Nota naar aanleiding van het verslag
Brontekst
Versie e6239266b0bab501 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 835Implementatie van Richtlijn (EU) 2024/1712 vanhet Europees Parlement en de Raad van 13 juni2024 tot wijziging van Richtlijn 2011/36/EUinzake de voorkoming en bestrijding vanmensenhandel en de bescherming vanslachtoffers daarvan (Implementatiewetherziene Europese richtlijn mensenhandel)Nr. 6 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAGOntvangen 18 maart 2026 I. Algemeen Met veel belangstelling heb ik kennisgenomen van het verslag van devaste commissie voor Justitie en Veiligheid. De fracties van D66, PVV,VVD, CDA, JA21, BBB en ChristenUnie hebben naar aanleiding van hetwetsvoorstel nog enkele vragen. Ik dank de leden van voornoemdefracties voor de door hen gestelde vragen over verschillende aspecten vanhet wetsvoorstel, die mij in de gelegenheid stellen om die onderdelen vaneen nadere toelichting te voorzien. Tevens ben ik ingegaan op vragen dieraken aan het bredere beleidskader voor de aanpak van mensenhandel.Ook via de periodieke voortgangsbrieven en commissiedebatten blijf ikgraag met uw Kamer in gesprek over de integrale aanpak van mensen-handel, waaronder de stappen die worden gezet ter uitvoering van hetActieplan Samen tegen mensenhandel. Bij de beantwoording is groten-deels de indeling van het verslag gevolgd. Waar dit de duidelijkheid tengoede komt, is een aantal vragen samen beantwoord.1. Inleiding De leden van de D66-fractie spreken hun dank uit voor het wetsvoorstel ende memorie van toelichting. Zij onderschrijven het belang van eenkrachtige, samenhangende en gemoderniseerde aanpak van mensen-handel, waarbij bescherming van slachtoffers en een effectieve bestrijdingvan daders centraal staan. Mensenhandel is, aldus deze leden, een zeeringrijpende mensenrechtenschending die vaak niet duidelijk zichtbaar isvoor de samenleving. Slachtoffers worden vaak langdurig geconfronteerdmet lichamelijk en psychische schade, met verlies van autonomie,schuldgevoelens en angst. Zij beoordelen het dan ook positief dat degemoderniseerde Europese richtlijn mensenhandel tot stand is gebracht,zodat slachtoffers beter worden beschermd en uitbuiters beter kunnenworden aangepakt. Deze leden zien ook dat, zoals ook aangegeven in dememorie van toelichting, de Nederlandse wet- en regelgeving al groten-deels in lijn is met de herziene Europese richtlijn mensenhandel. De kst-36835-6ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 61 enkele vragen die deze leden nog hebben, voorzie ik in deze nota naaraanleiding van het verslag graag van een antwoord.De leden van de PVV-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan het wetsvoorstel en de daarbij behorende stukken. Het verheugt mijdat deze leden voorstander zijn van een stevige en effectieve aanpak vanmensenhandel. Tegen deze achtergrond hebben zij een aantal vragen.Graag ga ik daarop hieronder nader in.Ik stel het zeer op prijs dat de leden van de VVD-fractie met belangstellinghebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden benadrukkendat mensenhandel een verwoestende vorm van criminaliteit is en dat hettegengaan van dit mensonterende delict een grote prioriteit moet zijn enblijven. Zij onderschrijven het doel van de herziene richtlijn en steunen hetwetsvoorstel. Deze leden stellen nog enkele vragen en maken nog eenpaar opmerkingen, die verderop in deze nota naar aanleiding van hetverslag van een antwoord zijn voorzien.Ook de leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisge-nomen van het wetsvoorstel en danken de regering voor dit wetsvoorstel.Deze leden maken graag van de gelegenheid gebruik om aanvullendevragen te stellen over de voorgestelde wijzigingen, de gemaakte keuzes inde implementatie en de gevolgen voor de praktijk. Deze vragen voorzie ikgraag van een antwoord.De leden van de JA21-fractie hebben met interesse kennisgenomen vanhet wetsvoorstel en hopen dat het zal bijdragen aan de bestrijding vanmensenhandel. Ook de door deze leden gestelde vragen beantwoord ikgraag in het hiernavolgende.De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van hetwetsvoorstel. Deze leden hebben hierover nog een aantal vragen,waarvoor ik hen erkentelijk ben en waarop in het vervolg van deze notazal worden ingegaan.Ook de leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van hetwetsvoorstel. Deze leden hebben naar aanleiding van dit wetsvoorstel nogenkele vragen, welke ik graag van een antwoord voorzie.De leden van de VVD-fractie brengen naar voren dat de economischeschade als gevolg van mensenhandel in de EU wordt geschat op 2,7miljard euro per jaar en willen weten of er een concreet doel is vastgelegdom dit bedrag te verlagen.De centrale doelen van de aanpak van mensenhandel zijn het voorkomenen bestrijden van mensenhandel, en het beschermen van slachtoffersdaarvan. Het beperken van economische schade als gevolg van mensen-handel is geen afzonderlijk doel, maar kan wel een wenselijk neveneffectzijn van een effectieve aanpak. Nationaal zijn – ter concretisering van destrafrechtelijke bestrijding van mensenhandel – in de Veiligheidsagenda2023–2026 de doelstellingen voor het opsporen van mensenhandelbenoemd. Verdere beleidsmatige doelen zijn opgenomen in het ActieplanSamen tegen mensenhandel.11Zie www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2023/10/18/actieplan-samen-tegen-mensenhandel.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 62 Ook vragen deze leden of een inschatting kan worden gegeven van deverwachte effecten van het onderhavige wetsvoorstel op de aangiftebe-reidheid, het percentage zaken dat wordt geseponeerd en het aantal zakendat het OM aanbrengt bij de rechter.Dit wetsvoorstel strekt tot aanpassing van twee strafbaarstellingen. Hetgaat allereerst om een aanvulling van de strafbepaling van mensenhandel(artikel 273f Sr), door daarin te expliciteren dat dit misdrijf zich kanmanifesteren in de uitbuiting van een persoon bij respectievelijk draag-moederschap, gedwongen huwelijken en illegale adoptie. Hoewelhiermee geen verandering wordt aangebracht in de reikwijdte van ditdelict – ook naar huidig recht kunnen deze verschijningsvormen vanuitbuiting binnen het bereik van mensenhandel vallen2 – kan dezeexplicitering wel de kenbaarheid hiervan vergroten. In de tweede plaatswordt de bestaande strafbaarstelling van, kort gezegd, het opzettelijkgebruikmaken van seksuele dienstverlening door een slachtoffer vanmensenhandel (artikel 273g Sr) verbreed tot andere soorten dienstver-lening. In zijn consultatieadvies heeft het OM aangegeven dat devoorgestelde verbreding van deze strafbaarstelling kan leiden tot eenbeperkte toename van strafzaken. Ook de Raad voor de rechtspraak en deNederlandse Arbeidsinspectie verwachten een beperkte toename van hetaantal strafzaken.3 De Raad voor de rechtspraak heeft te kennen gegevendat de rechtspraak 24 extra strafzaken per jaar verwacht.Het onderhavige implementatiewetsvoorstel bevat overigens geenmaatregelen die specifiek zien op het vergroten van de aangiftebe-reidheid. Dat neemt niet weg dat het kabinet het van belang acht om in tezetten op het vergroten daarvan. Er lopen dan ook verschillende actie-lijnen die ertoe strekken de meldings- en aangiftebereidheid te vergroten.In antwoord op Kamervragen van het lid Bikker zijn deze actielijnen naderbeschreven.4 Het gaat onder andere om het creëren van brederebewustwording (ook bij specifieke groepen die in aanraking komen metmensenhandel), het oprichten van een centraal informatiepunt en eenverkenning naar gerichte maatregelen om de verklarings- en meldingsbe-reidheid van slachtoffers te vergroten.Daarnaast willen de aan het woord zijnde leden weten waarom deherziene Europese richtlijn mensenhandel door middel van ditwetsvoorstel alleen in het Europees deel van Nederland wordt omgezet.Zoals ook deze leden constateren, strekt dit wetsvoorstel tot implemen-tatie van een EU-richtlijn: Richtlijn (EU) 2024/1712 van het EuropeesParlement en de Raad van 13 juni 2024 tot wijziging van Richtlijn2011/36/EU inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en debescherming van slachtoffers daarvan (hierna: «de Herzieningsrichtlijn» of«de herziene Europese richtlijn mensenhandel»). Deze EU-regelgevinggeldt alleen voor het Europese deel van Nederland. Bonaire, SintEustatius en Saba hebben ten opzichte van de Europese Unie de statusvan landen en gebieden overzee (LGO), waarvoor die richtlijn niet geldt.5Dit brengt mee dat de herziene Europese richtlijn mensenhandel enkelverplicht tot omzetting in het Europese deel van Nederland. Gelet op denoodzaak van tijdige implementatie zijn in het onderhavige implementa-tiewetsvoorstel geen andere onderdelen opgenomen dan voor deimplementatie noodzakelijk zijn.6 De implementatietermijn van de2Zo ook overweging 6 van Richtlijn (EU) 2024/1712 (de herziene Europese richtlijn mensen-handel).3Zie nader Kamerstukken II 2025/26, 36 835, nr. 3, p. 27.4Aanhangsel Handelingen II 2025/26, nr. 502.5Aanwijzingen voor de regelgeving, aanwijzing 2.16.6Aanwijzingen voor de regelgeving, aanwijzing 9.4.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 63 Herzieningsrichtlijn loopt af op 15 juli 2026 (artikel 2, eerste lid, van deHerzieningsrichtlijn). Tegen deze achtergrond is ervoor gekozen dereikwijdte van het wetsvoorstel dat strekt tot implementatie van deEU-richtlijn – zoals gebruikelijk – te beperken tot het Europese deel vanNederland.De leden van de VVD-fractie vragen naar de laatste stand van zaken en destappen die in 2026 zullen worden gezet met betrekking tot de uitvoeringvan de motie-Verkuijlen.7De door deze leden genoemde motie verzoekt het tegengaan van misbruikvan de B8/3-regeling te betrekken bij het Actieplan Samen tegen mensen-handel, en de Kamer hierover te informeren bij de eerstvolgende briefover het actieplan. Naar aanleiding hiervan is in de «VoortgangsbriefSamen tegen mensenhandel» van 15 december 2025 aangegeven dat– kort gezegd – geen van de overheidsorganisaties die betrokken kunnenzijn bij gebruikers van de B8/3-regeling het beeld van veelvuldig misbruikherkent.8 De gedeelde wens om misbruik van deze regeling tegen te gaanzal nadrukkelijk worden betrokken bij de verkenning die op dit momentsamen met andere betrokken organisaties wordt uitgevoerd naar demogelijkheden om de vaststelling van slachtofferschap voor slachtoffersvan mensenhandel die in aanmerking komen voor de B8/3-regeling nietmeer alleen door de opsporingsdiensten te kunnen laten doen, maar ookdoor een andere partij.Deze leden constateren dat vanaf 2020 voor de politie extra geldenbeschikbaar zijn gekomen voor de werving van medewerkers ten behoevevan de aanpak van mensenhandel. Desgevraagd kan ik bevestigen datdeze medewerkers inmiddels allemaal zijn geworven.Door voornoemde leden wordt tevens gesignaleerd dat in de periode 2018tot en met 2021 het aantal verdachten van mensenhandel dat door depolitie bij het OM is aangebracht gemiddeld 184 per jaar bedroeg en dat inde begroting van het Ministerie van Justitie en Veiligheid voor het jaar20269 is te lezen dat het aantal verdachten is teruggelopen van 210verdachten in 2023 naar 196 in 2024. Deze leden vragen hoe het kan datdit aantal is teruggelopen en welk aandeel de mate van meldings- enaangiftebereidheid hierin heeft.Door de toenemende verwevenheid van de fysieke en de digitale wereldworden (mensenhandel)zaken groter en complexer. Het OM bepaalt, inafstemming met de politie en andere betrokken opsporingsdiensten,welke zaken prioriteit krijgen, waarbij wordt gewogen welke inzet demeeste impact heeft. In de praktijk houdt dit in dat er vaak voor wordtgekozen zaken met mogelijk veel slachtoffers en een zo groot mogelijkmaatschappelijk effect op te pakken. Dit kan ertoe leiden dat een kleineraantal verdachten in beeld komt. Er is geen beredeneerde inschatting temaken van de precieze invloed van de meldings- en aangiftebereidheid ophet aantal verdachten dat door de politie wordt aangebracht bij het OM.Zoals hiervoor in antwoord op een eerdere vraag van deze leden alaangegeven, zet dit kabinet er langs verschillende lijnen op in om deaangiftebereidheid te vergroten.De aan het woord zijnde leden willen verder weten of het teruglopendeaantal verdachten de noodzaak aantoont van het wetsvoorstel moderni-7Kamerstukken II 2024/25, 36 547, nr. 33.8Kamerstukken II 2025/26, 28 638 nr. 259.9Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (VI) voor hetjaar 2026 2025/26, 36 800 VI, nr. 1, p. 23.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 64 sering en uitbreiding strafbaarstelling mensenhandel (Kamerstuk 36 547),dat op dit moment bij de Eerste Kamer aanhangig is, en vragen of erbereidheid bestaat om bij de Eerste Kamer aan te dringen op spoedigebehandeling van dat wetsvoorstel.In antwoord op de vorige vraag van deze leden is ingegaan op het aantalverdachten van mensenhandel dat in beeld komt. De centrale doelstellingvan het genoemde wetsvoorstel modernisering en uitbreiding strafbaar-stelling mensenhandel (hierna in deze nota ook: wetsvoorstel 36 547) is dewettelijke regeling zo aan te passen dat mensenhandel en daarmeesamenhangende misdrijven effectiever kunnen worden bestreden.Daartoe wordt het strafrechtelijk normenkader verruimd, in het bijzonderdoor de introductie van het delict ernstige benadeling. Daarmee wordende mogelijkheden vergroot voor de opsporing, vervolging en bestraffingbij ernstige misstanden in de arbeidssfeer. Daarnaast bevat datwetsvoorstel aanpassingen die ertoe strekken de wettelijke regeling vanmensenhandel eenvoudiger en samenhangender te maken, zodat derechtspraktijk wordt voorzien van beter toepasbare strafbaarstellingen, dieeenvoudiger te begrijpen zijn en een adequate strafrechtelijke reactiemogelijk maken. Tegen die achtergrond is de verwachting dat hetgenoemde wetsvoorstel bevordert dat meer verdachten kunnen wordenopgespoord, vervolgd en bestraft. Het wetsvoorstel modernisering enuitbreiding strafbaarstelling mensenhandel is op dit moment inderdaadaanhangig bij de Eerste Kamer. De vaste commissie voor Justitie enVeiligheid van de Eerste Kamer heeft twee verslagen bij het wetsvoorsteluitgebracht. De tweede nota naar aanleiding van het verslag, waarin degestelde vragen uit het tweede verslag zijn beantwoord, is recent bij deEerste Kamer ingediend. Het verdere verloop van de behandeling is aande Eerste Kamer.De leden van de JA21-fractie willen weten wat de huidige schattingen zijnten aanzien van het aantal personen dat onder dwang in de prostitutiewerkt in Nederland en naar Nederland is gehaald onder valse voorwend-selen.De Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegenKinderen (NRM) rapporteert in haar publicatie «Jaarcijfers Mensenhandel2024» dat er 123 slachtoffers van binnenlandse seksuele uitbuiting zijn en364 slachtoffers van internationale seksuele uitbuiting. Bij de laatstge-noemde vorm vindt de werving in het buitenland plaats en de uitbuiting inNederland. Hiermee is het totale aantal slachtoffers van seksueleuitbuiting ten opzichte van het jaar daarvoor gestegen. Hierbij moetworden opgemerkt dat het aantal vastgestelde slachtoffers van mensen-handel naar verwachting (veel) lager ligt dan het daadwerkelijke aantalslachtoffers.2. Hoofdlijnen van de Herzieningsrichtlijn De leden van de ChristenUnie-fractie hebben in de memorie vantoelichting gelezen dat de Herzieningsrichtlijn ook tot het treffen van extramaatregelen ter bescherming van slachtoffers verplicht, waarbij erbijvoorbeeld extra aandacht moet zijn voor minderjarigen en personenmet een handicap. Deze leden vragen of kan worden toegelicht of ookextra aandacht wordt gegeven aan vluchtelingen en daklozen, aangeziendeze groepen personen, net als minderjarigen en personen met eenhandicap, kwetsbare groepen betreffen.Vooropgesteld wordt dat het Nederlandse beleid inzake de aanpak vanmensenhandel in de basis breed is opgezet en daarmee betrekking heeftop alle groepen slachtoffers van dit delict. Binnen het algemene slachtof-ferbeleid dat bijstand aan en ondersteuning van slachtoffers van strafbareTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 65 feiten waarborgt, wordt, zo is in de memorie van toelichting uiteengezet inde artikelsgewijze toelichting op artikel 1, onderdeel 9, onder a, van deHerzieningsrichtlijn, zoveel mogelijk rekening gehouden met specifiekeomstandigheden of ondersteuningsbehoeften. Dit betekent dat bij deverschillende slachtoffervoorzieningen ook rekening wordt gehouden meteventuele specifieke omstandigheden, zoals verblijfsstatus. Zo zijngemeenten op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 ende Jeugdwet verantwoordelijk voor passende opvang, ondersteuning ennazorg voor slachtoffers van mensenhandel die rechtmatig in Nederlandverblijven, waaronder in voorkomende gevallen dakloze personen ofvluchtelingen die rechtmatig in Nederland verblijven. Opvang enondersteuning worden afgestemd op de individuele situatie en behoeftenvan het slachtoffer. De verantwoordelijkheid van de gemeente strekt zichniet uit tot derdelanders zonder rechtmatig verblijf in Nederland dievermoedelijk slachtoffer zijn van mensenhandel. Voor die specifieke groepen hun kinderen voorziet de Categorale Opvang Slachtoffers Mensen-handel (COSM) gedurende de bedenktijd voor het doen van aangifte ineen veilige opvangplek en passende ondersteuning van het slachtoffer.Onderdeel daarvan is het opstellen van een plan voor vervolgstappen,waaronder verdere begeleiding en ondersteuning gericht op herstel en/ofterugkeer naar het land van herkomst. Aan slachtoffers van mensen-handel wordt een tijdelijke verblijfsvergunning verstrekt – waarmeesprake is van rechtmatig verblijf – als zij van dit feit aangifte doen ofanderszins aan het strafrechtelijk onderzoek medewerking verlenen.Omdat bij de ondersteuning van slachtoffers van mensenhandelmaatwerk wordt nagestreefd, wordt bij de scholing van een breed scalavan hulpverleners – waaronder zorgpersoneel en medewerkers vanopvanginstellingen (maatschappelijke opvang en asielopvang) – veelaandacht besteed aan de verschillen tussen doelgroepen die aanspraakkunnen maken op slachtoffervoorzieningen.3. Inhoud van het wetsvoorstel De leden van de D66-fractie constateren dat dit implementatiewets-voorstel in artikel 273f Sr de niet-limitatieve opsomming van specifiekeuitbuitingsvormen uitbreidt met uitbuiting van een persoon bij respectie-velijk draagmoederschap of illegale adoptie, dat de reikwijdte vanartikel 273g Sr wordt verbreed – zodat die strafbaarstelling zich ook gaatuitstrekken tot het opzettelijk gebruikmaken van niet-seksuele dienstenvan een persoon, terwijl diegene weet of ernstige reden heeft om tevermoeden dat die niet-seksuele diensten het voorwerp zijn van mensen-handel of kinderhandel – en dat (via een separaat implementatiebesluit)artikel 4 van het Besluit internationale verplichtingen extraterritorialerechtsmacht (BIVR) zal worden aangepast waardoor Nederland rechts-macht heeft over het misdrijf van artikel 273g Sr, indien het buitenNederland is gepleegd door of tegen een Nederlander dan wel ingezetenevan Nederland. Tegen die achtergrond vragen deze leden of aan hetbestanddeel «ernstige reden heeft om te vermoeden» van het misdrijf vanartikel 273g Sr is voldaan wanneer wensouders bewust kiezen