Reactie op het programma Schrappen Tegenstrijdige en Overbodige Eisen en Regelgeving (STOER) fase 1
Brontekst
Versie 1f6feaad994f346a · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202532 847Integrale visie op de woningmarktNr. 1352 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING EN RUIMTE-LIJKE ORDENING Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 23 juni 2025In Nederland is het bouwen van nieuwe woningen onnodig ingewikkeldgeworden. Hoewel er veel regels zijn opgesteld met de beste bedoelingen,zorgt een stapeling van procedures en voorschriften er in de praktijk voordat woningbouwprojecten te langzaam van de grond komen, onnodigduur zijn en soms zelfs helemaal vastlopen. Het systeem dat bedoeld isom belangen te beschermen, werkt verstikkend wanneer regels elkaaroverlappen, elkaar tegenwerken en onvoldoende ruimte laten. Hierdoorlukt het onvoldoende om snel en betaalbaar te bouwen, terwijl debehoefte aan woningen urgenter is dan ooit.Elke afzonderlijke regel heeft op zichzelf een gerechtvaardigd doel – of hetnu gaat om milieu, gezondheid, veiligheid, rechtsbescherming ofparticipatie. Maar het ontbreekt vaak aan een integrale aanpak waarinregels op elkaar zijn afgestemd en worden afgewogen tegen brederemaatschappelijke opgaven, zoals het oplossen van de woningnood. Onderdeze integrale aanpak valt ook het beter benutten van de mogelijkhedendie de wet- en regelgeving wel biedt en het verbeteren van de samen-werking tussen bestuurslagen en marktpartijen.De gevolgen daarvan zijn zichtbaar en voelbaar: woningbouwprojectenstagneren, lopen vertraging op of worden duurder, wat de betaalbaarheiddirect onder druk zet. Ondertussen groeit de woningbehoefte onver-minderd door. Jongeren blijven noodgedwongen langer thuis wonen,gezinnen stellen hun toekomstplannen uit en het structurele migratiesaldovergroot de druk op de woningmarkt. De opgave om jaarlijks ten minste100.000 woningen te realiseren is daarmee geen beleidsambitie, maar eenmaatschappelijke noodzaak.Als we daadwerkelijk vaart willen maken met woningbouw, moeten wefundamenteel anders gaan kijken naar hoe publieke belangen wordengewogen en georganiseerd. Dat vraagt om een betere balans:woningbouw moet steviger worden verankerd in juridische en beleids- kst-32847-1352ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 847, nr. 13521 matige afwegingen, binnen kaders die nog altijd voldoende beschermingbieden voor een veilige, gezonde en duurzame leefomgeving. Daarvoor iseen benadering nodig waarin wet- en regelgeving niet versnipperd wordttoegepast, maar als samenhangend geheel wordt ingezet om ruimte temaken voor méér, snellere én betaalbare woningbouw.Met die ambitie is het programma Schrappen Tegenstrijdige enOverbodige Eisen en Regelgeving (STOER) gestart. STOER richt zich ophet verminderen van regeldruk en het wegnemen van belemmeringen diede woningbouw vertragen. De Woontop van 11 december 2024 markeerdehet officiële startpunt. Een externe adviesgroep onder leiding van Friso deZeeuw met vertegenwoordigers uit de bouwsector, wetenschap endecentrale overheden – is gevraagd om met concrete voorstellen tekomen. Op 24 april jl. is het eerste rapport aangeboden; het eindrapportvolgt in de zomer van 2025.De analyse van de adviesgroep is helder: niet één specifieke regel vormthet probleem, maar juist de stapeling en versnippering van regels leidt totvertraging, hogere kosten en onzekerheid. Daarbij is het belang vanwoningbouw, en daarmee van de woningzoekende, te vaak onderbelichtgebleven. Het advies bevat daarom niet alleen voorstellen om regels teschrappen of te vereenvoudigen, maar ook om beter gebruik te makenvan de ruimte die de regelgeving nú al biedt. Zo worden regels geenblokkade, maar juist een instrument om woningbouw sneller en doelge-richter mogelijk te maken.Met deze brief informeer ik uw Kamer over mijn reactie op het eersteadvies van de adviesgroep. Met een aantal voorstellen ga ik direct aan deslag binnen mijn eigen portefeuille. We zetten ons in voor regelgeving dieniet belemmert, maar bijdraagt aan het realiseren van ten minste 100.000woningen per jaar. Ik ben ervan overtuigd dat de uitvoering van dezeadviezen binnen afzienbare tijd een positief effect zal hebben op dewoningbouwproductie. Maar daarvoor heb ik uw Kamer nodig. Als we dewoningzoekenden centraal blijven stellen, moeten we in staat zijn omsamen de juiste keuzes te maken en regels te schrappen of te verbeterenwaar ze onnodig belemmeren.Dit advies vraagt om een andere manier van denken: om daarbij hetbelang van de woningzoekende aan de voorkant explicieter en zwaardermee te wegen. Ik nodig u uit om die benadering te omarmen en vast tehouden. Samen kunnen we met deze voorstellen de eerste stappen zettenrichting versnelde bouwproductie en meer betaalbare woningen.Tegelijkertijd reikt het advies handvatten aan om toekomstige regelgevingbeter te toetsen aan deze urgentie – en daar blijvend naar te handelen.1. Inhoudelijke reactie op onderdelen Het advies van de adviesgroep kent diverse thema’s die allen dewoningbouw raken. Het gaat om (1) technische bouweisen, (2) landelijkenormering omgevingskwaliteit, (3) water en bodem, (4) stikstof, (5) onder-zoeken, (6) lokale planvorming en omgevingsbeleid, (7) grondbeleid(8) netcongestie, (9) bezwaar en beroep (10) en (11) borging verminderingregeldruk.Mijn inzet is helder. Ik pak voortvarend door op de onderwerpen diebinnen mijn bevoegdheid liggen:•Technische bouweisen: ik pas in het Besluit bouwwerken leefomgevingregels aan die disproportioneel kostenverhogend werken met oog voorde basiskwaliteit van woningen;Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 847, nr. 13522 •Lokale bovenwettelijke eisen: het uitgangspunt blijft dat het Besluitbouwwerken leefomgeving (Bbl) uitputtend is. Lokale regelruimte voormedeoverheden is alleen aanwezig waar het Bbl deze ruimte uitdruk-kelijk biedt;•Maatwerk en experimenten: ik schaf de ministeriele goedkeuring voorbepaalde afwijkingen af en verruim de