Verslag van een schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda Formele Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid (WSB) d.d. 9 maart 2026 (Kamerstuk 21501-31-814) (Pensioen gerelateerde onderwerpen)
Brontekst
Versie 8c281879b37dc02d · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202621 501-31Raad voor de Werkgelegenheid, Sociaal Beleid,Volksgezondheid en ConsumentenzakenNr. 816 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 9 maart 2026 De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft eenaantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van SocialeZaken en Werkgelegenheid over de brief van 25 februari 2026 inzake degeannoteerde agenda Formele Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid(WSB) d.d. 9 maart 2026 (Kamerstuk 21 501-31, nr. 814).De vragen en opmerkingen zijn op 26 februari 2026 aan de Minister vanSociale Zaken en Werkgelegenheid voorgelegd. Bij brief van 9 maart 2025zijn de vragen beantwoord.De fungerend voorzitter van de commissie,StultiensAdjunct-griffier van de commissie,Van den Broek kst-21501-31-816ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 8161 Inhoudsopgaveblz.IVragen en opmerkingen vanuit de fracties2Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie2Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie5Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie7Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie8Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie9IIAntwoord/Reactie van de Minister10 I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van deGeannoteerde agenda Formele Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid(WSB) d.d. 9 maart 2026. Naar aanleiding hiervan hadden deze ledenenkele vragen.In de paragraaf over de Coördinatieverordening Sociale Zekerheid lezende leden van de D66-fractie dat de Minister schrijft dat op het moment vanschrijven van de Geannoteerde agenda een eerste concept-wettekst voorde herziening van de verordening is verspreid door het Cypriotischevoorzitterschap en dat deze tekst nader bestudeerd moet worden. Kan deMinister inmiddels meer zeggen over de inhoud van het voorstel?In antwoorden op het schriftelijke overleg naar aanleiding van deInformele Raad WSB d.d. 12–13 februari 2026 te Cyprus lezen de ledenvan de D66-fractie dat de Minister vindt dat de voorgestelde verruimingvan de export van werkloosheidsuitkeringen niet aansluit bij het doel vanwerkloosheidsuitkeringen als tijdelijke loondervingsuitkeringen en dat deMinister graag ziet dat het voorstel voldoende waarborgen bevat. Bevatde concept-wettekst zoals verspreid voldoende waarborgen? Zo ja,waarom? Zo nee, waarom niet?Voorts waren de leden van de D66-fractie benieuwd welke effecten devoorgenomen aanscherping van de referte-eis en de vertraagde opbouwvan de Werkloosheidswet (WW) hebben op de verlenging van deexporttermijn van de WW-uitkering van drie naar zes maanden. Leiden demaatregelen uit het coalitieakkoord er op termijn toe dat nog minder dande genoemde 21% de uitkering zes maanden had kunnen importeren?De leden van de D66-fractie volgen ook met interesse de ontwikkelingenrondom IORP II en het bredere Pan-Europees Persoonlijk Pensioenproduct(PEPP-)traject. Vooropgesteld zien deze leden duidelijke meerwaarde in deIORP-II richtlijn en de, zoals in het BNC-fiche beschreven, nadruk in hetvoorstel op transparantie, schaalvoordelen, kosteninzicht en deelnemers-bescherming. Tegelijk zien deze leden dat het Nederlands pensioenstelselver ontwikkeld is en de inzet op standaardisering kan schuren met dereeds goed functionerende praktijk in Nederland. Ook rijmt de focus in deIORP-II op pensioen als consumentenproduct niet altijd even goed met hetstelsel van collectieve pensioenregelingen zoals dat in Nederland isgeorganiseerd. Deze leden hopen dat in verdere besprekingen van deIORP-II enkele concrete aandachtspunten kunnen worden geadresseerd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 8162 Zo lezen de leden van de D66-fractie dat de pensioensector zorgen heeftover de toegenomen regeldruk en de kosten die het voorstel met zichmeebrengt voor pensioenfondsen en hun deelnemers. Heeft de Ministereen nader (kwantitatief) beeld in hoeverre de extra vereisten leiden tothogere kosten voor pensioenfondsen en pensioenuitvoerders, met namewat betreft de vereisten rondom de pension benefit statement (PBS)? Inhet BNC-fiche wordt daarnaast gesproken over een structurele toenamevan de toezichtkosten vanwege intensivering van het toezicht. Kan deMinister nader uiteenzetten wat de verwachte ordegrootte en gevolgenzijn van deze structurele toename?Ook lezen de leden van de D66-fractie dat er een algemene zorgplicht zoukomen. Welke toegevoegde waarde heeft een algemene zorgplicht tenopzichte van de reeds bestaande zorgplichten en eisen van pensioen-fondsen, zo vragen deze leden. En welke (juridische) risico’s voor fondsenzou een dergelijke zorgplicht met zich meebrengen? Zou deze bepalingertoe kunnen leiden tot een aversie bij pensioenfondsen om af te wijkenvan bredere aandelen- en obligatiebenchmarks?Verder lezen de leden van D66-fractie dat de pensioensector zorgen heeftover de mogelijke verwarring bij deelnemers die aanvullende communi-catie mogelijk met zich mee zou brengen. Zo zouden deelnemers nietgebaat zijn bij de vele informatiepunten die bovendien niet altijd relevantof opvolgbaar zouden zijn in het Nederlandse stelsel. In het BNC-fichelezen deze leden deze bezwaren niet expliciet terug, al wordt welbenadrukt dat de wijze waarop deelnemers worden geïnformeerd en demate van informatie die daarbij geschikt is, sterk afhankelijk is van denationale culturele context. Is de Minister dan ook van mening dat dat decommunicatievereisten voor de PBS in hun huidige vorm niet goedaansluiten bij het Nederlandse tweedepijlerstelsel, zo vragen deze leden.Welke aanvullende communicatievereisten zouden wel van meerwaardezijn voor het Nederlandse stelsel? In het BNC-fiche lezen deze leden ookdat het kabinet de aanvullende communicatievereisten aandachtig beziet.Kan de Minister de inzet van het kabinet nader toelichten? Geniet een«principle-based» eis, zoals voorgesteld door de sector, bij de Minister devoorkeur of zou de Minister er eerder voor pleiten om de voorgesteldeeisen bij te stellen?De leden van de D66-fractie hebben enkele aarzelingen rond de voorge-nomen (under)performance-benchmarks, zeker wanneer deze onvol-doende rekening houden met verschillen in leeftijdscohorten en risico-voorkeuren van deelnemers. Hoe verhoudt een underperformance-benchmark zich tot de bestaande performancetoets metnormportefeuilles?Ook lezen de leden van de D66-fractie dat de uitbreiding van de gedetail-leerde standaarden en toetsingskaders door European Insurance andOccupational Pensions Authority (EIOPA) verder inbreekt op de ruimtevoor nationale toezichtspraktijk dan noodzakelijk is. Welke aanvullendestandaarden en toetsingskaders vanuit EIOPA acht de Minister welnoodzakelijk, zo vragen deze leden. Heeft een geharmoniseerd formatmeerwaarde naast de redelijk zeldzame gevallen waarin een pensioen-fonds in meerdere landen opereert of een Europees burger in verschil-lende landen pensioen heeft opgebouwd? Gaat de voorkeur van deMinister ernaar uit om het voorgestelde gestandaardiseerd format voorhet Uniform Pensioen Overzicht aan te passen of gaat de voorkeur ernaaruit om helemaal geen gestandaardiseerd toetsingskader op te nemen inIORP II?