voorlanden met zwakke regelgeving rondom draagmoederschap of illegaleadoptie en, zo nee, onder welke voorwaarden daaraan wel zou zijnvoldaan.Op grond van artikel 273g Sr zal steeds moet worden bewezen dat degenedie opzettelijk gebruikmaakt van een dienst weet (opzetvariant) of ernstigereden heeft om te vermoeden (schuldvariant) dat die dienstverlening hetvoorwerp is van mensenhandel of kinderhandel. De opzet- en deschuldvariant komen in beeld wanneer iemand, ondanks duidelijkesignalen dat de beoogde dienstverlening mogelijk het voorwerp is vanmensen- of kinderhandel, toch van die dienst gebruikmaakt. In beideTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 66 varianten is voor strafbaarheid vereist dat de genoemde duidelijkesignalen daadwerkelijk zijn opgemerkt door de afnemer van die dienst. Indie concrete situatie ontstaat een verificatieplicht. De strafbaarstellingverplicht er dus niet toe om steeds – zonder concrete aanleiding – actief teonderzoeken of sprake zou kunnen zijn van mensen- of kinderhandel. Ditbetekent dat strafrechtelijke aansprakelijkheid alleen in beeld komt insituaties waarin het evident is dat mogelijk sprake is van mensenhandel ofkinderhandel. De enkele omstandigheid dat wensouders kiezen voor eendraagmoederschaps- of adoptietraject in een land met in algemene zin«zwakke regelgeving» daaromtrent, zoals in het door deze leden gegevenvoorbeeld, is op zichzelf beschouwd geen duidelijk signaal dat in deconcrete omstandigheden van het individuele geval de beoogde dienst-verlening mogelijk het voorwerp is van mensen- of kinderhandel. Dit kananders zijn als er zwaarwegende bijkomende omstandigheden zijn dienauwer verband houden met het concrete draagmoederschaps- ofadoptietraject, die bij elkaar opgeteld de bedoelde duidelijke signalenopleveren. Het kan dan gaan om concrete informatie dat het draagmoe-derschap of de illegale adoptie in de specifieke situatie het voorwerp isvan mensen- of kinderhandel dan wel dat bij draagmoederschaps- ofadoptietrajecten in de desbetreffende regio vrijwel altijd sprake is vanmensen- of kinderhandel. In dergelijke gevallen geldt – als kan wordenvastgesteld dat de beoogde afnemers van de dienst (de wensouders) vandie informatie op de hoogte waren – een verificatieplicht en kan bijschending daarvan de opzet- of schuldvariant van artikel 273g Sr aan deorde zijn. Het onderscheid daartussen is gelegen in de mentale houdingvan de desbetreffende persoon ten opzichte van de waargenomensignalen. De opzetvariant («weet») doet zich voor bij een wezenlijkonverschillige mentale houding. Daarvan is sprake als wordt vastgestelddat diegene zich op basis van bedoelde duidelijke signalen bewust isgeweest van de mogelijkheid dat de dienstverlening het voorwerp is vanmensen- of kinderhandel en die mogelijkheid eenvoudigweg accepteert,op de koop toeneemt (zogeheten voorwaardelijk opzet). De schuldvariant(«ernstige reden heeft om te vermoeden») doet zich voor wanneerdiegene die duidelijke signalen heeft opgemerkt, maar die signalenvervolgens verkeerd heeft ingeschat door – in plaats van op toereikendewijze te verifiëren of de dienstverlening voorwerp is van mensen- ofkinderhandel – er ten onrechte van uit te gaan dat «het wel goed zalzitten». Ook dergelijke situaties van ernstige onachtzaamheid of ernstigelichtzinnigheid vallen onder het bereik van de beoogde strafbaarstelling.De schuldvariant heeft een vangnetfunctie in voorkomende gevallenwaarin de rechter de opzetvariant niet bewezen acht.In aanvulling op voorgaande wil ik graag benadrukken dat – ook buitenhet kader van mensenhandel, waar dit wetsvoorstel op ziet – de aanpakvan misstanden rondom draagmoederschap en adoptie de volle aandachtheeft van het kabinet, zoals ook blijkt uit het coalitieakkoord 2026–2030.De leden van de VVD-fractie wijzen erop dat de Herzieningsrichtlijn metzich brengt dat bij mensenhandel die wordt gepleegd of vergemakkelijktdoor middel van internet en sociale media, een strafverzwarendeomstandigheid aan de orde is wanneer dit gepaard gaat met seksueleuitbuiting. Deze leden vragen of en hoe de effecten hiervan wordengeregistreerd, zodat na verloop van tijd kan worden nagegaan of invoorkomende gevallen hogere straffen worden opgelegd.Ik begrijp de aan het woord zijnde leden zo dat zij primair doelen op de uitartikel 1, onderdeel 2, onder b, van de Herzieningsrichtlijn voortvloeiendewijziging van artikel 4, derde lid, van Richtlijn 2011/36/EU, waardoor alsnieuwe verzwarende omstandigheid is opgenomen «het feit dat de dader,door middel van informatie- en communicatietechnologieën, beelden ofTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 67 video’s of vergelijkbaar materiaal van seksuele aard waarbij het slacht-offer betrokken is heeft verspreid of de verspreiding ervan heeft verge-makkelijkt». Op grond van de gewijzigde richtlijnbepaling moet de rechterbij een veroordeling wegens mensenhandel deze omstandigheid invoorkomende gevallen in strafverzwarende zin kunnen meewegen. InNederland kan de rechter deze omstandigheid nu al bij de strafopleggingbetrekken (zie nader in deze nota, paragraaf 4, onder «Artikel 1,onderdeel 2, onder b, van de Herzieningsrichtlijn»). Daarom zal degenoemde aanscherping van de herziene Europese richtlijn mensen-handel niet noodzakelijkerwijs tot gevolg hoeven te hebben dat deNederlandse rechter – ten opzichte van de huidige situatie – hogerestraffen zal opleggen indien het misdrijf mensenhandel wordt gepleegden bedoelde strafverzwarende omstandigheid zich voordoet. De Raadvoor de rechtspraak registreert de strafoplegging in concrete zaken. Alleenna een uitgebreid dossieronderzoek zou kunnen worden nagegaan inwelke individuele zaken de bedoelde verzwarende omstandigheid zichheeft voorgedaan. In concrete zaken zal evenwel niet steeds volledignavolgbaar zijn in welke mate die specifieke omstandigheid de opgelegdestraf heeft beïnvloed. Daarbij speelt een rol dat de straftoemeting in sterkemate wordt bepaald door de omstandigheden van het geval en depersoon van de verdachte, waarbij een veelheid aan factoren van belang(kunnen) zijn bij de keuze van de strafsoort en het bepalen van de hoogtevan de straf en de rechter daarbij slechts tot op zekere hoogte inzicht kanverschaffen in en uitleg kan geven over de afwegingen die ten grondslagliggen aan zijn straftoemetingsbeslissing.10De leden van de CDA-fractie verzoeken om een nadere toelichting op degevolgen van de aanpassing van artikel 273f Sr en de verbreding vanartikel 273g Sr voor de uitvoeringspraktijk, met name voor de politie, hetOM en de inspectiediensten. Zijn deze organisaties voldoende toegerustom effectief toepassing te kunnen geven aan deze strafbaarstellingen, zovragen zij.In algemene zin is de inschatting dat de explicitering van bedoelde driespecifieke uitbuitingsvormen in artikel 273f Sr en de verbreding vanartikel 273g Sr een beperkte impact op de gehele strafrechtketen zullenhebben, waarbij slechts een beperkte toename van het aantal strafzaken– en daarmee een beperkte verzwaring van de werklast – wordt verwacht.Dit is nader toegelicht in reactie op een vraag van de leden van deVVD-fractie (zie paragraaf 1 van deze nota) en in paragraaf 5 van dememorie van toelichting, waarnaar ik de aan het woord zijnde ledenkortheidshalve graag verwijs. In paragraaf 5 van deze nota wordt naaraanleiding van een vraag van de fractieleden van de ChristenUnie eenbreder beeld gegeven van de benodigde financiële middelen ter imple-mentatie van de Herzieningsrichtlijn, waaronder ook de daarinopgenomen preventieve maatregelen en verplichting tot het instellen vaneen verwijzingsmechanisme. Volledigheidshalve merk ik op dat degenoemde wetsaanpassingen een aanvulling vormen op de gemoderni-seerde strafbaarstellingen die zijn opgenomen in het wetsvoorstelmodernisering en uitbreiding strafbaarstelling mensenhandel (Kamerstuk36 547), waarvoor structureel 11 miljoen euro beschikbaar wordt gesteld.De benodigde initiële aanpassingen van bijvoorbeeld werkinstructies eninformatiesystemen als gevolg van de wetswijzigingen van het onder-havige implementatiewetsvoorstel, zullen worden samengenomen met dewetswijzigingen die onderdeel zijn van wetsvoorstel 36 547. Tegen dezeachtergrond ben ik van oordeel dat de organisaties die zijn betrokken bijde aanpak van mensenhandel toereikend zijn toegerust om deze strafbarefeiten, ook met de aanpassingen die met dit wetsvoorstel in de delictsom-10Vgl. Hoge Raad 18 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:900.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 68 schrijving worden aangebracht, effectief op te sporen, te vervolgen en tebestraffen.Ten aanzien van het verbrede misdrijf van artikel 273g Sr willen de ledenvan de BBB-fractie weten hoe het bewustzijn bij werkgevers wordtvergroot, zodat zij actief controleren of diensten mogelijk door slachtoffersvan mensenhandel worden uitgevoerd. Ook vragen zij hoe wordtbeoordeeld of een persoon of organisatie daadwerkelijk weet heeft gehadvan mensenhandel.Voor strafbaarheid wegens het misdrijf van artikel 273g Sr zal steedsmoeten worden bewezen dat degene die opzettelijk gebruikmaakt van eendienst weet (opzetvariant) of ernstige reden heeft om te vermoeden(schuldvariant) dat die dienstverlening het voorwerp is van mensenhandelof kinderhandel. De opzet- en de schuldvariant komen in beeld wanneeriemand duidelijke signalen opmerkt dat de beoogde dienstverleningmogelijk het voorwerp daarvan is, en vervolgens – in plaats van optoereikende wijze te verifiëren of hiervan sprake is – toch van die dienstgebruikmaakt. Het onderscheid tussen de opzet- en schuldvariant isgelegen in de precieze mentale houding van de desbetreffende persoonten opzichte van de waargenomen signalen. In reactie op een vraag vande leden van de fractie van D66 ben ik eerder in deze paragraaf van deonderhavige nota ingegaan op de voorwaarden voor strafbaarheid en hetverschil tussen de opzet- en schuldvariant. Kortheidshalve verwijs ik deaan het woord zijnde leden graag daarnaar. In aanvulling daarop wijs ikop de specifieke voorbeelden van duidelijke signalen van mensenhandelin de vorm van arbeidsuitbuiting, die in de memorie van toelichting zijngegeven.11 In dat verband is onder meer aangegeven dat de omstan-digheid dat een dienst ver beneden de marktconforme prijs wordtaangeboden een eerste indicatie is dat sprake is van een arbeidsmisstand,maar dat alleen zwaarwegende bijkomende omstandigheden kunnenmaken dat bij elkaar genomen sprake is van duidelijke signalen vanmogelijke arbeidsuitbuiting. Daarbij wordt aangetekend dat de mentalehouding van een persoon ten opzichte van de waargenomen signalen vanarbeidsuitbuiting in de regel op indirecte wijze door de rechter moetworden vastgesteld, omdat de eigen verklaringen van deze persoonmeestal geen inzicht zullen geven in wat destijds in die persoon isomgegaan. De rechter zal diens vaststellingen dan mede moeten baserenop verklaringen van het slachtoffer of van anderen, evenals op watoverigens over de feitelijke omstandigheden van het geval kan wordenvastgesteld en wat daaruit naar algemene regels valt af te leiden. Het is inhet strafrecht heel gebruikelijk dat de mentale houding van de verdachte(opzet of schuld) op een dergelijke wijze wordt bewezen.Ten aanzien van het vergroten van het bewustzijn bij organisaties geldtdat in het kader van het Actieplan Samen tegen mensenhandel verschil-lende (communicatie)inspanningen worden gedaan om bewustwordingvan mensenhandel te vergroten. Deze communicatie is gericht op hetbereiken van specifieke groepen die in aanraking kunnen komen metmensenhandel. De specifieke groepen zijn divers: van het (potentiële)slachtoffer (verschillende kwetsbare groepen van jongeren tot arbeidsmi-granten) en de burger (denk aan de bezoeker van een nagelsalon ofdegene die een aannemer inhuurt) tot de (eerstelijns) professional die inaanraking kan komen met mensenhandel (denk aan de huisarts, de docentof de wijkagent). Het is bekend dat (minderjarige) jongeren uitermatekwetsbaar kunnen zijn voor mensenhandel, daarom is bij het creëren vanbrede bewustwording specifiek aandacht voor jongeren.12 Werkgevers en11Kamerstukken II 2025/26, 36 835, nr. 3, p. 33–34.12Zie het Actieplan Samen tegen mensenhandel.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 69 organisaties in algemene zin zijn niet voorzien als doelgroep in dezecommunicatiestrategie. Er is dus geen specifieke communicatie gericht opwerkgevers en organisaties om hen bewuster te maken van de verande-ringen in de wet, of communicatie gericht op het stimuleren van actievecontrole.Verder vragen deze leden welke resultaten het Actieplan Samen tegenmensenhandel tot nu toe heeft gehad en of mogelijkheden worden gezientot verbetering van dit plan.Twee keer per jaar stuurt het kabinet een voortgangsbrief naar uw Kamerwaarin wordt ingegaan op de uitvoering van het Actieplan Samen tegenmensenhandel. De laatste dateert van 15 december 2025.13 In dezebrieven worden de stand van zaken van alle acties en de resultaten vanhet programma gedeeld. Ik licht er hier enkele uit.14 Afgelopen septemberheeft een Field Lab over klanten van slachtoffers van mensenhandelplaatsgevonden. In dit Field Lab lag de nadruk op fenomenen binnenmensenhandel waar de vraagzijde een grote rol in speelt, zowel op hetgebied van criminele en seksuele uitbuiting als van arbeidsuitbuiting.Daarnaast is de Spiegelgroep met acht ervaringsdeskundigen mensen-handel van start gegaan. Met de Spiegelgroep wordt een nieuwewerkwijze opgezet om ervaringsdeskundigheid meer structureel in tezetten bij de uitvoering van het actieplan. Het huidige actieplan loopt toten met 2027. In het actieplan wordt continu bezien of op actualiteitenmoet worden ingespeeld. Zo is kort geleden een pilot gestart omuitbuiting in zorginstellingen in beeld te brengen. Na afloop van hethuidige actieplan zal dat plan worden geëvalueerd. Eventuele verbeter-punten die uit deze evaluatie voortkomen worden verwerkt in een volgendactieplan. Het kabinet heeft in het coalitieakkoord 2026–2030 aange-kondigd het programma «Samen tegen mensenhandel» voort te zetten.De leden van de BBB-fractie verzoeken voorts toe te lichten op welkemanier wordt samengewerkt met andere lidstaten om grensoverschrij-dende mensenhandel te voorkomen.Internationale samenwerking is een structureel onderdeel van de aanpakvan mensenhandel in Nederland. Dit kan gaan om het delen of verkrijgenvan informatie via diverse kanalen, zoals Europol, Interpol of het netwerkvan liaison officers in relatie tot specifieke onderzoeken of in sommigegevallen concrete operationele en niet-operationele interventies. Inconcrete strafrechtelijke onderzoeken met een grensoverschrijdendkarakter wordt waar het opportuun is voor de vergaring van inzicht in defeiten en/of het bewijs – of het in kaart brengen van crimineel vermogen inhet buitenland – samengewerkt met de autoriteiten van het desbetref-fende land. Binnen de Europese Unie wordt dit, voor wat betreft bewijs-vergaring, gedaan op basis Richtlijn 2014/41/EU betreffende het Europeesonderzoeksbevel in strafzaken. Voor landen buiten de Europese Uniewordt ten behoeve van bewijsvergaring samengewerkt door middel vanrechtshulpverzoeken. Samenwerking vindt ook plaats op politieel niveaubij Europol. De liaisons van de politie, Koninklijke Marechaussee (KMar)en de Opsporingsdienst van de Nederlandse Arbeidsinspectie deleninformatie uit strafrechtelijke onderzoeken en intelligence met Europol.Europol analyseert deze informatie waarna het gebruikt wordt voorondersteuning of opstarten van internationale strafrechtelijke onder-zoeken en ten behoeve van trends en fenomenen op het gebied vanmensenhandel.13Kamerstukken II 2025/26, 28 638, nr. 259.14Voor het volledige overzicht verwijs ik de leden graag naar de genoemde brief.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 610 Niet-operationele interventies kunnen bijvoorbeeld bestaan uit acties terpreventie en bewustwording van mensenhandel. Zo richt de politie zichspecifiek op de bronlanden waar slachtoffers van mensenhandel die inNederland worden aangetroffen vandaan komen, zoals bijvoorbeeldRoemenië en Hongarije. De politie investeert in deze landen, onder meermet steun van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, in voorlichtingover mensenhandel en het verbeteren van de informatiepositie doorsamenwerking met universiteiten en de lokale opsporingsdiensten omspecifieke werkwijzen en criminele netwerken mogelijk vroegtijdig teidentificeren en te belemmeren.De Nederlandse Arbeidsinspectie werkt samen met andere lidstaten en deEuropean Labour Authority (ELA) om misstanden op de arbeidsmarkt aante pakken. De Nederlandse Arbeidsinspectie is verder co-leader van hetEuropean Multidisciplinary Platform Against Criminal Threats (EMPACT).Zij organiseert jaarlijks de internationale actieweek (Joint Action Week)tegen arbeidsuitbuiting vanuit EMPACT en wordt daarbij ondersteunddoor Europol en de ELA.Tot slot neemt Nederland actief deel aan gremia zoals de Benelux, deOrganisatie voor Veiligheid en Stabiliteit in Europa (OVSE), de Raad vanEuropa en de Verenigde Naties. In deze verschillende gremia varieertbetrokkenheid van het uitwisselen van kennis en het delen van bestpractices tot deelname aan verdragen die de gemeenschappelijke aanpaktegen mensenhandel faciliteren.4. Inhoud van de Herzieningsrichtlijn en wijze van implementatie De leden van de D66-fractie memoreren dat het gewijzigde artikel 11,vierde lid, van Richtlijn 2011/36/EU de verplichting inhoudt om – kortgezegd – een of meerdere verwijzingsmechanismen in te stellen en omeen contactpunt voor grensoverschrijdende doorverwijzing van slacht-offers aan te wijzen, en dat met het oog daarop in de memorie vantoelichting bij dit wetsvoorstel is aangegeven dat in 2025 wordt gewerktaan het opzetten van één centraal informatiepunt waar slachtoffers,eerstelijns professionals en burgers op een laagdrempeligere entoegankelijke manier worden geïnformeerd en doorverwezen naar hetjuiste loket voor vragen over aangifte, hulp en opvang. Deze leden vragenwanneer dat informatiepunt operationeel wordt en hoe het functionerendaarvan zal worden gemonitord.In 2025 is het landelijk Coördinatiecentrum tegen mensenhandel(CoMensha) in opdracht van het Ministerie van Justitie en Veiligheidgestart met de inrichting van het Centraal Informatiepunt Mensenhandel(CIM). Het CIM wordt geïntegreerd op de website van CoMensha. Op basisvan de wensen, behoeften en adviezen van professionals in het veld,opgehaald via een focusgroep, heeft CoMensha een selectie gemaakt vanelementen die onderdeel moeten zijn van het CIM. Naar verwachting iseen eerste versie van het CIM in juni van dit jaar gereed. Ook zalCoMensha zorgdragen voor voortdurende monitoring.De leden van de VVD-fractie constateren dat steeds meer aspecten vanmensenhandel (zoals het plegen van voorbereidingshandelingen) zichafspelen in het digitale domein. Daarom achten deze leden het wenselijkdat de aanpak van uitbuiting die online plaatsvindt wordt versterkt. Zijvragen nader toe te lichten of de Herzieningsrichtlijn onderdelen bevat diebetrekking hebben op mensenhandel in het digitale domein, zo begrijp ikdeze leden, en welke maatregelen op dit punt de afgelopen jaren al zijngetroffen door onder andere het Centrum