Voortgang op diverse onderwerpen van het mestbeleid
Brontekst
Versie 9fd10040cc69f3e6 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202633 037MestbeleidNr. 636 BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, VISSERIJ, VOEDSEL-ZEKERHEID EN NATUUR Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 19 december 2025Met deze brief informeer ik uw Kamer over de voortgang op diverseonderwerpen van het mestbeleid. Dit betreft het advies van de meststof-fengezant naar aanleiding van exportmissies, het vervolg van Bemest opz’n best, de openstelling van de subsidie hygiënisatie- en drooginstal-laties, het rapport «Variabiliteit mineraal stikstofresidu en relatie metnitraatuitspoeling», de quickscan verwerken dierlijke mest in potgrond (enandere groeimedia), het emissiearm aanwenden van spuiwaters enkunstmest, Renure en de pilots mineralenconcentraat en kunstmestvrijeAchterhoek, de voortgang protocol stikstofgat, de actualisatie excretiefor-faits en de uitzondering voor het bovengronds aanwenden van runder-drijfmest. Met deze brief doe ik ook de toezegging af betreffende hetareaal grasland1 en doe ik twee moties af, namelijk de motie Pierik2betreffende het maken van afspraken te maken met lokale en provincialeoverheden om de vergunningsverlening voor mestverwerking succes-voller te laten verlopen. Tevens doe ik de motie Grinwis c.s.3 af betref-fende het opstellen van een degelijke analyse van de mestmarkt, diebijdraagt aan allereerst transparantie met betrekking tot het functionerenvan de mestmarkt en haar deelmarkten en aan de hand van deze analysehet verder stappen zetten om de mestmarkt transparanter en beter telaten functioneren.Advies meststoffengezant naar aanleiding van exportmissiesNaar aanleiding van mijn brief van 13 september 20244 heb ik eenmeststoffengezant aangesteld om drie exportmissies te leiden met alsdoel het verkennen van de exportkansen naar kansrijke regio’s voorNederlandse organische meststoffen. De drie missies hebben plaatsge-1TZ202503-060.2Kamerstuk 36 618, nr. 38.3Kamerstuk 33 037, nr. 570.4Kamerstuk 33 037, nr. 559. kst-33037-636ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 037, nr. 6361 vonden naar het oosten van Frankrijk (juli 2025), het westen van Polen enhet oosten van Duitsland (oktober 2025). In de bijlage vindt u het verslagvan meststoffengezant de heer Knops met een nadere toelichting over hetprogramma, de delegatie, de resultaten van deze exportmissies alsmedede bevindingen van de opzet van de mestmissies en de bijbehorendekansen en uitdagingen om de export van organische meststoffen naarvoornoemde regio’s te vergroten.Allereerst spreek ik mijn waardering uit voor de heer Knops voor devoortvarende wijze waarop hij deze opdracht heeft opgepakt, uitgevoerden zijn waardevolle aanbevelingen die hieruit zijn voortgekomen.Daarnaast wil ik graag mijn dank uitspreken aan alle deelnemers aan deexportmissies en het LVVN Attaché Netwerk, die door het delen van hunkennis en ervaringen een belangrijke bijdrage hebben geleverd aan detotstandkoming van de missies en deze aanbevelingen. Uit het verslagkomen drie belangrijke aanbevelingen:−De publiek-private samenstelling van de exportmissie onder leidingvan een aangestelde missieleider heeft haar toegevoegde waarde latenzien aan de bezochte regio’s. Dit biedt tevens kansen om dit verder uitte bouwen. Stel daarom, in samenwerking met de betrokken landbou-wattachés, een gecoördineerd plan van aanpak op om de exportkan-sen voor organische meststoffen zo effectief mogelijk te benutten.−Zet in op een samenwerking met kennispartners en het bedrijfslevenom de kennis over wet- en regelgeving voor de toelating van organi-sche meststoffen te verbeteren.−Investeer in importerende landen in kennisontwikkeling over detoegevoegde waarde van Nederlandse organische meststoffen doormiddel van pilots. Laat de voordelen van (Nederlandse) organischemest duidelijk zien door samen te werken met Nederlandse onderne-mers, Nederlandse kennisinstellingen, lokale overheidsinstanties enkennisinstellingen en het landbouwattachénetwerk.Op korte termijn zal ik naar aanleiding van deze aanbevelingen in gesprekgaan met het LVVN Attaché Netwerk van Frankrijk, Polen en Duitsland omverder te spreken over het vervolg van deze drie exportmissies.Zoals ik uw Kamer eerder heb geïnformeerd, is de heer Knops naast dezeopdracht ook werkzaam geweest als verkenner naar kansen en knelpuntenin de vergunningverlening voor mestverwerking en -vergisting. Over dezeverkenning heeft hij in twee rapporten adviezen uitgebracht, hiervoorverwijs ik graag naar mijn brief van 16 september 2025.5Naar aanleiding van deze adviezen zijn diverse acties in gang gezet.