloze vrijwilligers, staan onder druk. We zagen -- ik geloof dat de heer Mohandis daar al aan heeft gerefereerd -- de chaos rondom de BOSA-regeling, waarbij subsidie voor onderhoud, verduurzaming, nieuwbouw letterlijk via een loterij werd verdeeld. En van de 50 miljoen uit het regeerakkoord moeten zowel het wegvallen van het Sportakkoord als de verruiming van de BOSA worden betaald. Volgens mij weet iedereen hier wel dat dit onvoldoende gaat zijn om de resultaten te behouden en om die BOSA-regeling uit te breiden. Hoe ziet de minister dit? Dan de sport voor mensen met een handicap. Het Fonds Gehandicaptensport benadrukt dat goede begeleiding hierbij cruciaal is. Een route waarin zorg, onderwijs, gemeenten, buurtsportcoaches en sportaanbieders samenwerken om mensen naar een passend sportaanbod te begeleiden en hen actief te houden. Is de minister bereid om met deze partijen te bekijken hoe die route, die blijkbaar een probleem is, kan worden verbeterd? Na jarenlange druk vanuit de Kamer wordt ook gewerkt aan een beter systeem voor sporthulpmiddelen. Daar zijn wij heel blij mee. Sinds 1 oktober loopt de pilot van het Uniek Sporten Centraal Loket. Die lijkt ook positief te verlopen. Wel zijn er nog veel gemeenten niet aangesloten op deze pilot. Het lijkt ons goed als dat wel gaat gebeuren, dus kan deze minister zich er misschien voor inzetten om te zorgen dat gemeenten hieraan gaan meedoen? Dan dit. Sporten is nog steeds niet voor iedereen toegankelijk. 55% van de Nederlanders vindt sporten te duur. Onder mensen met een laag inkomen is dat 66%. Kinderen die opgroeien in armoede sporten ook minder. Op initiatief van de SP wordt nu in drie gemeenten gewerkt met een sportpas voor jongeren. De resultaten worden eind 2027 verwacht, maar de eerste resultaten hiervan zijn mooi en positief. Wordt er door deze minister al nagedacht over een landelijke invoering, als de pilot succesvol is? En wat kan de minister doen om andere financiële drempels weg te nemen voor mensen, zoals bijvoorbeeld kosten voor sportkleding of -materiaal? Dan tot slot, voorzitter, schoolzwemmen. Ook dit jaar waren er weer verdrinkingen -- nu al. Ontzettend verdrietig. Elk kind moet goed leren zwemmen, maar in de laagste inkomensgroepen heeft een derde van de kinderen nog steeds geen zwemdiploma. Onderzoek laat zien dat schoolzwemmen betaalbaar is en op manieren kan worden georganiseerd die scholen steunen. Er zijn ook verschillende scenario's uitgewerkt; die liggen klaar. Toch worden aangenomen moties ook hierover niet uitgevoerd. Zwemmen is in Nederland toch wel een basisvaardigheid volgens mij. Als kinderen dat niet leren, brengt dat levens in gevaar. Dus wat is er nog nodig voor deze minister om deze motie wel uit te voeren, en om in ieder geval te starten met de pilot op basis van de uitgewerkte scenario's? Dank u wel. De voorzitter: Dank u wel. Ik kijk even, maar er zijn geen vragen voor u. Dan gaan we naar de bijdrage van de heer El Abassi, van DENK. Ga uw gang. De heer El Abassi (DENK): Voorzitter. En ik ga het wél over het WK hebben, al is het omdat ik vannacht maar een kwartier geslapen heb. Vanmorgen speelde Nederland namelijk om 3.00 uur 's nachts tegen Marokko. Tja, hoe verzin je dat? Net als veel Nederlanders zat ik op dat tijdstip klaarwakker voor de televisie, kijkend naar een wedstrijd die eigenlijk de finale had moeten zijn. Een spannende wedstrijd, vol strijdlust, maar ook met respect voor elkaar. Zo liepen Saibari en Van Hecke allebei een bloedwond aan het hoofd op. Het ging er stevig aan toe. Tegelijkertijd zag je spelers van het Marokkaanse elftal Cody Gakpo condoleren met het verlies van zijn kind. Voetbal verbindt en verbroedert. En voor veel Nederlanders was het ook een wedstrijd tussen het land waar zij zijn geboren, getogen en opgegroeid, en het land waar hun roots liggen. Het was een wedstrijd met dubbele spanning, dubbele hoop, dubbele trots en dubbele emotie. Straten hangen vol met Nederlandse, Curaçaose, Kaapverdische, Marokkaanse en Turkse vlaggen, zij aan zij. Onder het genot van eten en drinken kijken mensen samen naar de wedstrijden, thuis, in cafés of op pleinen met grote schermen. Het hele land verandert even in een groot stadion. Voorzitter. Als ik naar het Nederlands elftal kijk, zie ik Virgil van Dijk, Memphis Depay, Denzel Dumfries, Frenkie de Jong, Bart Verbruggen, die uitstekend keepte, Cody Gakpo en Brian Brobbey: een elftal dat de multiculturele diversiteit van Nederland weerspiegelt. Eén shirt, één team, één trots. Toch is die eenheid niet vanzelfsprekend. Achter dat oranje scherm is de werkelijkheid namelijk minder kleurrijk. Op social media worden spelers van kleur overspoeld met racistische beledigingen. Eerder heb ik moties ingediend om dit tegen te gaan. Helaas was daar toen nog geen meerderheid voor in deze Kamer. Na de wedstrijd was het vanochtend opnieuw raak. Kluivert, Summerville en Timber kregen een stortvloed aan racistische beledigingen over zich heen, met reacties als "zwarten kunnen geen pingel nemen", "K-negers", "zoveel negers en zo afgaan tegen zandapen", "stinkende rifapen", "negers zijn aan het saboteren", "negers kunnen niet voetballen" en "de blanken scoren en de nikkers missen". Voorzitter. Nog geen uren nadat zij door hun tegenstanders werden omhelsd en getroost, kregen zij dit over zich heen van mensen die hen juist zouden moeten toejuichen. Steeds weer worden deze spelers aangevallen op hun huidskleur. Als je goed presteert, ben je een Nederlander. Valt je prestatie tegen, dan ben je ineens weer die buitenlander en krijg je racistische scheldwoorden naar je hoofd. Dergelijke racistische uitingen zorgen ervoor dat sommige Nederlanders, vaak Nederlanders van kleur, zich niet meer welkom voelen bij het Nederlands elftal. Het zijn vaak dezelfde idioten die vervolgens de loyaliteit van deze toppers ter discussie stellen zodra zij ervoor kiezen om uit te komen voor het land waar bijvoorbeeld hun ouders geboren zijn. Is de minister het met mij eens dat discriminatoire en racistische bejegening van Nederlandse voetballers, zowel online als rond wedstrijden, volstrekt onacceptabel is? En vooral: wat gaat de minister daartegen doen? Hoe komt het dat we na tientallen jaren eigenlijk geen vooruitgang boeken en het de andere kant op gaat? Voorzitter. We zien dat voetballers die zich uitspreken over mensenrechten en het leed in Gaza te maken krijgen met sancties, schorsingen of druk vanuit hun club. Zo moest El Ghazi zijn Duitse club verlaten na zijn anti-genocide-uitingen, dreigde Mazraoui geschorst te worden en werd Ziyech bedreigd door de extreemrechtse Israëlische minister Ben-Gvir, door de Israëlische minister. Wat heeft de minister gedaan om onze Nederlandse voetballers te beschermen? Wat doet de minister om onze sporters te beschermen? Wat heeft de minister gedaan tegen de bedreigingen en tegen deze vormen van censuur? Voorzitter. Tot slot de verontwaardiging wanneer voetballers voor een ander shirt kiezen dan dat van Nederland. Ze worden telkens zo minachtend bejegend. Alsof dit niet voldoende is, worden Nederlanders opgehitst in praatprogramma's. Hun wordt verweten niet loyaal te zijn. Ook hierbij vraag ik: wat gaat de minister doen om onze sporters tegen dit soort ophitsing te beschermen? Voorzitter. Veiligheid, waardigheid en gelijke behandeling mogen nooit afhankelijk zijn van afkomst. De voorzitter: Meneer El Abassi, komt u tot een afronding? De heer El Abassi (DENK): En die waarden gelden voor iedereen. Dank u wel. De voorzitter: U was al bij het einde, heel goed. Ze snoepen er steeds een paar tellen bij. Daar moeten we wel een beetje op letten met elkaar. De heer El Abassi (DENK): Het is goed dat u me afremde, voorzitter. De voorzitter: Ik zie dat er geen vragen zijn voor u. Dan gaan we naar mevrouw Van Meetelen van de PVV. Gaat uw gang. Mevrouw Van Meetelen (PVV): Dank u, voorzitter. Sorry dat ik wat later ben. Ik heb de inbreng van een aantal collega's gemist, dus misschien zijn er dubbelingen; ik weet het niet. Maar ik ga starten. Voorzitter. Nederland mag trots zijn op onze sport, onze topsporters, onze verenigingen en de duizenden vrijwilligers die zich iedere week inzetten. De komende jaren krijgen we prachtige sportmomenten. In 2030 wordt het Olympisch langebaanschaatsen verreden in Thialf: een mooie erkenning van Nederland als schaatsland. Maar een sportland bouw je niet met topsport alleen. De basis ligt bij de vereniging om de hoek. Voorzitter. Wie de stukken leest, ziet vooral veel beleid: actieplannen, programma's, allianties en overlegstructuren. Maar de vraag is natuurlijk veel eenvoudiger: worden verenigingen hier beter van, kunnen hierdoor meer mensen sporten, komen vrijwilligers hierdoor minder achter een computer te zitten en worden sportaccommodaties beter? De PVV vindt dat sportbeleid weer moet gaan over de praktijk: over verenigingen, vrijwilligers, goede accommodatie en verstandig omgaan met belastinggeld. Voorzitter. Nederland is een waterland. Daarom is zwemmen niet alleen een sport, maar ook een levensvaardigheid. Ik hoorde dat dat net ook al werd gezegd. Toch wachten ouders in veel plaatsen nog steeds maanden, soms zelfs langer dan een jaar, voordat hun kind met zwemles kan beginnen. Dat is onacceptabel. Dit noem ik even los van de kosten; we hebben het nu over de wachtlijst. De PVV heeft eerder met succes aangedrongen op een plan om de wachtlijsten voor het zwem-ABC terug te dringen. Toch bestaan die wachtlijsten nog steeds. Kan de minister aangeven hoe groot het probleem vandaag de dag nog is? Welke maatregelen neemt zij om de capaciteit uit te breiden en hoe zorgt zij ervoor dat er voldoende zwembaden behouden blijven? Sport draait op vrijwilligers. Zonder hen is er geen voetbal op zaterdag, geen turnles, geen zwemvereniging en geen schaatsclub. Vrijwilligers verdienen minder regels en minder bureaucratie. Zij willen bezig zijn met sport, niet met formulieren. Daarnaast moet iedere euro die voor sport beschikbaar is ook daadwerkelijk bij de sport terechtkomen. Juist daarom is het zo ernstig wat er nu in Amersfoort naar buiten is gekomen. Bij het bedrijf SRO Amersfoort BV zijn ernstige financiële misstanden ontdekt. Er wordt gesproken over miljoenen aan onjuist gefactureerde kosten, onvoldoende onderbouwde facturen en administratief geschuif met kosten. Daarom vraag ik de minister hoe het kan dat een organisatie die namens de gemeente zwembaden, sporthallen en gymlokalen beheert, kennelijk jarenlang zulke gebrekkige interne controles had dat de klokkenluider nodig was om dit boven tafel te krijgen. Welke landelijke lessen trekt zij hieruit en hoe zorgt zij ervoor dat publiek geld voor sport niet weglekt? Sportgeld is bedoeld voor sporters, verenigingen, zwembaden en sporthallen, en niet voor financiële chaos. Welke lessen trekt de minister uit deze zaak en hoe voorkomt zij dat publiek geld dat bestemd is voor sport opnieuw op deze manier weglekt? Sport begint niet bij de vereniging; sport begint ook buiten, in de buurt. Kinderen moeten veilig kunnen spelen, rennen, klimmen en voetballen. Toch verdwijnen speelplekken of zijn deze verouderd of slecht onderhouden. Dat is zonde. Juist een goede speelplek in de wijk nodigt kinderen uit om naar buiten te gaan en te bewegen. De PVV heeft daarom eerder voorgesteld om financiële middelen beschikbaar te stellen voor het realiseren van toegankelijke speelplekken. Helaas kreeg die motie nipt, op één stem na, geen meerderheid. Daarom vraag ik de minister opnieuw of zij het belang ziet van voldoende toegankelijke en goed onderhouden speelplekken voor kinderen. Is zij bereid samen met gemeenten te bekijken waar de grootste knelpunten liggen en hoe ervoor kan worden gezorgd dat ieder kind veilig kan spelen en bewegen in de eigen buurt? Voorzitter, mijn laatste punt. Het is mooi dat de wereld in 2030 naar Thialf kijkt, maar de kampioenen van 2038 beginnen niet in Thialf. Die beginnen vandaag, bij de zwemvereniging, de voetbalclub, de atletiekvereniging of de schaatsclub om de hoek, of nog dichterbij: in de speeltuin in de straat. De voorzitter: U heeft een interruptie. Mevrouw Van Meetelen (PVV): Ik heb nog één zin. De voorzitter: Oké, maakt u die af. Mevrouw Van Meetelen (PVV): De PVV vraagt dus niet om meer plannen en overleg, maar een sterke sportcultuur waarin inzet, discipline en prestaties weer centraal staan. Dank u. De voorzitter: Helemaal goed. U heeft een interruptie van mevrouw Van Dijk. Mevrouw Inge van Dijk (CDA): Ik hoorde de collega volgens mij impliciet ook pleiten voor een integraal beleid, om breder te kijken dan alleen naar sport. Er wordt bij het sportdebat heel vaak gepleit voor buitenspeelaccommodaties. Dat snap ik, maar als we heel zuiver kijken, wie zou daar dan verantwoordelijk voor moeten zijn? Is dat de minister die sport in haar portefeuille heeft of de minister die gaat over ruimte? Ik ben namelijk op zoek hoe we met elkaar meer integraal beleid kunnen maken, zodat we veel meer kunnen. Vandaar mijn vraag aan mevrouw Van Meetelen. Mevrouw Van Meetelen (PVV): Ik begrijp die vraag. Wij hebben daar natuurlijk ook over nagedacht. Uiteindelijk ligt het natuurlijk bij de gemeenten die ze moeten plaatsen en onderhouden. Ik wil wel graag samen met het CDA kijken hoe dat vormgegeven moet worden, zodat er toch meer uitgerold gaat worden. We zien gewoon dat ze er niet genoeg zijn. Daarbij gaat het ook over toegankelijke speelplaatsen, ook voor kinderen met een handicap. Daar hebben we toen ook aandacht voor gevraagd; ik weet niet of we daar toen ook een motie voor hebben ingediend. Ik denk dat daarvoor nog heel veel werk te verzetten is. Ik wil wel kijken hoe we dat zouden moeten doen. Ik heb ook niet de oplossing, zeg ik erbij. De voorzitter: Dank u wel. Ik zie verder geen interrupties meer. Dan constateer ik dat we hiermee aan het einde zijn gekomen van de eerste termijn van de kant van de Kamer. Ik kijk even naar de minister om te zien hoelang zij nodig heeft. Dit wordt inderdaad ook de dinerpauze. Als u aangeeft hoelang u nodig heeft, plak ik daar nog een klein beetje aan. Dan stel ik voor dat we drie kwartier schorsen. We beginnen om tien over half met de eerste termijn van de kant van de minister. De heer Mohandis (PRO): 18.40 uur bedoelt u? De voorzitter: Ja, 18.40 uur. Dank u wel, meneer Mohandis. We zijn geschorst tot 18.40 uur. De vergadering wordt van 17.54 uur tot 18.41 uur geschorst. De voorzitter: Dames en heren, welkom terug bij dit debat over sportbeleid. We hebben de eerste termijn van de Kamer gehad. We gaan nu naar de beantwoording aan de kant van de minister. Mijn eerste vraag aan de minister is: hoeveel en welke blokjes heeft u? Minister Sterk: Voorzitter, ik heb zes blokjes. Sommige zijn heel kort, hoor. Ik wil beginnen met een blokje discriminatie. Daarna heb ik een blokje toekomstbestendige sport- en beweeginfrastructuur. De BOSA zit daar bijvoorbeeld ook bij. Sport- en beweegbeleid is het derde blokje. Het vierde blokje is deltaplan sportverenigingen. Het vijfde blokje is kansengelijkheid. Het laatste blokje bevat overige vragen. De voorzitter: Helemaal goed. Dan stel ik voor om, ook gezien het aantal Kamerleden -- nog niet iedereen is terug -- het aantal interrupties eerst weer op vier te zetten. Dan kijken we even hoe het gaat. Misschien kunnen we de interrupties een beetje aan het einde van elk blokje doen, zodat we zeker weten dat de minister niet uw vraag alsnog gaat beantwoorden en u daar geen interruptie aan verspeelt. Dan geef ik u graag het woord, minister. Gaat uw gang. Minister Sterk: Voorzitter, dank u wel. Als ik u zo hoor spreken, denk ik dat er een aantal mensen vanmorgen gefrustreerd alsnog naar bed zijn gegaan. Althans, voor mij gold dat zeker. Ik heb vannacht namelijk ook gekeken naar de wedstrijd. Het is natuurlijk gewoon jammer als die dan zo eindigt. Maar ergens dacht ik: ik heb ook iets heel moois gezien. Er was ook een ontroerend moment: het doelpunt dat werd gescoord door Gakpo. Dit doelpunt is natuurlijk begonnen toen er nog een klein jongetje droomde om ooit voetballer te worden, dat in de jeugdopleiding bij PSV terechtkwam, daar heeft geleerd hoe goed hij zijn talenten kon