KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een schriftelijk overleg over zwemmen in Nederland en overige beleidsontwikkelingen (Kamerstuk 30234-402)

27 jun 2025 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 36fc0ad01573f02e · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202530 234Toekomstig sportbeleidNr. 409 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 27 juni 2025 De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft eenaantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Staatssecretaris vanVolksgezondheid, Welzijn en Sport over zwemmen in Nederland enoverige beleidsontwikkelingen (Kamerstuk 30 234, nr. 402).De vragen en opmerkingen zijn op 27 mei 2025 aan de Staatssecretarisvan Volksgezondheid, Welzijn en Sport voorgelegd. Bij brief van 27 juni2025 zijn de vragen beantwoord.De voorzitter van de commissie,MohandisAdjunct-griffier van de commissie,Heller kst-30234-409ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 234, nr. 4091 InhoudsopgaveI.Vragen en opmerkingen vanuit de fracties2Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie2Vragen en opmerkingen van de leden van deGroenLinks-PvdA-fractie3Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie5Vragen en opmerkingen van de leden van de NSC-fractie6Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie7Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie8Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie9Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie10II.Reactie van de Staatssecretaris12 I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractieDe leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de brief van deStaatssecretaris over «zwemmen in Nederland en overige beleidsontwik-kelingen» en hebben hier nog enkele vragen en opmerkingen over.Het valt genoemde leden op dat vooral gemeenten met «integratie- eninclusieprogramma’s» extra aandacht krijgen ten aanzien van de kostenvan zwemles.Is de staatsecretaris het met genoemde leden eens dat ook autochtoneNederlandse gezinnen steeds vaker moeite hebben met zwemleskosten?Hoe gaat de Staatssecretaris ervoor zorgen dat deze groep autochtoneNederlandse gezinnen niet verdrongen wordt door integratie- eninclusieprogramma’s van gemeenten op het gebied van zwemles? Hoewordt dit gecontroleerd en/ of gewaarborgd?Ouders zijn nu afhankelijk van ingewikkelde gemeentelijke regelingen omhun kind te leren zwemmen, indien zij dit zelf financieel niet kunnenopbrengen. Genoemde leden zijn van mening dat met het herintroducerenvan het traditionele schoolzwemmen elk kind zwemles aangeboden kankrijgen. Waarom is zwemonderwijs nog steeds géén vast onderdeel vanhet basisonderwijs, terwijl dat in een waterrijk land als Nederland levenskan redden? De geluiden van «meer aandacht voor inclusie» inzwemlessen sluit hier wat genoemde leden betreft mooi op aan. Wanneermen op de basisschool namelijk zwemonderwijs aanbiedt, doet iedereenuit de klas hieraan mee en wordt er niemand overgeslagen. Alle kinderenzijn hierin gelijk, ongeacht of je ouders zwemles kunnen financieren ofniet.Leraren hebben in eerdere reacties op het herintroduceren vanzwemlessen gereageerd met onder andere de opmerking dat zij dezewekelijkse belasting er in hun werkzaamheden niet bij kunnen hebben. Isde Staatssecretaris bereid om samen met de bewindspersoon vanOnderwijs, Cultuur en Wetenschap een meer verplichtende houdingrichting de leraren aan te nemen en het basisonderwijs hierin eenopdracht te verstrekken? Waarom lukt het in veel kleine dorpskernen welom leerlingen wekelijks te laten schoolzwemmen – zelfs zonder de hulpvan ouders in te schakelen? Dit terwijl er in deze dorpskernen vaak nieteens een zwembad is. Er zijn bij genoemde leden scholen bekend waar deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 234, nr. 4092 kinderen met een bus worden opgehaald en die op de route naar hetzwembad meerdere scholen aandoen om de kosten van de bus te delen.Kunnen dit soort initiatieven bij gemeenten en scholen beter aangeprezenworden om schoolzwemmen te stimuleren? Heeft de staatsecretaris eenoverzicht van alle scholen in het land welke wel en welke geen school-zwemmen aanbieden? Zo ja, kan deze met de Kamer gedeeld worden?Vorige maand berichtte het Noordhollands Dagblad over zwemlesverlofaan kleuters, wat een goed alternatief zou zijn voor schoolzwemmen.Steunt de Staatssecretaris dit initiatief? Wat de leden van de PVV-fractiebetreft is dit juist de omgekeerde wereld! Genoemde leden zien noggrotere tekorten op de overspannen arbeidsmarkt ontstaan wanneerouders massaal verlof gaan opnemen om met hun kroost naar zwemles tegaan. En wat als je als ouder de hele week moet werken en dit overdagniet kan verzorgen? Of je ouders geen vervoer hebben om naar hetzwembad te kunnen komen? Hiermee wordt juist een ongewenstetweedeling in de klas gecreëerd. Is de Staatssecretaris het hiermee eens?Indien niet, waarom niet? Daarnaast zou dit initiatief voor de leraren opschool toch ook een enorme belasting betekenen wanneer er op wille-keurige momenten kinderen niet in de klas zijn vanwege zwemles? Kan destaatsecretaris toezeggen dat dit initiatief niet landelijk wordt uitgerold?Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van debrief van de Staatssecretaris. Genoemde leden constateren dat deStaatssecretaris specifieke doelen heeft betreft zwemvaardigheid onderkinderen, maar zij vinden de doelen niet ambitieus genoeg. Daarnaastverwachten ze dat het voorgestelde beleid te mager is om de ambitieswaar te maken. Deze leden hebben daar kritische vragen bij.De ontwikkelingen op het gebied van het aantal kinderen met eenzwemdiploma baren de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie grotezorgen. Steeds minder kinderen halen een zwemdiploma. Waar in 2018nog zes procent van de kinderen zonder een zwemdiploma de basisschoolverliet, is dat inmiddels meer dan verdubbeld naar dertien procent.Genoemde leden lezen dat de Staatssecretaris als doel heeft dat in 2028maximaal tien procent en in 2030 maximaal vijf procent van de kinderende basisschool verlaat zonder zwemdiploma. Kan de Staatssecretarisnader toelichten hoe hij tot deze specifieke doelen is gekomen? Deelt deStaatssecretaris de mening dat tien procent in 2028 nog steeds veel tehoog is?De laatste cijfers die genoemd zijn in deze brief dateren van 2022. Heeft deStaatssecretaris ook recentere cijfers van de afgelopen jaren? Deelt deStaatssecretaris de mening dat het goed voor de monitoring zou zijn datde cijfers van het aantal kinderen met een zwemdiploma elk jaar wordtbijgehouden – ook met het oog op de ambities die de Staatssecretarisheeft gesteld? In dat geval kan beleid worden bijgestuurd als de trend zichverkeerd ontwikkeld.Genoemde leden lezen dat de Staatssecretaris vier mogelijke oorzaken alsgrondslag van het afnemende aantal kinderen met een zwemdiplomabenoemt. De eerste betreft de betaalbaarheid van zwemles. De leden vande GroenLinks-PvdA-fractie zien in het houden van een webinar overarmoederegelingen voor wethouders de enige concrete maatregel watbetreft betaalbaarheid van zwemles. Voor de rest zien ze vooral onder-zoeken en pilots. Vindt de Staatssecretaris dat hij daarmee recht doet aanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 234, nr. 4093 de urgentie en grootte van dit probleem? Uit onderzoek van EenVandaag1blijkt dat veel ouders die op de hoogte zijn van armoederegelingen en errecht op hebben, hier geen gebruik van maken. Hoe gaat de Staatssecre-taris ervoor zorgen dat ook kinderen waarvan de ouders geen gebruikmaken van armoederegelingen, en hier wel recht op hebben, toeganghebben tot zwemles? De leden de GroenLinks-PvdA-fractie verwachtendat met deze maatregel de tweedeling tussen arm en rijk en geen- en weleen zwemdiploma blijft bestaan. Wat is volgens de Staatssecretaris deverwachte impact van de webinar? Oftewel, hoeveel extra kinderen halenals gevolg ervan een zwemdiploma? Erkent de Staatssecretaris dat omiets aan de betaalbaarheid van zwemmen te doen, de kosten van zwemlessimpelweg omlaag moeten? Kan de Staatssecretaris nader toelichten wathij nou concreet gaat doen om zwemlessen betaalbaarder en toeganke-lijker te maken?Het tweede probleem dat Staatssecretaris schetst, is dat er te weinigpersoneel is. Kan de Staatssecretaris nader toelichten hoe hij de opleidingtot zweminstructeur aantrekkelijker gaat maken? Hij schrijft in deKamerbrief over de pilot «Zwemles kort na schooltijd». Kan de Staatsse-cretaris nader toelichten hoe het met deze pilot gaat? De pilot loopt nueen paar jaar. Wat zijn de overwegingen om het al dan niet landelijk uit terollen? Heeft de Staatssecretaris hier een voorkeur bij?Genoemde leden lezen dat Staatssecretaris niet bereid is om eenzwembadfonds op te richten voor publieke zwembaden. Verderop in debrief lezen de leden dat de Staatssecretaris ook niet bereid is omschoolzwemmen, in welke vorm/scenario dan ook, weer in te voeren. Dezeleden zien de school echter als ideale vindplaats voor zwemmen. Kan deStaatssecretaris een scenario met school als vindplaats schetsen dievolgens hem wel realistisch is? In andere woorden, wat gaat de Staatsse-cretaris wel doen? Kan de Staatssecretaris met de verschillende scenario’spilots doen, zodat de impact op het aantal behaalde diploma’s in kaartwordt gebracht?In de Kamerbrief staat de volgende zin: «Het bouwen en onderhouden vanzwembaden is de verantwoordelijkheid van de gemeenten, die dat via deAlgemene Uitkering en/of de SPUK Stimulering Sport kunnen finan-cieren.» Kan de Staatssecretaris in een tabel heel specifiek toelichtenhoeveel er de komende jaren wordt bezuinigd op regelingen diegemeentes in kunnen zetten voor het bouwen en onderhouden vanzwembaden? Kan de Staatssecretaris daarnaast toelichten hoeveel erprecies per jaar beschikbaar is?Al met al vinden de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie de brief enmaatregelen van de Staatssecretaris erg summier. Kan de Staatssecretarisalle concrete genomen maatregelen, dus niet de pilots en onderzoeken,op een rijtje zetten en per genomen maatregel de verwachte impactomschrijven – dus het aantal extra kinderen wat door deze specifiekemaatregel hun zwemdiploma gaat halen?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de Staatssecretaris,zoals eerder aangekondigd, aan een sportwet werkt. Kan de Staatssecre-taris nader toelichten wat er betreft zwemmen in deze wet komt?Genoemde leden moedigen het aan om streefcijfers voor het aantalkinderen met een zwemdiploma hierin op te nemen. Is de Staatssecretarisdaartoe bereid? Zo nee, waarom niet? Is er ruimte in die wet voor eenwettelijke zorgplicht van gemeentes voor zwembaden?1EenVandaag, 22 augustus 2024, «Kwart van ouders met lager inkomen doet kind niet opzwemles, oplopende kosten vaak de reden» (Kwart van ouders met lager inkomen doet kind... |EenVandaag)Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 234, nr. 4094 Tot slot, hoe kijkt de Staatssecretaris tegen het idee aan dat ieder kind datde basisschool zonder zwemdiploma verlaat een brief van het Rijk of degemeente krijgt met een oproep hiervoor?Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de brief van deStaatssecretaris. Zij hebben nog enkele vragen.Genoemde leden lezen in de brief dat de Staatssecretaris een webinargaat houden over de vindbaarheid en gebruik van ondersteuningsre-geling. Zij vragen zich af of dit voldoende is en wat de Staatssecretarisnog meer gaat doen om de vindbaarheid van ondersteuningsregelingente vergroten. Ziet de Staatssecretaris het bijvoorbeeld ook als optie om oplocatie in zwembaden ondersteuningsregelingen breder onder deaandacht te brengen?De leden van de VVD-fractie lezen in de brief dat er nog onvoldoendesprake is van instroom van arbeidskrachten. Zij zijn benieuwd of deStaatssecretaris in overleg met het veld bereid is nog te kijken naarandere manieren van opleiden van zweminstructeurs, zoals het gebruikvan zij-instromers.De Staatssecretaris geeft in de brief aan de mogelijkheden te verkennenom het belang van zwemvaardigheid onder de aandacht te brengen bijouders van jonge kinderen en uit te zoeken welke partijen daar het meestgeschikt voor zijn. Kan de Staatssecretaris hier een concreet tijdspad vangeven? Genoemde leden lezen ook in de brief dat de Staatssecretaris hetMulier Instituut onderzoek laat doen naar de daling in het aantalzwembaden. Wanneer wordt de uitkomst van dit onderzoek verwacht?Kan de staatsecretaris een uitgebreidere toelichting geven van hetvangnetscenario binnen het schoolzwemmen?De leden van de VVD-fractie zien dat buitenspeelruimte niet altijdaangelegd hoeft te worden, maar dat de bestaande buitenruimte ookaangepast kan worden om buitenspelen te bevorderen. Denk hierbij aanskateboarden over trapleuningen. Welke mogelijkheden ziet de Staatsse-cretaris om de buitenruimte op deze manier aan te passen om buiten-spelen te bevorderen?Hiernaast lezen de leden van de VVD-fractie dat de Staatssecretaris met deStaatssecretaris van OCW in gesprek gaat om te kijken welke mogelijk-heden er zijn om «natte gymlessen» meer onder de aandacht te brengenbij scholen. Genoemde leden zien in het veld goede initiatieven ontstaan.Is de Staatssecretaris bereid om te kijken hoe hij deze initiatieven waarmogelijk kan helpen opschalen?De leden van de VVD-fractie zijn van mening dat het van groot belang isdat kinderen ook na het behalen van hun zwemdiploma regelmatig blijvenzwemmen. Is de Staatssecretaris het met hen eens dat dit bevorderlijk isom de zwemvaardigheid en -veiligheid te bewaren? Heeft de Staatssecre-taris inzicht inhoeveel kinderen na het behalen van hun zwemdiploma structureelblijven zwemmen? In hoeverre hebben sociaaleconomische en geogra-fische kenmerken hier invloed op?Hiernaast denken de leden van de VVD-fractie dat er een rol weggelegd isvoor zwemverenigingen in het bevorderen van de zwemvaardigheid vanjongeren en volwassenen. Hoe worden zwemverenigingen betrokken bijTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 234, nr. 4095 de inzet om iedereen op zwemles te krijgen? Hoe worden zij betrokken bijde inzet om volwassen en ouderen door te zwemmen langer gezond tehouden?Vragen en opmerkingen van de leden van de NSC-fractieDe leden van de NSC fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan de brief van de Staatssecretaris. De afgelopen jaren zijn doorverdrinking gemiddeld 88 mensen om het leven gekomen. Zwemvaar-digheid is, zeker in een land omringd door water zoals Nederland, in elkezin van het woord van levensbelang voor iedereen die zich in of rondomhet water bevindt. Deze leden zien in de praktijk dat steeds minderkinderen, met name kinderen uit financieel kwetsbare gezinnen enkinderen met een migratieachtergrond, een zwemdiploma hebben enhierdoor een groter risico lopen op verdrinking. Deze leden waarderendan ook dat de Staatssecretaris hier aandacht voor heeft. Zij zijn vanmening dat iedereen in Nederland zwemvaardig en zelfredzaam moet zijnin het water. Dit doel is echter onhaalbaar wanneer zwemlessen particuliermoeten worden bekostigd door ouders/verzorgers. Daarnaast sprekengenoemde leden waardering uit voor het delen van de voortgang vanandere beleidsontwikkelingen van de Staatssecretaris. Echter, er bestaatnog onduidelijkheid over ontwikkelingen die tevens door deze leden zijnvoorgesteld. In dit licht hebben zij de volgende vragen/opmerkingen.De leden van de NSC-fractie lezen in de brief dat de Staatssecretarisaangeeft het schoolzwemmen op dit momenteel niet terug te willeninvoeren, vanwege een combinatie van een te hoog prijskaartje enpraktische bezwaren. Hoe verhoudt deze conclusie zich tot de conclusie uithet rapport «schoolslag in perspectief» (p.37) dat de maatschappelijkebaten opwegen tegen de gemaakte kosten van het schoolzwemmen?Waar komt dit verschil in inzicht vandaan en waarom volgt de staatsecre-taris niet de conclusie van dit rapport?De leden van de NSC-fractie begrijpen de zorg van de staatsecretaris enhet onderwijs dat het schoolzwemmen in oude of nieuwe stijl ten kostezou gaan van onderwijstijd die anders wellicht besteed zou worden op hetversterken van basisvaardigheden. Tevens geldt sinds het schooljaar2023–2024 de wettelijke verplichting voor scholen om tenminste twee uurper week bewegingsonderwijs aan te bieden. Zou de zorg van deStaatssecretaris en de vertegenwoordigers van het onderwijs ontnomenkunnen worden wanneer schoolzwemmen in oude of nieuwe stijl onderde uren bewegingsonderwijs zou komen te vallen?In vervolg op deze vorige vraag hebben de leden van de NSC-fractievernomen dat schoolzwemmen momenteel niet valt onder bewegingson-derwijs. Kan de Staatssecretaris in gesprek gaan om de twaalf leerlijnenen de kerndoelen van het bewegingsonderwijs uit te breiden, zodatschoolzwemmen wel onder het bewegingsonderwijs komt te vallen endaardoor onder onderwijstijd kan worden aangeboden zonder ten koste tegaan van de aandacht voor basisvaardigheden? Zo niet, waarom niet?De leden van de NSC-fractie lezen in scenario 6 van het rapport datzwemmomenten tijdens uren voor bewegingsonderwijs mogen vallen endat in de scenario’s 1–3 schoolzwemmen in aanvulling op het bewegings-onderwijs wordt aangeboden. Waarom wordt in het ene scenarioschoolzwemmen wél en in andere scenario’s niet in de uren bewegings-onderwijs ondergebracht? Onder welke omstandigheden zou hetschoolzwemmen in scenario 1–3 wél onder de uren bewegingsonderwijskunnen vallen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 234, nr. 4096 Het rapport «schoolslag in perspectief» concludeert dat de gemaaktekosten van het schoolzwemmen opwegen tegen de besparingen vanouders en verzorgers. De leden van de NSC-fractie zijn benieuwd of deStaatssecretaris ook rekening gehouden heeft met de maatschappelijkewinst in de vorm van minder verdrinkingen en minder gebruik vanspeciale zwemsubsidies? Heeft de Staatssecretaris hier de aangekondigdeinvesteringsmodellen voor investeringen in preventie voor kunnengebruiken? Zou gebruik van deze investeringsmodellen de Staatssecre-taris nog naar scenario 1 of 2 van het rapport kunnen bewegen? Zo niet,waarom niet?De leden van de NSC-fractie waarderen het dat de staatsecretaris zich bijhet verbeteren van de zwemvaardigheid ook specifiek richt op hetvergroten van het bewustzijn rondom het belang van zwemvaardigheidonder mensen waar dat bewustzijn nu nog onvoldoende heerst. Dezeleden zijn echter sceptisch over de toegevoegde waarde van uitsluitendblijven voorlichten. Is de Staatssecretaris het met deze leden eens dat hetgroepseffect, wanneer deze kinderen met leeftijdsgenoten in een veiligeen leerzame omgeving zoals in het schoolzwemmen of de initiatievenonder het «schoolzwemmen 2.0» leren zelfredzaam te zijn in het water,een grotere rol kan spelen in het vergroten van de zwemvaardigheidonder alle kinderen in Nederland dan uitsluitend te blijven voorlichten? Zoniet, waarom niet? Zo ja, waarom kiest de Staatssecretaris dan toch voorde huidige aanpak zoals beschreven in de brief?De leden van de NSC-fractie zijn positief over de inzet van de staatsecre-taris om de zichtbaarheid van (financiële) ondersteuning bij zwemlessente verbeteren. Deze leden vragen zich echter af of zelfs met deze onder-steuning, particuliere zwemlessen wél betaalbaar zijn of voor sommigemensen nog steeds een financiële drempel kunnen vormen? Is het huidigebudget van ondersteuning van de gemeenten voldoende om iedereen dievoldoet aan de eisen ook daadwerkelijk ondersteuning te bieden mochtenzij hier een beroep op willen doen? Zo niet, hoeveel zou de extraondersteuning van het Rijk moeten bedragen om dit wel mogelijk temaken en hoe verhoudt dit bedrag zich tot de kosten van de uitgewerktescenario’s 1–6 uit het onderzoeksrapport?De leden van de NSC-fractie kijken met belangstelling naar het onderzoekrondom de kosten van de sportpas. Tegelijkertijd zei de Staatssecretaristijdens het afgelopen Wetgevingsoverleg welwillend te willen kijken naareen sport- en beweegwet. Hoe verhouden deze twee initiatieven zich totelkaar? Kan de Staatssecretaris deze twee initiatieven met elkaarcombineren? Zo ja, in welke vorm hoopt hij dit te realiseren?Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractieMet interesse hebben de leden van de D66-fractie kennisgenomen van debrief van de Staatssecretaris. Daartoe hebben deze leden verdere vragen.De leden van de D66-fractie waarderen de uitgebreide inzet van deStaatssecretaris voor het verbeteren van zwemvaardigheid en hetbehouden van toegankelijke zwemvoorzieningen in Nederland. Deerkenning dat zwemvaardigheid niet vanzelfsprekend is én dat hiercollectieve verantwoordelijkheid bij hoort, onderschrijven deze leden.Daarnaast vinden de leden van de D66-fractie het zorgwekkend dat hetaantal kinderen zonder zwemdiploma is toegenomen van zes procent totdertien procent, waarbij er uitschieters zijn onder kinderen met eenmigratieachtergrond, kinderen met een handicap en kinderen dieopgroeien in armoede. Daartoe vragen de leden van de D66-fractie of deStaatssecretaris mogelijkheden ziet in een structurele financiële dekkingTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 234, nr. 4097 voor zwemlessen via het Jeugdfonds Sport & Cultuur. Daarnaast vragendeze leden of de Staatssecretaris meer mogelijkheden ziet om onder-steuning voor vervoer te verzorgen, zeker in gebieden met beperktetoegang tot zwembaden.Verder achten de leden van de D66-fractie het van groot belang dat decommunicatie omtrent zwemmen en het belang hiervan effectief moetenzijn. Zo moeten taal en beeld omtrent zwemmen aansluiten bij debelevingswereld van mensen, zeker bij de belevingswereld van mensendie zelf niet kunnen zwemmen of hier niet mee opgevoed zijn. Daartoevragen de leden van de D66-fractie of de Staatssecretaris mogelijkhedenverkend voor effectievere communicatie. Ook vragen zij hem op welketermijn de Kamer geïnformeerd zal worden over de door de Staatssecre-taris genoemde publiekscampagnes. Op welke wijze worden dezevormgegeven? En zullen de effecten van deze campagne gemonitordworden?Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de Kamerbriefover zwemmen in Nederland en overige beleidsontwikkelingen. Dezeleden hebben de volgende vragen aan de Staatssecretaris.Uit de cijfers blijkt dat het aantal kinderen zonder zwemdiploma tussen2018 en 2022 bijna verdubbelde (van zes procent naar dertien procent).Vooral onder kinderen uit gezinnen met een lager inkomen, kinderen meteen migratieachtergrond en kinderen met een handicap is het diploma-aandeel laag. Wat is de reden dat de beleidsambitie pas in 2028 inzet ophet terugdringen van het aandeel kinderen zonder diploma naar tienprocent? Is de Staatssecretaris bereid om in overleg met gemeenten enkoepelorganisaties tussentijdse doelen te formuleren voor het terug-dringen van het aandeel kinderen zonder zwemdiploma, bijvoorbeeld meteen jaarlijkse streefwaarde, zodat sneller kan worden bijgestuurd?Daarnaast geeft de Staatssecretaris in de brief aan dat niet alle ouders hetbelang van zwemvaardigheid inzien, vaak doordat zij zelf niet metzwemmen zijn opgegroeid of door praktische belemmeringen. Is deStaatssecretaris bereid om cultuursensitieve voorlichting over zwemvaar-digheid structureel op te nemen in de richtlijnen van de jeugdgezond-heidszorg (JGZ) en te verspreiden via lokale oudernetwerken, zoalsbuurthuizen en oudergroepen?Ook vormen voor gezinnen in dorpen of wijken zonder zwembad dereiskosten een extra barrière. Zeker voor gezinnen met lage inkomenskunnen OV- of brandstofkosten ervoor zorgen dat kinderen simpelwegniet naar zwemles kunnen gaan, ook als die les zelf wel vergoed wordt. Isde Staatssecretaris bereid om, in samenwerking met provincies envervoersregio’s, een richtlijn of stimuleringsregeling op te stellen voorgemeenten zodat vervoer naar zwemles structureel wordt ondersteund?Daarnaast zijn kinderen met een handicap extra kwetsbaar als zij niet lerenzwemmen. Tegelijkertijd is aangepaste zwemles duurder, bijvoorbeeldvanwege kleinere groepen of gespecialiseerde instructeurs. Dezemeerkosten vormen een drempel voor ouders, waardoor deze kindereneen nog groter risico lopen geen zwemdiploma te halen. In hoeverre zijngemeenten verplicht om de meerkosten van aangepaste zwemles via deJeugdwet te vergoeden? En is de Staatssecretaris bereid om landelijkeminimumnormen op te stellen voor de vergoeding van aangepastezwemles, zodat kinderen met een beperking gelijke kansen hebben opTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 234, nr. 4098 zwemveiligheid? Is het bijvoorbeeld voor speciaal onderwijs een idee omschoolzwemmen in te voeren?Verder sluiten in landelijke regio’s steeds vaker zwembaden vanwegestijgende energiekosten en personeelstekorten. Kinderen zijn daardoorafhankelijk van vervoer naar grotere steden, waardoor zwemles mindertoegankelijk