KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een schriftelijk overleg over de Landelijke veiligheidsmonitor 2021-2022 funderend onderwijs en onderzoek naar seksueel grensoverschrijdend gedrag in het onderwijs (Kamerstuk 29240-133)

8 mei 2024 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie bd04b1c19b62552d · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2023–202429 240Veiligheid op school31 293Primair Onderwijs31 289Voortgezet OnderwijsNr. 138 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 8 mei 2024 De vaste commissie voor Onderwijs Cultuur en Wetenschap heeft eenaantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister voor Primairen Voortgezet Onderwijs over de brief van 4 juli 2024 over de Landelijkeveiligheidsmonitor 2021–2022 funderend onderwijs en onderzoek naarseksueel grensoverschrijdend gedrag in het onderwijs (Kamerstuk 29 240,nr. 133)De vragen en opmerkingen zijn op 3 oktober 2023 aan de Minister voorPrimair en Voortgezet Onderwijs voorgelegd. Bij brief van 8 mei 2024 zijnde vragen beantwoord.De fungerend voorzitter van de commissie,Michon-DerkzenAdjunct-griffier van de commissie,Arends kst-29240-138ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 240, nr. 1381 Inhoudblz.IVragen en opmerkingen uit de fracties2•Inbreng van de leden van de VVD-fractie2•Inbreng van de leden van de D66-fractie0•Inbreng van de leden van de PvdA-fractie en GroenLinks-fractie0•Inbreng van de leden van de ChristenUnie-fractie0•Inbreng van de leden van de BBB-fractie0IIReactie van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap0 I Vragen en opmerkingen uit de fracties Inbreng van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van debrief «Landelijke veiligheidsmonitor 2021–2022 funderend onderwijs enonderzoek seksueel grensoverschrijdend gedrag in het onderwijs». Dezeleden zijn van mening dat het onderwijs voor iedere leerling en docenteen veilige haven moet zijn. Zij hebben nog enkele vragen.Veiligheid op scholenDe leden van de VVD-fractie zijn verheugd om te lezen dat het over hetalgemeen goed gaat met de sociale veiligheid op school. Deze leden delende mening dat we trots mogen zijn op het feit dat zoveel leerlingen meteen veilig gevoel naar school toe gaan. Echter de leden lezen ook dat tweetot vijf procent van de leerlingen en personeelsleden zich niet altijd veiligvoelt. In hoeverre is deze constatering representatief aangezien derespons lager is dan gehoopt? Wordt er onderzocht waarom deze responszo laag is in plaats van de aanname dat het te laat heeft plaatsgevonden inhet jaar? Hoe gaat de Minister erop toezien dat er bij de volgendeveiligheidsmonitor rekening gehouden wordt met de jaarplanning vanscholen?De leden van de VVD-fractie lezen daarnaast dat de onderzoekersconstateren dat nog niet overal de incidentenregistratie op orde is. Dezeleden onderschrijven het wetsvoorstel Vrij en Veilig onderwijs van deMinister dat een meldplicht introduceert voor ernstige veiligheidsinci-denten, maar zij vragen nog hoe incidentenregistratie van andereincidenten bevorderd wordt. De leden van de VVD-fractie vragen tevenshoe de Minister ervoor wil zorgen dat veiligheidsplannen bij het voltalligepersoneel van scholen bekend wordt. Deze leden zijn tevens van meningdat het kwalijk is dat scholen niet altijd actie ondernemen na een meldingvan pesten. Zij vragen of de Minister bereid is om in overleg met scholente treden om deze opvolging te verbeteren. De onderzoekers constaterendat slechts in enkele voorvallen aangifte is gedaan, wellicht doorhandelingsverlegenheid bij schoolbestuurders en dat verder onderzoeknodig is. Volgt de Minister dit advies op?De leden van de VVD-fractie lezen dat leerlingen op belangrijke onder-delen, die betrekking hebben op het welbevinden van leerlingen, vrij laagscoren. Kan de Minister vertellen wat de reden is dat maar 34 procent vande leerlingen optimistisch is over de toekomst? Wat wordt er op ditmoment aan gedaan op scholen om dit te verbeteren? Ook lezen dezeleden dat maar 51 procent het gevoel had te kunnen omgaan met dedingen die misgingen. Wat is de reden dat ook dit percentage zo laag is?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 240, nr. 1382 Wat wordt er op dit moment aan gedaan op scholen om dit te verbeteren?Wat voor plannen heeft de Minister om het welbevinden van leerlingen opscholen te verbeteren?De leden van de VVD-fractie lezen dat er een toename te zien is in degeweldcijfers. Deze leden vinden dat een stevige aanpak om dit tegen tegaan noodzakelijk is. Kan de Minister op korte termijn onderzoeken ofscholen voldoende handvatten hebben om op te treden tegen geweld? Opwelke manieren worden scholen ondersteund bij het voorkomen vangeweld? Kunnen scholen voldoende maatregelen treffen wanneerdezelfde leerlingen meermaals betrokken zijn bij geweldsincidenten? Deleden lezen dat schoolpersoneel te maken krijgt met geweldsincidentengepleegd door familieleden van leerlingen. Zij zijn van mening dat lerarenen ander personeel in een veilige omgeving hun werk moeten kunnendoen en vragen de Minister om met voorstellen te komen hoe deveiligheid van schoolpersoneel verbeterd kan worden. Wordt daarnaastonderzocht wat de redenen zijn voor de toename in geweldsincidenten opscholen?De leden van de VVD-fractie constateren dat het met lhbtiq+-leerlingen opde meeste vlakken slechter gaat dan met de niet-lhbtiq+»ers. Deze ledenzijn van mening dat iedereen zich veilig moet kunnen voelen op school.De leden lezen dat lhbtiq+-leerlingen al jaren aangeven minder veilig tezijn dan andere leerlingen. Wat is er de afgelopen jaren al geprobeerd omde sociale veiligheid van lhbtiq+-personen te waarborgen? Hoe gaat deMinister erop toezien dat de sociale veiligheid van lhbtiq+-personenverbetert?Seksueel grensoverschrijdend gedragDe leden van de VVD-fractie maken zich zorgen over de meldingen vanseksueel grensoverschrijdend gedrag. Deze leden lezen dat het aantalmeldingen van seksueel grensoverschrijdend gedrag door schoolper-soneel is toegenomen. De leden vragen op wat voor termijn een continueVOG1-screening ingevoerd kan worden. Welke andere mogelijkheden zietde Minister om leerlingen beter te beschermen tegen seksueel grensover-schrijdend gedrag? De leden van de VVD-fractie lezen dat er geeneenduidig beeld naar voren komt uit het onderzoek seksueel grensover-schrijdend gedrag. Deze leden vragen of de Minister vervolgonderzoekgaat doen of vervolgstappen gaat nemen om duidelijkere conclusies tekrijgen. Ook lezen zij dat incidenten weinig gemeld worden. Wat voorstappen gaat de Minister nemen om de meldingsbereidheid te verhogen?Opzet onderzoekDe leden van de VVD-fractie lezen dat al in het voorjaar van 2022 debenodigde data door het onderzoeksteam is verzameld, terwijl de monitorpas in maart 2023 gepubliceerd is. Deze leden zijn van mening dattoegang tot actuele cijfers belangrijk is voor een goed veiligheidsbeleid. Ishet mogelijk om in volgende edities sneller tot publicatie over te gaan? Ishet daarnaast mogelijk om jaarlijks te monitoren in plaats van tweejaar-lijks? De leden vinden het daarnaast belangrijk dat er een hogere responskomt; zij lezen bijvoorbeeld dat de respons van vso2-leerlingen nu te laagis om deze groep op te nemen in de monitoring. Hoe kan ervoor wordengezorgd dat juist ook bij deze mogelijk kwetsbaardere groep de veilig-heidsmonitoring in orde is? De leden vragen daarnaast naar het verbandtussen de landelijke veiligheidsmonitor, en de veiligheidsmonitoring die1VOG: Verklaring Omtrent het Gedrag2vso: voortgezet speciaal onderwijsTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 240, nr. 1383 alle scholen verplicht jaarlijks moeten doen. Is het mogelijk om ook deinformatie die volgt uit de schoolmonitors te ontvangen? En zou hetmogelijk zijn om deze monitoring te combineren?Inbreng van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan de evaluatie van de Landelijke Veiligheidsmonitor 2021–2022 en hetonderzoek naar seksueel grensoverschrijdend gedrag in het funderendonderwijs en middelbaar beroepsonderwijs (mbo). Onderwijs, met namehet funderend onderwijs, legt een basis voor de toekomst van iedereleerling. Ervaringen die zij hier opdoen zijn vormend voor het perspectiefwaarmee de leerling naar de wereld kijkt. Precies om die reden zien dezeleden het als essentieel dat iedere leerling in een veilige omgeving leskrijgt, met ruimte om zichzelf te ontwikkelen en met oog voor iederswelzijn. Daarom hebben de leden enkele vragen bij de uitkomsten vaneerdergenoemde onderzoeken.Het baart de leden van de D66-fractie grote zorgen dat groepen leerlingenbinnen het onderwijs (nog steeds) te maken krijgen met discriminatie,geweld en grensoverschrijdend gedrag. Een school is eenmini-samenleving, dé plek waar leerlingen gevormd worden tot burgersdie elkaars posities en grenzen respecteren. Hoe ziet de Minister een padopwaarts met betrekking tot emancipatie van minderheidsgroepen envrouwen, zo vragen deze leden. Hoe kunnen leerlingen hun grenzen lerenherkennen en aangeven als zij in het funderend onderwijs al te makenkrijgen met grensoverschrijdend gedrag?Landelijke Veiligheidsmonitor 2021–2022De leden van de D66-fractie vinden het schrikwekkend dat het welbe-vinden van meisjes in het voortgezet onderwijs (hierna: vo) aanzienlijklager is dan dat van jongens, terwijl deze verschillen in het primaironderwijs (hierna: po) nog heel klein waren. De landelijke veiligheidsmo-nitor vermeldt dat iemands welbevinden bepaald wordt door de eigenlichamelijke en psychosociale gezondheid en de omstandigheden waardiegene in leeft, maar het onderzoek gaat verder niet in op de aspecten enoorzaken van welbevinden waar meisjes specifiek laag op scoren. Dezeleden vragen daarom of de Minister bereid is te onderzoeken welkeoorzaken achter deze lage scores liggen en daarbij zoveel mogelijkgebruik te maken van bestaande kennis en onderzoek. Ook vragen dezeleden te verkennen waarom dit verschil in welbevinden pas in het vo lijktop te treden. Wanneer hier duidelijkheid over is, zouden de leden graagzien dat deze kennis landt in het onderwijs, zodat docenten en andereondersteuning op scholen hierop kunnen inspelen. De leden vernemengraag de reactie van de Minister hierop.Verder wijst het onderzoek uit dat leerlingen met een migratieachtergrondlager scoren op welbevinden en zich minder veilig voelen dan leerlingenmet een Nederlandse achtergrond. Daarnaast gaat het vooral metlhbtiq+-personen op meerdere vlakken slechter dan andere leerlingen; zijvoelen zich minder veilig, hun welbevinden is lager, worden zowel in hetpo als het vo vaker gepest om hun identiteit en worden vaker geconfron-teerd met grensoverschrijdend gedrag. De leden van de D66-fractievinden deze resultaten schokkend en betreuren het dat minderheids-groepen op zoveel aspecten benadeeld worden en achtergesteld raken.Deze leden vinden het ernstig dat de situatie is verslechterd in plaats vanverbeterd, daarom is actie urgent. De Minister heeft een verkennendonderzoek uitgevoerd naar de ervaringen met pestgedrag van lhbtiq+-leerlingen in het vo. De leden vragen wat de Minister reeds concreet heeftTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 240, nr. 1384 gedaan en nog van plan is te doen met de uitkomsten van dit onderzoek,in het bijzonder wegens de verslechtering van de situatie.De Minister geeft aan het belangrijk te vinden dat scholen zich inzetten deveiligheid van specifiek lhbtiq+-leerlingen te verbeteren. Hoe gaat deMinister de rol van scholen en docenten hierin versterken, zo vragen deleden van de D66-fractie. Tevens geeft de Minister aan in gesprek te gaanmet de Stichting School en Veiligheid om te verkennen hoe scholenmeldingen van lhbtiq+-leerlingen serieuzer kunnen nemen. Deze ledenvragen daarom of deze gesprekken al gevoerd zijn en zo ja, wat daar deuitkomsten van zijn. Hoewel de leden het goed vinden dat er oog is voorhet aanpakken van de gevolgen van gedrag jegens deze groep leerlingen,pleiten zij ook voor aandacht voor de achterliggende oorzaken van ditgedrag.De leden van de D66-fractie zijn het eens met de Minister dat er eencultuur bewerkstelligd moet worden die gebaseerd is op vrijheid enveiligheid. Deze leden zien het onderwijs als de plek waar kernwaarden alswederzijds respect, tolerantie en acceptatie ontwikkeld worden, welkebijdragen aan een dergelijke cultuur.Verder zijn de leden van de D66-fractie ook voorstander van het idee omlhbtiq+-leerlingen meer zeggenschap te geven over oplossingen voor deproblemen waar zij mee te maken krijgen. Dit zou, wat deze leden betreft,bewerkstelligd kunnen worden door in het proces van medezeggenschapeen vaste positie te reserveren voor een Gender & Sexuality Alliance(GSA). De leden erkennen dat niet elke school een GSA heeft en deMinister beveelt die scholen aan leerlingen te stimuleren er een op terichten. Welke concrete stappen kunnen ondernomen worden om deoprichting van een GSA op school te stimuleren? Dit zodat deze leerlingenvervolgens mee kunnen doen binnen het proces van medezeggenschapen hun ervaringen beter vertegenwoordigd worden in veiligheidsbeleid.Hoe kijkt de Minister naar dit idee en is de ministerbereid om de deelnamevan GSA’s in het medezeggenschapsproces te stimuleren, zo vragen dezeleden.Onderzoek naar seksueel grensoverschrijdend gedrag in het funderendonderwijsDe leden van de D66-fractie betreuren ten zeerste dat seksueel grensover-schrijdend gedrag nog steeds plaatsvindt binnen het onderwijs, nietalleen tussen leerlingen, maar zelfs bij leerlingen die slachtoffer wordenvan volwassen medewerkers. Deze leden vinden het kwalijk dat de helftvan de melders hiervan in het vo aangaf dat er niets met hun meldingwerd gedaan. De leden benadrukken dat (het aanleveren van) bewijslasthierin vaak een probleem vormt. Hoe kijkt de Minister hiernaar en hoe isde Minister van plan om deze drempel te verlagen?De leden van de D66-fractie lezen in het onderzoek dat er onder leerlingenniet altijd voldoende bewustzijn bestaat over de grens tussen geaccep-teerd en grensoverschrijdend gedrag. Passende voorlichting en hetbespreekbaar maken van dit onderwerp en seksualiteit in de bredere zinzijn daarom van groot belang voor deze leden. Onderdeel van het gesprekmet leerlingen, maar ook met medewerkers, zou, wat deze leden betreft,moeten zijn hoe een gepaste vertrouwensband tussen leerling en leraareruit ziet en waar de grenzen liggen.Echter, de leden van de D66- fractie willen niet enkel oplossingen zoekenbij het remediëren van de gevolgen van seksueel grensoverschrijdendgedrag, hoewel zij het belang hiervan vanzelfsprekend erkennen. DezeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 240, nr. 1385 leden zijn van mening dat er breder gekeken moet worden naar destructurele oorzaken van seksueel grensoverschrijdend gedrag en dat ookdit onderdeel moet zijn van het gesprek dat gevoerd wordt binnen hetonderwijs. Dit gedrag is geen geïsoleerd fenomeen, zo zien de leden,maar een breder maatschappelijk probleem wat erkend moet worden alszodanig. Ook zijn deze leden van mening dat seksueel grensover-schrijdend gedrag binnen het onderwijs beïnvloed wordt door dezebredere maatschappelijke tendensen en andersom. Seksueel grensover-schrijdend gedrag binnen het onderwijs heeft schadelijke en bredeeffecten in de toekomst, zo denken de leden. Zij zijn het daarom eens metde Minister dat er met betrekking tot seksualiteit, maar ook tot seksuelediversiteit en genderdiversiteit, een cultuuromslag nodig is. De Ministerheeft aangegeven een manifest voor betere seksuele vorming van Rutgersen andere organisaties in ontvangst te hebben genomen. De leden van deD66-fractie vragen daarom wat er reeds met de voorstellen en observatiesvan dit manifest gedaan is en welke concrete stappen de Minister in detoekomst gaat nemen om deze verder tot uiting te brengen. Daarnaastvragen deze leden hoe de Minister reflecteert op de huidige politiek,waarin het leren over seksualiteit en genderdiversiteit steeds meergeproblematiseerd wordt. Welke stappen onderneemt de Minister om testaan voor de seksuele ontwikkeling en veiligheid van ieder kind en om tevoorkomen dat dit schooljaar in de lente weer onrust ontstaat gebaseerdop onjuiste beelden en foutieve informatie?Inbreng van de leden van de PvdA-fractie en de GroenLinks-fractieDe leden van de PvdA-fractie en de GroenLinks-fractie hebben met zorgkennisgenomen van de onderhavige brief. Twee tot vijf procent van deleerlingen en personeelsleden, die in het kader van de landelijke veilig-heidsmonitor werd ondervraagd, voelt zich in het onderwijs niet altijdveilig. Het welbevinden van bepaalde groepen leerlingen, de ontwikkelingvan de pestcijfers, het aantal geweldsincidenten en de relatief lagemeldingsbereidheid baren de Minister zorgen. Daarnaast verdienen deveiligheidssituatie van lhbtiq+-leerlingen, leerlingen met een migratieach-tergrond, meisjes en seksueel grensoverschrijdend gedrag extraaandacht. Kan de Minister toelichten wat de cijfers in dezen zijn voor het(voortgezet) speciaal onderwijs en voor het praktijkonderwijs? Wat kan deMinister, mede in het licht van onderzoek van Rutgers en Soa AidsNederland uit 2019 naar de seksuele gezondheid van