inzetten, vervolgens in Liverpool terecht is gekomen en uiteindelijk hier bij het Nederlands elftal speelde in de WK-finale in Monterrey. Dat is denk ik het mooie van sport: het kan beginnen bij de droom van een kind dat misschien wel een favoriete voetballer had, misschien wel Kluivert, en dat vervolgens zijn droom heeft kunnen waarmaken. Dat is het ene wat ik er mooi aan vond. Het tweede wat ik er heel erg mooi aan vond, was het volgende. Ten eerste was het een heel mooi doelpunt. Het was echt een goed doelpunt. Maar het is ook wat er daarna gebeurde. Hij ging door zijn knieën, op de grond, en in no time stond echt het hele elftal, inclusief alle mensen die aan de kant zaten, om hem heen en hingen ze om en over hem heen, omdat iedereen besefte dat je juist in deze tijden, als het in je leven soms heel zwaar is -- dat was het voor Gakpo en zijn vrouw op dat moment -- heel veel steun kunt hebben aan de mensen met wie je probeert om heel mooie resultaten neer te zetten. Dat vond ik een prachtig voorbeeld van hoe sport ook … "Verbroedert" vind ik altijd een beetje een ingewikkeld woord, want wij zijn vrouwen en we hebben niet alleen broeders in ons midden. Maar ik denk dat sport gewoon enorm kan verbinden. Ik vond het ontzettend mooi om dat beeld juist ook op de televisie te zien. Eigenlijk maakte dat voor mij de wedstrijd ook wel weer een beetje goed. Dan ga ik toch maar vast even naar het eerste blokje. Ik ga zo nog wel even door met mijn inleiding. Het is natuurlijk ook diep triest, echt diep triest, wat er vervolgens gebeurt op social media. Kamerlid Dobbe en de heer El Abassi begonnen daar natuurlijk over. Ik vind het ook echt heel erg belangrijk -- daarom begin ik er nu ook mee -- dat ook ik vanaf deze plaats mijn grote afschuw uitspreek over wat daar gebeurt en zeg dat wij dat als Kamer ook blijven doen. Het is ronduit triest, denk ik, om je op zo'n manier over mensen te uiten als je teleurgesteld bent over een wedstrijd. Ik vind het echt te walgelijk voor woorden. Dat heeft ook helemaal niets met sport te maken. Wat er gebeurde op het moment dat dat doelpunt werd gescoord, heeft volgens mij juist met sport te maken; daar gaat het over. De KNVB heeft inmiddels ook laten weten dat ze er melding van gaan maken bij Meld.Online Discriminatie. Dat kan hopelijk ook leiden tot vervolging. Ik ga daar dadelijk nog even verder op in. Ik vind het belangrijk om hier ook mee te beginnen, want dit soort dingen willen we gewoon niet. Die horen niet thuis in de sport. Die horen nergens thuis, maar ook niet in de sport. Het is jammer dat dat het feest ook weer vervuilt. Voorzitter. Ik ga verder met mijn inbreng. Ik denk dat ik hiermee al kan aangeven hoe sport verbindt. Dat begint bij verenigingen, bij mensen die dromen hebben, bij mensen die actief gaan worden en gaan bewegen en dat ook met elkaar doen en daar ook plezier in hebben. Ik ben er ook heel trots op dat een ander evenement naar ons land komt -- een aantal van u heeft daar net aan gerefereerd -- namelijk de Winterspelen in 2030, 102 jaar nadat de olympische vlam is gedoofd in Amsterdam. Ik hoop op een enorm schaatsfeest. Ik kreeg gisteren de vraag: maar het is toch van Frankrijk? Ik zeg: "Je moet ons niet onderschatten. We zijn de internationale schaatstop. Het zijn de Franse Olympische Spelen, maar reken maar dat het daar helemaal oranje gaat worden." In die zin is het ook makkelijker voor mensen die hier in Nederland wonen om ook een keer deel te gaan nemen en te kijken bij deze sporten. Ik hoop dus dat dat een prachtig evenement gaat worden. Sport en bewegen zijn ontzettend belangrijk. Daar is al een aantal keer over gesproken. Dit kabinet werkt natuurlijk ook aan de gezondste generatie ooit. Daar horen sport en bewegen natuurlijk bij. Dat begint als je kind bent en dat gaat door tot je ouder bent en misschien wel dementerend. Sport is dan nog steeds ontzettend belangrijk. Het is heel goed dat mensen dat kunnen ervaren en doen. Daar kunnen we echt samen nog wel winst op boeken. Dat zie ik ook. Dat is door velen van u gezegd. Mevrouw Huizenga sprak daar ook over. Ruim de helft van de Nederlandse bevolking voldoet nog niet aan de beweegrichtlijnen. 42% sport niet wekelijks en we zitten op een gemiddelde dag in de week ruim negen uur op onze plek. Overigens denk ik dat wij dat hier in huis helemaal goed kunnen, zeg ik dan maar. Ik doe ook ouderenzorg en ik vind het dan toch verheugend nieuws dat het, wat betreft groepen in de samenleving, ouderen zijn die fors meer zijn gaan bewegen. Die zijn, van de groepen in Nederland, relatief het meest gaan bewegen. Dat vind ik dan wel weer mooi nieuws. Daarnaast zijn er natuurlijk een aantal groepen die achterblijven. Dat gaat om jongeren, maar ook om mensen in armoede en om mensen met een handicap. Nogmaals, dat kan beter, want we weten allemaal hoe belangrijk sporten is, niet alleen voor je lichaam, maar ook voor je hoofd. We hebben gelukkig in Nederland een heel mooie sport- en beweegsector, waar we allemaal heel trots op kunnen zijn. Maar als we die sterke en toekomstbestendige sport- en beweegsector willen houden, dan zijn er voor deze vraagstukken gewoon inspanningen nodig van veel partijen, en dus ook van deze minister en van u als Kamer. Een van de dingen die daarvoor nodig zijn -- mevrouw Van Dijk sprak daar volgens mij over -- is dat we wat mij betreft een beetje afgaan van het subsidiëren met incidentele middelen en proberen om structurele lijnen uit te zetten. Die gaan voor een deel over financiering, maar ook over kennis die we gewoon structureel gaan inbedden in organisaties. Ik kom straks terug op hoe we met het Sportakkoord doorgaan. Dat doe ik met het besef dat ik inderdaad, zoals mevrouw Van Dijk ook terecht zegt, een relatief kleine financiële portefeuille heb waarmee ik dit kan doen. Wie niet sterk is, moet slim zijn. Dat proberen we op deze manier ook te doen. Voorzitter. Er zijn heel veel onderwerpen waar ik eigenlijk liever straks even bij de kopjes op terugkom, dus dat ga ik gewoon doen. Dat betekent dat ik bij het eerste blokje kom: discriminatie. Daar heb ik net al iets over gezegd. De heer El Abassi had daar ook nog een aantal specifieke vragen over. Hij vroeg onder andere of ik ook vind dat de uitingen die online en na de wedstrijd zijn gedaan niet kunnen. Daar heb ik volgens mij net al veel over gezegd, maar u wilt vast ook weten wat we daaraan doen en waarom we geen vooruitgang boeken. Althans, dat zijn uw woorden, want het lijkt erop dat we wel wat vooruitgang boeken, ook al zou je dat niet zeggen naar aanleiding van de berichten die dan weer in de media komen. Vanuit het kabinet trek ik in ieder geval samen met de KNVB op in het programma Ons Voetbal Is Van Iedereen. We hebben ook de campagne Discriminatie = Kansloos, die zich specifiek richt op de strijd tegen onlinehaat. De campagne richt zich juist ook op omstanders, om op te staan en zich uit te spreken. Dat is ook waarom ik het belangrijk vind dat ook wij dat hier doen. In die zin zijn we, denk ik, rolmodellen voor de rest van de samenleving. Het is volgens mij dus heel belangrijk dat onze stem daarin ook wordt gehoord. Het is helaas ook een proces van lange adem en iets wat blijvende inzet van ons allen vraagt. De heer El Abassi vroeg ook: wat heeft de minister gedaan om Nederlandse sporters te beschermen tegen de uitspraken over de mensenrechten? Ik denk dat ik daarnet al wat heb gezegd. Het is gewoon heel belangrijk. We hebben het programma OVIVI, Ons Voetbal Is Van Iedereen. Het is ook een zaak van de FIFA en de KNVB om die veiligheid te waarborgen. Persoonlijke bedreigingen zijn echt een zaak van strafrecht en politie. Daarom ben ik ook blij dat de KNVB zelf aangeeft dat ze gaan melden bij het meldpunt voor discriminatie. Mevrouw Dobbe vroeg of ik mij wil uitspreken over die racistische bejegeningen. Dat heb ik net gedaan. Dat was het eerste blokje, voorzitter. De voorzitter: Dank u wel. Daar zijn een aantal vragen over. Ik ga eerst naar de heer El Abassi. Gaat uw gang. De heer El Abassi (DENK): Ik vroeg wat de minister heeft gedaan om die voetballers te beschermen. Vervolgens geeft de minister aan dat de KNVB, dus niet de minister, maatregelen heeft genomen. De maatregel die ze noemt, is: KNVB heeft melding gedaan bij Meld.Online Discriminatie. Ik vroeg niet om een melding. Iedereen kan live meelezen. Iedereen is ervan overtuigd dat dit discriminerend is. Als iemand dat niet is, dan wil ik daar graag op reageren. Diegene zou wat mij betreft nu de microfoon aan mogen zetten. Er is geen onderzoek nodig. De vraag is: hoe gaan we deze mensen pakken en straffen? Weer een onderzoek? Dat bedoelde ik met "we zijn nu vijftien jaar verder". Vijftien jaar geleden hadden we te maken met Ahmad Mendes Moreira, die voor Zwarte Piet werd uitgemaakt. Toen gingen we boetes uitdelen. We hebben echt flink veel mensen gestraft. We waren op dit gebied veel harder en strenger bezig, ook preventief en budgettair, dan nu. De voorzitter: Wat is uw vraag? De heer El Abassi (DENK): Ik zou de minister willen vragen: wat heeft de minister daadwerkelijk gedaan? Dat betreft dus niet de KNVB, die een melding doet bij Meld.Online Discriminatie. Maar wat heeft de minister gedaan? Wat gaat de minister doen tegen deze discriminerende uitingen? Minister Sterk: Ik heb net als u heel duidelijk mijn afschuw uitgesproken over dat dit gebeurt. Ik heb ook aangegeven dat dit een hardnekkig vraagstuk is. Overigens richt zich dat nu op de sport, maar het is natuurlijk veel breder in de samenleving een heel groot probleem. Het is een probleem van ons allemaal, zeg ik dan ook maar even, dus niet alleen van deze minister. Het is een probleem waar we allemaal wat aan moeten doen. Als het spelers betreft is het, denk ik, in eerste instantie de rol van sportbonden om daartegen op te treden en daarvoor op te komen. Ik ben dus juist heel blij dat de KNVB hier werk van maakt. Je normeert ook als je dat doet. We hebben dat meldpunt juist ook om het Openbaar Ministerie onderzoek te laten doen en te straffen. Daarnaast zijn de afgelopen jaren, ook juist samen met de sportbonden -- vaak gebeurt dit namelijk op het sportveld -- allerlei programma's ontwikkeld. Daar heb ik net een aantal van genoemd. Alleen, relatief nieuw is volgens mij dat er ook veel online gebeurt. Daar gaat dit nu ook over. Ik denk natuurlijk dat ook dat aangepakt moet worden en dat ook daar moet worden genormeerd. Dat gebeurt nu dus opnieuw doordat de KNVB aangifte gaat doen van onlinediscriminatie. Daar hebben we dat meldpunt voor. Als u vraagt "wat heeft u daar nou specifiek aan gedaan, ook financieel?", dan is het antwoord dat we de afgelopen tijd 1,3 miljoen hebben gesubsidieerd, juist aan het project tegen racisme en discriminatie. Ik denk dus niet dat u kunt zeggen dat wij niets doen. Ik ben het met u eens dat het nog onvoldoende werkt, maar ik denk ook dat dit probleem zo hardnekkig is en zo in de haarvaten zit dat we het niet alleen binnen de sport kunnen oplossen. De voorzitter: Een vervolgvraag van de heer El Abassi. De heer El Abassi (DENK): Ik ga proberen het iets concreter te maken. Dan wordt het antwoord hopelijk ook voor mij wat duidelijker. De minister heeft het over rolmodellen. Daar ben ik het mee eens. Die hebben we hier in dit huis. Met alle respect voor de minister en het aantal volgers dat de minister heeft: we hebben hier ook te maken met rolmodellen voor anderen. Dat geldt ook voor mij, moet ik zeggen in alle bescheidenheid. Die "rolmodellen" tweeten "fuck Allah" en zijn eigenlijk polariserend bezig. Ik zie dus juist het tegengestelde gebeuren als ik kijk naar het bereik en normerende effect vanuit dit huis. Ik hoor de minister eigenlijk niet echt iets zeggen over wat ze daadwerkelijk doet. Ik zou de minister willen vragen wat ze daadwerkelijk gaat doen tegen deze racistische uitingen richting in ieder geval drie Nederlandse topvoetballers van ons nationale elftal. Wat gaat ze concreet doen? Dan heb ik het niet over een melding bij een discriminatiebureau, want dat is in het verleden al genoeg gedaan. Minister Sterk: Ik hoor dat de heer El Abassi van mij verwacht dat ik stante pede wat ga doen, maar volgens mij heb ik al aangegeven dat het gaat om spelers van het Nederlands elftal. Die vallen onder de verantwoordelijkheid van de sportbond, de KNVB. Die neemt gelukkig ook meteen actie. Die hebben meteen melding gedaan. Volgens mij is dat op dit moment de weg. Ik heb net ook aangegeven dat we allemaal een rol hebben, inderdaad ook in de Tweede Kamer, in hoe wij over elkaar spreken en welke voorbeelden we daarin geven. Ook daarin ben ik het dus met u eens. Ik heb inderdaad ook niet zo veel volgers en daarom is het juist fijn en belangrijk dat we dit met elkaar blijven doen en dit soort dingen blijven veroordelen. Daarnaast vroeg u of het wat concreter kon. Ik kan één concreet ding noemen. Binnen Ons Voetbal Is Van Iedereen zijn we nu bezig om een slimme technologie te ontwikkelen om daders op te sporen, zodat je die er dus snel uit kunt halen en vervolgens tot mogelijke veroordeling over kunt gaan. Dit wordt mij nu even aangegeven op uw vraag welke concrete dingen wij doen. Dat gaat via een speciaal aanklager binnen het voetbal, die dit soort personen vervolgens ook zal sanctioneren. Ik kan me ook voorstellen dat u zegt dat dit allemaal niet genoeg is. Dat ben ik ook met u eens, maar nogmaals, ik denk dat dit probleem veelomvattender is dan alleen de sport. Het is een probleem van ons als samenleving, waartegen we moeten blijven optreden. Wij doen in ieder geval deze dingen binnen de sportsector. De voorzitter: Tot slot nog, de heer El Abassi. De heer El Abassi (DENK): Tot slot. Dit is inderdaad mijn laatste keer, dat besef ik. Ik hoor weer "normeren". Ik hoor weer "praten". We weten allemaal donders goed dat we over iets simpels als zwartrijden in de tram de afspraak met elkaar hebben dat we dat niet doen. Maar als we vervolgens geen conducteurs inzetten en geen boetes uitdelen, kunnen we wel zeggen "beste mensen in de tram, zwartrijden mag niet, foei", maar we weten dondersgoed dat mensen dan gewoon gaan zwartrijden. Mijn vraag aan de minister is dus welke concrete conducteurs ze gaat inzetten. Welke mensen gaan handhaven? Welke boetes worden uitgedeeld aan deze mensen, die we allemaal makkelijk kunnen traceren met z'n allen? Minister Sterk: Om dan in het beeld van de heer El Abassi door te gaan: de conducteurs zijn in dit geval wat mij betreft het meldpunt waar je deze meldingen doet, zoals je je ook bij de conducteur meldt als je last hebt in de tram. Vervolgens wordt er dan gesanctioneerd, als het goed is, door het Openbaar Ministerie en de politie. Zo hebben we dat in dit land georganiseerd. Dat is niet iets wat ik als minister doe. Op die manier gaat het, dus. De voorzitter: Zijn er verdere interrupties bij dit blokje? Ik zie mevrouw Dobbe. Mevrouw Dobbe (SP): Ook bij andere onderwerpen merk ik dat ik een beetje worstel met het volgende. Veel onlinehaat, zoals in dit geval in de sport, gaat via de socialemediaplatforms. Ik vraag me af of de minister in gesprek kan gaan met de minister van JenV om te kijken wat we op dit gebied kunnen doen, samen met de socialemediaplatforms. Dat zijn echt van die grote techreuzen die er heel veel geld mee verdienen, maar het schiet ook niet op als we het constant onbesproken laten. Het zou dus wel goed zijn als de minister in ieder geval dat gesprek wil voeren en dat ook aan ons wil terugkoppelen. Ik denk dat dat helpt. Dan over het opsporen van daders en de aanpak die we hebben. Ik denk dat het heel goed is dat we dit doen, maar zou de minister ook een stand-van-zakenbrief kunnen sturen over wat er allemaal wordt gedaan in de sport om racisme en discriminatie aan te pakken? Dan kunnen we daar misschien apart een keer goed over doorspreken. Minister Sterk: Ik ben het helemaal eens met Kamerlid Dobbe dat het goed is om eens even op een rijtje te zetten wat er nu precies gebeurt, ook met het onlinevraagstuk. Daarover zal ik inderdaad mijn collega van JenV consulteren. Ik kom er dan op terug in de brief die ik voor het najaar heb toegezegd. Dan zet ik even specifiek op een rijtje wat