−Zo wordt ingezet op het vergroten van kennis en inzicht, onder meervia het RVO-expertisecentrum Groen Gas, in samenwerking met hetMinisterie van KGG.−De verkenner heeft onder meer aangegeven dat goedkeuring vanRenure randvoorwaardelijk is voor het benutten van de kansen voorhet opschalen van mestverwerking en mestvergisting. Zoals uw Kamerweet ben ik in verband met de verwachte Europese goedkeuring vanRenure bezig met de benodigde voorbereidingen voor de implementa-tie van het Renure-voorstel in Nederland.6 Hiermee ontstaan ooknieuwe kansen voor het vergroten van de capaciteit van mestverwer-king en mestvergisting.−De verkenner constateerde bovendien dat provincies positief staantegenover een proces om samen met het Rijk afspraken te maken overversnelling. Hiermee heb ik invulling gegeven aan de motie Pierik.7 De5Kamerstuk 33 037, nr. 610.6Kamerstuk 22 112, nr. 4200.7Kamerstuk 36 618, nr. 38.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 037, nr. 6362 adviezen van de verkenner neem ik daarom waar mogelijk mee in debestaande samenwerking met provincies en andere decentraleoverheden, met behoud van de bestaande bevoegdheden. Bijvoor-beeld via de gestarte «extra rijksinzet voor gebieden en boerenerven»,waarin het Rijk zich actief richt om bij de uitvoering verdere versnellingte realiseren. Afhankelijk van de door provincies ervaren knelpuntenkan dit bijvoorbeeld betrekking hebben op het nemen van regie oplopende acties van meerdere overheden en vervolgstappen rondomcomplexe vergunningverleningstrajecten8. Over het vervolg van dezeinzet informeer ik uw Kamer afzonderlijk.Deze acties worden uitgevoerd met inachtneming van de door deverkenner benoemde randvoorwaarde dat voldoende stikstofruimtebeschikbaar moet zijn voor vergunningverlening in de volle breedte. Ikben de heer Knops zeer erkentelijk voor de wijze waarop hij beideopdrachten binnen mijn Aanpak Mestmarkt heeft vervuld en voor dewaardevolle bijdragen die hij daarmee heeft geleverd aan de verdereontwikkeling van deze aanpak.Vervolg programma Bemest op z’n bestDe afgelopen jaren is binnen het programma «Bemest op z’n Best»(hierna: het programma) onderzoek gedaan naar technieken die emissiesbij mestaanwending verder beperken ten opzichte van bestaandetechnieken zoals de zodenbemester.Met de emissiearme aanwendingstechnieken wordt beoogd de verliezenvan stikstof en fosfaat naar grond- en oppervlaktewater en van ammoniaknaar de lucht door mestaanwending te verminderen. In het programmad.d. juli 2021 werd zowel gekeken naar de huidige toepassing vandrijfmest en nieuwe meststromen, als naar de verwachting hiervan voorde komende tien jaren.Het programma kende de volgende twee hoofddoelstellingen:1)ontwikkeling van innovatieve technieken die tot een halvering leidenvan de ammoniakemissie (ten opzichte van de zodenbemester); en2)het verkrijgen van een breed draagvlak van nieuwe technieken endaarmee een hoge implementatiegraad.Omdat er een beperkte bedrijfseconomische prikkel is voor agrariërs enloonwerkers om bemestingstechnieken door te ontwikkelen waarmeeemissies verder kunnen worden teruggedrongen, werd de betrokkenondernemers de ruimte te gegeven hun ideeën in vertrouwen te delen, enhet onderzoek onder geheimhoudingsplicht van de onderzoekers uit tevoeren.Op 19 november jl. zijn de resultaten van het onderzoek met mij gedeelden is het rapport aan mij overhandigd. En op 26 november jl. zijn deresultaten gepresenteerd tijdens de Rundvee & Mechanisatie Vakdagen inGorinchem. Uit het onderzoek komt een aantal perspectiefvolle techniekennaar voren die geschikt zijn om te toetsen in praktijkpilots. Ondanks hetmooie resultaat van het programma (zie bijlage) bestaat er echter nogsteeds een geringe prikkel om te investeren in de doorontwikkeling enafname van nieuwe bemestingstechnieken.Binnen het programma is daarnaast veel aandacht besteed aan het leggenvan verbinding met de praktijk, van machinebouwers tot machinisten.Deze aanpak is zeer waardevol en nuttig gebleken.8Kamerstuk 35 334, nr. 415.