Kinderhandel & Mensenhandelen de politie. Ook willen zij weten hoe de kwalitatieve doelstellingen tenaanzien van online opsporing die zijn opgenomen in het VersterktTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 611 Actieplan Samen tegen mensenhandel worden gemonitord en beoordeeldop effectiviteit.In de Herzieningsrichtlijn is op verschillende punten aandacht besteed aandigitale aspecten die samenhangen met (de bestrijding van) mensen-handel. Zo is daarin opgenomen dat het feit dat de dader bij het begaanvan mensenhandel «door middel van informatie- en communicatietechno-logieën, beelden of video’s of vergelijkbaar materiaal van seksuele aardwaarbij het slachtoffer betrokken is heeft verspreid of de verspreidingervan heeft vergemakkelijkt» op grond van het nationale recht als eenstrafverzwarende omstandigheid moet worden beschouwd (artikel 1,onderdeel 2, onder b, van de Herzieningsrichtlijn). In reactie op eeneerdere vraag van deze leden heb ik aangegeven dat Nederland al aandeze verplichting voldoet (zie paragraaf 3 van deze nota). Nederlandvoldoet ook aan de in artikel 1, onderdeel 7, onder b, van de Herzienings-richtlijn opgenomen aanvulling van artikel 9, derde lid, van Richtlijn2011/36/EU, waarmee expliciet wordt gemaakt dat de personen, eenhedenof diensten die verantwoordelijk zijn voor de opsporing en de vervolgingvan mensenhandel als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van Richtlijn2011/36/EU, die met behulp van informatie- of communicatietechnologiezijn gepleegd of gefaciliteerd, over de juiste deskundigheid en technischecapaciteiten beschikken om die zaken beter te kunnen oppakken. Daarvoorverwijs ik deze leden graag naar de artikelsgewijze toelichting op Artikel 1,onderdeel 7, onder b, van de Herzieningsrichtlijn, die is opgenomen in dememorie van toelichting. Zoals daar beschreven zijn er binnen het OM ende politie speciale teams en eenheden die zich specifiek bezighouden metmensenhandelzaken, beschikt de politie over technische specialisten meteigen gespecialiseerde opleidingen, die ook specifiek voor mensenhandel-onderzoek worden ingezet, en kan er gebruik worden gemaakt vanverschillende (digitale) opsporingsbevoegdheden.Vanzelfsprekend is de aanpak van mensenhandel binnen het digitaledomein van groot belang en heeft dit aspect de aandacht, op het gebiedvan zowel hulpverlening als opsporing. Zo biedt Spine, een aan hetexpertisecentrum Fier en het Centrum Kinderhandel en Mensenhandel(CKM) verbonden organisatie die zich richt op het ontwikkelen en inzettenvan technologie tegen mensenhandel, online hulp aan (potentiële)slachtoffers van seksuele uitbuiting. Zij worden online proactief benaderddoor hulpverleners om hulp en bescherming te bieden. Sinds 2024gebeurt dit online ook voor (potentiële) slachtoffers van crimineleuitbuiting, via Keerpunt. Keerpunt probeert door middel van onlineoutreach op verschillende sociale media platformen potentiële slacht-offers van criminele uitbuiting naar het platform te bewegen. Hier kunnenslachtoffers terecht bij een anonieme online chat waar zij laagdrempelig ingesprek kunnen treden met hulpverleners van <Chat met Fier>. Hetproject Keerpunt en <Chat met Fier> worden georganiseerd door hetCKM. Met het oog op opsporing in een online omgeving heeft de politiediverse digitaal rechercheurs mensenhandel aangetrokken, waardoor erinmiddels per eenheid minstens één digitaal specialist werkzaam is. Metelkaar vormen zij een netwerk, waardoor digitale kennis en inzichtenlandelijk kunnen worden ingezet. In de Veiligheidsagenda 2023–2026 zijnafspraken gemaakt om de online opsporing door de politie door teontwikkelen. In dat kader is een online opsporingsstrategie ontwikkeld enwordt de samenwerking met partners geïntensiveerd, zowel nationaal alsinternationaal. De politie werkt daarnaast met een landelijk coördina-tiepunt voor signalen van online mensenhandel (LCOM), gericht op betereopsporing in de online omgeving en samenwerking met onlineplatformen om misbruik te voorkomen. De kwalitatieve doelstellingen uitde Veiligheidsagenda, waaraan deze leden naar ik aanneem refereren,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 612 worden door de politie gemonitord en hierover wordt verantwoordingafgelegd aan de Minister van Justitie en Veiligheid.Daarnaast brengen deze leden naar voren dat het in de praktijk voorkomtdat slachtoffers in de periode na de sluiting van een niet-gedwongenhuwelijk worden uitgebuit. In dat verband wijzen zij op gevallen waarinhet slachtoffer door zijn of haar huwelijkspartner tot dienstverlening wordtgedwongen, zoals het verrichten van een veelheid van huishoudelijkewerkzaamheden in combinatie met opgelegde vrijheidsbeperkingen, ofhet gedwongen verlenen van seksuele diensten. Tegen deze achtergrondvragen deze leden, zo begrijp ik hen, of het onderhavige wetsvoorstel metbetrekking tot dergelijke situaties voorziet in een verruiming van destrafrechtelijke aansprakelijkheid.De Herzieningsrichtlijn voegt drie specifieke uitbuitingsvormen toe aan deopsomming in artikel 2, derde lid, van Richtlijn 2011/36/EU: uitbuiting vaneen persoon bij respectievelijk draagmoederschap, gedwongenhuwelijken en illegale adoptie. Dit wetsvoorstel strekt enkel ter implemen-tatie van die gewijzigde richtlijnbepaling.15 Daarmee blijven de specifiekeuitbuitingsvormen die in artikel 273f Sr zijn geëxpliciteerd rechtstreeksaansluiten bij die in de genoemde richtlijn. Daartoe wordt uitdrukkelijk inartikel 273f Sr vastgelegd dat uitbuiting zich in de context van dezespecifieke praktijken kan manifesteren. Aldus wordt geëxpliciteerd datuitbuiting van een persoon bij gedwongen huwelijken strafbaar kan zijnals een vorm van mensenhandel. De memorie van toelichting bevatvoorbeelden van situaties waarin een gedwongen huwelijk de contextvormt waarbinnen het slachtoffer wordt uitgebuit.16 Voor strafbaarheidblijft vereist dat aan de delictsbestanddelen van mensenhandel is voldaan(artikel 273f, eerste lid, onderdeel 1°, Sr onderscheidenlijk 273f, eerste lid,van wetsvoorstel 36 547), dat wil zeggen het verrichten van een bepaaldehandeling, het opzettelijk aanwenden van een beïnvloedingsmiddel en hetoogmerk van uitbuiting. Dit wetsvoorstel brengt geen verandering in debestaande reikwijdte van de strafbaarstelling van mensenhandel.17Daarbij wordt aangetekend dat mensenhandel zich ook kan uitstrekken totvormen van uitbuiting die niet uitdrukkelijk zijn opgenomen in dewettelijke niet-uitputtende opsomming van specifieke vormen vanuitbuiting – zoals uitbuiting binnen niet-gedwongen huwelijken – namelijkwanneer is voldaan aan de genoemde voorwaarden voor strafbaarheidwegens mensenhandel. Situaties zoals door deze leden omschrevenkunnen in voorkomende gevallen dus binnen het bereik van dezestrafbaarstelling vallen.De aan het woord zijnde leden verzoeken ook een nadere reactie te gevenop de vragen die in het consultatieadvies van het OM worden gesteld overde afbakening van de uitbuiting van een persoon bij respectievelijkdraagmoederschap, gedwongen huwelijken en illegale adoptie in hetkader van mensenhandel.Het consultatieadvies van het OM bevat enkele vragen over de afbakeningvan de uitbuiting van een persoon bij respectievelijk draagmoederschap,gedwongen huwelijken en illegale adoptie in het kader van mensen-handel. Naar aanleiding van dit advies is de memorie van toelichting op15Het thans bij de Eerste Kamer aanhangige wetsvoorstel dat voorziet in de modernisering enuitbreiding van de strafbaarstelling van mensenhandel (36 547) is – als gevolg van hetamendement-Wijen-Nass/Diederik van Dijk (Kamerstukken II 2025/26, 36 835, nr. 3, p. 4–6) –dezelfde wetswijziging komen te bevatten. Dit implementatiewetsvoorstel bevat een samen-loopbepaling die technisch regelt dat de toevoeging van de drie genoemde uitbuitingsvormenaan artikel 273f Sr die in beide wetsvoorstellen is opgenomen op de juiste wijze in de wetwordt vastgelegd.16Kamerstukken II 2025/26, 36 835, nr. 3, p. 4–6.17Zie in deze zin ook overweging 6 bij de Herzieningsrichtlijn.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 613 deze punten aangevuld.18 Desgevraagd voorzie ik de vraagpunten van hetOM hierbij graag van een nadere reactie. Daarbij wordt vooropgesteld datde wetgever slechts bij benadering antwoord kan geven op de vraag bijwelke gedragingen en onder welke omstandigheden de genoemdespecifieke uitbuitingsvormen aan de orde kunnen zijn, omdat zich eengrote variëteit aan situaties kan voordoen. Tegen die achtergrond iservoor gekozen in de memorie van toelichting enkele indicatievevoorbeelden op te nemen, waarbij is beoogd ruimte te laten aan derechtspraktijk om – binnen de wettelijke grenzen – de afbakening vansituaties die vallen onder het bereik van deze specifieke uitbuitingsvormenaan de hand van concrete gevallen te preciseren.Waar het gaat om mensenhandel in de vorm van uitbuiting van eenpersoon bij draagmoederschap is de overkoepelende vraag van het OM inzijn advies of er altijd sprake is van uitbuiting van het draagmoederschapwanneer een beïnvloedingsmiddel wordt aangewend om een vrouw ertoete bewegen om draagmoeder te worden. Het antwoord luidt ontkennend:voor strafbaarheid is vereist dat aan de delictsbestanddelen van mensen-handel is voldaan (artikel 273f, eerste lid, onderdeel 1°, Sr onderschei-denlijk 273f, eerste lid, van wetsvoorstel 36 547), dat wil zeggen hetverrichten van een bepaalde handeling (zoals werven, vervoeren ofhuisvesten), het opzettelijk aanwenden van een beïnvloedingsmiddel enhet oogmerk van uitbuiting. Dit brengt mee dat in individuele gevallensteeds – naast of een beïnvloedingsmiddel is aangewend – ook afzon-derlijk moet worden getoetst of een van de bedoelde handelingen isverricht en aan het oogmerk van uitbuiting is voldaan. Niet blijkt dat hetvoor mensenhandel vereiste oogmerk van uitbuiting aanwezig is in hetvoorbeeld dat het OM in zijn advies geeft van een man die zijn echtgenoteonder druk zet om als draagmoeder te fungeren zonder dat daarvoor eenvergoeding wordt ontvangen, terwijl de vrouw vanwege een uit feitelijkeomstandigheden voortvloeiend overwicht telkens in verminderde mate instaat is om weerstand te bieden aan een dergelijk verzoek. Zo’n oogmerkvan uitbuiting zou – variërend op dat voorbeeld – wel aanwezig zijn als deman zou hebben gehandeld uit winstbejag of als hij verregaandevrijheidsbeperkingen zou hebben opgelegd aan zijn zwangere echtgenote.In de memorie van toelichting is als een voorbeeld van mensenhandel inde vorm van uitbuiting van draagmoederschap genoemd het geval datiemand uit winstbejag, bijvoorbeeld iemand die het doel heeft om hetkind na de geboorte aan wensouders te verkopen, misbruik maakt van desituatie dat een vrouw in armoede leeft door haar over te halen om tegenbetaling draagmoeder te worden. Het OM werpt in zijn consultatieadviesde vraag op of in zo’n situatie ook de opdrachtgever – die de in hetvoorbeeld genoemde tussenpersoon heeft ingeschakeld – strafbaar iswegens mensenhandel. In reactie hierop wordt opgemerkt dat voor hetplegen van mensenhandel is vereist dat iemand – behalve het opzettelijkaanwenden van een beïnvloedingsmiddel en het oogmerk van uitbuiting –zelf ten aanzien van de draagmoeder een van de wettelijk omschrevenhandelingen heeft verricht (zoals werven, vervoeren of huisvesten). Alsdaders van een strafbaar feit kunnen evenwel ook worden gestraft zij diehet medeplegen (artikel 47, eerste lid, onder 1°, Sr) en zij die door giften,beloften, misbruik van gezag, geweld, bedreiging, of misleiding of doorhet verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen het feitopzettelijk uitlokken (artikel 47, eerste lid, onder 2°, Sr). Voor medeplegenen uitlokken geldt hetzelfde strafmaximum als voor plegen. In hetgegeven voorbeeld van de opdrachtgever kan – afhankelijk van deprecieze omstandigheden van het geval – sprake zijn van medeplegen ofuitlokking, zoals hiervoor omschreven.18Kamerstukken II 2025/26, 36 835, nr. 3, p. 4–6.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 614 Bij mensenhandel in de vorm van uitbuiting van een persoon bijgedwongen huwelijken gaat het om situaties waarin een gedwongenhuwelijk de feitelijke context vormt waarbinnen het slachtoffer wordtuitgebuit. Daarmee kan de strafbaarstelling van deze vorm van mensen-handel zich onder andere richten op – afhankelijk van de feitelijkeomstandigheden, zoals ook blijkt uit de voorbeelden uit de memorie vantoelichting – de betrokken huwelijkspartner en de ouders van hetslachtoffer, zo wordt opgemerkt naar aanleiding van de vraag van het OMwie de normadressaat is. Degene die door het uitoefenen van psychischeof fysieke druk een ander dwingt om te trouwen, is strafbaar op grond vanartikel 284 Sr. Van strafbaarheid wegens het zwaardere misdrijf mensen-handel is alleen sprake als – zoals hiervoor al werd aangegeven – aan allebestanddelen van artikel 273f, eerste lid, onderdeel 1°, Sr is voldaan,waaronder het oogmerk van uitbuiting. Dit is mede naar aanleiding vanhet advies van het OM en aan de hand van voorbeelden in de memorievan toelichting beschreven, waarbij tevens is verduidelijkt dat het bijseksuele uitbuiting in de context van een gedwongen huwelijk ook kangaan om seksuele handelingen tussen het slachtoffer en zijn of haarhuwelijkspartner. Het OM vraagt verder in hoeverre bij buitensporigehuishoudelijke werkzaamheden de aanwezigheid van vrijheidsbeper-kingen noodzakelijk zijn om tot bewijsbare uitbuiting te komen, zekerwanneer het slachtoffer minderjarig is. In reactie hierop wordt allereerstopgemerkt dat zowel bij meerderjarige slachtoffers (mensenhandel) als bijminderjarige slachtoffers (kinderhandel) is vereist dat is gehandeld methet oogmerk van uitbuiting. Bij de vraag of sprake is van arbeidsuitbuitingkomt, aldus de Hoge Raad, onder meer betekenis toe aan (a) de aard enduur van de tewerkstelling, (b) de beperkingen die zij voor de betrokkenemeebrengt – waaronder ook huisvestingsomstandigheden kunnen zijnbegrepen – en (c) het economisch voordeel dat daarmee door detewerksteller wordt behaald,19 waarbij bij de beoordeling van degenoemde factoren in voorkomende gevallen rekening wordt gehoudenmet minderjarigheid van het slachtoffer in de zin dat minderjarigen extraworden beschermd20. Dit beoordelingskader brengt mee dat het oogmerkvan uitbuiting ook aanwezig kan zijn als bij het laten verrichten vanbuitensporige huishoudelijke werkzaamheden geen vrijheidsbeperkingenzijn opgelegd aan de betrokken meerder- of minderjarige. Bij de gevallenwaarin het slachtoffer in de periode na de sluiting van het gedwongenhuwelijk wordt uitgebuit wordt primair gedacht aan situaties waarin hetslachtoffer (seksuele) diensten verleend waarvan de uitbuiter op enigewijze wil profiteren. Daarbij moet worden bedacht dat de door het OMgenoemde situaties waarin een huwelijkspartner zonder toestemming vanzijn of haar wederhelft de woning niet mag verlaten, zich niet vrijelijk inhuis mag verplaatsen, aan een avondklok wordt onderworpen of wordtbeperkt in het (al dan niet digitaal) aangaan van sociale contacten, invoorkomende gevallen vallen onder het bereik van andere bestaandemisdrijven, zoals wederrechtelijke vrijheidsberoving (artikel 282 Sr) ofdwang (artikel 284 Sr).Ten aanzien van mensenhandel in de vorm van uitbuiting van eenpersoon bij illegale adoptie richt het oogmerk zich op het uitbuiten van debiologische ouders of personen met ouderlijk gezag dan wel het kind.Voor een reactie op de vraag van het OM of ook personen die eentussenpersoon opdracht hebben gegeven strafbaar kunnen zijn wegensbetrokkenheid bij deze specifieke vorm van mensenhandel verwijs ik deaan het woord zijnde leden graag naar wat daarover hierboven isoverwogen met betrekking tot de uitbuiting van een persoon bij draag-moederschap. Het OM werpt nog het vraagpunt op of voor het bewijs van19Hoge Raad 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI709.20Hoge Raad 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3309.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 615 het oogmerk van uitbuiting voldoende is dat er in het algemeen weten-schap is van misleidende praktijken. Die enkele algemene wetenschap isonvoldoende. Het oogmerkvereiste houdt als ondergrens in dat hethandelen van de dader, naar deze moet hebben beseft, als noodzakelijk endus door hem gewild gevolg meebracht dat een concreet persoon werd ofzou kunnen worden uitgebuit.21Daarnaar gevraagd, antwoord ik dat de ICT-inbreuk bij het OM waaraandeze leden refereren geen directe gevolgen heeft voor de aanpassing vanIV-voorzieningen in het kader van het onderhavige wetsvoorstel en hetwetsvoorstel dat voorziet in de modernisering en uitbreiding van destrafbaarstelling van mensenhandel.Daarnaast stellen de leden van de VVD-fractie nog enkele vragen over (deuitbuiting van een persoon bij) draagmoederschap. In dat verband vragenzij allereerst, zo begrijp ik hen, of voor het maken van misbruik van eenkwetsbare positie van de draagmoeder is vereist dat de opdrachtgeverenig – financieel of anderszins – voordeel beoogt. Ook willen zij weten ofkan worden bevestigd dat het enkel instemmen met of profiteren van eendraagmoederschapstraject waarin mogelijk misbruik van een kwetsbarepositie van de draagmoeder plaatsvindt, onvoldoende is om het oogmerkvan uitbuiting in de zin van artikel 273f Sr aan te nemen indien betrokkenezelf geen beïnvloedingsmiddel toepast en onder welke omstandighedenhet oogmerk van uitbuiting dan wel is bewezen. Tot slot stellen zij enkelevragen die verband houden met beoogde nieuwe delicten die zijnopgenomen in het wetsvoorstel kind, draagmoederschap en afstamming(36 390). Deze leden willen weten onder welke omstandigheden erbijvoorbeeld alleen sprake is van strafbaarheid ter zake van het daarinvoorgestelde artikel 151ca Sr. Zij verzoeken verder of kan wordentoegelicht in hoeverre een overtreding van het eveneens in datwetsvoorstel voorgestelde artikel 442b Sr kan worden meegewogen bij debeoordeling of sprake is van misbruik van een kwetsbare positie ofuitbuiting zoals vereist voor het delict mensenhandel.Naar aanleiding van een eerdere vraag van deze leden is hiervoor in dezeparagraaf een nadere toelichting gegeven op de afbakening van mensen-handel in de vorm van uitbuiting van een persoon bij draagmoederschap,waaronder het vereiste oogmerk van uitbuiting. Graag verwijs ik de ledendaarnaar. In het licht daarvan kan ik in de richting van deze ledenbevestigen dat de vaststelling dat enkel is ingestemd met of geprofiteerdvan een draagmoederschapstraject waarin mogelijk misbruik wordtgemaakt van een kwetsbare positie van de draagmoeder, onvoldoende isvoor het bewijs van het oogmerk van uitbuiting. In aanvulling hieropwordt ten aanzien van de verhouding van mensenhandel tot het beoogdedelict van artikel 151ca Sr, dat is opgenomen in het door de ledengenoemde wetsvoorstel kind, draagmoederschap en afstamming, naarvoren gebracht dat die laatste strafbepaling betrekking heeft op – kortgezegd – de betaling voor de overdracht van ouderschap van een kind.Anders dan bij mensenhandel is voor strafbaarheid wegens overtredingvan die voorgestelde bepaling niet vereist dat ook een beïnvloedings-middel, zoals misbruik van een kwetsbare positie, is ingezet (om degenedie het juridisch ouderschap heeft over een kind te bewegen dat ouderlijkgezag over te dragen) of dat het oogmerk van uitbuiting aanwezig is. Bijzo’n «kwetsbare positie» gaat het in het kader van mensenhandel omsituaties waarin een persoon door de feitelijke omstandigheden waarindiegene verkeert niet of in verminderde mate in staat wordt geacht tot eenvrijewilsbepaling omtrent het verrichten van een dienst zoals draagmoe-derschap. Daarbij valt bijvoorbeeld te denken aan persoonlijke omstandig-21Kamerstukken II 2023/24, 36 547, nr. 3, p. 6–7.