we op dit moment precies aan projecten doen en hoe het zit met de normering daarvan. De voorzitter: Dat noteren we als toezegging. Zijn er verder nog vragen aan de minister over dit blokje? Die zie ik niet. U kunt dus verder met uw volgende blokje, minister. Gaat uw gang. Minister Sterk: Ja, de microfoon doet het. Dan ben ik inderdaad bij het volgende blokje. Dat is het blokje waarin onder andere de BOSA zit. Daar wilde ik dan ook mee beginnen. Dit was een van de eerste dossiers die ik als minister op mijn bureau kreeg. Ik baalde net zo hard als u, denk ik, van het feit dat dit systeem het gewoon niet aan heeft gekund en dat daardoor eigenlijk niet meer met enige redelijkheid was vast te stellen wie nou als eerste een plan had ingediend en wie als tweede en als derde. Dan sta je natuurlijk voor een groot vraagstuk: hoe ga je daarmee om? Ik besef dat er grote verwachtingen waren van verenigingen die hele grote plannen hebben die ook nodig zijn om hun accommodaties te verbeteren. Vervolgens kregen zij te horen dat de plaatsing die ze in eerste instantie hadden toch niet de uiteindelijk plaatsing zou kunnen zijn, omdat wij besloten om een loting te doen. Dat was puur omdat dat gelijkheidsbeginsel juridisch zwaarder weegt dan het rechtvaardigheidsbeginsel. Maar dat zegt niks over je rechtvaardigheidsgevoel, want dat snap ik heel goed. Dus ik heb ook uit laten zoeken wat het feit dat het mis is gegaan nou precies heeft betekend. Het betekent dat 377 verenigingen nog steeds het geld krijgen dat ze in eerste instantie, op basis van die eerste loting, ook dachten te hebben gekregen. Dat betekent dat 410 verenigingen -- het zijn eigenlijk aanvragen, want soms hebben verenigingen meerdere aanvragen ingediend -- dat niet meer krijgen, maar 430 wel. Dus er krijgen nu meer verenigingen subsidie dan in eerste instantie het geval was. In totaal kunnen we nu met het aangenomen amendement van de hand van mevrouw Inge van Dijk zo'n 800 verenigingen geld gaan toekennen. In totaal waren er 2.450 aanvragen ingediend, maar die waren niet per se allemaal al in orde, want 867 daarvan waren incompleet. Die moet je er dus ook uit halen. Uiteindelijk ging het dus om 1.574 aanvragen. Dat heeft uiteindelijk opgeleverd dat we nu zo'n 800 aanvragen kunnen gaan toekennen. Dat wil zeggen dat het ook volledige aanvragen zijn en dat we daar middelen voor hebben. Tegelijkertijd heb ik natuurlijk ook bedacht: dit moeten we volgend jaar voorkomen. Dit is natuurlijk niet zoals je het wil. Het geeft ontzettend veel gedoe en zorgt voor verwachtingen bij mensen. Dat is niet fijn als je als vereniging, en soms ook samen met de gemeente, al afspraken hebt gemaakt. Ik wil daarbij wel opmerken dat dit soms al gebeurd is zonder dat men überhaupt zekerheid had of men die middelen wel kreeg. Want het was niet een oneindige subsidiepot. Het was dus niet zo dat als je iets had ingediend je er dan ook van uit kon gaan dat je het geld kreeg, ook niet per se op basis van je nummer. Je begint bij nummer 1 en gaat vervolgens kijken hoeveel geld je nog over hebt. Op een gegeven moment is het potje leeg en dan houdt het op. Ook wil ik kijken naar de hoogte van het plafond. Die richting wil ik ook verkennen, maar ik ben er nog niet uit. Het plafond van wat je kunt aanvragen, vind ik namelijk best wel hoog: 2,5 miljoen. Met de 3 miljoen extra middelen van mevrouw Van Dijk kun je 100 verenigingen helpen, maar je kunt er ook één vereniging mee helpen. Daar zou ik dus ook weleens naar willen kijken in de zin van: hoe eerlijk is dat? Ik zou ook wel naar de systematiek willen kijken. Nu moest je iets indienen op een bepaald tijdstip. Sommige mensen hadden dat goed voorbereid en het stond klaar, andere mensen waren daar misschien wat onhandiger in; het zijn allemaal vrijwilligers. Dus soms lukte het niet om dat op tijd te in te leveren. Is het eerlijk als het systeem zo werkt? In de komende periode wil ik dus gaan bekijken of we dat niet ook op een andere manier kunnen gaan doen, die misschien aan de voorkant al wat meer ruimte biedt zodat iedereen ook echt mee kan doen en je dat misschien met een eerlijke loting kunt doen. Tot slot, voorzitter. Ik gaf net aan dat ik wil kijken naar meer structurele lijnen. Dit is een subsidie en elk jaar gaat die subsidiepot weer open. Ik zou heel graag willen onderzoeken of zo'n revolverend fonds niet een veel betere oplossing is. Ik heb daarvoor ook al een commissie ingesteld onder voorzitterschap van de heer Bolsius, die voorzitter is van de Stichting Waarborgfonds Sport. Die commissie start in september en ik hoop u eind dit jaar te kunnen vertellen hoe dat revolverend fonds eruit zou kunnen zien. Het mooie daarvan -- daarmee kom ik ook een beetje tegemoet aan de wens van de heer Van der Maas -- is dat je ook private financiers daarin kunt betrekken. Banken zijn misschien wel geïnteresseerd en de sportfondsen zelf vinden het een interessante gedachte. Dan kun je in ieder geval met elkaar al dat geld bij elkaar leggen, juist om die sector sterker te maken; dat begint inderdaad ook gewoon bij een goed pand, waarin je als vereniging kunt samenkomen. De voorzitter: Dank u wel. Dit was nog niet het ... Minister Sterk: Voorzitter, dit was de BOSA en ik heb nog andere vragen, maar ik vermoed maar zo dat er vragen over de BOSA zijn. De voorzitter: Dan houden we hier inderdaad even een BOSA-stop, met als eerste interrumpant mevrouw Huizenga. Mevrouw Huizenga (D66): U had het even over het plafond. Er zijn inderdaad verenigingen die enorme bedragen aanvragen en die specialisten in huis hebben om dat te kunnen doen. Andere verenigingen moeten het met vrijwilligers doen. Hoever bent u met de gedachte van dat plafond? Ik vind dat een interessante gedachte, want het uitgangspunt zou moeten zijn dat we zo veel mogelijk verenigingen ondersteunen en niet alleen die verenigingen die allemaal specialisten in kunnen huren om heel veel geld aan te vragen. Kunt u daar nog iets over zeggen? Minister Sterk: Het is vooral een gedachte van mij. Ik vind het heel prettig om ook te horen hoe u daarnaar kijkt. Volgens mij willen we allemaal het beste uit deze regeling halen, dus ik ben ook benieuwd naar uw opvattingen daarover. Daarom noem ik dit nu ook. Dit is een van de richtingen waarin ik nu denk. Ik vond het opvallend dat het zo'n hoog bedrag is, vooral als je kijkt wat je daar anders van kunt doen. Maar goed, het kan een hele rechtmatige aanvraag zijn. Dus nogmaals, ik ben ook benieuwd hoe u daar als Kamer naar kijkt. We zijn gewoon alles aan het afwegen om met een duidelijke regeling voor volgend jaar te komen, waarbij niet opnieuw het systeem zal ontploffen. De voorzitter: Een vervolgvraag van mevrouw Huizenga. Mevrouw Huizenga (D66): Dan nog een vervolgvraag. Wat accommodaties van sportverenigingen betreft zijn we er een groot voorstander van dat het geld dat voor sport bedoeld is, ook echt naar sport gaat. Ziet u ook mogelijkheden om er met een andere minister over in gesprek te gaan om ervoor te zorgen dat het uit andere middelen gaat komen, zodat het geld voor sport naar sport kan? Minister Sterk: Dit geld staat ook op de begroting, onder andere juist voor deze infrastructuur. In die zin is dat ook heel nadrukkelijk in de coalitie met elkaar afgesproken en heb ik de opdracht om het daar zo veel mogelijk aan te besteden. Alleen, wat ik nu dus wel anders doe dan in het coalitieakkoord staat, is dat ik wil kijken hoe we dat structureler kunnen maken. Ik merk dat er bij de partijen waarmee ik daarover heb gesproken, best wel wat enthousiasme is voor een revolverend fonds, wat een structurelere oplossing is. Dat betekent dat je uiteindelijk misschien wel geld kunt vrijspelen voor andere zaken dan de sportaccommodatie, die overigens best heel relevant is om goed te kunnen sporten. Dat moet je denk ik ook niet onderschatten. In de brief die ik u voor het najaar daarover heb toegezegd, hoop ik u ook meer daarover te kunnen vertellen. De voorzitter: Dan zie ik nog een aantal vingers. Mevrouw Van Dijk van het CDA. Mevrouw Inge van Dijk (CDA): Ik had een paar vragen gesteld die eigenlijk niet beantwoord zijn. Ik vroeg de minister of zij mogelijkheden ziet om verenigingen die dit jaar buiten de boot zijn gevallen, alsnog tegemoet te komen. Als je de brieven leest, is het bijvoorbeeld een sporthal als onderdeel van een mfa, waardoor een mfa bijvoorbeeld dat jaar niet door kan gaan. Daar zitten toch best wel wat schrijnende gevallen tussen, waarvan ik denk: jeetje, zonde, als we dat jaren op de plank moeten laten liggen, want de kosten om iets te realiseren worden natuurlijk ook niet minder. Ook had ik gevraagd naar het verhogen van het BOSA-budget vanaf 2027. Als het goed is, zit er in het coalitieakkoord ook extra geld, dus ik was benieuwd hoe de minister daarnaar kijkt. Met betrekking tot het revolverend fonds had ik aangegeven dat in het debat over staatsdeelnemingen met staatssecretaris Eerenberg al is gesproken over de eventuele verkoop van de Nationale Loterij. Hij was heel erg bereid om te kijken of een deel van die opbrengst als garantstelling juist voor dat revolverend fonds zou kunnen gaan werken. Mijn vraag was of de minister bereid is samen met hem daarin op te trekken. Minister Sterk: Heel goed dat Kamerlid Van Dijk mij er nog even aan herinnert dat ik die vragen nog niet heb beantwoord. We hebben dit jaar al extra geld, 3 miljoen. Dat is overigens dankzij uw amendement. Daarmee kunnen we al 100 extra verenigingen helpen. Maar ik heb verreweg onvoldoende middelen om iedereen die een aanvraag heeft gedaan tevreden te stellen. Het gaat immers om een groot aantal aanvragen. Maar dat was andere jaren niet anders. We moeten dus niet doen alsof dat nu ineens dit jaar zo is. Nogmaals, ik snap dat er verwachtingen zijn en dat elke vereniging natuurlijk hoopt dat ze de subsidie binnenhalen. En als ze het niet binnenhalen, dan is dat even slikken. Daarom wil ik wel kijken of het me lukt om volgend jaar mogelijk wat extra middelen vrij te maken, zodat er volgend jaar misschien meer zou kunnen worden besteed aan de subsidie, maar daar kan ik pas in het najaar iets over zeggen. Maar nog steeds zal dat denk ik niet voldoende zijn om alle sportaccommodaties in Nederland te subsidiëren. Dat is ook het eerlijke verhaal. Maar dat is misschien ook helemaal niet wat u vraagt. Tot slot. Natuurlijk wil ik met Eerenberg in gesprek gaan, want als hij geld heeft voor het revolverend fonds, dan heb ik dat natuurlijk graag. De voorzitter: Mevrouw Van Dijk heeft geen vervolgvraag. Eerst de heer Van der Maas en daarna de heer Mohandis. De heer Van der Maas (VVD): Heel goed om te horen dat zo'n eventueel revolverend fonds dan ook een publiek-private insteek gaat hebben. Gaat de BOSA naast dat revolverend fonds lopen of komt het in plaats daarvan? Dan heb ik nog een vraag over de reikwijdte van zo'n revolverend fonds. Kan er dan ook gekeken worden naar een verruiming daarvan, zodat het niet alleen accommodaties betreft maar misschien ook andere zaken? De voorzitter: Dat waren heel sneaky twee vragen in één, maar u komt ermee weg. Minister Sterk: Dan zal ik daar één antwoord op geven: dat is ook onderdeel van de opdracht die we meegeven. De voorzitter: Dan gaan we naar de heer Mohandis. De heer Mohandis (PRO): Als er een onderwerp is waar heel veel eensgezindheid over is bij alle sportbelangenbehartigers, die hier zijn en die vanuit een andere zaal meekijken, dan is het wel ... Ik ben ook voor een revolverend fonds in de toekomst, maar dat bespreken we al twee jaar. Nu gaan we het weer over iets nieuws hebben, terwijl er nu chaos is en er een loket voor bestaat. Nu gaan we het over een nieuw loket hebben, terwijl ik me afvraag hoe de minister bijvoorbeeld haar eigen ambitie gaat realiseren als het gaat om de extra middelen in het regeerakkoord. Worden die dan ingezet volgens de nieuwe systematiek? Worden die nog aangevuld voor volgend jaar, omdat er nu verenigingen zijn die gewoon wachten op hulp? Daar kunt u wat mij betreft een plafond voor instellen. Nu praten we weer over iets nieuws. U heeft extra geld in het regeerakkoord. Wat gaan we nou precies doen? Gaan we weer over iets nieuws praten, terwijl een al bestaand loket rammelt? Minister Sterk: Ik stel toch maar vast dat ik hier pas vier maanden zit. Eind dit jaar gaan we met een voorstel voor dat revolverend fonds komen. Dus dat loopt misschien al twee jaar, maar ik denk dat dat dan best snel is. Ik zie ook wel de noodzaak daarvan, omdat ik gewoon zie dat de subsidie op dit moment onvoldoende functioneert. Ik ben dus ook op zoek naar een duurzame oplossing. Volgens mij wilt u dat ook. Ik weet dat u een enorm groot hart heeft voor verenigingen. Dus daar ga ik mee aan de gang. Ik heb u ook aangegeven dat het geld in mijn portefeuille dat ik daaraan kan uitgeven, relatief bescheiden is. Ik probeer dus ook geld te vermenigvuldigen. Dat doet een revolverend fonds in zekere zin. Hoewel de taakstelling van het vorige kabinet hier natuurlijk nog wel overheen zit -- daar kan ik ook niet zo veel aan doen -- hebben we de komende jaren natuurlijk wel extra middelen, sowieso voor de BOSA. Pas in het najaar kan ik u zeggen of er nog iets mogelijk is rond de Miljoenennota. Maar ik kan geen toezegging doen voor extra middelen. Want dat vraagt u toch van mij? De heer Mohandis (PRO): Nee. Ik vraag gewoon hoe de beloofde middelen uit het regeerakkoord voor de BOSA -- dus de 50 miljoen waar ook een BOSA-deel in zit -- uitgegeven gaan worden. Dat is de simpele vraag. Minister Sterk: Dat bedrag komt gewoon in de Miljoenennota te staan. En ik heb net uitgelegd hoe we het gaan uitgeven: voor een deel nog via subsidie, en voor een deel ga ik kijken naar een revolverend fonds. Naar hoe ik de subsidie precies ga inrichten, wil ik dus nog wel even kijken. Daarvan heb ik namelijk geconcludeerd dat het volgens mij op een aantal punten verbeterd zou kunnen worden. De voorzitter: Dan kijk ik naar de commissieleden. Mevrouw Dobbe heeft nog een vraag over dit stukje. Mevrouw Dobbe (SP): Toch één vraag. Ik heb inderdaad ook aanschouwd hoe die hele BOSA-chaos zich heeft ontwikkeld. Een loterij vind ikzelf altijd een beetje beleidsmatige armoe. Dan kies je immers niet bewust wie je wel en niet financiert, maar dan laat je dat letterlijk over aan het lot. Dat lijkt me sowieso niet passend bij een goede regeling. Het gevaar dat nu optreedt is dat er een nieuwe en betere regeling komt, wat natuurlijk mooi is, maar dat het nog wel een tijdje duurt, terwijl verenigingen nu in de problemen gaan komen. Hoelang verwacht deze minister nodig te hebben voor een functionerende regeling waar verenigingen dan ook op kunnen bouwen, zodat ze daar geld van kunnen krijgen? Hoelang gaat dat duren, hoelang is die periode? En moet er dan in de tussentijd niet iets gebeuren voor die verenigingen die nu in de problemen komen hierdoor? Minister Sterk: Ik wil toch nog steeds zeggen: er was nooit een garantie dat elke vereniging die een aanvraag indiende, subsidie zou krijgen. Dat lijkt nu een beetje de ondertiteling te zijn. Ook in het systeem dat we hadden, kon je een aanvraag indienen en uiteindelijk toch geen geld krijgen. Dat had ermee te maken op welke volgorde je terechtkwam als je je plan indiende. Ook dat is in zekere zin willekeur. Want als het jou wel lukt om het meteen geplaatst te krijgen, sta je onder in de ranglijst, en als je er meer moeite mee hebt of als het je niet lukt, sta je bovenin. Op een gegeven moment is het geld gewoon op. Dus of het nou een loting is of dat systeem: allebei bevat het een zekere willekeur in zichzelf. Dus daar wil ik naar gaan kijken. Ook heb ik aangegeven dat ik voor volgend jaar de subsidieregeling in ieder geval nog wil gaan gebruiken om BOSA-geld te verstrekken. Ook wil ik bespreken of eventueel nog een eenmalige ophoging daarvan mogelijk is. Maar u weet hoe dat werkt in dit huis: dat moeten we eerst netjes via de Miljoenennota doen. Daar rapporteer ik u dus in het najaar over. Mijn inzet is om in 2028 een revolverend fonds te hebben, maar dat zal ook afhankelijk zijn van het advies van de werkgroep die ik nu heb ingesteld, waar bijvoorbeeld ook NOC*NSF in zit, om te