experimenteermogelijkhedenonder de Omgevingswet;•Milieuprestatie: De eerder aangekondigde aanscherping van demilieuprestatie-eis (MPG) voor woningen voer ik niet door. In plaatsdaarvan bereid ik de bouwsector voor op de nieuwe Europese eis voorde broeikasgasemissies die gepaard gaan met het bouwen engebruiken van woningen (wlc-gwp), die vanaf 2030 van kracht wordt;•Grondbeleid: ik ondersteun het voorstel om meer gebruik te makenvan modelovereenkomsten voor anterieure afspraken en ben hierovermet gemeenten en provincies in gesprek. Hierbij zal ik gebruik makenvan modelovereenkomsten die enkele provincies al hebben opgesteld;•Lokale planvorming: ik roep gemeenten op om planproceduresmerkbaar te versnellen, zoals gebruik te maken van bewezen werkwijzeen snellere en efficiëntere welstandtoetsing;•Netcongestie: Samen met het Ministerie van KGG zet ik via hetLandelijk Actieprogramma Netcongestie stevig in op het terugdringenvan netcongestie. Ik steun de voorstellen van de adviesgroep omvormen van netbewust bouwen te stimuleren, het moment van hetdoen van een aanvraag voor transportcapaciteit te vervroegen,aansluiting door derden te faciliteren en netcodes aan te passen;•Bezwaar en Beroep: ik benut binnen de bestaande wetgeving demogelijkheden voor de versnelling voor woningbouw.Ik zal in deze brief niet op alle thema’s uit het advies reageren. Enkelethema’s vergen namelijk nog afstemming met andere departementen. Hetgaat dan onder meer om de hoofdstukken: landelijke normering enomgevingskwaliteit, water en bodem en onderzoeken. Daarnaast zullenverschillende thema’s ook terugkomen in de nadere verdieping die doorde adviesgroep wordt uitgevoerd en voor de zomer aan mij wordtaangeboden. Ik zal deze punten betrekken bij de kabinetsreactie op hetintegrale eindrapport van de adviesgroep na het zomerreces van 2025.In de volgende paragrafen reageer ik op:•De technische kwaliteit van woningen (2.1.)•Lokale planvorming en omgevingsbeleid (2.2.)•Grondbeleid en kostenverhaal (2.3.)•Stikstof (2.4.)•Netcongestie (2.5.)•Bezwaar en Beroep (2.6.)•Borging vermindering regeldruk (2.7.)1.1. Technische kwaliteit woningen Verschillende adviezen van de adviesgroep gaan over de regels metbetrekking tot de technische kwaliteit van woningen. Aanpassing en/ofstriktere toepassing van deze regels kan volgens de adviesgroep leiden toteen bouwkostenbesparing tot wel € 30.000,– per woning (zieparagraaf 3.2.4 van het advies). Met name gevallen waarin medeover-heden bovenwettelijke eisen stellen, leiden tot extra bouwkosten. Deadviezen van de adviesgroep hebben betrekking op verschillendeelementen. Veel van deze adviezen neem ik over en start ik het deregule-ringsproces op.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 847, nr. 13523 Geen lokale eisen boven op het Besluit bouwwerken leefomgevingIn de eerste plaats constateert de adviesgroep dat er winst te behalen isdoor strikte toepassing van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).Het Bbl stelt vanuit de oogmerken veiligheid, gezondheid, duurzaamheiden bruikbaarheid eisen aan bouwwerken. Met de regels in het Bbl isdaarmee landelijk en uitputtend geregeld waar bouwwerken aan moetenvoldoen. Lokale regelruimte voor medeoverheden is alleen aanwezig waarhet Bbl deze ruimte uitdrukkelijk biedt. Dit zorgt voor kostenbeheersing,bevordering van industriële productiemethoden en stimulering vaninnovatie binnen het Bbl-kader. Aanvullende publiekrechtelijke eisen voornieuwbouw zijn niet toegestaan. Wel kunnen medeoverheden contrac-tuele afspraken maken over woningen, waarvan ze ook eigenaar ofopdrachtgever zijn. Met de Landelijke Versnellingstafel zijn afsprakengemaakt over het verzamelen van signalen over onverhoopte eisen vanmedeoverheden, die leiden tot knelpunten in te plannen bouwprojecten.Over twee jaar wordt bezien of er wel aanvullende regels nodig zijn.Middels de meldfunctie van de Landelijke Versnellingstafel krijg ik eengoed beeld van terugkerende knelpunten, waarop ik passend kan acteren.Maatwerk: geen voorafgaande toestemmingHet Bbl biedt op onderdelen de mogelijkheid aan gemeenten om af tewijken en lagere eisen te laten gelden dan opgenomen in het Bbl, maar ditvergt nu nog ministeriele toestemming bij maatwerkvoorschriften. In depraktijk vergt dit een relatief lange procedure waardoor daar nauwelijksgebruik van wordt gemaakt. De adviesgroep stelt voor om de ministeriëletoestemming voor dit soort maatwerkvoorschriften deels te schrappen. Ikneem dit voorstel om lagere kwaliteitsniveaus toe te staan over en ga ditverder uitwerken in een wijziging van artikel 4.27 voor nieuwbouwwo-ningen. Ik verwacht in 2026 de wijziging voor te leggen aan uw Kamer tervoorhang.Experimenten bouwregelgeving: benut de mogelijkhedenDe adviesgroep benadrukt het belang van experimenteerruimte in het Bbl.De Omgevingswet biedt nu al ruimte voor experimenten gericht op eenveilige, gezonde leefomgeving. In het verleden is gebleken dat experi-menten nuttig kunnen zijn om te beproeven hoe bepaalde maatregelenuitpakken alvorens ze eventueel landelijk door te voeren. Denk daarbij aanhet experiment met minder scherpe eisen bij particulier opdrachtgever-schap en het achterwege blijven van de technische toets bij dakkapellenen andere kleine bouwwerken. Beide experimenten zijn inmiddels in delandelijk bouwregelgeving ingevoerd. Eventuele nieuwe voorstellen voorexperimenten met de landelijke bouwregelgeving zie ik dan ook metinteresse tegemoet.De experimenteermogelijkheid in de Omgevingswet is nu beperkt totexperimenten met het oog op het bereiken en in stand houden van eenveilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwa-liteit. Om experimenten gericht op goedkopere en snellere woningbouwmogelijk te maken, wil ik de experimenteerbepaling uit de Omgevingswetverbreden met de mogelijkheid om ook te experimenteren met het oog ophet doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysiekeleefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Wonen iséén van die maatschappelijke