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 616 heden als een zwakke financiële positie of een ongedocumenteerdestatus. Het vereiste «misbruik» van een kwetsbare positie brengt totuitdrukking dat steeds is vereist dat de dader zich bewust moet zijngeweest van de relevante feitelijke omstandigheden van de betrokkenewaaruit de kwetsbaarheid voortvloeit (voorwaardelijk opzet).22 Daarmeeziet mensenhandel in de vorm van uitbuiting van draagmoederschap opandere en ernstiger gedragingen dan de situaties die worden bestrekendoor het beoogde artikel 151ca Sr. De specifieke delictsvereisten voormensenhandel brengen ook mee dat het geven van vergoedingen voordraagmoederschap die de vast te stellen maxima te boven gaan alsbedoeld in het voorgestelde artikel 442b Sr, zoals opgenomen in hetgenoemde wetsvoorstel kind, draagmoederschap en afstamming, nietdirect van betekenis is voor de beoordeling of de persoon aan wie debetaling wordt gedaan zich in een kwetsbare positie bevindt in dehiervoor bedoelde zin of voor de beoordeling of sprake is van hetoogmerk van uitbuiting.Artikel 1, onderdeel 1, onder a, van de HerzieningsrichtlijnDe leden van de CDA-fractie vragen hoe de toevoeging van uitbuiting vandraagmoederschap, gedwongen huwelijken en illegale adoptie aanartikel 273f Sr zich verhoudt tot andere bestaande strafbepalingen op dezeterreinen. Op welke manier wordt voorkomen dat er onduidelijkheid ofoverlap ontstaat bij de kwalificatie van feiten en de keuze van het in tezetten strafrechtelijk instrumentarium, zo willen zij vernemen.In algemene zin geldt dat er enige overlap kan zijn tussen delicten. Datneemt niet weg dat ieder delict zijn eigen reikwijdte en plaats heeft binnenhet strafrecht. Ter implementatie van de Herzieningsrichtlijn legt ditwetsvoorstel enkel uitdrukkelijk in artikel 273f Sr vast dat uitbuiting zich inde context van draagmoederschap, gedwongen huwelijken en illegaleadoptie kan manifesteren. Hiermee wordt geen verandering gebracht inde bestaande reikwijdte van het misdrijf van mensenhandel en daarmeeevenmin in de verhouding van mensenhandel tot andere bestaandestrafbepalingen. Voor strafbaarheid wegens mensenhandel blijft vereistdat aan de delictsbestanddelen van mensenhandel is voldaan (artikel 273f,eerste lid, Sr), dat wil zeggen het verrichten van een bepaalde handeling,het opzettelijk aanwenden van een beïnvloedingsmiddel en het oogmerkvan uitbuiting. Vanwege dat middelvereiste en dat oogmerkvereiste zietmensenhandel op andere en ernstiger gedragingen dan de onrechtmatig-heden bij draagmoederschap, gedwongen huwelijken en illegale adoptiewaartoe andere bestaande strafbaarstellingen zich uitstrekken. Dit heb ikin de vorige alinea van deze nota toegelicht in reactie vragen van de ledenvan de VVD-fractie, waarnaar ik deze leden graag verwijs. Het misdrijf vanmensenhandel heeft – vanwege de daarvoor geldende specifiekedelictsvereisten – dan ook een eigen positie in het geheel van strafbepa-lingen.Artikel 1, onderdeel 1, onder b, van de HerzieningsrichtlijnOok vragen deze leden of het klopt dat de delictsomschrijvingen vanartikel 273f Sr volledig aansluiten bij het – als gevolg van artikel 1,onderdeel 1, onder b, van de Herzieningsrichtlijn – gewijzigde artikel 2,vijfde lid, van Richtlijn 2011/36/EU rondom het middelvereiste, in hetbijzonder voor wat betreft (minderjarige) draagmoeders. Op welke wijzewordt het onderscheid tussen situaties met en zonder middelvereisteverankerd in regelgeving en beleid?22Zie artikel 273f, vierde lid, van wetsvoorstel 36 547 en Kamerstukken II 2023/24, 36 547, nr. 3,p. 52–54.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 617 De strafbepaling van mensen- en kinderhandel (artikel 273f Sr) geeftinderdaad uitvoering aan daartoe strekkende internationale en Europeseverplichtingen – waaronder de herziene Europese richtlijn mensen-handel – en sluit nauw aan bij de bewoordingen daarvan. Uit de wettelijkedelictsomschrijving van mensenhandel volgt – in lijn met artikel 2 van dierichtlijn – dat voor strafbaarheid wegens mensenhandel is vereist dat eenbepaalde handeling is verricht, opzettelijk een beïnvloedingsmiddel isaangewend en het oogmerk van uitbuiting aanwezig is (artikel 273f, eerstelid, onderdeel 1°, Sr onderscheidenlijk 273f, eerste lid, van wetsvoorstel36 547). Eveneens in lijn met die richtlijnbepaling is op grond van detoepasselijke wettelijke delictsomschrijving voor strafbaarheid wegenskinderhandel alleen vereist dat ten aanzien van een kind beneden deleeftijd van achttien jaar een bepaalde handeling is verricht, met hetoogmerk van uitbuiting van dat kind (artikel 273f, eerste lid,onderdeel 2°, Sr onderscheidenlijk 273f, tweede lid, van wetsvoorstel36 547). Uit de wettelijke delictsomschrijving van kinderhandel volgt danook rechtstreeks dat – anders dan bij mensenhandel – niet ook is vereistdat opzettelijk een beïnvloedingsmiddel is aangewend. Dit wettelijk kader– waarbij afhankelijk van de leeftijd van het slachtoffer de delictsvereistenvoor mensenhandel of kinderhandel van toepassing zijn – geldt onverkortals het gaat om de uitbuiting van een persoon bij draagmoederschap. Hetvervolgingsbeleid richt zich hiernaar. Hiermee wordt correct en vollediguitvoering gegeven aan artikel 2, vijfde lid, van Richtlijn 2011/36/EU,waaraan ingevolge artikel 1, onderdeel 1, onder b, van de Herzienings-richtlijn is toegevoegd dat – kort gezegd – het genoemde middelvereistealleen geldt indien de draagmoeder achttien jaar of ouder is en niet indienzij jonger is dan achttien jaar.Artikel 1, onderdeel 2, onder a, van de HerzieningsrichtlijnDe leden van de CDA-fractie constateren terecht dat de Nederlandsewettelijke strafmaxima voor mensenhandel (ruimschoots) boven deminimale strafmaxima liggen die door de herziene Europese richtlijnmensenhandel worden voorgeschreven. Op hun vraag of dit in de praktijkleidt tot verschillen in straftoemeting, antwoord ik dat mij helaas geencijfers bekend zijn over de verhouding tussen de strafoplegging voor ditfeit in Nederland en de straftoemeting in andere lidstaten.Artikel 1, onderdeel 2, onder b, van de HerzieningsrichtlijnOok vragen de aan het woord zijnde leden of het klopt dat de strafbaar-stelling van misbruik van seksueel beeldmateriaal (artikel 254ba Sr)toereikend is om de in artikel 1, onderdeel 2, onder b, van de Herzienings-richtlijn bedoelde digitale verzwarende omstandigheden volledig af tedekken. Zij willen weten hoe wordt bevorderd dat de digitale component,zoals het verspreiden of faciliteren van seksueel beeldmateriaal vanslachtoffers, consequent wordt betrokken bij de straftoemeting.Graag bevestig ik in de richting van de CDA-fractieleden dat de gememo-reerde verplichting die voortvloeit uit artikel 1, onderdeel 2, onder b, vande Herzieningsrichtlijn al correct en volledig in de Nederlandse wetgevingis omgezet. Deze verplichting houdt in dat het feit dat de dader bij hetbegaan van mensenhandel «door middel van informatie- en communica-tietechnologieën, beelden of video’s of vergelijkbaar materiaal vanseksuele aard waarbij het slachtoffer betrokken is heeft verspreid of deverspreiding ervan heeft vergemakkelijkt» op grond van het nationalerecht als een strafverzwarende omstandigheid moet worden beschouwd.De lidstaten zijn evenwel niet verplicht in zo’n verzwarende omstan-digheid te voorzien, aldus overweging 11 bij de Herzieningsrichtlijn,wanneer in het nationale recht is bepaald dat deze gedraging al als eenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 618 afzonderlijk strafbaar feit is aangemerkt. In voorkomende gevallen kan deverdachte dan immers strafrechtelijk worden vervolgd voor het plegenvan twee strafbare feiten: mensenhandel en het verspreiden van seksueelbeeldmateriaal.In algemene zin geldt in het Nederlandse strafrecht dat de rechter binnenhet wettelijke strafmaximum dat op een bepaald strafbaar feit is gesteld,de vrijheid heeft om alle relevante omstandigheden – waaronder dus deverzwarende omstandigheden die in het gewijzigde artikel 4, derde lid,van Richtlijn 2011/36/EU zijn opgenomen – mee te wegen bij het bepalenvan een passende straf in een individueel geval. Hiervoor is niet nodig datdergelijke omstandigheden specifiek in de wet worden neergelegd. In ditgeval komt daarbij dat het misbruik van seksueel beeldmateriaal alszelfstandig misdrijf strafbaar gesteld in artikel 254ba Sr. Die strafbaar-stelling omvat het opzettelijk seksueel beeldmateriaal van een andervervaardigen, terwijl die ander hiervoor niet vrijwillig toestemming heeftgegeven (eerste lid, onderdeel a), het beschikken over dergelijk beeldma-teriaal als diegene weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat ditbeeldmateriaal door of als gevolg van een onder a strafbaar gesteldehandeling is verkregen (eerste lid, onderdeel b) en het openbaar makenvan seksueel beeldmateriaal als diegene ofwel weet of redelijkerwijs moetvermoeden dat dit beeldmateriaal door of als gevolg van een onder astrafbaar gestelde handeling is verkregen (tweede lid, onderdeel a) ofwelweet dat die openbaarmaking nadelig voor die persoon kan zijn (tweedelid, onderdeel b). Deelneming aan elk van deze gedragingen, bijvoorbeeldin de vorm van medeplichtigheid, is eveneens strafbaar (artikelen 47 en48 Sr).Gevraagd hoe wordt bevorderd dat de bedoelde digitale component invoorkomende gevallen daadwerkelijk strafverzwarend meeweegt in destraftoemeting merk ik het volgende op. Bij het bepalen van de straf zal derechter acht slaan op alle bewezenverklaarde feiten en de relevanteomstandigheden van het geval. Dit brengt mee dat bij de strafopleggingin de regel rekening zal worden gehouden met misbruik van seksueelbeeldmateriaal, ook indien dat misbruik niet als afzonderlijk feit istenlastegelegd en bewezenverklaard. Daarvoor is nog van belang dat dedoor de rechter gehanteerde Oriëntatiepunten voor straftoemeting enLOVS-afspraken het maken van een opname van het plegen van het feit ofhet verspreiden van zo’n opname, aanmerkt als strafverzwarendeomstandigheid.23 Hieruit blijkt dat er in de praktijk aandacht is voor hetstrafverzwarende karakter van dergelijke feiten.Artikel 1, onderdeel 3, onderdelen a en b, en onderdeel 4 van deHerzieningsrichtlijnDe leden van de CDA-fractie vragen verder of de systematiek vanartikel 51 Sr volledig toereikend is om rechtspersonen aansprakelijk testellen voor het delict als bedoeld in artikel 18bis van Richtlijn 2011/36/EUen of er, mede gezien de complexe ketens en internationale constructiesdie zich kunnen voordoen, specifieke aandachtspunten zijn bij detoerekening van gedragingen aan rechtspersonen. Voorts willen dezeleden weten of de bestaande instrumenten, waaronder de artikelen 23 en51 Sr en de Wet bevordering integriteitsbeoordelingendoor het openbaarbestuur (Wet Bibob), in de praktijk voldoende ruimte bieden om rechtsper-sonen die betrokken zijn bij mensenhandel of het gebruikmaken vandiensten van slachtoffers van mensenhandel daadwerkelijk consequent tebestraffen. Tot slot vragen deze leden hoe wordt geborgd dat maatregelenals uitsluiting van overheidsfinanciering en (geanonimiseerde) bekend-23www.rechtspraak.nl/sitecollectiondocuments/orientatiepunten-en-afspraken-lovs.pdf.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 619 making van rechterlijke uitspraken op een zorgvuldige wijze wordentoegepast.Artikel 51 Sr waarborgt dat rechtspersonen strafrechtelijk aansprakelijkkunnen worden gesteld wanneer zij strafbare feiten plegen, en dus ookvoor mensenhandel en het in artikel 18bis van de richtlijn vervatte delictdat in de Nederlandse wetgeving wordt geïmplementeerd door middelvan het aangepaste artikel 273g Sr. De criteria voor de vaststelling van hetdaderschap van de rechtspersoon zijn neergelegd in bestendige jurispru-dentie van de Hoge Raad.24 Op basis daarvan geeft het Nederlandsestrafrecht toereikende mogelijkheden om rechtspersonen daadwerkelijkstrafrechtelijk te vervolgen en te bestraffen in situaties waarin dataangewezen is. Daarbij verdient opmerking dat artikel 273g Sr zich richtop de (directe) gebruikers – waaronder rechtspersonen – van de dienstendie voorwerp zijn van mensenhandel. De strafbaarstelling strekt zich nietuit tot vormen van ketenaansprakelijkheid, waarbij het bijvoorbeeld gaatom de aansprakelijkheid van afnemers van producten van een bedrijfbuiten Nederland waar mogelijk sprake is van mensen- of kinderhandel. Invormen van ketenaansprakelijkheid wordt voorzien in de EU-richtlijninzake passende zorgvuldigheid in het bedrijfsleven op het gebied vanduurzaamheid (2024/1760), terwijl de EU-Verordening inzake een verbodop met dwangarbeid vervaardigde producten op de markt van de Unie(2024/3015) bedrijven verbiedt om producten vervaardigd door dwang-arbeid op de markt van de Europese Unie te plaatsen of daarvandaan uitte voeren.De boetesystematiek in de Nederlandse strafwetgeving geeft de rechtervoldoende armslag om aan veroordeelde rechtspersonen een geldboeteop te leggen die in het concrete geval passend en geboden is. Bijveroordeling wegens mensenhandel kan een geldboete van de vijfdecategorie worden opgelegd en wegens het misdrijf van artikel 273g Sr eengeldboete van de vierde categorie (artikel 273f, eerste lid onderschei-denlijk 273g, in verbinding met artikel 23, vierde lid, Sr). Bij veroordelingvan een rechtspersoon kan, indien de voor het feit bepaalde boetecate-gorie geen passende bestraffing toelaat, een geldboete worden opgelegdtot ten hoogste het bedrag van de naast hogere categorie. De maximalegeldboete geldt per gepleegd feit en kan – op basis van het aantalslachtoffers – cumuleren. Indien een rechtspersoon wordt veroordeeldvoor mensenhandel en ook na de hiervoor bedoelde ophoging van devijfde naar de zesde boetecategorie geen passende bestraffing mogelijk is,kan een geldboete van maximaal tien procent van de jaaromzet van debetreffende rechtspersoon worden opgelegd (artikel 23, zevende lid, Sr).Dit brengt mee dat, indien voor een passende bestraffing nodig, op ditmoment per gepleegd feit aan een rechtspersoon een geldboete vanmaximaal de vijfde geldboetecategorie (bij veroordeling voor het misdrijfvan artikel 273g Sr) onderscheidenlijk een geldboete van maximaal dezesde categorie of een omzetgerelateerde geldboete (bij veroordelingvoor mensenhandel) kan worden opgelegd.De aan het woord zijnde leden vragen ook, zo begrijp ik hen, hoe wordtgeborgd dat de bekendmaking van strafrechtelijke uitspraken waaringegevens van rechtspersonen voorkomen op zorgvuldige wijze plaats-vindt. Op grond van het Besluit selectiecriteria uitsprakendatabankRechtspraak.nl worden rechterlijke uitspraken waarbij rechtspersonen zijnveroordeeld wegens mensenhandel of daaraan gerelateerde strafbarefeiten zoveel als mogelijk online gepubliceerd op www.rechtspraak.nl,waarbij gegevens die de identiteit kunnen onthullen van natuurlijke of24Zie daarvoor bijvoorbeeld: Hoge Raad 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938, rov. 3.1–3.5en Hoge Raad 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733, rov. 3.4.1 en 3.4.2.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 620 rechtspersonen worden verwijderd. Ter nadere invulling hiervan hebbende rechterlijke organisaties die hun uitspraken publiceren via recht-spraak.nl een beleidsdocument opgesteld voor het pseudonimiseren vanpersoonsgegevens voordat uitspraken worden gepubliceerd: de «Pseudo-nimiseringsrichtlijn».25 Deze richtlijn geeft aan welke gegevens van(rechts)personen gepseudonimiseerd worden bij publicatie van eenrechterlijke beslissing op rechtspraak.nl teneinde de privacy van dezepersonen te beschermen. In strafrechtelijke uitspraken worden gegevensgepseudonimiseerd van de rechtspersonen die als verdachte betrokkenwaren in dat strafproces, met uitzondering van bedrijven die eenmonopoliepositie hebben. Indien maatschappelijke ontwikkelingen ofwijzigingen van het gegevensbeschermingsrecht daartoe aanleidinggeven, worden de Pseudonimiseringsrichtlijn en de daarop gebaseerdewerkprocessen aangepast.Deze leden vragen verder of het bestuursrechtelijk instrumentarium dat isneergelegd in de Wet Bibob in de praktijk voldoende ruimte biedt omrechtspersonen die betrokken zijn bij mensenhandel of het opzettelijkgebruikmaken van diensten van slachtoffers van mensenhandel daadwer-kelijk te sanctioneren. Dit is het geval. De Wet Bibob voorziet in bestuurs-rechtelijke mogelijkheden om – aanvullend op het strafrechtelijk instru-mentarium – maatregelen te treffen tegen rechtspersonen die zijnveroordeeld voor mensenhandel of daaraan gerelateerde strafbare feitendan wel van dergelijke feiten worden verdacht. Als een rechtspersoonzulke strafbare feiten heeft begaan of daarvan wordt verdacht dan kanzo’n omstandigheid op grond van de Wet Bibob namelijk meewegen bijde beoordeling of een vergunning, subsidie, andere beschikking,vastgoedtransactie of overheidsopdracht moet worden geweigerd ofingetrokken (vgl. de artikelen 3, 5, 5a, 6 en 7 van die wet). Bij toepassingvan de Wet Bibob wordt zorgvuldigheid gewaarborgd doordat bestuursor-ganen alleen tot weigering of intrekking van een beschikking zoals eensubsidie kunnen besluiten na een integrale gevaarsbeoordeling van derelevante feiten en omstandigheden aan de hand van wettelijke criteria.Hierbij wordt een belangenafweging gemaakt, waarbij ook de proportio-naliteit van de overwogen maatregel wordt betrokken. Aan de rechtsbe-scherming draagt verder bij dat betrokkenen de mogelijkheid hebben omgebruik te maken van bezwaar- en beroepsprocedures.Artikel 1, onderdeel 6, van de HerzieningsrichtlijnDe leden van de CDA-fractie verzoeken nader toe te lichten hoe hetverbrede non-punishmentbeginsel zich verhoudt tot bestaande strafuit-sluitingsgronden zoals overmacht, en op welke wijze wordt voorkomendat dit beginsel verschillend wordt uitgelegd in de strafrechtelijke enbestuursrechtelijke context. Ook willen deze leden weten hoe de uitkomstvan de jaarlijkse monitoring van de toepassing van dit beginsel zalworden benut om beleid en uitvoering zo nodig bij te stellen.De Herzieningsrichtlijn verbreedt het toepassingsbereik van hetnon-punishmentbeginsel tot «andere onwettige activiteiten» dancriminele activiteiten die slachtoffers van mensenhandel gedwongenhebben uitgevoerd als rechtstreeks gevolg van mensenhandel. Indien eenslachtoffer van mensenhandel in rechtstreeks verband daarmee een feitbegaat waartoe hij is gedwongen terwijl hij in redelijkheid geenmogelijkheid had om anders te handelen – en aldus onder de reikwijdtevan het non-punishmentbeginsel valt – is sprake van straffeloosheid opgrond van de algemene strafuitsluitingsgrond psychische overmacht(artikel 40 Sr). In dergelijke situaties zal het OM dan ook geen strafver-25Zie www.rechtspraak.nl/uitspraken/pseudonimiseringsrichtlijn.