KamerkringInloggen
Kamerbrief

Reactie op verzoek commissie over de Kustpactprojecten

9 mei 2017 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 3af209a7515e79a7 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2016–2017 29 383Regelgeving Ruimtelijke Ordening en Milieu Nr. 281 BRIEF VAN DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Den Haag, 9 mei 2017 In de brief van 31 maart 2017 heeft uw Kamer mij gevraagd om uit te leggen hoe het Rijk betrokken is bij projecten die de uitvoering van het Kustpact raken. In de afgelopen periode heb ik reeds vragen van uw Kamer beantwoord over verschillende lopende projecten in de kustzone, met name over het project Brouwerseiland en een project op de Veerse Dam. In deze antwoorden ben ik ingegaan op de relatie met het Kustpact. Inmiddels is het Kustpact op 21 februari 2017 door 59 partijen, waaronder de gemeenten, provincies, natuur- en milieuorganisaties en organisaties voor recreatieondernemers, ondertekend en aan uw Kamer aangeboden.1 De achtergrond van het Kustpact In december 2015 heb ik het voornemen gemeld om binnen de eisen van de Kustveiligheid de regels voor bebouwing in het kustfundament in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) te vereenvoudigen, zodat een gemeente binnen de bestaande strenge restricties ook de mogelijkheid heeft om kleine objecten zoals strandtenten (beperkt) op het strand toe te laten. Naar aanleiding van de zorg over de ontwikkelingen in het kustfundament en andere delen van de kustzone, heb ik in het Algemeen Overleg (AO) Omgevingswet van 21 januari 2016 (Kamerstuk 33 118, nr. 21) aangegeven, dat ik in overleg zou gaan met de maatschap-pelijke en bestuurlijke partijen over het kustbeleid. Dit overleg heeft geresulteerd in de afspraak om een «Kustpact» op te stellen. Doel van het Kustpact is om gezamenlijke afspraken te maken over een goede bescherming en ontwikkeling van de kust. In hetzelfde AO heb ik aangegeven geen uitvoering te geven aan de voorgestelde wijzigingen van het Barro voor zover deze betrekking hebben op de kust. In antwoord op Kamervragen van het lid Van 1Kamerstuk 29 383, nr. 278. kst-29383-281ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2017Tweede Kamer, vergaderjaar 2016–2017, 29 383, nr. 2811 Tongeren2 en in mijn brief aan uw Kamer van 21 februari jl. (Kamerstuk 29 383, nr. 278) heb ik aangegeven dat ik op basis van het resultaat van de afspraken uit het Kustpact zal onderzoeken in hoeverre aanpassingen op deze regels uit het Barro nodig zijn. Het ondertekende Kustpact is niet het eindpunt, maar het vertrekpunt om te komen tot een visie en regels op basis van gedeelde kernkwaliteiten en collectieve waarden. Deze visie en regels vormen de basis voor de verdere plannen van de betrokken partijen.3 Naar verwachting zal de uitwerking van de afgesproken zonering voor de meeste provincies eind dit jaar zijn afgerond; de provincie Zeeland doet dat in combinatie met de Zeeuwse Kustvisie in 2018, de provincie Fryslân zal het huidige beschermingsbeleid en terughoudende ontwikkelingsbeleid voortzetten. Met deze afspraken worden de door uw Kamer verzochte bescherming in acht genomen, zoals gemeld in de Kamerbrief van 21 februari jl (Kamerstuk 29 383, nr. 278)4. De gedeelde kernkwaliteiten en collectieve waarden zullen worden verwerkt in de Nationale Omgevingsvisie conform de motie Çegerek c.s. (Kamerstuk 29 383, nr. 254). Het is nu eerst aan de andere overheden en de maatschappelijke organisaties om de afspraken uit het Kustpact ter hand te nemen. De partijen bij het Kustpact onderschrijven dat deze afspraken kunnen worden uitgevoerd uitgaande van de bestaande bestuurlijke verantwoor-delijkheden en bevoegdheden. Sinds de inwerkingtreding van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012) ligt de verantwoordelijkheid voor het landschapsbeleid en verstedelijking primair bij provincies en gemeenten. Daarbij wordt door de partijen het beschikbare juridisch instrumentarium om de aanwezige waarden van