behoeften. Ik werk dit verder uit en zal eenwijziging van de Omgevingswet voorbereiden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 847, nr. 13524 Aanpassingen technische eisenDe adviesgroep heeft verschillende voorstellen gedaan voor deaanpassing van technische eisen en voorschriften. Het gaat om devolgende aanpassingen in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl):1)Plafond- en deurhoogtes: voorgesteld wordt om de minimaleplafondhoogte te verlagen van 2,60 naar 2,50 meter en de deurhoogtevan 2,30 naar 2,10 meter, waarmee materiaal- en energievoordelenworden behaald en lagere bouwkosten.2)Trappen: Voorgesteld wordt het gebruik van steilere trappen toe testaan wat ruimtebesparing in woningen en lagere bouwkostenmogelijk maakt3)Toegankelijkheidseisen balkons: voorgesteld wordt geen aanvullendeverplichtingen in te voeren voor drempelloze balkons en dakterrassenaangezien dit gepaard gaat met extra kosten vanwege het verhoogderisico op lekkages en de bouwkundige complexiteit.4)Daglichttoetreding: voorgesteld wordt de nieuwe NEN-norm voordaglichttoetreding niet op te nemen om kostentoename te voorkomen.5)55%-eis: voorgesteld wordt om de eis dat minimaal 55% van hetvloeroppervlak moet voldoen aan de hoogste eisen voor daglicht enventilatie aan te passen, aangezien deze norm leidt tot beperking inwoningplattegronden6)Interne geluidseisen: voorgesteld wordt de geluidseisen tussenverblijfsruimten binnen een woning te versoepelen, zodat openwoningplattegronden beter mogelijk worden.Ik neem al deze voorstellen over met uitzondering van het schrappen vande toegankelijkheidseisen voor balkons (inclusief loggia’s en dakter-rassen), ondanks dat in sommige situaties deze eisen de bouwkostenkunnen verhogen. De eisen vormen de Nederlandse invulling van deverplichting die voortvloeit uit het VN-Verdrag Handicap 2016. Ik hechtaan zelfstandige toegang tot de buitenruimte bij nieuwbouwwoningenvoor iedereen.De vijf overige voorstellen ga ik verder uitwerken in een wijziging van hetBesluit bouwwerken leefomgeving voor nieuwbouwwoningen. Ikverwacht deze wijziging in 2026 voor te leggen aan de Kamer tervoorhang. Met betrekking tot de 55%-eis (5) wil ik met partijen in overlegom na te gaan welke aanpassing hier mogelijk en wenselijk is.Op de overige adviezen voor het aanpassen van de regels van het Bblkom ik terug in de kabinetsreactie op het definitieve eindrapport. Dezeadviezen vragen om een bredere afstemming en uitwerking. Het gaatdaarbij onder andere om spuien via een dove gevel en geluidseisen bijtijdelijke bouw, checklist voor veilig gebouwenonderhoud en de emissie-reductieplicht van materieel op de bouw.NEN-normen en normcommissiesDe adviesgroep adviseert om de aangewezen NEN-normen gratisbeschikbaar te stellen. Voor de aangewezen NEN-normen (structureel2 miljoen) zijn nog geen middelen beschikbaar. Wat betreft het advies omdeelname aan normcommissies gratis te maken moet eerst het overlegworden gestart met NEN vanwege de financiële en organisatorischegevolgen.De adviezen om bij de bepalingsmethoden voor de constructieveveiligheid (Eurocodes) en de energiezuinigheid (NTA 8800), die tot standkomen onder regie van de NEN, te komen tot een vereenvoudiging neemik ter harte. Ik zal er bij de NEN voor pleiten om deze bepalingsmethodenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 847, nr. 13525 in deze geest te ontwikkelen. De aanpassing van de nieuwe bepalingsme-thode voor de energiezuinigheid zal er tevens voor zorgen dat ookinvulling wordt gegeven aan het advies om de toepassing van gelijkwaar-digheid te vereenvoudigen en te stimuleren, zodat ook een passiefhuis(ultra energiezuinig huis gelijkwaardig aan BENG) en/of andere energie-zuinige concepten eenvoudiger aan de regelgeving kunnen wordengetoetst.Inzet op Industriële bouw en digitaliseringDe adviesgroep adviseert om voor grondgebonden woningen gebruik temaken van de samenwerking die groeit tussen kwaliteitsborgers enindustriële bouwers van modulaire bouwsystemen. Deze samenwerkingbiedt industriële bouwers de flexibiliteit hun aanpassingen aan bouwsys-temen snel door te kunnen voeren. Dit advies sluit aan bij afspraken uit deWoontop. Binnen het programma Innovatie en Opschaling Woningbouwwerken overheid en sector samen aan onder meer het opschalen enimplementeren van systeem- en typegoedkeuringen. Dit moet leiden toteen digitale melding- en vergunningsprocedure en versnelde goedkeu-ringsprocessen. Vanuit het programma is al gestart met het inrichten vaneen zogeheten «fastlane» in de gemeente Rotterdam en in tweegemeenten in de Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen, waarmeevergunningsaanvragen voor projecten voorzien van een typegoedkeuring,versneld getoetst kunnen worden. Daarna zullen we deze «fastlanes»landelijk opschalen. Daarnaast worden bouwers gestimuleerd om meergebruik te maken van een typegoedkeuring.Milieuprestatie gebouwen: geen verdere aanscherpingDe adviesgroep adviseert de aanscherping van de milieuprestatiegebouwen (MPG) voor woningen niet door te voeren. De reden is dat debouwwereld uitkijkt naar de uitwerking van de Europese Whole-lifecycleGlobal warming potential (wlc-gwp) waaraan alle nieuwbouw, inclusiefwoningen, in 2030 moeten voldoen. De uitgangskaders daarvan moetenper 2027 zijn bepaald. De milieuprestatie (MPG) heeft in de ogen van deadviesgroep nog maar een beperkte «houdbaarheidsdatum». In plaats vanaanscherping van de milieuprestatie-eis adviseert de adviesgroep datoverheid en markt zich samen voorbereiden op de komst van de wlc-gwpmet daarbij een duidelijke roadmap voor marktpartijen en medeover-heden.Dit advies neem ik over. Na de Woontop 2024 heb ik besloten om descherpere milieuprestatie-eis voor woonfuncties uit het op 21 juni 2024voorgehangen besluit tot wijziging van het Besluit bouwwerken leefom-geving (Bbl) te halen. Het nieuwe wijzigingsvoorstel van het Bbl voorandere bouwwerken dan woningen, heb ik op 2 april jongstleden naar uwKamer gestuurd. De reden hiervoor was dat ik