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 621 volging instellen of – als de relevante omstandigheden pas later aan hetlicht komen – zal de rechter niet tot een veroordeling komen en eenontslag van alle rechtsvervolging uitspreken. Als gevolg van een daartoestrekkend amendement van de leden Van Nispen, Bikker en Tseggai wordtin wetsvoorstel 36 547 voorgesteld het non-punishmentbeginsel alsspecifieke strafuitsluitingsgrond in de wet te verankeren (artikel 273f,negende lid, van wetsvoorstel 36 547).26 Hiermee wordt de beschermingdie wordt geboden door de algemeen toepasselijke strafuitsluitingsgrondovermacht voor slachtoffers van mensenhandel specifiek vastgelegd.Wanneer geen sprake is van een strafbaar feit maar van een «andereonwettige activiteit» wordt in het kader van de bestuursrechtelijkehandhaving aan slachtoffers van mensenhandel feitelijk dezelfdebescherming geboden. Een bestuursorgaan mag geen bestuurlijke boeteopleggen – dat wil zeggen: een bestraffende sanctie tot betaling van eengeldsom – voor zover de overtreding niet aan de overtreder kan wordenverweten (artikel 5:41 Algemene wet bestuursrecht). Bij deze bepaling zijnde schulduitsluitingsgronden uit het strafrecht, waaronder psychischeovermacht, van toepassing.27Zoals in de voortgangsbrief «Samen tegen mensenhandel»28 aan uwKamer toegezegd, zal ik ter uitvoering van de motie-Ceder/Bikker29betreffende de jaarlijkse monitoring over de toepassing van hetnon-punishmentbeginsel met de relevante partijen in gesprek te gaanover hoe de toepassing jaarlijks kan worden gemonitord. Ik informeer uwKamer wanneer dit gesprek heeft plaatsgevonden, waarbij ik ook zalingaan op hoe de uitkomsten van de monitor kunnen worden benut.Artikel 1, onderdeel 7, onder a, van de HerzieningsrichtlijnDe aan het woord zijnde leden willen weten hoe wordt gewaarborgd dathet ontbreken of intrekken van een aangifte er niet toe leidt dat hetmisdrijf van artikel 273g Sr onbestraft blijft, alsook dat de mogelijkheidvan ambtshalve opsporing en vervolging daadwerkelijk wordt benut alsde ernst van de zaak daar om vraagt.Artikel 273g Sr stelt strafbaar – kort gezegd – het opzettelijk gebruikmakenvan seksuele diensten die worden verleend door een slachtoffer vanmensenhandel. Dit implementatiewetsvoorstel verbreedt het bescher-mingsbereik van artikel 273g Sr tot niet-seksuele diensten. Nu voor ditdelict geen klachtvereiste geldt, kan dit feit ook ambtshalve wordenopgespoord en vervolgd; een aangifte is daarvoor niet noodzakelijk. Het isaan het OM om in concrete gevallen de afweging te maken of het, ookgelet op het beschikbare bewijsmateriaal, opportuun is om ter zake vanartikel 273g Sr strafvervolging in te stellen. Als de ernst van eenbewijsbare zaak daarom vraagt, zal het OM vervolging instellen.Artikel 1, onderdeel 7, onder b, van de HerzieningsrichtlijnOnder verwijzing naar de memorie van toelichting memoreren de ledenvan de VVD-fractie dat de KMar gespecialiseerde rechercheteams heeftvoor het bestrijden van mensensmokkel. Zij vragen in dat kader naar deresultaten van het opgerichte multidisciplinair team mensensmokkel en ofer ook een multidisciplinair team kan worden opgericht voor de opsporingvan mensenhandel.26Kamerstukken II 2024/25, 36 547, nr. 14.27Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 134.28Kamerstukken II 2025/26, 28 638, nr. 259.29Kamerstukken II 2024/25, 36 547, nr. 36.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 622 In reactie op deze vragen verhelder ik graag dat het multidisciplinair teammensensmokkel geen operationeel gespecialiseerd team is dat onder-zoeken verricht naar mensensmokkel, maar een multidisciplinair team datop strategisch niveau bijeenkomt om elkaar te informeren en adviserenaangaande de ontwikkelingen rondom mensensmokkel. Voor mensen-handel bestaan al enkele vergelijkbare samenwerkingsverbanden. Hetbetreft onder meer de overleggen die in het kader van het ActieplanSamen tegen mensenhandel plaatsvinden, het Landelijk OverlegSpecialisten Mensenhandel (LOSM), en het Coördinatiepunt Eenheids-overstijgende Mensenhandel Interventies (CEMI). Daarnaast heeft hetExpertisecentrum Mensenhandel en Mensensmokkel (EMM) ten doel omkennis over ontwikkelingen betreffende mensenhandel en mensen-smokkel vanuit verschillende disciplines van de opsporing en vervolgingbij elkaar te brengen. Aan de EMM nemen deel: de politie, KMar,Nederlandse Arbeidsinspectie, IND en het OM. Er bestaat derhalve geenbehoefte om – in aanvulling hierop – een multidisciplinair team mensen-handel op te richten.Voornoemde leden vragen voorts naar de voortgang van de nota naaraanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel verhoging wettelijkestrafmaxima mensensmokkel en uitbreiding rechtsmacht mensensmokkel(Kamerstuk 36 414).De voorbereiding van de nota naar aanleiding van het verslag bijvoornoemd wetsvoorstel is enige tijd aangehouden in afwachting van deonderhandelingen over een voorstel voor een EU-richtlijn inzakeminimumvoorschriften ter voorkoming en tegengaan van mensen-smokkel. Nu er een algemene oriëntatie op die richtlijn is aangenomendoor de JBZ-raad,30 zal het werk aan de nota naar aanleiding van hetverslag weer worden voortgezet.De leden van de VVD-fractie verzoeken om een nadere toelichting op dejaarlijkse verstrekking van gegevens aan Eurostat. Zij willen weten omwelke gegevens het gaat, of er voldoende adequate wettelijke grond-slagen zijn om deze gegevens rechtmatig uit te wisselen en of uit deuitvoeringspraktijk blijkt dat er gegevens zijn waarvan het vanuitopsporingsperspectief wenselijk is deze uit te wisselen, maar dat vanuitprivacyoverwegingen nog niet gebeurt.Elk jaar levert de NRM gegevens over mensenhandel aan bij Eurostat, hetstatistiekbureau van de EU. De Herzieningsrichtlijn brengt hierin geenverandering. De genoemde gegevensverstrekking gebeurt op basis vaneen questionnaire die door Eurostat wordt aangeleverd. De NRM maaktbij het invullen daarvan gebruik van gegevens die worden verstrekt doorCoMensha, het EMM en het OM. Het gaat om geaggregeerde data overhet aantal personen dat slachtoffer is geworden van mensenhandel en hetaantal personen dat is verdacht van, vervolgd voor, en veroordeeld voormensenhandel, de uitbuitingsvorm en de plaats van uitbuiting. De NRMervaart geen knelpunten bij deze gegevensuitwisseling. In artikel 4:3,eerste lid, onder v, van het Besluit politiegegevens is een vaste grondslagopgenomen voor verstrekking van politiegegevens aan de NRM. Voor deverstrekking van justitiële en strafvorderlijke gegevens, tenuitvoerleg-gingsgegevens en gerechtelijke strafgegevens aan de NRM bieden deartikelen 31 en 31a van het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevenseen grondslag.30Kamerstukken II 2024/25, 32 317, nr. 925.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 623 Het nieuwe artikel 19bis van de herziene Europese richtlijn mensenhandelverplicht lidstaten ertoe om jaarlijks geanonimiseerde statistischegegevens over bepaalde aspecten van de bestrijding van mensenhandelbij de Europese Commissie in te dienen. De verstrekking van die gegevensstrekt ertoe zicht te krijgen op de schaal waarop mensenhandel in de Unieplaatsvindt, de algemene kennis over deze vorm van criminaliteit tebevorderen en ervoor te zorgen dat beleid en strategieën op gegevensworden gebaseerd.31 De NRM zal de benodigde geanonimiseerdestatistische gegevens verstrekken aan de Europese Commissie. Hieraankan binnen de bestaande juridische kaders uitvoering worden gegeven.Voor zover deze leden met hun vraag (eveneens) hebben willen infor-meren naar de samenwerking met (opsporingsdiensten van) andereEU-lidstaten, verwijs ik hen kortheidshalve graag naar het in paragraaf 3van deze nota gegeven antwoord op een vraag daarover van de leden vande BBB-fractie. Zoals uit dat antwoord blijkt bestaan er binnen de EUruime mogelijkheden tot samenwerking bij de aanpak van mensenhandel.De leden van de CDA-fractie vragen naar de rol van gespecialiseerdeteams, zoals de Teams Migratiecriminaliteit en Mensenhandel van deAfdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel en digitaleexpertise-eenheden bij de aanpak van met ICT-gefaciliteerde mensen-handel. In het bijzonder willen zij vernemen op welke wijze in beleid enorganisatie wordt vormgegeven aan de noodzakelijke afstemming tussendeze teams, met name bij grensoverschrijdende en digitaal complexezaken.De organisaties die bij de opsporing van mensenhandel zijn betrokkenhebben naar gelang hun taken gespecialiseerde teams, waarbij digitaleopsporing een vast onderdeel is van de opsporingspraktijk bij mensen-handel. In vrijwel ieder opsporingsonderzoek wordt van deze debeschikbare digitale expertise gebruikgemaakt. De opsporingsinstantieszijn actief betrokken bij de coördinatie van de inzet van gespecialiseerdeteams en werken waar mogelijk samenwerking op Europees niveau.Hierdoor kunnen dwarsverbanden in onderzoeken snel worden herkend,waarna afgestemd kan worden over het vervolg. Daarnaast zijn – zoalseerder aangegeven in deze nota – de politie, KMar, Nederlandse Arbeids-inspectie, IND en het OM aangesloten bij het EMM. Het EMM is eensamenwerkingsverband waarbinnen deze vijf organisaties hun signalenen informatie over strafrechtelijke onderzoeken naar mensenhandel enmensensmokkel ter beschikking stellen, waar een vertaling plaatsvindtnaar operationele, tactische en strategische producten aan de handwaarvan de betrokken organisaties hun strafrechtelijke en/of publiekrech-telijke bevoegdheden kunnen toepassen, waarbinnen informatie van dezediensten geanalyseerd wordt en trends en fenomenen met elkaarbesproken worden, waaronder fenomenen met een online-component.Ook wordt internationale samenwerking en informatie-uitwisselingbevorderd door jaarlijks deel te nemen aan de EMPACT Hackathon, eenintensieve samenwerking tussen experts uit verschillende landen diemede is gericht op de opsporing van mensenhandel.Artikel 1, onderdeel 8, onder a en b, van de HerzieningsrichtlijnDe aan het woord zijnde leden verzoeken nader toe te lichten waarom isgekozen voor een ruime extraterritoriale rechtsmacht voor het inartikel 18bis van Richtlijn 2011/36/EU bedoelde feit en daarbij te betrekkenhoe in de praktijk wordt omgegaan met situaties waarin meerderelidstaten rechtsmacht over een feit kunnen uitoefenen.31In die zin overweging 31 bij de Herzieningsrichtlijn.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 624 Er is voor gekozen de richtlijnbepalingen over rechtsmacht ten aanzienvan het in artikel 18bis omschreven feit – dat in de Nederlandse wetgevingwordt geïmplementeerd door verbreding van artikel 273g Sr – op dezelfdewijze te implementeren als ter implementatie van Richtlijn 2011/36/EU tenaanzien van het delict mensenhandel is gedaan. Daartoe zal, door middelvan een separaat implementatiebesluit, artikel 4 van het BIVR wordenaangepast. Hierdoor heeft Nederland steeds rechtsmacht over zowelmensenhandel als het misdrijf van artikel 273g Sr, indien het buitenNederland is gepleegd door of tegen een Nederlander dan wel ingezetenevan Nederland. Het in artikel 273g Sr omschreven misdrijf heeftbetrekking op situaties waarin op laakbare wijze gebruik is gemaakt vandienstverlening door een slachtoffer van mensenhandel. Daarmee hangtdit misdrijf nauw samen met het delict mensenhandel. Dit rechtvaardigtdat voor de artikelen 273f en 273g Sr dezelfde regeling van extraterrito-riale rechtsmacht geldt. Dit maakt onder andere dat Nederland rechts-macht heeft als een Nederlander in het buitenland seksuele handelingenverricht met een sekswerker die slachtoffer is van mensenhandel, ook alshet in artikel 273g Sr omschreven feit in dat land niet strafbaar is. Dezeruime toepasselijkheid van de Nederlandse strafwetgeving ter zake vanmensenhandel en aanverwante misdrijven kan dan ook bijdragen aan eenbrede bescherming van slachtoffers van deze misdrijven.Met betrekking tot de situatie waarin meerdere lidstaten rechtsmacht overeen feit kunnen uitoefenen (ook wel: een positief jurisdictiegeschil) wordtvooropgesteld dat binnen de EU Kaderbesluit 2009/948/JBZ van kracht is.Dit kaderbesluit heeft tot doel het voorkomen en beslechten van positievegeschillen over de uitoefening van rechtsmacht in strafprocedures. In hetkaderbesluit worden regels vastgesteld met betrekking tot de uitwisselingvan informatie en rechtstreeks overleg tussen de bevoegde autoriteitenvan de lidstaten over de uitoefening van rechtsmacht. De praktijk ishiermee in overeenstemming. Bij vormen van grensoverschrijdendecriminaliteit waarbij sprake is van meerdere landen die rechtsmachtkunnen uitoefenen over het begane feit, plegen de opsporings- envervolgingsinstanties met elkaar afstemming te zoeken over wie deopsporing en vervolging voor zijn rekening neemt en in welke mate hierwel of niet samen in wordt opgetrokken. Samenwerking in parallelle ofgezamenlijke Joint Investigation Team-onderzoeken heeft hierbij devoorkeur, waarbij in het bijzonder de noodzaak tot afstemming aanwezigzal zijn. Over welk land de vervolging voor zijn rekening neemt, kunnenafspraken gemaakt worden. In EU-verband worden dergelijke afsprakenvaak gemaakt in zogeheten coördination meetings bij Eurojust. Daar zijnook liaisonvertegenwoordigers van landen buiten de EU werkzaam of opafroep beschikbaar.Artikel 1, onderdeel 9, onder a, van de HerzieningsrichtlijnDe leden van de VVD-fractie onderschrijven de in de memorie vantoelichting opgenomen constatering dat het voor professionals vanbelang is slachtoffers met een licht verstandelijke beperking (LVB) teherkennen, zodat er passende begeleiding en behandeling kan wordengeboden. Deze leden verzoeken of nader kan worden toegelicht hoe wordtvastgesteld dat een slachtoffer een LVB heeft. Zij vragen verder of erbereidheid is te onderzoeken of er bij slachtoffers van mensenhandel veelvaker al in een vroeg stadium een SCIL-test kan worden afgenomen en ofhet wenselijk wordt gevonden dat dergelijke informatie over slachtoffersook wordt gedeeld met andere opsporingsdiensten, inspecties, enbestuurlijke instanties (zoals de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND))in grensoverschrijdende opsporingsonderzoeken naar mensenhandel.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 625 Als een verdachte of slachtoffer een LVB heeft, blijkt dat vaak rondom hetstrafrechtelijk onderzoek. Het hebben van een LVB is een kwetsbaarheid.In het politieverhoor van jongeren wordt rekening gehouden met dekwetsbaarheid van het slachtoffer en de verdachte, onder meer door devraagstelling (enkelvoudige vragen) en het stellen van checkvragen.Politiemedewerkers kunnen ook altijd advies en ondersteuning vragenaan verhoorspecialisten binnen de politie of een recherchepsycholoogconsulteren. De politie heeft in 2017 een handreiking opgesteld over hoeom te gaan met LVB. In de opleiding voor mensenhandel-rechercheurs isuitvoerig aandacht voor de benadering (waaronder het verhoor) vanslachtoffers en verdachten. Een eerste indicatie dat mogelijk sprake is vaneen LVB kan bijvoorbeeld zijn dat betrokken derden hierover iets verklaren(denk aan ouders, verzorgers, behandelaars, maatschappelijk werkers ofandere hulpverleners). Ook kan bij het afleggen van een verklaring bij depolitie bij de verhorende ambtenaren het vermoeden rijzen dat bij dedesbetreffende persoon sprake is van een LVB, omdat zij daaropbetrekking hebbende signalen herkennen. Te denken valt aan de situatiedat blijkt dat de persoon die een verklaring aflegt de gestelde vragen nietbegrijpt of de reikwijdte van bepaalde vragen niet goed kan overzien. Bijhet herkennen van dergelijke signalen wordt gebruikgemaakt vanbestaande handreikingen op dit punt. In het geval vermoedelijk sprake isvan een LVB wordt het verhoor overgenomen door speciaal gecertifi-ceerde verhoorders en is het uitgangspunt dat deze verhoordersgedurende de rest van het onderzoek betrokken blijven, zoals nadertoegelicht in de memorie van toelichting.Vooralsnog wordt geen aanleiding gezien voor onderzoek of bij slacht-offers van mensenhandel vaker een SCIL-test kan worden uitgevoerd.Daarbij speelt een rol dat de politie geen SCIL-test uitvoert, maar in hetkader van de individuele beoordeling van het slachtoffer specifiekaandacht heeft voor kwetsbaarheid van een slachtoffer of verdachte,waaronder een LVB. De uitkomsten van individuele beoordelingen wordenbekend bij het OM en kunnen in dat stadium worden aangevuld ofaangepast. Ook slachtofferhulporganisaties, zoals CoMensha, houden bijde ondersteuning van slachtoffers in het bijzonder rekening met gender,handicaps en leeftijd, waaronder de inschatting of er sprake is van LVB.De leden van de CDA-fractie vragen hoe de expliciete verplichting totgenderbewuste, handicap-sensitieve en kindvriendelijke ondersteuningwordt verankerd in het Besluit slachtoffers van strafbare feiten en inuitvoeringsrichtlijnen en op welke wijze wordt aangesloten bij bestaandeinstrumenten zoals de Individuele Beoordeling en kindvriendelijkeverhoorpraktijken.Met artikel 1, onderdeel 9, onder a, van de Herzieningsrichtlijn wordt inartikel 11, eerste lid, van Richtlijn 2011/36/EU gespecificeerd dat lidstatenmoeten zorgen voor gespecialiseerde bijstand aan en ondersteuning vanslachtoffers, die genderbewust, toegesneden op handicaps en kindvrien-delijk is. Het doel van de door de leden gememoreerde individuelebeoordeling is een systematische bescherming van slachtoffers tegensecundaire victimisatie, herhaald slachtofferschap, intimidatie envergelding. De individuele beoordeling is opgedragen aan de opsporings-ambtenaar, of andere ambtenaar van een organisatie die opsporing vanstrafbare feiten tot taak heeft (artikel 10, eerste lid, van het Besluitslachtoffers van strafbare feiten (Bssf)). Hij zorgt ervoor dat het slachtoffer,tijdens of zo spoedig mogelijk na het eerste contact, een tijdige enindividuele beoordeling krijgt. Deze beoordeling kan gedurende hetstrafproces worden geactualiseerd. In artikel 10, tweede lid, onder a, vanhet Bssf is al vastgelegd dat bij de individuele beoordeling in het bijzonderrekening wordt gehouden met de persoonlijke kenmerken van hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 626 slachtoffer, waaronder – zo blijkt uit de toelichting op die bepaling –genderidentiteit of genderexpressie, lichamelijke of verstandelijkebeperkingen en leeftijd.32 In de memorie van toelichting bij ditwetsvoorstel zijn voorbeelden genoemd van de wijze waarop daaraanuitvoering wordt gegeven, zoals de inzet van gespecialiseerde recher-cheurs bij het horen van kwetsbare slachtoffers. Ter verzekering van devolledige toepassing van de gewijzigde richtlijnbepaling zal in het Bssf debestaande praktijk worden verankerd dat ook slachtofferhulporganisatiesbij de ondersteuning van slachtoffers rondom de strafprocedure in hetbijzonder rekening houden met gender, handicaps en leeftijd. Daartoe zalhet Bssf door middel van een implementatiebesluit worden aangevuld.Artikel 1, onderdeel 9, onder b en c, van de HerzieningsrichtlijnDe leden van de VVD-fractie memoreren dat in de toelichting op dehierboven genoemde bepaling uit de Herzieningsrichtlijn is uiteengezetdat en waarom het Nederlandse juridische en beleidsmatige kader dewerkzaamheid van verwijzingsmechanismen als bedoeld in het gewijzigdeartikel 11, vierde lid, van Richtlijn 2011/36/EU waarborgt. Deze ledenvragen dit nader toe te lichten en daarbij te betrekken op welke wijzeandere lidstaten invulling geven aan de vereiste werkzaamheid vanverwijzingsmechanismen.Het gewijzigde artikel 11, vierde lid, van Richtlijn 2011/36/EU bevat deverplichting om bij wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen een ofmeerdere verwijzingsmechanismen in te stellen voor de vroegtijdigeopsporing en identificatie van, en bijstand en ondersteuning aan,geïdentificeerde slachtoffers, in samenwerking met relevante hulpverle-ningsorganisaties, en om een contactpunt voor de grensoverschrijdendedoorverwijzing van slachtoffers aan te wijzen. Een verwijzingsmecha-nisme moet een transparant, toegankelijk en geharmoniseerd kader zijn.In een dergelijk kader moeten de deelnemende bevoegde autoriteiten,maatschappelijke organisaties en andere belanghebbenden wordenaangewezen en moeten hun taken worden vastgesteld. Die verwijzings-mechanismen kunnen de vorm aannemen van een reeks vastgesteldeprocedures, richtsnoeren, samenwerkingsregelingen of protocollen(overweging 15 bij de Herzieningsrichtlijn). De taken van deze verwijzings-mechanismen houden in ieder geval in dat er minimumnormen vastge-steld moeten worden voor de opsporing en vroegtijdige identificatie vanslachtoffers en dat de procedures voor dergelijke opsporing en identifi-catie aangepast worden aan de verschillende vormen van uitbuiting dieonder deze richtlijn vallen (vierde lid, onder a), dat slachtoffers wordenverwezen naar de meest geschikte ondersteuning en bijstand (onder b) endat samenwerkingsregelingen of -protocollen worden opgezet met deasielautoriteiten, zodat er bijstand, ondersteuning en bescherming wordtgeboden aan slachtoffers van mensenhandel die internationalebescherming behoeven of wensen aan te vragen (onder c).In de memorie van toelichting is uiteengezet op welke het Nederlandsejuridische en beleidsmatige kader de werkzaamheid van verwijzingsme-chanismen waarborgt.33 Binnen het strafrechtelijk domein vormtartikel 51aa, tweede lid, Sv de juridische grondslag voor een verwijzings-mechanisme. Op grond van die bepaling draagt de betrokken opsporings-ambtenaar – een medewerker van de politie, de KMar of van eenbijzondere opsporingsdienst – zorg voor verwijzing van slachtoffers vanmensenhandel naar een instelling voor slachtofferhulp, zoals CoMensha32Zie de artikelsgewijze toelichting op artikel 10, tweede lid, die is opgenomen in de Nota vanToelichting bij het Besluit slachtoffers van strafbare feiten (Staatsblad 2016, 310).33Kamerstukken II 2025/26, 36 835, nr. 3, p. 16–19.