wordt. Dit treft juist regio’s waar zwemvaardigheid extrabelangrijk is door de vele sloten, vaarten en plassen. Is de Staatssecretarisbereid om samen met provincies en de Vereniging NederlandseGemeenten (VNG) een landelijk overzicht te laten maken van regio’szonder zwembad en daarbij ook de sociaaleconomische impact vansluitingen (zoals lagere deelname aan zwemles) mee te nemen in hettoekomstig spreidingsbeleid van sportvoorzieningen?Naast het sluiten van zwembaden is er ook sprake van een tekort aanbevoegde zwemdocenten, met name buiten de Randstad. Hierdoorontstaan wachtlijsten voor zwemles, wat leidt tot verdere vertraging in hetbehalen van zwemdiploma’s. Is de Staatssecretaris bereid samen metsportopleidingen en ROC’s in de regio structurele stageplekken enleer-werkbanen voor zwemdocenten op te zetten in provincies waar dewachtlijsten voor zwemles het langst zijn en deze tekorten regionaal temonitoren?Ook zijn in waterrijke provincies kinderen steeds vaker in de buurt vanopen water. Daar is zwemvaardigheid letterlijk van levensbelang. Toch zijnook in deze gebieden signalen dat steeds minder kinderen zwemlesvolgen vanwege sluiting van voorzieningen en kosten. Is de Staatssecre-taris bereid om bij het vaststellen van landelijk zwemveiligheidsbeleidregionaal maatwerk toe te passen, waarbij in waterrijke regio’s extrapreventiemaatregelen en middelen beschikbaar worden gesteld, gezien deverhoogde verdrinkingsrisico’s voor kinderen?Tot slot zijn veel gemeentelijke zwemregelingen afhankelijk van lokaalbeleid en draagkracht. Gemeenten met beperkte financiële middelen, vaakin krimpregio’s, kunnen hierdoor minder doen voor zwemveiligheid dangrotere steden met meer ambtelijke capaciteit en rijksbijdragen. Is deStaatssecretaris bereid bij de verdeling van rijksmiddelen voor zwemvei-ligheid een vast percentage toe te kennen aan gemeenten met beperkteuitvoeringskracht (zoals krimpregio’s of gemeenten met lage draagkracht),zodat ook daar structureel kan worden geïnvesteerd in zwemles, vervoeren voorlichting?Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractieDe leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de brief van deStaatssecretaris over zwemmen in Nederland en overige beleidsontwikke-lingen. Deze leden hebben hier enkele vragen bij.Het aandeel kinderen dat geen zwemdiploma’s heeft is tussen 2018 en2022 ruim verdubbeld (van zes procent naar dertien procent). DeStaatssecretaris heeft daarom als doel gesteld in 2028 alle kinderenzonder diploma lokaal in beeld te hebben en dat in datzelfde jaarmaximaal tien procent van de kinderen geen diploma heeft. De leden vande CDA-fractie vragen de Staatssecretaris waarom pas in 2028 allekinderen zonder zwemdiploma lokaal in beeld moeten zijn. Waarom kandat niet al veel eerder in beeld zijn? Als de doelstelling is om in datzelfdejaar (2028) al een forse daling in het percentage kinderen zonder diplomabewerkstelligd moet zijn en je daar dan ook beleid op wil inzetten, danmoet je toch veel eerder al in beeld hebben om wie het gaat?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 234, nr. 4099 Het onderzoek van Mulier Instituut laat zien dat in vrijwel alle gemeentenondersteuningsregelingen bestaan voor het volgen van zwemles, zoschrijft de Staatssecretaris. De leden van de CDA-fractie vragen welkegemeente(n) volgens dit onderzoek geen ondersteuningsregelingenhebben.De leden van de CDA-fractie vragen wat de concrete stappen en tijdslijnzijn voor het verbeteren van de vindbaarheid van deze regelingen opgemeentelijke websites.De Staatssecretaris kiest er voor om geen zwembadfonds in te stellen,omdat er momenteel geen financiële mogelijkheden zijn om een dergelijkfonds te organiseren. De leden van de CDA-fractie snappen dat, maarvragen welke concrete stappen de Staatssecretaris dan wel zet ombijvoorbeeld de verduurzaming van zwembaden te stimuleren.De Staatssecretaris onderzoekt een mogelijke gemeentelijke zorgplichtvoor zwembaden in het kader van een mogelijke sport- en beweegwet. Deleden van de CDA-fractie vragen of bij deze verkenning ook wordtmeegenomen dat als er een dergelijke zorgplicht voor gemeenten komt,daar ook adequate financiële middelen voor gemeenten tegenovermoeten staan.De leden van de CDA-fractie vragen wat de stand van zaken is van hetopenstellen van de DUMAVA-regeling voor sportaccommodaties omdaarmee onder andere verduurzaming te stimuleren.Op dit moment wordt in sommige gemeenten op vrijwillige wijzeschoolzwemmen gefaciliteerd. De leden van de CDA-fractie vragen ofscholen die schoolzwemmen faciliteren, de tijd die hieraan gespendeerdwordt ook (deels) mogen meerekenen in de normen voor het minimaleaantal uren bewegingsonderwijs.Naar aanleiding van de motie-Inge van Dijk/Mohandis heeft de Staatsse-cretaris onderzoek laten doen naar welke elementen speeltuinen moetenbevatten om kinderen uit te dagen om te gaan met buitenspelen(Kamerstuk 36 410 XVI, nr. 122). De motie wordt afgedaan met hetaanbieden van dit onderzoek aan de Kamer. De leden van de CDA-fractievragen echter of dit onderzoek niet beter aan gemeenten en/of organi-saties als Jantje Beton aangeboden kan worden, of in ieder geval daaronder de aandacht gebracht kan worden. Op welke wijze wordt er vervolggegeven aan dit onderzoek?Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractieDe leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de brief van deStaatssecretaris. Zij vinden het positief dat er met deze brief uitgebreidaandacht wordt besteed aan de problematiek rondom zwemmen, maarzien daarbij wel onvoldoende concrete acties om deze problemen aan tepakken. Zij hebben daarom nog een aantal vragen en opmerkingen.De leden van de SP-fractie constateren dat er bij de verschillendeknelpunten als het gaat om de zwemvaardigheid van mensen en detoegankelijkheid van zwemwater een terugkoppeling wordt gegeven opmoties, maar dat daarbij nergens echt wordt doorgepakt. Daardoor valt deStaatssecretaris in praktijk terug op de bestaande aanpak van deproblemen, die aantoonbaar onvoldoende werkt. Waarom verwacht deStaatssecretaris dat deze aanpak nu wel voldoende gaat werken? Waaromvoert hij de voorstellen uit de verschillende moties niet daadwerkelijk in ofneemt hij geen andere concrete acties om de problemen aan te pakken?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 234, nr. 40910 De leden van de SP-fractie zien bijvoorbeeld als het gaat om het verbe-teren van de betaalbaarheid van zwemlessen dat de meest concrete actiehet organiseren van een webinar is. Verwacht de Staatssecretaris echt datdit soort maatregelen voldoende zullen zijn om ervoor te zorgen datmensen de zwemles van hun kinderen wel kunnen betalen?Ook als het gaat om de beschikbaarheid van zwemwater zien de leden vande SP-fractie nog weinig concrete actie. Er wordt enerzijds vooralverwezen naar onderzoek dat reeds gedaan is, zonder duidelijkeopvolging en anderzijds naar onderzoeken en verkenningen die noggedaan zullen worden. Is de Staatssecretaris als de resultaten daarvanbeschikbaar zijn wel van plan echt actie te ondernemen om hetverdwijnen van zwemwater te voorkomen?De leden van de SP-fractie benadrukken het belang van zwemvaardigheidin Nederland. We leven immers in een waterrijk land, dus is het essentieeldat mensen goed kunnen zwemmen. Daarom pleiten zij al jarenlang voorde herinvoering en/of uitbreiding van het schoolzwemmen. Uit hetSEO-onderzoek «Een slag slaan voor zwemveiligheid» bleek bovendiendat de kosten hiervan te overzien zijn en er bovendien ook een forsekostendaling voor ouders tegenover zou staan.2 Voor de leden van deSP-fractie moet een effectieve herinvoering van schoolzwemmen voldoenaan drie randvoorwaarden: 1. Alle 12-jarigen moeten minimaal één, liefstmeer, zwemdiploma’s hebben; 2. Alle kinderen komen op de basisschoolin aanraking met zwemmen. 3. Hiervoor moet geoormerkt geld vanuit hetRijk beschikbaar gesteld worden. Hoe staat de Staatssecretaris tegenoverdie punten? Deelt hij het belang daarvan?De leden van de SP-fractie constateren dat er scenario’s zijn onderzochtwaar een meerderheid van de schoolleiders positief of op zijn minstneutraal tegenover staan (scenario’s 5 & 6). Toch onderneemt deStaatssecretaris geen enkele stap om schoolzwemmen weer in te voeren.Waarom onderneemt hij zo weinig actie, ondanks de grote sociaalecono-mische verschillen in zwemvaardigheid en twee rapporten waaruit blijktdat er mogelijkheden tot uitbreiding zijn?De leden van de SP-fractie vragen de Staatssecretaris in hoeverre hijbereid is om zelf aan de slag te gaan met het verbeteren van de kwaliteitvan zwemdiploma’s, waar vanuit de Kamer eerder aan is gewerkt via deinitiatiefwet zwemvaardigheid. Is de Staatssecretaris bereid dit belang teverankeren in bestaande wetgeving of in de nog tot stand te brengensportwet, als de initiatiefnemers van de aanhangige initiatiefwet hem datvragen?De leden van de SP-fractie onderstrepen het belang van zwemleraren enhet aantrekkelijker maken van hun beroep. Zij lezen dat de Staatssecre-taris daarvoor met name verwijst naar de Human Capital Agenda (HCA)Sport. Het is echter de vraag of daarmee voldoende stappen kunnenworden gezet om het beroep aantrekkelijker te maken. Daarmee wordtimmers niets verbeterd aan de salarissen, komt daar geen extra geld voorvrij en wordt het beroep niet beter erkend. Is de Staatssecretaris ook vanplan om op die punten stappen te zetten?De leden van de SP-fractie lezen dat de Staatssecretaris van plan is omeen aantal lokale initiatieven met een sportpas als een soort proeftuin tebehandelen. In het commissiedebat Leefstijlpreventie gaf hij aan ook tewillen kijken of iets dergelijks ook mogelijk zou kunnen zijn in2SEO, januari 2024, «Een slag slaan voor zwemveiligheid»Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 234, nr. 40911 NPLV-gebieden. Kan hij inmiddels al meer duidelijkheid geven over hoehij dit vorm wil gaan geven? Is hij bereid om hier pilots te starten?De leden van de SP-fractie zien dat de Staatssecretaris in het kader van demotie Leijten/Van Nispen (Kamerstuk 30 234, nr. 352) over onderzoekenhoe een sportnorm kan worden vastgesteld verwijst naar een uitgebreidonderzoek van Urhahn, Platform 31 en Urban Dynamics, waaruit onderandere blijkt dat de ruimte voor sport en bewegen onder druk staat.Echter verbindt de Staatssecretaris hier weinig consequenties aan. Hetblijft onduidelijk hoe hij dit probleem wil aanpakken. Is hij bijvoorbeeld nudit feit bekend is van plan om een sportnorm wettelijk te verankeren? Hoekijkt hij daarnaast naar de aanbevelingen uit het rapport van Urhahn,Platform 31 en Urban Dynamics en wat is hij van plan daarmee te doen?De leden van de SP-fractie merken op dat zwemverenigingen nu vaakonder druk staan als gevolg van onder andere stijgende kosten voor hetbadwater, regeldruk en onvoldoende aandacht vanuit verschillendeoverheidsniveaus. Hoe kijkt de Staatssecretaris hier naar? Is hij bereid omde samenwerking met zwemverenigingen te verbeteren, de financieringvan zwemverenigingen te verbeteren en meer in te zetten op de beschik-baarheid en betaalbaarheid van zwemwater voor zwemverenigingen?De leden van de SP-fractie krijgen signalen dat het Besluit ActiviteitenLeefomgeving (BAL) belemmerend werkt voor de beschikbaarheid vanspetterbadjes in speeltuinen. Wat speelt hier precies? Welke mogelijk-heden zijn er om ervoor te zorgen dat spetterbadjes in speeltuinenbeschikbaar kunnen blijven, zodat kinderen op een jonge leeftijd al op eenverantwoorde manier in aanraking kunnen komen met zwemwater?II. Reactie van de Staatssecretaris Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractieIs de staatsecretaris het met genoemde leden eens dat ook autochtoneNederlandse gezinnen steeds vaker moeite hebben met zwemleskosten?Hoe gaat de Staatssecretaris ervoor zorgen dat deze groep autochtoneNederlandse gezinnen niet verdrongen wordt door integratie- eninclusieprogramma’s van gemeenten op het gebied van zwemles? Hoewordt dit gecontroleerd en/ of gewaarborgd?Bij mij zijn geen geluiden bekend van verdringing op de zwemlesmarkt.Wel ben ik bekend met het feit dat er wachtlijsten zijn, met name op demomenten dat zwemles populair is. Voor zover bij mij bekend krijgtniemand voorrang op deze wachtlijsten. Als gemeenten parallel aan dereguliere zwemles kiezen voor een programma waarin specifiekedoelgroepen ondersteund worden, is dat een keuze die op lokaal niveaugemaakt wordt.Waarom