vond dat onvoldoendeduidelijk was, welke effecten deze scherpere milieuprestatie-eis zouhebben voor de betaalbaarheid van woningen en voor de woningbouw-opgave. Om die duidelijkheid te verkrijgen, heb ik op basis van hetonderzoek van Sira een diepteonderzoek laten uitvoeren door hetEconomisch Instituut voor de Bouw (EIB).1Gezien de urgentie van de betaalbaarheid van woningen en de woning-bouwopgave heb ik een strikte afweging gemaakt bij de beoordeling vandeze conclusies. Uit de voornoemde onderzoeken blijkt dat in een aantalsituaties aanvullende maatregelen nodig zullen zijn in de materiaalkeuze1EIB, «Versoepeling MPGeis voor kleine woningen. Onderzoek naar de effecten van de versoe-peling van de MPG-eis voor kleine woningen», juni 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 847, nr. 13526 en in het ontwerpproces. Dit kan dan leiden tot meerkosten of eenvertraging in de bouwopgave. Deze mogelijke gevolgen overziend besluitik om de scherpere milieuprestatie-eis voor woningen niet in te voeren.In mijn ogen betekent dit niet dat ik de milieuprestatie van woningen nietbelangrijk vind. In mijn overweging voor deze keuze heb ik meegenomendat met de wlc-gwp binnen afzienbare tijd een eis zal worden ingevoerdom de bijdrage van woningen aan de effecten op het klimaat inzichtelijk tekrijgen vanaf 2030 en uiteindelijk te beperken. Uit hoofde van de Europeserichtlijn voor energieprestatie van gebouwen zijn lidstaten verplicht omuiterlijk op 1 januari 2027 een zogeheten Routekaart wlc-gwp te publicerenen de Europese Commissie daarvan in kennis te stellen. Deze Routekaartgeeft aan welke grenswaarde in 2030 en streefwaarden daarna tot 2050gelden voor de wlc-gwp. Uitgangspunt voor de grenswaarde in 2030, dielidstaten zelf moeten invullen, stel ik zo dat deze de woningbouwopgaveniet belemmert en de bouwkosten niet verhoogt. Ik ben inmiddels met devoorbereidingen hiervoor begonnen. In mijn ogen geef ik hiermeeinvulling aan het advies van de Adviesgroep STOER op dit punt. In mijnbrief aan uw Kamer over de implementatie van de EPBD IV ga ik hieruitgebreider op in.Ook in de milieuprestatie van een woning weegt de bijdrage aan hetklimaateffect het zwaarst. De sturing daarop blijft dus bestaan; in iedergeval blijft deze onderdeel uitmaken van de bouwregelgeving tot 2030.Het is mede daarom van het belang dat het wijzigingsvoorstel Bbl binnenafzienbare tijd van kracht wordt. Dit najaar start ik wel een beleidseva-luatie van de milieuprestatie-eis, waarin de effecten van dit instrumentonder de loep worden gehouden en ook conclusies kunnen wordengetrokken over de situatie na 2030.1.2. Lokale planvorming en omgevingsbeleid De adviesgroep verwijst in de paragraaf over lokale planvorming enomgevingsbeleid naar verschillende bewezen werkwijzen die deplanvorming voor nieuwbouwprojecten kan versnellen. Het gaat dan omde voorfase van de planvorming, het gebruik van het mengpaneel, hetrealiseren van meer woningen binnen gebouwd gebied en de toetsing vanruimtelijke kwaliteit/welstand.Voorfase planvormingIk ondersteun de oproep van de adviesgroep om bewezen werkwijzen tegebruiken om de planvorming voor nieuwbouw te versnellen. Hetverkorten van de doorlooptijd van gemiddeld 6 naar 2 jaar is eenbelangrijke ambitie uit het Regeerprogramma en de Woontopafspraken.Instrumenten zoals parallel plannen en de publiek-private monitor (PPM)worden standaard bij gebiedsontwikkelingsubsidies ingezet. Het Minis-terie van VRO stuurt via onder andere woondeals en versnellingstafels opstart bouw binnen 2 jaar. Regionaal wordt gewerkt aan verdere ontwik-keling van het instrumentarium, standaardisatie en kennisdeling. Om hetproces te versnellen moet er ook steviger worden ingezet op innovatie.Met het programma Innovatie en Opschaling Woningbouw wordt hierinvulling aan gegeven. Het is essentieel om bestaande innovaties, zoalsindustrieel bouwen en digitalisering, sneller op te schalen en te imple-menteren in de dagelijkse praktijk zodat de voordelen hiervan ten vollebenut kunnen worden. Door deze innovatieve technieken in te zetten, kande woningbouw sneller, goedkoper en toekomstbestendiger plaatsvinden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 847, nr. 13527 Woningbouw in gebouwd gebiedHet advies stelt een inventarisatie voor van geschikte plekken binnen degemeente voor extra woningbouw. Hier kijk ik positief tegenaan. Boven debestaande initiatieven lopen er in deze lijn al acties gericht op hetfaciliteren van scans die gemeenten (en vastgoedeigenaren) van wijk totaan pandniveau duidelijk moeten maken wat de potentie is voor beterbenutten van bestaande gebouwen en bijbehorende omgeving. Het «beterbenutten» kan op verschillende manieren, bijvoorbeeld: transformeren enoptoppen van gebouwen, mantelzorg- en familiewoningen op eigen kavel,woningsplitsing, hospitaverhuur, woningdelen en voorkomen vanleegstand. Bij het beter benutten van woningbouw in het gebouwd gebiedzal uiteraard rekening moeten worden gehouden met stedelijke groeneruimte vanuit de EU-natuurherstelverordening en met de instructieregelsover het belang van het behoud van cultureel erfgoed en de uitzonderlijkeuniversele waarde van werelderfgoed.2Het advies stelt ook voor dat de uitkomsten van de inventarisatie wordenopgenomen in een «Programma toevoeging Woningbouw binnenwoongebieden». Met het wetsvoorstel versterking regie volkshuisvestingis het al de bedoeling dat gemeenten in hun volkshuisvestingsprogrammaopnemen welke beleidsmaatregelen zij nemen om de bestaandegebouwen en bijbehorende omgeving beter te benutten. Het optuigen vaneen apart programma lijkt daarom overbodig en niet wenselijk.WelstandDe adviezen van de adviesgroep zijn in principe gericht aan gemeenten,omdat zij verantwoordelijk zijn voor welstandstoezicht volgens deOmgevingswet. In lijn met de adviezen roep ik gemeenten op tot snellereen efficiënte welstandtoetsing. In het gesprek met de VNG zal ik dan ookaangegeven dat ik een groot deel van de adviezen, met nuanceringen,ondersteun, omdat