Verslag schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda voor de Raad Buitenlandse Zaken Handel van 22 mei 2026 (Kamerstuk 21501-02-3393)
Brontekst
Versie 98d59ba788229bba · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202621 501-02Raad Algemene Zaken en Raad BuitenlandseZakenNr. 3417 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 20 mei 2026 De vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamen-werking heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan deMinister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking over debrief van 4 mei 2026 over de geannoteerde agenda voor de RaadBuitenlandse Zaken Handel van 22 mei 2026 (Kamerstuk 21 501-02,nr. 3393).De vragen en opmerkingen zijn op 13 mei 2026 aan de Minister vanBuitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking voorgelegd. Bij briefvan 20 mei 2026 zijn de vragen beantwoord.De voorzitter van de commissie,Den HollanderAdjunct-griffier van de commissie,Prenger kst-21501-02-3417ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 34171 InhoudsopgaveIVragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de bewindspersoon2Inbreng D66-fractie2Inbreng VVD-fractie13Inbreng Groenlinks-PvdA-fractie16Inbreng CDA-fractie20Inbreng JA21-fractie29Inbreng BBB-fractie35Inbreng DENK-fractie40Inbreng SGP-factie45Inbreng CU-fractie48Inbreng SP-fractie52 I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van debewindspersoon Inbreng leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerdeagenda voor de Raad Buitenlandse Zaken Handel. Deze leden onder-strepen dat een actief Europees handelsbeleid in deze geopolitieke tijdonmisbaar is voor economische weerbaarheid, diversificatie vanwaardeketens en het verdedigen van een op regels gebaseerde interna-tionale orde. Daarover hebben deze leden de volgende vragen.WTODe leden van de D66-fractie delen de teleurstelling over de beperkteuitkomsten van de 14e Ministeriële Conferentie van de WTO. Juist in eentijd van toenemend protectionisme, geopolitieke fragmentatie enhandelsconflicten is een sterke, moderne en op regels gebaseerde WTOvan groot belang. Deze leden constateren dat er brede steun bestaat voorhervorming, maar dat gebrek aan consensus opnieuw concrete voortgangheeft geblokkeerd.Welke concrete voorstellen steunt Nederland om de besluitvormingbinnen de WTO te verbeteren?1. Antwoord van het kabinet:Nederland steunt aanpassingen die besluitvorming bij de WorldTrade Organization (WTO) flexibeler en pragmatischer maken, omde huidige verlamming in WTO-besluitvorming te doorbreken. Demeest concrete manier om dat te doen is via plurilateraleakkoorden, dat wil zeggen afspraken tussen een groep landenmaar niet alle WTO-leden. Momenteel zijn de onderhandelingenafgerond voor twee nieuwe plurilaterale akkoorden bij de WTO,namelijk het Investment Facilitation for Development Agreement(IFDA) en het E-Commerce Agreement (ECA). Nederland is, alslidstaat van de Europese Unie (EU), onderdeel van beide plurila-terale akkoorden. Bij de 14e ministeriële conferentie van de WTO(MC14) hebben de deelnemende landen afgesproken om denodige stappen te zetten om deze akkoorden in werking te latentreden. Voor ECA is afgesproken het akkoord op voorlopige basisbuiten de WTO toe te gaan passen, aangezien inwerkingtredingbinnen de WTO wordt geblokkeerd. Nederland is voorstander vande snelle toepassing van beide plurilaterale akkoorden en ookvan nadere plurilaterale samenwerking op andere WTO thema’s.Dit laat onverlet dat Nederland daarnaast pleitbezorger blijft vanmultilaterale samenwerking en hervormingen binnen de WTO.