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 8163 De leden van de D66-fractie lezen in het BNC-fiche dat de EuropeseCommissie (Commissie) de lidstaten aanbeveelt om een Pension TrackingSystem te ontwikkelen en dat de technische en juridische infrastructuurzou zo moeten worden ontworpen dat aangesloten wordt bij het inontwikkeling zijnde Europese Tracking System (ETS). Klopt het datmijnpensioenoverzicht.nl van Stichting Pensioenregister momenteel nietkan aangesloten worden op het European Tracking System omdat eenjuridische grondslag ontbreekt, zo vragen deze leden. Deze leden lezen datde aanbevelingen van de Commissie worden omarmd in het BNC-fiche.Betekent dit ook dat de Minister voorstander is van een koppeling tussenmijnpensioenoverzicht en het Europese Tracking System? Zo, ja, kan deMinister inzicht geven in de planning om dit mogelijk te maken?De leden van de D66-fractie lezen in het BNC-fiche over dePEPP-herziening dat de zeer beperkte commerciële opname van het PEPPsinds de inwerkingtreding van het oorspronkelijke kader de aanleidingvormt voor de herziening. Kan de Minister dit nader toelichten? In dezetrant lezen deze leden dan ook met interesse dat er weliswaar verschil-lende opties rond de herziening van de PEPP zijn overwogen, maar dat hetgeheel schrappen van PEPP geen expliciete optie was. Waarom niet, zovragen deze leden.De onderhandelaars van de Minister in Brussel zullen ongetwijfeld eeneerste indruk hebben van hoe het voorstel door andere lidstatenontvangen is en gewaardeerd wordt, zo vermoeden de leden van deD66-fractie. Zijn er indicaties dat andere lidstaten voorsorteren opsignificante amendering van het voorstel, zo vragen deze leden. En zo ja,waar zouden die amenderingen op zien?Voorts hebben de leden van de D66-fractie met interesse kennisgenomenvan het agendapunt over innovatie en kwaliteitsbanen. Onder dit puntwordt ook gesproken over de Quality Jobs Roadmap. Deze leden zijnbenieuwd of de Minister nader kan toelichten wat volgens hem dekernambitie van de Routekaart is. Welke concrete beleidsveranderingenverwacht het kabinet op basis van deze mededeling?De leden van de D66-fractie lezen in de achterliggende stukken dat dedefinitie van kwaliteitsbanen multidimensionaal is, van beloning ensecundaire arbeidsvoorwaarden tot gendergelijkheid en welzijn. Kan deMinister nader toelichten welke handvaten het begrip kwaliteitsbanenbiedt voor beleid, zo vragen deze leden. Wordt uiteindelijk ingezet op eenmeetbare definitie, eventueel op Europese Unie (EU-)niveau, en zo ja, opbasis van welke indicatoren?In dit kader lezen de leden van de D66-fractie met interesse dat eenwetgevend initiatief is aangekondigd ter bevordering van kwaliteitsbanenen mogelijk een kwaliteitsbanendoelstelling. Kan de Minister hier al meerover zeggen? Zo nee, wanneer kan de Minister hier meer over zeggen?De leden van de D66-fractie nemen kennis van de passage waarin deCommissie aangeeft digitale technologie en algoritmisch management opde werkvloer te willen ondersteunen én reguleren om eerlijk werk tewaarborgen. Deze leden zijn benieuwd hoe de Minister deze ambitiebeoordeelt. Voorts zijn zij benieuwd hoe de Minister aankijkt tegenmogelijke aanvullende EU-regels rond algoritmisch management en hetgebruik van AI op de werkvloer.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 8164 De leden van de D66-fractie nemen kennis van het voornemen van deCommissie om te komen tot een initiatief gericht op het aantrekken vantopstudenten, onderzoekers en geschoolde werknemers. Kan de Ministeraangeven hoe deze inzet zich verhoudt tot het recent gesloten coalitieak-koord?Ten slotte lezen de leden van de D66-fractie dat Nederland overweegttezamen met enkele andere lidstaten het Cypriotisch voorzitterschap teverzoeken om onder het agendapunt «overige onderwerpen» kort stil testaan bij de onrechtmatige detachering van derdelanderwerknemers. Kande Minister hier inmiddels meer over zeggen?Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan de agenda van de Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid van9 maart 2026 en van de voorgenomen herziening van de IORP II-richtlijn.De leden van de VVD-fractie onderschrijven dat vergrijzing en ontgroeningin veel lidstaten grote druk zetten op begrotingsgefinancierde eerstepijlerpensioenen. Deze leden achten het verstandig dat de Commissieinzet op versterking van kapitaalgedekte tweede en derde pijlerpensi-oenen. Deze leden wijzen erop dat houdbare aanvullende pensioenen nietalleen bijdragen aan inkomenszekerheid op latere leeftijd, maar ook aanstabiele overheidsfinanciën in de eurozone. Dat is mede in het belang vanNederland, omdat begrotingsontwikkelingen in andere eurolandeninvloed hebben op financiële stabiliteit en renteontwikkelingen.De leden van de VVD-fractie benadrukken echter dat Nederland beschiktover een zeer geavanceerd en kapitaalgedekt tweede pijlerstelsel, datinternationaal als voorbeeld geldt. Deze leden vinden dat Europeseminimumharmonisatie er niet toe mag leiden dat landen met goedfunctionerende stelsels worden geconfronteerd met extra verplichtingendie in de praktijk geen of onvoldoende aantoonbare meerwaarde hebben.Deze leden sluiten zich aan bij de lijn van de Minister van Financiën datwijzigingen in Europese pensioenregels alleen aan de orde kunnen zijn alszij goed functionerende nationale stelsels niet verstoren.De leden van de VVD-fractie hebben specifieke zorgen over het voorstelvoor een Europees gestandaardiseerd Uniform Pensioenoverzicht (UPO).Deze leden constateren dat Nederland reeds beschikt over een zorgvuldigontwikkeld UPO, dat in overleg tussen sociale partners, uitvoerders entoezichthouders periodiek wordt aangepast aan nieuwe inzichten enmaatschappelijke ontwikkelingen. Deze leden achten het niet in lijn methet subsidiariteitsbeginsel om op Europees niveau een gedetailleerdformat vast te stellen dat weinig ruimte laat voor nationale context, fiscaleverschillen en contractvormen. Deze leden vragen de Minister of hij bereidis een bindend Europees format met hoge minimumeisen als rode lijn temarkeren indien dit de nationale beleidsruimte substantieel beperkt.De leden van de VVD-fractie onderkennen het belang van transparantieover kosten en rendementen. Deze leden vinden echter dat aanvullendeinformatievereisten, zoals het verplicht tonen van cumulatieve kosten overde gehele deelnameperiode en tienjaarsrendementen, proportioneelmoeten zijn en moeten aansluiten bij het Nederlandse contractenstelselen de implementatie van de Wet toekomst pensioenen. Deze leden vragende Minister hoe hij voorkomt dat Europese voorschriften interfereren metde reeds complexe implementatie van het nieuwe pensioenstelsel,waarvan de transitieplanning leidend moet blijven.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 8165 De leden van de VVD-fractie staan positief tegenover het uitgangspunt datdeelnemers tijdig worden geïnformeerd bij structurele underperformance.Deze leden wijzen er echter op dat pensioenbeleggen per definitielangjarig is en dat uniforme of extern opgelegde benchmarks kunnenleiden tot defensief beleggingsgedrag. Deze leden achten het onwenselijkdat fondsen worden gedwongen tot indexvolgend gedrag dat innovatie eninvesteringen ontmoedigt. Deze leden vragen de Minister daar op tereflecteren.De leden van de VVD-fractie hebben net als de Pensioenfederatie grotebedenkingen bij de introductie van een brede, algemene zorgplicht. Dezeleden vrezen in navolging van de kritiek van de Pensioenfederatie dat eenopen geformuleerde Europese zorgplicht leidt tot juridische onzekerheiden hogere rapportageverplichtingen, en dus hogere kosten. Deze ledenwijzen er bovendien op dat pensioenregelingen in Nederland tot standkomen via collectieve arbeidsvoorwaardenvorming door sociale partners.Deze leden benadrukken dat de ILO-verdragen het recht op vrije collec-tieve arbeidsvoorwaardenvorming beschermen. Deze leden vragen deMinister hoe hij in de Brusselse onderhandelingen expliciet aandacht zalvragen voor deze verdragsrechtelijke dimensie en voor de positie vanNederlandse sociale partners.De leden van de VVD-fractie plaatsen eveneens kanttekeningen bij deverplichting tot het aanwijzen van één vaste bewaarder per regeling. Dezeleden constateren dat Nederlandse pensioenfondsen fundamenteelverschillen van beleggingsfondsen en reeds onder prudent toezicht staan.Deze leden vragen de Minister inzichtelijk te maken welke kosten dezemaatregel voor Nederlandse fondsen kan meebrengen en of hij zich zalinzetten voor behoud van nationale beleidsruimte of flexibiliteit.De leden van de VVD-fractie staan in beginsel positief tegenover demogelijkheid van het opnemen van derde pijlerproducten inMijnpensioenoverzicht.nl. Deze leden vinden dat een integraal overzichtvan pensioenrechten bijdraagt aan inzicht en eigen regie van deelnemers.Deze leden vragen de Minister of hij inzichtelijk kan maken hoe dituitvoerbaar is en welke implementatietermijn Nederland noodzakelijk achtom dit zorgvuldig te realiseren, mede gelet op de diversiteit vanproducten en aanbieders.De leden van de VVD-fractie vragen tot slot hoe de onderhandelingen zichin de Raad en het Europees Parlement ontwikkelen. Deze leden vragen ofer aanwijzingen zijn dat andere lidstaten inzetten op verdere harmonisatieof uitbreiding van bevoegdheden van EIOPA. Deze leden verzoeken deMinister de Kamer periodiek en inhoudelijk te blijven informeren oversubstantiële wijzigingen in het onderhandelingsproces.De leden van de VVD-fractie ondersteunen de ambitie om in Europa tekomen tot sterkere kapitaalgedekte pensioenen. Deze leden benadrukkenechter dat harmonisatie geen doel op zich mag zijn. Deze leden vinden datEuropese regelgeving proportioneel moet zijn, het subsidiariteitsbeginselmoet respecteren en ruimte moet laten voor goed functionerendenationale stelsels. Deze leden hechten eraan dat Nederland zelf verant-woordelijk blijft voor de inrichting van het eigen pensioenstelsel, binnenEuropese samenwerking maar met behoud van de kracht en eigenheidvan het Nederlandse model.