het tot de noodzakelijke versnelling en meer efficiëntiezal leiden. Een nuance is bijvoorbeeld dat de adviezen niet alleen hoevente gelden voor woningen, maar ook voor gemengde complexen of anderegebouwen. Twee adviezen kan ik niet ondersteunen. Het advies dattoetsing op architectonische details achterwege moet blijven, acht ik nietwerkbaar, omdat deze term ongedefinieerd en daarmee multi-interpretabel is. Het advies dat het bij de besluitvorming door het collegevan B&W uitsluitend van belang is in hoeverre aan door de gemeentelijkeadviesgroep geconstateerde evidente tekortkomingen tegemoet isgekomen, is strijdig met de regels over advisering en besluitvorming vande Algemene wet bestuursrecht. Verder merk ik op dat gemeenten bij deontwikkeling en uitvoering van de procesrichtlijnen gehouden zijn aan deinstructieregels inzake het behoud van cultureel erfgoed en wereld-erfgoed.1.3. Grondbeleid en kostenverhaal Ik ben blij dat in het adviesrapport aandacht wordt besteed aan hetgrondbeleid, dat – zoals de adviesgroep ook onderschrijft – volop inbeweging is. De adviesgroep heeft op het gebied van grondbeleidvoorstellen gedaan over (1) anterieure overeenkomsten, (2) verlengingvan het voorkeursrecht, (3) aanpassing van grondbeleidsinstrumenten inde Omgevingswet, (4) de jaarlijkse actualisatie van de grondexploitatiesten behoeve van de jaarrekening (BBV), (5) medewerking RVB aanwoningbouwplannen en (6) inbrengwaarde voor kostenverhaal enplanbatenheffing.2Paragraaf 5.1.5.5 en afdeling 7.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 847, nr. 13528 Hierna reageer ik per onderwerp op de voorstellen van de adviesgroep.Op het laatste punt (inbrengwaarde voor kostenverhaal en planbaten-heffing) heb ik gereageerd in mijn brief aan uw Kamer «Voorstel endilemma’s planbatenheffing of een vergelijkbaar systeem». Ik volsta opdeze plaats met een korte weging van de adviezen.Anterieure overeenkomsten: modelovereenkomstenIk verwelkom het advies van de adviesgroep om het gebruik vanmodelovereenkomsten voor anterieure overeenkomsten te stimuleren. Inde praktijk wordt bij dergelijke overeenkomsten nog vaak het wielopnieuw uitgevonden. Het stroomlijnen van processen helpt dewoningbouw versnellen. In opvolging van de maatregelen uit deKamerbrief «Modernisering van het grondbeleid»3 worden hier al stappenin gezet. Vorig jaar ben ik een onderzoek gestart naar de toepassing vankostenverhaal in de praktijk en anterieure overeenkomsten. Mijnvoornemen is om op basis van de uitkomsten van dit onderzoek eennormerend document op te stellen. Ik onderschrijf het advies van deadviesgroep dat hierin wel ruimte moet blijven voor lokale invulling. Hetdocument kan partijen ondersteunen bij het opstellen van anterieureovereenkomsten. Hierbij wordt dankbaar gebruik gemaakt van modelover-eenkomsten die enkele provincies al hebben opgesteld en beschikbaar zijnvoor betrokkenen in de gebiedsontwikkeling. De praktijk waarin anterieureovereenkomsten ook het vehikel vormen om bovenwettelijke bouwtech-nische eisen (Bbl) te stellen, moet tot het verleden behoren. Overigens zijndit soort afspraken in anterieure overeenkomsten nietig.Voorkeursrecht: verlengen wettelijke termijn van drie naar vijf jaarIn het adviesrapport wordt aanbevolen om de wettelijke termijn voor hetvaststellen van een omgevingsplan, ter voortzetting van een gevestigdvoorkeursrecht dat gebaseerd is op een omgevingsvisie of eenprogramma, te verlengen van drie naar vijf jaar. Gemeenten geven aandat de huidige termijn soms te kort is bij complexe ontwikkelingen. Inopvolging van de acties uit de eerdergenoemde kamerbrief «Moderni-sering van het grondbeleid» ben ik hierover in gesprek met de VerenigingNederlandse gemeente (VNG).Aanpassing van grondbeleidsinstrumenten in de Omgevingswet:oplossen knelpuntenHet adviesrapport beschrijft een aantal door de VNG gesignaleerdeknelpunten in de grondbeleidsinstrumenten in de Omgevingswet. Deeerste knelpunten gaan over het verhalen van voorbereidings- entoezichtkosten zonder tijdvak. Ik heb de VNG laten weten dat hetOmgevingsbesluit zal worden aangepast, omdat deze kosten ook bijtoepassing van kostenverhaal zonder tijdvak verhaalbaar zijn. Dezeaanpassing is onderdeel van het Verzamelbesluit Omgevingswet 2026 enheeft tot 22 juni 2025 ter consultatie gelegen.4 Er wordt ook gewerkt aaneen verduidelijking van de onteigeningsgronden en een verduidelijkingover sociale koopwoningen. Ten slotte ben ik bezig met een wetswijzigingdie gefaseerde omzetting van bestemmings- en exploitatieplannen naarhet nieuwe omgevingsplan eenvoudiger maakt.3Kamerstukken II 2022/23, 34 682, nr. 164.4https://www.internetconsultatie.nl/verzamelbesluitow26/b1.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 847, nr. 13529 Administratieve BBV-voorschriften: vereenvoudigenHet voorstel om de gescheiden administratie van actief en faciliterendgrondbeleid op te heffen, wordt niet overgenomen. De verantwoording inde jaarrekening is boekhoudkundig tussen beide financieel en juridischsignificant zeer verschillend, ook vanwege verschillende fiscale regimes.De commissie BBV onderschrijft dit standpunt.Beperken jaarlijkse actualisatie grondexploitatie.De suggestie om de actualisatie van de jaarrekening te beperken totprojecten die binnen twee jaar tot gronduitgifte overgaan, wordt eveneensniet overgenomen. Het actualiseren hiervan is cruciaal voor financiëlebeheersing en controle.Inbrengwaarde voor kostenverhaal en planbatenheffingIk herken het standpunt van de adviesgroep over de onwenselijkheid datspeculatieve grondaankopen met een (waarschijnlijke) woningbouwbe-stemming worden «beloond» met een vermindering van de kostenver-haalsbijdrage aan publieke voorzieningen. Ook onderschrijf ik hunvoorstel om de waarderingsgrondslag van de inbrengwaarde ten behoevevan het kostenverhaal aan te passen om dit te voorkomen. Hiervoorvoorzie ik wel een andere waarderingsgrondslag dan de adviesgroepvoorstelt. In mijn brief aan uw Kamer «Voorstel en dilemma’s planbaten-heffing of