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 34172 Is het kabinet bereid binnen de EU te pleiten voor een werkprogrammawaarin expliciet wordt gekeken naar besluitvorming zonder volledigeunanimiteit, bijvoorbeeld voor procedurele besluiten of voor het opnemenvan plurilaterale akkoorden binnen de WTO-architectuur? Welke gelijkge-zinde landen wil het kabinet hiervoor actief mobiliseren richting devervolggesprekken in Genève?2. Antwoord van het kabinet:Het kabinet is daartoe bereid. Het kabinet zet zich in voor meerflexibele en pragmatische besluitvorming binnen de WTO, zowelvia plurilaterale akkoorden als door bepaalde procedureleWTO-besluitvorming zonder volledige unanimiteit te latenplaatsvinden. Binnen de EU bestaat hiervoor reeds brede steun.Het kabinet zal de Europese Commissie oproepen de samen-werking te blijven zoeken met gelijkgezinde landen binnen deWTO en de Commissie ondersteunen in de eigen bilateralecontacten.Deze leden vragen daarnaast naar het herstel van een goed functionerendsysteem voor geschillenbeslechting. Welke stappen zet Nederland om deEU-inzet op herstel van de Appellate Body te versterken?3. Antwoord van het kabinet:Nederland is voorstander van hervorming en volledig herstel vanbindende geschillenbeslechting bij de WTO. Momenteel functio-neert het geschillenbeslechtingssysteem van de WTO inderdaadniet naar behoren omdat het beroepsorgaan (het Appellate Body)inactief is. De reden hiervoor is dat de Verenigde Staten (VS) debenoeming van leden van dit beroepsorgaan al enkele jarenblokkeert. Het ligt niet in de lijn der verwachting dat de VS in dekomende jaren deze blokkade zal opheffen, wat betekent dat dehuidige situatie van een geschillenbeslechtingssysteem datonvolledig functioneert zal voortduren. Vandaar dat Nederlandmomenteel vooral inzet op uitbreiding van het ledenbestand vanhet alternatieve beroepsorgaan, het Multi-Party Interim AppealArbitration Arrangement (MPIA). Het MPIA bestaat sinds 2020 enis opgericht als tijdelijk alternatief voor het reguliere beroeps-orgaan. Het ledenbestand van het MPIA is in de afgelopenmaanden weer gegroeid. Momenteel zijn 61 WTO-leden lid vanhet MPIA. Overigens wordt het WTO geschillenbeslechtings-systeem in eerste instantie ook door WTO-leden die geen partijzijn bij het MPIA – waaronder de VS – nog altijd goed gebruikt.En welke landen probeert de EU te bewegen tot deelname aan de MPIAzolang het reguliere beroepsmechanisme niet functioneert?4. Antwoord van het kabinet:De EU is voorstander van een MPIA waar zoveel mogelijkWTO-leden onderdeel van zijn. Een groot ledenbestand isbelangrijk voor een zo goed mogelijk functionerend geschillenbe-slechtingssysteem bij de WTO. Deze boodschap wordt vanuit deEU uitgedragen in bilateraal contact met alle derde landen. Hetledental van het MPIA is inmiddels gegroeid naar 61, zoalsaangegeven in het antwoord op de vorige vraag.Straat van Hormuz / Midden-Oosten en handelDe leden van de D66-fractie maken zich blijvende zorgen over de gevolgenvan de afsluiting van de Straat van Hormuz voor internationale waarde-ketens, energieprijzen en voedselzekerheid. Zij roepen het kabinet op omTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 34173 binnen de EU te pleiten voor een actieve Europese diplomatieke inzetgericht op heropening van deze essentiële handelsroute.Naast de impact op energieprijzen maken deze leden zich grote zorgenover verstoringen in de toeleveringsketens voor kunstmest. Welke impactvoorziet het kabinet op oogsten, zowel in Europa als daarbuiten?5. Antwoord van het kabinet:De Golfregio levert 30 procent van de wereldwijd verhandeldegrondstoffen en kant-en-klare meststoffen. Bijna twee miljoenton kunstmest zit momenteel vast achter de blokkade. De futureprijzen van ureum (een belangrijke grondstof voor kunstmest) zijnruim 70 procent hoger dan begin dit jaar en op het hoogsteniveau sinds oktober 2022. Bij een tekort aan kunstmest missengewassen de bemesting op het juiste moment, dalenopbrengsten, en stijgen voedselprijzen. Het Wereldvoedselpro-gramma waarschuwt dat nog eens 45 miljoen mensen, voorna-melijk in Azië en Afrika, in voedselonzekerheid terechtkomen alsde Straat van Hormuz niet voor medio 2026 weer open gaat.Nederland en Europa zijn voor de import van kunstmest niet ergafhankelijk van het Midden-Oosten. Hoewel er geen lagereoogsten in Europa worden voorzien als gevolg van de blokkade,hebben Nederlandse en Europese boeren wel te maken methogere prijzen.Op welke manier werkt het kabinet, in