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 037, nr. 6363 Ik vind de uitkomsten van het programma perspectiefvol. Om die redenben ik voornemens een vervolg van het programma te faciliteren. Het gaatdaarbij om het verder onderzoeken van succesvolle technieken op hunwerking en effectiviteit in de praktijk. In overleg met betrokken partijen zalik de verdere invulling bepalen. Ook heb ik het voornemen9 om eensubsidieregeling te ontwikkelen om brede toepassing van succesvolletechnieken te stimuleren. Door middel van deze subsidieregeling kunnenemissiearme aanwendingstechnieken de komende jaren aangejaagdworden.Openstelling van de subsidie hygiënisatie- en drooginstallatiesOp 1 december is de subsidieregeling hygiënisatie- en drooginstallaties(hierna: HDI, Stcrt. 2025, 39580) met een beschikbaar budget van€ 7,5 miljoen opengesteld. Het doel van de subsidieregeling is om dehoeveelheid exportwaardige mest door middel van hygiënisatie en/ofdrogen te verhogen en de druk op de mestmarkt te doen afnemen. Desubsidieregeling is in de Kamerbrief Aanpak mestmark10 aangekondigdals een maatregel om de export van mest te verhogen. Aan de export vanmest worden vanuit Europese regelgeving11, 12 eisen gesteld ten aanzienvan veiligheid en hygiëne. Intermediaire ondernemingen – ook welmestverwerkers genoemd – kunnen in het kader van HDI ondervoorwaarden subsidie aanvragen ter ondersteuning van de investering ineen hygiënisatie- en/of drooginstallatie om daarmee te voldoen aan deEuropese vereisten. Uit de jaarlijkse rapportage van het NCM over 202413blijkt dat van de vergunde mestverwerkingscapaciteit gemiddeld 74%daadwerkelijk wordt benut. Daarom vormen bestaande intermediaireondernemingen de doelgroep van de subsidieregeling, zodat al op kortetermijn het gewenste resultaat – uitbreiding van de hoeveelheid export-waardige mest – gerealiseerd kan worden. Omdat pluimveemestnauwelijks bijdraagt aan de druk op de mestmarkt – het merendeel wordtal verwerkt en buiten de Nederlandse landbouw afgezet – is de subsidiere-geling met name gericht op het verhogen van de verwerkingscapaciteitvan drijfmest van andere diersoorten. Deze mag voor niet meer dan 50procent uit pluimveemest bestaan. Intermediaire ondernemingen diebelangstelling hebben kunnen tot en met 27 februari 2026 een subsidie-aanvraag indienen.14Onderzoeksresultaten transparantie mestmarktIn mijn brief van 7 maart jl.15 heb ik aangekondigd SEO EconomischOnderzoek (verder SEO) te laten doen naar het functioneren van demestmarkt. Hierbij stuur ik u dit onderzoek en geef ik uitvoering aan mijntoezegging hierover en de motie Grinwis c.s.16Uit het onderzoeksrapport van SEO «Werking van de mestmarkt» komtnaar voren dat er geen aanwijzingen zijn gevonden dat er sprake is vaneen gebrek aan concurrentie door marktmacht in de mestmarkt. Er zijnnamelijk veel markpartijen op de mestmarkt, er is geen opvallende hogeconcentratiegraad en er zijn weinig barrières om toe te treden. Uit hetonderzoek komt wel, dat er sprake is van onvolledige informatie op de9Kamerstuk 36 725 XIV, nr. 4.10Kamerstuk 33 037, nr. 559.11Verordening dierlijke bijproducten (Verordening (EG) nr. 1069/2009).12Verordening (EU) nr. 142/2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1029/2009.13https://www.mestverwaarding.nl/kenniscentrum/4622/landelijke-rapportage-en-inventarisatie-export-en-verwerking-dierlijke-mest-2024.14https://www.rvo.nl/subsidies-financiering/hdi.15Kamerstuk 33 037, nr. 586.16Kamerstuk 33 037, nr. 570.