een vergelijkbaar systeem» stel ik voor om de gebruikswaardeals waarderingsgrondslag te hanteren.In deze kamerbrief ga ik verder in op het voorstel van de adviesgroep metbetrekking tot de waarderingsgrondslag voor de inbrengwaarde bijkostenverhaal. De adviesgroep heeft daarnaast haar zorgen geuit overcomplexiteit en vertraging bij de invoering van een planbatenheffing. Inde kamerbrief ga ik verder in op de dilemma’s die samenhangen met dekeuze tussen een planbatenheffing of een vergelijkbaar systeem. Daarbijpresenteer ik mijn voorstel voor een vergelijkbaar systeem: intensiveringvan het kostenverhaal. Ik zie als grote voordelen van mijn voorstel dathierdoor wordt voortgebouwd op het bestaande systeem dat gemeentenen markpartijen al kennen en hierdoor makkelijker uitvoerbaar zal zijn.Ook wordt hierdoor geen nieuw instrument geïntroduceerd, waardoor eenstapeling van regelingen wordt voorkomen. Ten slotte voorziet mijnvoorstel in een betere koppeling tussen opbrengsten en de kosten voorpublieke investeringen in de gebiedsontwikkeling.1.4. Stikstof Het demissionaire kabinet werkt aan de invoering van een wetenschap-pelijk onderbouwde rekenkundige ondergrens. Projecten die volledigonder deze grens vallen worden uitgesloten van een natuurvergunning-plicht voor het aspect stikstof.5 De adviesgroep benoemt daarnaastonzekerheid, vertraging en kosten die het gevolg kunnen zijn van (updatesaan) AERIUS Calculator. Zoals vermeld in de Kamerbrief van 25 april(Kamerstuk 35 334, nr. 362), bekijkt de ministeriële commissie economieen natuurherstel hoe het gebruik van AERIUS in vergunningverlening opkorte termijn kan worden verbeterd. Daarnaast onderzoekt het demissio-naire kabinet op de (middel)lange termijn of er een alternatief voorAERIUS is voor de vergunningverlening.5Kamerstuk II 2023/2024, 35 334, nr. 399.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 847, nr. 135210 1.5. Netcongestie De adviesgroep spreekt terecht haar zorg uit over de uitdaging vannetcongestie voor woningbouw. Door netcongestie dreigen nieuwewoningen te moeten wachten op een aansluiting op het elektriciteitsnet.Het aanpakken van netcongestie is daarmee een belangrijke randvoor-waarde in het realiseren van de woningbouwopgave. Het Rijk heeft deregie gepakt op de aanpak van netcongestie middels het LandelijkeActieprogramma Netcongestie. In dit actieprogramma wordt langs driehoofdlijnen gewerkt aan het verlichten van netcongestie: sneller bouwen,beter benutten en slimmer inzicht.Daarnaast heeft het demissionaire kabinet eind april een nieuwe aanpakgepresenteerd gericht op het sneller uitbreiden van het elektriciteitsnet.Onderdeel van dit pakket zijn o.a. meer regie op het versnellen vanprojecten, het verkorten van procedures, gebiedsinvesteringen grotehoogspanningsprojecten en de inzet van TenneT op het optimaliseren vanhun werkwijzen.De adviesgroep benadrukt dan ook dat er al veel acties lopen rondomnetcongestie. Tegelijkertijd constateert de adviesgroep dat een groot deelgericht is op de lange termijn. Daarom doet de adviesgroep een aantalvoorstellen voor de korte termijn.Microgrids en netbewust bouwenDe adviesgroep adviseert dat netbeheerders micro-grid-oplossingen enandere off-grid energie-oplossingen voor woonwijken faciliteren. Derealisatie van zelfstandige of semi-zelfstandige private «microgrids» isechter geen mogelijke oplossing, omdat dit strijdig is met het Europeserecht. De ruimte hiervoor is al in kaart gebracht. Het advies om inEuropees kader meer ruimte te zoeken, wordt daarom niet overgenomen.In plaats daarvan wordt vanuit het Landelijk Actieprogramma Netcon-gestie al stevig ingezet om netcongestie tegen te gaan. Hierin speelt hetbeter benutten van de capaciteit een belangrijke rol, ook in relatie totwoningbouw. Zo wordt op verschillende woningbouwlocaties ingezet ophet maken van afspraken met netbeheerders over flexibiliteit of alterna-tieve transportvoorwaarden. Hiermee kan al in de realisatiefase vannieuwe woningen gestuurd worden op betere afstemming tussen vraagen aanbod van elektriciteit in een gebied. Op deze manier kunnenvermogenspieken beperkt worden, zodat nieuwe woningen ook ingepastkunnen worden op het net daar waar transportcapaciteit schaars is.Op de Woontop heb ik daarnaast aanvullende afspraken gemaakt met desector om steviger in te zetten op netbewust bouwen. Hiermee blijven wezoveel mogelijk woningen bouwen als mogelijk binnen de bestaandecapaciteit. Manieren om dit te stimuleren of om obstakels weg te nemenworden nu in beeld gebracht. Daarnaast wordt ook met netbeheerdersonderzocht hoe nieuwe contractvormen een rol kunnen spelen in het nogbeter inpassen van netbewuste nieuwbouw op het elektriciteitsnet.Vervroegen tijdstip aanvraag energievoorzieningVoor het verkrijgen van een energieaansluiting moet er een verzoek omtransportcapaciteit worden ingediend. De adviesgroep stelt voor om eenduidelijk moment, eerder in de planvorming, te kiezen zodat dit tijdigzekerheid geeft binnen woningbouwprojecten. Ik herken het signaal dathet moment van het aanvragen van de transportcapaciteit tot onduide-lijkheid leidt in de sector. Ik sta achter het idee om het mogelijk te makenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 847, nr. 135211 deze aanvraag vroeger te doen. Ik ben hierover in gesprek met hetMinisterie van KGG en de netbeheerders om hierin meer duidelijkheid tekrijgen en waar het mogelijk is om het moment van aanvragen naar vorente halen in het proces.Aansluiting door derdenDe adviesgroep stelt ook voor om te faciliteren dat woningen op het netkunnen worden aangesloten door private partijen, zoals installateurs enaannemers. In de huidige situatie worden het hoofdnet en de bijbeho-rende aansluitingen in opdracht van de netbeheerder al door privatepartijen gerealiseerd. Er is momenteel ook al een bestaand initiatief vande netbeheerders, waarbij ook bouwbedrijven straks opdracht kunnengeven aan door de netbeheerder gecertificeerde aannemers om deaansluitingen te realiseren. Dit idee