kijken hoe we dat fonds zo goed mogelijk vorm kunnen geven. Ik ga daarvoor zeker ook nog even met de heer Eerenberg spreken. De voorzitter: Dank u wel. Dan lijkt het erop dat er verder geen vragen meer zijn. Vervolgt u met de rest van dit blokje. Minister Sterk: Mevrouw Huizenga vroeg -- dat vind ik eigenlijk een hele mooie vraag -- waarom we sportverenigingen niet veel vaker als ontmoetingsplek voor de buurt benutten. Dat vraag je je inderdaad soms af. Ik hoor gelukkig ook mooie voorbeelden van ouderen die meer moeten bewegen en die dit dan bij een sportvereniging doen. Daar heb je namelijk ook de kantine die je kunt gebruiken om na afloop een kopje koffie te drinken met elkaar en gewoon eventjes wat bij te kletsen. Volgens mij zijn daar dus hele mooie initiatieven voor. Ik zie ook dat verenigingen echt wel bereid zijn om die samenwerking aan te gaan met omliggende buurthuizen, wijkcentra of welzijnsorganisaties. Ik zie ook ruimte om het multifunctionele gebruik van die accommodaties te stimuleren door onder andere de inzet van lokale integrale huisvestingsplannen voor sport en bewegen. Daar wil ik op gaan inzetten, zodat we een soort landelijk kader bieden. Gemeenten kunnen dan echt integrale huisvestingsplannen maken, waardoor ze die sportaccommodaties optimaal kunnen gaan gebruiken. Ook via de BRC-regeling wordt nadrukkelijk de samenwerking vanuit sport met andere domeinen gezocht. Ik zie daarin voor mijn ministerie dus een aanjagende en stimulerende rol om zowel landelijk verbindingen te maken als lokaal verbindingen te zoeken met die andere domeinen, zoals, onder andere, met onderwijs en welzijn. Mevrouw Van Meetelen had een vraag over de zwembaden, namelijk hoe ik ervoor zorg dat de zwembaden behouden blijven. De verantwoordelijkheid voor zwembaden ligt natuurlijk primair bij de gemeenten, maar ook ik vind het natuurlijk, net als u, ontzettend belangrijk dat het badwater te bereiken is voor kinderen, ook om ze zwemvaardiger te maken. Ik ondersteun gemeenten daarom ook bij de bouw en het onderhoud van zwembaden met de SPUK Stimulering Sport. Ik werk ook aan een nieuwe regeling die in moet gaan per 2027. Mevrouw Dobbe vroeg naar de sportpas. Er wordt nu in drie gemeenten met die sportpas gewerkt. Wordt er al nagedacht over een landelijke invoering? Het klopt dat er op dit moment drie gemeenten gestart zijn met die pilot. In de gemeente Dordrecht en de gemeente Waadhoeke loopt de pilot al wat langer voor jongeren. Sinds 2026, dus begin dit jaar, is die ook gestart voor de groep boven de 18 jaar. De gemeente Heerlen is in mei gestart met de sportpas. Ik vind het belangrijk om eerst even goed inzicht te krijgen in de mogelijke effecten van de sportpas. Die zullen we pas begin volgend jaar krijgen. We weten namelijk niet hoeveel kinderen in die lage-inkomensgezinnen daadwerkelijk worden bereikt met een sport- of stadspas. De resultaten van die onderzoeken worden pas eind 2027 verwacht. Ik zal u in ieder geval op de hoogte houden van de voortgang hiervan. Ten slotte had mevrouw Van Meetelen nog een vraag over hoeveel kinderen gebruikmaken van ondersteuningsmaatregelen om toch te kunnen sporten. We hebben natuurlijk een heel mooi fonds in Nederland, namelijk het Jeugdfonds Sport & Cultuur, dat heel veel kinderen … Subsidieert klinkt een beetje raar, maar dat in ieder geval geld geeft aan kinderen die uit een gezin met een laag inkomen komen. Wij financieren in 2025 -- ik moet nu iets heel ingewikkelds gaan voorlezen -- ruim 1 miljard … O, excuus. Het is 1 miljoen. Cijfertjes en deze minister zijn niet de sterkste combinatie. Het gaat om ruim 1 miljoen in 2025 en bijna 1 miljoen euro in 2026. Daarmee zijn in 2025 ruim 88.000 kinderen ondersteund. Dat gaat dus specifiek om kinderen uit gezinnen met een laag inkomen. Dat was dit blokje, voorzitter. De voorzitter: Dank u wel. Ik kijk nog even naar mijn linkerkant. Ik zie dat mevrouw Van Meetelen een vraag wil stellen. Gaat uw gang. Mevrouw Van Meetelen (PVV): Ten eerste. Alhoewel ik blij ben met wat de minister zegt, was dat niet mijn vraag. Het was een vraag van mevrouw Dobbe, maar dat is niet erg. Ik had nog een vraag over het terugdringen van de wachtlijsten voor het zwemmen. Ik wil even vragen of die nog komt. Ik hoor de minister ja zeggen. Oké, dan wacht ik daarop. Minister Sterk: Volgens mij heb ik die vraag gezien in het mapje overig. Als dat niet zo is, dan kunt u dan nog een keer de vraag stellen. De voorzitter: Prima. Verder zijn er zo te zien geen vragen meer over dit blokje, minister. Gaat u verder met het volgende blokje. Minister Sterk: Dan ga ik verder met het blokje sport- en beweegbeleid voor de komende periode. Ik begin bij de vraag van de heer Mohandis. Hij vraagt: wat gaat deze minister anders doen dan haar voorganger? Wat wordt de stempel van dit kabinet? Laat ik vooropstellen dat de voorgangers ook best heel veel goede dingen hebben gedaan. Daar wil ik ook gewoon graag op voortbouwen. We hebben, denk ik, hele belangrijke trajecten doorlopen als het gaat om het Sportakkoord, waardoor er heel veel is ontwikkeld. Ik wil daar ook graag op voortbouwen. Ik ga dat niet ineens opzijzetten. Ik ben daar ook volop over in gesprek met alle partners, dus met de NOC*NSF, met de RVVB, met maatschappelijke organisaties in de sportsector en met gemeenten, om te kijken hoe we de resultaten wat betreft de activiteiten uit dat Sportakkoord door kunnen zetten. We hadden net ook even een discussie over incidentele middelen versus structurele middelen. Soms is incidenteel geld natuurlijk best heel nuttig. Volgens mij laat het Sportakkoord dat ook zien, omdat je daarmee kennis kunt ontwikkelen. Een van de zaken waar dit nu toe heeft geleid, is dat wij in 90% van de gemeenten lokale sport- en beweegloketten hebben. Dat is dus bijna in elke gemeente. Dat hebben wij aangejaagd vanuit het Sportakkoord. Gemeenten geven dat nu zelf vorm. Ik vind dat een voorbeeld van hoe je incidentele middelen toch gewoon te gelde kunt maken en structureel kunt gaan inzetten. Ik heb in de brief ook een aantal structurele dingen beschreven die ik wil gaan doen, bijvoorbeeld de sport- en beweegwet. Volgens mij is dat al best heel lang een grote wens van de Kamer. Ik wil daar een begin mee gaan maken. U heeft daar al wat informatie over gekregen. Ik heb u net verteld over het revolverend fonds. Dat is ook een structurele maatregel, een structureel instrument, dat ik wil gaan ontwikkelen. Ik wil daarbij overigens ook kijken hoe we het voor verenigingen beter mogelijk kunnen maken om gebruik te maken van de DUMAVA-subsidie. Ik vind het ingewikkeld dat dat bij een ander ministerie ligt, maar ik wil toch kijken of we het niet makkelijker kunnen maken voor sportverenigingen om die subsidie te weten te vinden. Daar is gewoon geld, juist voor die verduurzaming. Als je dan toch je sportaccommodatie verbouwt, dan is het handig om dat gelijk mee te nemen. Wat betreft de uitkomst van de voortgang rond het Sportakkoord informeer ik u in het najaar in de brief die ik u heb toegezegd over de uitkomsten van de gesprekken. Kamerlid Van der Maas had een vraag over hoe -- er staat hier "genoemde partijen", dus dat zijn, denk ik, partijen die u eerder heeft genoemd -- de genoemde partijen worden betrokken bij het opstellen van een integraal sportplan. U vraagt ook om te kijken welke mogelijkheden er zijn voor private partijen, maar daar heb ik, denk ik, net al antwoord op gegeven. Ik heb aangegeven dat ik in gesprek ben over de bestuurlijke afspraken van het Sportakkoord, die dus eind dit jaar aflopen. Die gesprekken gaan, onder andere, over clubondersteuning en over het uitvoeringsprogramma wat betreft sporten en bewegen voor mensen met een handicap, dat vanzelfsprekend over 2030 gaat, want dat gaat natuurlijk specifiek over mensen met een beperking. Het gaat over het verder doorzetten van de vier V's ten aanzien van veilige sport. Het gaat over het Wetsvoorstel integere sport, dat vorige week door de ministerraad is gegaan en nu bij de Raad van State ligt. Het gaat over het jeugdsportplan en over talentontwikkeling. Het gaat ook over het versterken van de ruimtelijke infrastructuur voor sportaccommodaties en speelplekken in de openbare ruimte. Ik heb u ook geschetst hoe de sport- en beweegwet eruit gaat zien. Mijn inzet is dus om de opbrengsten uit het Sportakkoord echt structureel te borgen. De heer Mohandis vroeg of die sport- en beweegwetgeving een "moetje" is voor deze minister. Nou, dat is het niet. Ik hoor deze wens ook al lang vanuit de Kamer. Toen ik gedeputeerde was, heb ik de Sportraad langs gehad en ook zij hebben die wens. Ik denk dat het kan helpen om te kijken hoe we een kader kunnen bieden wat betreft sport en bewegen, ook voor de verhouding tussen de verschillende overheden. Wij hebben landelijk natuurlijk een rol. De gemeenten hebben een rol. Provincies spelen soms een rol, hoewel dat niet per se een kerntaak van ze is, maar ze pakken soms een hele belangrijke rol op in de ruimtelijke ordening. Daar willen we dus naar gaan kijken. Ik heb ook in de brief beschreven dat de eerste stap is dat ik een aantal thema's verder ga uitwerken. Die uitwerking hoop ik begin volgend jaar naar uw Kamer te sturen. Ik kan in deze fase nog geen heel concreet moment noemen waarop het wetsvoorstel in de Kamer ligt, maar ik wil u wel begin volgend jaar informeren over de stand van zaken. Weet dat deze minister het ook wel fijn vindt als dat allemaal niet te lang gaat duren. Maar goed, wetsvoorstellen schrijven en bepalen of het een apart wetsvoorstel wordt of dat we het onderdeel maken van een andere wet, vraagt gewoon tijd. Ik doe mijn best om dat zo snel mogelijk voor elkaar te krijgen. Mevrouw Huizenga vroeg of ik bereid ben om met collega's van andere ministeries op te trekken voor een overkoepelende sport- en beweegvisie. Mevrouw Van Dijk vroeg daar eigenlijk ook naar. Dat gaat misschien ook een beetje over het principe "wie niet sterk is, moet slim zijn". Laten we vooral kijken naar waar we de verbinding kunnen maken. Ik denk dat dat essentieel is. We werken ook al met een aantal ministeries samen. Rond het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid werken we bijvoorbeeld samen met Sociale Zaken, OCW en VRO. Op het thema duurzaamheid werken we samen met BZK en VRO. Als het gaat over die financiële ondersteuning -- ik noemde net het Jeugdfonds Sport & Cultuur in reactie op mevrouw Van Meetelen -- werken we samen met Sociale Zaken en OCW. Rondom de groenblauwe speeltuinen werken we samen met OCW. Binnen VWS werken we ook breed samen, want ik ben ook de minister van Inclusie en van mensen met een handicap. We werken dus ook breed samen op het VN-verdrag Handicap. De uitwerking van al deze plannen zal ik ook meenemen in de brief die ik u dit najaar toestuur. De voorzitter: Dat geeft aanleiding tot een vraag van mevrouw Van Dijk. Mevrouw Inge van Dijk (CDA): Een deel van de vraag is beantwoord met de toezegging van de brief, maar het zou ons enorm helpen als we het overzicht zouden hebben van waarop welk ministerie is aangehaakt. Zo wordt het voor ons inzichtelijker hoe integraal we al bezig zijn. We kunnen dan zelf, als Kamer, nadenken over wat we daarvan vinden en of we denken dat dat beter kan. Minister Sterk: Ja, dat zeg ik u toe. Ik zal daar wat uitgebreider op ingaan in de brief in het najaar. Mevrouw Dobbe en nog een keer mevrouw Dobbe, want blijkbaar zijn dit twee vragen die bij elkaar horen, stelde een vraag over de opbrengst van het Sportakkoord. Volgens mij heb ik daar net al wat over gezegd, ook over hoe we die positieve onderdelen mee willen gaan nemen. U vraagt ook naar de financiering van de sportakkoorden. Een deel van die middelen was incidenteel -- dat wisten we aan de voorkant toen we die sportakkoorden sloten -- maar er blijft ook nog 8,2 miljoen over. Ik wil dat gebruiken om een heleboel zaken structureel te gaan borgen. Dat was dit blokje, voorzitter. De voorzitter: Prima. Dan kijk ik nog even rond of dit nog aanleiding geeft tot vragen. Mevrouw Dobbe (SP): Ik heb even een checkvraag. Ik heb ook nog vragen gesteld over de gehandicaptensport. Komen die nog? Minister Sterk: Uit mijn hoofd vallen die onder het blokje kansengelijkheid. De voorzitter: Dan schrijven we deze niet op. Minister Sterk: Ik ben nu bij het blokje deltaplan sportverenigingen. Ik heb al wel besloten dat het, denk ik, heel erg belangrijk is dat we in onze volgende brief een apart kopje over verenigingen maken. Volgens mij is de wens van de Kamer heel groot. We weten natuurlijk allemaal dat verenigingen ongelofelijk veel werk verrichten als het gaat om het enthousiasmeren van mensen voor sport, en meer dan dat. Dat wil ik u dus in ieder geval toezeggen. Dan kom ik op de terechte vraag, denk ik, van de heer Mohandis over zijn motie over de ombudsfunctie. Ik wil toch even het beeld wegnemen dat er niks is gebeurd met uw motie, maar misschien was wat u zei ook niet zo bedoeld. Ik vind het ongelofelijk belangrijk dat er een ombudsfunctie beschikbaar is voor verenigingen, ook een onafhankelijke ombudsfunctie. Juist daarom zijn we ook met de verschillende stakeholders gaan praten over de vraag wat zij daarvoor nodig hebben en hoe die eruit zou moeten zien. Wij constateren vervolgens dat dat beeld best wel divers is. Ik wil natuurlijk wel een functie die ook gedragen wordt door het veld. Ik laat daarom nu nader verkennen wat een onpartijdige en onafhankelijke ombudsfunctie voor sportverenigingen in kan houden en waar precies de behoefte van vrijwillige sportbestuurders ligt. Ik doe dat dus ook door met hen dat gesprek aan te gaan. Ik wil u toezeggen dat ik in Q1, dus na deze gesprekken, terugkoppel hoe die eruit zou kunnen gaan zien. De heer Mohandis stelt dat de verenigingen niet bij clubondersteuning worden betrokken. Nou, sportverenigingen worden volop betrokken bij sportondersteuning. Clubondersteuning was versnipperd georganiseerd, dus clubs moesten heel erg zoeken naar waar ze nou precies terechtkonden met hun vragen. In het Sportakkoord zijn we daarom ook aan de slag gegaan om die clubondersteuning lokaal effectiever in te richten. In het eerste Sportakkoord is met honderden clubondersteuners, gemeenten, verenigingen en sportbonden gesproken om op te halen wat de behoefte was. Daar zijn die sport- en beweegloketten uitgekomen. We zijn in het tweede Sportakkoord gestart om die vervolgens ook op te zetten. Eind van dit jaar -- ik heb me net iets te enthousiast uitgelaten -- staat er in 90% van de gemeenten een lokaal loket. Op basis van de signalen van de RVVB en de sportverenigingen is naar voren gekomen dat de toegankelijkheid en de kwaliteit van clubondersteuning nog beter kan. Daarom ben ik ook met stakeholders in gesprek over de doorontwikkeling van deze lokale loketten op kwaliteit en professionaliteit, zodat straks iedere vereniging in Nederland lokaal ondersteund kan worden. Ik blijf uiteraard in gesprek met de RVVB om ideeën op te halen en te toetsen of dit inderdaad aan blijft sluiten bij wat men daarvan verwacht. De voorzitter: Dat geeft aanleiding tot een vraag van mevrouw Van Dijk, zo lijkt het. Mevrouw Inge van Dijk (CDA): Ik twijfel een beetje, maar ik stel de vraag toch maar. Ik heb een vraag over bijvoorbeeld de sportloketten. Wij zijn ook vaak bij sportzaaltjes. Daar zitten altijd vrijwillige bestuurders. Zij geven vaak aan dat een sportloket mooi is, maar dat zij vrijwilliger zijn, dat ze overdag werken en dat ze dat sportloket alleen onder werktijd kunnen bereiken, als ze dus zelf ook aan het werk zijn. Dat maakt het heel ingewikkeld voor een vrijwilliger om daadwerkelijk goede ondersteuning te krijgen. Ik merk dat als die gesprekken in die zaaltjes gevoerd worden, waar vaak ook mensen van de gemeenteraad of wethouders bij zijn, er vervolgens best wel wat verbazing is aan de bestuurlijke kant. Zij denken dat ze het zo goed voor elkaar hadden, terwijl de verenigingen zeggen dat het gewoon niet aansluit bij hoe zij werken en wat zij nodig hebben. Ik wil heel graag voorkomen dat we dadelijk sportloketten, of weet ik veel wat, voor onze verenigingen hebben, maar dat we achteraf zeggen dat we misschien direct met die