jongeren in hetvoortgezet speciaal onderwijs, melden over de ontwikkelingen rondonveiligheid en seksueel grensoverschrijdend gedrag tegenover meisjesbij cluster 4-scholen? Hoe verklaart de Minister de groei van de pestcijfersbij leerlingen in het voortgezet onderwijs van vijf procent in 2018 naar17 procent in 2022?De Minister schrijft dat lhbt+-leerlingen in vergelijking met andereleerlingen vaker worden gepest en gediscrimineerd en heeft eenverkennend onderzoek laten uitvoeren naar de ervaringen met pestgedragwaardoor lhbtiq+-leerlingen worden getroffen. Gaat dit onderzoek ookinzichten opleveren in mogelijkheden voor scholen om iets te doen tegendat pestgedrag?De Minister noemt het beeld dat naar voren komt uit het onderzoek naarseksueel grensoverschrijdend gedrag in het onderwijs en de landelijkeveiligheidsmonitor «niet eenduidig» en hij trekt daarom geen duidelijkeconclusies. Toch benoemt de Minister dat seksueel grensoverschrijdendgedrag vaak plaatsvindt tussen leerlingen onderling, maar dat eensubstantieel deel van de leerlingen dat slachtoffer is geworden vanseksueel grensoverschrijdend gedrag te maken heeft met een dader dieTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 240, nr. 1386 een volwassene is die werkt voor de school of er helpt. De leden van dePvdA-fractie en de GroenLinks-fractie zijn het met de Minister eens datvolwassen medewerkers als daders extra kwalijk zijn, omdat daarbij voorscholieren vaak sprake is van een afhankelijkheidsrelatie. In hoeverrevoldoet de huidige wetgeving om op te treden tegen dergelijk misbruikvan een afhankelijkheidsrelatie?De Minister legt een verband tussen de lage meldingsbereidheid en demate waarin meldingen geen opvolging krijgen. Kan de Ministertoelichten in hoeverre van het wetsvoorstel Vrij en veilig onderwijs valt teverwachten dat het een oplossing gaat bieden voor de problematiek vanmeldingen waarmee niets wordt gedaan? Zal een meldplicht die zichbeperkt tot ernstige incidenten de lat niet te hoog leggen, zodat alsnogveel incidenten buiten beeld blijven?Is het goed mogelijk om een voldoende vervolg te geven aan het Manifestvoor betere seksuele vorming, dat de Minister samen met regeringscom-missaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld inontvangst heeft genomen van Rutgers, zolang basisscholen op bijzonderegrondslag de vrijheid kunnen claimen om, bij onderwijs over seksuelediversiteit in het kader van kerndoel 37, vanuit bijvoorbeeld de levensover-tuiging een contraverhaal te laten vertellen als leidend verhaal?Tot slot vragen de leden van de PvdA-fractie en de GroenLinks-fractiewanneer de Kamer een brief tegemoet kan zien over de opbrengsten vanhet gesprek met de PO-raad, VO-raad en het LAKS over mogelijkhedenom leerlingen meer te betrekken bij het schoolbeleid rondom socialeveiligheid. Zullen de mogelijkheden worden beperkt tot best practices diescholen ook naast zich kunnen neerleggen of komt er ook dwingenderegelgeving waaraan alle scholen zich moeten houden in beeld? Inhoeverre blijft bijvoorbeeld ook aan scholen de keus om een GSA op terichten als deze (nog) niet bestaat?Inbreng van de leden van de ChristenUnie-fractieDe leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van deonderhavige stukken en hebben op enkele punten nog behoefte aan eentoelichting.De leden van de ChristenUnie-fractie vinden dat voor elke leerling, studenten medewerker de school een veilige plek moet zijn, ongeacht gender,geaardheid, geloof, beperking of afkomst. Veel van hen voelen zichgelukkig ook veilig, zo lezen deze leden in de veiligheidsmonitor. Dat datvoor velen echter ook niet het geval is, is voor de leden een grote puntvan zorg. Zich inzetten voor die leerlingen, studenten en medewerkers envoor een open en veilige schoolcultuur vormt dan ook volgens deleerlingen een opdracht voor scholen, voor de samenleving en voor deoverheid.De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in de monitor dat de meldings-bereidheid van pesten en geweldsincidenten laag is. De onderzoekersschrijven, zo lezen deze leden, dat deze verhoogd dient te worden doorduidelijke richtlijnen op te stellen welke incidenten gemeld moetenworden door leerlingen en personeel, deze in de school breed bekend temaken, regelmatig te evalueren en indien nodig bij te stellen. Een actiefopvolgingsbeleid en goede nazorg zijn daarnaast ook van groot belang.Krijgen deze aanbevelingen ook een plaats in de aanpak van de Minister?Zo ja, op welke manier?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 240, nr. 1387 De leden van de ChristenUnie-fractie lezen verder dat de Minister specifiekzorgen uit over het welbevinden van lhbti-leerlingen, leerlingen met eenmigratieachtergrond en meisjes. Deze leden delen deze zorgen en zijn heteens met de Minister dat hun veiligheidssituatie extra aandacht verdient.De leden lezen in de monitor niet of bijvoorbeeld leerlingen met eenbeperking of met een andere geloofsachtergrond ten opzichte van andereleerlingen ook een minder positief welbevinden laten zien en dus extraaandacht zouden verdienen. Betekent het ontbreken van cijfers hieroverdat er geen significante verschillen zijn? Denkt de Minister dat specialeaandacht voor deze of andere groepen leerlingen noodzakelijk is?Tot slot merken de leden van de ChristenUnie-fractie op dat sociale mediategenwoordig een grote impact hebben op de sociale veiligheid opscholen. Zo was recent in het nieuws dat er op een school een gemanipu-leerde video met kinderporno is verspreid. Er zijn ook zorgen overzogeheten «juice-accounts». Deze leden vragen of deze ontwikkelingeneen extra aanpak vereisen. Is de Minister bereid om te kijken of het nodigis om scholen te ondersteunen in de aanpak hiertegen en zo ja, op welkemanier?Inbreng van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de deelrap-porten over de Landelijke Veiligheidsmonitor 2021–2022 in het basis- envoortgezet onderwijs en het onderzoek naar seksueel grensoverschrijdendgedrag in het onderwijs, evenals de bevindingen en conclusies die deMinister hieruit trekt3. Ze hebben nog een aantal vragen.In de brief geeft de Minister aan dat het aantal pestgevallen in hetbasisonderwijs ten opzichte van 2021 is toegenomen. De leden van deBBB-fractie vragen daarom hoe de Minister denkt over het interventieon-derzoek naar gezonde schoolpleinen van de Wageningen University &Research, waarin wordt geconcludeerd dat er op deze pleinen minderruzie en pestgedrag voorkomt.4 Deelt de Minister de mening dat er meeraandacht moet worden besteed aan preventieve maatregelen, zoals dezegezonde schoolpleinen, om pesten te voorkomen? Zo ja, hoe zou datkunnen?De leden van de BBB-fractie lezen ook dat voorlichting over seksueelgrensoverschrijdend gedrag moet aansluiten bij de belevingswereld enontwikkelingsfase van de betreffende leerlingen. Hoewel deze ledentevreden zijn met de preventieve inzet, vragen zij ook hoe de Minister ditwil uitvoeren in het basisonderwijs gezien de jonge leeftijd van deleerlingen.Ook lezen de leden van de BBB-fractie in het eindrapport over seksueelgrensoverschrijdend gedrag in het onderwijs dat wordt geadviseerd omde sollicitatieprocedure van leraren aan te scherpen door naast een VOGook referenties op te vragen.5 In het rapport wordt echter ook genoemddat vanwege het lerarentekort niet altijd voldoende grondig wordtgecontroleerd op achtergrond en referenties bij het aannemen vanpersoneel. Hierdoor vragen deze leden of deze aanscherping welverstandig is, gezien het lerarentekort en pas afgestudeerde studentenzonder referenties. Is de Minister het hiermee eens? Zo ja, kan de Minister3Kamerstuk 29 240, nr. 1334Wageningen University & Research, augustus 2017, «Interventiestudie Gezonde School-pleinen»5ResearchNed, Praktikon en KBA Nijmegen, april 2023, «Eindrapport Seksueel grensover-schrijdend gedrag in het onderwijs»Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 240, nr. 1388 dan laten weten welke andere maatregelen kunnen worden genomen omde screening van leraren te verbeteren?Tot slot willen de leden van de BBB-fractie laten weten dat ze tevreden zijnmet de preventieve inzet en de uitvoering van de motie van de ledenPeters en Pouw-Verweij6.II Reactie van de Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs Ten eerste wil ik de leden van uw Kamer bedanken voor de opmerkingenen vragen naar aanleiding van de Landelijke veiligheidsmonitor 2021/22en het onderzoek naar seksueel grensoverschrijdend gedrag in hetonderwijs.7Ten tweede proef ik uit de vragen van de leden uw Kamer de zorgen overde veiligheid van leerlingen. Ik deel deze zorgen. Veiligheid is eenrandvoorwaarde om tot leren te komen. Onveiligheid op school, in welkevorm dan ook en gericht op wie dan ook is onacceptabel. Het is daarombelangrijk dat er goed zicht komt op de veiligheid en passende stappenworden gezet die te versterken.In het navolgende worden de vragen van uw leden per fractie beant-woord, in de volgorde waarin de vragen zijn gesteld. Voorafgaand aandeze beantwoording wordt uw Kamer geïnformeerd over een kwestie metbetrekking tot de Landelijke veiligheidsmonitor 2023/24. Ook wordt ereerst een overzicht gegeven van het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijsom herhaling in de beantwoording zoveel mogelijk te voorkomen. Eenmeer uitgebreide beschrijving van de maatregelen in dit wetsvoorstel isterug te vinden in een eerdere Kamerbrief.8De Landelijke veiligheidsmonitor 2023/24De Landelijke veiligheidsmonitor wordt sinds 2006 tweejaarlijks inopdracht van het Ministerie van OCW uitgevoerd om een landelijk beeldte vormen van de ervaren veiligheid op school. Voor de komende tweeedities is een nieuwe aanbesteding gedaan en inmiddels is de opdrachtgegund aan een onderzoeksbureau. Voor dit onderzoek is het nodig dat deonderzoekers gevoelige onderwerpen uitvragen bij zowel leerlingen alsonderwijspersoneel. Er is gedurende het onderzoek dus sprake van hetverwerken van bijzondere persoonsgegevens. Het is van belang dat deLandelijke veiligheidsmonitor past binnen de kaders van de Algemeneverordening gegevensbescherming (AVG). Daarom zijn we op dit momentsamen met het onderzoeksbureau aan het uitwerken hoe een betrouwbaarbeeld van het sociale veiligheidsklimaat in Nederland kan wordengegeven en hoe daarbij tegelijkertijd aan de regelgeving van de AVG kanworden voldaan. Omdat dit zorgvuldig moet gebeuren en vrij complex is,is het nodig om de komende editie van de Landelijke veiligheidsmonitoreen jaar uit te stellen. In plaats van afname in het lopende schooljaar, zalde afname plaats vinden in schooljaar 2024–2025. Om in de tussentijdtoch zo goed mogelijk zicht te houden op de ontwikkeling van deveiligheid op scholen, maken we gebruik van het beeld dat de Inspectievan het Onderwijs (hierna: de inspectie) daarvan kan vormen. De inspectiezal dat doen op basis van de voor de inspectie beschikbare gegevens,waaronder de terugkoppeling van de uitkomsten van de jaarlijkseschoolmonitor en de meldingen die bij de vertrouwensinspectie wordengedaan, bijvoorbeeld over seksueel grensoverschrijdend gedrag,6Kamerstuk 31 289, nr. 4917Kamerstukken II, 2022/23, 29 240, nr. 133.8Kamerstukken II, 2022–23, 31 293, nr. 653.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 240, nr. 1389 psychisch en fysiek geweld (waaronder pesten), discriminatie enradicalisering.9 Daarbij wordt waar mogelijk ook een vergelijking gemaaktmet voorgaande jaren.Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijsMomenteel wordt er aan het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijsgewerkt. Ik streef ernaar dit wetsvoorstel uiterlijk in het tweede kwartaalvan 2025 bij uw Kamer in te dienen. In dit wetsvoorstel worden verschil-lende maatregelen voorgesteld om de veiligheid op scholen te verbe-teren.10 Dit betreft de volgende maatregelen:1.De meld- en overlegplicht voor zedenmisdrijven wordt uitgebreid naarseksuele intimidatie. Als een personeelslid reden heeft om te vermoe-den dat een met taken belast persoon zich jegens een leerling schuldigheeft gemaakt aan een zedenmisdrijf of seksuele intimidatie, is datpersoneelslid verplicht dat te melden bij het bevoegd gezag. Hetbevoegd gezag heeft in een dergelijke situatie (bijvoorbeeld op basisvan een melding van een personeelslid) de plicht om te overleggenmet de vertrouwensinspectie om te bepalen of er aangifte moetworden gedaan. Op dit moment geldt voor de meld-, overleg- enaangifteplicht dat het vermoedelijke slachtoffer minderjarig moet zijn.In het wetsvoorstel vervalt deze minderjarigheidsgrens.2.De monitoringsverplichting met betrekking tot veiligheidsbeleving (dienu alleen nog geldt voor leerlingen) wordt uitgebreid naar onderwijs-personeel. Hierdoor krijgt het bevoegd gezag op een gestructureerdewijze inzicht in de veiligheid van het personeel.3.Ten aanzien van veiligheidsincidenten die onder de verantwoordelijk-heid van het bevoegd gezag plaatsvinden, wordt in de eerste plaatsvoor scholen een incidentenregistratie verplicht gesteld. Dezeregistratie is onderdeel van de basisinformatie waarmee de schoolzicht houdt op het eigen veiligheidsklimaat en het effect van hetveiligheidsbeleid. Voor de meest ernstige veiligheidsincidenten,waarbij ernstige sociale, psychische of fysieke schade ontstaat vooreen leerling, ouder of personeelslid, wordt het bevoegd gezagdaarnaast verplicht om dergelijke incidenten onverwijld te melden aande inspectie. De inspectie kan door middel van deze melding sneller engerichter ingrijpen in het geval dat er sprake is van een onveiligschoolklimaat.4.Het bevoegd gezag wordt verplicht om een interne en een externevertrouwenspersoon aan te wijzen. Ook worden de taken van dezevertrouwenspersonen vastgelegd. Die taken omvatten bijvoorbeeld hetbijstaan van leerlingen, ouders en personeel maar ook het adviserenvan het bevoegd gezag over het veiligheidsbeleid en het uitbrengenvan een jaarlijks verslag. Daarnaast worden enkele waarborgen gesteldaan de functie van vertrouwenspersoon.5.De inrichting van de klachtencommissie wordt verder geüniformeerd,zodat de kwaliteit van de externe klachtafhandeling voor de betrokke-nen in en om alle scholen kan worden gegarandeerd. Scholen wordenin dat kader verplicht zich aan te sluiten bij een landelijke klachtencom-missie. In de wet en in lagere regelgeving wordt een aantal eisengesteld aan de landelijke klachtencommissie om de professionaliteit ende kwaliteit van de klachtenafhandeling te waarborgen. Het bevoegdgezag moet in principe gevolg geven aan het oordeel en de aanbeve-lingen van de landelijke klachtencommissie. Slechts indien dringende9Het overzicht van de meldingen bij de vertrouwensinspectie is inmiddels aan de Tweede Kamerverzonden. Zie Bijlage bij Kamerstukken II, 2023–24, 29 240, nr. 136.10De maatregelen uit het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs worden uitvoerig uitgelegd in deKamerbrief Vrij en veilig onderwijs van 18 november 2022, Kamerstukken II, 2022–23, 31 293,nr. 653.