steun ik van harte, omdat het dedoorlooptijd voor het realiseren van een aansluiting kan verkorten.Voor grootverbruikers wordt dit principe al toegepast via het Klant SluitZichzelf Aan-principe (KSZA), waarbij een door de netbeheerder gecertifi-ceerde installateur wordt ingeschakeld om de aansluiting te realiseren. Ditbiedt efficiencyvoordelen doordat werkzaamheden in één arbeidsganggepland en uitgevoerd kunnen worden. Hierbij dient te worden opgemerktdat dit in geval van netcongestie niet betekent dat de netgebruiker eerderrecht op transportcapaciteit krijgt. Om dit ook mogelijk te maken voorgrootschalige gebiedsontwikkeling is gestart met een pilot. Tegelijkertijdwordt bekeken of en hoe een landelijke implementatie mogelijk isAanpassing netcodesOok het voorstel om netcodes aan te passen voor groepscontracten enprojectgebonden oplossingen steun ik. Dit sluit aan bij lopende acties inhet LAN. Een basis voor groepstransportovereenkomsten en flexibiliteits-contracten is in ontwikkeling. Ook voor kleinverbruikers wordt gekekennaar mogelijkheden om flexibel netgebruik en netbewuste woningbouw tefaciliteren. Ruimere taken voor netbeheerders worden niet voorzien,aangezien het bestaande kader daarin al de maximale ruimte biedt binnenEuropeesrechtelijke grenzen.1.6. Bezwaar en Beroep Vertraging in de bouw van woningen ontstaat in alle fasen van hetwoningbouwproces. Woningbouwprojecten lopen ook vertraging opvanwege de lange doorlooptijd van bezwaar- en beroepsprocedures. Uitrecent onderzoek blijkt dat een ruime meerderheid van de gemeenten temaken heeft met bezwaar- en beroepsprocedures6 tegen woningbouw-plannen. Ingeschat wordt dat in totaal één derde van de geplandewoningen in Nederland hierdoor vertraging oploopt. Dit beeld wordtbevestigd door 18 marktpartijen, die aangegeven dat 40% van debestemmingsplannen of gecoördineerde besluiten te maken krijgt meteen (hoger)beroepsprocedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak van deRaad van State, dat in 32% van de gevallen bezwaar wordt gemaakt tegende omgevingsvergunning (Neprom, 2022) dat in 32% van de gevallenbezwaar wordt gemaakt tegen de omgevingsvergunning (Neprom, 2022).Bij omgevingsvergunningen voor woningbouw kan de vertragingdaardoor oplopen tot anderhalf jaar. Gezien de huidige problematiek opde woningmarkt en de urgentie om meer woningen te kunnen bouwen, is6Impact van bezwaar- en beroepsprocedures op vertraging woningbouw, Bijlage bij Brief van deMinister van VRO van 20-1-2025 over de Staat van de Volkshuisvesting 2024. Kamerstukken II2023/2024, 32 847 nr. 1243.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 847, nr. 135212 er een noodzaak om in ieder geval tijdelijk te komen tot versnelling inrechtsbeschermingsprocedures. Versnelling kan daarbij zowel wordengerealiseerd door te kijken naar aanpassing van wetgeving, maar ookdoor toepassing van bestaande wettelijke mogelijkheden.Het wetsvoorstel Wet Versterking regie volkshuisvesting dat bij uw Kamerligt, voorziet in een grondslag om categorieën projecten aan te wijzenwaarvoor een aantal procedurele versnellingen gaan gelden, waaronderberoep in één instantie bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raadvan State. In het advies doet de adviesgroep een aantal voorstellen enaanbevelingen over bezwaar en beroep. Een aantal aanbevelingen vergtgeen wetswijziging en kan meteen worden opgepakt zoals in de praktijk algebeurt. De aanbevelingen om procedures te versnellen met gebruik-making van de huidige wettelijke mogelijkheden, neem ik over. Dit betreftonder meer het advies van de commissie over het naleven van dewettelijke beslistermijnen in de bezwaarprocedure. Ik zal met de mede-overheden de brede toepassing van de mogelijkheden in de praktijkbespreken. Daarbij gebruik ik ook eerder onderzoek naar versnelling vande bezwarenprocedure binnen de huidige wettelijke kaders.7Een aantal andere aanbevelingen van de adviesgroep zien op aanpassingof afwijking van het bestuursprocesrecht in de Algemene wet bestuurs-recht, waarvoor de demissionair staatsecretaris Rechtsbescherming en dedemissionair Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelatiesverantwoordelijk zijn. Hierbij gaat het onder meer om het voorstel om derechtbanken in eerste en enige aanleg te laten oordelen over omgevings-vergunningen voor woningbouwprojecten en het verhogen van griffie-recht voor omgevingsrechtszaken voor particulieren en rechtspersonen bijde rechtbanken en de Afdeling bestuursrechtspraak.Samen met dedemissionair Staatsecretaris Rechtsbescherming en de demissionairMinister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wil ik bekijkenwelke kansen de voorstellen en aanbevelingen van de adviescommiesbieden voor aanpassing van het bestuursprocesrecht voor omgevings-rechtelijke zaken om te komen tot versnelling van woningbouw. Daar komik in de kabinetsreactie op terug. Overigens blijkt uit het (concept)eindrapport dat de adviesgroep inmiddels van standpunt is veranderd ennu voorstelt om alle beroepsprocedures voor omgevingsvergunningenvoor woningbouwprojecten is eerste en enige aanleg bij de Afdelingrechtspraak van de Raad van State te beleggen.Hierbij betrek ik naast de aanbevelingen in dit rapport, ook anderevoorstellen, zoals het invoeren van een verlofstelsel, zoals onderzochtdoor de Rijksuniversiteit Groningen.8 Dit vergt een zorgvuldig traject,waarbij de verschillende voorstellen in samenhang moeten wordenbeschouwd.1.7. Borging vermindering regeldruk De adviesgroep constateert dat de ervaring leert dat programma’s totvermindering van regeldruk een kort bestaan hebben. Snel na deinvoering steekt de oude reflex om politieke en maatschappelijke ambitiesmet regelgeving te bekrachtigen weer de kop op. Ik deel deze analyse.Zoals in het begin van deze brief ook is aangegeven is het van belang tenaanzien van regelgeving een integrale, toekomstgerichte afweging temaken waarbij structurele maatschappelijke doelen – zoals voldoende,7Versnelling van rechtsbescherming in het