sportvrijwilligers hadden moeten gaan praten in plaats van met de bestuurders op het gemeentehuis. Minister Sterk: Dit is ook onderdeel van het gesprek dat we nu voeren over de bereikbaarheid en kwaliteit. Eerlijk gezegd vind ik het ook een gesprek dat lokaal gevoerd moet worden. Dit is inderdaad in beeld. Werken met vrijwilligers vraagt soms inderdaad net een beetje meer out of the box denken dan je doorgaans doet als je zo'n organisatie opzet. De heer Mohandis (PRO): Mijn vraag sluit een beetje aan op het vorige punt, namelijk dat van de ombudsfunctie. Het gaat ons erom dat we moeten voorkomen dat we niet met de sportverenigingsbestuurders zelf, dus degenen die vrijwilliger zijn, het beleid maken. Praten we ook gewoon met degenen bij wie de behoefte ligt op het moment dat er weer allerlei stakeholders worden gepolst als het gaat om zo'n ombudsfunctie? Er is al zo veel kennis. Er is al zo veel behoefte en ervaring. Ik zou bijna willen zeggen: betrek juist die sportverenigingsbestuurders bij het ontwikkelen hiervan. Dat miste ik echt in de brief. In de brief worden ze gewoon niet genoemd. Ik bedoel … Minister Sterk: Het is fijn dat u dan ook gewoon hier de vraag stelt. Sorry, voorzitter. De heer Mohandis (PRO): Ja, dat was inderdaad de vraag: hoe gaat u dat doen? De voorzitter: Minister, u gaf aan dat u het fijn vindt dat de vraag wordt gesteld. Wilt u daar verder nog iets over zeggen? Minister Sterk: Ik wilde zeggen dat ik die hier kan toelichten. Ik sprak voor mijn beurt, voorzitter, dat had ik niet mogen doen. Dat is dus ook waarom we dat nu nog meer gaan doen, juist ook met de RVVB, die natuurlijk ook echt voor die verenigingen staat. We willen er daarmee echt voor zorgen dat we iets ontwikkelen dat inderdaad ook past bij wat men daarvan verwacht. De voorzitter: Vervolgt u uw betoog. Minister Sterk: Het lid Huizenga had een vraag over, denk ik, een herkenbaar probleem. Vrijwilligers zijn cruciaal op heel veel terreinen, maar zeker in de sport. Het is natuurlijk aan ons om dat zo goed mogelijk te faciliteren en om barrières weg te nemen. Een van die barrières is natuurlijk inderdaad toch vaak de regeldruk die erbij komt kijken als je vrijwilliger bent. We werken eraan, overigens ook rijksbreed, om die regeldruk terug te brengen. Ook vrijwillige bestuurders van sportverenigingen denken hierin mee. Voor de zomer van 2027 ontvangt u een plan van aanpak met oplossingsrichtingen om de regeldruk van de tien wettelijke verplichtingen met de meest ervaren regeldruk te verminderen. Daarnaast komt er na de zomer van dit jaar een tool, een soort instrument, beschikbaar voor de organisatoren van sportevenementen om in één oogopslag te zien welke vergunningen nodig zijn. Ik denk dat dat in ieder geval zaken zijn die helpen. Dan had de heer Van der Maas een vraag over hoe ik … Sorry, voorzitter, ik probeer de vragen soms een beetje te comprimeren, maar dat helpt niet altijd. Hij vraagt het volgende. Het verenigingsleven en de continuïteit daarvan staan onder druk. Hoe ziet de minister dat? Welke mogelijkheden ziet zij om het verenigingsleven verder te versterken? Ja, ik herken inderdaad dat er steeds individualistischer gesport wordt. Dat zie ik ook in mijn eigen gezin. Daarom ondersteunen wij de sportbonden in het ontwikkelen van een passend sportaanbod, dat ook beter aansluit bij de veranderende sportbehoefte binnen de samenleving en dat ook nieuwe doelgroepen bereikt. De sport- en beweegloketten spelen een belangrijke rol om verenigingen daarin te ondersteunen. Die wil ik dus ook doorontwikkelen. Ik heb daar, denk ik, net al wat over gezegd. Vanaf 2027 gaan we ook met die stakeholders verder werken aan de kwaliteit, de professionaliteit en de kennisbevordering van de clubondersteuning. De eerste contouren daarvan heb ik al met u gedeeld. Eind dit jaar zal ik u een nadere uitwerking toesturen. Voorzitter. Dan een vraag van mevrouw Moinat. Zij vraagt of ik inzichtelijk kan maken hoeveel geld uit de sportakkoorden uiteindelijk terecht is gekomen bij sportverenigingen zelf. Ik weet in ieder geval wel dat er in de afgelopen periode, van 2023 tot en met 2026, in totaal 10 miljoen euro vanuit het Sportakkoord rechtstreeks naar sportclubs is gegaan. Daarvan is 6 miljoen euro gegaan naar wat wij services noemen. Dan gaat het bijvoorbeeld over opleiding en coaching. Er is 4 miljoen gegaan naar microbudgetten die aangevraagd konden worden, bijvoorbeeld voor sportmaterialen of een barbecue voor de club. Daarnaast hebben sportclubs indirecte financiering gekregen. Het is niet bekend om hoeveel geld dit precies gaat. In de najaarsbrief kan ik uitgebreider aangeven hoe de middelen van het Sportakkoord zijn verdeeld tussen sportclubs en ondersteuningsorganisaties. De voorzitter: Ik zie een vraag van mevrouw Moinat. Gaat uw gang. Mevrouw Moinat (Groep Markuszower): Minister, bedankt voor het antwoord. Ik heb een aantal dingen opgenoemd in mijn betoog. Kunt u dan misschien, als u die brief verstuurt, specificeren waar het geld precies naartoe gaat? Zo kunnen we uiteindelijk een lijst maken van wat we als Kamer eventueel nog kunnen schrappen. Ik weet het: ik ben heel vervelend. Maar ik wil echt dat er zo veel mogelijk geld op de velden terechtkomt, bij de kinderen, bij iedereen die voetbalt, hockeyt, of wat dan ook. Ik ontvang dus graag een brief die zo gespecificeerd mogelijk is. De voorzitter: Het woord is aan … Minister Sterk: Ik zou op zich … Sorry, nou doe ik het weer, voorzitter. De voorzitter: Ik wijt het aan uw enthousiasme, maar gaat u verder. Minister Sterk: Of aan mijn vermoeidheid, dat zou ook nog kunnen. Ik vind het op zich een interessante vraag. U vraagt mij alleen om terug te kijken op middelen die we al hebben uitgegeven. We gaan deze middelen niet meer uitgeven in de toekomst, want we hebben ze niet meer. Ik weet ook niet tot op welk detailniveau ik dit precies kan doen, maar natuurlijk wil ik in de brief ingaan op wat ik wél kan zeggen over waar dat geld naartoe is gegaan. Het is denk ik dus goed om te beseffen dat deze middelen voor het Sportakkoord er niet meer zijn. Mevrouw Moinat (Groep Markuszower): Voorzitter, via u wil ik de minister het volgende meegeven. Deze middelen zijn inderdaad al uitgegeven, maar laat het dan een spiegel zijn die we onszelf voor kunnen houden, zodat we weten waar we in de toekomst geen middelen meer aan uit moeten geven. Ik denk dat wij als Kamer, en u als minister, misschien wel schrikken van waar we dat geld aan uitgeven en dat we het misschien beter aan iets anders kunnen uitgeven. Minister Sterk: Of misschien ontdekken we wel dat het heel goed is uitgegeven. Dat zou ook maar zo kunnen. Dat gaan we dan zien. Maar dat wil ik u toezeggen. Voorzitter. Dan had ik nog een laatste vraag in dit blokje, van mevrouw Van Meetelen. Zij vroeg: worden verenigingen beter van beleid en actieplannen en wat merken sportverenigingen en vrijwilligers hiervan? Het beleid is dat we graag meer mensen willen laten sporten en bewegen en dat verenigingen daarbij een cruciale rol spelen. Dat is eigenlijk het uitgangspunt van al het beleid dat wij hier rondom sport voeren. Daarom is het beleid ook gericht op ondersteuning van vrijwilligers en sportverenigingen. Er zijn actieplannen om ervoor te zorgen dat verenigingen ook ondersteuning op maat kunnen krijgen. Ik denk dat ik net al een aantal voorbeelden heb genoemd van hoe we dat willen gaan uitwerken en verder invullen. Nogmaals, die lokale sport- en beweegloketten zijn belangrijke plekken, die we daarin in ieder geval ondersteunen. De voorzitter: Dank u wel. Ik kijk even of dit nog aanleiding geeft tot vragen. Mevrouw Van Meetelen. Mevrouw Van Meetelen (PVV): Ik heb inderdaad die vraag gesteld, maar die ging natuurlijk ook breder over minder regels en minder bureaucratie. Het is namelijk al lastig als je een bedrijf hebt, laat staan als je vrijwilliger bent en het erbij doet. Ik heb gehoord wat de minister zei over het met tien stuks verminderen van de wettelijke verplichtingen, maar ik wil wel even naar de sportvergunning. Ik heb goed zitten luisteren waar u nou heen gaat en ik wil wel één ding vragen, want dat is me niet duidelijk. Misschien heeft een ander het al gevraagd, maar dan is het een vraag ter verduidelijking: als er een algemene sportvergunning gemaakt gaat worden, waar u het net over had, wordt die dan generiek of op maat gemaakt? Je hebt immers totaal verschillende evenementen: hele grote en hele kleine. Ik kan me voorstellen dat het van een totaal andere orde is als je iets in de buurt gaat organiseren dan wanneer je iets organiseert waar heel veel bezoekers naartoe gaan komen. Het lijkt me niet dat we moeten willen dat we weer in een moeras van allerlei formulieren et cetera terechtkomen. Dat wil ik dus wel even duidelijk hebben. De voorzitter: Kan de minister dit nog iets verduidelijken? Minister Sterk: Mevrouw Van Meetelen doet wel een enorm beroep op mijn kennis, nu ik hier pas vier maanden zit. Wat ik begrijp, is dat het een tool is. Stel dat u een wielrenwedstrijd wilt organiseren. U kunt dan vinden wat u daar precies voor moet aanvragen, bijvoorbeeld als u de deelnemers van Utrecht naar Amsterdam wilt laten fietsen. Als u een andere sportactiviteit doet, kunt u ook daar vinden welke vergunningen daar dan precies voor nodig zijn. Als je bijvoorbeeld een triatlon wil organiseren, kun je dan ook zien welke vergunningen daarvoor nodig zijn. Die moet je dan nog steeds wel zelf aanvragen, maar het is in ieder geval fijn om te weten wat er allemaal gedaan moet worden. Mevrouw Van Meetelen (PVV): Dan wil ik daar toch nog even op door. Ik weet namelijk als geen ander hoe het werkt met evenementen organiseren, groot en klein. Ik weet inmiddels ook dat we eigenlijk steeds meer dingen laten aanvragen. Voorheen volstond voor heel veel dingen gewoon een melding. "Ga maar doen, hartstikke leuk." Tegenwoordig moet alles aangevraagd worden. Het wordt dus steeds moeilijker en steeds bureaucratischer, in plaats van dat dat vermindert. Ik ben er een beetje bang voor dat als we dit gaan optuigen, het juist weer meer bureaucratie op gaat leveren en het het moeilijker maakt in plaats van makkelijker. Ik denk niet dat dat de bedoeling is voor sportactiviteiten. Dat is het überhaupt niet voor evenementen, maar zeker in dit geval niet. Sorry dat ik er wat langer over doe, maar ik zit daarop te kauwen, want als we dat wel gaan doen, heeft dat heel veel implicaties voor iedereen, dus ik wil er echt wel voor waken dat we dat niet gaan optuigen. Minister Sterk: Ik hoop toch dat ik mevrouw Van Meetelen een beetje gerust kan stellen, want we gaan er niet voor zorgen dat er meer vergunningen bij komen. Het enige wat we doen, is vrijwilligers die een evenement willen organiseren, zoals blijkbaar ook u, een soort service aanbieden die zegt: als je dat wil doen, dan moet je even bedenken dat je deze dingen daarvoor moet aanvragen. Dat zijn gewoon bestaande vergunningen die je nu ook moet aanvragen, alleen hoef je daar dus niet meer zelf naar op zoek, maar wordt dat gewoon op een rijtje gezet en hoeft u alleen nog maar die vragen in te vullen. Dus nee. Mijn macht reikt overigens ook niet zo ver dat ik allerlei nieuwe vergunningen kan gaan verzinnen voor dit soort evenementen. De voorzitter: Ik zie verder op dit punt geen vragen meer, dus gaat u verder met het volgende blokje. Minister Sterk: Ik ben bij het een-na-laatste blokje. Dit is het blokje kansengelijkheid. Ik begin bij een vraag van mevrouw Huizenga, die zei dat sport pas echt voor iedereen toegankelijk is als ook mensen met een beperking mee kunnen doen en dat dat nu nog te vaak niet het geval is. Ze vraagt wat ik eraan ga doen om dat de komende jaren te verbeteren. Ik zei net al dat mensen met een beperking mijn andere portefeuille is. Een van de eerste dingen die ik deed in deze rol, was naar de Paralympische Spelen gaan. Daar heb ik ook een gesprek georganiseerd met ouders van de jongeren met een handicap die daar waren. Gehandicaptensport Nederland was erbij en ook de Esther Vergeer Foundation. Toen hebben we het bijvoorbeeld gehad over hulpmiddelen en hoe we die beter beschikbaar kunnen krijgen. Dit is echt iets wat ik ook op mijn netvlies heb staan. Ik vind dat ook uitermate belangrijk. We werken ook met ruim 50 partijen samen om sporten voor mensen met een handicap vanzelfsprekend te maken in 2030. Daarbij kijken we naar de randvoorwaarden en naar het creëren van een passend sport- en beweegaanbod dat ook aansluit bij de behoeften van mensen met een handicap. Er was volgens mij ook een andere vraag over in beeld brengen hoe de route kan worden verbeterd voor mensen. Dat was een vraag van mevrouw Dobbe. We werken er ook aan om een klantreis te ontwikkelen, zodat je ook kunt zien waar de mogelijke contactmomenten zitten voor mensen met een handicap, hoe je die kunt koppelen aan een levensfase en hoe we mensen daar dan bij kunnen ondersteunen, zodat ze ook kunnen gaan sporten of bewegen. We hebben ook een loket. Dat heet het Uniek Sporten Centraal Loket. Daar kunnen mensen ook sportmiddelen aanvragen. Het is ook goed om te weten wanneer mensen daar in zo'n klantreis mogelijk een beroep op zouden kunnen doen. Die klantreis is klaar in september 2026, dus al vrij snel. Ten slotte was er nog een vraag van mevrouw Dobbe, namelijk hoe de minister zich ervoor kan inzetten dat gemeentes mee gaan doen aan de pilot voor sporthulpmiddelen. Ik ben daar heel enthousiast over, in ieder geval over de gemeentes die nu meedoen. Dat gaat om 30 gemeentes. Daarnaast heeft de VNG in juni 2026 publiekelijk aandacht besteed aan die pilot en ook steun uitgesproken voor de campagne Uniek Sporten Centraal Loket. Dat helpt er natuurlijk bij dat gemeentes het meer op het netvlies krijgen. Ik zal me ook blijven inzetten om de pilot te steunen. We streven uiteindelijk naar een landelijke dekking daarvan. Dat was het blokje kansengelijkheid, voorzitter. De voorzitter: Ik zie een vraag van mevrouw Huizenga. Gaat uw gang. Mevrouw Huizenga (D66): Het is fijn dat de minister ook aandacht besteedt aan aangepast sporten. Daar vinden we elkaar in. Ik was ook naar de Paralympische Spelen. Een van mijn oud-leerlingen deed daar mee, dus daar was ik supertrots op. Ik liep toen wel tegen het volgende aan. Wat betreft sportprotheses is er toch best wel wat problematiek om dat voor elkaar te krijgen, want dat gaat via een andere route. Ik wil daar dus toch nog wel expliciet aandacht voor vragen. Hoe kunnen we ervoor zorgen dat mensen met een beperking makkelijk toegang hebben tot sportprotheses en middelen om te kunnen sporten? Dat is één. De tweede vraag gaat over die doorlopende route. Hoe kunnen we daar snelheid in brengen? Maar daar heeft u net wat over gezegd. Op die eerste vraag krijg ik graag een reactie. Minister Sterk: Wat betreft dat eerste: ik herinner mij inderdaad dat u ook in Cortina was geweest; dat had u verteld. Wij zijn in gesprek met de zorgverzekeraars om te kijken hoe we dat kunnen regelen. De voorzitter: Verder zie ik geen … O, ik zie mevrouw Dobbe nog. Mevrouw Dobbe (SP): Dank u wel voor de beantwoording. Voordat ik deze vraag begin, wil ik iets zeggen over het woord "klantenreis". Ik wil heel graag positief kijken naar de antwoorden van deze minister, maar op het moment dat ze iets een "klantenreis" gaat noemen terwijl het gewoon gaat om mensen die richting sport worden begeleid, dan wordt het wel heel erg de vermarketing van de gehandicaptensport. Doe dat dus alsjeblieft niet. Noem het anders. Mijn vraag is: hoe ziet die route er dan uit? En is bijvoorbeeld het Fonds Gehandicaptensport daar ook bij aangesloten? De voorzitter: Een variant op "klantreis". Minister Sterk: Ik zou graag willen vragen of mevrouw Dobbe dan misschien een tegenvoorstel kan doen voor een naam, want ik zit echt niet vast aan deze naam. Inderdaad, het Fonds Gehandicaptensport is daar ook bij betrokken. De voorzitter: Verder zie ik geen vragen meer, dus dan kan de minister verder met het laatste blokje, als ik goed heb meegeteld. Minister Sterk: Dat klopt. Dat is het blokje overig. Dat gaat dus over nog heel veel verschillende onderwerpen. Allereerst gaat het over preventie, het afwegingskader