is zwemonderwijs nog steeds géén vast onderdeel van hetbasisonderwijs, terwijl dat in een waterrijk land als Nederland levens kanredden?Verplicht schoolzwemmen werd afgeschaft met de komst van de Wet ophet Basisonderwijs in 1985. Elke school beslist sindsdien zelf of zeschoolzwemmen wil aanbieden. De primaire verantwoordelijkheid omkinderen zwemdiploma’s te laten halen ligt nu bij ouders.Het is belangrijk dat we alle leerlingen een solide basis voor de toekomstgeven, met focus op lezen, schrijven en rekenen. Dat betekent dat wekritisch moeten zijn op wat we van het onderwijs vragen en moetenwaken voor een overladen curriculum. Met andere woorden: scholenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 234, nr. 40912 kunnen de verplichting van schoolzwemmen er niet zo maar bij hebben.Dit blijkt ook uit het recente onderzoek «Schoolslag in Perspectief».3Daarom kiest het kabinet ervoor om zwemles toegankelijk te maken doorouders financieel te ondersteunen, in plaats van scholen te vragen hierineen rol te spelen waar zeer beperkt draagvlak voor is.Is de Staatssecretaris bereid om samen met de bewindspersoon vanOnderwijs, Cultuur en Wetenschap een meer verplichtende houdingrichting de leraren aan te nemen en het basisonderwijs 2 hierin eenopdracht te verstrekken?Aangezien schoolzwemmen geen wettelijke verplichting is, past het nieteen verplichtende houding jegens scholen aan te nemen. Zoals eerderaangegeven moeten we kritisch zijn op wat we van het onderwijs vragen,en moeten waken voor een overladen curriculum. Het signaal dat eengrote meerderheid van schoolleiders tegen verplicht schoolzwemmen ismoeten we serieus nemen.Dat gezegd hebbende zijn er, zoals ook in de vraag benoemd, regio’s,steden en dorpen die succesvol vormen van schoolzwemmen aanbieden.Het is toe te juichen dat steden en dorpen maatwerk aanbieden, mits hetonderwijs dat volgt uit het wettelijk verplicht curriculum daar niet onderlijdt.Waarom lukt het in veel kleine dorpskernen wel om leerlingen wekelijks telaten schoolzwemmen – zelfs zonder de hulp van ouders in te schakelen?Dit terwijl er in deze dorpskernen vaak niet eens een zwembad is. Er zijnbij genoemde leden scholen bekend waar de kinderen met een busworden opgehaald en die op de route naar het zwembad meerderescholen aandoen om de kosten van de bus te delen. Kunnen dit soortinitiatieven bij gemeenten en scholen beter aangeprezen worden omschoolzwemmen te stimuleren? Heeft de staatsecretaris een overzicht vanalle scholen in het land welke wel en welke geen schoolzwemmenaanbieden? Zo ja, kan deze met de Kamer gedeeld worden?In recent onderzoek van het Mulier Instituut werd gerapporteerd dat 23procent van de gemeenten schoolzwemmen aanbiedt of ondersteunt.4Een overzicht van scholen die schoolzwemmen wel en niet aanbieden isniet beschikbaar. Wel rapporteerde het Mulier Instituut in 20215 dat in dedrie grote steden Amsterdam, Rotterdam en Den Haag (plus randge-meenten) op een aanzienlijk groter deel van de scholen schoolzwemmenaangeboden (63%) werd dan in andere regio’s van Nederland (circa 23%).Het is goed dat scholen in kleine dorpskernen oplossingen vinden omschoolzwemmen aan te bieden. Samen het vervoer regelen om de kostenvan bussen te delen is een mooi voorbeeld daarvan. Samen met deVereniging Sport en Gemeenten (VSG) delen we dergelijke goedevoorbeelden.Vorige maand berichtte het Noordhollands Dagblad over zwemlesverlofaan kleuters, wat een goed alternatief zou zijn voor schoolzwemmen.Steunt de Staatssecretaris dit initiatief? Wat de leden van de PVV-fractiebetreft is dit juist de omgekeerde wereld! Genoemde leden zien noggrotere tekorten op de overspannen arbeidsmarkt ontstaan wanneer3AEF (2025). Schoolslag in Perspectief. Afwegingen rondom de herinvoering van school-zwemmen.4https://www.mulierinstituut.nl/nieuws/aantal-gemeenten-dat-schoolzwemmen-aanbiedt-of-ondersteunt-daalt-verder/5Mulier Instituut (2021). Schoolzwemmen in het primair onderwijs.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 234, nr. 40913 ouders massaal verlof gaan opnemen om met hun kroost naar zwemles tegaan. En wat als je als ouder de hele week moet werken en dit overdagniet kan verzorgen? Of je ouders geen vervoer hebben om naar hetzwembad te kunnen komen? Hiermee wordt juist een ongewenstetweedeling in de klas gecreëerd. Is de Staatssecretaris het hiermee eens?Indien niet, waarom niet? Daarnaast zou dit initiatief voor de leraren opschool toch ook een enorme belasting betekenen wanneer er op wille-keurige momenten kinderen niet in de klas zijn vanwege zwemles? Kan destaatsecretaris toezeggen dat dit initiatief niet landelijk wordt uitgerold?Nee, dit initiatief wordt niet gesteund, mede vanwege de door ugenoemde redenen. Het recht op onderwijs voor alle leerlingen zou nietop gespannen voet moeten komen te staan met het belang van hetbehalen van zwemdiploma’s en dat is met zwemlesverlof wel het geval.Daarnaast zijn leerlingen in groepen 1 en 2, afhankelijk van de leeftijd,leerplichtig en staat ook de wet geen verlof voor dit type activiteiten toe.Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe Staatssecretaris heeft specifieke doelen ten aanzien van de zwemvaar-digheid van kinderen. Kan de Staatssecretaris nader toelichten hoe hij totdeze specifieke doelen is gekomen? Deelt de Staatssecretaris de meningdat tien procent in 2028 nog steeds veel te hoog is?Tussen 2018 en 2022 steeg het percentage kinderen zonder zwemdiplomavan 6 naar 13 procent. Natuurlijk wil ik zo snel mogelijk ieder kindzwemveilig hebben, maar de ontwikkeling in de afgelopen jaren laat ziendat het niet zo snel kan. Met een streefcijfer van maximaal 10 procent vande kinderen zonder zwemdiploma wil ik weer terug naar het niveau datvoor 2018 gebruikelijk was (circa 10 procent in 2014 en 2016). Als we dateenmaal voor elkaar hebben, zet ik de ambitie graag door naar eenverdere verbetering, zonder blind te zijn voor de realiteit dat dit tijd enmoeite kost.De laatste cijfers die genoemd zijn in deze brief dateren van 2022. Heeft deStaatssecretaris ook recentere cijfers van de afgelopen jaren? Deelt deStaatssecretaris de mening dat het goed voor de monitoring zou zijn datde cijfers van het aantal kinderen met een zwemdiploma elk jaar wordtbijgehouden – ook met het oog op de ambities die de Staatssecretarisheeft gesteld? In dat geval kan beleid worden bijgestuurd als de trend zichverkeerd ontwikkelt.De meest recente cijfers dateren van 2023 en beschrijven het diplomabezitin 2022. Later dit jaar verwacht het Mulier Instituut actuele cijfers over hetdiplomabezit van 2024 te kunnen rapporteren. Ik snap de wens van deKamer om over actuele informatie te kunnen beschikken, maar dergelijkemonitoring is arbeidsintensief en kostbaar. Bovendien schat ik in dat meteen rapportage iedere twee jaar voldoende informatie beschikbaar is omwaar nodig beleid bij te kunnen sturen.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zien in het houden van eenwebinar over armoederegelingen voor wethouders de enige concretemaatregel wat betreft betaalbaarheid van zwemles. Voor de rest zien zevooral onderzoeken en pilots. Vindt de Staatssecretaris dat hij daarmeerecht doet aan de urgentie en grootte van dit probleem? Hoe gaat deStaatssecretaris ervoor zorgen dat ook kinderen waarvan de ouders geengebruik maken van armoederegelingen, en hier wel recht op hebben,toegang hebben tot zwemles?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 234, nr. 40914 Ondersteuningsregelingen vanuit het armoedebeleid liggen bij deverantwoordelijkheid van mijn collega van het Ministerie van SocialeZaken en Werkgelegenheid. Op lokaal niveau wordt hier uitvoering aangegeven. Waar mogelijk ondersteun ik partijen om de vindbaarheid vanzwemlesregelingen te verbeteren. Dat doe ik door gemeenten op hunverantwoordelijkheid te wijzen, zoals mijn ambtsvoorganger dat bijvoor-beeld deed in de vorm van een webinar op 2 juni. Daarnaast stel ik ookincidenteel 500.000 euro aanvullende middelen beschikbaar aan hetJeugdfonds Sport en Cultuur6, onder andere gericht op het verbeterenvan de vindbaarheid van regelingen.Wat is volgens de Staatssecretaris de verwachte impact van de webinar?Oftewel, hoeveel extra kinderen halen als gevolg ervan een zwemdi-ploma? Erkent de Staatssecretaris dat om iets aan de betaalbaarheid vanzwemmen te doen, de kosten van zwemles simpelweg omlaag moeten?Kan de Staatssecretaris nader toelichten wat hij nou concreet gaat doenom zwemlessen betaalbaarder en toegankelijker te maken?Zwemles wordt aangeboden in een vrije markt, daarom heb ik noch wil ikgeen directe invloed op de tarieven die zwemlesaanbieders rekenen.Wanneer gezinnen deze zwemles niet kunnen betalen zijn er diverseondersteuningsregelingen beschikbaar. Mochten deze niet of onvol-doende vindbaar zijn, dan span ik mij in om de ondersteuningsregelingenbeter vindbaar te laten zijn. Mijn ambtsvoorganger deed dat onder meervia het webinar dat hij op 2 juni 2025 hield. Het is niet te zeggen wat deimpact is geweest van dit webinar, in termen van diplomabezit. Het doelvan het webinar was vooral om bewustzijn te creëren bij gemeenten datzij bij hun regelingen de ouders of verzorgers, die deze regeling moetenvinden of aanvragen, centraal stellen. En vaak is een verbeteringeenvoudig door te voeren. Het gaat bijvoorbeeld om het aanbieden vaneen vertaling of een prominentere plek van de link naar ondersteuningsre-gelingen op de pagina van zwemlesprijzen.Kan de Staatssecretaris nader toelichten hoe hij de opleiding tot zwemin-structeur aantrekkelijker gaat maken?Samen met vertegenwoordigers van werkgevers, werknemers, opleidersen beleidsmakers uit de sport werk ik binnen de HCA-tafel Sport enBewegen aan één functiehuis voor mensen die in de sport werken,waaronder zweminstructeurs. In dat functiehuis wordt helder beschrevenwat van iedere werknemer in vergelijkbare functies verwacht wordt. Dezefunctiebeschrijvingen laten we aansluiten op de opleidingen. Daarmeewordt de opleiding aantrekkelijker omdat deze beter aansluit bijwerkzaamheden die de student na de studie in zijn of haar werk zaluitvoeren.Hij schrijft in de Kamerbrief over de pilot «Zwemles kort na schooltijd».Kan de Staatssecretaris nader toelichten hoe het met deze pilot gaat? Depilot loopt nu een paar jaar. Wat zijn de overwegingen om het al dan nietlandelijk uit te rollen? Heeft de Staatssecretaris hier een voorkeur bij?De belangrijkste les van de pilot tot nu toe is dat per gemeente de situatiezeer verschillend kan zijn. Of het nu gaat om benodigd vervoer, het niveauvan zwemvaardigheid onder de kinderen, de betrokkenheid van vrijwil-ligers en/of ouders, de aanwezigheid van regelingen en/of budgetten uitaangrenzende beleidsterreinen of beschikbaarheid van personeel; iniedere deelnemende gemeente is de situatie anders en leidt dit ook tot6Naar aanleiding van het amendement van het lid Mohandis c.s. (Kamerstukken II 2024/25,36 600 XVI, nr. 137)Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 234, nr. 40915 andere oplossingen. Daarmee stellen we vast dat landelijke uitrol van éénmanier niet passend is, maar dat we de pilot wel verder willen uitbreidenom bij meer gemeenten diversiteit aan oplossingen onder de aandacht tebrengen.Kan de Staatssecretaris een scenario met school als vindplaats schetsendie volgens hem wel realistisch is? In andere woorden, wat gaat deStaatssecretaris wel doen? Kan de Staatssecretaris met de verschillendescenario’s pilots doen, zodat de impact op het aantal behaalde diploma’sin kaart wordt gebracht?Wanneer de school als vindplaats dient voor kinderen zonder zwemdi-ploma vraagt dit, hoe groot of klein deze ook is, om een aandeel van delestijd. Daarom kan een dergelijk scenario alleen in zorgvuldigeafstemming met het onderwijs tot stand komen. Ik bespreek met mijncollega van OCW of het mogelijk is om te onderzoeken of de natte gymlesbenut kan worden om het zwemniveau en/of diplomabezit van basis-schoolleerlingen te beoordelen.Kan de Staatssecretaris in een tabel heel specifiek toelichten hoeveel er dekomende jaren wordt bezuinigd op regelingen die gemeentes in kunnenzetten voor het bouwen en onderhouden van zwembaden? Kan deStaatssecretaris daarnaast toelichten hoeveel er precies per jaarbeschikbaar is?Het budget voor de SPUK Stimulering Sport wordt vanaf 2026 gekort met10 procent. Dat betekent dat er vanuit de SPUK Stimulering Sport in 2026177 miljoen euro beschikbaar