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 240, nr. 13810 redenen in het belang van de school het bevoegd gezag daartoenoodzaken, kan de school kiezen om geen gevolg te geven aan hetaanbevelingen van de landelijke klachtencommissie6.Het bevoegd gezag wordt verplicht om het veiligheidsbeleid één keerper jaar te evalueren aan de hand van de verplichte jaarlijkse monitorvan de veiligheidsbeleving, de incidentenregistratie, het advies van devertrouwenspersoon over het veiligheidsbeleid en het jaarlijkseverslag van de vertrouwenspersoon.Beantwoording van de vragen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie zijn verheugd om te lezen dat het over hetalgemeen goed gaat met de sociale veiligheid op school. Deze leden delende mening dat we trots mogen zijn op het feit dat zoveel leerlingen meteen veilig gevoel naar school toe gaan. Echter de leden lezen ook dat tweetot vijf procent van de leerlingen en personeelsleden zich niet altijd veiligvoelt. In hoeverre is deze constatering representatief aangezien derespons lager is dan gehoopt?De gegevens zijn gebaseerd op een brede doorsnede van het Nederlandsonderwijs. Ook wijken de gegevens niet stelselmatig af van beelden uitander onderzoek. Verder is de representativiteit van de completeresponsgroep onderzocht door de deelnemende scholen en deniet-deelnemende scholen te vergelijken aan de hand van drie achter-grondkenmerken. De deelnemende scholen en de niet-deelnemendescholen bleken niet van elkaar te verschillen wat betreft leerlingenaantal,achterstandscores en mate van stedelijkheid. De onderzoekers hebbenaangegeven dat de resultaten op basis van deze kenmerken representatiefzijn.Wordt er onderzocht waarom deze respons zo laag is in plaats van deaanname dat het te laat heeft plaatsgevonden in het jaar?Alle Nederlandse scholen worden uitgenodigd om deel te nemen aan deLandelijke veiligheidsmonitor. Bij de vorige editie van de Landelijkeveiligheidsmonitor is geen non-respons onderzoek gedaan. Bij de editievan 2020–2021 is wel een non-respons onderzoek verricht. Dit onderzoekis gedaan om inzicht te krijgen in enerzijds de redenen van scholen omniet aan het onderzoek mee te doen en anderzijds wat hen in de toekomstzou kunnen overhalen om wel deel te nemen. Vijfenzeventig procent vande respondenten gaf toen aan dat ze niet deelnemen aan de Landelijkeveiligheidsmonitor omdat zij al een ander instrument gebruiken om deveiligheidsbeleving van hun leerlingen jaarlijks te monitoren. In hetantwoord op uw latere vraag over de respons wordt uitgebreideringegaan op hoe de onderzoekers bij de komende editie van de Landelijkeveiligheidsmonitor zo veel mogelijk de respons zullen proberen teverbeteren. Ook zal wederom een non-responsonderzoek worden gedaan.Hoe gaat de Minister erop toezien dat er bij de volgende veiligheidsmo-nitor rekening gehouden wordt met de jaarplanning van scholen?Voor de komende editie van de Landelijke veiligheidsmonitor is eennieuwe aanbesteding gedaan. De aansluiting van het onderzoek bij dejaarplanning van scholen is in de opdracht aan het onderzoeksbureauexpliciet aan bod gekomen. Zoals in de inleiding is genoemd, wordt ermomenteel hard gewerkt aan een manier om een betrouwbaar landelijkbeeld van het sociale veiligheidsklimaat te schetsen die tegelijkertijd aande AVG-regelgeving voldoet. We doen er alles aan om daarbij ook eengoede aansluiting bij de jaarplanning van scholen te realiseren. Zoals hetTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 240, nr. 13811 er nu uitziet, zal het in de inleiding genoemde uitstel met een jaardaarvoor genoeg ruimte bieden.De leden van de VVD-fractie lezen daarnaast dat de onderzoekersconstateren dat nog niet overal de incidentenregistratie op orde is. Dezeleden onderschrijven het wetsvoorstel Vrij en Veilig onderwijs van deMinister dat een meldplicht introduceert voor ernstige veiligheidsinci-denten, maar zij vragen nog hoe incidentenregistratie van andereincidenten bevorderd wordt.In het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs wordt ook een verplichtingvoor scholen voorgesteld om een incidentenregistratie bij te houden. Inde praktijk houden de meeste scholen al een incidentenregistratie bij,maar door dit in de wet op te nemen, wordt dat voor alle scholenverplicht. Voor scholen wordt hiermee helder waaraan een goedeincidentenregistratie dient te voldoen. De inspectie zal er dan ook optoezien dat scholen die registratie voeren.De leden van de VVD-fractie vragen tevens hoe de Minister ervoor wilzorgen dat veiligheidsplannen bij het voltallige personeel van scholenbekend wordt.Scholen hebben een wettelijke zorgplicht voor de veiligheid op school.11Ze dienen een adequaat veiligheidsbeleid te voeren, met inbegrip vanafspraken over schoolregels, het toezicht daarop, de verdeling van takenen over hoe te handelen om onveilige situaties en incidenten tevoorkomen en om ermee om te gaan als ze optreden. Een schoolbredeaanpak, die gedragen wordt door het personeel dat het beleid uiteindelijkook uitvoert, is de kern van adequaat veiligheidsbeleid. Dat impliceert datde plannen in het veiligheidsbeleid bekend zijn onder het personeel.Schoolbesturen hebben hierin dus al een verantwoordelijkheid. Hetveiligheidsbeleid moet conform de huidige wetgeving ook in deschoolgids staan. Daarnaast heeft de personeelsgeleding via de medezeg-genschapsraad inzicht in de aanpassingen aan veiligheidsbeleid.De eerder genoemde verplichting in het Wetsvoorstel vrij en veiligonderwijs om jaarlijks het veiligheidsbeleid te evalueren heeft tot doelinformatie en input vanuit verschillende perspectieven binnen de schoolte laten landen in het veiligheidsbeleid. De gedachte is dat het beleiddaardoor meer gedragen tot stand zal komen en dus ook beter uitgevoerdzal worden. Bij de implementatie van het wetsvoorstel zal er bovendienvoor worden gezorgd dat er in de informatie- en communicatiecampagnespecifiek aandacht wordt besteed aan het verbeteren van de bekendheidvan het veiligheidsbeleid onder het onderwijspersoneel.Deze leden zijn tevens van mening dat het kwalijk is dat scholen niet altijdactie ondernemen na een melding van pesten. Zij vragen of de Ministerbereid is om in overleg met scholen te treden om deze opvolging teverbeteren.Pesten is onacceptabel. Het is een gezamenlijke verantwoordelijkheid vanscholen en ouders om dit tegen te gaan. Daarbij is het uiteraard belangrijkdat er melding wordt gedaan wanneer er sprake is van pesten en datscholen die meldingen serieus nemen en ze ook adequaat opvolgen. Hetbelang hiervan mag niet onderschat worden. Een melding kan gemaaktworden bij een docent, een vertrouwenspersoon of een aanspreekpunt11Geïntroduceerd met de Wet van 4 juni 2015 tot wijziging van enige onderwijswetten inverband met het invoeren van de verplichting voor scholen zorg te dragen voor de veiligheidop school, Stb. 2015, nr. 238.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 240, nr. 13812 pesten. Scholen zijn reeds verplicht een aanspreekpunt pesten én eencoördinator van het pestbeleid te hebben. Daarnaast wordt vanuit hetMinisterie van OCW al geregeld met de sectorraden gesproken over desociale veiligheid op scholen en hoe wij die kunnen verbeteren. Daarbijkomt ook aan de orde dat het belangrijk is snel en adequaat actie teondernemen na een melding van pesten en ook tegen pesten in hetalgemeen. Om het belang van een adequate pestaanpak te onderstrepen,wordt onder andere in de Week tegen het Pesten stevig ingezet op debewustwording van het probleem en de mogelijke aanpak ervan.Hoewel veel leraren en scholen al goed en gericht optreden als er wordtgepest, is dat helaas niet het geval op alle scholen. Er zijn verschillendezaken in gang gezet om de opvolging van pestmeldingen te verbeteren.Het is daarbij als eerste van belang dat scholen beter zicht krijgen oppesten binnen de school. Zo beoog ik met de eerder genoemdeuitbreiding van de jaarlijkse monitor van de veiligheidsbeleving van deleerlingen, de incidentenregistratie en de evaluatie van het veiligheids-beleid ervoor te zorgen dat scholen hun veiligheidsbeleid beterafstemmen op het daadwerkelijke veiligheidsklimaat en zo adequateroptreden bij een melding van pesten. Hierbij kunnen zij ook adviesinwinnen bij Stichting School en Veiligheid (hierna SSV). Slachtoffers vanpestgedrag verdienen ook de juiste ondersteuning. Met het Wetsvoorstelvrij en veilig onderwijs verplicht ik scholen om een interne en externevertrouwenspersoon aan te wijzen. Aan de invulling van de functie vanvertrouwenspersoon worden eisen gesteld. Daarmee wordt de positie vanvertrouwenspersonen versterkt en zullen zij beter in staat zijn eenslachtoffer bij te staan. Ook kunnen leerlingen, ouders en onderwijsper-soneel terecht voor informatie en advies op jouwveiligeschool.nl.Ik deel dus de zorgen van de leden van de VVD-fractie en blijf op zoek naaraanvullende mogelijkheden om pestgedrag te voorkomen en stoppen. Zois er vanuit OCW in 2023 een verkenning gedaan naar de wenselijkheid enuitvoerbaarheid van het Franse pestbeleid in Nederland. Dit beleid is meercuratief en werkt zelfs met boetes en gevangenisstraffen. Toch blijkt uitgesprekken met experts dat het effect van deze curatieve maatregelen ende afschrikwekkende werking zeer beperkt is. Ook geven zij aan dat pestenniet wordt opgelost met hogere straffen maar met een doordachtepedagogische aanpak. Bij pesten draait het uiteindelijk om het groeps-proces. Daarbij hebben scholen én ouders een rol. Met onder andere demaatregelen in het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs biedt ik kadersvoor een veiligheidsbeleid waarin deze pedagogische aanpak versterktkan worden.De onderzoekers constateren dat slechts in enkele voorvallen aangifte isgedaan, wellicht door handelingsverlegenheid bij schoolbestuurders endat verder onderzoek nodig is. Volgt de Minister dit advies op?Wij dringen er vanuit het kabinet op aan dat scholen aangifte doen als ersprake is van een strafbaar feit. Scholen in het funderend onderwijs zijnverplicht zorg te dragen voor de fysieke en sociale veiligheid vanleerlingen. Als er sprake is van ernstige, strafbare feiten, dan moet datconsequenties hebben. Dat geeft namelijk een duidelijk signaal af richtingde daders, de slachtoffers en de gehele school. Nader onderzoek naar dehandelingsverlegenheid bij schoolbesturen acht ik op dit moment nog nietwenselijk. Wel speelt dat scholen soms onvoldoende weten of en wanneerzij aangifte kunnen doen. Zo weten scholen vaak niet dat zij namens eenslachtoffer of als betrokken partij aangifte kunnen doen van een incident.Daarmee kan de leerling in bescherming worden genomen en hoevendiens persoonsgegevens niet op het aangifteformulier verwerkt te wordenen hoeft het slachtoffer de aangifteprocedure niet zelf te doorlopen. OmTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 240, nr. 13813 hier meer bekendheid aan te geven, zal ik het belang van aangifte doen ingeval van ernstige en strafbare feiten en de bijbehorende mogelijkhedenonder de aandacht brengen bij de sectorraden.Het doen van aangifte is niet per definitie in alle situaties wenselijk.Aangifte doen kan namelijk ook voor het slachtoffer negatieve gevolgenhebben. De school moet altijd een zorgvuldige afweging maken van deimpact dat aangifte doen kan hebben. Die afweging hoeft niet in allegevallen te leiden tot een aangifte. Vanuit de praktijk krijgen wij niet deindruk dat het uitblijven van aangifte in geval van (mogelijke) strafbarefeiten is gelegen in handelingsverlegenheid bij scholen, maar eerder datdit de uitkomst is van een zorgvuldige afweging.Een goed aangiftebeleid draagt eraan bij dat er snel en eenduidig, entegelijkertijd op basis van een zorgvuldige afweging, wordt gehandeld ophet moment dat het nodig is en op een manier die past bij de situatie. Hoede school omgaat met dergelijke incidenten van onveiligheid is daarombinnen de meeste scholen gevat in een protocol, waarbij ook ruimte isvoor het pedagogische aspect. In een dergelijk protocol is het overleg metlokale partijen, zoals de politie en het OM, een belangrijk onderdeel.Indien scholen bij die afweging ook na overleg met die partijen nog adviesnodig hebben, kunnen zij terecht bij de vertrouwensinspecteurs of bij hetadviespunt of de calamiteitenlijn van SSV.De leden van de VVD-fractie lezen dat leerlingen op belangrijke onder-delen, die betrekking hebben op het welbevinden van leerlingen, vrij laagscoren. Kan de Minister vertellen wat de reden is dat maar 34 procent vande leerlingen optimistisch is over de toekomst? Ook lezen deze leden datmaar 51 procent het gevoel had te kunnen omgaan met de dingen diemisgingen. Wat is de reden dat ook dit percentage zo laag is?De onderzoekers van de Landelijke veiligheidsmonitor hebben geenonderzoek gedaan naar de redenen waarom bepaalde cijfers laag of hoogzijn. Ik heb daarom geen onderbouwde verklaring waarom de bevraagdeleerlingen zo laag scoren.Uit ander onderzoek is bekend dat de daling van het welbevinden in hetalgemeen waarschijnlijk door verschillende factoren wordt veroorzaakt dieop een ingewikkelde manier op elkaar in kunnen werken. Een belangrijkeen duidelijke oorzaak is hoogstwaarschijnlijk de coronacrisis geweest.12Ook wordt in verschillende onderzoeken genoemd dat de toenemendeschooldruk samenhangt met de negatieve ontwikkeling in mentaalwelbevinden.13, 14, 15 En waarschijnlijk speelt prestatiedruk vanuit desamenleving een grote rol in hoe die schooldruk ervaren wordt.16 Ookworden andere factoren worden genoemd, zoals discriminatie, socialemedia en veranderende sociale en economische omstandigheden(bijvoorbeeld een toename in het aantal scheidingen).17, 18, 19Wat wordt er op dit moment aan gedaan op scholen om dit te verbeteren?12Stevens, G. W. J. M., Rombouts, M., Maes, M., Zondervan, A., van Dorsselaer, S., Schouten, F.,& Scheffers-van Schayck, T. (2023). Jong na corona. Welzijn van jongeren tussen 2017 en 2022en inzet van NP Onderwijsmiddelen door scholen. Bijlage bij Kamerstukken II, 2023–24,36 410 VIII, nr. 28.13Idem.14Trimbos-instituut. (2020). Geluk onder Druk. Den Haag: Unicef Nederland.15Boer, M., van Dorsselaer, S. A. F. M., de Looze, M., de Roos, S. A., Brons, H., van den Eijnden,R.,... & Stevens, G. (2022). HBSC 2021. Gezondheid en welzijn van jongeren in Nederland.Bijlage bij: Kamerstukken 2022–23, 32 793, nr. 635 .16Idem.17Idem.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 240, nr. 13814 Om het welbevinden van leerlingen te bevorderen, zetten scholen diverseactiviteiten in. Zo kunnen leerlingen tijdens de mentorgesprekken met hunmentor en/of klasgenoten in gesprek gaan over onder andere hunontwikkeling, hoe om te gaan met dingen die misgaan en hun toekomst-perspectief. Ook hebben zij de mogelijkheid om in gesprek te gaan meteen vertrouwenspersoon, een maatschappelijk werker, schoolpsycholoogof zorgcoördinator. Ten slotte maken scholen gebruik van de onder-steuning om het welbevinden van hun leerlingen te verbeteren die vanuithet Nationaal Programma Onderwijs, Gezonde School en Welbevinden opSchool wordt aangeboden.20 Het aanbod aan ondersteuning is divers. Hetgaat daarbij om bijvoorbeeld stimuleringsgelden, webinars en het delenvan praktijkvoorbeelden.Wat voor plannen heeft de Minister om het welbevinden van leerlingen opscholen te verbeteren?Via bestaande programma’s wordt er gewerkt aan het verbeteren van hetwelbevinden van leerlingen. Vanuit de landelijke aanpak «Mentalegezondheid: van ons allemaal» zijn de ondersteuningsprogramma’sGezonde School en Welbevinden op School opgeschaald en wordt samenmet het Nationaal Programma Onderwijs (NP Onderwijs) een impulsgegeven aan het effectief werken aan mentaal welbevinden.21 Daarnaastgaat de subsidieregeling brugfunctionaris vanaf dit jaar (2024) van start.22Het welbevinden van leerlingen is nauw verbonden met de veiligheid diezij ervaren. Want hoe kan een leerling zich fijn voelen als hij of zijonveiligheid ervaart? Het is dan ook van belang dat scholen een veiligeplek bieden aan leerlingen om hun zorgen te uiten. Met het Wetsvoorstelvrij en veilig onderwijs wordt dit onder meer geregeld door hetverplichten van een interne en externe vertrouwenspersoon. Daarnaast ishet van belang dat het gesprek over veiligheid gevoerd wordt binnen deschool. Daarom regel ik in het Wetsvoorstel dat het veiligheidsbeleidjaarlijks geëvalueerd wordt. Ik roep scholen op om bij deze evaluatie deleerlingen goed te betrekken.De leden van de VVD-fractie lezen dat er een toename te zien is in degeweldcijfers. Deze leden vinden dat een stevige aanpak om dit tegen tegaan noodzakelijk is. Kan de Minister op korte termijn onderzoeken ofscholen voldoende handvatten hebben om op te treden tegen geweld? Opwelke manieren worden scholen ondersteund bij het voorkomen vangeweld? Kunnen scholen voldoende maatregelen treffen wanneerdezelfde leerlingen meermaals betrokken zijn bij geweldsincidenten?Geweld op school is ontoelaatbaar. En de toename van de geweldcijfers isdan ook zorgelijk. Gelukkig zijn er al veel handvatten voor scholen om opte treden tegen geweld en wordt er gewerkt aan aanvullende maatregelenin het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs.18Van der Wal, A., Janssen, L., Bij de Vaate, N., Beyens, I. & Valkenburg, P. (2023). De plussen enminnen van social media. Jongeren aan het woord. Center for Research on Children,Adolescents and the Media, UvA.19Burns, T., & Gottschalk, F. (2019). Educating 21st Century Children: Emotional Well-Being in theDigital Age. Educational Research and Innovation. OECD Publishing.20Welbevinden op School is een samenwerking van het Trimbos-instituut en expertisecentrumgezondheidsverschillen Pharos. Samen zijn zij kennispartner van Gezonde School.21Voor aanpak «Mentale gezondheid: van ons allemaal», zie bijlage bij Kamerstukken II, 2021–22,32 793, nr. 613. Voor de voortgangsrapportage, zie bijlage bij Kamerstukken II, 2023–24, 25 424,nr. 677. Voor de vijfde voortgangsrapportage van het NP Onderwijs, zie bijlage bij: Kamer-stukken II, 2023–24, 36 410 VIII, nr. 28.22Kamerstukken II, 2023–24, 36 200 VIII en 24 515, nr. 265Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 240, nr. 13815 Zoals toegezegd bij de begrotingsbehandeling begin dit jaar krijgt uwKamer vóór de zomer van 2024 een brief waarin ik inga op wat er allemaalal gebeurt om geweldsincidenten (in het bijzonder die met wapens) tegente gaan en wat er eventueel nog verbeterd kan worden. Ik zal in de briefook concreet ingaan op de bovenstaande vragen van de leden van deVVD-fractie.De leden lezen dat schoolpersoneel te maken krijgt met geweldsinci-denten gepleegd door familieleden van leerlingen. Zij zijn van mening datleraren en ander personeel in een veilige omgeving hun werk moetenkunnen doen en vragen de Minister om met voorstellen te komen hoe deveiligheid van schoolpersoneel verbeterd kan worden.Het is verschrikkelijk en onacceptabel dat docenten en ander schoolper-soneel te maken krijgen met intimidatie en geweldsincidenten. Ik roep hendan ook op om hiervan aangifte te doen. Ook onderwijspersoneel verdienteen veilige werkplek. Hiervoor is al veel geregeld in de Arbeidsomstandig-hedenwet (Arbowet). Werkgevers zijn op basis van de Arbowet verplichtzorg te dragen voor de veiligheid van werknemers. De werkgever dientdaartoe beleid te voeren dat gericht is op de voorkoming en, indien datniet mogelijk is, beperking van psychosociale arbeidsbelasting.23Daarnaast introduceert het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs verschil-lende elementen die ook bedoeld zijn om de veiligheid van schoolper-soneel te bevorderen. Zoals de plicht om veiligheidsincidenten waarpersoneel bij betrokken is te registreren en de plicht om ernstigeveiligheidsincidenten te melden bij de inspectie. Bovendien regelt hetwetsvoorstel een verplichting voor scholen om een interne en externevertrouwenspersoon te hebben waar ook onderwijspersoneel terecht kanwanneer zij onveiligheid ervaren. Zo komt er meer zicht op de onvei-ligheid van personeel en wordt de ondersteuning wanneer zij onveiligheidervaren versterkt. Tenslotte is ook een monitoringsverplichting voor deveiligheid van onderwijspersoneel opgenomen in het wetsvoorstel. Uit deuitvoeringstoetsen van de beide inspecties (IvhO en NederlandseArbeidsinspectie) en in de nadere gesprekken hierover met hen is aan hetlicht gekomen dat er bij de uitvoering van het toezicht op de monitorcomplicaties worden verwacht. Omdat het advies van de uitvoeringsorga-nisatie zwaar weegt, heb ik besloten het wetsvoorstel op dit punt aan tepassen. Scholen zullen niet verplicht worden om de resultaten met eenvan de inspecties te delen, maar dienen deze zelf te betrekken bij deevaluatie van hun veiligheidsbeleid. De inspecties zullen nadere afsprakenmaken om het toezicht op de veiligheid van onderwijspersoneel passendin te vullen. De inspecties werken de komende tijd gezamenlijk eenvoorstel hierover uit. Het doel is daarbij om de bestaande systematiekbinnen de school te versterken zonder dat dit tot dubbel toezicht ofandersoortige complicaties leidt.Wordt daarnaast onderzocht wat de redenen zijn voor de toename ingeweldsincidenten op scholen?Een toename van geweldincidenten kan veel uiteenlopende redenenhebben en ook sterk afhankelijk zijn van de actualiteit en de lokale context.Om als bevoegd gezag goed zicht op de problematiek te kunnen hebben,zijn het monitoren van de veiligheidsbeleving en het bijhouden van eenincidentenregistratie belangrijk. Op die manier kunnen de trends binnende school voor de school zelf inzichtelijk worden gemaakt zodat daaropingespeeld kan worden. Met het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijswordt daarom beoogd een dergelijke incidentenregistratie verplicht23Artikel 3, tweede lid, Arbeidsomstandighedenwet.