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 627 of Slachtofferhulp Nederland, waar zij toegang hebben tot informatie,advies en ondersteuning. Voor de opsporing en vroegtijdige identificatievan slachtoffers binnen het strafrechtelijk domein is van belang dat in deAanwijzing slachtoffers in het strafproces34 is vastgelegd dat het OM, dathet gezag heeft over de opsporing van mensenhandel, uitgaat van eenslachtofferpresumptie: uitgangspunt is dat het vermoedelijke slachtoffervan een strafbaar feit een slachtoffer is totdat het tegendeel komt vast testaan. Aan de hand van signalen van mogelijke mensenhandel – zoals dedoor de Nederlandse Arbeidsinspectie geïdentificeerde en gepubliceerdesignalen van mogelijke arbeidsuitbuiting35 – kan door de betrokkenopsporingsdienst worden vastgesteld of sprake is van een vermoedelijkslachtoffer van mensenhandel. Op grond van de Aanwijzing mensen-handel36 worden signalen van mensenhandel in alle gevallen opgepaktdoor de opsporingsinstanties. Dat betekent dat wordt bekeken of ervoldoende relevante aanknopingspunten voor opsporing zijn. Deslachtofferhulporganisatie waarnaar het slachtoffer is verwezen, geeft debenodigde informatie, bijstand en ondersteuning (artikel 3, eerste lid,Bssf) – eventueel onder rechtstreekse doorverwijzing naar relevantegespecialiseerde hulporganisaties zoals instellingen in de medische sectorof organisaties voor maatschappelijk werk (artikel 3, eerste lid,onderdeel b, Bssf) – zodat het slachtoffer de meest geschikte onder-steuning en bijstand kan worden gegeven. In het verlengde hiervan zal– door middel van een afzonderlijk implementatiebesluit – in het Besluitslachtoffers van strafbare feiten een grondslag worden opgenomen, opbasis waarvan CoMensha formeel als contactpunt voor de grensover-schrijdende doorverwijzing van slachtoffers wordt aangewezen. Waar hetgaat om slachtoffers van mensenhandel die internationale beschermingbehoeven of deze wensen aan te vragen, bedoeld in het gewijzigdeartikel 11, vierde lid, onderdeel c, van Richtlijn 2011/36/EU, bestaan er alsamenwerkingsprotocollen, zoals nader is toegelicht in de memorie vantoelichting. Hiermee wordt binnen het strafrechtelijk domein volledigetoepassing gegeven aan het gewijzigde artikel 11, vierde lid, van Richtlijn2011/36/EU.Op dit moment worden al specifieke beleidsinstrumenten ingezet terbevordering van een vroegtijdige signalering van vermoedelijke slacht-offers van mensenhandel door professionals en instanties buiten hetstrafrechtelijk domein, zoals in de context van de gezondheidszorg, degemeente of de IND. Daarbij valt te denken aan protocollen en cursussengericht op het herkennen van signalen van verschillende vormen vanmensenhandel en het vergroten van de bewustheid van bestaandemogelijkheden om vermoedelijke slachtoffers van mensenhandel (nadoorverwijzing) te ondersteunen, waaronder de opvang van die slacht-offers op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, deJeugdwet of de Categorale Opvang Slachtoffers Mensenhandel (COSM).De komende periode wordt benut om binnen het Versterkte Actieplanprogramma Samen tegen mensenhandel toe te werken naar een verdereversterking en formalisering van verwijzingsmechanismen buiten hetstrafrechtelijk domein. Daartoe worden signalen van mogelijke mensen-handel op eenduidige wijze vastgelegd en breed toegankelijk gemaaktvoor de betrokken professionals en instanties, alsmede wordt aangegevendoor wie en op welke wijze bijstand en ondersteuning kan wordenverleend aan vermoedelijke slachtoffers van mensenhandel. Ook wordtgestart met een verkenning hoe, in aanvulling op de hierboven genoemdedetectie en identificatie van slachtoffers van mensenhandel binnen hetstrafrechtelijk domein, detectie en identificatie buiten het strafrechtelijk34Staatscourant 2024, 4318.35Zie www.nlarbeidsinspectie.nl/onderwerpen/herkennen-en-melden-arbeidsuitbuiting.36Staatscourant 2022, 5901.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 628 domein structureel kan worden vormgegeven. Daarbij zal ook nadereaandacht uitgaan naar de cruciale rol van CoMensha bij de beschermingen verwijzing van slachtoffers van mensenhandel. Na het treffen van dezemaatregelen zal volledige toepassing worden gegeven aan de verplichtingdie op de lidstaten rust om een of meerdere verwijzingsmechanismen inte stellen als bedoeld in het gewijzigde artikel 11, vierde lid, van Richtlijn2011/36/EU.Ik beschik niet over een volledig overzicht van hoe andere lidstateninvulling (beogen te) geven aan de werkzaamheid van verwijzingsmecha-nismen. Wel zijn op onderdelen overeenkomsten en verschillen met deNederlandse situatie bekend.37 Zo hebben meerdere lidstaten de detectieen identificatie van slachtoffers ingericht binnen het strafrecht, en heeftbijvoorbeeld Griekenland een systeem waar ook buiten, maar in samen-werking met, het strafrechtelijk domein detectie en identificatie vanslachtoffers kan plaatsvinden.In hoeverre kan bij de verdere uitwerking van verwijzingsmechanismenals hierboven bedoeld worden aangesloten bij pilots zoals de DomeinOverstijgende Informatiegestuurde Werkwijze, zo vragen de leden van deCDA-fractie.De Domein Overstijgende Informatiegestuurde Werkwijze (DIGW) is eeninstrument van de politie, waarbij signalen vanuit data, opsporing engebiedsgebonden politiezorg beter met elkaar worden verbonden omsignalen van complexe criminaliteit, zoals mensenhandel, sneller teherkennen en effectiever te bestrijden. Het nationaal verwijzingsmecha-nisme is bedoeld als instrument waarmee slachtoffers, eerstelijnsprofessionals en burgers op een laagdrempelige en toegankelijke manierworden geïnformeerd en worden doorverwezen naar het juiste loket. Dit isspecifiek bedoeld voor vragen over aangifte, hulp en opvang. Comenshazal zich in 2026 richten op de doorontwikkeling van het nationaalverwijzingsmechanisme. Comensha zal in dat kader bezien in hoeverre hetmogelijk is en meerwaarde heeft om aan te sluiten bij de pilot die nu bijenkele gemeenten loopt, waarbij wordt onderzocht in hoeverre de DIGWook toepasbaar is in het gemeentelijk domein met het oog op signaleringvan mensenhandel.Artikel 1, onderdeel 10, van de HerzieningsrichtlijnVerder informeren de aan het woord zijnde leden naar hoe de samen-werking tussen de IND en andere betrokken organisaties bij de mensen-handelaanpak wordt ingericht om te voorkomen dat signalen overslachtofferschap en (mogelijke) aanspraak op internationale bescherminglangs elkaar heen lopen. Zij willen eveneens vernemen op welke wijzewordt bewaakt dat de asielprocedure en de opvang en ondersteuning vanhet slachtoffer goed op elkaar aansluiten en dat de informatiedeling isgeborgd.Het is van groot belang dat signalen van (mogelijk) slachtofferschap vanmensenhandel en eventuele aanspraken op internationale beschermingtijdig worden herkend en dat deze niet los van elkaar worden beoordeeld.Daarom is de samenwerking tussen de IND en de partners in de mensen-handelaanpak – waaronder de politie, het OM, het Centraal Orgaanopvang Asielzoekers (COA), zorg- en opvangorganisaties, en de NRM – opmeerdere niveaus ingericht en geborgd.37De Organisatie voor Vrede en Stabiliteit in Europa (OVSE) heeft een praktisch handboek overnationale verwijsmechanismen opgesteld, inclusief een hoofdstuk over «best practices»(https://cdn.osce.org/sites/default/files/f/documents/f/5/510551_0.pdf).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 629 In de uitvoering vindt structurele afstemming plaats via vaste werkaf-spraken, ketenoverleggen en protocollen waarin is vastgelegd hoesignalen van mensenhandel worden herkend, vastgelegd en doorgeleid.Medewerkers van de IND zijn getraind in het signaleren van mogelijkeindicaties van mensenhandel tijdens de asielprocedure. Indien dergelijkesignalen worden vastgesteld, worden deze conform de geldendewerkwijzen gedeeld met de bevoegde opsporingsinstanties en wordt debetrokkene gewezen op de mogelijkheden van bescherming, opvang enondersteuning als (potentieel) slachtoffer van mensenhandel. Om tewaarborgen dat asielprocedures en de opvang en ondersteuning vanslachtoffers goed op elkaar aansluiten, wordt gewerkt met ketenbredeafspraken over rolverdeling, doorverwijzing en informatie-uitwisseling,met inachtneming van de geldende privacywetgeving. Het COA engespecialiseerde opvangvoorzieningen spelen een centrale rol in hetbieden van passende opvang, terwijl de IND bij de beoordeling vanverblijfsrechtelijke aanvragen rekening houdt met relevante informatieover slachtofferschap, voor zover deze beschikbaar is en gedeeld magworden.Daarnaast wordt ingezet op deskundigheidsbevordering, gezamenlijketrainingen en het verbeteren van informatiestromen binnen de keten.Door middel van monitoring, periodieke evaluaties en casusoverleggenwordt bewaakt dat procedures op elkaar aansluiten en dat eventueleknelpunten tijdig worden gesignaleerd en aangepakt. Het kabinet blijftzich inspannen om deze samenwerking verder te versterken, zodatslachtoffers van mensenhandel de bescherming en ondersteuning krijgenwaar zij recht op hebben, zonder dat dit afbreuk doet aan een zorgvuldigeen rechtmatige asielprocedure.Artikel 1, onderdeel 12, van de HerzieningsrichtlijnDe leden van de CDA-fractie vragen daarnaast hoe de verplichting totveilige, vertrouwelijke en kindvriendelijke aangifteprocedures wordtvastgelegd in landelijke standaarden en of er eenduidige kwaliteitscriteriavoor studioverhoren van minderjarigen en extra kwetsbare slachtoffersbestaan en, zo ja, hoe de naleving daarvan wordt gevolgd.De politie streeft ernaar om aangifteprocedures zo toegankelijk enbegrijpelijk mogelijk te maken voor alle slachtoffers, inclusief kinderen. Opde website van de politie wordt bijvoorbeeld verwezen naar Steffie, eenplatform dat op eenvoudige en kindvriendelijke wijze uitlegt hoe aangiftekan worden gedaan.38 Begeleiding van minderjarige slachtoffers bij hetdoen van aangifte wordt daarnaast geboden door diverse professionals,zoals vertrouwenspersonen op school of in de jeugdhulp, medewerkersvan SHN en, waar nodig, een advocaat of bijzonder curator. Dezepersonen spelen een cruciale rol bij het voorbereiden, ondersteunen enbeschermen van het kind tijdens het aangifteproces.Het verhoor van slachtoffers van mensenhandel is voorbehouden aangecertificeerde rechercheurs. Naast de verplichte basisverhooropleidingvoor deze rechercheurs, wordt in de opleiding «Mensenhandel» nogspecifiek aandacht geschonken aan het verhoor van slachtoffers vanmensenhandel. Het verhoor van minderjarigen en extra kwetsbareslachtoffers kent strenge kwaliteitseisen. De verhoorders hebben daartoeeen opleiding gevolgd. Indien tijdens een opsporingsonderzoek eenminderjarig of extra kwetsbaar slachtoffer wordt aangetroffen, kan voorhet verhoor een specialist worden ingeschakeld. Deze verhoorspecialistenhebben een verdiepende specialistische opleiding verhoor gevolgd aan de38Zie https://politie.steffie.nl.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 630 politieacademie en zijn gekwalificeerd om minderjarige en extrakwetsbare personen te verhoren. Op basis van een inschatting van dezespecialisten kan er gebruik worden gemaakt van een daartoe speciaalingerichte (kindvriendelijke) verhoorstudio. De wijze waarop dezeverhoren plaatsvinden is vastgelegd in politieprotocollen.Artikel 1, onderdeel 13, van de HerzieningsrichtlijnVerder vragen deze leden hoe de bestaande specialistische programma’svoor minderjarige slachtoffers, gericht op herstel en een veilige overgangnaar volwassenheid, worden ingebed in het bredere jeugd- en jeugdbe-schermingsstelsel. In hoeverre worden ervaringen van organisaties alsFier, Ster Huis en NIDOS benut bij de verdere ontwikkeling van beleid enregelgeving?Bij de ontwikkeling van beleid en regelgeving worden relevante uitvoe-ringsorganisaties altijd betrokken. Het Actieplan Samen tegen mensen-handel werkt dan ook samen met de zorg- en expertiseorganisaties aanhet voorkomen van mensenhandel, het beter signaleren en helpen vanslachtoffers en het aanpakken van daders. Actielijn 6 uit het Actieplanheeft als doel de praktijk handvatten te bieden voor het verbeteren van designalering, bescherming en ondersteuning van minderjarige slachtoffersvan mensenhandel, ook binnen het bredere jeugd- en jeugdbescher-mingsstelsel. Zo is de uitgebreide verdiepende training over mensen-handel met minderjarige slachtoffers tot nu toe door 836 professionalsgevolgd, onder andere medewerkers van gemeenten, jeugdzorg,jeugdbescherming, Veilig Thuis, COA, NIDOS en politie. Er blijkt een grotebehoefte aan deskundigheidsbevordering rond mensenhandel te zijnonder medewerkers uit deze sectoren. Speciale aandacht is er voortrainingen ter versterking van de signalering van mensenhandel onderalleenstaande minderjarige vreemdelingen. Wanneer nodig en relevantzullen de inzichten en opbrengsten uit het Actieplan Samen tegenmensenhandel ook betrokken worden bij de verdere ontwikkeling vanbeleid ten aanzien van het jeugd- en jeugdbeschermingsstelsel, zoals bijde transformatie die ingezet wordt vanuit Toekomstscenario Kind- enGezinsbescherming, gericht op het verbeteren van de kind- en gezinsbe-scherming.Artikel 1, onderdeel 14, van de HerzieningsrichtlijnArtikel 17 van Richtlijn 2011/36/EU schrijft voor dat lidstaten ervoor dienente zorgen dat slachtoffers van mensenhandel toegang hebben totregelingen voor schadevergoeding voor slachtoffers van geweldsmis-drijven. Artikel 1, onderdeel 14, van de Herzieningsrichtlijn voegt daaraantoe dat de lidstaten ervoor kunnen kiezen (zij zijn hiertoe niet verplicht)overeenkomstig hun nationale wetgeving een nationaal fonds voorslachtoffers of een vergelijkbaar instrument op te zetten voor de schade-vergoeding van slachtoffers. In de memorie van toelichting is uiteengezetlangs welke civielrechtelijke en strafrechtelijke wegen slachtoffers vanmensenhandel in Nederland toegang hebben tot regelingen voorschadevergoeding.39 Daarbovenop hebben deze slachtoffers demogelijkheid om op grond van de Wet schadefonds geweldsmisdrijveneen aanvraag te doen voor een financiële tegemoetkoming. Met het oogop dat laatste vragen de leden van de VVD-fractie of er andere lidstatenzijn die een vergelijkbare mogelijkheid hebben om een aanvraag te doenvoor een financiële tegemoetkoming als bedoeld in de Wet Schadefondsgeweldsmisdrijven.39Kamerstukken II 2025/26, 36 835, p. 22.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 631 Op basis van artikel 12 van de EU-richtlijn 2004/80/EG betreffende deschadeloosstelling van slachtoffers van misdrijven zijn alle lidstatenverplicht te voorzien in een nationale schadeloosstellingsregeling voorslachtoffers van op hun grondgebied gepleegde opzettelijke geweldmis-drijven, die een billijke en passende schadeloosstelling van slachtoffersgarandeert. Als gevolg daarvan is er in alle lidstaten een organisatie, waarslachtoffers van dergelijke strafbare feiten terecht kunnen voor eentegemoetkoming in de geleden schade. Niet alle landen hebben een Wetschadefonds geweldsmisdrijven, zoals die in Nederland bestaat. Ik beschikniet over een overzicht van lidstaten met een vergelijkbaar systeem alsNederland. In vrijwel alle lidstaten geldt dat aangifte moet worden gedaanbij de politie om een aanvraag voor een financiële tegemoetkoming tekunnen doen. Dat is in Nederland niet het geval, hoewel het doen vanaangifte het vergemakkelijkt om de aannemelijkheid aan te tonen vanhetgeen het slachtoffer is overkomen.Verder wordt gevraagd of het standpunt van deze leden dat slachtoffersvan alle vormen van uitbuiting en ernstige benadeling aanspraak zoudenmoeten kunnen maken op een uitkering op grond van de Wet schade-fonds geweldsmisdrijven, wordt gedeeld.Het Schadefonds Geweldsmisdrijven biedt op grond van artikel 3, eerstelid, onder a, van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven een tegemoet-koming aan slachtoffers van (opzettelijke) gewelds- en seksuelemisdrijven, als zij hiervan ernstig fysiek en/of psychisch letsel hebbenondervonden. In de nota naar aanleiding van het verslag bij hetwetsvoorstel modernisering en uitbreiding strafbaarstelling mensen-handel (36 547) – dat het delict ernstige benadeling introduceert – isaangegeven waarom mensenhandel wel en ernstige benadeling niet alseen opzettelijk geweldsdelict kan worden aangemerkt.40 Kortheidshalveverwijs ik deze leden graag naar die toelichting. In het kader van hetSchadefonds Geweldsmisdrijven wordt bij alle vormen van uitbuitingernstig letsel verondersteld. Dit betekent dat slachtoffers van mensen-handel in aanmerking komen voor een tegemoetkoming uit het Schade-fonds geweldsmisdrijven.Voorts verzoeken de aan het woord zijnde leden om een reactie op de driesuggesties bij het onderhavige wetsvoorstel die zijn opgenomen in hetconsultatieadvies van Slachtofferhulp Nederland.In lijn met het consultatieadvies dat SHN in 2023 heeft uitgebracht overartikel 273g Sr als onderdeel van het wetsvoorstel dat voorziet in demodernisering en uitbreiding van de strafbaarstelling van mensenhandel(36 547), adviseert SHN om het verbrede artikel 273g Sr onder het bereikvan het spreekrecht en het recht op een kosteloze advocaat te brengen,alsmede een voorschot op het volledige bedrag van de toegekendeschadevergoeding mogelijk te maken. Vooropgesteld wordt dat op grondvan de Aanwijzingen voor de regelgeving bij implementatie van bindendeEU-rechtshandelingen, zoals de onderhavige Herzieningsrichtlijn, in eenimplementatiewetsvoorstel geen andere onderdelen worden opgenomendan voor de omzetting noodzakelijk zijn (aanwijzing 9.4). Dit gelet op denoodzaak van tijdige implementatie. De genoemde adviespunten van SHNhebben betrekking op onderwerpen die geen onderdeel zijn van deHerzieningsrichtlijn en gaan daarmee het bestek van dit implementatie-wetsvoorstel te buiten. Daarom is in de memorie van toelichting bij ditwetsvoorstel voor een inhoudelijke reactie op de adviezen van SHNverwezen naar de nota naar aanleiding van het verslag bij het genoemde40Kamerstukken II 2024/25, 36 547, nr. 6, p. 55.