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 8166 Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstellingkennisgenomen van de stukken. Deze leden hebben op enkele onder-werpen vragen.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben meerdere vragen overde EU-Routekaart kwaliteitsbanen en het bijbehorende BNC-fiche. Dezeleden constateren dat wordt ingezet op vermindering van administratievelasten voor bedrijven, met behoud van sociale standaarden. Zij vragenhoe het kabinet concreet zal voorkomen dat het terugdringen vanregeldruk in de praktijk leidt tot afzwakking van arbeidsbescherming,toezicht of handhaving.De leden van GroenLinks-PvdA-fractie vragen om in kaart te brengenwelke concrete regels die afgeschaft worden de arbeidsbeschermingraken. Deze leden zouden graag een overzicht willen ontvangen van dezeregels en daarbij per regel inzicht krijgen hoe de afzwakking van arbeids-bescherming voorkomen wordt.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat mogelijk een kwali-teitsbanendoelstelling wordt voorgesteld. Deze leden vragen welkeindicatoren het kabinet passend acht om kwaliteit van werk te meten.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat minimaal 14% van demiddelen uit Nationale en Regionale Partnerschapsplannen aan socialedoelstellingen moet worden besteed. Deze leden vragen naar eenappreciatie van het kabinet op dit voorstel, specifiek als het gaat om hetgekozen percentage. Deze leden missen dat in de huidige appreciatie.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de Commissieverschillende initiatieven aankondigt op het gebied van eerlijk en veiligwerk, waaronder de evaluatie van de arbeidsplaatsen- en beeldscherm-richtlijn en het aanpakken van misstanden in onderaannemingsketens enherziening van de aanbestedingsrichtlijn. Deze leden vragen wanneerdeze voorstellen concreet worden verwacht. Deze leden vragen daarnaastwelke inhoudelijke voorstellen het kabinet op deze onderdelen voorziet, inhet bijzonder waar het gaat om aanpak van misstanden in onderaanne-mingsketens.Ook hebben de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie nadere vragen overde manier waarop kabinet toekomstige voorstellen gaat beoordelen. Dezeleden missen dat expliciet wordt benoemd dat het voor dit kabinet primairgaat om het verbeteren van de kwaliteit van werk vanuit het perspectiefvan werknemers. Deze leden vragen het kabinet dit mee te nemen in deoverleggen in Brussel.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van deGeannoteerde agenda Formele Raad Werkgelegenheid. Deze leden vragenwat de aanname van de Raadsaanbeveling menselijk kapitaal voor impactgaat hebben op de arbeidsmobiliteit binnen de EU. Zal dit naar inschattingvan de Minister het aantal arbeidsmigranten doen toenemen?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben ook enkele vragen overhet Europees Aanvullend Pensioenpakket. Deze leden lezen dat «hetvoorstel benadruk dat IORPs niet mogen worden belemmerd bij hetverlenen van grensoverschrijdende diensten». Zij vragen in hoeverre dituitgangspunt aansluit bij het Nederlandse pensioenstelsel. Kan deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 8167 verplichtstelling bijvoorbeeld ook gezien worden als een «belemmering»voor buitenlandse aanbieders van pensioenregelingen?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen ook of de Minister hetwenselijk vindt dat «de ruimte voor lidstaten om strengere nationale eisenten aanzien van het investeringsbeleid te hanteren» op onderdelen wordtbeperkt. Hoewel deze leden van mening zijn dat het investeringsbeleidaan pensioenfondsen zelf is, vinden zij het van belang dat de EU zich oppensioengebied beperkt tot minimumregels, en niet voorkomt datlidstaten strengere regels invoeren.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het positief dat hetkabinet aangeeft dat gewaarborgd moet zijn dat Europese regels geenafbreuk mogen doen aan het Nederlandse pensioenstelsel. Deze ledenlezen dat het kabinet «in algemene zin» de doelstellingen van hetPensioenpakket onderschrijft. Kan de Minister per doelstelling aangevenof en waarom hij deze onderschrijft?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen ook dat «het kabinet erkentdat een goed werkende PEPP kan bijdragen aan de verdere ontwikkelingvan pensioenvermogen». Kan de Minister dit verder toelichten, enbeschrijven hoe een PEPP daaraan bij kan dragen? In hoeverre denkt deMinister dat er binnen Nederland behoefte is aan een PEPP? Deze ledenlezen dat onder andere het kostenplafond van 1% een «belangrijke reden»is geweest voor «het beperkte succes van PEPP». Kan de Minister ditonderbouwen?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de Minister kanbevestigen dat het kabinet niet akkoord gaat met het voorstel dat eenIORP meerdere pensioenregelingen moet kunnen uitvoeren.Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractieDe leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan de agenda en hebben daarbij enkele vragen.De leden van de CDA-fractie nemen kennis van het feit dat de herzieningvan de IORP II-richtlijn in Brussel binnen de EcoFin-Raad wordtbehandeld, terwijl het dossier voor Nederland, met een sterk ontwikkeldetweede pijler, van bijzonder gewicht is. Deze leden hebben in dit verbandkennisgenomen van het fiche over het Europees aanvullend pensioen-pakket.De leden van de CDA-fractie lezen dat het voorstel voorziet in nadereregels voor informatieverstrekking, waaronder een gestandaardiseerdformat voor het Uniform Pensioenoverzicht, en dat de Europese toezicht-houder EIOPA daarbij een rol krijgt. Deze leden vragen hoe het kabinetborgt dat verdere harmonisatie van informatievereisten voldoende ruimtelaat voor nationale stelselkenmerken en uitvoeringspraktijken, en hoe zijvoorkomt dat dubbelingen ontstaan met bestaande nationale eisen.De leden van de CDA-fractie benadrukken dat in Nederland de inrichtingen uitvoering van pensioenregelingen nauw samenhangt met de rol vansociale partners en collectieve afspraken. Deze leden vragen hoe hetkabinet in de onderhandelingen borgt dat de herziening van IORP II dezerol respecteert en niet leidt tot ongewenste verschuiving van verantwoor-delijkheid of extra verplichtingen die in de Nederlandse structuur al opandere wijze zijn geborgd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 8168 De leden van de CDA-fractie lezen dat het voorstel de positie en instru-menten van nationale toezichthouders versterkt, onder meer via eenregelmatige toezichtsdialoog op basis van signaliseringsindicatoren zoalskosten en rendementen, en via nadere bepalingen over toezicht opuitbestede activiteiten en grensoverschrijdende uitbesteding. Deze ledenvragen hoe het kabinet de uitvoerbaarheid hiervan beoordeelt in deNederlandse toezichtpraktijk, en welke consequenties dit kan hebben voortoezichtcapaciteit en rapportagelasten bij fondsen en uitvoerders.De leden van de CDA-fractie vragen hoe het kabinet de voorgesteldeimplementatietermijn van twee jaar voor IORP II beoordeelt in het lichtvan de benodigde wetswijzigingen, en welke inzet Nederland precies kiestwaar het kabinet aangeeft te willen sturen op een langere termijn vooraansluiting van derde-pijlerproducten van verzekeraars opMijnpensioenoverzicht.nl.De leden van de CDA-fractie lezen dat het voorstel nieuwe waarborgenintroduceert die in Nederland tot extra kosten kunnen leiden (onder meerdoor nieuwe organisatorische vereisten). Deze leden vragen welkebandbreedte van kosten en eenmalige implementatie-inspanningen hetkabinet op dit moment verwacht, en op welke wijze zij proportionaliteit inde onderhandelingen wil borgen, zodat goed functionerende nationalestelsels niet onevenredig worden belast.De leden van de CDA-fractie nemen kennis van een recent position papervan de Pensioenfederatie over de herziening van IORP II. Deze ledenvragen in welke mate het kabinet de daarin benoemde zorgen herkent, enhoe zij deze weegt in het licht van de kabinetsinzet zoals verwoord in hetfiche.De leden van de CDA-fractie lezen dat de Commissie als onderdeel van deRoutekaart Kwaliteitsbanen een wetgevend initiatief, de Quality Jobs Act,aankondigt.Deze leden vragen welke verwachtingen het kabinet heeft van ditaangekondigde initiatief en welke onderwerpen een dergelijke wet in devisie van het kabinet wel en niet zou moeten bestrijken.Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de agenda voorde Raad voor Werkgelegenheid en Sociaal beleid. Deze leden zijn vanmening dat de transformatie door kunstmatige intelligentie op dearbeidsmarkt een ingrijpende ontwikkeling is die aandacht verdient bij deRaad.De leden van de BBB-fractie hebben een aantal vragen aan het kabinet.Heeft het kabinet kennisgenomen van de recente ontslaggolven bijgrotere bedrijven als Amazon en ASML, alsmede van de tegenvallendewerkgelegenheidcijfers onlangs gepresenteerd door het CBS? Klopt hetbeeld dat meerdere bedrijven reorganiseren door toedoen van automati-sering, met name door AI? Heeft de Minister deze ontwikkeling in beeld?Zo ja, kan zij relevante onderzoeksdata delen? Hoe wordt er aandachtgegeven aan deze ontwikkeling bij de Raad voor Werkgelegenheid enSociaal Beleid? Verwacht het kabinet massa ontslagen en/of grootschaligefrictiewerkeloosheid door toedoen van automatisering? Op basis vanwelke data verwacht zij dat wel/niet? Er is verschuiving gaande, naarandere functies. Is de Minister daarover al in gesprek met de Minister vanOnderwijs, Cultuur en Wetenschap omdat dit ook effect heeft op waarmensen hoe voor opgeleid moeten worden?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 8169 II Antwoord/Reactie van de Minister Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie volgen ook met interesse de ontwik-kelingen rondom IORP II en het bredere Pan-Europees PersoonlijkPensioenproduct (PEPP-)traject. Vooropgesteld zien deze ledenduidelijke meerwaarde in de IORP-II richtlijn en de, zoals in hetBNC-fiche beschreven, nadruk in het voorstel op transparantie,schaalvoordelen, kosteninzicht en deelnemersbescherming.Tegelijk zien deze leden dat het Nederlands pensioenstelsel verontwikkeld is en de inzet op standaardisering kan schuren met dereeds goed functionerende praktijk in Nederland. Ook rijmt defocus in de IORP-II op pensioen als consumentenproduct nietaltijd even goed met het stelsel van collectieve pensioen-regelingen zoals dat in Nederland is georganiseerd. Deze ledenhopen dat in verdere besprekingen van de IORP-II enkele concreteaandachtspunten kunnen worden geadresseerd.Zo lezen de leden van de D66-fractie dat de pensioensectorzorgen heeft over de toegenomen regeldruk en de kosten die hetvoorstel met zich meebrengt voor pensioenfondsen en hundeelnemers. Heeft de Minister een nader (kwantitatief) beeld inhoeverre de extra vereisten leiden tot hogere kosten voorpensioenfondsen en pensioenuitvoerders, met name wat betreftde vereisten rondom de pension benefit statement (PBS)? In hetBNC-fiche wordt daarnaast gesproken over een structureletoename van de toezichtkosten vanwege intensivering van hettoezicht. Kan de Minister nader uiteenzetten wat de verwachteordegrootte en gevolgen zijn van deze structurele toename?Het kabinet onderschrijft dat het van groot belang is om de kosten in dehand te houden. Helaas heeft de Europese Commissie geen ImpactAssessment opgesteld bij de herziening van de IORP II-richtlijn, waardoorinzicht ontbreekt in de kosten als gevolg van het voorstel.1 De behan-deling van de herziening van de IORP II-richtlijn in de Raadswerkgroep isna de publicatie van het voorstel op 1 december 2025 gestart. Deonderhandelingen zijn dus nog in een beginstadium. Pas in een latere fasevan de onderhandelingen – bijvoorbeeld ten tijde van een AlgemeneOriëntatie in de Raad, maar ook daarna bij de onderhandelingen met hetEuropees Parlement – krijgen we inzicht in de uiteindelijke vormgevingvan de IORP-herziening en de (kwantitatieve) gevolgen voor de implemen-tatie, waaronder de kosten. Het is op dit moment in het proces nog tevroeg om een inschatting te maken over de consequenties die dit kanhebben op o.a. ook de toezichtkosten. Uiteraard wordt dit scherp in hetvizier gehouden.Ook lezen de leden van de D66-fractie dat er een algemenezorgplicht zou komen. Welke toegevoegde waarde heeft eenalgemene zorgplicht ten opzichte van de reeds bestaandezorgplichten en eisen van pensioenfondsen, zo vragen deze leden.En welke (juridische) risico’s voor fondsen zou een dergelijkezorgplicht met zich meebrengen? Zou deze bepaling ertoe kunnenleiden tot een aversie bij pensioenfondsen om af te wijken vanbredere aandelen- en obligatiebenchmarks?1De Commissie heeft enkel een Commission Staff Working Document opgesteld, zieeur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/PDF/?uri=CELEX:52025SC0367Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 81610 Het kabinet onderschrijft het standpunt van de D66-fractie dat er, voor watbetreft de zorgplicht, al veel in Nederlandse wetgeving is geregeld.Nederland heeft een zorgvuldig toezichtkader met onder meer eenafgebakend kader voor keuzebegeleiding en informatieverstrekkingbinnen het tweede pijlerstelsel. De inzet van het kabinet tijdens dezeonderhandelingen is om de aanvullende regeldruk in de sector tebeperken, terwijl ook het belang van de bescherming van deelnemersgoed in het vizier wordt gehouden.Verder lezen de leden van D66-fractie dat de pensioensectorzorgen heeft over de mogelijke verwarring bij deelnemers dieaanvullende communicatie mogelijk met zich mee zou brengen.Zo zouden deelnemers niet gebaat zijn bij de vele informatie-punten die bovendien niet altijd relevant of opvolgbaar zoudenzijn in het Nederlandse stelsel. In het BNC-fiche lezen deze ledendeze bezwaren niet expliciet terug, al wordt wel benadrukt dat dewijze waarop deelnemers worden geïnformeerd en de mate vaninformatie die daarbij geschikt is, sterk afhankelijk is van denationale culturele context. Is de Minister dan ook van meningdat dat de communicatievereisten voor de PBS in hun huidigevorm niet goed aansluiten bij het Nederlandse tweedepij-lerstelsel, zo vragen deze leden. Welke aanvullende communica-tievereisten zouden wel van meerwaarde zijn voor het Neder-landse stelsel? In het BNC-fiche lezen deze leden ook dat hetkabinet de aanvullende communicatievereisten aandachtigbeziet. Kan de Minister de inzet van het kabinet nader toelichten?Geniet een «principle-based» eis, zoals voorgesteld door desector, bij de Minister de voorkeur of zou de Minister er eerdervoor pleiten om de voorgestelde eisen bij te stellen?Het kabinet is van mening dat wat in Nederland is opgebouwd met hetUniform Pensioenoverzicht (UPO) reeds goed aansluit op ons nationaletweedepijlerstelsel. Voor het kabinet is het daarom van groot belang datde ruimte die er nu is voor nationale stelselkenmerken en uitvoeringsprak-tijken wordt behouden. Daar zet het kabinet tijdens de onderhandelingenop in. Tevens zal er gewaakt worden voor aanvullende regeldruk enonnodige informatiepunten.De leden van de D66-fractie hebben enkele aarzelingen rond devoorgenomen (under)performance-benchmarks, zeker wanneerdeze onvoldoende rekening houden met verschillen in leeftijdsco-horten en risicovoorkeuren van deelnemers. Hoe verhoudt eenunderperformance-benchmark zich tot de bestaande performan-cetoets met normportefeuilles?Op dit moment wordt de nationale performancetoets geactualiseerd (ziede internetconsultatie Wijziging van de Regeling vrijstellingen Wet Bpf2000 in verband met actualisatie van de performancetoets). Zowel dehuidige performancetoets als de geactualiseerde performancetoetsverschillen van de underperformance-benchmark zoals voorgesteld inartikel 41a van de herziene IORP II-richtlijn. Het belangrijkste verschil zit inhet vaststellen van de benchmark. In de voorstellen van de Commissiewordt de benchmark vastgesteld door de nationale toezichthouder (DNB),terwijl in de huidige en geactualiseerde performancetoets de benchmarkwordt vastgesteld door het pensioenfonds zelf. Er zijn grote verschillentussen en binnen beleggingscategorieën van pensioenfondsen, die ookweer voort kunnen komen uit verschillen in de risicohouding. Eénbenchmark voor alle pensioenfondsen kan onvoldoende tegemoetkomenaan deze verschillen. Vanuit Nederland zal worden ingezet op het kunnenhandhaven van de nationale praktijk.