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 240, nr. 13816 stellen en de eisen aan jaarlijkse monitor van de veiligheidsbelevinguitbreiden.De leden van de VVD-fractie constateren dat het met lhbtiq+-leerlingen opde meeste vlakken slechter gaat dan met de niet-lhbtiq+»ers. Deze ledenzijn van mening dat iedereen zich veilig moet kunnen voelen op school.De leden lezen dat lhbtiq+-leerlingen al jaren aangeven minder veilig tezijn dan andere leerlingen. Wat is er de afgelopen jaren al geprobeerd omde sociale veiligheid van lhbtiq+-personen te waarborgen? Hoe gaat deMinister erop toezien dat de sociale veiligheid van lhbtiq+-personenverbetert?Iedere leerling moet veilig zichzelf kunnen zijn op school. Voor eenoptimale ontwikkeling hebben leerlingen een veilige omgeving nodigwaarin zij zichzelf kunnen zijn. Daarom hebben scholen in het funderendonderwijs een zorgplicht voor een veilig schoolklimaat. Die verplichtinghebben ze voor alle leerlingen, ook voor lhbtiq+-leerlingen. De inspectiehoudt hier toezicht op en kan ingrijpen wanneer dit onvoldoende hetgeval is.Scholen kunnen voor ondersteuning en advies op het gebied van socialeveiligheid van deze groep terecht bij SSV. SSV onderhoudt daarnaast dewebsite www.gendi.nl, met inspiratie, (les)materialen en kennis voorleraren, schoolleiders en onderwijspersoneel op het gebied van gender-en seksuele diversiteit in de klas. Voor ondersteuning specifiek op hetgebied van de acceptatie van lhbtiq+-leerlingen kunnen scholen ookterecht bij COC Nederland. Daarnaast is de wegwijzerwebsitewww.jouwveiligeschool.nl opgericht, waarop een pagina is te vindenspecifiek voor deze doelgroep. Bovendien worden met de uitbreiding vande schoolmonitor ook eisen opgenomen om leerlingen specifieker tebevragen op ervaringen van onveiligheid, waaronder discriminatie. Zokrijgen scholen scherper zicht op welke onveiligheid zich voordoet in deschool en kunnen zij gericht ingrijpen waar nodig.Verder ondersteunt het kabinet projecten en instellingen om de socialeveiligheid van specifiek lhbtiq+-leerlingen op scholen te vergroten. Zofaciliteert het kabinet initiatieven als Gender and Sexuality Alliances(GSA’s) en Paarse Vrijdag van COC Nederland en hebben we het Regen-boogloket, het project «Stil Verdriet» van Theater AanZ, SSV enLCC+/Homo in de Klas gefinancierd.De komende tijd laat ik onderzoeken op welke wijze ondersteuning op ditthema verder onder de aandacht kan worden gebracht bij scholen.De leden van de VVD-fractie maken zich zorgen over de meldingen vanseksueel grensoverschrijdend gedrag. Deze leden lezen dat het aantalmeldingen van seksueel grensoverschrijdend gedrag door schoolper-soneel is toegenomen. De leden vragen op wat voor termijn een continueVOG24-screening ingevoerd kan worden.Een VOG is op grond van de huidige onderwijswetten verplicht bijindiensttreding in het funderend onderwijs en het middelbaar beroepson-derwijs (mbo). Schoolbesturen weten hierdoor bij het aannemen vanpersoneel dat het justitieel verleden geen bezwaar vormt voor hetgeenwaarvoor de VOG is aangevraagd. Als iemand lang in dienst blijft, kan descreening dus lang geleden hebben plaatsgevonden. In de Kamerbrief Vrijen Veilig Onderwijs II van november 2022 is aangegeven dat de mogelijk-heden van een verscherping van de regels omtrent de VOG in het24VOG: Verklaring Omtrent het GedragTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 240, nr. 13817 onderwijs, waaronder de invoering van periodieke of continue screening,worden verkend.25Daarover stuur ik uw Kamer in het tweede kwartaal van2024 een brief.Welke andere mogelijkheden ziet de Minister om leerlingen beter tebeschermen tegen seksueel grensoverschrijdend gedrag?Elke vorm van seksueel grensoverschrijdend gedrag is onacceptabel,zeker op school, wat een veilige en vertrouwde omgeving zou moetenzijn. Leerlingen verdienen een veilige schoolomgeving waar zij op eenveilige en gezonde manier kunnen leren over seksuele relaties endiversiteit. Een gezamenlijke norm over het respecteren van grenzen ishierbij van groot belang. Een school dient deze norm ook te handhaven.Het is dan ook goed dat veel scholen al inzetten op een veilig en openschoolklimaat, waar je elkaar aanspreekt indien nodig, zodat steeds kanworden gewerkt aan de versterking van dat klimaat. Dat werkt op zichzelfal preventief, en in een dergelijk schoolklimaat zijn zowel preventieve alscuratieve maatregelen ook kansrijker.De Alliantie tegen seksueel grensoverschrijdend gedrag in het onderwijsheeft in november 2021 een leidraad ontwikkeld.26 Daarin staat eenoverzicht van maatregelen die scholen kunnen nemen om seksueelgrensoverschrijdend gedrag te voorkomen en informatie over hoe tehandelen bij (vermoedens van) incidenten. De leidraad is breed in hetonderwijs verspreid. In opvolging daarop is de Alliantie inmiddelsbegonnen te verkennen hoe het onderwijsveld verder kan toewerken naareen veilig, open en seksueel integer leerklimaat.Daarnaast zijn er verschillende organisaties die scholen kunnen helpenom leerlingen te beschermen tegen seksueel grensoverschrijdend gedrag(onder meer door onderwijspersoneel). SSV biedt bijvoorbeeld informatie,handreikingen en methoden aan ter voorkoming van seksueel grensover-schrijdend gedrag. Stichting Rutgers biedt informatie, trainingen enadvies op het gebied van seksuele gezondheid, seksuele vorming enseksueel geweld. Scholen kunnen daarvan gebruik maken voor hetvormgeven van een gepast veiligheidsbeleid en de uitvoering daarvan.Ten slotte, zoals eerder al vermeld, wordt er in het Wetsvoorstel vrij enveilig onderwijs gewerkt aan de invoering van een meld- en overlegplichtten aanzien van seksuele intimidatie.De leden van de VVD-fractie lezen dat er geen eenduidig beeld naar vorenkomt uit het onderzoek seksueel grensoverschrijdend gedrag. Deze ledenvragen of de Minister vervolgonderzoek gaat doen of vervolgstappen gaatnemen om duidelijkere conclusies te krijgen.Het onderzoek roept inderdaad vragen op waar we niet zomaar antwoordop kunnen geven. Er worden verschillende definities en manieren vanregistreren gehanteerd. Daardoor zijn gegevens die in het onderzoek zijngebruikt moeilijk met elkaar te vergelijken en te verifiëren. Dat maakt hetmoeilijk om een helder beeld te vormen. Tegelijkertijd weten we datseksueel grensoverschrijdend gedrag een maatschappijbreed probleem is.Het onderwijs is geen uitzondering. Daarom vind ik het nu vooralbelangrijk om verder in te zetten op de maatregelen en acties die reeds25Kamerstukken II, 2022–23, 31 293, nr. 653.26De Alliantie bestaat onder andere uit de Vertrouwensinspectie, de PO-Raad, de VO-raad,Stichting School en Veiligheid en OCW. De leidraad heet «Zo klein als mogelijk, zo groot alsnodig» en is te vinden op de website van SSV: https://www.schoolenveiligheid.nl/kennisbank/zo-klein-als-mogelijk-zo-groot-als-nodig/Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 240, nr. 13818 genoemd zijn, zoals de uitbreiding en verdieping van de schoolmonitor,het uitbreiden van de meld-, overleg- en aangifteplicht van zedenmis-drijven naar seksuele intimidatie en meerderjarigen, de verplichteincidentenregistratie en de jaarlijkse evaluatie van het veiligheidsbeleid. Ikverwacht dat deze maatregelen de komende jaren zullen leiden tot eengroter bewustzijn van en beter beleid rondom seksueel grensover-schrijdend gedrag. Dit zal echter niet in een vervolgonderzoek op de kortetermijn al zichtbaar zijn. In plaats daarvan houden we zo goed mogelijkvinger aan de pols en blijven we alert op signalen uit de samenleving.Wanneer vervolgonderzoek in een later stadium waardevol wordt geacht,zullen we dat ook zeker laten uitvoeren.Ook lezen zij dat incidenten weinig gemeld worden. Wat voor stappengaat de Minister nemen om de meldingsbereidheid te verhogen?In combinatie met het signaal dat sommige leerlingen denken dat meldengeen zin heeft, is deze constatering verontrustend. Wel bleek bijvoorbeelduit het overzicht van de dossiers van de vertrouwensinspecteurs dat hetaantal dossiers dat gaat over seksueel geweld is gestegen van 400dossiers in 2021–22 naar 470 dossiers in 2022–23.27Het is helder dat de drempel om te melden voor leerlingen omlaag moet.In het antwoord op uw eerdere vraag over welke andere mogelijkheden ikzie om leerlingen beter te beschermen, wordt ingegaan op het toewerkennaar een open schoolklimaat waarin incidenten bespreekbaar zijn.Tegelijkertijd moeten we het signaal dat meldingen en klachten overseksueel grensoverschrijdend gedrag onvoldoende worden opgevolgdserieus nemen. Daarom bevat het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijsook voorstellen om het klachtenstelsel te versterken, waaronder deverplichting om een interne en externe vertrouwenspersoon aan testellen. Daarnaast bevat dat wetsvoorstel een uitbreiding van debestaande meld- en overlegplicht voor zedenmisdrijven naar gevallen vanseksuele intimidatie. De uitgebreide meld- en overlegplicht moet er toeleiden dat scholen eerder en vaker in overleg treden met de vertrouwens-inspecteurs, met wie een juiste afweging kan worden gemaakt over destrafbaarheid van het gedrag. Ook zal deze uitbreiding van de reikwijdtescholen een kader bieden om nadrukkelijker en eenduidiger op te tredentegen seksuele intimidatie. Het doel van het overleg blijft nog altijd devraag of er een redelijk vermoeden is dat door het personeelslid eenzedenmisdrijf is gepleegd, maar de vertrouwensinspecteur kan, inaanvulling op het overleg over de strafbaarheid van het incident, scholenook adviseren hoe zij de incidenten van seksuele intimidatie juist afkunnen handelen en de juiste ondersteuning kunnen bieden.De leden van de VVD-fractie lezen dat al in het voorjaar van 2022 debenodigde data door het onderzoeksteam is verzameld, terwijl de monitorpas in maart 2023 gepubliceerd is. Deze leden zijn van mening dattoegang tot actuele cijfers belangrijk is voor een goed veiligheidsbeleid. Ishet mogelijk om in volgende edities sneller tot publicatie over te gaan? Ishet daarnaast mogelijk om jaarlijks te monitoren in plaats van tweejaar-lijks?De tweejaarlijkse landelijke monitor is bedoeld als informatiebron omlandelijk beleid op te baseren. De resultaten zijn dan ook meermaalsaanleiding geweest om de nodige maatregelen te nemen. Het is uiteraardzinvol om daarbij uit te kunnen gaan van actuele gegevens. Bij volgendeedities zal dan ook worden gestreefd naar snellere publicatie. Derapportage aan de individuele scholen die deelnemen aan de Landelijke27Bijlage bij Kamerstukken II, 2023–24, 29 240, nr. 136.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 240, nr. 13819 veiligheidsmonitor gebeurt onafhankelijk van de rapportage aan mij enmijn ministerie. Die scholen zelf krijgen dus veel eerder inzicht in huncijfers.Scholen zelf zijn al verplicht jaarlijks de veiligheidsbeleving te monitoren,omdat het vooral voor scholen zelf belangrijk is om zo actueel mogelijkeinformatie te hebben.28 Die kunnen ze dan betrekken in hun evaluatie – enzo nodig herziening – van hun veiligheidsbeleid. Voor deze jaarlijksemonitoring is een brede set instrumenten (met school specifiekerapportage) beschikbaar. Scholen kunnen daarvoor desgewenst (ook)gebruikmaken van de veiligheidsmonitor.Het is mijn overtuiging dat die monitoring beter kan. Daarom wordt ergewerkt aan een algemene maatregel van bestuur waarin de eisen aan demonitor nader worden gespecificeerd. Het gaat daarbij om een verbredingvan de deelnemersgroep, zodat alle leerlingen die daartoe redelijkerwijs instaat zijn in staat worden gesteld om deel te nemen aan de monitor, endaarnaast een nadere specificering van de thema’s die bevraagd moetenworden om scholen in staat te stellen een adequaat veiligheidsbeleid tevoeren. Met het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs wordt daarnaastvoorgesteld om scholen verplicht te stellen de resultaten van dezemonitor te betrekken in de jaarlijkse evaluatie van hun veiligheidsbeleid.De Landelijke veiligheidsmonitor dient ter ondersteuning van hetvormgeven van het landelijk onderwijsbeleid. Hierbij acht ik een tweejaar-lijks beeld – ook in relatie tot de lasten voor scholen – afdoende voor eenrepresentatief beeld om te bezien of er aanpassingen in het beleid nodigzijn.De leden vinden het daarnaast belangrijk dat er een hogere respons komt;zij lezen bijvoorbeeld dat de respons van vso29-leerlingen nu te laag is omdeze groep op te nemen in de monitoring. Hoe kan ervoor wordengezorgd dat juist ook bij deze mogelijk kwetsbaardere groep de veilig-heidsmonitoring in orde is?Voor de afname van de aankomende Landelijke veiligheidsmonitor heeftonlangs een nieuwe aanbesteding plaatsgevonden. De opzet van demonitor wordt doorlopend kritisch tegen het licht gehouden. Samen methet onderzoeksbureau wordt naar een manier gezocht om het onderzoektoekomstbestendig in te richten. Het waarborgen van een toereikenderespons van alle doelgroepen is daar een belangrijk onderdeel van en erwordt momenteel aan gewerkt om dat in toekomstige edities van deLandelijke veiligheidsmonitor te realiseren. Het is, ondanks het uitstel,vanwege een aantal juridische en technische vraagstukken op dit momentechter nog te kort dag om die toereikende respons van leerlingen in hetvoortgezet speciaal onderwijs (vso) al voor de komende editie toe tekunnen zeggen. De verwachting is dat dat voor de editie daarna welmogelijk is.In de gesprekken met het onderzoeksbureau is naar voren gekomen dat erop dit moment in ieder geval al een reeks van verschillende responsver-hogende maatregelen kan worden ingezet. Besproken opties zijn ondermeer een actieve wervingscampagne, heldere en transparante communi-catie, het actief benaderen van leerlingen in het vso, vertaling van devragenlijsten naar andere talen om de toegankelijkheid voor nieuwkomers28Het gaat hier dus niet om de Landelijke veiligheidsmonitor die tweejaarlijks in opdracht vanOCW wordt uitgevoerd.29vso: voortgezet speciaal onderwijsTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 240, nr. 13820 te vergroten, het uitbreiden van de afnameperiode en het jaarlijksaanbieden van de monitor.De leden vragen daarnaast naar het verband tussen de landelijkeveiligheidsmonitor, en de veiligheidsmonitoring die alle scholen verplichtjaarlijks moeten doen. Is het mogelijk om ook de informatie die volgt uitde schoolmonitors te ontvangen? En zou het mogelijk zijn om dezemonitoring te combineren?De (tweejaarlijkse) Landelijke veiligheidsmonitor is bedoeld om eenlandelijk beeld te vormen en op die manier de landelijke trends op hetgebied van sociale veiligheid te kunnen identificeren. Daarmee geeft deLandelijke veiligheidsmonitor in de loop der jaren de nodige aanknopings-punten voor het landelijke beleid.De jaarlijkse schoolmonitor, daarentegen, is bedoeld voor scholen zelf,zodat zij hun veiligheidsbeleid kunnen aanpassen