preventie. De vraag was of ik bereid ben om sport en bewegen daarin als een van de eerste casussen mee te nemen. Dat is de portefeuille van mijn collega, dus in die zin heb ik er wat minder invloed op. Op dit moment wordt dat afwegingskader dus ontwikkeld aan de hand van casussen. Volgens mij zijn er al keuzes gemaakt voor die casussen. Zo niet, dan zal ik het in ieder geval onder de aandacht van mijn collega brengen. Het afwegingskader moeten we eigenlijk gewoon eerst goed ontwikkelen voor het investeringsmodel voor preventie. Dat moet op termijn geschikt zijn om de brede effecten van maatregelen in beeld te brengen. Het gaat dan natuurlijk ook om de effecten op het terrein van sport en bewegen. Ik wil in ieder geval toezeggen dat ik de mogelijkheden daarvoor onder de aandacht breng van mijn collega die hierover gaat. Mevrouw Huizenga had een vraag over hoe sport een steviger plek kan krijgen binnen het nationale preventiebeleid en over het preventie-investeringsmodel. Daar heb ik net al iets over gezegd. Dat afwegingskader voor preventie kan ook helpen om die bredere effecten van preventiemaatregelen te onderbouwen, dus ook op het vlak van sport en bewegen. ZonMw heeft in opdracht van VWS een subsidieoproep opengezet voor zowel de verdere ontwikkeling van sport- en beweeginterventies als voor het genereren van passend bewijs voor preventieve maatregelen waar sport- en beweeginterventies gebruik van kunnen maken. Dit is dus ook een kans voor sport en bewegen om een steviger plek te krijgen in het nationale preventiebeleid. Tot slot heeft het RIVM zeer recent een rekenmodel opgeleverd dat de effecten van sport en bewegen doorrekent op onder andere het verminderen van hart- en vaatziekten, dementie, zorguitgaven en arbeidsproductiviteit. Na het zomerreces zal ik het rapport en mijn beleidsreactie daarop met u delen. De voorzitter: Dat geeft aanleiding tot een vraag van mevrouw Van Dijk. Mevrouw Inge van Dijk (CDA): Blijkbaar moet je bijvoorbeeld als sport door een bepaald hoepeltje springen om het vinkje te krijgen dat je een preventieve maatregel bent die erkend wordt of daarvoor in aanmerking te komen. Ik begreep de antwoorden niet helemaal. Betekent dit nu dat sport meegenomen wordt, dus dat dat een lopend iets is? Betekent dit dat sport zich ergens moet gaan melden? Ik ben echt op zoek naar of die trein al rijdt en, als dat niet zo is, hoe we die trein aan de gang kunnen krijgen. Minister Sterk: Mij wordt verzekerd dat de trein al rijdt, dus we hoeven daar niet nog iets in te plaatsen, zeg maar. Mevrouw Inge van Dijk (CDA): Kunt u daar in de brief ook nog iets over zeggen? Bijvoorbeeld wat de status daarvan is, hoever ze daarmee zijn en wat er eventueel nog zou moeten gebeuren? De voorzitter: Kan de minister dat toezeggen? Minister Sterk: Ik ga in het najaar daar meer over zeggen. Mevrouw Inge van Dijk (CDA): Mooi. De voorzitter: Gaat u verder. Minister Sterk: Mevrouw Moinat had een vraag over hoeveel extra Nederlanders nu precies bewegen door alle lopende programma's en investeringen. Ik zou het u graag willen zeggen, maar het is echt heel erg ingewikkeld om dat scherp in beeld te krijgen. We hebben net natuurlijk al even een debatje gehad over de effecten van de financiële middelen. Daar heb ik een toezegging op gedaan. Zowel de evaluatie van het Sportakkoord als het rapport van het RIVM over het actieplan geeft geen kwantitatieve inschatting van hoeveel mensen meer zijn gaan sporten. Hoewel ontwikkelingen in sport- en beweegdeelname landelijk worden gemonitord -- u gaf net al aan dat de grootste groep die meer is gaan bewegen de groep ouderen blijkt te zijn -- is het niet mogelijk om van beide instrumenten het effect op sport- en beweegdeelname in zijn geheel te kwantificeren. Mevrouw Moinat had ook een vraag over welke aanvullende maatregelen er nodig zijn om kinderen meer te laten bewegen. We zien in ieder geval dat meer jongeren tussen de 4 jaar en 11 jaar zijn gaan bewegen de afgelopen jaren. Dat is toch het licht positieve nieuws. Het percentage is gestegen naar 60%. Maar er is meer nodig. Daarom beraad ik me ook op een vervolg met aanvullende maatregelen en kom ik in het najaar met plannen daarvoor. Dan had mevrouw Van Meetelen de vraag of ik het belang van inclusieve speelplekken zie en wat ik daar verder aan ga doen. Dat belang zie ik zeker. Gelukkig hebben we daar wel middelen voor. Ik heb onlangs, in mei, echt een hele mooie inclusieve speeltuin mogen openen op Bonaire. Op dit moment zijn er 198 gemeenten die al zo'n inclusieve speelplek hebben. We hebben dus ook nog ongeveer de helft te gaan. Daar hebben we middelen voor. We zijn ook in overleg met iedereen om te zorgen dat dat snel doorgaat. In het najaar zal ik u ook verder informeren over de inzet van die middelen die in het coalitieakkoord staan. Dan had mevrouw Moinat ook nog de vraag: voldoet de basisschool aan 90 minuten gymles? Meer dan 80% van de basisscholen voldoet daar inderdaad aan voor kinderen vanaf groep 3. Maar bewegen is niet alleen iets wat je tijdens de gymles doet. Dat doe je ook in de pauzes en na schooltijd. Ook via de inzet van combinatiefunctionarissen onderwijs en programma's als de Koningsspelen zet ik in op bewegen voor kinderen op school. Dat doe ik ook samen met de staatssecretaris van OCW. Daar blijf ik me de komende jaren ook voor inzetten. Mevrouw Van Meetelen had een vraag over de wachtlijsten voor zwemles. Daar is ie dan toch. Ze vroeg hoe groot het probleem is en welke maatregelen worden genomen. De wachtlijsten voor zwemles zijn van alle tijden. Die zijn niet onder dit kabinet ontstaan. De Nationale Raad Zwemveiligheid geeft aan dat te lange wachttijden vanzelfsprekend ongewenst zijn, maar een wachtlijst maakt het voor een aanbieder ook mogelijk om een realistisch rooster te maken voor instructeurs en te huren badwater, waardoor je echt een optimale bezetting krijgt van een zwemles, die daarmee dus ook betaalbaar blijft. Mevrouw Dobbe had een vraag … De voorzitter: Mevrouw Van Meetelen heeft hier nog even een vraag over. Laten we die gelijk even afhandelen. Gaat uw gang. Mevrouw Van Meetelen (PVV): Ik heb ook niet gezegd dat dit kabinet daar verantwoordelijk voor is. Het is wel zo dat er al in 2022 een aangenomen motie-Maeijer/Van Nispen was om met een concreet plan te komen om die lange wachtlijsten terug te dringen. Dat is gewoon niet gebeurd. Sterker nog, een heleboel wachtlijsten zijn langer geworden dan ze waren. Er zijn gewoon echt verschillende steden -- ik heb een hele lijst; ik ga ze niet allemaal opnoemen -- waar de wachttijd gewoon 24 maanden is. Als jij een kind hebt dat moet leren zwemmen, dan is twee jaar heel erg lang, met natuurlijk toch wel het gevaar van eventuele verdrinking. Ik vraag dus toch nogmaals aan de minister of ze daarnaar kan kijken en inderdaad met zo'n plan kan komen om dat gewoon aan te pakken. Die motie is toen aangenomen en uiteindelijk is er eigenlijk gewoon geen actie op gekomen. Ik vraag daar dus toch nog een keer naar. Minister Sterk: Dan moet ik misschien het vorige kabinet daarop aanspreken, zeg ik dan maar even. Ik zie op dit moment gewoon … Ik kom er in de tweede termijn nog even op terug; laat ik het zo doen. Want ik herken eigenlijk niet wat u zegt, maar dat kan ook aan mijn beperkte kennis op dit dossier liggen. Dan ga ik door. Mevrouw Dobbe had ook nog een vraag: wat is er nodig om de verschillende scenario's van schoolzwemmen uit te proberen of in te voeren? Volgens mij hebben we dat verkend en heb ik u daarover teruggemeld dat dat enorme middelen vraagt. Dat kan oplopen tot 350 miljoen. Die middelen ontbreken, ook in de motie die is aangenomen. Wat dat betreft zie ik dus geen kans om dat verder uit te werken. Dat heb ik u volgens mij ook netjes in een Kamerbrief laten weten. De voorzitter: Ik zie daarover een vraag van mevrouw Dobbe. Mevrouw Dobbe (SP): Wat ik jammer vind, is het volgende. Mevrouw Van Meetelen heeft het over een motie uit 2022. Zo heb ik er ook eentje uit 2023, waarin de Kamer opriep om dit gaan doen. In 2024 riep, geloof ik, de heer Van Nispen samen met de heer Mohandis op om dit te doen. Dat was aangenomen in de Kamer. In 2025 gebeurde dat nog een keer. Naar aanleiding daarvan zijn telkens stappen gezet en zijn er scenario's uitgewerkt, maar de Kamer heeft telkens uitgesproken: wij willen dat kinderen leren zwemmen. We zien dat steeds minder kinderen kunnen zwemmen en dat een derde van de kinderen uit gezinnen met de laagste inkomens niet kan zwemmen. Daar zullen we dus wat aan moeten doen. De Kamer heeft dus gezegd: er zijn al verschillende scenario's uitgewerkt; ga daarmee aan de slag. Ik vind gewoon dat moties uitgevoerd moeten worden, maar als deze minister dat nu niet wil doen, zou ze dan in ieder geval bereid zijn om in aanloop naar de uitvoering van die motie te beginnen met een pilot, zodat we op basis daarvan in de Kamer verder kunnen en vanuit de Kamer de minister kunnen helpen aan de middelen die eventueel nodig zijn daarvoor? Minister Sterk: Ik stel voor dat ik daar in de tweede termijn nog even op terugkom. De voorzitter: Gaat u verder. Minister Sterk: Dan kom ik bij de vraag van de heer Mohandis over hoe ik audiodescriptie voor de topsport op ga pakken. Ik denk dat dat een belangrijk punt is, want iedereen zou natuurlijk moeten kunnen genieten van de topsport. Vanuit de strategie Sporten voor mensen met een handicap verken ik ook hoe we de digitale toegankelijkheid van sporten kunnen vergroten. Daarbij kijk ik ook naar in hoeverre audiodescriptie daar onderdeel van kan zijn. Ik ga u daar in het voorjaar van 2027 over informeren, helaas niet eerder. Dan een vraag van mevrouw Van Meetelen over SRO Amersfoort. Ik vind het altijd een beetje ingewikkeld om hier op casussen in te gaan. Dat is volgens mij vooral iets wat eigenlijk bij de gemeente Amersfoort ligt. Ik ben wel op de hoogte van de financiële misstanden, maar het is ook nog niet helder in welke mate die precies overheidsmiddelen betreffen. De wethouder en het college hebben aangegeven dat ze ook snel de onderste steen boven willen krijgen. Ik volg die ontwikkelingen. Ik ben dus ook nog niet toe aan het trekken van landelijke lessen hieruit, want volgens mij moet eerst helder worden wat er nou precies heeft gespeeld. De heer Mohandis vraagt hoe ik ga zorgen dat de financiering richting 2030 rondkomt. Ik denk dat u bedoelt dat de middelen uitgegeven gaan worden die daarvoor zijn bestemd. Laat ik beginnen met zeggen dat ik nog steeds supertrots ben -- ik ben blij dat de Kamer dat deelt -- dat we dat kunnen gaan doen. Ook de provincie Friesland en de gemeente Heerenveen leggen geld bij. Wij hebben zelf gezegd dat we maximaal 30 miljoen beschikbaar willen stellen. We hebben veel ervaring met het organiseren van topsportevenementen, zeker ook in Thialf. Er is dus best wel een gedegen inschatting gemaakt van de middelen die daarvoor nodig zijn, denk ik. Het bedrag is opgenomen in de Voorjaarsnota. Het is een eenmalige investering. Het heeft dus geen structurele doorwerking. We gaan nu natuurlijk kijken hoe we de governance in gaan richten voor de komende vier jaar in het toewerken naar de Spelen. We gaan kijken of we dat doen in de vorm van een stichting of op een andere manier. Uiteindelijk gaan we dan aan de slag met het budget dat daarvoor is vrijgemaakt. Voorzitter, nog één vraag. De laatste is van mevrouw Moinat. Die vroeg wat ik kan doen om te voorkomen dat nog meer jongeren en jongvolwassenen met hartproblemen op het NCH belanden. Ik weet eerlijk gezegd niet wat "NCH" is. O, het moet SEH zijn, hoor ik. Het gaat om de eerste hulp. Ik denk dat iemand het niet helemaal goed verstaan heeft. Ik deel uw zorg. Daarom is in 2024 het Programma Waardevrije Informatie gestart door de Dopingautoriteit. Het ging om het punt van steroïden. Dat was overigens niet een vraag van mevrouw Moinat, maar volgens mij van meneer Van der Maas. Excuus. Het Programma Waardevrije Informatie is gestart door de Dopingautoriteit. De Dopingautoriteit wordt ook onderdeel van het nieuw in te richten integriteitcentrum, dat met het wetsvoorstel Integere sport ingericht gaat worden. Dat programma zet in op de informatiepositie van sporters, zodat ze ten minste een geïnformeerd besluit kunnen nemen. De Dopingautoriteit verspreidt informatie over de gezondheidsrisico's van dopinggebruik op basis van wetenschappelijk onderzoek. Tot zover, voorzitter. De voorzitter: Ik zie dat dat nog aanleiding geeft tot een vraag van de heer Van der Maas. Daarna gaan we naar de heer Mohandis. De heer Van der Maas (VVD): U heeft het over informatievoorziening, maar mijn vraag ging ook over medische begeleiding. Hoe ziet u dat? Minister Sterk: De Dopingautoriteit geeft geen medische begeleiding, maar dat weet u ook wel, denk ik. De heer Van der Maas (VVD): Dat is mij duidelijk, maar de vraag is: gaat u daar wat aan doen, niet via de Dopingautoriteit, maar wel op een andere manier? Gaat u kijken of er op sportscholen begeleiding kan komen? Minister Sterk: Dat is best een ingewikkelde vraag, want tienduizenden sporters gebruiken deze middelen. De vraag is hoe je die daarbij zou willen begeleiden. Volgens mij is informatievoorziening heel belangrijk, zodat sporters zelf een afweging kunnen maken en zodat ze de gevolgen van het gebruik van deze middelen beter tussen de oren krijgen. Want als er zo veel misgaat, is dat wel de vraag. Maar ik zie geen mogelijkheden om deze sporters medisch te gaan begeleiden. De heer Mohandis (PRO): Ik wil nog even terugkomen op mijn inleiding. Ik heb goed gehoord dat de minister zegt: ik kom nog met van alles. Maar wat gaat de minister concreet doen zodat wij kunnen zien wat haar doelstellingen zijn als minister? Waarop kunnen wij haar afrekenen? Gaat ze de doelstellingen die in de afgelopen jaren zijn gebezigd door de vorige kabinetten, de drie bekende indicatoren, overnemen of komen er nieuwe indicatoren? Hoe gaan we u controleren in de komende tijd? Want het blijft nog best vaag op dat vlak. Minister Sterk: Ik heb volgens mij een aantal hele concrete zaken genoemd die ik wil gaan doen, bijvoorbeeld zo'n revolverend fonds. Ik denk dat dat echt een behoorlijke impact kan maken. Ik ga ook aan de gang met een sportwet. Er komt daarnaast een doorstart van het Sportakkoord, op zo'n manier dat het structureel doorgezet kan worden om zo veel mogelijk mensen aan het sporten te krijgen. Ik zal bekijken in hoeverre ik … U vraagt volgens mij naar een soort KPI's … De heer Mohandis (PRO): Die waren er gewoon. Minister Sterk: … en naar hoe ik daarop kan doorbouwen. Daar kom ik in het najaar op terug. De heer Mohandis (PRO): Het aandeel … De voorzitter: Meneer Mohandis, u bent normaal de voorzitter van deze commissie, dus misschien kunt u even het goede voorbeeld geven. Meneer Mohandis heeft daarover een vervolgvraag. De heer Mohandis (PRO): Voorzitter, dit is lastig, want mijn interrupties gaan er zo doorheen. Ik ga ervan uit dat we de indicatoren van het vorige kabinet weten. Dan had er in de brief die we hebben gekregen heel simpel kunnen staan: we nemen de indicatoren over. Ik noem er eentje: het aandeel kinderen dat voldoet aan de beweegrichtlijn in 2028. Denk ook aan de sportdeelname onder jongeren en mensen met een handicap. Aan dat soort zaken kunnen we zien of datgene wat we doen ook daadwerkelijk effect heeft. Dat vond ik heel fijn. Ik ben heel erg voor een sport- en beweegwet en andere zaken, maar de vraag is: komt het geld dat we uitgeven ten goede aan de sportparticipatie? Minister Sterk: U noemt dat type indicatoren. Ik vind het ook belangrijk om te kijken of datgene wat we doen ook echt effect heeft. Wat mij betreft nemen we deze … Volgens mij rapporteren we ook regelmatig over deze indicatoren en of daar wel of niet voortgang in zit. Dat zet ik gewoon door in mijn beleid, maar ik dacht dat uw vraag meer was: wat gaat u nou precies doen? Ik heb geprobeerd om daar een antwoord op te geven. Mevrouw Moinat (Groep Markuszower): Ik wil het volgende aan de minister vragen. Ik had inderdaad gevraagd naar de prestatiemiddelen. Dat klopte. De vraag over de SEH, de spoedeisende hulp, was van mij. Maar ik bedoel eigenlijk