de kust te beschermen toereikend geacht.5 De afspraken uit het Kustpact en de relatie met nieuwe en thans lopende projecten In het Kustpact is afgesproken dat de provincies – in overleg met andere partijen – hun beleid voor de kustzone aan de hand van de gedeelde kernkwaliteiten en collectieve waarden, actualiseren. Daarbij maken zij een zonering. Deze zonering geeft aan waar wel, waar niet en waar onder voorwaarden nieuwe recreatieve bebouwing is toegestaan. Het geactuali-seerde beleid met deze zonering zal worden opgenomen in provinciale (omgevings)visies en in provinciale verordeningen Ruimte. Deze verordeningen zijn voor gemeenten kaderstellend bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Ook is afgesproken dat gemeenten – tot het moment dat provincies het geactualiseerde beleid en zoneringen hebben vastgelegd – ernaar streven om bij nieuwe plannen in de kustzone zoveel mogelijk te handelen conform de gedeelde kernkwaliteiten en collectieve waarden voor de kustzone en de – in ontwikkeling zijnde – zoneringen. 2Aanhangsel Handelingen II 2016/17, nr. 352.3Kamerstuk 29 383, nr. 253.4Betreft motie van het lid Çegerek (Kamerstuk 29 383, nr. 267) over harde garanties voor de bescherming van de kust, om het beleid voor de kust in de Nationale Omgevingsvisie op te nemen, en om het ontwerp-Barro van 18 december 2015 in te trekken; moties lid Kos¸er Kaya (Kamerstuk 29 383, nr. 269 en Kamerstuk 27 625, nr. 367) over de zorg dat geen afbreuk wordt gedaan aan het beschermingsniveau van natuur, en over een monitoring op de naleving van de afspraken; motie van de leden Çegerek en Jacobi (Kamerstuk 27 625, nr. 354) over bindende afspraken met de andere overheden over de bescherming van het kustlandschap inclusief handhaving en het voorkomen dat een groot deel van de lopende plannen voor nieuwe recreatieve bebouwing gerealiseerd wordt.5In het kader van het opstellen van het Kustpact is het juridisch instrumentarium voor de kust geïnventariseerd. Deze is samen met het Kustpact op 21 februari aan uw Kamer verzonden. Kamerstuk 29 383, nr. 278, bijlage; «Juridisch instrumentarium Kust», Universiteit Utrecht.Tweede Kamer, vergaderjaar 2016–2017, 29 383, nr. 2812 Voor plannen of projecten die al in ontwikkeling waren en al een bepaald stadium van de democratische besluitvorming hadden gepasseerd vóór de ondertekening van het Kustpact, hoeven gemeenten niet te wachten of te anticiperen op de zoneringen. Hiermee respecteert het Kustpact het proces van de democratische besluitvorming. In het Kustpact is omschreven voor welke categorieën van plannen of projecten dit geldt: −plannen of projecten waarvan de ontwerpbesluiten reeds ter inzage zijn gelegd; −plannen of projecten die specifiek in provinciaal of gemeentelijk beleid zijn genoemd en waaraan provincies en gemeenten zich hebben gecommitteerd in provinciaal of gemeentelijk beleid dat op schrift is gesteld, zoals een structuurvisie of openbaar gemaakte beleidsnota; en −plannen en projecten waarover een overeenkomst is gesloten met een overheid waarover openbare besluitvorming heeft plaatsgevonden, of waarover door de gemeenteraad een besluit is genomen, waaruit blijkt dat een gemeente zich aan het plan heeft gecommitteerd. De gemeenten zullen bij de laatste twee categorieën van plannen wel zoveel mogelijk rekening houden met de kernkwaliteiten en collectieve waarden van de kustzone. Bij alle nieuwe en bovengenoemde al lopende plannen geldt dat de planologische afweging over de ruimtelijke inpassing primair op gemeentelijk niveau plaatsvindt. Het Rijk heeft bij deze afweging geen actieve rol. De gemeenteraad stelt voor het gemeentelijk grondgebied bestemmingsplannen vast en acteert daarbij binnen de door de provincies en het Rijk gestelde kaders, zoals die in de provinciale verordening Ruimte en in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn vastgelegd. Daarnaast kunnen ook andere wet- en regelgeving voor plannen en projecten gelden, bijvoorbeeld voor water, natuur en