Europees verband, aan hetproactief verlichten van deze problematiek?6. Antwoord van het kabinet:Voor onder druk staande oogsten buiten Nederland zet hetkabinet zich in voor een gecoördineerde internationale respons,zowel via de EU als via de internationale financiële instellingen.Daarbij is het van belang dat elk instrument op de juiste plekwordt ingezet. Het IMF heeft een centrale rol bij betalingsba-lansdruk, reserves en macro-economische stabilisatie. DeWereldbank en regionale ontwikkelingsbanken kunnen landenondersteunen bij het beschermen van prioritaire uitgaven, socialevangnetten, voedselzekerheid, energievoorziening en hervor-mingen die de weerbaarheid vergroten. International FinanceCorporation (IFC), Multilateral Investment Guarantee Agency(MIGA) en regionale ontwikkelingsbanken kunnen daarnaastbijdragen aan handelsfinanciering, garanties en risicodekkingvoor kritieke importketens, waaronder energie, voedsel,kunstmest en medicijnen.Binnen de EU pleit Nederland voor een respons die snel, gecoördi-neerd en doelgericht is, met aandacht voor de meest kwetsbarelanden. Daarbij moet worden voorkomen dat Europese maatre-gelen, bijvoorbeeld op het gebied van energiezekerheid of opslag,onbedoeld de druk op kwetsbare importerende landen verdervergroten. De inzet van Nederland is dat beperkte middelengericht worden ingezet voor korte-termijn crisisrespons entegelijk moet er aandacht blijven voor de versterking vanstructurele weerbaarheid, waaronder voedselzekerheid, energie-zekerheid en diversificatie van toeleveringsketens.En hoe ondersteunt de EU kwetsbare landen die door stijgende energie-en kunstmestprijzen onevenredig hard worden geraakt?7. Antwoord van het kabinet:De EU ondersteunt kwetsbare landen op meerdere manieren.Allereerst via haar eigen instrumenten, waaronder het GlobalTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 34174 Europe raamwerk, gericht op voedselzekerheid, socialebescherming en energievoorziening. Daarbij is het van belang datsteun terechtkomt bij landen die door hogere energie- enkunstmestprijzen het hardst worden geraakt.Daarnaast zet Nederland erop in dat de EU haar rol als grootsteontwikkelingsfinancier en als belangrijke aandeelhouder in deinternationale financiële instellingen strategisch gebruikt. HetInternational Monetair Fonds (IMF) is daarbij belangrijk voorlanden met betalingsbalansdruk en afnemende reserves. DeWereldbank en regionale ontwikkelingsbanken kunnen helpen omprioritaire uitgaven, sociale vangnetten, voedselzekerheid enenergievoorziening overeind te houden. Voor de private sectorkunnen ontwikkelingsbanken ook handelsfinanciering enrisicodekking inzetten om kritieke importketens, zoals voedsel,kunstmest, energie en medicijnen draaiende te houden.Tot slot is het van belang dat de Europese respons zelf geen extradruk creëert op kwetsbare landen. Europese maatregelen voorenergiezekerheid moeten daarom zo veel mogelijk gecoördineerdzijn en mogen er niet toe leiden dat lage-inkomenslanden verderuit de markt worden gedrukt. Nederland pleit binnen de EU vooreen gerichte, gecoördineerde respons die acute prijsschokkenhelpt opvangen en tegelijk inzet op structurele weerbaarheid,waaronder voedselzekerheid, energietransitie en diversificatievan toeleveringsketens.Handelsakkoorden en diversificatieDe leden van de D66-fractie zijn verheugd dat het EU-Mercosur-akkoordeindelijk gedeeltelijk in werking is getreden. Dit akkoord biedt econo-mische kansen aan beide zijden van de Atlantische Oceaan en draagt bijaan de diversificatie van Europese handelsrelaties, juist nu de geopolitiekesituatie Europa dwingt minder afhankelijk te worden van een beperktaantal handelspartners. Deze leden zien in dat licht ook het belang vanvoortgang op handelsakkoorden met landen als India en Indonesië.De leden vragen daarnaast specifiek aandacht voor de Indo-Pacific. Zijconstateren dat er veel beweging is in de handelsrelatie met ASEAN-landen, waaronder de Filipijnen, Maleisië en Thailand. Juist in een regiodie onder hoge geopolitieke druk staat, is het van