omgevingsrecht de procedure in bezwaar. Bijlagenbij Kamerstukken II 2022/23, 33 118, nr. 237.8Rijksuniversiteit Groningen, «Voor- en nadelen van het beperken van het bestuursrechtelijkehoger beroep in omgevingsrechtelijke zaken door invoering van een verlofstelsel», 5 juni 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 847, nr. 135213 betaalbare en toegankelijke huisvesting – systematisch worden meege-nomen.Het programma STOER past goed bij de bredere kabinetsambitie omregeldruk te verminderen. Het demissionaire kabinet ziet dit als topprio-riteit en het aanpakken van regeldruk wordt veelvuldig genoemd in hetRegeerprogramma (bijlage bij Kamerstuk 36 471, nr. 96). Ondertussenwerkt het Ministerie van EZ aan het Actieprogramma Minder Druk MetRegels9 om regeldruk voor bedrijven aan te pakken en op Europeesniveau is vereenvoudiging en simplificatie een prioriteit. Dit gebeurt ondermeer met omnibuswetten die bestaande Europese wetten bundelen.Daarbij heeft de Europese Commissie aangekondigd om administratievelasten voor ondernemingen met 25% te reduceren en 35% voor kleine enmiddelgrote ondernemingen.10Escalatie en meldingsmechanismeDe adviesgroep constateert dat de stapeling van eisen de woningbouw-plannen financieel zodanig in het nauw brengen, dat de business-case nietmeer sluitend is te krijgen. Dat kan bijvoorbeeld met zware, bovenwette-lijke betaalbaarheidseisen in het gemeentelijk woningbouwprogrammamaar ook door eisen van de provincie, het waterschap, een departementof een (verzelfstandigde) rijksdienst zijn. De adviesgroep adviseert om tekomen tot een melding en escalatieladder wanneer projecten om dezeredenen vastlopen.Ik steun deze aanpak. Dit sluit aan bij Woontop-afspraak 12.6, waarin isafgesproken om knelpunten te bespreken aan lokale of regionaleversnellingstafels, met zo nodig escalatie naar de Landelijke Versnellings-tafel. Door de meldfunctie van de Landelijke Versnellingstafel word ikgeïnformeerd en kan zonodig passende maatregelen treffen.Grondslagen Bbl breder toegankelijk makenTot slot wordt het voorstel overgenomen om de bestaande doelen enuitgangspunten van het Bbl beter te duiden. Ik zal dit doen door de doelenen uitgangspunten van de technische bouwregelgeving breder tecommuniceren. Daarmee wordt gewaarborgd dat deze op een handzamemanier toegankelijk zijn voor een breed publiek en gemakkelijk kunnenworden gebruikt bij toekomstige aanpassingen, zodat wildgroei van regelswordt voorkomen. Uit de STOER-operatie volgt geen noodzaak tot eenalgemene stelselherziening.Toetsing ATR, botsproeven en evaluatie OmgevingswetDe suggestie van de adviesgroep om het Adviescollege ToetsingRegeldruk (ATR) te vragen om elke twee jaar een review uit te voeren opwoningbouwregelgeving wil ik dan ook overnemen. Dit past ook hunnieuwe wettelijke taken. De praktische uitwerking zal ik later vormgeven.Daarnaast wordt verkend of bij minder ingrijpende wetswijzigingengebruik gemaakt kan worden van praktijkproeven of «botsproeven».Tegelijk wordt gewaakt voor onnodige vertraging in wetgevingstrajecten.De evaluatie van de Omgevingswet richt zich op de werking van hetwettelijk stelsel. Deze evaluatie is niet gericht op regeldruk per sector. Welwordt binnen VRO ook extra aandacht gegeven aan de regeldruk voorwoningbouw.9Kamerstukken II 2024/25, 32 637, nr. 660.10COM (2025)47Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 847, nr. 135214 2. Vervolgstappen De voorstellen in deze kamerbrief zijn erop gericht om kostenbesparingenvoor bouwers en ontwikkelaars te realiseren. Hiervoor zijn geen aanvul-lende middelen beschikbaar. De nalevingskosten van de verschillendewijzigingen in regelgeving worden in kaart gebracht bij de betreffendewijzigingsbesluiten en wetswijzigingen. Mocht blijken dat hier toch kostenvoor het Rijk uit voortkomen dan moeten deze worden gedekt viabestaande middelen op de departementale begroting(en).In de voorgestelde acties – van het versoepelen van technische eisen tothet stimuleren van innovatieve bouwmethoden en het vergroten vanmaatwerkmogelijkheden – zie ik een belangrijke impuls voor het reali-seren van ten minste 100.000 woningen per jaar. Sommige maatregelenkunnen al op korte termijn effect hebben. De Omgevingswet biedt hierbijconcrete mogelijkheden die we beter moeten benutten.Daarnaast is het gedrag van betrokken partijen cruciaal. Beleid maken,plannen, besluiten en bouwen is en blijft mensenwerk. Als de wil er is,kunnen we samen veel sneller stappen zetten. Dit vraagt echter ook omeen andere manier van besluitvorming op andere beleidsterreinen: hetbelang van woningbouw moet explicieter en structureel meewegen. Ik zalmij inzetten dat woningbouw – gezien de maatschappelijke urgentie – eenbelangrijke factor gaat zijn bij de weging van nieuw beleid en regelgeving.Deze brief vormt één onderdeel van een bredere, gezamenlijke opgavevoor het versnellen van de woningbouw. Tegelijkertijd besef ik dat dewoningbouwopgave niet alleen een kwestie is van het aanpassen vanregels, waar het demissionaire kabinet en uw Kamer voor aan de lat staat.De voortgang hangt ook in hoge mate af van ander gedrag, snellere endaadkrachtige besluitvorming, bestuurlijke durf en een goede samen-werking tussen overheden, marktpartijen en maatschappelijke organi-saties. Dit geldt niet alleen voor de woningbouwopgave, maar voor debredere versnelling van andere transitieopgaven in Nederland. Alleen alswij alle knoppen tegelijk durven aan te draaien, kunnen wij het verschilmaken. Die beweging zet ik met deze brief nadrukkelijk in gang.De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening,M.C.G. KeijzerTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 847, nr. 135215
Gerelateerde bronnen
- Een deel van de brief over STOER stuurt de minister voorafgaand aan het debat over de Wet versterking regie volkshuisvesting.
Een deel van de brief over STOER stuurt de minister voorafgaand aan het debat over de Wet versterking regie volkshuisvesting.
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.