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 037, nr. 6364 mestmarkt. Echter, uit interviews zijn geen signalen naar voren gekomendat een gebrek aan transparantie leidt tot nadelige maatschappelijkeeffecten, zoals hogere transactiekosten, een inefficiënte verdeling van hetaanbod of gebrek aan marktvertrouwen. In aanvulling daarop geeft SEOaan dat verandering van mestafzetprijzen geen reden is tot overheids-ingrijpen op de mestmarkt zonder dat er signalen zijn dat de markt nietgoed werkt.Voor veehouders die worden geconfronteerd met hoge mestafzetprijzen,hebben mestafzetprijzen gevolgen voor hun inkomen. Dat is voor dezeondernemers pijnlijk en daarom span ik mij er ook voor in om de druk opmestmarkt te verlagen als eerder aangekondigd.17 Omdat SEO aangeeftdat de hogere mestafzetprijzen een gevolg zijn van marktwerking en hetrapport geen aanleiding geeft tot ingrijpen in de mestmarkt, ben ik op ditmoment niet voornemens stappen te nemen in die richting.Rapport «Variabiliteit mineraal stikstofresidu en relatie metnitraatuitspoeling»In het kader van de ontwikkeling van het systeem voor bedrijfsgerichtedoelsturing, werk ik momenteel samen met sectorpartijen (vertegen-woordigd in een hiervoor opgericht consortium) aan de inrichting van eensysteem voor doelsturing op nitraat in het bovenste grondwater. In mijnKamerbrief van 14 juli jl.18 heb ik u geïnformeerd over de eerste contourenvoor het voorgenomen ingroeipad voor bedrijfsgerichte doelsturing opgrondwaterkwaliteit in het concept 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn. Hetdoelsturingssysteem zal worden uitgewerkt op basis van twee indicatorenvoor nitraatuitspoeling: het mineraal stikstofresidu (hierna: N-mineraal) enhet stikstofbodemoverschot. Deze indicatoren bieden inzicht in het risicoop nitraatuitspoeling naar het bovenste grondwater. Op basis van deuitkomsten en metingen van deze twee indicatoren verkrijgen agrariërsinzicht in het risico van nitraatuitspoeling op hun bedrijf en kunnen zijhierop sturen.Aan onderzoekers van Wageningen University & Research (WUR) isgevraagd op basis van de nu beschikbare kennis een eerste analyse uit tevoeren naar de relatie van het N-mineraal met nitraatuitspoeling, al danniet in combinatie met het stikstofbodemoverschot. Voor deze opdracht isgebruik gemaakt van bestaande literatuur en van een aantal recente dataover N-mineraal, het stikstofbodemoverschot en de nitraatconcentratie inuitspoelend grondwater. De uitkomsten van deze analyse zijn bijgevoegdals bijlage bij deze Kamerbrief.Uit het onderzoek komt naar voren dat er een positieve relatie bestaattussen het N-mineraal en de nitraatuitspoeling: over het algemeen neemtde nitraatconcentratie toe als het N-mineraal toeneemt. Wel wordtvastgesteld dat er een aanzienlijke variatie is in het gemeten N-mineraal.Hiervoor worden verschillende oorzaken aangedragen zoals de verschillenin gewastype, grondsoort en grondwaterstand, maar ook hetmanagement van de agrariër. Deze bevindingen worden meegenomen inhet nader uit te zetten onderzoek naar streefwaarden voor het N-mineraal.Met deze streefwaarden zullen agrariërs in het kader van het voorge-nomen ingroeipad voor doelsturing op grondwaterkwaliteit moeten gaansturen op verbetering van de grondwaterkwaliteit.Aangezien de relatie tussen het N-mineraal en de nitraatconcentratie nogveel variatie bevat, is het van belang dat in de aankomende jaren meer17Kamerstuk 33 037, nr. 559.18Kamerstuk 33 037, nr. 607.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 037, nr. 6365 gegevens worden ingewonnen over zowel het N-mineraal als denitraatconcentratie en de relatie tussen beide, alsook over het stikstofbo-demoverschot. In de komende jaren zal ik dit verder laten onderzoekenmet onder andere de informatie die wordt verkregen in het voorgenomeningroeipad voor bedrijfsgerichte doelsturing op grondwaterkwaliteit.Verwerken dierlijke mest in potgrond (en andere groeimedia)Zoals aangegeven in mijn brief van 7 maart jl.19 heb ik een quickscan latenuitvoeren door Wageningen University and Research (WUR) waarbij viaeen literatuurstudie en navraag bij relevante partijen een overzicht wordtverkregen van de mogelijkheden en belemmeringen bij het verwerken vandierlijke mest in potgrond en andere groeimedia. De quickscan is alsbijlage bij deze Kamerbrief gevoegd.In de quickscan worden de mogelijkheden beschreven om producten uitdierlijke mest in te zetten in producten die worden gebruikt binnen detuinbouw. WUR concludeert dat, alhoewel er een vraag is naarhernieuwbare materialen in potgrond en groeimedia, er momenteelbeperkte kansen zijn om mestproducten in te zetten als component ingroeimedia vanwege aanzienlijke technische, juridische en markttech-nische beperkingen.In het onderzoek is gekeken naar de eigenschappen van