is voor gemeenten om te investeren in deontwikkeling en instandhouding van sportaccommodaties, waaronderzwembaden. Er wordt in een later stadium besloten hoe de gereserveerdemiddelen voor de SPUK Stimulering Sport vanaf 2027 worden ingezet.Kan de Staatssecretaris alle concrete genomen maatregelen, dus niet depilots en onderzoeken, op een rijtje zetten en per genomen maatregel deverwachte impact omschrijven – dus het aantal extra kinderen wat doordeze specifieke maatregel hun zwemdiploma gaat halen?Het is niet mogelijk om voor de maatregelen die in de brief genoemdstaan te beschrijven wat de verwachte impact in termen van diplomabezitzullen zijn. Vaak gaat het namelijk om het ondersteunen en stimuleren vanpartijen die verantwoordelijk zijn voor een deel van het beleid rondom hethalen van zwemdiploma’s (denk hierbij onder andere aan zwembadexploi-tanten, gemeenten, werkgevers, ouders en onderwijs).Wel kan ik concreet benoemen dat tussen 2018 en 2023 jaarlijks voorongeveer 5 tot 8 miljoen euro aangevraagd en gehonoreerd is bij hetJeugdfonds Sport en Cultuur ter ondersteuning van zwemles. Door dezeondersteuning behalen jaarlijks ongeveer 20.000 kinderen een zwemdi-ploma.Kan de Staatssecretaris nader toelichten wat er betreft zwemmen in dezewet komt? Genoemde leden moedigen het aan om streefcijfers voor hetaantal kinderen met een zwemdiploma hierin op te nemen. Is de Staatsse-cretaris daartoe bereid? Zo nee, waarom niet? Is er ruimte in die wet vooreen wettelijke zorgplicht van gemeentes voor zwembaden?In de Najaarsbrief Sport en Bewegen 2024 heeft mijn ambtsvoorganger decontext voor het hernemen van het proces rondom sport- en beweegwet-geving geschetst. Het voornaamste doel hiervan is om verantwoordelijk-heden van verschillende overheden op het gebied van sport en bewegente verduidelijken en vast te leggen. Ik blijf werken aan een verkenning hoeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 234, nr. 40916 deze verdeling van verantwoordelijkheden eruit kan zien. Het is nog nietaan de orde om in te gaan op specifieke onderwerpen die in een derge-lijke wet zouden kunnen staan. Ik laat het aan een volgend kabinet om hierkeuzes aan te verbinden.Tot slot, hoe kijkt de Staatssecretaris tegen het idee aan dat ieder kind datde basisschool zonder zwemdiploma verlaat een brief van het Rijk of degemeente krijgt met een oproep hiervoor?Ik ben enthousiast over het idee van een persoonlijke benadering.Tegelijkertijd weet ik niet of een brief van de overheid hiervoor de meestpassende methode is. Daarbij zit de grootste belemmering in het feit datde lokale of landelijke overheid hiervoor in beeld moet hebben wie wel engeen zwemdiploma heeft. Dat is nu niet het geval en om dat te regelenvergt dat een grote administratieve operatie. Dat is moeilijk te realiserengegeven de regels rondom gegevensverwerking en de huidige financiëlekaders.Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieGenoemde leden lezen in de brief dat de Staatssecretaris een webinargaat houden over de vindbaarheid en gebruik van ondersteuningsre-geling. Zij vragen zich af of dit voldoende is en wat de Staatssecretarisnog meer gaat doen om de vindbaarheid van ondersteuningsregelingente vergroten. Ziet de Staatssecretaris het bijvoorbeeld ook als optie om oplocatie in zwembaden ondersteuningsregelingen breder onder deaandacht te brengen?Zoals eerder benoemd, bij beantwoording van de vragen van de ledenvan de GroenLinks-PvdA-fractie, was het doel van het webinar vooral ombewustzijn te creëren bij gemeenten. Bedoeling is dat gemeenten voor devindbaarheid van hun regelingen, de ouders of verzorgers centraal stellendie gebruik willen maken van een dergelijke regeling. Als zwemlesaan-bieders of gemeenten mogelijkheden zien om mensen op locatieaanvullend te informeren op de mogelijkheden via de website juich ik ditvan harte toe. Waar het mij om gaat is dat we bij de vindbaarheid van deregelingen denken vanuit de gebruiker.Zij zijn benieuwd of de Staatssecretaris in overleg met het veld bereid isnog te kijken naar andere manieren van opleiden van zweminstructeurs,zoals het gebruik van zij-instromers.Er zijn gelukkig diverse manieren om zweminstructeurs op te leiden, zodatdit voor iedereen (werkend of werkzoekend) praktisch mogelijk zoumoeten zijn. In sommige gevallen dragen zwemlesaanbieders gedeeltelijkof zelfs in zijn geheel bij aan de kosten van deze opleiding. Vanzelf-sprekend overleg ik graag met betrokken instanties wanneer aanvullendemanieren van opleiden tot de mogelijkheden behoren.De Staatssecretaris geeft in de brief aan de mogelijkheden te verkennenom het belang van zwemvaardigheid onder de aandacht te brengen bijouders van jonge kinderen en uit te zoeken welke partijen daar het meestgeschikt voor zijn. Kan de Staatssecretaris hier een concreet tijdspad vangeven?In het Nationaal Plan Zwemveiligheid 2025–2028 dat op 28 mei jl. van startis gegaan, spreekt de Nationale Raad Zwemveiligheid (NRZ) uit dat zijzich, onder andere via de campagne De 4 van veilig in en om het water,zullen inzetten op het vergroten van het risicobewustzijn onder oudersvan kinderen 0–5 jaar.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 234, nr. 40917 Deze campagne loopt al en wordt voortgezet. Aanvullend ga ik met deNRZ over de verdere uitwerking van communicatie naar ouders vanjongere kinderen in gesprek.Genoemde leden lezen ook in de brief dat de Staatssecretaris het MulierInstituut onderzoek laat doen naar de daling in het aantal zwembaden.Wanneer wordt de uitkomst van dit onderzoek verwacht?Deze cijfers verwacht ik na het zomerreces met de Kamer te kunnen delen.Kan de staatsecretaris een uitgebreidere toelichting geven van hetvangnetscenario binnen het schoolzwemmen?Een vangnetregeling als uitwerking van het schoolzwemmen zoubetekenen dat scholen de verantwoordelijkheid krijgen om vast te stellenwelke leerlingen wel en geen zwemdiploma hebben, (ruim) voor hetverlaten van de basisschool. Vervolgens zou het aan gemeenten zijn omdeze leerlingen te benaderen en te begeleiden naar zwemlesaanbod, metals doel dat zij voor het verlaten van de basisschool minstens éénzwemdiploma halen.De leden van de VVD-fractie zien dat buitenspeelruimte niet altijdaangelegd hoeft te worden, maar dat de bestaande buitenruimte ookaangepast kan worden om buitenspelen te bevorderen. Denk hierbij aanskateboarden over trapleuningen. Welke mogelijkheden ziet de Staatsse-cretaris om de buitenruimte op deze manier aan te passen om buiten-spelen te bevorderen?Ik ben een groot voorstander van het dusdanig inrichten van de openbareruimte dat deze uitnodigt tot sporten, bewegen en spelen. Er zijn al velevoorbeelden. Het is de verantwoordelijkheid van gemeenten om lokaalafwegingen te maken in de ruimtelijke ordening, waaronder buitenspeel-ruimte. Dit is vastgesteld in de Omgevingswet.Hiernaast lezen de leden van de VVD-fractie dat de Staatssecretaris met deStaatssecretaris van OCW in gesprek gaat om te kijken welke mogelijk-heden er zijn om «natte gymlessen» meer onder de aandacht te brengenbij scholen. Genoemde leden zien in het veld goede initiatieven ontstaan.Is de Staatssecretaris bereid om te kijken hoe hij deze initiatieven waarmogelijk kan helpen opschalen?Ik ben zeker bereid te onderzoeken hoe deze goede voorbeelden betervoor het voetlicht kunnen worden gebracht. Dit doe ik in goede samen-werking met het Ministerie van OCW en partijen uit het onderwijs.De leden van de VVD-fractie zijn van mening dat het van groot belang isdat kinderen ook na het behalen van hun zwemdiploma regelmatig blijvenzwemmen. Is de Staatssecretaris het met hen eens dat dit bevorderlijk isom de zwemvaardigheid en -veiligheid te bewaren? Heeft de Staatssecre-taris inzicht in hoeveel kinderen na het behalen van hun zwemdiplomastructureel blijven zwemmen? In hoeverre hebben sociaaleconomische engeografische kenmerken hier invloed op?Jazeker, ik zie een grote waarde in het regelmatig blijven zwemmen nadatkinderen hun zwemdiploma halen. Daarom ben ik ook blij dat in hetNationaal Plan Zwemveiligheid 2025–2028 van de Nationale RaadZwemveiligheid (NRZ) hiervoor expliciet aandacht is. Dit Plan ondersteunik de komende jaren met een totaalbedrag van 1,4 miljoen euro. Dit plan is28 mei jl. gelanceerd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 234, nr. 40918 Ik heb geen inzicht in de zwemparticipatie van kinderen nadat zij hunzwemdiploma halen. Wel is bekend dat 4 procent van de kinderen tussen4 en 11 jaar wekelijks zwemt.7 Daarmee is dat de zesde sport. Gedetail-leerde gegevens over (wekelijkse) zwemparticipatie naar sociaalecono-mische en/of geografische kenmerken ontbreken.Hoe worden zwemverenigingen betrokken bij de inzet om iedereen opzwemles te krijgen? Hoe worden zij betrokken bij de inzet om volwassenen ouderen door te zwemmen langer gezond te houden?Als Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport ben ik vanzelfsprekendgroot voorstander van een leven lang sporten en bewegen. Dus waarmogelijk moedig ik dat aan en haal ik drempels weg. Daar vormt dezwemsport uiteraard geen uitzondering op. Sterker nog, aangezien in hetgeval van zwemmen ook een veiligheidsargument speelt, zou ik graagzien dat iedereen met regelmaat in het water te vinden is. Omdatzwemmen leuk en gezond is, maar ook omdat je daarmee je zwemvaar-digheid onderhoudt.In het bovengenoemde Nationaal Plan Zwemveiligheid 2025–2028 vanNRZ staat daarom ook: «Het behalen van een vaardigheidsniveau vooralle kinderen is de basis voor zwemveiligheid, het onderhouden van devaardigheden is cruciaal voor het borgen van zwemveiligheid. Westimuleren het regelmatig beoefenen van zwemactiviteiten, zowel in hetzwembad als in open water.» De NRZ beschrijft bij de uitwerking van ditplan dat de KNZB hierin een voorgenomen samenwerkingspartner is. Mijninschatting is dat dit een meer dan logische partner is.Vragen en opmerkingen van de leden van de NSC-fractieDe leden van de NSC-fractie lezen in de brief dat de Staatssecretarisaangeeft het schoolzwemmen op dit momenteel niet terug te willeninvoeren, vanwege een combinatie van een te hoog prijskaartje enpraktische bezwaren. Hoe verhoudt deze conclusie zich tot de conclusie uithet rapport «schoolslag in perspectief» (p.37) dat de maatschappelijkebaten opwegen tegen de gemaakte kosten van het schoolzwemmen?Waar komt dit verschil in inzicht vandaan en waarom volgt de staatsecre-taris niet de conclusie van dit rapport?Het betreft hier geen verschil van inzicht; ik baseer me op het onderzoek«Schoolslag in perspectief»8 dat in opdracht van VWS en OCW eerder ditjaar is opgeleverd. Daarin staat dat de kosten van de herinvoering vanschoolzwemmen «oude stijl» voor de rijksoverheid ongeveer 145 miljoeneuro betreffen. Daar staat volgens de onderzoekers een even grote ofgrotere besparing voor ouders/verzorgers tegenover. Echter kan diebesparing bij ouders/verzorgers niet gebruikt worden om school-zwemmen vanuit de rijksoverheid te financieren. Bovendien blijft hetargument staan dat scholen hierdoor zwaar belast worden en dat deonderzoekers aanmerken dat herinvoering van schoolzwemmenonbedoeld kan leiden tot minder B en C-diploma’s.Zou de zorg van de Staatssecretaris en de vertegenwoordigers van hetonderwijs ontnomen kunnen worden wanneer schoolzwemmen in oudeof nieuwe stijl onder de uren bewegingsonderwijs zou komen te vallen?7RIVM (2025). www.sportenbewegenincijfers.nl/kernindicatoren/sportdeelname-wekelijks8AEF (2025). Schoolslag in Perspectief. Afwegingen rondom de herinvoering van school-zwemmen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 234, nr. 40919 Scholen kunnen voor organisatorische uitdagingen staan als zij school-zwemmen (voor een diploma) willen inroosteren, onder meer doordatleerlingen van en naar een zwembad moeten reizen. Ook moeten de urenbewegingsonderwijs ingevuld worden met onderwijs volgens de wettelijkvastgelegde kerndoelen en de leerlijnen die daaruit voortvloeien. Hetstructureel aanbieden van diplomazwemmen is op dit moment geenonderdeel van de kerndoelen. Diplomazwemmen via de school neemt eengroot deel van de onderwijstijd voor bewegingsonderwijs (51 klokurenvoor enkel diploma A) in beslag. Daarom wordt geadviseerd, onderandere door de vakvereniging KVLO, diplomazwemmen náást deverplichte 90 minuten bewegingsonderwijs aan te bieden indien de schooldit wil verzorgen.Schoolzwemmen in een niet-structurele vorm kan wel op verschillendemanieren