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 81611 Ook lezen de leden van de D66-fractie dat de uitbreiding van degedetailleerde standaarden en toetsingskaders door EuropeanInsurance and Occupational Pensions Authority (EIOPA) verderinbreekt op de ruimte voor nationale toezichtspraktijk dannoodzakelijk is. Welke aanvullende standaarden en toetsings-kaders vanuit EIOPA acht de Minister wel noodzakelijk, zo vragendeze leden. Heeft een geharmoniseerd format meerwaarde naastde redelijk zeldzame gevallen waarin een pensioenfonds inmeerdere landen opereert of een Europees burger in verschillendelanden pensioen heeft opgebouwd? Gaat de voorkeur van deMinister ernaar uit om het voorgestelde gestandaardiseerdformat voor het Uniform Pensioen Overzicht aan te passen ofgaat de voorkeur ernaar uit om helemaal geen gestandaardiseerdtoetsingskader op te nemen in IORP II?Het is voor het kabinet van groot belang dat de ruimte die er nu is voornationale stelselkenmerken en uitvoeringspraktijken wordt behouden. Inde Raad zal daarom ingezet worden op flexibiliteit om dit te kunnenrealiseren.Het kabinet erkent het belang van goed toezicht in de sector. Tegelijkertijdis het ook van belang om de extra lasten voor het toezicht te beperken, enook dit aan te laten sluiten op wat reeds aanwezig is in de nationalestelsels. De exacte consequenties voor het toezicht zullen pas later in hetonderhandelingsproces duidelijk worden. Het kabinet houdt dit scherpvoor ogen, maar gelet op het feit dat de onderhandelingen in eenbeginstadium zijn, is het nu te vroeg om daar iets over te zeggen.De leden van de D66-fractie lezen in het BNC-fiche dat deEuropese Commissie (Commissie) de lidstaten aanbeveelt om eenPension Tracking System te ontwikkelen en dat de technische enjuridische infrastructuur zou zo moeten worden ontworpen dataangesloten wordt bij het in ontwikkeling zijnde EuropeseTracking System (ETS). Klopt het dat mijnpensioenoverzicht.nlvan Stichting Pensioenregister momenteel niet kan aangeslotenworden op het European Tracking System omdat een juridischegrondslag ontbreekt, zo vragen deze leden. Deze leden lezen datde aanbevelingen van de Commissie worden omarmd in hetBNC-fiche. Betekent dit ook dat de Minister voorstander is vaneen koppeling tussen mijnpensioenoverzicht en het EuropeseTracking System? Zo, ja, kan de Minister inzicht geven in deplanning om dit mogelijk te maken?Het kabinet is van mening dat een aansluiting van Mijnpensioenover-zicht.nl bij het Europese Tracking System (ETS) bijdraagt aan het inzichtdat deelnemers hebben in hun (over de grens opgebouwde) pensioen.Voor een aansluiting van mijnpensioenoverzicht.nl op ETS zal dePensioenwet moeten worden aangepast. Momenteel wordt er bezien hoedeze aansluiting gerealiseerd kan worden. Wanneer meer over dezeaanbeveling bekend is, zal uw Kamer daarover worden geïnformeerd.De leden van de D66-fractie lezen in het BNC-fiche over dePEPP-herziening dat de zeer beperkte commerciële opname vanhet PEPP sinds de inwerkingtreding van het oorspronkelijkekader de aanleiding vormt voor de herziening. Kan de Minister ditnader toelichten? In deze trant lezen deze leden dan ook metinteresse dat er weliswaar verschillende opties rond deherziening van de PEPP zijn overwogen, maar dat het geheelschrappen van PEPP geen expliciete optie was. Waarom niet, zovragen deze leden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 81612 De zeer beperkte commerciële opname van het PEPP sinds de inwerking-treding van het oorspronkelijke kader vormt inderdaad de aanleiding voorde voorgestelde herziening. De Europese Commissie constateert dat hetproduct in de praktijk nauwelijks van de grond is gekomen. Eind 2025waren er slechts twee aanbieders actief: aanzienlijk minder dan bij detotstandkoming werd voorzien. Volgens de Commissie hangt dit beperktemarktsucces samen met verschillende ontwerpkeuzes in het oorspronke-lijke kader die de commerciële aantrekkelijkheid hebben beperkt. Daarbijgaat het onder meer om het verplichte kostenplafond van 1% voor debasis-PEPP, de verplichting voor aanbieders om het product in ten minstetwee lidstaten aan te bieden en de verplichting om altijd een basis-PEPPaan te bieden naast eventuele andere complexere varianten. Uit consul-taties met marktpartijen is gebleken dat deze vereisten als belemmerendworden ervaren. De herziening beoogt deze knelpunten weg te nemen ofte versoepelen, met als doel het product aantrekkelijker te maken vooraanbieder, zonder hierbij afbreuk te doen aan consumentenbescherming.Het geheel schrappen van het PEPP is niet als expliciete beleidsoptiemeegenomen, omdat de Europese Commissie het instrument nog steedsbeschouwt als relevant voor de Europese spaar- en investeringsunie enhet versterken van aanvullende pensioenopbouw in de EU, mede in hetlicht van de vergrijzingsopgave. Een scenario van geen EU-optreden zouvolgens de Europese Commissie niet bijdragen aan het bevorderen vanlangetermijnsparen, grensoverschrijdende pensioenmobiliteit en hetmobiliseren van particulier kapitaal voor investeringen. Tegelijkertijd achtde Commissie een volledige harmonisatie van nationale persoonlijkepensioenregelingen onevenredig, gezien de grote verschillen tussenlidstaten in marktstructuur en ontwikkelingsniveau van particulierepensioenstelsels. Tegen deze achtergrond kiest de Commissie voor eengerichte herziening van het PEPP-kader als proportionele middenweg,waarbij nationale stelsels intact blijven. Randvoorwaarden die deCommissie daarbij heeft gehanteerd zijn dat er sprake moet zijn vanvoldoende gemeenschappelijke kenmerken om (grensoverschrijdend)aanbod van dit derde pijler pensioenproduct te versterken, de keuze-vrijheid van consumenten te vergroten en passende consumentenbe-scherming te waarborgen, maar zonder onnodige regeldruk. Het kabinet isconform haar inzet ten aanzien van de kapitaalmarktunie voorstander vande ontwikkeling van nationale pensioenstelsels in de hele EU om daarmeede omvang van het pensioenvermogen in de EU te vergroten. Nederlandis samen met Denemarken en Zweden goed voor 62% van het Europesepensioenvermogen. Als andere landen ook pensioenvermogenopbouwen, neemt het volume belegd kapitaal toe. Dit is goed voor deverdieping van de kapitaalmarkten.De onderhandelaars van de Minister in Brussel zullenongetwijfeld een eerste indruk hebben van hoe het voorstel doorandere lidstaten ontvangen is en gewaardeerd wordt, zovermoeden de leden van de D66-fractie. Zijn er indicaties datandere lidstaten voorsorteren op significante amendering van hetvoorstel, zo vragen deze leden. En zo ja, waar zouden dieamenderingen op zien?De behandeling van de herziening van de IORP II-richtlijn in de Raads-werkgroep is na de publicatie van het voorstel op 1 december 2025gestart. De Europese Commissie heeft in die Raadswerkgroep eentoelichting gegeven op het voorstel.Hierna hebben twee Raadswerkgroepen plaatsgevonden waarin inalgemene zin artikelen 1 t/m 35 en 44 a t/m d zijn besproken. In maartstaat een volgende Raadswerkgroep gepland waarin de laatste artikelenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 81613 op algemeen niveau worden besproken. De besprekingen hebben in dezefase een technisch karakter. Dat betekent dat het voorstel artikelsgewijswordt toegelicht en de lidstaten de gelegenheid krijgen om te reageren envragen te stellen. In de volgende fase zullen de onderhandelingen zichnaar verwachting richten op de voorstellen waar de meeste opmerkingenover zijn gemaakt. Tot op heden valt op dat veel lidstaten opmerkingenmaken over een verhoogde administratieve last voor IORP’s, aandachtvragen voor proportionaliteit van de voorstellen ten opzichte van deomvang van IORP’s, en het eens zijn met het behoud van het minimum-harmonisatie karakter van de richtlijn.Op dit moment is er geen indicatie dat lidstaten voorsorteren op signifi-cante amendering, anders dan bepaalde voorstellen schrappen. Lidstatenhebben tot op heden geen voorstellen gedaan voor significante aanvul-lingen van het