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 632 wetsvoorstel 36 54741 en het aangenomen amendement-Verkuijlen/Dral42bij dat wetsvoorstel dat inhoudt dat artikel 273g Sr onder het bereik vanhet spreekrecht wordt gebracht, waarmee het desbetreffende adviespuntvan SHN is opgevolgd. In de genoemde nota naar aanleiding van hetverslag is aangegeven dat slachtoffers van het delict 273g Sr als slacht-offer van mensenhandel voor kosteloze rechtsbijstand in aanmerkingkomen. In die nota is verder toegelicht dat – kort gezegd – de voorschotre-geling van toepassing is als de rechter op grond van artikel 36f Sr deschadevergoedingsmaatregel oplegt, waarbij aan het uit te keren bedrageen bovengrens van € 5.000 wordt gesteld, met dien verstande dat dezebovengrens niet geldt voor de uitkering aan slachtoffers van specifiekgenoemde geweldsmisdrijven en seksuele misdrijven (artikelen 6:4:2,zevende lid, Sv en 6:4:8, derde lid, Sv in verbinding met artikel 4:14 vanhet Besluit tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen).Artikel 1, onderdeel 15, van de HerzieningsrichtlijnDe leden van de CDA-fractie vragen hoe wordt voorkomen dat deverbreding van artikel 273g Sr naar niet-seksuele dienstverlening in depraktijk tot onderbenutting leidt en of wordt voorzien in nadere beleids- ofwerkinstructies om duidelijkheid te geven over de toepassing van dezebepaling.Het is bij de politie, de Nederlandse Arbeidsinspectie en het OM gebrui-kelijk dat in het geval van nieuwe of gewijzigde wettelijke strafbepalingenbijbehorende werkinstructies worden gemaakt of aangepast, zodat debetrokken professionals deze kunnen gebruiken in het kader van deopsporing en vervolging van de desbetreffende feiten. Dat geldt dus ookvoor de verbreding van artikel 273g Sr. Gelet op de beschikbare capaciteitvan het OM en de prioritering van de opsporing van uitbuiters, is deverwachting dat die verbreding zal leiden tot een beperkte toename vanstrafzaken.Artikel 1, onderdeel 17, van de HerzieningsrichtlijnDe leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het monitorings-overzicht van het Actieplan Samen tegen mensenhandel en vragen of intoekomstige monitoringsoverzichten, conform de motie-Veltman43baseline-niveaus kunnen worden opgenomen en of daarnaast kan wordenvoorzien in streefdata en tussentijdse doelstellingen.De door de leden genoemde motie-Veltman verzocht voor de invoeringvan het bedoelde actieplan meer aandacht te schenken aan het specifiek,meetbaar, acceptabel, realistisch en tijdgebonden (smart) formuleren vande doelen en hierbij gebruik te maken van streefwaarden, prestatiege-gevens en effectindicatoren, en de Kamer hierover voor Prinsjesdag 2024te informeren. In 2024 is bij de totstandkoming van het Versterkt ActieplanSamen tegen mensenhandel uitvoering gegeven aan deze motie. In datplan is neergelegd in welk jaar welke acties moeten zijn afgerond. Dit isovergenomen in het monitoringsoverzicht. Waar er vertraging isopgelopen wordt dit – overeenkomstig de motie – aangeduid.De leden van de CDA-fractie vragen hoe wordt geborgd dat de verplich-tingen rond gegevensverzameling, statistieken en nationale actieplannendie zijn opgenomen in de artikelen 19bis en 19ter van Richtlijn 2011/36/EUduurzaam worden verankerd in de Nederlandse bestuurs- en beleids-41Kamerstukken II 2024/25, 36 547, nr. 6, p. 9–11 en 54–56.42Kamerstukken II 2024/25, 36 547, nr. 22.43Kamerstukken II 2023/24, 28 638, nr. 240.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 633 praktijk en hier ervoor wordt gezorgd dat toekomstige actieplannen endata-aanleveringen een structureel karakter hebben.Naar aanleiding van een vraag van de leden van de VVD-fractie is in dezenota nader toegelicht op welke wijze de genoemde gegevensverzamelingen de jaarlijkse verstrekking van geanonimiseerde statistische gegevensdoor de NRM aan de Commissie vorm zal krijgen (zie in deze paragraaf,onder «Artikel 1, onderdeel 7, onder b, van de Herzieningsrichtlijn»).Graag verwijs ik de aan het woord zijnde leden daarnaar. Ten aanzien vanhet vereiste nationaal actieplan ter bestrijding van mensenhandel geldtdat het programma «Samen tegen mensenhandel» zo’n nationaalactieplan vormt en daarvoor structureel middelen beschikbaar zijn,jaarlijks 2 miljoen euro. Het huidige actieplan loopt tot en met 2027 en zalna afloop worden geëvalueerd. Eventuele verbeterpunten die uit dezeevaluatie voortkomen worden verwerkt in een volgend actieplan. Hetkabinet heeft in het coalitieakkoord 2026–2030 aangekondigd hetprogramma «Samen tegen mensenhandel» voort te zetten.In het verlengde hiervan vragen de leden van de VVD-fractie hoeartikel 19bis van Richtlijn 2011/36/EU in de praktijk zal worden uitgevoerden of er IT-aanpassingen noodzakelijk zijn om te verzekeren dat Nederlandaan alle vereisten van die richtlijnbepaling voldoet.Data over slachtofferschap van mensenhandel worden verzameld enverwerkt door CoMensha en de NRM. Er zijn geen IT-aanpassingennoodzakelijk om de door deze leden genoemde data te kunnen registrerenof verzamelen. De gegevens als bedoeld in artikel 19bis van Richtlijn2011/36/EU worden op dit moment al door de NRM verzameld. Wat betreftde geanonimiseerde statistische gegevens geldt dat de genoemderichtlijnbepaling ruimte laat om de op centraal niveau beschikbaregegevens overeenkomstig het nationale recht en de nationale praktijken teregistreren en door te verstrekken aan de Commissie. Met betrekking tot«het aantal geïdentificeerde en vermoedelijke slachtoffers» van mensen-handel geldt in dit verband dat in de Nederlandse praktijk geen onder-scheid gemaakt tussen vermoedelijke en vastgestelde slachtoffers,waardoor de NRM daarover dus geen uitgesplitste data verstrekken.Daarbij beschikt de NRM niet altijd over gegevens over het «staatsburger-schap» van een slachtoffer of verdachte en wordt in die gevallen voor deregistratie aangeknoopt bij het geboorteland (op basis van OM-data) of denationaliteit (op basis van CoMensha-data) van de desbetreffendepersoon.Deze leden vragen voorts of (een samenvatting van) de data dieNederland op basis van artikel 19bis, derde lid, van Richtlijn 2011/36/EUverstrekt aan de Europese Commissie openbaar wordt gemaakt.De NRM publiceert jaarlijks een cijfermatig overzicht van mensenhandel inNederland.44 Deze publicatie is openbaar toegankelijk. Daarnaast verstrektde NRM periodiek data aan Eurostat, het statistiekbureau van de EuropeseUnie. De door Eurostat verzamelde gegevens zijn ook publiek toegankelijk.De cijfers die aan Eurostat worden geleverd, komen, afhankelijk van deprecieze vraagstelling van Eurostat, grotendeels overeen met de cijfers diede NRM in haar eigen jaarlijkse overzichten publiceert. De cijfers die aanEurostat worden verstrekt, worden niet direct met de Kamer gedeeld. Indie lijn zal de data die op basis van de herziene Europese richtlijnmensenhandel aan de Commissie wordt verstrekt, evenmin direct aan deKamer worden verstrekt. Wel zal in de voortgangsbrieven over mensen-handel die twee keer per jaar naar de Kamer worden verstuurd, indien44Zie voor de laatste publicatie: Jaarcijfers Mensenhandel 2024.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 634 relevant, worden ingegaan op cijfermatige trends en ontwikkelingen tenaanzien van de aanpak van mensenhandel.5. Uitvoerings- en handhavingsconsequenties en financiëlegevolgen De leden van de D66-fractie merken op dat onder meer het OM heeftaangeven dat verwacht wordt dat de verbreding van artikel 273g Sr nietzal leiden tot een substantiële toename van strafzaken. Met het oogdaarop vragen deze leden hoe is beoogd te voorkomen dat deze strafbaar-stelling in de praktijk vooral een symbolische waarde heeft.Het verbrede artikel 273g Sr komt, zoals hiervoor in deze nota in reactie opvragen daarnaar al is toegelicht, alleen in beeld komt wanneer iemand,ondanks opgemerkte duidelijke signalen dat de beoogde dienstverleningmogelijk het voorwerp is van mensen- of kinderhandel, toch van diedienst gebruikmaakt. Omdat de afnemer van de dienst over het algemeenslechts incidenteel en kortstondig in contact staat met de dienstverle-nende persoon, zal dit misdrijf naar verwachting in de praktijk dan ookalleen in uitzonderlijke situaties aan de orde zijn. Het OM geeft aan – geletop de beperkte capaciteit die beschikbaar is en de huidige prioritering vanopsporing van uitbuiters – te verwachten dat de verbreding vanartikel 273g Sr zal leiden tot een beperkte toename van strafzaken. Hoewelbeperkt in aantal, kan van deze vervolgingen wel een signaal uitgaanrichting personen die welbewust gebruikmaken van diensten dievoorwerp zijn van mensenhandel. Zoals in de memorie van toelichtingaan de orde is gekomen, is het doel van de herziene richtlijn om met deverplichting tot strafbaarstelling bij te dragen aan het terugdringen van devraag die uitbuiting in de hand werkt.45Daarnaast noemen deze leden dat in de memorie van toelichting isbeschreven dat – door aanvulling van het BIVR – wordt gewaarborgd datNederland rechtsmacht over het misdrijf van artikel 273g Sr kan uitoe-fenen wanneer dat feit in het buitenland is gepleegd door of tegen eenNederlander dan wel een ingezetene van Nederland. De aan het woordzijnde leden achten dit begrijpelijk, omdat mensenhandel vaak eengrensoverschrijdend delict is. Zij vragen naar de handhaving van dezemaatregel, en of hier nog uitdagingen bij zijn.Het doet mij deugd dat de leden van de D66-fractie aangeven degemaakte keuze met betrekking tot de extraterritoriale rechtsmacht overhet misdrijf van artikel 273g Sr, begrijpelijk te vinden. Ten aanzien van degestelde vraag merk ik op dat ik in reactie op soortgelijke vragen in dezenota al ben ingegaan op de wijze waarop met andere landen wordtsamengewerkt om mensenhandel te voorkomen en hoe in de praktijkwordt omgegaan met situaties waarin meerdere landen rechtsmachthebben over een misdrijf als mensenhandel (zie deze nota, paragraaf 3 enparagraaf 4, onder «Artikel 1, onderdeel 8, onder a en b, van de Herzie-ningsrichtlijn»). Graag verwijs ik deze leden daarnaar.De leden van de CDA-fractie vragen hoe wordt geborgd dat de verschil-lende ketenpartners daadwerkelijk beschikken over de benodigdecapaciteit, expertise en passende scholing om de gewijzigde en verbredestrafbaarstellingen en overige verplichtingen uit de Herzieningsrichtlijneffectief te kunnen uitvoeren. Zij willen weten hoe wordt voorkomen datnieuwe delicten slechts beperkt worden vervolgd, dat slachtoffers niettijdig in beeld komen of tussen wal en schip raken, of dat onderzoekenvastlopen. Voorts verzoeken deze leden aan te geven hoe wordt geborgd45In die zin overweging 26 bij de Herzieningsrichtlijn.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 635 dat de samenwerking tussen alle betrokken partners zodanig is ingerichtdat verantwoordelijkheden en bevoegdheden duidelijk zijn belegd enbestaande samenwerkingsstructuren, protocollen en afspraken periodiekworden geëvalueerd en geactualiseerd.Organisaties die zijn betrokken bij de uitvoering van dit wetsvoorstel zijnin de gelegenheid gesteld daarover advies uit te brengen en daarbij in tegaan op de uitvoerings- en financiële consequenties voor hun organisatie.De politie, de KMar, het OM en SHN hebben aangegeven voldoendecapaciteit en expertise beschikbaar te hebben en te kunnen voorzien inpassende scholing voor de uitvoering van het onderhavige wetsvoorstel.De Nederlandse Arbeidsinspectie, Raad voor de rechtspraak, CoMenshaen de VNG hebben aangegeven aanvullende financiële middelen nodig tehebben. Verderop in deze paragraaf wordt in reactie op een vraag van deChristenUnie-fractie nader ingegaan op die verwachte financiëlegevolgen. Kortheidshalve worden deze leden daarnaar verwezen. Voorwat betreft de samenwerking tussen de ketenpartners geldt dat debenodigde afstemming over de opsporing en vervolging van de alsgevolg van deze richtlijnen aangepaste strafbaarstellingen en debescherming van slachtoffers van mensenhandel, kan plaatsvindenbinnen de bestaande samenwerkingsstructuren. Daarbij wordenbestaande verwijzingsmechanismen – die ertoe strekken snel en adequaathulp te kunnen bieden aan slachtoffers van mensenhandel – versterkt (ziedeze nota, paragraaf 4, onder «Artikel 1, onderdeel 9, onder b en c, van deHerzieningsrichtlijn»).Deze leden willen verder vernemen hoe de monitoring van de uitvoeringvan de Herzieningsrichtlijn wordt vormgegeven. Op welke momenten envia welke indicatoren wordt vastgesteld of de nieuwe strafbaarstellingen,voorzieningen en maatregelen in de praktijk daadwerkelijk worden benut,en hoe wordt de Kamer hierover tijdig geïnformeerd, zo vragen dezeleden.Het Actieplan Samen tegen mensenhandel wordt jaarlijks geëvalueerd entwee keer per jaar ontvangt de Kamer een voortgangsbrief over de aanpakvan mensenhandel. In deze voortgangsbrief komen naast de voortgang opacties uit het actieplan ook ontwikkelingen uit het bredere mensenhandel-beleid aan de orde. Op basis van artikel 1, onderdeel 19, van de Herzie-ningsrichtlijn zal de Europese Commissie – uiterlijk op 15 juli 2030 – deimplementatie daarvan evalueren. Uw Kamer zal daarover wordengeïnformeerd.Ook wordt door de aan het woord zijnde leden gevraagd hoe wordtgewaarborgd dat opleidingen en bewustwordingscampagnes voorprofessionals blijvend aansluiten op de voortschrijdende digitalisering enveranderende verschijningsvormen van mensenhandel, zodat wordtvoorkomen dat kennis veroudert en dat er ongewenste verschillenontstaan tussen sectoren of regio’s.Het is van groot belang dat de opleidingen, trainingen en bewustwor-dingscampagnes relevant en actueel zijn. Daarbij zijn samenwerking eninformatie-uitwisseling tussen betrokken organisaties in hetmensenhandel-veld cruciaal. Daarvoor zijn een aantal samenwerkingsver-banden en organisaties zeer belangrijk, bijvoorbeeld CoMensha en deNRM. Nederland zal ook aansluiting blijven zoeken bij internationalegremia zoals de Benelux, de Europese Unie, de Raad van Europa, deOVSE, en de Verenigde Naties om op de hoogte te blijven van de laatste(internationale) ontwikkelingen met betrekking tot mensenhandel.Informatie-uitwisseling staat bij deze organisaties en gremia steevasthoog op de agenda.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 636 Ook willen deze leden weten hoe wordt bewaakt dat opvang, onder-steuning en schadevergoedingsmogelijkheden voor slachtoffers vanmensenhandel – waaronder minderjarigen, personen met een (licht)verstandelijke beperking en slachtoffers zonder verblijfsrecht – in depraktijk tijdig en voldoende beschikbaar zijn, en of knelpunten incapaciteit, middelen en toegankelijkheid structureel in kaart wordengebracht en opgelost.De verbetering van het opvanglandschap voor slachtoffers mensenhandelis een van de prioriteiten van het Actieplan Samen tegen mensenhandel.Op dit moment wordt gewerkt aan een ontwerp ter verbetering van hethuidige landschap. Gezamenlijk met gemeenten, professionals enervaringsdeskundigen worden oplossingsrichtingen in kaart gebracht dieverder vorm krijgen in dit nieuwe ontwerp. Een aantal inrichtingsvragenmoet nog verder worden uitgewerkt. Zaken als capaciteit en middelenworden daarin meegenomen. Vervolgens wordt ingezet op (bestuurlijk)commitment en een implementatieplan voor de ontwikkelrichting. Dewettelijke verantwoordelijkheid voor het organiseren en financieren vanopvang en ondersteuning voor slachtoffers mensenhandel is bijgemeenten belegd, op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning(Wmo). De Rijksoverheid en gemeenten trekken hierin dan ook nadruk-kelijk samen op, met input van opvanginstellingen, zorgcoördinatoren enervaringsdeskundigen. In het kader van de houdbaarheid van de Wmo iseen onderzoek gedaan naar de ontwikkeling van de Wmo en wat nodig isvoor een toekomstbestendige regeling. Dit onderzoek heeft geleid tot eenaantal aanbevelingen en beleidsopties waar verdere opvolging aan zalworden gegeven.46 De opvolging en implementatie van verbeteringen inhet opvanglandschap zullen landen in dit vervolgproces.Er zijn verschillende mogelijkheden voor een slachtoffer van mensen-handel om een tegemoetkoming aan te vragen of zijn schade te verhalen.Het Schadefonds Geweldsmisdrijven biedt een tegemoetkoming aanslachtoffers van (opzettelijke) gewelds- en seksuele misdrijven, als zijhiervan ernstig fysiek en/of psychisch letsel hebben ondervonden. HetSchadefonds Geweldsmisdrijven biedt een tegemoetkoming in kosten ofinkomensderving maar biedt geen compensatie van schade. Dezetegemoetkoming is gebaseerd op solidariteit, erkenning en het weer opweg helpen van slachtoffers en nabestaanden van opzettelijk gepleegdegeweldsmisdrijven met ernstig letsel als gevolg. Bedragen voor detegemoetkoming aan slachtoffers variëren afhankelijk van de ernst vanletsel, omstandigheden en gevolgen tussen de 1.000 en 35.000 euro. Nuartikel 273f Wetboek van Strafrecht is aangemerkt als een opzettelijkgeweldsmisdrijf, kunnen slachtoffers van mensenhandel, ongeacht of hetminderjarigen, personen met een (licht) verstandelijke beperking ofslachtoffers zonder verblijfsrecht zijn, een aanvraag bij het Schadefondsgeweldsmisdrijven indienen. Daarnaast kan een slachtoffer van eenstrafbaar feit (waaronder mensenhandel) waarvan de verdachte bekend isde schade verhalen door zich te voegen als benadeelde partij in eenstrafproces. In dat kader dient het slachtoffer aan te geven wat de schadeis. Dat kan zowel materiele als immateriële schade zijn. SHN ondersteuntslachtoffers daarbij. Als de rechter in de strafzaak een schadevergoedings-maatregel oplegt dan wordt het Centraal Justitieel Incasso Bureauingeschakeld om de schadevergoeding bij de dader te innen. Mocht na 8maanden na onherroepelijk worden van het vonnis nog niet het helebedrag zijn ontvangen, dan treedt de voorschotregeling in werking en kanhet slachtoffer of familie/nabestaande van het slachtoffer een (gedeel-telijk) voorschot krijgen op de toegewezen schadevergoeding. Dit houdt indat de Staat het resterende bedrag uitkeert aan het slachtoffer of46Kamerstukken II 2025/26, 29 538 nr. 372.