worden aangeboden als onderdeel van bewegingsonderwijs.Het gaat hierbij dan vooral om kennismaken met drijven en verplaatsen inhet water, bijvoorbeeld in de vorm van een natte gymles. We radenscholen aan contact te zoeken met de vakvereniging KVLO voor advieshoe zij schoolzwemmen niet-structureel kunnen vormgeven, zonder dit alsvervanging van het gehele bewegingsonderwijs in te roosteren.Kan de Staatssecretaris in gesprek gaan om de twaalf leerlijnen en dekerndoelen van het bewegingsonderwijs uit te breiden, zodat school-zwemmen wel onder het bewegingsonderwijs komt te vallen en daardooronder onderwijstijd kan worden aangeboden zonder ten koste te gaan vande aandacht voor basisvaardigheden? Zo niet, waarom niet?Zoals eerder benoemd moeten de uren bewegingsonderwijs ingevuldworden met onderwijs volgens de wettelijk vastgelegde kerndoelen en deleerlijnen die daaruit voortvloeien. Het structureel aanbieden vandiplomazwemmen is op dit moment geen onderdeel van de kerndoelenen de leerlijnen voor bewegingsonderwijs. Zoals hiervoor al is opgemerktneemt diplomazwemmen via de school een groot deel van de onder-wijstijd voor bewegingsonderwijs in beslag. Daarnaast is het goed om tebenadrukken dat de organisatie van schoolzwemmen extra tijd vergtvanwege vervoer en andere organisatorische zaken. Scholen zijn dus altijdmeer tijd kwijt aan schoolzwemmen dan aan het aanbieden van eenreguliere les bewegingsonderwijs.Op dit moment worden de kerndoelen en de leerlijnen geactualiseerdonder regie van Stichting Leerplan Ontwikkeling in samenwerking metexperts en het onderwijs. Op dit moment is diplomazwemmen ook geenonderdeel van de opgeleverde conceptkerndoelen voor Bewegen enSport. Aan de inhoud van de conceptkerndoelen ligt een uitgebreide enzorgvuldige afweging ten grondslag die gemaakt is door experts. Het isvanuit de ministeries van VWS en OCW niet passend daar op (bij) testuren.Waarom wordt in het ene scenario schoolzwemmen wél en in anderescenario’s niet in de uren bewegingsonderwijs ondergebracht? Onderwelke omstandigheden zou het schoolzwemmen in scenario 1–3 wélonder de uren bewegingsonderwijs kunnen vallen?In de onderzoeksopzet is ervoor gekozen scenario’s te laten onderzoekenwaarin schoolzwemmen (voor een diploma) zowel binnen als buitenonderwijstijd kan vallen. In de onderzoeksopzet is daarnaast de lijnaangehouden dat scholen 90 minuten bewegingsonderwijs moetenverzorgen volgens de kerndoelen en dat het structureel diplomazwemmenonvoldoende invulling kan geven aan de kerndoelen. Daarom is inTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 234, nr. 40920 scenario 1 t/m 3 uitgegaan van het aanbieden van diplomazwemmennáást de verplichte 90 minuten bewegingsonderwijs.Het structureel aanbieden van diplomazwemmen is op dit moment geenonderdeel van de kerndoelen. Schoolzwemmen in een niet-structurelevorm kan wel op verschillende manieren worden aangeboden alsonderdeel van de verplichte 90 minuten bewegingsonderwijs. Die ruimtebieden de kerndoelen ook. Zoals hiervoor al is beschreven, gaat het danvooral om kennismaken met drijven en verplaatsen in het water, bijvoor-beeld in de vorm van een natte gymles. We raden scholen aan contact tezoeken met de vakvereniging KVLO voor advies hoe zij schoolzwemmenkunnen vormgeven zonder dit als structurele vervanging van hetbewegingsonderwijs in te roosteren.De leden van de NSC-fractie zijn benieuwd of de Staatssecretaris ookrekening gehouden heeft met de maatschappelijke winst in de vorm vanminder verdrinkingen en minder gebruik van speciale zwemsubsidies?Vanzelfsprekend is de maatschappelijke winst van minder verdrinkingenook meegenomen in het rapport. Echter stellen de onderzoekers vast dathet effect van de verschillende scenario’s op het aantal verdrinkingen«niet eenduidig» is. Dat heeft volgens hen te maken met het feit datdriekwart van de verdrinkingen in open water gebeurt, en dat daarmee hetbelang van zwemonderwijs tot en met een C-diploma gewenst is. Heteffect van schoolzwemmen om een A-diploma te halen op verdrinkingenin open water, is voor hen dus allerminst zeker. Daarnaast wijzen deonderzoekers ook op het belang van het onderhouden van de zwemvaar-digheden door te blijven zwemmen na de zwemles. En ook dat is nietgegarandeerd als kinderen via school het A-diploma halen.Heeft de Staatssecretaris hier de aangekondigde investeringsmodellenvoor investeringen in preventie voor kunnen gebruiken? Zou gebruik vandeze investeringsmodellen de Staatssecretaris nog naar scenario 1 of 2van het rapport kunnen bewegen? Zo niet, waarom niet?In het onderzoek «Schoolslag in perspectief» is specifiek naar de kostenen baten van zwemonderwijs via school gekeken. Daarmee hebben we indetail een beeld van de kosten, baten en maatschappelijke effecten vandeze specifieke beleidskeuze. De meer generieke investeringsmodellenvoor investering in preventie zijn daarom geen meerwaarde voor hetonderzoek.Is de Staatssecretaris het met deze leden eens dat het groepseffect,wanneer deze kinderen met leeftijdsgenoten in een veilige en leerzameomgeving zoals in het schoolzwemmen of de initiatieven onder het«schoolzwemmen 2.0» leren zelfredzaam te zijn in het water, een grotererol kan spelen in het vergroten van de zwemvaardigheid onder allekinderen in Nederland dan uitsluitend te blijven voorlichten? Zo niet,waarom niet? Zo ja, waarom kiest de Staatssecretaris dan toch voor dehuidige aanpak zoals beschreven in de brief?Natuurlijk is het voor het bewustzijn van iedereen veel beter als hetgewoonte zou zijn om samen te zwemmen met leeftijdsgenoten. Door te«doen» leer je. Schoolzwemmen – in welke vorm dan ook – zou daar éénmanier voor zijn, en dat is dan ook de reden dat we de haalbaarheidhiervan hebben laten onderzoeken. Tegelijkertijd denk ik dat voorlichtingdaar ondersteunend bij kan zijn, zodat ouders, verzorgers en kinderen opmeer plekken dezelfde boodschap zien.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 234, nr. 40921 Deze leden vragen zich echter af of zelfs met deze ondersteuning,particuliere zwemlessen wél betaalbaar zijn of voor sommige mensen nogsteeds een financiële drempel kunnen vormen? Is het huidige budget vanondersteuning van de gemeenten voldoende om iedereen die voldoet aande eisen ook daadwerkelijk ondersteuning te bieden mochten zij hier eenberoep op willen doen? Zo niet, hoeveel zou de extra ondersteuning vanhet Rijk moeten bedragen om dit wel mogelijk te maken en hoe verhoudtdit bedrag zich tot de kosten van de uitgewerkte scenario’s 1–6 uit hetonderzoeksrapport?De hoogte van de ondersteuning varieert per gemeente. In 2023 was hetgemiddeld budget voor zwemles 378 euro per jaar. Daarmee had zwemlesgemiddeld het hoogste budget van alle sportactiviteiten, bijna twee keerzo veel als bijvoorbeeld voetbal (194 euro). Met de hoogte van dit budgetkan in twee jaar een gemiddeld A-diploma gefinancierd worden (circa 750euro). Het is mij niet bekend in hoeverre zwemles ondanks ondersteuningeen financiële drempel is voor aanvragers. Wel kan ik aangeven dat in2023 ongeveer 6.400 kinderen van 6 jaar in armoede leefden.9 Wanneerdeze allemaal volledig ondersteund zouden worden voor 750 euro, degeschatte gemiddelde prijs van een A-diploma, dan zou dit ongeveer 4,8miljoen euro kosten. In 2023 ondersteunde het Jeugdfonds Sport enCultuur voor ongeveer 7,8 miljoen euro aan zwemles.De leden van de NSC-fractie kijken met belangstelling naar het onderzoekrondom de kosten van de sportpas. Tegelijkertijd zei de Staatssecretaristijdens het afgelopen Wetgevingsoverleg welwillend te willen kijken naareen sport- en beweegwet. Hoe verhouden deze twee initiatieven zich totelkaar? Kan de Staatssecretaris deze twee initiatieven met elkaarcombineren? Zo ja, in welke vorm hoopt hij dit te realiseren?Gezien de demissionaire status van het kabinet past op zulke grotebeleidsthema’s terughoudendheid van mij als Staatssecretaris Jeugd,Preventie en Sport. Desalniettemin zet ik de voorbereidingen voor beidetrajecten door en bekijk ik waar het passend is om beide trajecten aanelkaar te verbinden.Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractieDaartoe vragen de leden van de D66-fractie of de Staatssecretarismogelijkheden ziet in een structurele financiële dekking voor zwemlessenvia het Jeugdfonds Sport & Cultuur. Daarnaast vragen deze leden of deStaatssecretaris meer mogelijkheden ziet om ondersteuning voor vervoerte verzorgen, zeker in gebieden met beperkte toegang tot zwembaden.Het Ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport (VWS) ondersteunthet Jeugdfonds Sport en Cultuur structureel. Het bedrag dat het Jeugd-fonds Sport en Cultuur jaarlijks besteedt ter ondersteuning van zwemles isde afgelopen jaren gestegen van ongeveer 5 miljoen euro in 2018 naar 7,8miljoen euro in 2023. Mijn inschatting is dat er voldoende financiëledekking is voor het ondersteunen van zwemlessen. Daarnaast zie ikgegeven de huidige financiële kaders geen mogelijkheden om onder-steuning voor vervoer te verzorgen.Daartoe vragen de leden van de D66-fractie of de Staatssecretarismogelijkheden verkent voor effectievere communicatie. Ook vragen zijhem op welke termijn de Kamer geïnformeerd zal worden over de door deStaatssecretaris genoemde publiekscampagnes. Op welke wijze worden9CBS (2024). https://www.nji.nl/cijfers/armoede-gezinnenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 234, nr. 40922 deze vormgegeven? En zullen de effecten van deze campagne gemonitordworden?De publiekscampagnes zijn onderdeel van het Nationaal Plan Zwemvei-ligheid dat onder regie van de Nationale Raad Zwemveiligheid (NRZ)wordt uitgevoerd. De publiekscampagnes zullen vooral door partners enstakeholders van dit plan worden uitgevoerd. Daarbij staan de volgendedoelgroepen centraal: ouders en kinderen 0–5 jaar, ouders en kinderen6–12 jaar, nieuwkomers, ouderen (60+) en open water en veilige zwemlo-caties.Hierbij valt te denken aan een app(toepassing), communicatie via dekanalen van het Centraal Orgaan Asielzoekers (COA), of via een docenten-handleiding voor het onderwijs. De opbrengsten van deze campagnestaan beschreven in de verantwoording van het actieplan.Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractieDe leden van de CDA-fractie vragen de Staatssecretaris waarom pas in2028 alle kinderen zonder zwemdiploma lokaal in beeld moeten zijn.Waarom kan dat niet al veel eerder in beeld zijn?Dit vraagt grote inspanningen voor de stakeholders die inzicht indergelijke cijfers moeten verschaffen. Het gaat hierbij onder andere om dewijze van uitvragen en toetsen, maar ook over zaken als gegevensver-werking en privacybescherming.Het onderzoek van Mulier Instituut laat zien dat in vrijwel alle gemeentenondersteuningsregelingen bestaan voor het volgen van zwemles, zoschrijft de Staatssecretaris. De leden van de CDA-fractie vragen welkegemeente(n) volgens dit onderzoek geen ondersteuningsregelingenhebben.Omwille van onderzoeksredenen is het onderzoek anoniem uitgevoerd.Daarom is niet bekend welke gemeenten geen ondersteuningsregelingvermeld hebben op de website. Overigens wil ik benadrukken dat ookdeze gemeenten wel een regeling zouden kunnen hebben, maar dat dezein het onderzoek op de website niet te vinden was. Daarnaast kan het ookzijn dat bijvoorbeeld ingezet wordt op ondersteuning in een andere vormdan een regeling. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een vorm van school-zwemmen.De leden van de CDA-fractie vragen wat de concrete stappen en tijdslijnzijn voor het verbeteren van de vindbaarheid van deze regelingen opgemeentelijke websites.In het webinar van 2 juni 2025 is veel aandacht gevraagd voor devindbaarheid van regelingen op gemeentelijke websites. Daarbij zijnonder andere concrete adviezen gegeven zoals het belang van «deklantreis» op een website. Concrete stappen en een tijdlijn zijn in dit gevalniet te schetsen, omdat deze gemeentelijke websites onder de verant-woordelijkheid van de gemeente vallen.Naast het webinar is in 2025 500.000 euro extra uitgetrokken voor hetJeugdfonds Sport en Cultuur, onder andere voor het verbeteren van devindbaarheid van ondersteuningsregelingen.De Staatssecretaris kiest er voor om geen zwembadfonds in te stellen,omdat er momenteel geen financiële mogelijkheden zijn om een dergelijkfonds te organiseren. De leden van de CDA-fractie snappen dat, maarvragen welke concrete stappen de Staatssecretaris dan wel zet omTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 234, nr. 40923 bijvoorbeeld de verduurzaming van zwembaden te stimuleren. DeStaatssecretaris onderzoekt een mogelijke gemeentelijke zorgplicht voorzwembaden in het kader van een mogelijke sport- en beweegwet. Deleden van de CDA-fractie vragen of bij deze verkenning ook wordtmeegenomen dat als er een dergelijke zorgplicht voor gemeenten komt,daar ook adequate financiële middelen voor gemeenten tegenovermoeten staan. De leden van de CDA-fractie vragen wat de stand van zakenis van het openstellen van de DUMAVA-regeling voor sportaccommo-daties om daarmee onder andere verduurzaming te stimuleren.De subsidieregeling duurzaam maatschappelijk vastgoed (DUMAVA) komteigenaren van bestaand maatschappelijk vastgoed tegemoet in de kostenom te verduurzamen. Gemeenten kunnen voor de verduurzaming van hunsportvastgoed aanspraak maken op deze regeling. Vanaf 2 juni jl. kunnenook amateursportverenigingen DUMAVA aanvragen voor investeringen inde verduurzaming van hun accommodaties. Dit kan via de website van deDUMAVA.10De voorbereidingen voor een eventuele wet zal ik ondanks de demissio-naire status van het kabinet verder brengen en daar neem ik eeneventuele zorgplicht voor zwembaden, dan wel voldoende badwater, inmee. Het daadwerkelijk opstellen en implementeren van deze wet is aaneen volgend kabinet.Op dit moment wordt in sommige gemeenten op vrijwillige wijzeschoolzwemmen gefaciliteerd. De leden van de CDA-fractie vragen ofscholen die schoolzwemmen faciliteren, de tijd die hieraan gespendeerdwordt ook (deels) mogen meerekenen in de normen voor het minimaleaantal uren bewegingsonderwijs.De norm van minimaal 90 minuten bewegingsonderwijs per week is opverzoek van uw Kamer in 2023 in werking getreden vanwege het belangkinderen voldoende en kwalitatief goed bewegingsonderwijs te bieden.De uren bewegingsonderwijs moeten dan ook ingevuld worden metonderwijs volgens de wettelijk vastgelegde kerndoelen en de leerlijnen diedaaruit voortvloeien. Het structureel aanbieden van diplomazwemmen isop dit moment geen onderdeel van de kerndoelen. Diplomazwemmen viade school neemt een groot deel van de onderwijstijd voor bewegingson-derwijs (51 klokuren voor enkel diploma A) in beslag. Daarnaast is hetgoed om te benadrukken dat de organisatie van schoolzwemmen extratijd vergt vanwege vervoer en andere organisatorische zaken. Scholen zijndus altijd meer tijd kwijt dan het aanbieden van een reguliere les. Daaromwordt geadviseerd, onder andere door de vakvereniging KVLO, diploma-zwemmen náást de verplichte 90 minuten aan te bieden indien de schooldit wil verzorgen.Schoolzwemmen in een niet-structurele vorm kan wel op verschillendemanieren worden aangeboden. Die ruimte bieden de kerndoelen ook. Hetgaat hierbij dan vooral om kennismaken met drijven en verplaatsen in hetwater, bijvoorbeeld in de vorm van een natte gymles. We raden scholenaan contact te zoeken met de vakvereniging KVLO voor advies hoe zijschoolzwemmen kunnen vormgeven zonder dit als structurele vervangingvan het bewegingsonderwijs in te roosteren.De leden van de CDA-fractie vragen echter of dit onderzoek niet beter aangemeenten en/of organisaties als Jantje Beton aangeboden kan worden,of in ieder geval daar onder de aandacht gebracht kan worden. Op welkewijze wordt er vervolg gegeven aan dit onderzoek?10https://www.rvo.nl/subsidies-financiering/dumavaTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 234, nr. 40924 Ik onderschrijf het belang van voldoende ruimte voor buitenspelen.Buitenspelen is voor kinderen de belangrijkste activiteit om dagelijksvoldoende te bewegen. De uitkomsten van dit onderzoek zijn daarom zeerrelevant voor gemeenten. Dit onderzoek is gedeeld met de Buitenspeelco-alitie, waar Jantje Beton, de Cruijff Foundation, de Krajicek Foundation,Mulier Instituut en Kenniscentrum Sport & Bewegen vertegenwoordigdzijn. Binnen de Buitenspeelcoalitie worden gemeenten ondersteund ombuitenspeelbeleid op te zetten en speelplekken aan te pakken. Deuitkomsten van dit onderzoek worden meegenomen in de ondersteuningvan gemeenten.Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractieDe leden van de SP-fractie constateren dat er bij de verschillendeknelpunten als het gaat om de zwemvaardigheid van mensen en detoegankelijkheid van zwemwater een terugkoppeling wordt gegeven opmoties, maar dat daarbij nergens echt wordt doorgepakt. Daardoor valt deStaatssecretaris in praktijk terug op de bestaande aanpak van deproblemen, die aantoonbaar onvoldoende werkt. Waarom verwacht deStaatssecretaris dat deze aanpak nu wel voldoende gaat werken? Waaromvoert hij de voorstellen uit de verschillende moties niet daadwerkelijk in ofneemt hij geen andere concrete acties om de problemen aan te pakken?Inzake het vraagstuk rond zwemvaardigheid en zwemveiligheid deel ik devisie van de Kamer op het belang hiervan. Tegelijkertijd zijn de financiëlemiddelen beperkt en ligt voor een aantal knelpunten de verantwoorde-lijkheid bovendien bij andere partijen. Sinds het afschaffen van school-zwemmen in 1985 is zwemles primair de verantwoordelijkheid vanouders/verzorgers. Dat werkt voor 87 procent van de kinderen die debasisschool verlaat met minimaal één zwemdiploma. Waar mogelijk enpassend probeer ik partijen te steunen en drempels weg te nemen voor deresterende 13 procent die nu geen enkel diploma haalt.De leden van de SP-fractie zien bijvoorbeeld als het gaat om het verbe-teren van de betaalbaarheid van zwemlessen dat de meest concrete actiehet organiseren van een webinar is. Verwacht de Staatssecretaris echt datdit soort maatregelen voldoende zullen zijn om ervoor te zorgen datmensen de zwemles van hun kinderen wel kunnen betalen?Zoals eerder in de beantwoording aan de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie gezegd, is het niet te zeggen wat de verwachte impact is geweestvan het webinar op 2 juni, in termen van diplomabezit. Het doel van ditwebinar was vooral om bewustzijn te creëren bij gemeenten dat zij bij devindbaarheid van hun regelingen de gebruiker centraal stellen. En vaak iseen verbetering eenvoudig door te voeren. Het gaat bijvoorbeeld om hetaanbieden van een vertaling of een prominentere plek van de link naarondersteuningsregelingen op de pagina van zwemlesprijzen.Ook als het gaat om de beschikbaarheid van zwemwater zien de leden vande SP-fractie nog weinig concrete actie. Er wordt enerzijds vooralverwezen naar onderzoek dat reeds gedaan is, zonder duidelijkeopvolging en anderzijds naar onderzoeken en verkenningen die noggedaan zullen worden. Is de Staatssecretaris als de resultaten daarvanbeschikbaar zijn wel van plan echt actie te ondernemen om hetverdwijnen van zwemwater te voorkomen?Ik vind het belangrijk dat overal in Nederland voldoende badwater is.Daarom neem ik dit ook mee in mijn planvorming voor een toekomstbe-stendige infrastructuur. Een deel van deze planvorming zal echter voorTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 234, nr. 40925 rekening komen voor een volgend kabinet, gezien de demissionaire statusvan het huidige kabinet.Voor de leden van de SP-fractie moet een effectieve herinvoering vanschoolzwemmen voldoen aan drie randvoorwaarden: 1. Alle 12-jarigenmoeten minimaal één, liefst meer, zwemdiploma’s hebben; 2. Allekinderen komen op de basisschool in aanraking met zwemmen. 3.Hiervoor moet geoormerkt geld vanuit het Rijk beschikbaar gesteldworden. Hoe staat de Staatssecretaris tegenover die punten? Deelt hij hetbelang daarvan?Net als de leden van de SP-fractie vind ik het van belang dat iedereen debasisschool kan verlaten met minimaal één zwemdiploma. Ook juich iktoe dat alle kinderen in aanraking komen met zwemmen. Zwemles is eenactiviteit in de vrije markt. Waar mogelijk draag ik bij aan het wegnemenvan drempels om zwemles te volgen. Aangezien zwemvaardigheid sinds1985 geen verantwoordelijkheid meer is van de school, is het niet passendom geoormerkt geld voor schoolzwemmen beschikbaar te stellen.De leden van de SP-fractie constateren dat er scenario’s zijn onderzochtwaar een meerderheid van de schoolleiders positief of op zijn minstneutraal tegenover staan (scenario’s 5 & 6). Toch onderneemt deStaatssecretaris geen enkele stap om schoolzwemmen weer in te voeren.Waarom onderneemt hij zo weinig actie, ondanks de grote sociaalecono-mische verschillen in zwemvaardigheid en twee rapporten waaruit blijktdat er mogelijkheden tot uitbreiding zijn?Deze vormen van schoolzwemmen zouden relatief weinig van scholenvragen, maar de onderzoekers beoordelen de rol van de gemeente in dezescenario’s als relatief groot. Dat vraagt dus overleg met gemeenten. Netzoals bij ieder scenario zie ik ook bij scenario 5 en 6 de pluspunten vaneen dergelijke aanpak. Echter, zoals mijn ambtsvoorganger eerder aangafin de brief «Zwemmen in Nederland en overige beleidsontwikkelingen»11,past een geschat prijskaartje van 42 tot 44 miljoen euro niet binnen dehuidige budgettaire kaders.De leden van de SP-fractie vragen de Staatssecretaris in hoeverre hijbereid is om zelf aan de slag te gaan met het verbeteren van de kwaliteitvan zwemdiploma’s, waar vanuit de Kamer eerder aan is gewerkt via deinitiatiefwet zwemvaardigheid. Is de Staatssecretaris bereid dit belang teverankeren in bestaande wetgeving of in de nog tot stand te brengensportwet, als de initiatiefnemers van de aanhangige initiatiefwet hem datvragen?Op dit moment is ongeveer 70 procent van de uitgegeven zwemdiploma’sonderdeel van een partij die is aangesloten bij het Nationale Zwemdi-ploma van de Nationale Raad Zwemveiligheid (NRZ). Dat is een mooiaandeel, maar op 14 juni is door de NRZ opdracht gegeven om eennieuwe autoriteit op te richten die gaat toezien op de kwaliteit van állezwemdiploma’s. Deze autoriteit wordt door de branche zelf opgericht, metsteun van VWS. Hierdoor ontstaat één normering vanuit de branche omhet niveau van zwemdiploma’s onafhankelijk te beoordelen. Wanneer ditdefinitief het geval is informeer ik uw Kamer nader. Ik verwacht dat dezeautoriteit vanaf 2026 actief is. Met deze nieuwe autoriteit verwacht ik nietdat een wettelijke verankering benodigd is.11Kamerstukken II 2024/25, 30 234, nr. 402.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 234, nr. 40926 De leden van de SP-fractie onderstrepen het belang van zwemleraren enhet aantrekkelijker maken van hun beroep. Zij lezen dat de Staatssecre-taris daarvoor met name verwijst naar de Human Capital Agenda (HCA)Sport. Het is echter de vraag of daarmee voldoende stappen kunnenworden gezet om het beroep aantrekkelijker te maken. Daarmee wordtimmers niets verbeterd aan de salarissen, komt daar geen extra geld voorvrij en wordt het beroep niet beter erkend. Is de Staatssecretaris ook vanplan om op die punten stappen te zetten?Ten aanzien van de beloning van zweminstructeurs zie ik mijn rol alsfaciliterend. In dit geval betekent dat: een HCA-tafel faciliteren waarinwerkgevers, werknemers en opleiders van eenduidige en transparanteinformatie worden voorzien over beloning en werkzaamheden. Vanzelf-sprekend hoop ik dat deze partijen elkaar vinden zodat er voldoendezweminstructeurs zijn om zwemles te geven.De leden van de SP-fractie lezen dat de Staatssecretaris van plan is omeen aantal lokale initiatieven met een sportpas als een soort proeftuin tebehandelen. In het commissiedebat Leefstijlpreventie gaf hij aan ook tewillen kijken of iets dergelijks ook mogelijk zou kunnen zijn inNPLV-gebieden. Kan hij inmiddels al meer duidelijkheid geven over hoehij dit vorm wil gaan geven? Is hij bereid om hier pilots te starten?Voor een toelichting op de invulling van het onderzoek verwijs ik u naarde Kamerbrief Commissiedebat Sport en Bewegen 202512 die mijnambtsvoorganger op 18 juni 2025 aan uw kamer zond.De leden van de SP-fractie zien dat de Staatssecretaris in het kader van demotie Leijten/Van Nispen over onderzoeken hoe een sportnorm kanworden vastgesteld verwijst naar een uitgebreid onderzoek van Urhahn,Platform 31 en Urban Dynamics, waaruit onder andere blijkt dat de ruimtevoor sport en bewegen onder druk staat. Echter verbindt de Staatssecre-taris hier weinig consequenties aan. Het blijft onduidelijk hoe hij ditprobleem wil aanpakken. Is hij bijvoorbeeld nu dit feit bekend is van planom een sportnorm wettelijk te verankeren? Hoe kijkt hij daarnaast naar deaanbevelingen uit het rapport van Urhahn, Platform 31 en UrbanDynamics en wat is hij van plan daarmee te doen?In de kamerbrief «Zwemmen in Nederland en overige beleidsontwikke-lingen»13 heeft mijn ambtsvoorganger uw Kamer het onderzoek vanUrhahn, Platform 31 en Urban Dynamics aangeboden. Ik ben blij dat ditonderzoek er ligt en dat hier heldere aanbevelingen aan gekoppeldworden. Afgelopen maanden zijn deze aanbevelingen besproken met hetMinisterie van VRO, maar ook met verschillende andere partijen zoalsgemeenten, provincies, VSG, NOC*NSF en Mulier Instituut. Dezegesprekken ondersteunen de behoefte aan heldere richtlijnen of kernge-tallen, maar niet de noodzaak deze wettelijk te verankeren.In de Kamerbrief gaf mijn ambtsvoorganger aan dat hij de aanbevelingen,waaronder de aanbeveling om te komen tot een richtlijn of kerngetallen,meeneemt in de uitwerking van een plan voor een toekomstbestendigeinfrastructuur en ruimte voor sport en bewegen. Ik ben voornemens ditplan dit najaar met uw Kamer te delen.De leden van de SP-fractie merken op dat zwemverenigingen nu vaakonder druk staan als gevolg van onder andere stijgende kosten voor hetbadwater, regeldruk en onvoldoende aandacht vanuit verschillende12Kamerstukken II 2024/25, 30 234, nr. 40813Kamerstukken II 2024/25, 30 234, nr. 402.