en afstemmen op hunspecifieke veiligheidsklimaat en de ontwikkelingen daarin. Scholen zijnwettelijk verplicht om jaarlijks de veiligheidsbeleving van leerlingen opschool te monitoren. Die monitor moet inzicht geven in de ervaren enfeitelijke veiligheid en het welbevinden van de leerlingen. De inspectie ziettoe op deze wettelijke verplichting. Vanwege de gevoeligheid van degegevens worden deze gegevens echter in geanonimiseerde en sterkgeaggregeerde vorm met de inspectie gedeeld. Dat maakt deze cijfersongeschikt voor een landelijk beeld van verschillende aspecten vansociale veiligheid voor verschillende doelgroepen. Wel publiceert deinspectie jaarlijks het rapport «De staat van het onderwijs». Daarin wordtop basis van die geaggregeerde cijfers die de inspectie van scholenontvangt ingegaan op het thema sociale veiligheid.In de voorgaande jaren voldeden scholen die deelnamen aan de Lande-lijke veiligheidsmonitor ook automatisch aan hun wettelijke verplichtingom zelf de veiligheidsbeleving van hun leerlingen te monitoren. Diescholen hoefden hun leerlingen dus niet dubbelop te bevragen. In deinleiding wordt ingegaan op het proces richting de komende jaren. Daarbijwordt ernaar gestreefd eenzelfde combinatie ook in de toekomst terealiseren. Dat moet zich echter wel goed verhouden tot de privacyregel-geving.Inbreng van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan de evaluatie van de Landelijke Veiligheidsmonitor 2021–2022 en hetonderzoek naar seksueel grensoverschrijdend gedrag in het funderendonderwijs en middelbaar beroepsonderwijs (mbo). Onderwijs, met namehet funderend onderwijs, legt een basis voor de toekomst van iedereleerling. Ervaringen die zij hier opdoen zijn vormend voor het perspectiefwaarmee de leerling naar de wereld kijkt. Precies om die reden zien dezeleden het als essentieel dat iedere leerling in een veilige omgeving leskrijgt, met ruimte om zichzelf te ontwikkelen en met oog voor iederswelzijn. Daarom hebben de leden enkele vragen bij de uitkomsten vaneerdergenoemde onderzoeken.Het baart de leden van de D66-fractie grote zorgen dat groepen leerlingenbinnen het onderwijs (nog steeds) te maken krijgen met discriminatie,geweld en grensoverschrijdend gedrag. Een school is eenmini-samenleving, dé plek waar leerlingen gevormd worden tot burgersdie elkaars posities en grenzen respecteren. Hoe ziet de Minister een padopwaarts met betrekking tot emancipatie van minderheidsgroepen envrouwen, zo vragen deze leden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 240, nr. 13821 Het uitgangspunt van het emancipatiebeleid op scholen is dat onderwijs-instellingen veilig, toegankelijk en inclusief zijn voor alle leerlingen en allemedewerkers. Uit de veiligheidsmonitor blijkt onder andere dat hetwelbevinden van meisjes in het voortgezet onderwijs (vo) lager is dan datvan jongens. Ze worden bijvoorbeeld vaker gepest om hun uiterlijk.Meisjes en vrouwen moeten een keuze kunnen maken die past bij huninteresses, talenten en capaciteiten en die zo min mogelijk wordtbeïnvloed door sociale verwachtingen op basis van bijvoorbeeldgendernormen, rolpatronen of afkomst. Om dat te bereiken wordt doorhet kabinet ingezet op voorlichting, het doorbreken van genderstereoty-pering binnen loopbaanoriëntatie en -begeleiding en het aantrekken vanmeer vrouwen in bèta-, techniek- en ICT-opleidingen. Een voorbeeldhiervan is het Techniekpact, van waaruit tools en handreikingen zijnontwikkeld om meer meiden en vrouwen in de techniek en IT te krijgen.Een ander voorbeeld is de door het Ministerie van OCW gefinancierdealliantie «Worden wie je bent». Met onder andere gastlessen, workshops,inspiratiesessies en verdiepingstrajecten beoogt deze alliantie gelijkheidin het onderwijs(veld) te bevorderen.Helaas blijkt dat bijvoorbeeld lhbtiq+-leerlingen en leerlingen met eenmigratieachtergrond zich minder veilig voelen dan andere leerlingen.Scholen kunnen voor ondersteuning en advies op het gebied van socialeveiligheid van deze groep terecht bij SSV. SSV onderhoudt daarnaast dewebsite www.gendi.nl, met inspiratie, (les)materialen en kennis voorleraren, schoolleiders en onderwijspersoneel op het gebied van gender-en seksuele diversiteit in de klas. Voor ondersteuning specifiek op hetgebied van de acceptatie van lhbtiq+-leerlingen kunnen scholen ookterecht bij COC Nederland. Daarnaast is de wegwijzerwebsitewww.jouwveiligeschool.nl opgericht, waarop een pagina is te vindenspecifiek voor deze doelgroep. Bovendien worden met de uitbreiding vande schoolmonitor ook eisen opgenomen om leerlingen specifieker tebevragen op ervaringen van onveiligheid, waaronder discriminatie. Zokrijgen scholen scherper zicht op welke onveiligheid zich voordoet in deschool en kunnen zij gericht ingrijpen waar nodig.In de OCW-agenda tegen discriminatie en racisme is aan de hand vanverschillende ambities opgenomen hoe het Ministerie van OCW zich inzetvoor het tegengaan van discriminatie en racisme in het onderwijs. Hierbijhebben wij speciale aandacht voor de positie van leerlingen en studentenuit ondervertegenwoordigde groepen. Dit doen wij vanuit een intersecti-onele benadering. Dat wil zeggen dat we steeds kijken hoe verschillendevormen van ongelijkheid zich tot elkaar verhouden en elkaar versterken.Zo ervaart een vrouw met een migratieachtergrond meer en een anderevorm van discriminatie dan een vrouw zonder migratieachtergrond.Verschillende vormen van ongelijkheid kunnen elkaar treffen binnen éénindividu.Daarnaast is in 2021 de wettelijke burgerschapsopdracht verduidelijkt.Sindsdien wordt in de wet geëxpliciteerd dat scholen leerlingen kennisvan en respect voor verschillen dienen bij te brengen, bijvoorbeeld als hetgaat om verschillen in godsdienst, levensovertuiging en afkomst.Daarnaast moeten scholen hen kennis van en respect voor de waardenvrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit bijbrengen. Ook dienen scholenzich te richten op het ontwikkelen van de sociale en maatschappelijkecompetenties die leerlingen in staat stellen deel uit te maken van en bij tedragen aan de pluriforme, democratische samenleving. Zo lerenleerlingen uit minderheidsgroepen wat hun rechten zijn en dat ze die ineen democratie kunnen vertegenwoordigen, en leren andere leerlingenzich op een respectvolle manier tot hen te verhouden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 240, nr. 13822 Hoe kunnen leerlingen hun grenzen leren herkennen en aangeven als zij inhet funderend onderwijs al te maken krijgen met grensoverschrijdendgedrag?Bij het voorkómen van seksueel grensoverschrijdend gedrag staat eenveilige en open schoolcultuur voorop. Wanneer leerlingen iets meemaken,is het allereerst belangrijk dat zij de juiste hulp en ondersteuning krijgen.En ook daarvoor is die open en veilige schoolcultuur cruciaal. Juist al inhet po, ook in de kleuterklas, is het belangrijk aandacht te besteden aanhet opbouwen van een positief zelfbeeld, aan vormen van vriendschap enliefde en aan het bespreekbaar maken en respecteren van elkaars wensenen grenzen. Respectvol leren omgaan met seksualiteit en seksuelediversiteit is vastgelegd in de kerndoelen, en is daarmee een verplichtonderdeel van het curriculum in het funderend onderwijs. Diverselespakketten en lesmaterialen, en ook de dagelijkse praktijk in de klas,bieden een goede leeromgeving voor kinderen om grenzen te herkennenen aan te geven. Door de leerjaren heen bouwt de leraar de lesstof op,zodat het past bij de belevingswereld van het kind.Stichting Rutgers is een van de organisaties die leraren en scholen op ditgebied kan ondersteunen. Verder bestaan er ook anti-pestmethodes dieleraren kunnen gebruiken voor hetzelfde doeleinde. In de DatabankEffectieve Jeugdinterventies zijn allerlei methoden en interventies tevinden die kunnen helpen. SSV kan scholen adviseren bij de keuze voorde juiste interventies en methoden.Landelijke Veiligheidsmonitor 2021–2022De leden van de D66-fractie vinden het schrikwekkend dat het welbe-vinden van meisjes in het voortgezet onderwijs (hierna: vo) aanzienlijklager is dan dat van jongens, terwijl deze verschillen in het primaironderwijs (hierna: po) nog heel klein waren. De landelijke veiligheidsmo-nitor vermeldt dat iemands welbevinden bepaald wordt door de eigenlichamelijke en psychosociale gezondheid en de omstandigheden waardiegene in leeft, maar het onderzoek gaat verder niet in op de aspecten enoorzaken van welbevinden waar meisjes specifiek laag op scoren. Dezeleden vragen daarom of de Minister bereid is te onderzoeken welkeoorzaken achter deze lage scores liggen en daarbij zoveel mogelijkgebruik te maken van bestaande kennis en onderzoek. Ook vragen dezeleden te verkennen waarom dit verschil in welbevinden pas in het vo lijktop te treden.De Landelijke veiligheidsmonitor geeft inderdaad geen verklaring voor delage score van meisjes op mentaal welbevinden, ook niet voor deconstatering dat dat verschil pas in het vo lijkt op te treden. Wel is eenaantal resultaten uit verschillende onderzoeken relevant voor deze vraag.Dat betreft twee onderzoeken die respectievelijk in 2022 en 2023 aan uwKamer zijn toegestuurd – «HBSC 2021: Gezondheid en welzijn vanjongeren in Nederland» en «Jong na corona» – en een onderzoek van deUniversiteit van Amsterdam naar de voor- en nadelen van social mediaonder jongeren van 14–17 jaar oud.30, 31, 32 Daarbij is het belangrijk om temelden dat er uit één van die onderzoeken, het onderzoek «HBSC 2021:30Boer, M., van Dorsselaer, S. A. F. M., de Looze, M., de Roos, S. A., Brons, H., van den Eijnden,R., ... & Stevens, G. (2022). HBSC 2021. Gezondheid en welzijn van jongeren in Nederland.Bijlage bij: Kamerstukken 2022–23, 32 793, nr. 635.31Stevens, G. W. J. M., Rombouts, M., Maes, M., Zondervan, A., van Dorsselaer, S., Schouten, F.,& Scheffers-van Schayck, T. (2023). Jong na corona. Welzijn van jongeren tussen 2017 en 2022en inzet van NP Onderwijsmiddelen door scholen. Bijlage bij Kamerstukken II, 2023–24,36 410 VIII, nr. 28.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 240, nr. 13823 Gezondheid en welzijn van jongeren in Nederland» blijkt dat er weldegelijk al in het primair onderwijs (po) een verschil in welbevindentussen meisjes en jongens geconstateerd is. Onder meisjes in het po ishet aandeel dat met emotionele problemen kampt bijvoorbeeld flinkgestegen, van 14,4 procent in 2017 naar 32,6 procent in 2021. Welbevestigt dat onderzoek het beeld dat vooral het welbevinden van meisjesin het vo problematisch is.Het onderzoek van de UvA wijst uit dat bijna de helft van de meisjesaangeeft dat social media een slechte invloed hebben op hun zelfbeeld,terwijl dit bij jongens maar een kwart is. Op basis van de andere tweegenoemde onderzoeken lijkt nog een aantal andere zaken samen tehangen met de afname in mentaal welbevinden onder meisjes in het vo.Die factoren zijn een dalend aantal positieve sociale relaties met vrienden,klasgenoten en leraren; de neiging van meisjes om vaker dan jongens hunzorgen, problemen en negatieve emoties excessief te bespreken(«co-rumineren»); en een toename in de ervaren schooldruk. Ondermeisjes in het vo is de ervaren schooldruk forser toegenomen vergelekenmet jongens in het vo en leerlingen in het po. In het algemeen scorenleerlingen in het vo hoger op schooldruk dan leerlingen in het po, omdatde meest voorkomende oorzaken van schooldruk (huiswerk, toetsen encijfers) in het po minder spelen. Dat meisjes in het vo een hogereschooldruk ervaren (54%) dan jongens in het vo (36%), blijkt uit deliteratuur die de Onderwijsraad heeft bestudeerd.33 De Onderwijsraadgeeft aan dat er verklaringen te vinden zijn op het niveau van het gezin, deschool en de samenleving. Zo zijn volgens de Onderwijsraad jongenscul-turen over het algemeen minder gericht op leren en school dan meisjes-culturen, hebben leraren verschillende verwachtingen van jongens enmeisjes en bevat het lesmateriaal stereotypen die de socialisatieprocessenvan jongens en meisjes beïnvloeden.De meeste van deze bevindingen komen ook terug in de beleidsreactievan mei 2022 op genderverschillen in het onderwijs en op de arbeids-markt.34 Aanvullend onderzoek specifiek naar de oorzaken van de lagescores op welbevinden van meisjes in het vo is wat mij betreft niet nodig,omdat het de gezondheid, het welzijn, het gedrag en de sociale omgevingvan onder anderen meisjes in het funderend onderwijs vierjaarlijksgemonitord wordt in het HBSC-onderzoek. Wel wordt er momenteelverkend hoe onze inzet op welbevinden in het funderend onderwijs kanworden versterkt. Het genoemde genderverschil is daarbij één van deaandachtspunten.Wanneer hier duidelijkheid over is, zouden de leden graag zien dat dezekennis landt in het onderwijs, zodat docenten en andere ondersteuning opscholen hierop kunnen inspelen. De leden vernemen graag de reactie vande Minister hierop.We zetten, deels samen met partijen in het veld, verschillende interventiesin om scholen te informeren over wat zij kunnen doen om het welbe-vinden van leerlingen (waaronder specifiek meisjes in het vo) teversterken.32Van der Wal, A., Janssen, L., Bij de Vaate, N., Beyens, I. & Valkenburg, P. (2023). De plussen enminnen van social media. Jongeren aan het woord. Center for Research on Children,Adolescents, and the Media, UvA.33De Onderwijsraad (2020). Een verkenning van verschillen in het onderwijs. Bijlage bijKamerstukken II, 35 925 VIII, nr. 168.34Kamerstukken II, 35 925 VIII, nr. 168Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 240, nr. 13824 De programma’s Welbevinden op School en Gezonde School makenbijvoorbeeld voor scholen, GGD en gemeenten inzichtelijk wat er uitonderzoek bekend is over mentale gezondheid en bieden handvatten omhet mentaal welbevinden van leerlingen structureel te bevorderen. Ditdoen ze bijvoorbeeld door inspiratiesessies, workshops en gesprekkenmet professionals te organiseren. Ook schenken zij aandacht aanspecifieke thema’s (zoals prestatiedruk) en kwetsbare groepen in hun toolsen trainingen. Daarnaast bieden zij ondersteuning aan scholen bij hetmaken van een keuze voor een interventie of aanpak.Daarnaast zijn op de website van het Nationaal Programma Onderwijswebinars en video’s te vinden met praktijkvoorbeelden over het verbe-teren van welbevinden. Deze zijn bedoeld om ervaringen en effectieveinterventies te delen met onderwijsprofessionals. Op de website zijn ookvideo’s over de praktijkverhalen van leerlingen te vinden. Deze biedeninzicht in wat leerlingen ervaren en hoe zij de interventies beoordelen.Ten slotte wordt er ook informatie aan scholen aangeboden via praktijk-kaarten en factsheets. Op www.onderwijskennis.nl is voor sociaal-emotionele ontwikkeling en welbevinden een apart kennisplein gemaakt.Hierop staan inzichten uit onderzoek en praktische handreikingen zoalseen praktijkkaart welbevinden. Deze helpen scholen met het kiezen vaneen passende aanpak voor welbevinden binnen hun school.Verder wijst het onderzoek uit dat leerlingen met een migratieachtergrondlager scoren op welbevinden en zich minder veilig voelen dan leerlingenmet een Nederlandse achtergrond. Daarnaast gaat het vooral metlhbtiq+-personen op meerdere vlakken slechter dan andere leerlingen; zijvoelen zich minder veilig, hun welbevinden is lager, worden zowel in hetpo als het vo vaker gepest om hun identiteit en worden vaker geconfron-teerd met grensoverschrijdend gedrag. De leden van de D66-fractievinden deze resultaten schokkend en betreuren het dat minderheids-groepen op zoveel aspecten benadeeld worden en achtergesteld raken.Deze leden vinden het ernstig dat de situatie is verslechterd in plaats vanverbeterd, daarom is actie urgent. De Minister heeft een verkennendonderzoek uitgevoerd naar de ervaringen met pestgedrag van lhbtiq+-leerlingen in het vo. De leden vragen wat de Minister reeds concreet heeftgedaan en nog van plan is te doen met de uitkomsten van dit onderzoek,in het bijzonder wegens de verslechtering van de situatie. De Ministergeeft aan het belangrijk te vinden dat scholen zich inzetten om deveiligheid van specifiek lhbtiq+-leerlingen te verbeteren. Hoe gaat deMinister de rol van scholen en docenten hierin versterken, zo vragen deleden van de D66-fractie.Scholen in het funderend onderwijs zijn verplicht te zorgen voor een(sociaal) veilig schoolklimaat. Dit betekent dat scholen zo nodig ook extraaandacht dienen te schenken aan individuele leerlingen of specifiekegroepen zoals lhbtiq+-leerlingen.Voor ondersteuning bij de invulling van die zorgplicht, ook specifiek alshet om lhbtiq+-leerlingen gaat, kunnen scholen terecht SSV, maar ook bijCOC Nederland. Ook kunnen leerlingen, ouders en onderwijspersoneelterecht op www.jouwveiligeschool.nl voor informatie en advies op hetgebied van sociale veiligheid, inclusief discriminatie en racisme, in hetonderwijs. Zie ook de antwoorden op uw vraag over de toename vanmeldingen omtrent geweld, grensoverschrijdend gedrag en discriminatie.Mede naar aanleiding van de genoemde resultaten heeft de Minister vanOCW subsidie verleend aan de tweede fase van het project «Aan hetbegin van de regenboog» van COC Nederland, waarvan de eerste faseTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 240, nr. 13825 succesvol was. Leraren