voorstel.Vragen van de fractie van de VVDDe leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisge-nomen van de agenda van de Raad Werkgelegenheid en SociaalBeleid van 9 maart 2026 en van de voorgenomen herziening vande IORP II-richtlijn.De leden van de VVD-fractie onderschrijven dat vergrijzing enontgroening in veel lidstaten grote druk zetten op begrotingsgefi-nancierde eerste pijlerpensioenen. Deze leden achten hetverstandig dat de Commissie inzet op versterking van kapitaalge-dekte tweede en derde pijlerpensioenen. Deze leden wijzen eropdat houdbare aanvullende pensioenen niet alleen bijdragen aaninkomenszekerheid op latere leeftijd, maar ook aan stabieleoverheidsfinanciën in de eurozone. Dat is mede in het belang vanNederland, omdat begrotingsontwikkelingen in andereeurolanden invloed hebben op financiële stabiliteit en renteont-wikkelingen.De leden van de VVD-fractie benadrukken echter dat Nederlandbeschikt over een zeer geavanceerd en kapitaalgedekt tweedepijlerstelsel, dat internationaal als voorbeeld geldt. Deze ledenvinden dat Europese minimumharmonisatie er niet toe mag leidendat landen met goed functionerende stelsels worden geconfron-teerd met extra verplichtingen die in de praktijk geen of onvol-doende aantoonbare meerwaarde hebben. Deze leden sluiten zichaan bij de lijn van de Minister van Financiën dat wijzigingen inEuropese pensioenregels alleen aan de orde kunnen zijn als zijgoed functionerende nationale stelsels niet verstoren.De leden van de VVD-fractie hebben specifieke zorgen over hetvoorstel voor een Europees gestandaardiseerd Uniform Pensi-oenoverzicht (UPO). Deze leden constateren dat Nederland reedsbeschikt over een zorgvuldig ontwikkeld UPO, dat in overlegtussen sociale partners, uitvoerders en toezichthouders periodiekwordt aangepast aan nieuwe inzichten en maatschappelijkeontwikkelingen. Deze leden achten het niet in lijn met hetsubsidiariteitsbeginsel om op Europees niveau een gedetailleerdformat vast te stellen dat weinig ruimte laat voor nationalecontext, fiscale verschillen en contractvormen. Deze ledenvragen de Minister of hij bereid is een bindend Europees formatmet hoge minimumeisen als rode lijn te markeren indien dit denationale beleidsruimte substantieel beperkt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 81614 Het kabinet is van mening dat wat in Nederland is opgebouwd met hetUniform Pensioenoverzicht (UPO) reeds goed aansluit op ons nationaletweedepijlerstelsel. Voor het kabinet is het daarom van groot belang datde ruimte die er nu is voor nationale stelselkenmerken en uitvoeringsprak-tijken wordt behouden. Daar zet het kabinet tijdens de onderhandelingenop in. Tevens zal er gewaakt worden voor aanvullende regeldruk enonnodige informatiepunten.De leden van de VVD-fractie onderkennen het belang vantransparantie over kosten en rendementen. Deze leden vindenechter dat aanvullende informatievereisten, zoals het verplichttonen van cumulatieve kosten over de gehele deelnameperiodeen tienjaarsrendementen, proportioneel moeten zijn en moetenaansluiten bij het Nederlandse contractenstelsel en de implemen-tatie van de Wet toekomst pensioenen. Deze leden vragen deMinister hoe hij voorkomt dat Europese voorschriften interfe-reren met de reeds complexe implementatie van het nieuwepensioenstelsel, waarvan de transitieplanning leidend moetblijven.Het kabinet erkent het belang van proportionaliteit van de wetgeving opdit gebied vanuit Europa. De behandeling van de herziening van de IORPII-richtlijn in de Raadswerkgroep is na de publicatie van het voorstel op1 december 2025 gestart. De onderhandelingen bevinden zich dus pas inhet beginstadium. Het is nu nog te vroeg om een inschatting te kunnenmaken van de gevolgen voor de wetgeving. De implementatie van de Wettoekomst pensioenen (Wtp) vordert inmiddels aanzienlijk. Het is dan ookdenkbaar dat de implementatie van de Wtp al is afgerond op het momentdat de implementatie van de IORP III-richtlijn begint. Uiteraard wordt ditscherp in het vizier gehouden en is er oog voor de haalbaarheid van deimplementatie door de pensioensector.De leden van de VVD-fractie staan positief tegenover hetuitgangspunt dat deelnemers tijdig worden geïnformeerd bijstructurele underperformance. Deze leden wijzen er echter op datpensioenbeleggen per definitie langjarig is en dat uniforme ofextern opgelegde benchmarks kunnen leiden tot defensiefbeleggingsgedrag. Deze leden achten het onwenselijk datfondsen worden gedwongen tot indexvolgend gedrag datinnovatie en investeringen ontmoedigt. Deze leden vragen deMinister daar op te reflecteren.Zoals ook aangegeven in het antwoord op een vergelijkbare vraag van deleden van de fractie van D66, zien we de bezwaren van uniforme of externopgelegde benchmarks. In de huidige en geactualiseerde nationaleperformancetoets wordt de benchmark vastgesteld door het pensioen-fonds. Er zijn grote verschillen tussen en binnen beleggingscategorieënvan pensioenfondsen. Eén benchmark die door een toezichthouder wordtvastgesteld, kan onvoldoende tegemoetkomen aan deze verschillen.Vanuit Nederland zal worden ingezet op het kunnen handhaven van denationale praktijk.De leden van de VVD-fractie hebben net als de Pensioenfederatiegrote bedenkingen bij de introductie van een brede, algemenezorgplicht. Deze leden vrezen in navolging van de kritiek van dePensioenfederatie dat een open geformuleerde Europesezorgplicht leidt tot juridische onzekerheid en hogere rapportage-verplichtingen, en dus hogere kosten. Deze leden wijzen erbovendien op dat pensioenregelingen in Nederland tot standkomen via collectieve arbeidsvoorwaardenvorming door socialeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 81615 partners. Deze leden benadrukken dat de ILO-verdragen het rechtop vrije collectieve arbeidsvoorwaardenvorming beschermen.Deze leden vragen de Minister hoe hij in de Brusselse onderhan-delingen expliciet aandacht zal vragen voor deze verdragsrechte-lijke dimensie en voor de positie van Nederlandse socialepartners.Het kabinet erkent het belang van autonomie van sociale partners. Socialepartners overleggen in Nederland over de inhoud van de pensioenre-geling in de tweede pijler. De ILO-verdragen borgen inderdaad datwerkgevers en werknemers het recht hebben zich te verenigen en invrijheid collectieve onderhandelingen te voeren. Hier zal dan ookaandacht voor gevraagd worden in de onderhandelingen. Voor wat betreftde zorgplicht geldt dat er al veel in de wet geregeld is. De inzet van hetkabinet tijdens deze onderhandelingen is om de aanvullende regeldruk inde sector te beperken, terwijl ook het belang van de bescherming vandeelnemers goed in het vizier wordt gehouden.De leden van de VVD-fractie plaatsen eveneens kanttekeningenbij de verplichting tot het aanwijzen van één vaste bewaarder perregeling. Deze leden constateren dat Nederlandse pensioen-fondsen fundamenteel verschillen van beleggingsfondsen enreeds onder prudent toezicht staan. Deze leden vragen deMinister inzichtelijk te maken welke kosten deze maatregel voorNederlandse fondsen kan meebrengen en of hij zich zal inzettenvoor behoud van nationale beleidsruimte of flexibiliteit.Het kabinet is zich ervan bewust dat het aanwijzen van één vastebewaarder per regeling een wijziging zou betekenen van de huidigeNederlandse praktijk. De waarborgen die een bewaarder zoals het isvoorgesteld biedt, zijn in de huidige situatie in Nederland veelal op eenandere manier reeds gewaarborgd. Naar mening van het kabinet heeft deverplichte aanstelling van een bewaarder beperkte meerwaarde en brengthet wel extra kosten met zich mee. Het is nu nog niet te zeggen hoe hoogdeze kosten zullen zijn, aangezien er nog geen eindresultaat van deonderhandelingen is. De algemene inzet van het kabinet is om deadministratieve lasten en de kosten zo veel als mogelijk te beperken.De leden van de VVD-fractie staan in beginsel positief tegenoverde mogelijkheid van het opnemen van derde pijlerproducten inMijnpensioenoverzicht.nl. Deze leden vinden dat een integraaloverzicht van pensioenrechten bijdraagt aan inzicht en eigenregie van deelnemers. Deze leden vragen de Minister of hijinzichtelijk kan maken hoe dit uitvoerbaar is en welke implemen-tatietermijn Nederland noodzakelijk acht om dit zorgvuldig terealiseren, mede gelet op de diversiteit van producten enaanbieders.Het kabinet is voorstander van het inzichtelijk