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 234, nr. 40927 overheidsniveaus. Hoe kijkt de Staatssecretaris hier naar? Is hij bereid omde samenwerking met zwemverenigingen te verbeteren, de financieringvan zwemverenigingen te verbeteren en meer in te zetten op de beschik-baarheid en betaalbaarheid van zwemwater voor zwemverenigingen?In de Najaarsbrief Sport en Bewegen14 is mijn ambtsvoorgangeruitgebreid ingegaan op de cruciale rol die sportverenigingen spelen inonze maatschappij, voor de jeugd in het bijzonder. Zwemverenigingenvormen daar geen uitzondering op. Samen met de Sportakkoordpartnersen andere betrokken partijen werk ik aan een meerjarige strategie voorsportverenigingen. In deze strategie werk ik vanuit de drie bouwstenen«clubondersteuning», «regeldruk» en «verduurzaming accommodaties»aan een toekomstbestendige sportvereniging. Hoewel ik geen specifiekeaanpak voor zwemvereniging start, hebben bovengenoemde inspan-ningen zeker betrekking op zwemverenigingen.De leden van de SP-fractie krijgen signalen dat het Besluit ActiviteitenLeefomgeving (BAL) belemmerend werkt voor de beschikbaarheid vanspetterbadjes in speeltuinen. Wat speelt hier precies? Welke mogelijk-heden zijn er om ervoor te zorgen dat spetterbadjes in speeltuinenbeschikbaar kunnen blijven, zodat kinderen op een jonge leeftijd al op eenverantwoorde manier in aanraking kunnen komen met zwemwater?In het Besluit Activiteiten Leefomgeving (BAL), dat onderdeel is van deOmgevingswet, stelt algemene regels voor activiteiten in de fysiekeleefomgeving. Het BAL geldt voor alle partijen die actief zijn in de fysiekeleefomgeving zowel burgers, bedrijven en overheid. In het BAL zijn regelsopgenomen ten aanzien van speelwater, deze zijn gesteld met het oog opbescherming van de gezondheid van Nederlanders. Mij bereiken geensignalen dat er minder spetterbadjes beschikbaar zijn in speeltuinen.Gemeenten zijn verantwoordelijk om lokaal afwegingen te maken in deruimtelijke ordening, waaronder de inrichting van buitenspeelruimte enspeeltuinen. Hier ga ik als Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport nietover.Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractieWat is de reden dat de beleidsambitie pas in 2028 inzet op het terug-dringen van het aandeel kinderen zonder diploma naar tien procent? Is deStaatssecretaris bereid om in overleg met gemeenten en koepelorga-nisaties tussentijdse doelen te formuleren voor het terugdringen van hetaandeel kinderen zonder zwemdiploma, bijvoorbeeld met een jaarlijksestreefwaarde, zodat sneller kan worden bijgestuurd?Zoals ik eerder aangaf in de beantwoording van de vragen van de ledenvan de GroenLinks-PvdA-fractie steeg tussen 2018 en 2022 het percentagekinderen zonder zwemdiploma van 6 naar 13 procent. Natuurlijk wil ik zosnel mogelijk ieder kind zwemveilig hebben, maar de ontwikkeling in deafgelopen jaren laat zien dat het niet zo snel kan. Met een streefcijfer vanmaximaal 10 procent van de kinderen zonder zwemdiploma, wil ik weerterug naar het niveau dat voor 2018 gebruikelijk was (circa 10 procent in2014 en 2016). Als we dat eenmaal voor elkaar hebben, zet ik de ambitiegraag door naar een verdere verbetering, zonder blind te zijn voor derealiteit dat dit tijd en moeite kost.14Kamerstukken II 2024/25, 30 234, nr. 396.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 234, nr. 40928 Aangezien niet uit te splitsen is hoeveel kinderen een zwemdiplomahebben op gemeenteniveau, heeft het opstellen van streefwaarden op datniveau geen meerwaarde. Ik snap, zoals gezegd in de beantwoording aande leden van de GroenLinks-PvdA-fractie eerder deze brief, daarnaast dewens van de Kamer om jaarlijks over actuele informatie te kunnenbeschikken, maar dergelijke monitoring is arbeidsintensief en kostbaar.Bovendien schat ik in dat met een rapportage iedere twee jaar voldoendeinformatie beschikbaar is om waar nodig beleid bij te sturen.Daarnaast geeft de Staatssecretaris in de brief aan dat niet alle ouders hetbelang van zwemvaardigheid inzien, vaak doordat zij zelf niet metzwemmen zijn opgegroeid of door praktische belemmeringen. Is deStaatssecretaris bereid om cultuursensitieve voorlichting over zwemvaar-digheid structureel op te nemen in de richtlijnen van de jeugdgezond-heidszorg (JGZ) en te verspreiden via lokale oudernetwerken, zoalsbuurthuizen en oudergroepen?Ik vind het een goede suggestie om gerichte voorlichting onderdeel telaten zijn van de aanpak. Dat vindt de Nationale Raad Zwemveiligheidook. Zij zijn regievoerder van het Nationaal Plan Zwemveiligheid2025–2028, en in dit plan zijn 0–5 jarigen en ouderen expliciet opgenomenals groepen die gerichte voorlichting zouden moeten ontvangen. Ikbespreek met hen de wijze waarop zij dit vormgeven.Is de Staatssecretaris bereid om, in samenwerking met provincies envervoersregio’s, een richtlijn of stimuleringsregeling op te stellen voorgemeenten zodat vervoer naar zwemles structureel wordt ondersteund?Hoewel ik begrip heb voor het feit dat vervoer soms belemmerend kanwerken voor het volgen van zwemles, past het mij niet om een vervoers-regeling op te stellen. Zwemles blijft de verantwoordelijkheid van oudersen ondersteuningsregelingen voor armoede – bijvoorbeeld voor vervoer –zijn een lokale verantwoordelijkheid.In hoeverre zijn gemeenten verplicht om de meerkosten van aangepastezwemles via de Jeugdwet te vergoeden? En is de Staatssecretaris bereidom landelijke minimumnormen op te stellen voor de vergoeding vanaangepaste zwemles, zodat kinderen met een beperking gelijke kansenhebben op zwemveiligheid? Is het bijvoorbeeld voor speciaal onderwijseen idee om schoolzwemmen in te voeren?Gemeenten zijn niet verplicht om de meerkosten van aangepaste zwemlesvia de Jeugdwet te betalen. Gemeenten gaan zelf over de uitvoering vande Jeugdwet. Daar is geen rol weggelegd voor de rijksoverheid. Hetopstellen van landelijke minimumnormen behoort dan ook niet tot deopties. Wel maken we mogelijk dat via het Jeugdfonds Sport en Cultuuraangepaste zwemlessen financieel kunnen worden ondersteund.Voor het invoeren van schoolzwemmen in het speciaal onderwijs geldt –net als voor invoering van schoolzwemmen in het regulier onderwijs – dathier onder schoolleiders weinig draagvlak voor is. Wel stellen deonderzoekers in het rapport «Schoolslag in perspectief» vast dat in hetspeciaal onderwijs relatief vaak schoolzwemmen wordt aangeboden. Inhet speciaal onderwijs gaf 54 procent van de bevraagde scholen aanzwemonderwijs aan te bieden.Is de Staatssecretaris bereid om samen met provincies en de VerenigingNederlandse Gemeenten (VNG) een landelijk overzicht te laten maken vanregio’s zonder zwembad en daarbij ook de sociaaleconomische impactvan sluitingen (zoals lagere deelname aan zwemles) mee te nemen in hettoekomstig spreidingsbeleid van sportvoorzieningen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 234, nr. 40929 In Kamerbrief «Zwemmen in Nederland en overige beleidsontwikke-lingen» is mijn ambtsvoorganger kort ingegaan op de dalende cijfers vanhet aantal baden in Nederland. Daarin heeft hij toegelicht dat deze cijfersnadere toelichting behoeven en onderzoek om deze toelichting te bieden,wordt momenteel uitgevoerd. Naar aanleiding van uw verzoek heeft hijbovendien het Mulier Instituut gevraagd de cijfers regionaal uit te splitsenom hier beter zicht op te krijgen. Deze cijfers verwacht ik na het zomer-reces met de Kamer te kunnen delen. Omdat aan te nemen valt dat deafwezigheid van een zwembad deelname aan zwemles sterk bemoeilijkt,zie ik geen meerwaarde in een aanvullend onderzoek om de sociaalecono-mische impact van regio’s zonder zwembaden in kaart te brengen.Binnen het huidige financiële instrumentarium is er geen rol voor hetMinisterie van VWS bij het maken van spreidingsbeleid van sportvoorzie-ningen. Om deze regio’s in de toekomst van voldoende badwater tevoorzien zal een meer strategische, regionale aanpak nodig zijn. Dit neemik mee in mijn plannen voor een toekomstbestendige infrastructuur.Is de Staatssecretaris bereid samen met sportopleidingen en ROC’s in deregio structurele stageplekken en leer-werkbanen voor zwemdocenten opte zetten in provincies waar de wachtlijsten voor zwemles het langst zijnen deze tekorten regionaal te monitoren?Sportopleidingen en ROC’s hebben op dit moment de mogelijkheden omstageplaatsen en leer-werkbanen voor zwemdocenten in de opleiding teintegreren. Gezien de vrijheid van onderwijs past mij hier terughou-dendheid om dit (verder) op te zetten. Het is tevens aan deze opleidingenom passend aanbod te verzorgen in relatie tot de (regionale) arbeids-markt. Het monitoren van arbeidstekorten valt niet onder mijn verant-woordelijkheid. Wel ben ik blij om te zien dat CIOS Nederland dit themavoortvarend oppakt en van het opleiden van zweminstructeurs in 2024een strategisch speerpunt heeft gemaakt. CIOS Nederland is bovendieneen opleidingstraject in het kader van een leven lang ontwikkelen aan hetvoorbereiden. Het doel is een bijdrage te leveren aan het terugdringenvan het personeelstekort in de zwembranche. Het biedt dan demogelijkheid voor zij-instroom van zweminstructeurs.Met deze inspanningen wil CIOS Nederland voldoen aan de toegenomenmaatschappelijke vraag naar zweminstructeurs.Is de Staatssecretaris bereid om bij het vaststellen van landelijk zwemvei-ligheidsbeleid regionaal maatwerk toe te passen, waarbij in waterrijkeregio’s extra preventiemaatregelen en middelen beschikbaar wordengesteld, gezien de verhoogde verdrinkingsrisico’s voor kinderen?In het landelijk zwemveiligheidsbeleid ondersteun ik twee programma’smet een looptijd van 2025 tot en met 2028. Dit is ten eerste het NationaalPlan Zwemveiligheid, waarin onder andere specifieke aandacht is voorveiligheid bij open water en zwemlocaties. Daarnaast ondersteun iksamen met het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) hetprogramma Het Strand Veilig 3.0. Dit programma heeft als specifiekaandachtsgebied de water- en zwemveiligheid aan de kust. Waar ditpassend is zoeken beide programma’s onderling de samenwerking, zodatde inzet aan de kust ook bruikbaar is bij de binnenwateren en andersom.Met ondersteuning van beide programma’s beoog ik maatwerk te biedenvoor de locaties met grotere verdrinkingsrisico’s.Is de Staatssecretaris bereid bij de verdeling van rijksmiddelen voorzwemveiligheid een vast percentage toe te kennen aan gemeenten metbeperkte uitvoeringskracht (zoals krimpregio’s of gemeenten met lageTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 234, nr. 40930 draagkracht), zodat ook daar structureel kan worden geïnvesteerd inzwemles, vervoer en voorlichting?De middelen die vanuit de rijksoverheid gereserveerd zijn voor zwemvei-ligheidsbeleid betreffen generieke landelijke programma’s voor aanvul-lende maatregelen die gemeentelijke inzet overstijgen, zoals registratie,voorlichting, communicatie en kennisdeling. Speciale aandacht voorspecifieke gemeenten en/of regio’s met beperkte uitvoeringskracht is daargeen onderdeel van.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 234, nr. 40931

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 30a69e0044ffe0d5

14 okt 2026 · eb9c6ca9f8e3598c

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.