iets anders. Ik heb hier een nieuwsartikel van RTL Nieuws liggen. De prestatieverhogende middelen die jongvolwassenen en kinderen gebruiken, zijn met name voedingssupplementen, zoals eiwitpreparaten, cafeïne, creatine of een pre-workout. Je ziet een toename in het gebruik. Ze zijn vaak terughoudend als het gaat om verboden middelen, maar ze gaan weer andere spullen heel veel gebruiken. Denk aan een energydrankje. Voor kinderen van een jaar of 12 is dat heel belastend. Je leest in dit artikel dat de supermarkten vol staan met de dingen die ik net heb opgenoemd. Als we dit niet gaan inperken, dan ben ik bang dat nog meer kinderen of jongvolwassenen met hartklachten of andere medische klachten de zorg en zichzelf gaan belasten. Mijn vraag aan u is: kunt u hier wat mee doen? Minister Sterk: Laten we beginnen met een suikertaks en zien wat die doet. Ik denk dat dat heel veel klachten kan voorkomen die tijdens het sporten kunnen ontstaan. Daarnaast is ons advies om de Schijf van Vijf te volgen. Daarin kunnen mensen zien wat gezond is om te eten. Ik stel voor dat we eerst maar eens beginnen met een suikertaks. Mevrouw Moinat (Groep Markuszower): Met alle respect, maar dat is echt totaal geen antwoord op mijn vraag. Ik vraag niet iets over de suikertaks of de Schijf van Vijf. Ik vraag iets over eiwitpreparaten, cafeïne en creatine. Dat staat totaal los van het antwoord dat u nu geeft. Als ik hier de Schijf van Vijf ga implementeren, dan heb ik zo de klimaatdoelen aan mijn kont hangen. En als ik het ga hebben over andere dingen, dan … Zullen we het zuiver hierbij houden? Want dit is echt wel een dingetje. Ik vind het belangrijk dat dit kundig naar buiten wordt gebracht. Ik denk dat we hierover van mening verschillen. Dat kan, maar ik vraag u echt om u te richten op deze prestatiemiddelen. Dit komt in het nieuws en dit wordt ook onderschreven door het RIVM. Minister Sterk: Ik heb het gevoel dat dit een bredere discussie vraagt, want in energydrank zitten ook heel veel klontjes suiker. Cafeïne wordt door heel Nederland heel veel gedronken. Ik ben heel benieuwd hoe we dat zouden moeten gaan verbieden. Ik deel uw zorg over het feit dat jonge kinderen dit soort drankjes gebruiken en dat er heel veel niet-verboden middelen worden gebruikt in het kader van sporten, maar ik zie nog niet onmiddellijk in hoe we dat zouden kunnen tegengaan of verbieden, behalve via een suikertaks. Ik hoop dat we u daarin aan onze zijde gaan vinden. De voorzitter: Misschien kan ik een heel klein beetje helpen. Ik denk dat mevrouw Moinat op zoek is naar of u iets gaat doen met eiwitpreparaten, pre-workoutpoeders en dergelijke, die ook in de supermarkten te vinden zijn. Ze bedoelde iets anders dan een energydrankje, voordat we hier in een babylonische spraakverwarring verstrikt raken. Minister Sterk: Ik stel voor dat ik daar nog even heel goed over nadenk en dat ik daar in de tweede termijn nog even op terugkom. De voorzitter: Ik kijk even naar de linkerkant om te zien of er nog dringende vragen zijn. Velen van u zijn al bijna of al helemaal door de interrupties heen. Mevrouw Huizenga, u heeft er nog één staan, dus gaat uw gang. Mevrouw Huizenga (D66): Ik heb nog een laatste vraag. Hier is al eerder over begonnen. Ik maak me zorgen over de hoeveelheid bewegen, vooral onder jongeren. Als je jong begint, dan sport en beweeg je je hele leven. 41% voldoet aan de beweegrichtlijnen. Het gaat dan vooral om de groep van 12 tot 17 jaar. Het gaat dus niet om hele jonge kinderen. Ze spelen ook minder buiten. Hoe gaan we ervoor zorgen dat we ook de jongeren van 12 tot 17 jaar meer aan het sporten krijgen? Want als het dan niet gebeurt, lukt het daarna vaak ook niet meer. Kunt u daar nog iets over zeggen? De voorzitter: Nu komt de dikke map erbij, zo te zien! Minister Sterk: Ja, precies! De voorzitter: Minister, gaat uw gang. Minister Sterk: Daar hebben we een plan voor, dus dat zoeken we even op. Ik denk overigens wel dat er echt een rol ligt voor de ouders om jongeren te laten bewegen. Het is heel belangrijk dat je daar vroeg mee begint. Je moet kinderen leren hoe leuk het is om met anderen of alleen te sporten. Ik herken vanuit mijn gezin ook dat dat minder wordt tussen de 12 en 17 jaar. Overigens helpt het daarbij misschien ook dat we social media tot een zekere leeftijd willen gaan beperken. Ik kom hier in de tweede termijn even op terug, want het is een ingewikkelde term. De voorzitter: We noteren 'm voor de tweede termijn. Mevrouw Van Meetelen heeft nog een laatste vraag. Daarna gaan we naar de tweede termijn. Gaat uw gang. Mevrouw Van Meetelen (PVV): Dan hoef ik het niet in de tweede termijn te vragen, want dan kunt u misschien straks al antwoord geven. Ik wil het nog even hebben over de casus in Amersfoort. Ik snap heel goed dat u zegt: ik kan niet op die casus ingaan. Dat is ook prima, maar als er meer bekend is … Het gaat echt over miljoenen euro's. Er is niet alleen gefraudeerd met geld, maar er ontbreken ook vog's van medewerkers et cetera. Er zijn regels niet opgevolgd. Er was echt veel meer aan de hand. We hebben het over meerdere gemeenten, meerdere zwembaden, meerdere sporthallen et cetera. Het is dus echt heel groot. Als u meer informatie heeft, zou u er dan op kunnen terugkomen? Dat mag ook via een brief of wat dan ook. Als zoiets zich voordoet en het is duidelijk wat er aan de hand is, kunt u dan laten weten wat eventueel de vervolgstappen zouden kunnen zijn? Minister Sterk: Misschien mag ik de vraag van mevrouw Van Meetelen als volgt interpreteren: als we beter weten wat er aan de hand is, dan is het belangrijk dat we ook kijken welke lessen we daar landelijk uit kunnen trekken. Ik wil u toezeggen dat we daar in een brief op terugkomen. De voorzitter: Dank u wel. Dan gaan we nu door met de tweede termijn van de kant van de Kamer. Ik begin bij de heer Mohandis. De heer Mohandis (PRO): Voorzitter, dank u wel. De minister heeft aangegeven dat zij in het komende halfjaar nog met van alles gaat komen. Dat gaan we afwachten. We hopen in ieder geval in de brief terug te zien hoe sportverenigingen een plek krijgen en hoe de minister die erbij betrekt. Twee weken geleden, op een vrijdag, was de Sportcommissie op werkbezoek op Papendal. We hebben toen met verschillende belangenbehartigers gesproken over wat er moet gebeuren, met dank aan de ontvangst door NOC*NSF. Volgens mij ligt er al veel. We willen niet het gevaar lopen dat we weer nieuwe dingen gaan bedenken. Er is heel veel energie en er zijn heel veel ideeën. Het is nu een kwestie van hoe we dit een stap verder gaan brengen. Wij kijken daar heel erg naar uit. Wat betreft de sport- en beweegwet: ik kom in het tweeminutendebat, dat ik nu aanvraag, met moties om een en ander verder aan te scherpen, zoals de indicatoren, de sport- en beweegwet, de positie van sportverenigingen en het concreter maken van het beleid. Daar komen we op terug in het tweeminutendebat. Ik dank de minister voor haar beantwoording en ik dank de voorzitter voor het voorzitterschap. Dank u wel. De voorzitter: Dank u wel, meneer Mohandis. Het tweeminutendebat staat genoteerd. Dan gaan we naar mevrouw Moinat. Mevrouw Moinat (Groep Markuszower): Voorzitter, dank. Ik wil de minister ook danken voor haar inspanningen en antwoorden. Ik snap dat deze laatste week erg vermoeiend is voor iedereen. Ik heb inmiddels de overdracht gedaan van waar ik precies naar op zoek ben naar aanleiding van het laatste debatje dat we hadden. Ik verwacht dat u daar zo direct een antwoord op heeft. Verder wil ik u scherp houden op de geldlijnen die lopen, zodat wij als Kamer onze controlerende functie goed kunnen uitoefenen. Dat heeft u toegezegd. Ik hoop dat u dat doet. Als u wilt dat wij helpen met een motie om dit concreet te onderbouwen, dan maak ik die. Dat is geen enkel probleem. Als u dat wilt, dan hoor ik dat graag. Verder ben ik benieuwd naar de beantwoording in de tweede termijn. De voorzitter: Dank u wel. Dan gaan we naar mevrouw Huizenga van D66. Mevrouw Huizenga (D66): Voorzitter, dank u wel. Bedankt voor de uitgebreide beantwoording. Er is al een tweeminutendebat aangevraagd, dus dat hoef ik niet meer te doen. Dat komt eraan. Ik heb in de tweede termijn nog één vraag over iets waar ik aandacht voor wil vragen, namelijk het inkomen van topsporters. Nu worden topsporters gekort als ze bijverdienen. Onze partij vindt dat we topsporters juist moeten steunen die werken aan een loopbaan tijdens hun sportcarrière, zodat ze ook daarna gewoon aan de slag kunnen. Daar wil ik wat extra aandacht voor vragen. Topsporters zijn mensen die jongeren stimuleren om te gaan sporten en bewegen. Zij hebben een aanjaagfunctie. De combinatie van topsport en breedtesport is heel belangrijk, maar als we er niet voor zorgen dat topsporters ook aan de gang kunnen met hun loopbaan voor na het sporten, dan verliezen we enthousiaste mensen en energie voor de breedtesport en de jongeren. Misschien kan de minister daar nog wat over zeggen. De voorzitter: Dank u wel. Dan mevrouw Van Dijk van het CDA. Mevrouw Inge van Dijk (CDA): Dank je wel, voorzitter. Dank voor de antwoorden en uiteraard ook dank aan de voorzitter. In mijn inbreng heb ik uitgebreid stilgestaan bij de "basis op orde", ook omdat dat een onderdeel zal zijn van onze initiatiefnota. Ik ben blij met het onderzoek naar het revolverend fonds. Zoals wij er nu naar kijken, is het niet helemaal en-en, want je hebt altijd te maken met een stukje lastig terug te betalen budget. Wij denken nu dat er altijd iets nodig is van een stukje subsidie om eigenlijk die maatschappelijke waarde ook te kunnen financieren. Wij zijn dus gewoon heel erg benieuwd naar waar de minister mee komt, want dan kunnen we het debat ook verder voeren. Fijn ook dat er gekeken gaat worden naar DUMAVA. Daar hebben we ook heel veel over gesproken in eerdere debatten. Er zijn ook veel moties over ingediend, maar het was altijd erg ingewikkeld om er beweging in te krijgen. Het zou dus mooi zijn als het nu wel een stukje lukt. Het is ook goed dat de verenigingen een extra kopje krijgen in de brief. We weten al heel veel over waar ze tegen aanlopen en we hebben het er ook al veel over gehad: verzekeringen, vergunningen, de WBTR en regeldruk. Ik hoop dat als ze daadwerkelijk voortgang zien in de brieven, hun dat het gevoel geeft dat ze echt worden gezien, ook door Den Haag. Dat kan hen namelijk stimuleren om hun mooie werk te blijven doen. Ten slotte heb ik een vraag die nu niet beantwoord hoeft te worden, maar ik zou het wel mooi vinden als het in de brief meegenomen zou worden. Ik ben een tijdje geleden bij een evenement geweest om sporten door vrouwen fel te stimuleren. Er is onderzoek naar gedaan en daaruit bleek dat maar 10% van alle budgetten voor sport naar vrouwensport gaat. We hebben een heel aantal gesponsorde sportevenementen en ik ben benieuwd of de minister eens heel grof zou kunnen kijken hoeveel procent daarvan bij vrouwen terechtkomt en hoeveel bij mannen. Ik vraag dat niet om dingen tegenover elkaar te zetten, want ik ben alleen maar benieuwd te weten of dat onbewust -- ik weet zeker dat dat onbewust is -- zo doorwerkt in ons eigen subsidiebeleid. Dank je wel, voorzitter. De voorzitter: Dank u wel. Dan de heer Van der Maas, VVD. De heer Van der Maas (VVD): Hartelijk dank, voorzitter. Ik houd het heel kort. Dank voor de beantwoording van alle vragen. Ik ben heel blij dat het thema "publiek-private samenwerking" terugkomt. Ik ben daar heel benieuwd naar. Ik zat nog even na te denken over het antwoord van de minister op de vragen over steroïden. Ik kom daar nog op terug, misschien al wel in het tweeminutendebat. Daar laat ik het verder bij. Hartelijk dank. De voorzitter: Hartelijk dank. Dan is het woord aan mevrouw Dobbe van de SP. Mevrouw Dobbe (SP): Dank u wel, voorzitter. Ook dank voor de beantwoording. Ik heb over drie punten nog een vraag. Ik heb mijn zorgen uitgesproken over de kortingen en het afschaffen van het Sportakkoord. Ik snap natuurlijk wel dat de minister vooral benadrukt wat er allemaal nog wel gebeurt vanuit de sportakkoorden, maar daardoor weten we niet zo goed wat er niet meer gaat gebeuren op het moment dat die sportakkoorden verdwijnen. Ik vraag me af of de minister daar wat over kan zeggen. Een tweede vraag. We hebben het gehad over het wegnemen van drempels voor gezinnen in armoede en voor kinderen die opgroeien in gezinnen in armoede. De minister zei dat er geld gaat naar het Jeugdfonds Sport & Cultuur. Ze noemde een miljard, maar het gaat toch echt om een miljoen. Maar als ik dat geld deel door de 88.000 kinderen naar wie dat geld gaat, dan … Ik ben ook niet zo goed met cijfers en daarom heb ik er even mijn rekenmachine bij gepakt. Maar dan heb je het dus over €11 per kind en dan moet er ook nog een deel naar cultuur. Als ik bijvoorbeeld een hockeystick, sportschoenen, een judopak of een tennisracket of wat dan ook wil kopen, is dat altijd meer dan €11. En dat zijn nou net de uitgaven waar die gezinnen heel veel last van hebben. Ik vroeg mij daarom af of dit klopt en, zo niet, dan hoor ik dat graag. Mijn derde vraag gaat over schoolzwemmen. De minister noemde een bedrag van 350 miljoen, maar dan ligt het er natuurlijk wel aan welk scenario je gebruikt en hoe je dat uitwerkt. De laatste motie die daarover is aangenomen, na een hele reeks moties over schoolzwemmen, vroeg nou juist om die scenario's uit te werken en er een plan voor te maken, omdat we dan weten hoeveel het gaat kosten. Het zou heel fijn zijn als de minister dat gewoon zou willen doen. Ik hoor ten slotte graag nog iets over het idee om een pilot te organiseren, want daar zou ze in tweede termijn op terugkomen. De voorzitter: Dank u wel. Dan is het woord nu aan de heer El Abassi van DENK. De heer El Abassi (DENK): Voorzitter. Ik had een vraag gesteld aan de minister. Ik had daar al een vraag aan gewijd en dat vind ik wel jammer. Ik denk oprecht dat de minister mijn vraag niet helemaal goed begrepen heeft of uiteindelijk niet begrepen heeft. Ik ga mijn tijd nu toch gebruiken om het toe te lichten. Ik noemde bewust het voorbeeld van de conducteur in de tram. En weer verwijst de minister op het einde naar een meldpunt. Wat ik de minister probeerde aan te geven, is dat het meldpunt waar de minister naar verwijst -- ik kom ook uit die sportwereld -- een meldpunt is. We kunnen dus meldingen doen bij een meldpunt. Een meldpunt registreert incidenten en ondersteunt slachtoffers. Dat kunnen ze doen. Ze kunnen gegevens gebruiken voor onderzoek en in het ergste geval kunnen ze -- dat hoeven ze niet te doen -- een melding doen bij het OM of de politie. Dan pas komen we bij daadwerkelijk iets doen. Als we het volgens mij hebben over die gevallen waar ik het nu over heb, wat er in het nieuws naar voren is gekomen en waar de voetballers mee lastiggevallen zijn, dan heeft het geen zin om een melding te doen, waarbij een meldpunt nog moet gaan kijken of ze dat wel of niet gaan registreren. "Gaan we onderzoek doen of niet?" "Moet dit naar het OM of de politie, of niet?" Die stappen kunnen we overslaan. Ik verwacht van de minister dat er daadkracht getoond wordt en dat zij zegt: "Ik ga de minister van Justitie hierbij betrekken en we gaan handelen. We gaan die mensen opsporen. We gaan er alles aan doen om hier politiek druk op te zetten." Dat is eigenlijk het antwoord dat ik van de minister had verwacht, in plaats van bij vier vragen vier keer verwijzen naar een meldpunt dat onderzoeken doet en gegevens verzamelt. Ik hoop dat de minister hier in de volgende termijn een iets steviger antwoord op kan geven. De voorzitter: Dank u wel. Dan ten slotte mevrouw Van Meetelen van de PVV. Mevrouw Van Meetelen (PVV): Dank u, voorzitter. Allereerst dank aan de minister voor de beantwoording. Ik wil me aansluiten bij de vragen van mevrouw Dobbe over het jeugdfonds en het schoolzwemmen. Ik wil verder toch ook nog even wat zeggen over de wachttijden voor zwemlessen. Ik was helemaal niet verwijtend. Ik vond het dan ook jammer dat u zei "het vorige kabinet", want het is zelfs twee kabinetten geleden. Het is dus nog langer geleden. Maar daar ging het mij eigenlijk helemaal niet om. Het gaat erom dat het opgelost