dierlijke mestpro-ducten in relatie tot de eisen die bij toepassing van verschillendecomponenten, zoals dierlijke mest, in potgrond en substraten wordengesteld aan deze componenten. Daaruit blijkt dat veel producteisen diebekend moeten zijn voor het gebruik als (component in) potgrond nietworden gemeten in de mestproducten.Bovendien blijkt dat de kwaliteit van dierlijke mest per veehouder en in detijd, sterk varieert. Ook komt er naar voren dat de gehaltes van kalium,chloor, en voor sommige producten ammonium, in verwerkte dierlijkemest te hoog kunnen zijn voor toepassing in potgrond. Daarnaast zijn errisico’s waar nog weinig meetgegevens van beschikbaar zijn, maar die welte verwachten zijn, zoals residuen van diergeneesmiddelen, pathogenenin de mest of Q-organismen (plantziekten en pathogenen). Deze variatiesin mestsamenstelling, te hoge gehalten van bepaalde stoffen en deonbekende risico’s beperken de toepasbaarheid van dierlijke mest ingroeimedia vanwege de risico’s die dit met zich meebrengt bij de teelt vangewassen.Ook is gekeken naar de mogelijkheden om de mest te bewerken (bijvoor-beeld door thermische verhitting of vergisting). Voor gebruik als(component in) potgrond zal namelijk een combinatie van verwerkings-stappen noodzakelijk zijn, waarmee het eindproduct gehygiëniseerd,gestabiliseerd en gespoeld is. Het rapport concludeert dat zelfs na dezeverwerkingsstappen dierlijke mest slechts in beperkte percentagesgebruikt zal kunnen worden, om de streefwaardes voor zouten enverontreinigingen niet te overschrijden.Naast het literatuuronderzoek, hebben de onderzoekers ook gesprekkengevoerd met bedrijven in de potgrond- en substraatsector. Uit dezegesprekken komt naar voren dat er binnen de sector nog nauwelijksgebruik wordt gemaakt van dierlijke mest omdat potgrondbedrijvenstreven naar een hoge kwaliteit, daarvoor brengt dierlijke mest te veelrisico’s met zich mee. Uit de gesprekken komt ook naar voren dat erjuridische belemmeringen zijn. Bedrijven worden namelijk snel aange-19Kamerstuk 33 037, nr. 586.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 037, nr. 6366 merkt als mestverwerker wanneer zij dierlijke mest toevoegen aan hunproducten. Dat leidt er vervolgens toe dat zij aan aanvullende eisenmoeten voldoen en een passende vergunning moeten aanvragen.Tenslotte concludeert WUR wel dat met inzet van de sector, RHP (certifi-ceerder potgrond en substraten) en de overheid wel de mogelijkhedenkunnen worden vergroot om dierlijke mest toe te passen in groeimedia.Op basis van de onderzoeksresultaten zullen dan ook vervolggesprekkenworden gevoerd met verschillende sectorpartijen, waaronder deVereniging van Potgrond- en Substraatfabrikanten (VPN) maar ook LTO,om met hen de bevindingen uit de quickscan te bespreken en te bezien inhoeverre er bereidheid bestaat om hier gezamenlijk een vervolg aan tegeven.Emissiearm aanwenden van spuiwaters en ureumhoudendekunstmestIn mijn brief van 16 september jl.20 is aangekondigd dat per 1 januari 2027spuiwaters en ureumhoudende kunstmest emissiearm aangewendmoeten gaan worden. Dit om efficiënt nutriëntengebruik te bevorderen enammoniakemissies te voorkomen. Daarmee kan naar verwachting 1.2 tot2 Kton ammoniakemissie gereduceerd worden. Dit besluit is genomen opbasis van uitkomsten van een advies van WUR over de best beschikbaretechnieken voor het aanwenden van spuiwaters en ureumhoudendekunstmest. Aanleiding voor de adviesaanvraag was het voorstel voorRenure van de Europese Commissie waarmee bepaalde verwerktemeststoffen uit dierlijke mest, waaronder spuiwaters uit mestverwerking,boven de norm van 170 kg N per hectare mogen worden toegepast. In hetvoorstel van de Europese Commissie wordt voorgeschreven dat dezeRenure-meststof emissiearm dient te worden aangewend. Het advies vanWUR op de kennisvraag is als bijlage bij deze brief gevoegd.Het gebruik van best beschikbare technieken is nu al voorgeschreven bijhet op- of in de bodem brengen van dierlijke meststoffen en zuive-ringsslib. In het «BBT-document emissiearm aanwenden versie 1.0» 21staan deze best beschikbare technieken beschreven. Deze techniekenworden voorgeschreven om ammoniakemissies naar de lucht tebeperken. Voor het aanwenden van spuiwaters en kunstmest zijn noggeen best