belang dat de EU haarrelaties verdiept met belangrijke partners voor de toekomst, die net alsEuropa belang hebben bij vrije handel, weerbare waardeketens en hethooghouden van de internationale rechtsorde. Deze leden vragen hetkabinet daarom hoe het de voortgang in de onderhandelingen met deFilipijnen, Maleisië en Thailand beoordeelt, mede naar aanleiding van devoortgangsrapportage handelsakkoorden. Welke kansen ziet het kabinetom de handelsrelatie met deze landen verder te verdiepen? En hoe zetNederland zich ervoor in dat deze akkoorden bijdragen aan economischeveiligheid en duurzame ontwikkeling?8. Antwoord van het kabinet:Conform de beleidsbrief Buitenlandse Zaken 20261 zet hetkabinet in op verdieping van relaties met gelijkgestemde partnersen middenmachten en spoort het kabinet de Europese Commissieaan tot het sluiten van nieuwe handels- en investeringsverdragen.Hieronder vallen ook de Filipijnen, Maleisië en Thailand. Eenzesde onderhandelingsronde met de Filipijnen is gepland in deweek van 18 mei; een vierde ronde met Maleisië is gepland in junidit jaar; hetzelfde geldt voor de negende onderhandelingsrondemet Thailand, waarmee wederzijdse marktaanboden reeds1open.overheid.nl/documenten/2b716c40-b371-48df-808d-64b330a11546/Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 34175 gewisseld zijn. Het kabinet zet zich in voor economischeveiligheid en duurzame ontwikkeling door, naast lagere tarieven,het belang van afspraken over toegang tot grondstoffen tebenadrukken, evenals afspraken over duurzaamheid en hetstimuleren van lokale economieën. De Kamer wordt via deperiodieke voortgangsrapportage handelsakkoorden op dehoogte gehouden.Algemeen Preferentieel StelselDe leden van de D66-fractie nemen met instemming kennis van hetbereiken van een akkoord over de herziening van het AlgemeenPreferentieel Stelsel. Zij vinden het positief dat gunstige markttoegangnadrukkelijker wordt gekoppeld aan fundamentele arbeidsrechten en deOvereenkomst van Parijs. Tegelijkertijd vragen zij aandacht voor deuitvoerbaarheid hiervan voor partnerlanden. Deelt het kabinet deopvatting dat deze voorwaarden alleen effectief en ontwikkelingsgerichtkunnen zijn wanneer landen ook voldoende worden ondersteund bij denaleving ervan?9. Antwoord van het kabinet:Het kabinet hecht aan de ondersteuning van ontwikkelingslandenbij de implementatie van onder andere arbeidsrechten enduurzaamheidsstandaarden. In de EU verloopt technischeassistentie via het Neighbourhood, Development and Inter-national Cooperation Instrument (NDICI). Dit is het EU instrumentvoor ontwikkelingssamenwerking en nabuurschapsbeleid voor deperiode 2021–2027. Nederland heeft ook diverse programma’s diein ontwikkelingslanden bijdragen aan bijvoorbeeld de verduur-zaming van waardeketens, naleving van arbeidsrecht en hetverbeteren van arbeidsomstandigheden. Bovendien ondersteuntNederland programma’s die de capaciteit van vakbonden enmaatschappelijke organisaties in ontwikkelingslanden vergroten.Hoe zet Nederland zich er binnen de EU voor in dat landen in hetmondiale Zuiden technische assistentie, capaciteitsopbouw en ruimtevoor sociale dialoog krijgen om aan deze duurzaamheidsafspraken tevoldoen?10. Antwoord van het kabinet:Zie het antwoord op vraag 9.Op welke manier worden vakbonden en maatschappelijke organisaties inbegunstigde landen betrokken bij de monitoring en uitvoering van deduurzaamheidsafspraken onder het APS?11. Antwoord van het kabinet:Voor landen die onder het Algemeen Preferentieel Stelsel (APS)extra markttoegang krijgen (de zogenaamde APS+ landenwaarvoor ook extra duurzaamheidsafspraken gelden) is eenspecifiek monitoringsregime van kracht om te toetsen of dezelanden de internationale verdragen opgenomen in de verordeningratificeren en effectief implementeren. De Europese Commissieen de Europese Dienst voor Extern Optreden verzorgen monito-ringsmissies in APS+ landen. Daar spreken zij ook metmaatschappelijke actoren, waaronder met vakbonden enmaatschappelijke organisaties, over de naleving van mensen-rechten, arbeidsrechten, afspraken