milieu. Indien voor een bovengenoemd «pijplijn»- plan of project een vergunning of een ontheffing van Rijkswege wordt gevraagd, zal het Rijk deze aanvraag beoordelen conform de bestaande (restrictieve) regels. De vergunningen waar het Rijk bevoegd gezag is, zijn onder andere vergun-ningen op grond van de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken en – in bepaalde gevallen – de Waterwet, de Ontgrondingenwet en de Wet natuurbescherming. Daarnaast is het Rijk bevoegd een ontheffing van het Barro te verlenen indien de verwezenlijking van het gemeentelijk ruimtelijk beleid wegens bijzondere omstandigheden onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot de nationale belangen die met de bepalingen van het Barro worden gediend. Het Rijk zal een rol gaan spelen bij dergelijke aanvragen voor vergun-ningen of ontheffingen, voor nieuwe plannen, als deze passen bij de vastgestelde zoneringen. In antwoord op Kamervragen van 14 maart jl. van het lid Smaling6 informeer ik uw Kamer over de ontheffing van de regels uit het Barro voor het kustfundament die ik heb verleend voor een deel van het plan Brouwerseiland. In dat antwoord heb ik toegelicht op basis waarvan ik de ontheffing van het Barro heb verleend. Enkele terreinen in de kustzone zijn in eigendom of beheer van het Rijk. In antwoord op Kamervragen over een recreatieplan in het Veerse Meer7 heb ik de rol van het Rijk aangegeven en toegelicht op welke wijze het Rijk is omgegaan met afspraken over het gebruik van een dergelijk terrein, 6Schriftelijke vragen van het lid Smaling over de reikwijdte en gevolgen van het Kustpact voor Zeeland, Aanhangsel Handelingen II 2016/17, nr. 1791.7Aanhangsel Handelingen II 2016/17, nrs. 1231 en 1232.Tweede Kamer, vergaderjaar 2016–2017, 29 383, nr. 2813 waarbij de andere overheden niet worden beïnvloed in hun afweging ten aanzien van de ruimtelijke ontwikkeling. De uitwerking van het Kustpact Het proces om te komen tot zoneringen is door de provincies voortvarend opgepakt. Deze zonering wordt gelegd over het strand, de duinen en door provincies nader te begrenzen gebieden achter de duinen. Dit beleid komt tot stand in overleg met de andere partijen bij het Kustpact. In het kustpact is voorts afgesproken dat nadat gemeenten en provincies de zoneringen hebben afgerond, het Rijk een beeld zal geven van de provinciale zoneringen voor de gehele kustzone, waarbij het College van Rijksadviseurs om advies wordt gevraagd. Ook zal het Rijk onderzoeken of het beleid en juridisch instrumentarium moeten worden aangepast naar aanleiding van deze zoneringen en zal het de kernkwaliteiten en collec-tieve waarden van de kust verwerken in de Nationale Omgevingsvisie. Daarnaast wordt het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) verzocht om in het kader van de Monitor Infrastructuur en Ruimte te monitoren hoe de recreatieve bebouwing in de kustzone zich ontwikkelt. Mede op basis daarvan zal ik uw Kamer over de voortgang van de afspraken uit het Kustpact informeren in antwoord op de motie Kos¸er Kaya (Kamerstuk 27 625, nr. 368). Samenvattend Het Rijk heeft geen actieve rol bij de planologische afweging over de ruimtelijke inpassing van de plannen en projecten in de kustzone. Deze afweging is primair de verantwoordelijkheid van decentrale overheden. De partijen bij het Kustpact onderschrijven de huidige bestuurlijke verantwoordelijkheden ten aanzien van de kustzone. Ik ben ervan overtuigd dat de in het Kustpact gemaakte afspraken binnen de bestaande bestuurlijke verhoudingen en met inzet van het beschikbare juridische instrumentarium, zullen leiden tot een goede bescherming en ontwikkeling van de kernkwaliteiten en collectieve waarden van de kustzone. De Minister van Infrastructuur en Milieu,M.H. Schultz van Haegen-Maas GeesteranusTweede Kamer, vergaderjaar 2016–2017, 29 383, nr. 2814

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 2c381a5743906d1b

14 okt 2026 · ae5e204ff77fc801

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.