beschikbare technieken voorgeschreven. In de afgelopen jarenis het gebruik van ureumhoudende kunstmeststoffen substantieelgestegen. Momenteel is het voorstel ten aanzien van Renure in de fasevan formele besluitvorming. De verwachting is dat, mocht deze fasepositief worden afgesloten, het gebruik van spuiwaters als Renure-meststof zal toenemen (na implementatie van het Renure-voorstel innationale regelgeving).Op basis van het advies van WUR zal worden gewerkt aan regelgeving tenbehoeve van het voorschrijven van best beschikbare technieken bij hetaanwenden van spuiwaters en ureumhoudende kunstmest. Voor devoorgenomen wijzigingen in het «BBT-document emissiearm aanwenden»zal via een nog op handen zijnde internetconsultatie begin 2026 degelegenheid geboden worden om op het voornemen te reageren.Ik ben voornemens voor toepassing van vloeibare ureum als bladbe-mesting een uitzondering te maken en daarvoor geen emissiearmeaanwendingstechniek voor te schrijven. Bladbemesting wordt onderandere in de aardappelteelt en de fruitteelt toegepast, de giften zijn20Kamerstuk 35 334, nr. 413.21Stcrt. 2024, 12699.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 037, nr. 6367 beperkt (tot 5–10 kg/ha). Vanwege deze lage doseringen en omdatammoniakverliezen bij bladbemesting laag zijn door de directe opnamevan ureum door het blad worden ammoniakemissies naar de lucht albeperkt.Renure, pilots mineralenconcentraat en kunstmestvrijeAchterhoekMet mijn brief van 19 december 2025 heb ik de Tweede Kamer geïnfor-meerd over de voortgang van het 8e actieprogramma. In het 7e actiepro-gramma zijn de pilot mineralenconcentraat en de pilot KunstmestvrijeAchterhoek opgenomen om ervaring op te doen met productie, handel engebruik van bemestingsproducten uit dierlijke mest (zgn. Renure criteria).Naar verwachting zal, na instemming van de Raad en het EuropeesParlement, in de Europese Unie worden ingestemd met de toelating vanRenure-meststoffen als kunstmestvervanger en zal deze mogelijkheid inde eerste helft van 2026 verwerkt zijn in Nederlandse regelgeving.Om geen gat te laten vallen tussen de pilot mineralenconcentraat en depilot Kunstmestvrije Achterhoek uit het 7e actieprogramma en deinwerkingtreding van de algemene Nederlandse regelgeving, en decontinuïteit binnen de keten te waarborgen, is voorzien in een overgangs-situatie voor producenten en afnemers van Renure-meststoffen die in2025 deelnamen aan de pilots. Deze overgangssituatie geldt vanaf hetmoment van inwerkingtreding van de Renure-wijziging van de Nitraat-richtlijn (naar verwachting begin januari 2026) tot zes weken na inwerking-treding van de Renure-regeling, of – als dat eerder is – tot het moment datde producent is geregistreerd of gecertificeerd. De overgangssituatie geldtvoor bedrijven die in 2025 deelnamen aan de pilots. Daarbij gelden devoorwaarden en voorschriften van de eerdere pilots, de voorwaarden uitde aangepaste Nitraatrichtlijn én van de notificatieversie van de beoogdeRenure-implementatieregeling. Het gaat daarnaast om onder andere devolgende voorwaarden en voorschriften:−Producenten van mineralenconcentraat blijven gedurende deovergangsperiode dezelfde mestcode, 120, gebruiken voor het meldenin rVDM.−De overgangssituatie geldt pas nadat het voorstel voor de aanpassingvan de Nitraatrichtlijn voor de toepassing van Renure formeel inwerking is getreden. Dit zal naar verwachting een datum begin januari2026 zijn.−De Renure-meststoffen kunnen, in lijn met het voorstel voor Renure,tot maximaal 80 kilogram stikstof per hectare extra worden gebruiktbovenop de norm voor stikstof uit dierlijke mest. De Renure-meststoffen kunnen voor inwerkingtreding van de Renure-regelingbovenop de gebruiksnorm dierlijke mest worden gebruik, tellenbovendien óók mee voor de 80 kilogram die per kalenderjaar en perhectare bovenop de gebruiksnorm dierlijke mest mogen wordengebruikt, als de nationale regeling die uitvoering geeft aan deEuropese Renuretoelating (de Renure-implementatieregeling) inwerking is getreden.De voornoemde deelnemers aan de pilots zullen op korte termijn nognader worden geïnformeerd over de exacte voorwaarden.Voortgang protocol stikstofgatEerder heb ik de Kamer meegedeeld dat het goed mogelijk lijkt om eenprotocol stikstofgat te ontwikkelen.22 Inmiddels is met inbreng vanexpertise van Wageningen University & Research een concept opgesteld.22Kamerstuk 33 037, nr. 600.