maken van de derde pijlerproducten op Mijnpensioenoverzicht.nl. Het kabinet is namelijk vanmening dat dit bijdraagt aan het inzicht dat deelnemers in hun eigenpensioen krijgen, waardoor deelnemers ook beter in staat zijn om regie tepakken over hun pensioen. Dit vergt, gezien de complexiteit in verschei-denheid van producten en aanbieders, naar alle waarschijnlijkheid meerdan twee jaar. Hier zal ook tijdens de onderhandelingen op wordeningezet.De leden van de VVD-fractie vragen tot slot hoe de onderhande-lingen zich in de Raad en het Europees Parlement ontwikkelen.Deze leden vragen of er aanwijzingen zijn dat andere lidstatenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 81616 inzetten op verdere harmonisatie of uitbreiding van bevoegd-heden van EIOPA. Deze leden verzoeken de Minister de Kamerperiodiek en inhoudelijk te blijven informeren over substantiëlewijzigingen in het onderhandelingsproces.De behandeling van de herziening van de IORP II-richtlijn in de Raads-werkgroep is na de publicatie van het voorstel op 1 december 2025gestart. De Europese Commissie heeft in die Raadswerkgroep eentoelichting gegeven op het voorstel.Hierna hebben twee Raadswerkgroepen plaatsgevonden waarin inalgemene zin artikelen 1 t/m 35 en 44 a t/m d zijn besproken. In maartstaat nog een Raadswerkgroep gepland om de laatste artikelen opalgemeen niveau te bespreken. De besprekingen hebben in deze fase eentechnisch karakter. Dat betekent dat het voorstel artikelsgewijs wordttoegelicht en de lidstaten de gelegenheid krijgen om te reageren envragen te stellen. In de volgende fase zullen de onderhandelingen zichnaar verwachting richten op de voorstellen waar de meeste opmerkingenover zijn gemaakt. Tot op heden valt op dat veel lidstaten opmerkingenmaken over een verhoogde administratieve last voor IORP’s, aandachtvragen voor proportionaliteit van de voorstellen ten opzichte van deomvang van IORP’s, en het eens zijn met het behoud van het minimum-harmonisatie karakter van de richtlijn.Op dit moment is er geen indicatie dat lidstaten voorsorteren op signifi-cante amendering, anders dan bepaalde voorstellen schrappen. Lidstatenhebben geen voorstellen gedaan voor significante aanvullingen van hetvoorstel. Ik zal uw Kamer, conform de gemaakte informatieafspraken,periodiek blijven informeren over de onderhandelingen.De leden van de VVD-fractie ondersteunen de ambitie om inEuropa te komen tot sterkere kapitaalgedekte pensioenen. Dezeleden benadrukken echter dat harmonisatie geen doel op zichmag zijn. Deze leden vinden dat Europese regelgeving proporti-oneel moet zijn, het subsidiariteitsbeginsel moet respecteren enruimte moet laten voor goed functionerende nationale stelsels.Deze leden hechten eraan dat Nederland zelf verantwoordelijkblijft voor de inrichting van het eigen pensioenstelsel, binnenEuropese samenwerking maar met behoud van de kracht eneigenheid van het Nederlandse model.Vragen van de fractie van GroenLinks-PvdADe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben enkele vragenover het Europees Aanvullend Pensioenpakket. Deze leden lezendat «het voorstel benadruk dat IORPs niet mogen wordenbelemmerd bij het verlenen van grensoverschrijdende diensten».Zij vragen in hoeverre dit uitgangspunt aansluit bij het Neder-landse pensioenstelsel. Kan de verplichtstelling bijvoorbeeld ookgezien worden als een «belemmering» voor buitenlandseaanbieders van pensioenregelingen?Ook onder de huidige IORP-richtlijn is grensoverschrijdende pensioenuit-voering mogelijk. In het buitenland gevestigde aanbieders van pensioen-regelingen mogen niet geconfronteerd worden met ongerechtvaardigdebelemmeringen bij het aanbieden van hun diensten in Nederland. Daarbijis nadrukkelijk aangegeven dat buitenlandse IORPs die in Nederlandpensioenregelingen aanbieden moeten voldoen aan het Nederlandsesociaal- en arbeidsrecht. Het kabinet heeft geen aanleiding om aan teTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 81617 nemen dat de verplichtstelling als ongeoorloofde belemmering van de vrijverkeer en dienstenbepaling moet worden gezien.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen ook of deMinister het wenselijk vindt dat «de ruimte voor lidstaten omstrengere nationale eisen ten aanzien van het investeringsbeleidte hanteren» op onderdelen wordt beperkt. Hoewel deze ledenvan mening zijn dat het investeringsbeleid aan pensioenfondsenzelf is, vinden zij het van belang dat de EU zich op pensioen-gebied beperkt tot minimumregels, en niet voorkomt datlidstaten strengere regels invoeren.Het kabinet is van mening dat het (strategisch) beleggingsbeleid aan depensioenfondsen zelf is. Uitgangspunt voor het beleggingsbeleid zijndoelstellingen en beleidsuitgangspunten, waaronder de risicohouding vanhet pensioenfonds. Het strategisch beleggingsbeleid wordt door hetpensioenfonds in een beleggingsplan uitgewerkt. Hiervoor dienenpensioenfondsen voldoende beleggingsvrijheid en ruimte voor diversifi-catie te hebben. In het beleggingsplan neemt het fonds concrete engedetailleerde richtniveaus en bandbreedtes per beleggingscategorie op.Het uitgangspunt hierbij is dat dit beleggingsbeleid in ieder geval inovereenstemming is met de prudent-person regel. Dit houdt in dat definanciële waarden (beleggingen etc.) worden belegd in het belang van deaanspraak- en pensioengerechtigden. Het kabinet vindt dat het Neder-landse toezicht momenteel voldoende waarborgen kent om te zorgenvoor een goede naleving van het prudent-person beginsel. Regels vanuitde EU ondersteunen het prudent-person beginsel en moeten voldoenderuimte bieden om het huidige Nederlandse toezicht te kunnen voorzetten.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het positief dathet kabinet aangeeft dat gewaarborgd moet zijn dat Europeseregels geen afbreuk mogen doen aan het Nederlandse pensioen-stelsel. Deze leden lezen dat het kabinet «in algemene zin» dedoelstellingen van het Pensioenpakket onderschrijft. Kan deMinister per doelstelling aangeven of en waarom hij dezeonderschrijft?Het kabinet is er positief over dat de Commissie het pensioensparen inkapitaalgedekte pensioenstelsels in de lidstaten wil bevorderen, zowel omhet risico op ouderdomsarmoede onder burgers in de Europese Unie teverkleinen als ook om de stabiliteit van de overheidsfinanciën van delidstaten te waarborgen. Nederland beschikt over een gebalanceerdpensioenstelsel met een combinatie van omslagelementen in de eerstepijler en een kapitaalgedekt tweedepijlerstelsel. Daarnaast kan er opindividuele basis in de derdepijler worden gespaard voor pensioen. Inveel andere lidstaten is dit niet of minder het geval. Het kabinet is tevensvoorstander van sterke, geïntegreerde kapitaalmarkten. In haar inzet voorde kapitaalmarktunie stelt het kabinet dat het Europese concurrentiever-mogen onder druk staat en dat er sprake is van een sterk achterblijvendeproductiviteitsgroei. Daarmee acht het kabinet de verdieping en integratievan de Europese kapitaalmarktunie van cruciaal belang om de uitda-gingen waar Europa voor staat het hoofd te bieden, als onderdeel van deversterking van de interne markt, waarvoor het kabinet zich ook inzet. Ditmaakt dat het kabinet in algemene zin positief staat tegenover maatre-gelen die aan bovenstaande doelstellingen bijdragen, en de noodzake-lijkheid onderschrijft van Europese maatregelen om dit te verwezenlijken.