wordt en dat er wat wordt gedaan aan de wachtlijsten. Uiteindelijk bent u als minister verantwoordelijk en ik verwacht dan ook dat u het gaat aanpakken. Dat was het laatste wat ik wilde zeggen. Dank u, voorzitter. De voorzitter: Dank u wel. Dan was de tweede termijn van de kant van de Kamer. Ik kijk even naar de minister om te zien of zij behoefte heeft aan een korte schorsing. Hoe lang heeft u nodig? De minister zegt een kwartiertje en dat betekent dat wij om vijf over half weer verdergaan. Dat is dus om 20.35 uur. De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst. De voorzitter: Ik zie dat de minister weer terug is. We gaan over tot de beantwoording in de tweede termijn. Ik geef het woord aan de minister. Misschien kunt u weer even beginnen met het geven van een overzicht. Heeft u één pakketje of meerdere stapjes? Minister Sterk: Voorzitter, ik heb er gewoon één pakketje van gemaakt. Ik hoop dat ik alle doorverwijzingen naar de tweede termijn goed heb geregistreerd. Het is een beetje rijp en groen door elkaar heen. Ik hoop dat ik dadelijk recht doe aan alle vragen. Ik begin even bij de vragen van mevrouw Huizenga over de inkomens van topsporters en de verbinding met de breedtesport. Er is aandacht gevraagd voor de inkomenspositie van onze topsporters. Dat lazen we ook in de brief van NOC*NSF. Volgens TeamNL geven topsporters aan dat ze financiële stress en onzekerheid ervaren, onder andere omdat hun inkomen direct kan wegvallen als ze niet presteren op meetmomenten, en dat ze meer zekerheid nodig hebben richting de toekomst, met ruimte voor pensioenopbouw, maatschappelijke ontwikkeling en het afschaffen van de bijverdiengrens. Dit wordt meegenomen in een voorstel voor een nieuwe inkomensvoorziening voor topsporters, waar NOC*NSF op dit moment aan werkt. Dat is onderdeel van de implementatie van het Strategisch kader topsport. Ik verwacht uw Kamer hierover eind dit jaar te kunnen informeren. Ik interpreteerde uw vraag ook als volgt: hoe kun je de kennis van topsporters benutten voor de breedtesport? Er is een heel mooi project: Sporthelden op School. Topsporters gaan naar scholen om te vertellen over wat het is om topsporter te zijn en over hoe je dat doet. Dat is niet alleen mooi voor de kinderen, die zo in aanraking komen met topsporters, maar het helpt topsporters ook om zich voor te bereiden op een positie in de samenleving nadat hun topsportcarrière is beëindigd. De voorzitter: Dat geeft aanleiding tot een korte interruptie van mevrouw Huizenga. Mevrouw Huizenga (D66): We hebben het dan weer over het onderwijs en dan hoor ik al snel dat ik bij uw collega moet zijn. Als we dit willen stimuleren en we dit soort voorbeelden in het onderwijs willen benoemen, zodat jongeren meer gaan bewegen, kunnen we deze vraag dan ook uitzetten richting de minister van Onderwijs? Minister Sterk: Ik kom nog terug op het plan van aanpak Jeugdsport. Daar had u ook een vraag over, maar daar ging dit niet over. Misschien kan ik dat meteen doen. Dat past mooi in de rij. We hebben het plan van aanpak Jeugdsport en talentontwikkeling. Dat hebben we opgesteld samen met POS, NOC*NSF en VSG. De inzet van dit programma is dat we beweegwijsheid willen creëren. Dat doen we onder meer door het kader en de coaches te begeleiden in het breder kijken naar sporten, door een passend aanbod en door uitval onder kinderen te verminderen. We kijken verder dan alleen de mogelijkheid om te kunnen sporten. We willen de blik daarbinnen verbreden. Dit programma is specifiek bedoeld om jongeren aan het bewegen te krijgen. Mevrouw Van Dijk vroeg of ik in beeld wil brengen hoeveel procent van ons subsidiegeld terechtkomt bij vrouwensport. Als vrouwelijke minister van Sport doe ik die toezegging natuurlijk heel graag. Dat gaan we doen. Ik wil ook, in reactie op een vraag van mevrouw Dobbe, toezeggen dat wij in beeld gaan proberen te brengen wat we niet meer doen als het Sportakkoord stopt, naast de dingen die we gaan doorzetten. Dat zal ik in de brief van dit najaar opnemen. Er zijn een aantal vragen gesteld over de wachtlijsten bij het zwemmen, over zwemlessen en over de middelen die besteed worden aan de kinderen die daarmee worden geholpen. De verwarring over de motie zit erin dat het vooral bij OCW ligt, omdat het om schoolzwemmen gaat. Dat is een verantwoordelijkheid van OCW. We hebben de motie die u noemde, afgedaan. Dat geldt ook voor de motie die in 2025 is aangenomen. Die is met name door OCW afgedaan. Zij zeggen: wij zien geen rol in het schoolzwemmen. Dat is ook een manier om naar die motie te kijken. Wat geven we nu precies uit? U zei dat 88.000 kinderen worden geholpen door de middelen uit dat fonds. Het gaat dan overigens niet alleen om zwemmen. Tenminste, dat getal heb ik genoemd. Het fonds wordt niet alleen gevuld met geld van vanuit VWS, maar ook met middelen vanuit OCW, Sociale Zaken en de gemeenten. Als we kijken naar de middelen die worden uitgegeven, dan zien we dat 94% zijn zwemdiploma haalt zonder financiële ondersteuning. Dat geldt dus niet voor 6%. Er wordt verondersteld dat dat de kinderen zijn die in armoede leven. Daar is dat geld juist voor bedoeld. Binnen dat fonds wordt 9,8 miljoen uitgegeven aan middelen voor zwemmen. Er zijn dus middelen die gezinnen met kinderen die in armoede leven, kunnen benutten. Het vraagstuk ligt mogelijk niet alleen in een financiële barrière, maar misschien ook in andere barrières. Ik maak een bruggetje naar de wachtlijsten, waar mevrouw Van Meetelen het over had. Het ingewikkelde is dat er geen centrale registratie is van die wachtlijsten, dus ik heb ook geen inzicht in de lengte daarvan. Nogmaals, als ik kijk naar de cijfers, dan zie ik dat 94% van de kinderen de basisschool verlaat met een zwemdiploma. Dat is een heel hoog cijfer. Niettemin geldt dat niet voor 6%. We hebben daar middelen voor. Die zitten in het Jeugdfonds Sport & Cultuur. Ten slotte kom ik op de vragen van de heer El Abassi. Terwijl wij hier dit debat voeren, zie ik gelukkig dat steeds meer mensen in de media een vuist maken. Misschien is dat niet de beste beeldspraak. Ze spreken zich in ieder geval uit tegen wat er is gebeurd. Het is ook echt afschuwelijk wat er is gebeurd. Ik heb aangegeven: meld dit, zodat we het kunnen onderzoeken en strafrechtelijk kunnen vervolgen. Ik weet dat dit echt de aandacht heeft van de minister van Justitie en Veiligheid. Dat is de enige manier om daadwerkelijk over te gaan tot straffen. Daarnaast blijft het natuurlijk ontzettend belangrijk dat wij ons breed blijven uitspreken tegen elke vorm van discriminatie en racisme in de samenleving, niet alleen hier in de Kamer of in dit commissiedebat, maar ook buiten dit gebouw. Dat doen we wat mij betreft overal in Nederland. De voorzitter: Is de minister daarmee aan het einde gekomen van haar beantwoording? Ik kijk nog even naar de commissie. Mevrouw Moinat had nog wat vragen over eiwitpreparaten. Minister Sterk: Heel goed, mevrouw Moinat. Excuus. Ik zou het bijna weer vergeten. Dat komt ook een beetje doordat het eigenlijk niet mijn portefeuille betreft. Ik denk dat u dat ook wel weet, want dit gaat over preventie. Dat zit bij mijn collega Hermans. Zij gaat hierover. Ik kan vragen of wij een korte reactie kunnen opnemen in de najaarsbrief, maar die moet zij geven, want zij gaat erover. De voorzitter: Dan noteren we die ook. Ik zie dat mevrouw Dobbe nog een vraag heeft. Mevrouw Dobbe (SP): Ja, over het schoolzwemmen. Laten we even terugkijken naar alles wat door de Kamer is aangenomen, naar alles wat is onderzocht et cetera. De laatste motie uit september 2025, van de heer Van Nispen en de heer Mohandis, ging over het uitwerken van bepaalde varianten. Een van die varianten heet "schoolzwemmen", maar bestond uit diplomazwemmen voor kinderen zonder A-diploma in groep 6, buiten onderwijstijd en georganiseerd door de gemeente. Dat lijkt me iets waar deze minister wat mee zou moeten kunnen, ook zonder het ministerie van OCW. Deze moties zijn keer op keer aangenomen. Ik zou het heel jammer vinden als er nu weer naar een ander ministerie wordt verwezen en naar bedragen die hoger zijn dan ze eigenlijk zijn. Deze minister verwijst namelijk naar een variant die duurder is dan een andere variant. Dit zou gewoon kunnen, als we dit zouden willen. Ik zou de minister dus toch willen uitdagen om die motie gewoon uit te voeren in plaats van om die naast zich neer te leggen, zoals het vorige kabinet heeft gedaan. Ik heb ook nog geen antwoord gehad op mijn vraag over het idee om een pilot te starten. Minister Sterk: U bedoelt een pilot in dit kader? Ik vind het wat ingewikkeld om hier nu uitgebreid op in te gaan. U benoemt scenario vijf en zes uit die motie, maar dat zegt mij niet onmiddellijk iets. U noemt nu één scenario dat ook zou kunnen. Ik stel voor dat ik daar wat uitgebreider op inga in de brief die ik heb toegezegd. Ik zal aangeven welke scenario's zijn onderzocht en of de optie die u aangeeft, ook daadwerkelijk een optie zou kunnen zijn. Het zegt mij op dit moment onvoldoende om daar nu een goede reactie op te kunnen geven. Ik zal dan ook uw vraag over een pilot meenemen. Ik zeg daarbij wel dat er aan die verschillende scenario's ook prijskaartjes zitten, zoals ik net in de eerste termijn ook aangaf. Ik heb daarvoor geen middelen, dus in die zin is het ingewikkeld om het uit te voeren. Maar ik kan op z'n minst kijken wat het scenario waar u het nu over heeft, zou betekenen. De voorzitter: Mevrouw Dobbe heeft nog een laatste vraag. Mevrouw Dobbe (SP): Die scenario's zijn al onderzocht op haalbaarheid. Dat is allemaal al gebeurd. De Kamer heeft deze scenario's bestudeerd en gezegd: wij willen graag dat een combinatie van die scenario's wordt uitgewerkt, omdat ze uitwerkbaar zijn als je het samen met de gemeenten doet. Maar daar is het gestokt en dat vind ik zo jammer. Snapt de minister waar ik naartoe wil? Het zou heel fijn zijn als we in ieder geval voor de begrotingsbehandeling uitsluitsel kunnen krijgen, omdat we dan tijdens de begrotingsbehandeling een suggestie kunnen doen voor de middelen die daarbij horen. Minister Sterk: Ik begrijp die vraag heel goed en dat zal ik ook doen. Tegelijkertijd hebben we ze onderzocht en hebben we daar een opvatting over. Maar ik denk dat het goed is dat u daarover duidelijkheid krijgt, zodat er mogelijk door u bij de begroting iets kan worden ondernomen. De voorzitter: Ik kijk nog een laatste keer rond en constateer dat er geen vragen meer zijn. We zijn gekomen aan het einde van de beantwoording in tweede termijn. Ik constateer om te beginnen dat de heer Mohandis een tweeminutendebat heeft aangevraagd, dus dat zal worden doorgeleid. De minister heeft een aantal toezeggingen gedaan. Aan het einde van het debat wil ik die toezeggingen graag even langslopen, zodat iedereen zijn administratie op orde heeft en we kunnen checken bij de minister of we ze goed hebben genoteerd. Het is een hele lijst, dus houd je vast! - Eén. De minister informeert de Kamer in het najaar over de acties die zij onderneemt om racisme en discriminatie in de sport aan te pakken. Ik zie geknik. - Twee. De minister informeert de Kamer in het najaar over de stand van zaken omtrent de oprichting van een revolverend fonds. Zij zal hierover in overleg treden met onder anderen de staatssecretaris van Financiën. Minister Sterk: Ik heb gezegd dat de uitkomsten van die werkgroep er eind dit jaar zijn en dat ik de Kamer dan zal informeren. Dat is iets anders dan de brief die ik in het najaar ga sturen. De voorzitter: Prima. Dan passen we dat aan. - Dan de derde die we hebben genoteerd. De minister informeert de Kamer in het najaar over haar reactie op de uitkomsten van de evaluatie van het Sportakkoord. Die klopt? Ja. - Nummer vier. De minister stuurt de Kamer begin volgend jaar een stand-van-zakenbrief over de uitwerking van een sport- en beweegwet. Die klopt ook. - De minister informeert de Kamer in het najaar over de domeinoverstijgende samenwerking die er met andere ministeries is op het gebied van sport. - Zes. De minister stuurt begin volgend jaar een brief over de ombudsfunctie in de sport. Minister Sterk: Q1. De voorzitter: Q1. Ja, begin volgend jaar. - Nummer zeven. De minister stuurt voor de zomer van 2027 een brief over maatregelen om de regeldruk voor vrijwilligers te verminderen. Minister Sterk: Dat is niet de brief die ik ga sturen. Het is een bredere brief over de rijksbrede regeldruk. Die komt inderdaad op het moment dat u net noemde. De voorzitter: Prima. Dan vullen we dat nog aan. - Nummer acht. De minister informeert de Kamer in het najaar over de manier waarop de middelen voor sportverenigingen zijn uitgegeven en hoe die precies verdeeld zijn. - De minister informeert de Kamer in het najaar over aanvullende maatregelen om kinderen meer te laten bewegen. Ik zie voorzichtig geknik. - De minister stuurt in het voorjaar van 2027 een brief over audiodescriptie bij topsport. Zolang ik niks hoor, ga ik gewoon door. - De minister stuurt de Kamer een brief over welke lessen te leren zijn van de fraude en misstanden die onlangs in Amersfoort hebben plaatsgevonden. Het gaat dan nadrukkelijk om landelijke lessen. Minister Sterk: Zodra daar duidelijkheid over is. Ik kan nu geen datum noemen. De voorzitter: Zodra er duidelijkheid is over Amersfoort kijkt de minister welke landelijke lessen hieruit te trekken zijn en rapporteert ze hierover. - Nummer twaalf. De minister informeert de Kamer aan het einde van dit jaar over de inkomenspositie van topsporters. - De minister informeert de Kamer over hoeveel subsidiegeld naar vrouwensport gaat. - De minister van VWS zal de Kamer in het najaar informeren over het gebruik van eiwitpreparaten onder jongeren. Minister Sterk: Nee, voorzitter. Wat ik heb gezegd in de tweede termijn is dat ik dit onder de aandacht breng van mijn collega en het meeneem in de brief. De voorzitter: Prima. Dat passen we aan. Dan de laatste. - De minister stuurt een brief over de scenario's met betrekking tot schoolzwemmen en het eventueel opstarten van een pilot, en doet dat voor de begrotingsbehandeling. Ik kijk nog even rond. Mevrouw Dobbe. Mevrouw Dobbe (SP): Volgens mijn administratie mis ik er misschien nog twee. U noemde net dat er een brief wordt gestuurd over de aanpak van racisme en discriminatie in de sport. Ik dacht dat daar nog een onderdeel bij hoorde, namelijk dat de minister in gesprek zou gaan met JenV om te kijken of we ook de socialemediaplatforms kunnen aanpakken. Als dat daar onderdeel van is, dan zou dat fijn zijn. Ik zou graag zien dat dat nog wordt opgeschreven. Volgens mij had de minister ook toegezegd dat ze ons zou informeren over wat we niet meer doen naar aanleiding van het verdwijnen van het Sportakkoord. De voorzitter: Prima. Dan noteren we die twee ook nog. Ik zie dat mevrouw Huizenga ook nog iets wil zeggen. Mevrouw Huizenga (D66): Ik had een vraag gesteld over de toegankelijkheid van middelen voor sportprotheses, maar misschien ligt dat bij uw collega. Dat weet ik niet. U heeft daar geen toezegging over gedaan, maar ik vind het wel belangrijk om daar nog wat helderheid over te hebben. Hoe kunnen sporters aan die sportprotheses komen? Minister Sterk: Volgens mij heb ik gezegd dat we daarover in gesprek zijn met de zorgverzekeraars. De voorzitter: Dat klopt. Mevrouw Huizenga als laatste. Mevrouw Huizenga (D66): Kunt u toelichten wanneer de uitkomst van het gesprek met de zorgverzekeraars er is? De voorzitter: Kan de minister daar een termijn aan verbinden? Minister Sterk: We nemen dat mee in de pilot die we op dit moment doen. Begin volgend jaar kunnen we daar meer over vertellen. De voorzitter: We schrijven op: begin volgend jaar. Ik zie verder geen vragen meer. Dat betekent dat we aan het einde zijn gekomen van dit debat. Ik wil iedereen heel erg bedanken voor hun aandacht in deze toch lange zit. Het is tijd voor weer een beweegpauze! Dank aan de minister en haar team voor de beantwoording en uiteraard dank aan de leden. Hiermee sluit ik dit debat. Sluiting 20.55 uur.
Gerelateerde bronnen
- Sportbeleid
Verslag van een commissiedebat, gehouden op 30 juni 2026, over Sportbeleid
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.