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 637 nabestaande. De voorschotregeling is ongemaximeerd voor slachtoffersvan gewelds- of seksuele misdrijven, waaronder slachtoffers vanmensenhandel. Dit houdt in dat het gehele toegekende bedrag aan hetslachtoffer als voorschot wordt uitgekeerd en de Staat de inning van ditbedrag op de dader voortzet.De leden van de JA21-fractie constateren terecht dat het bereik van dehuidige strafbaarstelling van artikel 273g Sr wordt verbreed tot hetgebruikmaken van niet-seksuele diensten van een slachtoffer vanmensenhandel. Zij vragen of kan worden toegelicht wat de verbreding zaldoen met de capaciteit en focus in de opsporing. Daarnaast willen dezeleden weten hoeveel capaciteit bij de politie op dit moment wordt besteedaan het opsporen van mensenhandel, hoeveel geld daarvoor is vrijge-maakt en of kan worden aangegeven hoe de formatie van de politie en dieopsporingsinzet de afgelopen vijf jaar is veranderd.Zoals hiervoor in deze nota al is beschreven, is de verwachting dat, geletop de beschikbare capaciteit van het OM en de huidige prioriteitsstellingmet betrekking tot de opsporing die vooral is gericht op uitbuiters, deverbreding van artikel 273g Sr zal resulteren in een beperkte toename vanhet aantal strafzaken.Tijdens de begrotingsbehandeling Justitie en Veiligheid over het jaar 2020is de motie-Segers/Asscher ingediend, waarin structureel 10 miljoen euroextra beschikbaar wordt gesteld ten behoeve van de Afdeling Vreemdelin-genpolitie, Identificatie en Mensenhandel.47 In de kamerbrief «Opsporingen Vervolging Mensenhandelzaken 2021» is toegelicht op welke wijze dezemiddelen besteed worden.48 Allereerst is er ingezet op een uitbreiding vande specialistische en tactische opsporingscapaciteit mensenhandel, onderandere door de werving van specialisten op het gebied van mensen-handel, maar ook digitale, intelligence en financiële specialisten. Hetbetreft hier een versterking van in totaal 58 fte. Daarnaast wordt vanuit demiddelen extra inzet op het onderdeel identiteitsonderzoek mogelijkgemaakt, ten behoeve van de uitvoering van het Identificatie en Regis-tratie proces. Het gaat hier om een versterking van 29 fte. Vanaf 2020 is deformatie en de bezetting gefaseerd uitgebreid met de in totaal benoemde87 fte. In 2023 zijn hiervoor de laatste fte geworven, waarmee de motievan de leden Segers en Asscher is uitgevoerd. Per 2024 worden demiddelen toegevoegd aan de algemene bijdrage van politie. Monitoringloopt via de reguliere gesprekken tussen de Korpsleiding en het Ministerievan Justitie en Veiligheid.Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat de wetsaanpassingen van hetonderhavige wetsvoorstel een aanvulling vormen op de gemoderniseerdestrafbaarstellingen die zijn opgenomen in het wetsvoorstel moderniseringen uitbreiding strafbaarstelling mensenhandel (36 547), waarvoorstructureel 11 miljoen euro beschikbaar wordt gesteld.De leden van de ChristenUnie-fractie hebben enkele vragen over definanciële gevolgen van het wetsvoorstel. Allereerst verzoeken deze ledenom een nadere indicatie van de kosten van het wetsvoorstel en de dekkingdaarvan. In dat verband zijn voornoemde leden benieuwd in welke matede betrokken organisaties zelf budget dienen vrij te maken voorbenodigde aanpassingen in de organisatiestructuren en voor trainingenen activiteiten.47Kamerstukken II 2019/20, 35 300, nr. 25.48Kamerstukken II 2021/22, 28 638, nr. 203.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 638 Zoals aangegeven in de memorie van toelichting heeft het OM in zijnconsultatieadvies ten aanzien van de aanpassingen in het Wetboek vanStrafrecht laten weten beperkte uitvoeringsconsequenties te verwachten,in die zin dat de voorgestelde verbreding van artikel 273g Sr kan leiden toteen beperkte toename van strafzaken. De Raad voor de rechtspraak en deNederlandse Arbeidsinspectie geven beiden eveneens aan een structureletoename te verwachten van een beperkt aantal strafzaken, hetgeen totextra kosten zal leiden van respectievelijk 260.000 euro en 320.000 euro.De Herzieningsrichtlijn bevat ook de verplichting om verwijzingsmecha-nismen in te stellen voor de vroegtijdige opsporing en identificatie van, enbijstand en ondersteuning aan, geïdentificeerde slachtoffers, in samen-werking met relevante hulpverleningsorganisaties, en om een contactpuntvoor de grensoverschrijdende doorverwijzing van slachtoffers aan tewijzen. De centrale rol die CoMensha hierbij speelt wordt verder versterkt,onder andere doordat CoMensha ook formeel als contactpunt voorgrensoverschrijdende doorverwijzing van slachtoffers wordt aangewezen(zie deze nota, paragraaf 4, onder «Artikel 1, onderdeel 9, onder b en c,van de Herzieningsrichtlijn»). Daardoor heeft CoMensha meer capaciteitnodig voor coördinatie, registratie en het behandelen van adviesvragen.Er is 200.000 euro beschikbaar voor de uitvoering van het onderhavigewetsvoorstel. Voor wat betreft de kosten voor de Raad voor de recht-spraak en de Nederlandse Arbeidsinspectie zal – in lijn met het consulta-tieadvies van het OM – de impact van dit wetsvoorstel binnen twee jaar nade inwerkingtreding ervan worden geëvalueerd, zodat op basis daarvankan worden bezien welk extra beslag dit wetsvoorstel legt op de strafrech-telijke capaciteit en of aanvullende middelen nodig zijn ten opzichte vande middelen die al zijn toegekend voor de uitvoering van de gemoderni-seerde regeling van mensenhandel die is neergelegd in wetsvoorstel36 547. Voor CoMensha geldt dat de invulling van hun rol in het nationaalverwijsmechanisme en als contactpunt voor grensoverschrijdendedoorverwijzing nader wordt bezien. Op basis daarvan wordt een preciezeinschatting gemaakt van de capaciteit die CoMensha op korte enmiddellange termijn nodig heeft om deze rollen adequaat uit te voeren.6. Adviezen De leden van de JA21-fractie wijzen erop, zo begrijp ik hen, dat hetwetsvoorstel dat voorziet in de modernisering en uitbreiding van destrafbaarstelling van mensenhandel (36 547) de uitbuiting van eenpersoon bij gedwongen huwelijken toevoegt aan de niet-limitatieveopsomming van specifieke uitbuitingsvormen in artikel 273f Sr. Dezeleden benadrukken dat het van belang is om te kunnen optreden tegenhuwelijkse uitbuiting, ook als bij de totstandkoming van het huwelijk geensprake was van dwang. Zij willen weten in hoeverre dit adequaat in dewet is opgenomen en wat de mogelijkheden zijn tot vervolging.Graag licht ik in reactie op deze vragen toe dat het onderhavigewetsvoorstel enkel wetswijzigingen bevat die noodzakelijk zijn voor eencorrecte en volledige implementatie van de Herzieningsrichtlijn. Alleuitbuitingsvormen die in artikel 2, derde lid, van de Europese Richtlijnmensenhandel zijn gespecifieerd, zijn ook expliciet in artikel 273f Srvastgelegd. Daarmee sluit de Nederlandse strafbepaling rechtstreeks aanbij de richtlijnbepaling. In de herziene Europese richtlijn mensenhandelzijn drie specifieke uitbuitingsvormen toegevoegd aan artikel 2, derde lid,van Richtlijn 2011/36/EU, waaronder uitbuiting van een persoon bijgedwongen huwelijken. Ter implementatie van die gewijzigde richtlijnbe-paling legt dit wetsvoorstel expliciet in artikel 273f Sr vast dat uitbuitingzich in de context van gedwongen huwelijken kan manifesteren. Daarmeeblijven de specifieke uitbuitingsvormen die in artikel 273f Sr zijn geëxplici-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 639 teerd rechtstreeks aansluiten bij die in de genoemde richtlijn. Het voorstelbrengt geen verandering in de bestaande reikwijdte van de strafbaar-stelling van mensenhandel.Met deze leden vind ik alle vormen van huwelijkse uitbuiting volstrektonaanvaardbaar. Daarom wil ik benadrukken dat mensenhandel zich ookkan uitstrekken tot vormen van uitbuiting die niet uitdrukkelijk zijnopgenomen in de wettelijke niet-uitputtende opsomming van specifiekevormen van uitbuiting – zoals uitbuiting binnen niet-gedwongenhuwelijken – namelijk wanneer is voldaan aan de voorwaarden voorstrafbaarheid wegens mensenhandel: het verrichten van een bepaaldehandeling, het opzettelijk aanwenden van een beïnvloedingsmiddel en hetoogmerk van uitbuiting. Daarover kan in de rechtspraktijk geen misver-stand bestaan.In reactie op de referte van deze leden aan het wetsvoorstel dat voorziet inde modernisering en uitbreiding van de strafbaarstelling van mensen-handel wordt nog opgemerkt dat dat wetsvoorstel thans bij de EersteKamer aanhangig is en – als gevolg van het amendement-Wijen-Nass/Diederik van Dijk49 – dezelfde wetswijziging is komen te bevatten als hetonderhavige implementatiewetsvoorstel, zoals deze leden ook alconstateren. Daarmee heeft de Tweede Kamer er toen dus voor heeftgekozen om – in lijn met de hiervoor genoemde aanvulling van artikel 2,derde lid, van Richtlijn 2011/36/EU – drie specifieke uitbuitingsvormen toete voegen aan de opsomming in artikel 273f Sr. Dit implementatiewets-voorstel bevat een samenloopbepaling die technisch regelt dat detoevoeging van de genoemde uitbuitingsvormen aan artikel 273f Sr die inbeide wetsvoorstellen is opgenomen op de juiste wijze in de wet wordtvastgelegd.II. Artikelsgewijze toelichting A (Wijziging artikel 273f)De leden van de PVV-fractie vragen welke verblijfsrechtelijke conse-quenties kunnen volgen indien een persoon wordt veroordeeld wegensmensenhandel, in het bijzonder in het geval van uitbuiting van eenpersoon bij gedwongen huwelijken. In dat verband willen zij ook weten ofde mening van deze leden wordt gedeeld dat een dergelijke veroordelingaanleiding moet vormen voor intrekking of weigering van een verblijfs-vergunning, ongewenstverklaring of een andere vreemdelingenrechtelijkemaatregel.Bij strafrechtelijke veroordelingen die onherroepelijk zijn geworden, wordtaltijd bekeken of dit gevolgen heeft voor de verleende verblijfsvergunning.Aan de hand van de zogenoemde glijdende schaal (artikel 3.86 Vreemde-lingenbesluit 2000) wordt bezien of de strafrechtelijke veroordeling inrelatie tot de verblijfsduur van de vreemdeling zwaar genoeg is om overte gaan tot vreemdelingrechtelijke maatregelen.Op grond van de Kwalificatierichtlijn (2011/95/EU), in het bijzonder deartikelen 12, 14, 17 en 19 van die richtlijn, zijn de vereisten voor hetintrekken van een asielvergunning zwaarder dan die voor het intrekkenvan een reguliere verblijfsvergunning. Redengevend hiervoor is dat als deIND concludeert dat een persoon in aanmerking komt voor een asielver-gunning, daarmee is vastgesteld dat deze persoon bescherming van deNederlandse overheid nodig heeft. Daarom moet op grond van deKwalificatierichtlijn in het geval van een verdragsvluchteling sprake zijn49Kamerstukken II 2024/25, 36 547, nr. 23.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 640 van een «bijzonder ernstig misdrijf» en in het geval van subsidiairebescherming van een «ernstig misdrijf». Of hiervan sprake is, wordtsteeds beoordeeld op grond van de individuele merites van de zaak. Hetkabinet heeft uw Kamer over het beleid dienaangaande geïnformeerd bijbrief van 18 december 2024.50In algemene zin geldt dat een asielzoeker op grond van artikel 1F van hetVluchtelingenverdrag onder de daar genoemde voorwaarden wordtuitgesloten van internationale bescherming. Dit is onder andere het gevalals er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat die persoon zichschuldig heeft gemaakt aan een ernstig, niet-politiek misdrijf, begaanbuiten het land van toevlucht, voordat die persoon tot dit land alsvluchteling is toegelaten. Dergelijke situaties komen ook in de Neder-landse praktijk naar voren in de context van de beoordeling of eenasielvergunning wordt verleend of een bestaande asielvergunning wordtingetrokken.Naast intrekking of weigering van verblijfsrechten kan een vreemdelingook ongewenst worden verklaard indien hij bij onherroepelijk gewordenrechterlijk vonnis is veroordeeld wegens mensenhandel (artikel 67, eerstelid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000). Een ongewenstverklaringkan onafhankelijk van de intrekking van een verblijfsvergunning wordenopgelegd en biedt de overheid een aanvullend instrument om deaanwezigheid van vreemdelingen in Nederland te reguleren.B (Wijziging artikel 273g)De aan het woord zijnde leden constateren dat ook de schuldvariant vande bestaande strafbaarstelling van artikel 273g Sr wordt verbreed totniet-seksuele seksuele diensten. Zij vragen welke lacunes in de strafrech-telijke aansprakelijkheid deze verbreding beoogt te dichten en waaromdeze keuze noodzakelijk wordt geacht voor een effectieve bestrijding vanmensenhandel. Deze leden menen dat afnemers van seksuele dienstver-lening zich in het algemeen bewust behoren te zijn van het verhoogderisico op mensenhandel en dat van hen daarom een verhoogde mate vanalertheid mag worden verwacht, maar dat een dergelijke alertheid in veelandere sectoren niet vanzelfsprekend is. Tegen deze achtergrond vragenzij waarop wordt gebaseerd dat van afnemers van niet-seksuele diensteneen vergelijkbare mate van alertheid mag worden verlangd, met namewaar het gaat om de toepassing van de schuldvariant die met deze wetwordt geïntroduceerd.Om te voldoen aan de verplichting opgenomen in artikel 1, onderdeel 15,van de Herzieningsrichtlijn wordt met dit wetsvoorstel geregeld dat dereikwijdte van artikel 273g wordt verruimd van seksuele diensten tot ookniet-seksuele diensten die het voorwerp zijn van mensenhandel. Daarbij iservoor gekozen om binnen dat artikel geen onderscheid te maken tussende daarin opgenomen opzet- en de schuldvariant. Voor die keuze bestaande volgende redenen. Met de Wet strafbaarstelling misbruik prostitueesdie slachtoffer zijn van mensenhandel is het bestaande artikel 273g Sr op1 januari 2022 in werking getreden. De huidige strafbepaling bevatbehalve een opzetvariant («weet») ook een schuldvariant («ernstige redenheeft om te vermoeden»). In lijn met die keuze van de wetgever wordt hettoepassingsbereik van deze bepaling in haar geheel verbreed tot anderevormen van uitbuiting dan seksuele uitbuiting, zodat met betrekking totalle uitbuitingsvormen dezelfde voorwaarden voor strafbaarheid geldenen aldus slachtoffers van mensenhandel dezelfde strafrechtelijkebescherming wordt geboden. Dit betekent dat de schuldvariant ook van50Kamerstukken II 2024/25, 19 637, nr. 3327.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 641 toepassing is op niet-seksuele uitbuiting. Deze uniforme benadering pastbij de systematiek van de verplichting tot strafbaarstelling uit de Herzie-ningsrichtlijn, die op dit punt evenmin onderscheid maakt tussen deverschillende uitbuitingsvormen.Daarbij benadruk ik in de richting van de leden van de PVV-fractie dat deopzet- en de schuldvariant van het misdrijf van artikel 273g Sr alleen inbeeld komen wanneer iemand, ondanks duidelijke signalen dat debeoogde dienstverlening mogelijk het voorwerp is van mensen- ofkinderhandel, toch van die dienst gebruikmaakt. In beide varianten is voorstrafbaarheid vereist dat de bedoelde duidelijke signalen ook zijnopgemerkt door de persoon die van de dienst gebruikgemaakt. In dieconcrete situatie ontstaat een verificatieplicht. De strafbaarstellingverplicht er dus niet toe om steeds – zonder concrete aanleiding – actief teonderzoeken of sprake zou kunnen zijn van mensen- of kinderhandel. Ditbetekent dat strafrechtelijke aansprakelijkheid enkel in beeld komt insituaties waarin het evident is dat mogelijk sprake is van mensenhandel ofkinderhandel. Het onderscheid tussen de opzet- en schuldvariant isgelegen in de precieze mentale houding van de desbetreffende persoonten opzichte van de waargenomen signalen. In reactie op een vraag vande leden van de fractie van D66 ben ik ingegaan op deze voorwaardenvoor strafbaarheid bij het misdrijf van artikel 273g Sr en het verschiltussen de opzet- en schuldvariant (zie paragraaf 3 van deze nota).Kortheidshalve verwijs ik de aan het woord zijnde leden graag daarnaar.In aanvulling daarop wijs ik op de specifieke voorbeelden van duidelijkesignalen van mensenhandel de vorm van arbeidsuitbuiting die in dememorie van toelichting zijn gegeven.51 Daarbij is onder meer aange-geven dat de omstandigheid dat een dienst ver beneden de marktcon-forme prijs wordt aangeboden een eerste indicatie is dat sprake is van eenarbeidsmisstand, maar dat alleen zwaarwegende bijkomende omstandig-heden kunnen maken dat bij elkaar genomen sprake is van duidelijkesignalen van mogelijke arbeidsuitbuiting.III. Overig De leden van de D66-fractie memoreren dat in opdracht van het Weten-schappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) in mei 2025 het rapport«Over Grenzen – Een rechtsvergelijkend onderzoek naar preventievebeschermingsbevelen bij huwelijksdwang, achterlating en vrouwelijkegenitale verminking» is gepubliceerd. In dit onderzoeksrapport wordtingegaan op in het Verenigd Koninkrijk beschikbare civielrechtelijke enstrafrechtelijke instrumenten om huwelijksdwang tegen te gaan. Dezeleden geven aan dat in het rapport wordt gesteld dat een hybride aanpak,naar het voorbeeld van het Verenigd Koninkrijk, potentie heeft om(potentiële) slachtoffers van huwelijksdwang in Nederland te beschermen.De aan het woord zijnde leden vragen hoe deze potentiële aanpak wordtbeoordeeld.Het kabinet ziet in het rapport waardevolle aanknopingspunten om hetbeleid en de aanpak van schadelijke praktijken, waaronder huwelijks-dwang, samen met de betrokken organisaties te verbeteren met maatre-gelen geïnspireerd op het hybride beschermingsbevel. In de beleidsre-actie, gevoegd bij de Kamerbrief die gaat over de «Voortgang aanpakhuiselijk geweld en kindermishandeling» van 18 december 2025 heeft deStaatssecretaris van Justitie en Veiligheid toegezegd dat onderzocht wordtof en hoe het huidige juridische instrumentarium kan worden aangevuldmet maatregelen in lijn met een hybride beschermingsbevel. Uw Kamerwordt over de uitkomsten hiervan geïnformeerd.51Kamerstukken II 2025/26, 36 835, nr. 3, p. 33–34.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 642 De herziene Europese richtlijn mensenhandel verplicht lidstaten tevoorzien in minimale strafmaxima voor mensenhandel en verzwarendevormen daarvan. De leden van de PVV-fractie constateren dat Nederlandhieraan voldoet. Deze leden zijn van mening dat het voorschrijven vandergelijke minimale strafmaxima mede veronderstelt dat algemeneminimumstraffen voor mensenhandel op hun plaats zijn. Door deze ledenwordt gevraagd of dit kabinet bereid is te bezien of het invoeren vanverplichte minimumstraffen voor mensenhandel en daarmee samenhan-gende delicten wenselijk en effectief kan zijn om de normstelling teversterken en de afschrikwekkende werking van het strafrecht tevergroten.Deze leden constateren terecht dat de Nederlandse wettelijke strafmaximavoor mensenhandel op dit moment ruimschoots boven de minimalestrafmaxima liggen die door de herziene Europese richtlijn mensenhandelworden voorgeschreven. Deze richtlijn verplicht uitdrukkelijk niet tot hetinvoeren van de door die leden bedoelde minimumstraffen. Daarom zie ikgeen aanleiding om in het kader van dit implementatietraject de invoeringvan minimumstraffen te bezien.De Minister van Justitie en Veiligheid,D.M. van WeelTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 835, nr. 643
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.