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 037, nr. 6368 Het concept is zodanig representatief, controleerbaar en verifieerbaar vanopzet dat het voldoende waarborgen lijkt te bieden om (1) aan te tonendat er sprake is van bedrijfsspecifiek stikstofverlies en (2) om de bedrijfs-specifieke stikstofproductie te berekenen.Ik heb de Commissie Deskundigen Meststoffenwet gevraagd een reviewuit te voeren op het concept protocol stikstofgat. Ook ben ik voornemensom het concept protocol parallel aan de review in de komende periode tebespreken met sectorpartijen. Ik verwacht dat het protocol stikstofgatvervolgens in de zomer van volgend jaar kan worden vastgesteld endaarna via RVO beschikbaar kan worden gesteld.Na vaststelling kan het protocol stikstofgat als hulpmiddel gebruiktworden door melkveehouders die een beroep willen doen op de vrijebewijsleer. De belangrijkste voorwaarden hiervoor zijn:−de beschikbaarheid van voldoende, representatieve mestanalyses vande onbewerkte, eigen drijfmest die wordt aangewend of wordtafgevoerd; en−het gebruik van de Handreiking BEX om de bedrijfsspecifieke excretieste berekenen.Actualisatie excretieforfaitsOp vrijdag 14 november 202523 heb ik de Kamer geïnformeerd over mijnvoornemen om per 1 januari 2026 de excretieforfaits en stikstofcorrectie-factoren te actualiseren voor die diercategorieën waarop het fosfaatrech-tenstelsel niet van toepassing is. Daartoe heb ik een wijzigingsregelingvan bijlage D van de Uitvoeringsregeling meststoffenwet (hierna: Urm)voorbereid, waarvan het ontwerp in de periode van 17 november 2025 tot2 december 2025 voor internetconsultatie heeft voorgelegen.Ondanks de beperkte duur van de consultatieperiode heb ik meer dan 180reacties ontvangen. Naast een opmerking over de duur van de consulta-tieperiode zelf werd in veel reacties ook opgemerkt dat de periode tussenhet bekend worden van het voornemen tot wijziging van bijlage D van deUrm en het van kracht worden van die wijziging te kort is om zich voor tebereiden op de gevolgen van die wijziging en de bedrijfsvoering daaropaan te passen. Verschillende veehouders gaven bovendien aan dat degevolgen van de verhoging van de excretieforfaits en stikstofcorrectiefac-toren voor hun bedrijf aanzienlijk zijn. Ook werd in een aantal reactieskanttekeningen geplaatst bij de onderbouwing van de door de CommissieDeskundigen Meststoffenwet geadviseerde wijzigingen.Dit alles heeft mij doen besluiten om af te zien van mijn voornemen omper 1 januari 2026 over te gaan tot actualisatie van de excretieforfaits enstikstofcorrectiefactoren voor diercategorieën waarop het fosfaatrechten-stelsel niet van toepassing is, maar daarvoor meer tijd te nemen. Dekomende periode wil ik benutten om de naar voren gebrachte bezwaren tebestuderen, de door mij voorbereide wijzigingsregeling zo nodig aan tepassen en een ontwerp daarvan opnieuw in internetconsultatie tebrengen. Hierbij zal ik de verschillende sectoren betrekken.Uitzondering bovengronds aanwenden van runderdrijfmestIn mijn brief van 16 september jl.24 heb ik uw Kamer geïnformeerd over deinternetconsultatie van een besluit tot wijziging van het Besluit activiteitenleefomgeving en de Omgevingsregeling waarmee het bovengronds23Kamerstuk 35 334, nr. 420.24Kamerstuk 33 037, nr. 610.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 037, nr. 6369 aanwenden van runderdrijfmest onder voorwaarden wordt toegestaan.Ook heb ik in die brief aangegeven dat ik eerst het definitieve rapportafwacht van het praktijkonderzoek naar de milieueffecten van hetbovengronds aanwenden van runderdrijfmest. Op basis van deuitkomsten van dat rapport zal ik een besluit nemen over de voortzettingvan de mogelijkheid voor bovengronds uitrijden onder het stelsel van deOmgevingswet. De oplevering van het rapport heeft helaas vertragingopgelopen, waardoor het niet nog dit jaar, maar pas begin volgend jaardefinitief zal worden opgeleverd. Om een zorgvuldig besluit te kunnennemen, wil ik eerst dat rapport afwachten.Het besluit waarmee het bovengronds aanwenden van runderdrijfmestkan worden toegestaan, zal moeten worden