in het po zullen handvatten aangereikt krijgenvoor het bespreekbaar maken en vieren van diversiteit. In de OCW-agendategen discriminatie en racisme is aan de hand van verschillende ambitiesopgenomen hoe het Ministerie van OCW zich inzet om discriminatie enracisme in het onderwijs tegen te gaan. Hierbij is speciale aandacht voorde positie van leerlingen en studenten uit ondervertegenwoordigdegroepen. Daarnaast geeft het kabinet financiële steun aan projecten eninitiatieven om de sociale veiligheid van specifiek lhbtiq+-leerlingen opscholen te verbeteren, zoals Gender and Sexuality Alliances en PaarseVrijdag van COC Nederland, het Regenboogloket, het project «StilVerdriet» van Theater AanZ, SSV en LCC+/Homo in de Klas. Om de rol vanscholen en docenten te versterken in het waarborgen van specifiek deveiligheid van lhbtiq+-leerlingen financiert het Ministerie van OCW onderandere de website www.gendi.nl van SSV. Deze website biedt leraren endocenten inspiratie, (les)materialen en kennis over het ruimte geven aangender- en seksuele diversiteit in de klas, op school en in het team.De komende tijd zal ik onderzoeken op welke wijze ondersteuning op ditthema verder onder de aandacht kan worden gebracht bij scholen.Tevens geeft de Minister aan in gesprek te gaan met de Stichting Schoolen Veiligheid om te verkennen hoe scholen meldingen van lhbtiq+-leerlingen serieuzer kunnen nemen. Deze leden vragen daarom of dezegesprekken al gevoerd zijn en zo ja, wat daar de uitkomsten van zijn.SSV is onderdeel van het expertisenetwerk sociale veiligheid en is nauwbetrokken geweest bij de lancering van www.jouwveiligeschool.nl. In datverband is, onder anderen met SSV, maar ook met het COC en hetRegenboogloket, veel gesproken over bijvoorbeeld de meldingen vanlhbtiq+-leerlingen. Voor de zomer vindt het gesprek met SSV plaats.Tijdens dat gesprek zullen we stilstaan bij de bewustwording van de(on)veiligheid van lhbtiq+-leerlingen in het onderwijs en bij de opvolgingvan meldingen die lhbtiq+-leerlingen maken.De leden erkennen dat niet elke school een GSA heeft en de Ministerbeveelt die scholen aan leerlingen te stimuleren er een op te richten.Welke concrete stappen kunnen ondernomen worden om de oprichtingvan een GSA op school te stimuleren? Dit zodat deze leerlingenvervolgens mee kunnen doen binnen het proces van medezeggenschapen hun ervaringen beter vertegenwoordigd worden in veiligheidsbeleid.Hoe kijkt de Minister naar dit idee en is de Minister bereid om dedeelname van GSA’s in het medezeggenschapsproces te stimuleren, zovragen deze leden.Uiteraard staat de veiligheid van leerlingen centraal in al het beleid op hetgebied van sociale veiligheid. Ik juich scholen van harte toe dit beleid insamenspraak met leerlingen vorm te geven, zodat leerlingen een stemhebben in de plannen die hen betreffen. Leerlingenparticipatie enmedezeggenschap kunnen hier een belangrijke rol in vervullen. Omervoor te zorgen dat de stem van alle leerlingen gehoord wordt, is hetnoodzakelijk dat medezeggenschap de leerlingen van de school represen-teert. Daarom zou ik scholen willen aanmoedigen om de GSA uit tenodigen voor advies en de leden van de GSA’s willen aanmoedigen omzich verkiesbaar te stellen voor hun medezeggenschapsraad.Het oprichten van een GSA gebeurt op initiatief van leerlingen, eventueelin samenwerking met leraren of ander onderwijspersoneel. Scholenkunnen de oprichting van een GSA op verschillende manieren stimuleren.Zo kunnen scholen de Onderwijsstandaard van de GSA’s gebruiken alsvertrekpunt voor de oprichting van een GSA. Scholen kunnen leerlingenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 240, nr. 13826 wijzen op de mogelijkheid van een GSA en wat dat allemaal kanopleveren.35 De website www.gsanetwerk.nl biedt informatie voorscholen, docenten en leerlingen over het oprichten en ondersteunen vaneen GSA. Daarnaast kunnen scholen deelnemen aan acties zoals PaarseVrijdag van COC Nederland. De organisatie daarvan leidt vaak tot deoprichting van een GSA-netwerk. Daarnaast kunnen docenten en anderonderwijspersoneel ondersteuning bieden, bijvoorbeeld door decontinuïteit van de GSA te stimuleren en door leerlingen met elkaar incontact te brengen.De leden van de D66-fractie betreuren ten zeerste dat seksueel grensover-schrijdend gedrag nog steeds plaatsvindt binnen het onderwijs, nietalleen tussen leerlingen, maar zelfs bij leerlingen die slachtoffer wordenvan volwassen medewerkers. Deze leden vinden het kwalijk dat de helftvan de melders hiervan in het vo aangaf dat er niets met hun meldingwerd gedaan. De leden benadrukken dat (het aanleveren van) bewijslasthierin vaak een probleem vormt. Hoe kijkt de Minister hiernaar en hoe isde Minister van plan om deze drempel te verlagen?Seksueel grensoverschrijdend gedrag zou geen plek mogen hebben in hetonderwijs. Toch laten de cijfers zien dat dit nog voorkomt en niet altijdgoed wordt aangepakt. Dit is een serieus probleem omdat we weten datde gevolgen van seksueel grensoverschrijdend gedrag enorm kunnen zijn.Het is dan ook van groot belang dat meldingen van slachtoffers serieusworden genomen. Tegelijkertijd kan het voor een slachtoffer van seksueelgrensoverschrijdend gedrag, die behoefte heeft aan begrip en erkenning,extra pijnlijk zijn om haar of zijn verhaal met bewijzen te moetenonderbouwen. Dat maakt het extra kwalijk dat de helft van de melders inhet vo aangaf dat er niets met hun melding werd gedaan.Daarom moet er in de onderwijscontext goed worden nagedacht over hoewe kunnen waarborgen dat slachtoffers in een dergelijke situatie op eengoede wijze worden bijgestaan en ondersteund. Dat is een belangrijke rolvan de vertrouwenspersoon. Om te zorgen dat slachtoffers van seksueelgrensoverschrijdend gedrag beter geholpen en ondersteund worden,wordt aan het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs gewerkt. Daarin wordtonder andere de rol en positie van de vertrouwenspersoon in hetonderwijs versterkt en het klachtenstelsel in het onderwijs beter ingericht.Het beoogde resultaat daarvan is dat mensen met een melding of klachtserieuzer genomen zullen worden en dat ze bij een onafhankelijkevertrouwenspersoon terecht kunnen die ze in het hele proces kan bijstaan.Daarnaast wordt er gewerkt aan een uitbreiding van de meld- enoverlegplicht voor zedenmisdrijven naar gevallen van seksuele intimi-datie. Ook wordt voorgesteld om voor de meld-, overleg- en aangifteplichthet criterium van minderjarigheid van het vermoedelijke slachtoffer telaten vervallen.Wanneer zich in of rond de school ernstige problemen voordoen op hetgebied van zedenmisdrijven of seksuele intimidatie, maar ook psychischen fysiek geweld (waaronder pesten), discriminatie en radicalisering, dankunnen ouders, leerlingen, docenten, directies en besturen, maar ookvertrouwenspersonen, bij de vertrouwensinspectie terecht. Overigens isinmiddels de wegwijzerwebsite www.jouwveiligeschool.nl gelanceerd. Opdeze website kunnen leerlingen, ouders en onderwijspersoneel terechtvoor informatie, advies en worden zij verwezen naar de juiste organisatiesdie hulp en ondersteuning bieden op het gebied van sociale veiligheid inhet onderwijs.35Deze is te vinden op www.gsaonderwijsstandaard.nl.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 240, nr. 13827 Seksueel grensoverschrijdend gedrag binnen het onderwijs heeftschadelijke en brede effecten in de toekomst, zo denken de leden. Zij zijnhet daarom eens met de Minister dat er met betrekking tot seksualiteit,maar ook tot seksuele diversiteit en genderdiversiteit, een cultuuromslagnodig is. De Minister heeft aangegeven een manifest voor betere seksuelevorming van Rutgers en andere organisaties in ontvangst te hebbengenomen. De leden van de D66-fractie vragen daarom wat er reeds metde voorstellen en observaties van dit manifest gedaan is en welkeconcrete stappen de Minister in de toekomst gaat nemen om deze verdertot uiting te brengen.Op dit moment worden de landelijke kerndoelen voor het funderendonderwijs geactualiseerd. Ook de examenprogramma’s van het voworden herzien. Teams van leraren, lerarenopleiders en wetenschapperszijn aan de slag gegaan met de vraag: «Wat moeten leerlingen leren opschool?» Komend jaar zal deze vraag ook voor het thema seksuelevorming opgepakt worden. Inmiddels zijn de conceptkerndoelen voor debasisvaardigheden, waar burgerschap onder valt, opgeleverd. Deconceptkerndoelen van de andere leergebieden worden in het najaar van2024 opgeleverd.Onder regie van het Expertisepunt Burgerschap wordt een handreikingontwikkeld om de nieuwe kwalificatie-eisen voor de burgerschapsop-dracht, te vertalen naar de praktijk. Daarbij wordt het expertisecentrumRutgers geraadpleegd. Ook worden scholen vanuit de Gezonde School-aanpak ondersteund om aan de slag te gaan met lessen over relaties enseksualiteit.Op dit moment wordt een onderzoeksprogramma uitgevoerd dat gerichtis op het bevorderen van evidence-informed gebruik van leermiddelen viaeen kwaliteitskader. Het onderzoek is door het Ministerie van OCWuitgezet en gefinancierd. De Kamer wordt na de zomer geïnformeerd overde uitkomsten en eventuele vervolgstappen. Ook bieden de herzienekerndoelen een kans voor ontwikkelaars en lespakketten om deze aan tepassen en door te ontwikkelen in lijn met de kerndoelen.Zoals in de inleiding reeds genoemd wordt er gewerkt aan hetWetsvoorstel vrij en veilig onderwijs en een AMvB waarin we met diversemaatregelen de sociale veiligheid op scholen gaan verbeteren.Tot slot is de herijking van kennisbases van de lerarenopleidingen gestart.Hierbij wordt aangesloten bij de (nieuwe) kerndoelen, zoals die op hetgebied van seksuele vorming en sociale veiligheid.Daarnaast vragen deze leden hoe de Minister reflecteert op de huidigepolitiek, waarin het leren over seksualiteit en genderdiversiteit steedsmeer geproblematiseerd wordt.Het vrije en open publieke debat is de kern van onze democratischerechtsstaat en de manier waarop wij samenleven. Het is dus belangrijk datiedereen zijn stem kan uiten in het maatschappelijke debat. Al hetonderwijs, dus ook het onderwijs over seksualiteit, diversiteit en relati-onele vorming, mag onderwerp zijn van dat debat. Daarin staat hetmensen vrij om binnen de grenzen van de wet kritisch te zijn over hetlesaanbod van scholen.We hebben vorig jaar gezien dat het gesprek over relationele en seksuelevorming en de Week van de Lentekriebels niet altijd open en op basis vanvolledige informatie werd gevoerd. Er ontstonden veel misverstandenover het karakter en de invulling van die week. Dit jaar is meer aandachtTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 240, nr. 13828 besteed aan het verstrekken van volledige informatie over die week.Zowel vanuit de overheid als Stichting Rutgers en andere partijen. Opdiverse plekken heeft dit al geleid tot een open en respectvol gesprektussen bijvoorbeeld de school en ouders waarin vragen werden beant-woord en zorgen werden weggenomen.Het is en blijft belangrijk dat kinderen en jongeren leren over relaties,seksualiteit en seksuele gezondheid op een manier die bij hun leeftijd pasten dat zij de juiste vaardigheden aanleren om zelf de regie te kunnenvoeren over de relaties die ze aangaan. Scholen hebben de vrijheid omhet onderwijs volgens hun eigen onderwijskundige of levensbeschouwe-lijke visie vorm te geven, maar moeten zich hierbij wel houden aan dewettelijk vastgelegde kerndoelen. De inspectie ziet toe op de kwaliteit vanhet onderwijs en grijpt waar nodig in.Daarnaast wil ik nogmaals benadrukken dat iedere leerling veilig zichzelfmoet kunnen zijn op school. Ongeacht diens achtergrond. Hoezeer eenouder of leerling het ook oneens is met hetgeen er op school wordtonderwezen, dat mag nooit leiden tot intimidatie of bedreiging. Ik roepscholen dan ook op aangifte te doen als dit gebeurt.Welke stappen onderneemt de Minister om te staan voor de seksueleontwikkeling en veiligheid van ieder kind en om te voorkomen dat ditschooljaar in de lente weer onrust ontstaat gebaseerd op onjuiste beeldenen foutieve informatie?Ik deel het beeld dat er veel foutieve informatie bestaat over het onderwijsover seksuele vorming en diversiteit. Ik wil dan ook beginnen metnogmaals duidelijk te maken waartoe scholen verplicht zijn én waar zij zelfde ruimte hebben invulling te geven aan dit onderwijs.In de kerndoelen (kerndoel 38 voor het primair onderwijs en kerndoel 53voor het speciaal onderwijs) is opgenomen dat leerlingen op de basis-school respectvol leren omgaan met seksualiteit en met diversiteit in desamenleving, waaronder seksuele diversiteit. Het kerndoel dient uiteraardop een leeftijdsadequate manier te worden aangeboden, zoals dat vooralle leergebieden geldt. Op deze manier krijgen kinderen kennis envaardigheden mee om veilig en gezond op te groeien en zich te ontwik-kelen tot zelfverzekerde, weerbare en zelfstandige jongeren die beter huneigen grenzen kunnen bewaken. Scholen hebben de vrijheid om volgenshun eigen onderwijskundige of levensbeschouwelijke visie invulling tegeven aan de kerndoelen. Scholen kiezen zelf welke lespakketten oflesmethode ze gebruiken en wanneer ze dat doen. Dat kan door deelnameaan de Week van de Lentekriebels, maar ook op een andere manier of opeen ander moment in het jaar. Noch de Week van de Lentekriebels, nochde lespakketten die Stichting Rutgers aanbeveelt, zijn verplicht. Zoals vooralle leergebieden geldt, is er een divers aanbod van lespakketten op demarkt, passend bij verschillende leeftijden en bij het diverse onder-wijsveld dat ons land kent.De reacties op de Week van de Lentekriebels in 2023 waren grotendeelsgebaseerd op verkeerde of onvolledige informatie die via (sociale) mediawerd verspreid. Zo is over de Week van Lentekriebels onterecht het beeldontstaan dat aan kinderen lesinhoud is gepresenteerd die niet passendwas voor hun leeftijd. Het lespakket wordt echter voor elke leeftijdscate-gorie samengesteld op basis van wetenschappelijke inzichten. Bovendienvertaalt de leraar de inhoud van het lespakket naar de klas en past deinhoud waar nodig aan. Ook dit jaar hadden ouders of andere betrokkensoms vragen of zorgen over de Week van de Lentekriebels. We zijndaarom dit jaar in gesprek gegaan met diverse partijen, waaronder SSV,Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 240, nr. 13829 de sectorraden en Stichting Rutgers om te bezien hoe we feitelijkeinformatie kunnen verstrekken aan scholen en ouders. We hebbenvoorafgaand aan de Week van de Lentekriebels een aantal veel gesteldevragen over relationele en seksuele vorming met bijbehorendeantwoorden op de website van rijksoverheid.nl gepubliceerd.36 StichtingRutgers en de verschillende GGD’s hebben scholen dit jaar extraondersteund in het informeren over en betrekken bij (de invulling van) deWeek van de Lentekriebels. Persoonlijk heb ik op sociale media het belangbenadrukt van een open dialoog tussen scholen en ouders/verzorgers, opbasis van volledige en feitelijke informatie. Daarbij heb ik mij explicietuitgesproken tegen de bedreigingen die scholen en andere organisatieshebben ontvangen. Dit is strafbaar en onacceptabel. Discussie over hetonderwijs mag nooit leiden tot onveiligheid op school. Wanneer dit tochtot bedreiging leidt roep ik scholen en andere organisaties op aangifte tedoen.Inbreng van de leden van de PvdA-fractie en de GroenLinks-fractieDe leden van de PvdA-fractie en de GroenLinks-fractie hebben met zorgkennisgenomen van de onderhavige brief. Twee tot vijf procent van deleerlingen en personeelsleden, die in het kader van de landelijke veilig-heidsmonitor werd ondervraagd, voelt zich in het onderwijs niet altijdveilig. Het welbevinden van bepaalde groepen leerlingen, de ontwikkelingvan de pestcijfers, het aantal geweldsincidenten en de relatief lagemeldingsbereidheid baren de Minister zorgen. Daarnaast verdienen deveiligheidssituatie van lhbtiq+-leerlingen, leerlingen met een migratieach-tergrond, meisjes en seksueel grensoverschrijdend gedrag extraaandacht. Kan de Minister toelichten wat de cijfers in dezen zijn voor het(voortgezet) speciaal onderwijs en voor het praktijkonderwijs? Wat kan deMinister, mede in het licht van onderzoek van Rutgers en Soa AidsNederland uit 2019 naar de seksuele gezondheid van jongeren in hetvoortgezet speciaal onderwijs, melden over de ontwikkelingen rondonveiligheid en seksueel grensoverschrijdend gedrag tegenover meisjesbij cluster 4-scholen?Op basis van de Landelijke Veiligheidsmonitor 2020–2021, die dit jaargepubliceerd is, kan ik helaas niets melden over het (v)so en het praktijk-onderwijs. Dat komt omdat de respons onder vso-leerlingen dermate laagwas dat er geen conclusies over deze groep getrokken kunnen worden.Deze groep is daarom in de rapportage buiten beschouwing gelaten (ziepagina 17 van de rapportage). In het antwoord op een eerdere vraag overde respons wordt ingegaan op hoe we een toereikende respons van alledoelgroepen in de toekomst beogen te waarborgen.In de vraag wordt verwezen naar het aanvullend onderzoek «Seks onder je25e, Seksuele gezondheid van jongeren in cluster 3 en 4» dat in 2019gepubliceerd is. Omdat dit een eenmalig onderzoek was, kan ik op ditmoment helaas niets zeggen over de ontwikkelingen voor de groepmeisjes op cluster-4-scholen. We zullen samen met VWS zoeken naar eenmanier om de (ontwikkeling in de) seksuele gezondheid van jongeren incluster 3 en 4 structureel beter in beeld te krijgen.Hoe verklaart de Minister de groei van de pestcijfers bij leerlingen in hetvoortgezet onderwijs van vijf procent in 2018 naar 17 procent in 2022?36https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/gezondheid-en-preventie/seksuele-gezondheid/relationele-en-seksuele-vorming/veelgestelde-vragen-over-relationele-en-seksuele-vorming.