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen ook dat «hetkabinet erkent dat een goed werkende PEPP kan bijdragen aan deverdere ontwikkeling van pensioenvermogen». Kan de MinisterTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 81618 dit verder toelichten, en beschrijven hoe een PEPP daaraan bijkan dragen? In hoeverre denkt de Minister dat er binnenNederland behoefte is aan een PEPP? Deze leden lezen dat onderandere het kostenplafond van 1% een «belangrijke reden» isgeweest voor «het beperkte succes van PEPP». Kan de Ministerdit onderbouwen?Een goed werkend PEPP biedt Europese burgers een eenvoudig enkapitaalgedekt product om aanvullend en vrijwillig pensioenvermogen opte bouwen. Door gemeenschappelijke Europese productkenmerkenkunnen aanbieders schaalvoordelen benutten, efficiënter opereren en hetproduct grensoverschrijdend aanbieden. In een context van vergrijzing entoenemende druk op publieke en collectieve pensioenstelsels kan eendergelijk derde-pijlerinstrument bijdragen aan bredere vermogens-vorming voor Europese burgers, en tegelijkertijd de Savings andInvestment Union (SIU) ondersteunen door langetermijnkapitaalbeschikbaar te stellen voor investeringen in de Europese economie.Het Nederlandse pensioenstelsel is internationaal gezien goed ontwikkeld,met een sterke tweede pijler en een groeiende derde pijler voor zelfstan-digen en werknemers zonder volledige pensioenopbouw. Daardoor is deadditionele meerwaarde van een PEPP in Nederland naar verwachtingbeperkter dan in lidstaten waar aanvullende pensioenopbouw minderontwikkeld is. Het is uiteindelijk aan marktpartijen om te bepalen of zij opbasis van de aangepaste voorwaarden voldoende commerciële ruimtezien om een dergelijk product in Nederland aan te bieden. Het kabinetvindt het daarnaast van belang dat het PEPP als vrijwillig en aanvullendproduct goed aansluit bij bestaande stelsels, zonder afbreuk te doen aande werking van nationaal goed functionerende pensioenregelingen.Met betrekking tot het kostenplafond van 1% voor de basis-PEPP, benoemtde Europese Commissie in haar evaluatie op basis van publieke consul-taties dat aanbieders dit als een belangrijke belemmering voor commer-ciële uitrol ervaren. Met name in de opstartfase, bij relatief beperkteschaal en bij grensoverschrijdende distributie, zouden de vaste kostenmoeilijk binnen dit plafond kunnen worden terugverdiend. Ook incombinatie met andere verplichtingen zoals de eis om het product inmeerdere lidstaten aan te bieden, werd het verdienmodel volgensmarktpartijen onvoldoende aantrekkelijk geacht. Dit heeft bijgedragen aanhet beperkte aantal aanbieders sinds de inwerkingtreding van hetoorspronkelijke kader. De voorgestelde herziening beoogt dezeknelpunten te adresseren, met behoud van een passend niveau vanconsumentenbescherming.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de Ministerkan bevestigen dat het kabinet niet akkoord gaat met hetvoorstel dat een IORP meerdere pensioenregelingen moet kunnenuitvoeren.In het Nederlandse pensioenstelsel kunnen bedrijfstakpensioenfondsen,algemene pensioenfondsen (APF) en Premie Pensioen Instellingen (PPI’s)al meerdere pensioenregelingen uitvoeren, voor ondernemingspensioen-fondsen (OPF) geldt dat niet. Echter staat het OPF’en vrij om zich te latenomvormen tot een APF of om een buy-out te creëren naar een verze-keraar. De inzet is erop gericht om de bestaande situatie te kunnenhandhaven.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 81619 Vragen van de fractie van het CDADe leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisge-nomen van de agenda en hebben daarbij enkele vragen.De leden van de CDA-fractie nemen kennis van het feit dat deherziening van de IORP II-richtlijn in Brussel binnen deEcoFin-Raad wordt behandeld, terwijl het dossier voor Nederland,met een sterk ontwikkelde tweede pijler, van bijzonder gewichtis. Deze leden hebben in dit verband kennisgenomen van hetfiche over het Europees aanvullend pensioenpakket.De leden van de CDA-fractie lezen dat het voorstel voorziet innadere regels voor informatieverstrekking, waaronder eengestandaardiseerd format voor het Uniform Pensioenoverzicht,en dat de Europese toezichthouder EIOPA daarbij een rol krijgt.Deze leden vragen hoe het kabinet borgt dat verdere harmoni-satie van informatievereisten voldoende ruimte laat voornationale stelselkenmerken en uitvoeringspraktijken, en hoe zijvoorkomt dat dubbelingen ontstaan met bestaande nationaleeisen.Het kabinet is van mening dat wat in Nederland is opgebouwd met hetUniform Pensioenoverzicht (UPO) reeds goed aansluit op ons nationaletweedepijlerstelsel. Voor het kabinet is het daarom van groot belang datde ruimte die er nu is voor nationale stelselkenmerken en uitvoeringsprak-tijken wordt behouden. Daar zet het kabinet tijdens de onderhandelingenop in. Tevens zal er gewaakt worden voor aanvullende regeldruk enonnodige informatiepunten.De leden van de CDA-fractie benadrukken dat in Nederland deinrichting en uitvoering van pensioenregelingen nauw samen-hangt met de rol van sociale partners en collectieve afspraken.Deze leden vragen hoe het kabinet in de onderhandelingen borgtdat de herziening van IORP II deze rol respecteert en niet leidt totongewenste verschuiving van verantwoordelijkheid of extraverplichtingen die in de Nederlandse structuur al op andere wijzezijn geborgd.Het kabinet erkent het belang van autonomie van sociale partners. Socialepartners overleggen in Nederland over de inhoud van de pensioenre-geling in de tweede pijler. IORP gaat uit van minimumharmonisatie enonderkent het primaat van het Nederlandse sociaal- en arbeidsrecht.De leden van de CDA-fractie lezen dat het voorstel de positie eninstrumenten van nationale toezichthouders versterkt, ondermeer via een regelmatige toezichtsdialoog op basis van signalise-ringsindicatoren zoals kosten en rendementen, en via naderebepalingen over toezicht op uitbestede activiteiten en grensover-schrijdende uitbesteding. Deze leden vragen hoe het kabinet deuitvoerbaarheid hiervan beoordeelt in de Nederlandse toezicht-praktijk, en welke consequenties dit kan hebben voor toezichtca-paciteit en rapportagelasten bij fondsen en uitvoerders.Het is op dit moment in het proces nog te vroeg om een inschatting temaken over de consequenties die de voorstellen kunnen hebben op detoezichtcapaciteit. Het kabinet erkent het belang van goed toezicht, maartegelijkertijd is het ook van belang dat de toezichtlasten niet onnodigtoenemen. De inzet is om recht te blijven doen aan de huidige praktijk vanrisicogebaseerd toezicht.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 81620 De leden van de CDA-fractie vragen hoe het kabinet de voorge-stelde implementatietermijn van twee jaar voor IORP II beoor-deelt in het licht van de benodigde wetswijzigingen, en welkeinzet Nederland precies kiest waar het kabinet aangeeft te willensturen op een langere termijn voor aansluiting van derde-pijlerproducten van verzekeraars op Mijnpensioenoverzicht.nlTwee jaar is een gebruikelijke implementatietermijn voor Europeserichtlijnen. Voor wat betreft het inzichtelijk maken van de derdepijlerpro-ducten op Mijnpensioenoverzicht.nl acht het kabinet een langereimplementatietermijn wenselijk, mede gelet op de complexiteit inverscheidenheid van producten en aanbieders. De inzet van het kabinetzal erop gericht zijn dat daar voldoende ruimte voor is.De leden van de CDA-fractie lezen dat het voorstel nieuwewaarborgen introduceert die in Nederland tot extra kostenkunnen leiden (onder meer door nieuwe organisatorischevereisten). Deze leden vragen welke bandbreedte van kosten eneenmalige implementatie-inspanningen het kabinet op ditmoment verwacht, en op welke wijze zij proportionaliteit in deonderhandelingen wil borgen, zodat goed functionerendenationale stelsels niet onevenredig worden belast.Het is de inzet van het kabinet om de administratieve lasten en de kostentot een minimum te beperken. De behandeling van de herziening van deIORP II-richtlijn in de Raadswerkgroep is na de publicatie van het voorstelop 1 december 2025 gestart. Aangezien de onderhandelingen dus nog ineen beginstadium zitten, is het nu nog te vroeg om een antwoord tegeven op deze vraag. Uit een richtlijn vanuit de Europese Commissie komtaltijd een implementatie-inspanning voort, en ook voor de fondsen entoezichthouders zullen hier gevolgen bij horen. Op dit moment is het noglastig in te schatten hoe groot deze gevolgen zullen zijn. Ik zal uw Kamerhierover blijven informeren.De leden van de CDA-fractie nemen kennis van een recentposition paper van de Pensioenfederatie over de herziening vanIORP II. Deze leden vragen in welke mate het kabinet de daarinbenoemde zorgen herkent, en hoe zij deze weegt in het licht vande kabinetsinzet zoals verwoord in het fiche.Het kabinet is bekend met het position paper van de Pensioenfederatie.Veel van de punten uit het position paper zijn ook in het BNC-fichebenoemd als aandachtspunt voor het kabinet tijdens de onderhandelingen(die nog gaande zijn). Het kabinet staat in nauw contact met alle relevantestakeholders, zoals toezichthouders, sociale partners, de Pensioenfede-ratie en het Verbond van Verzekeraars. In het standpunt van het kabinetworden de verschillende belangen meegenomen en gewogen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 81621
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.