voorgehangen bij uw Kameren de Eerste Kamer (artikel 23.5 Omgevingswet). Ook zal het voor adviesaan de Raad van State moeten worden voorgelegd. Dit betekent dat ervoor de start van het mestseizoen (16 februari) wellicht geen duidelijkheidzal zijn over voortzetting van de uitzonderingsmogelijkheid voor boven-gronds uitrijden. Tot het moment van besluitvorming na oplevering vanhet rapport, wordt bovengronds aanwenden van runderdrijfmest in 2026voortgezet (gedoogsituatie) onder dezelfde voorwaarden en voorschriftenals in 2025.Ontwikkeling areaal graslandIk heb uw Kamer toegezegd u aan de hand van de cijfers over 2025 teinformeren over op welke schaal grasland in bouwland wordt omgezet enover het feit of daar significante verschuivingen in te zien zijn.25 Ik hebdeze toezegging gedaan naar aanleiding van zorgen in de Kamer over denegatieve gevolgen voor de waterkwaliteit en waterkwantiteit vanveranderingen in het agrarisch grondgebruik en dan met name deomzetting van grasland naar andere teelten zoals akkerbouw, bomenteelten bollenteelt. De eerste voorlopige cijfers van het CBS over het areaalgrasland in 2025 zijn 30 september 2025 gepubliceerd. Ik informeer uhierbij over de ontwikkelingen in arealen waarmee ik invulling geef aanmijn toezegging.Tabel 1 bevat het gebruik van het areaal cultuurgrond in Nederland. Decijfers voor 2025 zijn de meest recente, maar voorlopige, cijfers van hetCBS over 2025.In tabel 2 is het verschil in gebruik weergegeven. Reeks A betreft hetverschil in gebruik in 2024 ten opzichte van 2020. Dit is de reeks waaroverik u op 18 juni 2025 jl.26 heb geïnformeerd. Reeks B geeft het verschil weertussen 2025 en 2024. Reeks C betreft het verschil in gebruik in 2025 tenopzichte van 2020.25TZ202503-060.26Kamerstuk 36 725 XIV, nr. 12.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 037, nr. 63610 Tabel 1Cultuurgrond in ha.2020202120222023202420251Akkerbouw526.840525.750534.710547.420530.650547.020Tuinbouw open grond93.13094.81095.41092.41091.70091.550Tuinbouw onder glas10.08010.55010.64010.15010.04010.320Groenvoedergewassen206.860197.220194.050195.260203.970198.220Grasland977.540983.580969.570957.760962.140955.240Totaal cultuurgrond1.814.4501.811.9101.804.3701.803.0001.798.5001.802.3501 Voorlopige cijfers.Bron: CBS Statline 26 november 2025. Tabel 2Cultuurgrond in ha.A)2024 t.o.v. 2020B)2025 t.o.v. 2024C)20251 t.o.v. 2020Akkerbouw3.8100,7%16.3703,1%20.1803,8%Tuinbouw open grond– 1.430– 1,5%– 150– 0,2%– 1.580– 1,7%Tuinbouw onder glas– 40– 0,4%2802,8%2402,4%Groenvoedergewassen– 2.890– 1,4%– 5.750– 2,8%– 8.640– 4,2%Grasland– 15.400– 1,6%– 6.900– 0,7%– 22.300– 2,3%Totaal cultuurgrond– 15.950– 0,9%3.8500,2%– 12.100– 0,7%1 Voorlopige cijfers.Bron: CBS Statline 26 november 2025. Uit reeks A was af te leiden dat de afname van het areaal grasland in deperiode 2024–2020 gelijke tred hield met de afname van het totale areaalcultuurgrond (veroorzaakt door de omzetting van landbouwgrond naargrond voor ander gebruik). Reeks B laat zien dat het totale areaalcultuurgrond is toegenomen met 3.850 ha (0,2%) ten opzichte van 2024.Het areaal akkerbouw is in 2025 met 16.370 ha (3%) toegenomen tenopzichte van 2024. Het areaal grasland is ten opzichte van 2024 met 6.900ha (0,7%) afgenomen en het areaal groenvoedergewassen is afgenomenmet 5.750 ha (2,8%). Als tabel 1 en tabel 2 met elkaar worden vergeleken,blijkt dat ondanks de toenames en afnames, het totale areaal cultuur-grond, het areaal akkerbouw en het areaal grasland in 2025 een verge-lijkbare omvang hebben als de desbetreffende arealen in 2023. Ook blijktuit tabel 1 dat de arealen akkerbouw, groenvoedergewassen en graslandgedurende de jaren variëren in omvang.De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,F.M. WiersmaTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 33 037, nr. 63611
Gerelateerde bronnen
- De Kamer wordt na de mei telling en voor de zomer 2025 geïnformeerd over op welke schaal grasland in bouwland wordt omgezet en over het feit of daar significant
De Kamer wordt na de mei telling en voor de zomer 2025 geïnformeerd over op welke schaal grasland in bouwland wordt omgezet en over het feit of daar significante verschuivingen in te zien zijn.
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.