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 240, nr. 13830 De ontwikkeling van de «pestcijfers» (het aandeel leerlingen dat aangeeftwel eens gepest te zijn geweest) in het vo zijn in de Aanbiedingsbrief alsvolgt weergegeven:37201620182021202210%5%6%9% In het po zijn de cijfers consequent iets hoger. Daar is de ontwikkeling alsvolgt:201620182021202213%12%14%17% In beide sectoren is, na een daling, duidelijk sprake van een toename vanhet aantal leerlingen dat aangeeft soms of vaak gepest te worden. Demonitor geeft geen verklaring voor deze stijging. Wel is duidelijk dat ookeen stijging zichtbaar is in het aantal melding van incidenten dat bij devertrouwensinspecteurs binnenkomt.De Minister schrijft dat lhbt+-leerlingen in vergelijking met andereleerlingen vaker worden gepest en gediscrimineerd en heeft eenverkennend onderzoek laten uitvoeren naar de ervaringen met pestgedragwaardoor lhbtiq+-leerlingen worden getroffen. Gaat dit onderzoek ookinzichten opleveren in mogelijkheden voor scholen om iets te doen tegendat pestgedrag?Ja, het onderzoek waar in deze vraag aan gerefereerd wordt, biedtconcrete handelingsperspectieven voor docenten en ondersteunendpersoneel, mentoren/vertrouwenspersonen, schoolleiding en de landelijkeoverheid.38 Ik raad scholen aan deze interventies serieus te overwegen.Scholen moeten anti-pestbeleid voeren. Een school dient haar beleid af testemmen op de risico’s van onveiligheid. Wanneer blijkt dat met namelhbtiq+-leerlingen op school zich onveilig voelen, dient een school hierspecifiek beleid op te voeren. Wanneer de inspectie constateert dat eenschool dit niet op een goede manier doet, kan de inspectie de schoolhiertoe een herstelopdracht geven. Docenten en ondersteunend personeelkunnen bijvoorbeeld bijdragen aan lhbtiq+-acceptatie door het onderwerpbespreekbaar te maken. Verder is het goed als mentoren en vertrouwens-personen investeren in een goede groepsdynamiek en in het bouwen vaneen vertrouwensband. Bovendien is het belangrijk om meldingen vanpestgedrag serieus te nemen en die zorgvuldig te behandelen. Hetonderzoek biedt ook handelingsperspectieven voor de landelijke overheid.Een voorbeeld van hoe we de sociale veiligheid van alle leerlingen, en dusook lhbtiq+-leerlingen, landelijk willen bevorderen is het Wetsvoorstel vrijen veilig onderwijs.Scholen kunnen voor ondersteuning en advies op het gebied van socialeveiligheid van deze groep terecht bij SSV. SSV onderhoudt daarnaast dewebsite www.gendi.nl, met inspiratie, (les)materialen en kennis voorleraren, schoolleiders en onderwijspersoneel op het gebied van gender-en seksuele diversiteit in de klas. Voor ondersteuning specifiek op het37Kamerstukken II, 2022–23, 29 240, nr. 133.38Geerlings, J., Noordewier, Y., Kromhout, M. en van Kleef, N. (2022). Ervaringen en aanpak vanpestgedrag tegenover lhbtiq+ jongeren in het voortgezet onderwijs. Uitgevoerd door Movisiein opdracht van OCW. Bijlage bij Kamerstukken II, 2022/23, 29 240, nr. 128.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 240, nr. 13831 gebied van de acceptatie van lhbtiq+-leerlingen kunnen scholen ookterecht bij COC Nederland. Daarnaast is de wegwijzerwebsitewww.jouwveiligeschool.nl opgericht, waarop een pagina is te vindenspecifiek voor deze doelgroep. Bovendien worden met de uitbreiding vande schoolmonitor ook eisen opgenomen om leerlingen specifieker tebevragen op ervaringen van onveiligheid, waaronder discriminatie. Zokrijgen scholen scherper zicht op welke onveiligheid zich voordoet in deschool en kunnen zij gericht ingrijpen waar nodig.Verder ondersteunt het kabinet projecten en instellingen om de socialeveiligheid van specifiek lhbtiq+-leerlingen op scholen te vergroten. Zofaciliteert het kabinet initiatieven als Gender and Sexuality Alliances(GSA’s) en Paarse Vrijdag van COC Nederland en hebben we het Regen-boogloket, het project «Stil Verdriet» van Theater AanZ, SSV enLCC+/Homo in de Klas gefinancierd.De komende tijd zal ik onderzoeken op welke wijze ondersteuning op ditthema verder onder de aandacht kan worden gebracht bij scholen.De Minister noemt het beeld dat naar voren komt uit het onderzoek naarseksueel grensoverschrijdend gedrag in het onderwijs en de landelijkeveiligheidsmonitor «niet eenduidig» en hij trekt daarom geen duidelijkeconclusies. Toch benoemt de Minister dat seksueel grensoverschrijdendgedrag vaak plaatsvindt tussen leerlingen onderling, maar dat eensubstantieel deel van de leerlingen dat slachtoffer is geworden vanseksueel grensoverschrijdend gedrag te maken heeft met een dader dieeen volwassene is die werkt voor de school of er helpt. De leden van dePvdA-fractie en de GroenLinks-fractie zijn het met de Minister eens datvolwassen medewerkers als daders extra kwalijk zijn, omdat daarbij voorscholieren vaak sprake is van een afhankelijkheidsrelatie. In hoeverrevoldoet de huidige wetgeving om op te treden tegen dergelijk misbruikvan een afhankelijkheidsrelatie?Seksueel misbruik van personen die in een functionele afhankelijkheidsre-latie verkeren is strafbaar gesteld in artikel 249 van het Wetboek vanStrafrecht. Op dit moment wordt gewerkt aan modernisering van dezedentitel. Net als in het huidige Wetboek van Strafrecht wordt in hetWetsvoorstel seksuele misdrijven, dat in behandeling is bij de EersteKamer, seksueel misbruik van personen die in een functionele afhankelijk-heidsrelatie verkeren strafbaar gesteld. Daar komt bij dat met ditwetsvoorstel het indringend mondeling of schriftelijk seksueel benaderenop een wijze die schadelijk te achten is voor kinderen beneden de leeftijdvan zestien jaren strafbaar wordt gesteld.39In de onderwijswetgeving geldt daarnaast voor strafbare zedenfeiten eenmeld-, overleg- en aangifteplicht. In andere gevallen waarin iemandmisbruik maakt van een afhankelijkheidsrelatie en zich in dat verbandschuldig maakt aan niet-strafbare vormen van seksueel grensover-schrijdend gedrag, bestaat er op dit moment geen plicht om te melden bijhet bevoegd gezag of om in overleg te treden met de vertrouwensin-spectie. Daarom wordt er aan het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijsgewerkt, waarmee de meld- en overlegplicht voor seksueel misbruikwordt uitgebreid naar seksuele intimidatie. Ik verwacht dat er daardoormeer incidenten aan het licht komen en er ook vaker tegen zal kunnenworden opgetreden.39Onder bepaalde omstandigheden (voortvloeiend uit voorgesteld artikel 245, eerste lid Sr) geldtdeze strafbaarstelling ook indien deze gedragingen zijn begaan ten aanzien van een kind in deleeftijd van zestien tot achttien jaar.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 240, nr. 13832 De Minister legt een verband tussen de lage meldingsbereidheid en demate waarin meldingen geen opvolging krijgen. Kan de Ministertoelichten in hoeverre van het wetsvoorstel Vrij en veilig onderwijs valt teverwachten dat het een oplossing gaat bieden voor de problematiek vanmeldingen waarmee niets wordt gedaan?Als leerlingen zeggen dat er niets met een melding gedaan wordt of dateen melding geen zin heeft, dan moeten we dat serieus nemen en onsuiterste best doen om te zorgen dat dat juist wél gebeurt.Er is al veel gedaan om de opvolging van meldingen te verbeteren. Er iseen expertisenetwerk van partijen uit het klachtenstelsel opgezet om deonderlinge samenwerking en informatie-uitwisseling te verbeteren en omvan elkaars ervaringen te leren. Binnen dat netwerk wordt onder anderenagedacht over hoe de opvolging van meldingen kan worden verbeterd.Met het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs versterken we de positie vande vertrouwenspersoon en leggen we diens taak om het bevoegd gezaggevraagd en ongevraagd te adviseren ook vast. Daarnaast zal het bevoegdgezag het jaarlijkse verslag van de vertrouwenspersoon moetenmeenemen in de jaarlijkse evaluatie van het veiligheidsbeleid. Verderwordt de meld- en overlegplicht uitgebreid naar seksuele intimidatie endaarbij wordt de minderjarigheidsgrens geschrapt. Tot slot wordt ook hetklachtenstelsel versterkt waarbij onder andere de aansluiting bij eenlandelijke klachtencommissie verplicht wordt gesteld. Van deze maatre-gelen verwacht ik dat ze ervoor zorgen dat het minder vaak voorkomt dater met meldingen niets gebeurt.Zal een meldplicht die zich beperkt tot ernstige incidenten de lat niet tehoog leggen, zodat alsnog veel incidenten buiten beeld blijven?De meldplicht ernstige incidenten dient te worden gezien als onderdeelvan het gehele pakket aan maatregelen, zoals dat uiteen is gezet in deinleiding van mijn beantwoording. Ten aanzien van veiligheidsincidentendie onder de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag plaatsvinden,wordt er in de eerste plaats een incidentenregistratie verplicht gesteldvoor scholen. Deze zal de inspectie in kunnen zien wanneer zij langsgaanop scholen. Alleen voor ernstige veiligheidsincidenten wordt het bevoegdgezag verplicht gesteld om onverwijld te melden aan de inspectie. Deinspectie zal deze meldingen betrekken bij haar toezicht op de nalevingvan de wettelijke zorgplicht sociale veiligheid, samen met gegevens uit dejaarlijkse monitoring, de incidentenregistratie, eventuele andere signalenen het veiligheidsbeleid. Op basis daarvan bepaalt ze welke acties nodigzijn.In deze combinatie van de registratieplicht en de meldplicht is afgewogenwanneer een veiligheidsincident kan worden overgelaten aan depedagogische en didactische professionaliteit van scholen en onderwijs-personeel en wanneer de inspectie hoe dan ook op de hoogte gestelddient te worden. Daarbij is de ernst van het incident en de impact die hetkan hebben bepalend. Bij veiligheidsincidenten is het vooral van belangdat de school er zicht op heeft en vanuit haar professionaliteit handelt.Scholen zijn in de meeste gevallen ook goed in staat (kleinere) veiligheids-incidenten (denk hierbij aan het vernielen van een prullenbak) af tehandelen en op te lossen. Daarvoor hoeft de inspectie geen direct zicht tehebben op deze incidenten. Het melden van al die incidenten zou dusleiden tot een disproportionele administratieve lastenverzwaring voorscholen en ook vragen om veel extra capaciteit bij de inspectie. Deinspectie kan wel de incidentenregistratie van scholen inzien bij eenbezoek aan een school of als er zorgen bestaan over de veiligheid op eenschool.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 240, nr. 13833 Is het goed mogelijk om een voldoende vervolg te geven aan het Manifestvoor betere seksuele vorming, dat de Minister samen met regeringscom-missaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld inontvangst heeft genomen van Rutgers, zolang basisscholen op bijzonderegrondslag de vrijheid kunnen claimen om, bij onderwijs over seksuelediversiteit in het kader van kerndoel 37, vanuit bijvoorbeeld de levensover-tuiging een contraverhaal te laten vertellen als leidend verhaal?Ja. Vrijheid van onderwijs is geen vrijbrief voor onveiligheid vanleerlingen.Kerndoel 38 (po) en kerndoel 53 ((v)so) beschrijven onder andere datleerlingen respectvol leren omgaan met seksualiteit en met diversiteit inde samenleving, waaronder seksuele diversiteit. Op grond van artikel 9van de Wet op het primair onderwijs geldt voor scholen dat zij aan heteind van het basisonderwijs alle kerndoelen aangeboden moeten hebben.De wettelijke burgerschapsopdracht benadrukt daarnaast dat bevorderingvan burgerschap en sociale cohesie een taak is die om gerichte aandachtvan scholen vraagt. Scholen hebben de plicht om zorg te dragen voor eenschoolcultuur die in overeenstemming is met de waarden vrijheid,gelijkwaardigheid en solidariteit en voor een omgeving waarin leerlingenen personeel zich veilig en geaccepteerd weten, ongeacht onder meer hunseksuele gerichtheid. Daarnaast hebben scholen een zorgplicht voor desociale veiligheid op school. Voor iedere leerling, ongeacht hun geloofs-overtuiging of seksuele gerichtheid, moet de school een sociaal veiligeomgeving kunnen zijn. Dat betekent dat het onderwijs over seksualiteit en(seksuele) diversiteit dat zij in het kader van de genoemde kerndoelenverzorgen niet mag bijdragen aan een sociaal onveilige omgeving voor(bepaalde) leerlingen.Scholen bepalen zelf hoe zij de veiligheid op school borgen en hoe zij dekerndoelen en de burgerschapsopdracht invullen. Ze hebben de vrijheidom dit te doen volgens hun eigen (onderwijskundige of levensbeschou-welijke) visie, zolang ze daarbij aan de wettelijke eisen blijven voldoen.Tot slot vragen de leden van de PvdA-fractie en de GroenLinks-fractiewanneer de Kamer een brief tegemoet kan zien over de opbrengsten vanhet gesprek met de PO-raad, VO-raad en het LAKS over mogelijkhedenom leerlingen meer te betrekken bij het schoolbeleid rondom socialeveiligheid. Zullen de mogelijkheden worden beperkt tot best practices diescholen ook naast zich kunnen neerleggen of komt er ook dwingenderegelgeving waaraan alle scholen zich moeten houden in beeld?Het LAKS richt zich dit schooljaar specifiek op het thema sociale veiligheiden wat dit voor leerlingen betekent. Daarbij gaat zij met leerlingen ingesprek over hun ervaringen met sociale veiligheid en onveiligheid enover hoe zij over dit thema denken. Een deel van de scholen is op dit vlakoverigens al goed bezig en organiseert bijvoorbeeld focusgroepen metleerlingen waarin leerlingen praten over hun veiligheidsbeleving en overhun wensen op dit gebied.Daarnaast worden scholen in het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijsverplicht om jaarlijks het veiligheidsbeleid te evalueren op basis van eenaantal standaard bronnen, waaronder de uitkomsten van de jaarlijksemonitor van de veiligheidsbeleving. Deze evaluatie, inclusief een overzichtvan het aantal bij het bevoegd gezag ingediende klachten en het aantaldoor het bevoegd gezag ontvangen signalen omtrent sociale onveiligheid,dient met de medezeggenschapsraad gedeeld te worden. Bij de imple-mentatie van het wetsvoorstel zal ook expliciet aandacht worden besteedTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 240, nr. 13834 aan de wenselijkheid van het betrekken van leerlingen bij de formuleringen de evaluatie van het beleid op dit vlak. Over de manier waarop dit kanworden gestimuleerd ga ik met de PO-Raad, de VO-raad en het LAKS ingesprek. Tegen die tijd zal uw Kamer worden geïnformeerd over deuitwerking hiervan.In hoeverre blijft bijvoorbeeld ook aan scholen de keus om een GSA op terichten als deze (nog) niet bestaat?Het is voor scholen niet verplicht een GSA te hebben. Scholen in hetfunderend onderwijs hebben een zorgplicht voor een sociaal veiligschoolklimaat. Zij mogen zelf bepalen op welke manier zij daar invullingaan geven. Bovendien gebeurt het oprichten van een GSA op initiatief vanleerlingen zelf, eventueel in samenwerking met leraren of ander onder-wijspersoneel. Een verplichting kan averechts werken en is daarom nietwenselijk.Niettemin hebben GSA’s een bewezen positief effect op de socialeveiligheid van lhbtiq+-leerlingen.40 De oprichting op initiatief vanleerlingen zelf is een wezenlijk onderdeel van de effectiviteit ervan. Hetondersteunen van een GSA, als initiatief van leerlingen zelf, kan bijdragenaan de veiligheid van lhbtiq+-leerlingen. Ik roep scholen waar nog geenGSA is daarom op om hun leerlingen aan te moedigen er een op terichten en om dat mogelijk te maken en te ondersteunen.Inbreng van de leden van de ChristenUnie-fractieDe leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van deonderhavige stukken en hebben op enkele punten nog behoefte aan eentoelichting.De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in de monitor dat de meldings-bereidheid van pesten en geweldsincidenten laag is. De onderzoekersschrijven, zo lezen deze leden, dat deze verhoogd dient te worden doorduidelijke richtlijnen op te stellen welke incidenten gemeld moetenworden door leerlingen en personeel, deze in de school breed bekend temaken, regelmatig te evalueren en indien nodig bij te stellen. Een actiefopvolgingsbeleid en goede nazorg zijn daarnaast ook van groot belang.Krijgen deze aanbevelingen ook een plaats in de aanpak van de Minister?Zo ja, op welke manier?Het signaal dat incidenten weinig gemeld worden en dat er weinig meegedaan wordt, is verontrustend. Dat moeten we serieus nemen. Dedrempel om te melden moet omlaag en meldingen moeten adequaatworden opgevolgd. Op die manier kan het vertrouwen in het stelsel vanmelden en klachten weer worden opgebouwd.De aanbevelingen krijgen gevolg in het Wetsvoorstel vrij en veiligonderwijs en de implementatie hiervan. Zo wordt er een registratieplichtgeregeld omtrent veiligheidsincidenten om scholen te stimuleren lering tetrekken uit trends en voorgaande incidenten. Hierdoor is het voor scholenduidelijk welke incidenten binnen de school gemeld en geregistreerddienen te worden zodat deze bij de evaluatie betrokken kunnen worden.Ook de uitbreiding van de meld- en overlegplicht ten aanzien van seksueelgrensoverschrijdend gedrag (waaronder dan ook seksuele intimidatie)maakt het voor scholen duidelijk dat dit soort situaties bij de schoolleiding40Vijlbrief, A. & Felten, H. (2018). Samen sterk met een GSA Onderzoek naar de ervaren baat vanGSA’s onder LHBT-leerlingen op het vmbo. Utrecht: Movisie en Universiteit van Amsterdam.Bijlage bij Kamerstukken II, 2018–19, 31 511 nr. 31.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 240, nr. 13835 gemeld moeten worden zodat het bevoegd gezag ze met de vertrouwens-inspecteurs kan bespreken.Het wetsvoorstel regelt daarnaast dat scholen verplicht worden om eeninterne én externe vertrouwenspersoon aan te wijzen. Zo kunnenleerlingen altijd bij een onafhankelijke vertrouwenspersoon terecht. Weversterken ook de positie van de vertrouwenspersoon en leggen dienstaak om het bevoegd gezag gevraagd en ongevraagd te adviseren ookvast. Daarnaast zal het bevoegd gezag het jaarlijkse verslag van devertrouwenspersoon moeten meenemen in de jaarlijkse evaluatie van hetveiligheidsbeleid. Op deze manier zal het bevoegd gezag zich snellergeroepen voelen om iets met meldingen te doen en zullen meldingen enklachten ook een indirecte opvolging krijgen in het gevoerde veiligheids-beleid.De leden van de ChristenUnie-fractie lezen verder dat de Minister specifiekzorgen uit over het welbevinden van lhbti-leerlingen, leerlingen met eenmigratieachtergrond en meisjes. Deze leden delen deze zorgen en zijn heteens met de Minister dat hun veiligheidssituatie extra aandacht verdient.De leden lezen in de monitor niet of bijvoorbeeld leerlingen met eenbeperking of met een andere geloofsachtergrond ten opzichte van andereleerlingen ook een minder positief welbevinden laten zien en dus extraaandacht zouden verdienen. Betekent het ontbreken van cijfers hieroverdat er geen significante verschillen zijn? Denkt de Minister dat specialeaandacht voor deze of andere groepen leerlingen noodzakelijk is?Iedere leerling moet veilig zichzelf kunnen zijn op school. Als het gaat overleerlingen met een beperking, dan betreft dat een zeer diverse groepleerlingen, waaronder leerlingen met een fysieke, verstandelijke ofpsychische beperking. Het is heel lastig om voor die diverse groep eenalgemeen landelijk beeld van hun welbevinden of sociale veiligheid teschetsen. In de Landelijke veiligheidsmonitor 2021–2022 is niet specifiekgevraagd naar beperkingen en daarom kunnen daar geen conclusies overworden getrokken. Er zal in overleg met de onderzoekers worden gekekennaar een manier om in de komende edities van de Landelijke veiligheids-monitor leerlingen specifiek te bevragen over hun eventuele beperkingen.Ook worden verschillen in welbevinden tussen leerlingen met verschil-lende geloofsachtergronden niet genoemd in de Landelijke veiligheidsmo-nitor 2021–2022. Uit een additionele analyse door de onderzoekers van dedata waarop de Landelijke veiligheidsmonitor is gebaseerd, blijkt dat ermaar kleine verschillen zijn in welbevinden tussen leerlingen metverschillende geloofsachtergronden. Gezien de kleine verschillen zie ikgeen reden om hier uitgebreider op in te gaan in de rapportage over delandelijke cijfers. Op lokaal niveau kunnen deze verschillen echter welbestaan. Wanneer een groep leerlingen met een bepaalde geloofsachter-grond zich minder veilig of fijn voelt doordat zij bijvoorbeeld gepestworden, dient de school passende stappen te zetten om dit aan te pakkenen zo nodig het veiligheidsbeleid aan te scherpen.Tot slot merken de leden van de ChristenUnie-fractie op dat sociale mediategenwoordig een grote impact hebben op de sociale veiligheid opscholen. Zo was recent in het nieuws dat er op een school een gemanipu-leerde video met kinderporno is verspreid. Er zijn ook zorgen overzogeheten «juice-accounts». Deze leden vragen of deze ontwikkelingeneen extra aanpak vereisen. Is de Minister bereid om te kijken of het nodigis om scholen te ondersteunen in de aanpak hiertegen en zo ja, op welkemanier?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 240, nr. 13836 Er is al passende ondersteuning beschikbaar voor scholen wanneer zich(online) onveiligheid voordoet. Goed beleid begint echter met maatre-gelen om dit soort onveiligheid te voorkomen. Schoolbesturen zijnverantwoordelijk voor een veilige digitale schoolomgeving. Vanuit hetprogramma Digitaal Veilig Onderwijs worden scholen ondersteund omvoldoende maatregelen voor informatiebeveiliging en privacy te nemen,zodat leerlingen in een veilige online omgeving kunnen leren en hunpersoonlijke informatie goed beschermd is. Daarnaast is het onderwijsover mediawijsheid van groot belang. Dit jaar zijn de nieuwe concept-kerndoelen rondom digitale geletterdheid naar uw Kamer gestuurd. Dezekerndoelen gaan ook over privacy, veiligheid en online identiteit. Erbestaat op dit moment ook al ondersteuning voor het onderwijs op ditgebied. Zo biedt het netwerk Mediawijsheid informatie en tools dieonderwijspersoneel kan gebruiken en is het Expertisepunt digitalegeletterdheid afgelopen najaar opgericht om inspiratie en informatie tebieden over hoe digitale geletterdheid (waaronder mediawijsheid) opschool geïmplementeerd kan worden.Elk incident vereist een eigen afweging en aanpak. Daarbij kan onder-steuning van buiten erg belangrijk zijn. Zeker als scholen wordengeconfronteerd met ernstige incidenten zoals een gemanipuleerde videoof een nieuwe vorm van online pesten. Daarom zijn er ook verschillendeondersteuningsstructuren beschikbaar. SSV adviseert scholen op hetgebied van (online) sociale veiligheid en gaat ook steeds in op actueleontwikkelingen en de specifieke uitdagingen die daarbij kunnen komenkijken. Zo heeft SSV onlangs een artikel gepubliceerd over hoe scholenkunnen omgaan met zogenoemde «Gossip Girl» accounts. Ook kunnenscholen voor verdere ondersteuning contact opnemen met de advieslijnvan SSV.Als het gaat over zaken als discriminatie, materiaal van online seksueelkindermisbruik of (gemanipuleerde) wraakporno, is het zaak dat slacht-offers van deze vormen van illegale content snel worden geholpen.Hiertoe faciliteert de overheid Meld.Online Discriminatie (M.OD), hetMeldpunt Kinderporno en Helpwanted. Bij M.OD kunnen slachtoffers vanstrafbare discriminatoire online content terecht. Indien hiervan sprake is,wordt door M.OD naar de internettussenpersoon bij wie deze contentstaat een verwijderverzoek gestuurd. Via het Meldpunt Kinderporno kanmelding worden gedaan van materiaal van online seksueel misbruik vanminderjarigen. Ook dit meldpunt stuurt verwijderverzoeken in het gevalvan strafbaar materiaal. Verder is er ondersteuning beschikbaar vanuitHelpwanted. Helpwanted is een hulplijn voor online grensoverschrijdendgedrag. Slachtoffers die hiermee te maken hebben, maar ook bijvoorbeeldouders en docenten, kunnen bij deze voorziening terecht voor informatieen advies. In het geval van illegale content kan Helpwanted dit onder deaandacht brengen bij internettussenpersonen met wie zij goede contactenonderhouden. Vanuit het Ministerie van JenV wordt momenteel insamenwerking met Helpwanted een pilot uitgevoerd als onderdeel vanhet voornemen om een laagdrempelige meldvoorziening in te richten ommelders te ondersteunen met informatie, hulp om een verwijderverzoek inte dienen of doorverwijzing naar een andere partij te faciliteren (zoals 113,politie of slachtofferhulp). Hiermee wordt invulling gegeven aan demotie-Van Nispen.4141Kamerstukken II, 2017–18, 31 015, nr. 138.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 240, nr. 13837 Verder is er voor zowel het vo als het po een wegwijzer online seksualiteitvoor schoolteams, leraren en ouders.42 De wegwijzers bieden onder-steuning en advies voor schoolteams, leraren en ouders over hoe zij omkunnen gaan met bijvoorbeeld de ongewenste verspreiding van seksueelgetinte foto’s of filmpjes onder jongeren. De Ministeries van JenV, OCW,en VWS kijken op dit moment hoe de wegwijzers kunnen wordengeactualiseerd en opnieuw onder de aandacht kunnen worden gebracht.Inbreng van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de deelrap-porten over de Landelijke Veiligheidsmonitor 2021–2022 in het basis- envoortgezet onderwijs en het onderzoek naar seksueel grensoverschrijdendgedrag in het onderwijs, evenals de bevindingen en conclusies die deMinister hieruit trekt.43 Ze hebben nog een aantal vragen.In de brief geeft de Minister aan dat het aantal pestgevallen in hetbasisonderwijs ten opzichte van 2021 is toegenomen. De leden van deBBB-fractie vragen daarom hoe de Minister denkt over het interventieon-derzoek naar gezonde schoolpleinen van de Wageningen University &Research, waarin wordt geconcludeerd dat er op deze pleinen minderruzie en pestgedrag voorkomt.44Er zijn meerdere onderzoeken die naar de effecten van inrichting van hetschoolplein kijken, zoals het genoemde interventieonderzoek vanWageningen University & Research uit 2017. Dit interventieonderzoek isdestijds uitgevoerd op vier po-scholen. Eén van de onderzoeksuitkomstenwas inderdaad dat het sociaal klimaat iets positiever was. Sinds 2014 is ervanuit de Rijksoverheid, onder andere vanuit de Ministeries van OCW enVWS op verschillende manieren aandacht besteed aan gezonde school-pleinen. Op dit moment subsidieert het Ministerie van VWS de stichtingJantje Beton voor gezonde schoolpleinen. De focus ligt hierbij op hetstimuleren van een beweegvriendelijke, groene inrichting van hetschoolplein die kinderen uitnodigt meer te spelen en te bewegen. Hierbijis niet expliciet aandacht voor het voorkómen van ruzie en pestgedrag,maar dit kan uiteraard een zeer gewenst neveneffect zijn. Groenblauweschoolpleinen vormen een van de aandachtspunten in het Uitvoe-ringsplan Duurzaamheid in het Onderwijs. Onderdeel van dat plan is datwe gaan inventariseren wat er nu al gebeurt bij provincies, gemeenten enwaterschappen, en gaan kijken wat er nog meer nodig is om devergroening van schoolpleinen op een juiste manier verder tebrengen.45, 46Daarbij is het belangrijk om te benoemen dat pesten helaas niet beperkt istot het schoolplein, maar bijvoorbeeld ook in de klas, bij de sportclub ofonline kan plaatsvinden. Beleid omtrent het schoolplein is dus geenoplossing op zichzelf maar kan onderdeel zijn van een breder integraalschool- en veiligheidsbeleid.42Deze wegwijzers zijn te vinden op: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/seksuele-misdrijven/vraag-en-antwoord/wat-kan-ik-als-school-of-ouder-doen-tegen-ongewenste-sexting43Kamerstuk 29 240, nr. 13344Wageningen University & Research, augustus 2017, «Interventiestudie Gezonde School-pleinen»45In de reactie op het schriftelijk overleg inzake de periodieke voortgang onderwijshuisvestingwordt dieper ingegaan op het onderwerp groene schoolpleinen. Zie Kamerstukken II, 2023–24,36 410 VIII, nr. 119.46De Staatssecretaris van IenW zal deze zomer een Kamerbrief sturen over circulaire klimaat-maatregelen, waarin ook over het uitvoeringsplan Duurzaamheid in het Onderwijs zal wordenuitgeweid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 240, nr. 13838 Deelt de Minister de mening dat er meer aandacht moet worden besteedaan preventieve maatregelen, zoals deze gezonde schoolpleinen, ompesten te voorkomen? Zo ja, hoe zou dat kunnen?In de sectorwetten is geregeld dat scholen een plicht hebben om te zorgenvoor een veilig schoolklimaat. Er is echter niet één oplossing om deveiligheid op school te vergroten. Het vereist een integrale aanpak.Preventie is daarbij essentieel. De school is verantwoordelijk om vanuithaar eigen professionaliteit een aanpak te organiseren die past bij decontext van de school. Een gezond schoolplein kan een onderdeel zijn vaneen aanpak tegen pesten. Gezonde School, gefinancierd door deMinisteries van VWS, OCW, SZW en LNV, biedt advies en ondersteuningvoor scholen die hier meer over willen weten. Dit is echter één maatregeldie moet passen binnen een bredere en integrale aanpak van veiligheidop school. Het digitale veiligheidsplan van SSV kan scholen ondersteunenbij de uitwerking van een integrale aanpak. Ook kunnen zij terecht bij deadvieslijn van SSV. Voor specifieke interventies omtrent pesten biedt ookhet Nederlands Jeugd Instituut een overzicht van bewezen effectievemethodes.De leden van de BBB-fractie lezen ook dat voorlichting over seksueelgrensoverschrijdend gedrag moet aansluiten bij de belevingswereld enontwikkelingsfase van de betreffende leerlingen. Hoewel deze ledentevreden zijn met de preventieve inzet, vragen zij ook hoe de Minister ditwil uitvoeren in het basisonderwijs gezien de jonge leeftijd van deleerlingen.Vanaf de geboorte maken kinderen en jongeren verschillende fases in hunontwikkeling mee. Ze ontdekken hun lichaam, vormen een beeld vanzichzelf en leren over hoe je met elkaar omgaat. Daarom is het belangrijkom juist al in het po aandacht te besteden aan het opbouwen van eenpositief zelfbeeld, vriendschap, liefde en aan het bespreekbaar maken enrespecteren van elkaars wensen en grenzen. Ook staat het werken aan eenveilige en open schoolcultuur voorop. Diverse lespakketten en lesmate-rialen, maar ook de dagelijkse praktijk in de klas bieden een goedeleeromgeving voor kinderen om te leren over het herkennen en aangevenvan grenzen. Het is daarbij uiteraard van groot belang dat de lesstof pastbij de belevingswereld van het kind. In verschillende lespakketten wordtrekening gehouden met de leeftijd en belevingswereld van het kind. Zowordt in het lespakket Kriebels in je Buik vanaf groep 1 onder andereaandacht besteed aan het feit dat iedereen uniek is en hoe je het kanaangeven als je aangeraakt wordt en dat niet wil. In het lespakketWonderlijk Gemaakt wordt ook in groep 1 aandacht besteed aan welkelichaamsdelen privé zijn en dat niemand je mag aanraken zonder dat jedat wil. In groep 8 leren kinderen onder andere hoe zij veilig gebruikkunnen maken van sociale media. Door de leerjaren kan de leraar delesstof opbouwen. Met die doorlopende leerlijn leren leerlingen grenzenook vanaf jonge leeftijd herkennen en aangeven.Ook lezen de leden van de BBB-fractie in het eindrapport over seksueelgrensoverschrijdend gedrag in het onderwijs dat wordt geadviseerd omde sollicitatieprocedure van leraren aan te scherpen door naast een VOGook referenties op te vragen.47 In het rapport wordt echter ook genoemddat vanwege het lerarentekort niet altijd voldoende grondig wordtgecontroleerd op achtergrond en referenties bij het aannemen vanpersoneel. Hierdoor vragen deze leden of deze aanscherping welverstandig is, gezien het lerarentekort en pas afgestudeerde studenten47ResearchNed, Praktikon en KBA Nijmegen, april 2023, «Eindrapport Seksueel grensover-schrijdend gedrag in het onderwijs»Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 240, nr. 13839 zonder referenties. Is de Minister het hiermee eens? Zo ja, kan de Ministerdan laten weten welke andere maatregelen kunnen worden genomen omde screening van leraren te verbeteren?Een VOG-screening is belangrijk, maar vormt slechts een onderdeel vaneen breder veiligheidsbeleid dat gevoerd moet worden om de veiligheidvan leerlingen te waarborgen. Met een VOG-aanvraag wordt namelijkalleen onderzocht of het justitiële verleden een belemmering vormt voorde uitoefening van een specifieke taak of functie in de maatschappij. Het isdus geen voorspeller van (het functioneren van de werknemer in) detoekomst. Aanvullende maatregelen zijn dus nodig om sociale onvei-ligheid zo veel mogelijk te voorkomen.Schoolbesturen mogen zelf bepalen hoe zij invulling geven aan hunwettelijke zorgplicht voor het sociale veiligheidsklimaat. Het lerarentekortontslaat hen niet van hun zorgplicht. Dus ook wanneer er te weinig lerarenzijn, is het belangrijk om niet zomaar iemand voor de klas te zetten.Aangezien leraren en ander schoolpersoneel een grote invloed hebben opde realisering van een veilig schoolklimaat, is het belangrijk dat voor dezefuncties geschikte mensen worden aangenomen. Naast de verplichteVOG-screening is het wat mij betreft dus niet meer dan logisch dat er eengedegen aannamebeleid wordt gevoerd, door bijvoorbeeld ookreferenties op te vragen bij voorgaande werkgevers. We zullen met desectorraden bespreken hoe we besturen het beste kunnen aanzetten tothet inwinnen van referenties. Als het om pas afgestudeerden gaat, is ersprake van een beperkt arbeidsverleden. In dat geval kunnen ook bijstageplekken referenties worden ingewonnen. Daarnaast is het vanbelang dat er diverse andere maatregelen genomen worden om desociale veiligheid op scholen te borgen. Het beter screenen van lerarenwordt meegenomen in de verkenning van de mogelijkheden om deVOG-regels in het onderwijs aan te scherpen. Daarover wordt in hettweede kwartaal van 2024 een brief aan uw Kamer gestuurd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 240, nr. 13840

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 5058f968d15111a1

14 okt 2026 · 6ae8bfd21a95405b

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.