over milieu- en klimaatbe-scherming en goed bestuur. Op basis van deze monitorings-missies wordt eens in de drie jaar een monitoringsrapportTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 34176 gepubliceerd met aanbevelingen voor het betreffende APS+ land.De naleving van internationale verdragen door standaard APS enEBA (Everything But Arms) landen wordt gemonitord viabestaande dialogen en monitoringsprocedures die losstaan vanhet APS, zoals een EU-mensenrechtendialoog en monitoring doorde VN. In de herziene verordening wordt de belangrijke rol vanhet maatschappelijk middenveld bij monitoring explicietbenadrukt.Handelsrelatie EU-Verenigd KoninkrijkDe leden van de D66-fractie zijn verheugd over de positieve beweging inde relatie tussen de EU en het Verenigd Koninkrijk. Juist in deze geopoli-tieke tijd is nauwere samenwerking met het VK van groot economisch enstrategisch belang. Deze leden nemen met bijzondere instemming kennisvan de herintreding van het VK in het Erasmus+-programma, alsbelangrijke stap in het herstellen van de banden tussen jonge Europeanenen Britten.Deze leden constateren dat de Britse regering inzet op verdere verdiepingvan de relatie met de EU, onder meer via afspraken over voedsel- enlandbouwproducten, vermindering van grensbarrières, samenwerking opemissiehandel en een regeling voor jongerenmobiliteit. Tegelijkertijdblijven de Britse rode lijnen – geen terugkeer naar de interne markt,douane-unie of vrij verkeer – vooralsnog overeind.Hoe beoordeelt het kabinet deze Britse inzet? Deelt het kabinet deopvatting dat Nederland, als handelsland en nauwe partner van het VK,belang heeft bij het zoveel mogelijk verlichten van handelsbarrièresbinnen de politieke ruimte die nu bestaat?12. Antwoord van het kabinet:Het kabinet verwelkomt de huidige toenadering tussen de EU enhet Verenigd Koninkrijk (VK). Conform de beleidsbrief Buiten-landse Zaken 20262 zet het kabinet in op verdieping van relatiesmet gelijkgestemde partners en middenmachten, waaronder hetVK. Daarbij deelt het kabinet de opvatting dat Nederland alshandelsland en nauwe partner van het VK belang heeft bij hetzoveel mogelijk verlichten van handelsbarrières. Het kabinet zetzich in om onderhandelingen over twee akkoorden over sanitaireen fytosanitaire (SPS) zaken en over de koppeling van emissie-handelssystemen (ETS) bij een volgende EU-VK Top af te ronden.Voorwaarden zijn dat de integriteit van de interne markt gewaar-borgd blijft en de afspraken bijdragen aan een gelijk speelveld.Welke concrete stappen ziet het kabinet om de handelsrelatie met het VKverder te verdiepen, bijvoorbeeld op het terrein van SPS-afspraken,douanesamenwerking, wederzijdse erkenning, emissiehandel, energie,beroepskwalificaties en jongerenmobiliteit? Deze leden vragen hoeNederland zich binnen de EU opstelt richting een bredere EU-VK-reset. Ishet kabinet bereid te pleiten voor een ambitieuze inzet, waarbij handels-barrières worden verminderd, samenwerking op energie en klimaat wordtverdiept en uitwisseling van studenten, jongeren en professionals verderwordt vergemakkelijkt?13. Antwoord van het kabinet:Het VK is en blijft voor NL en de EU een zeer belangrijke partner.Het VK en de Europese Commissie werken aan verdieping van derelatie op basis van het Common Understanding opgesteld tijdensde eerste EU-VK Top. De Commissie en het VK hebben zich2open.overheid.nl/documenten/2b716c40-b371-48df-808d-64b330a11546/Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 34177 gecommitteerd aan drie resultaten bij de volgende Top, die naarverwachting eind juni zal plaatsvinden. Het gaat om de genoemdeakkoorden over sanitaire en fytosanitaire zaken, koppeling vanemissiehandelssystemen en jeugdmobiliteit. Nederland pleittevens voor een snelle start van onderhandelingen overaansluiting van de elektriciteitsmarkten (conform het BNC-fiche3)en de daaraan gekoppelde onderhandelingen over een cohesiebij-drage van het VK, in lijn met het aangenomen Raadsmandaat. Ophet gebied van buitenland, veiligheid- en defensiebeleid vindtnauwe samenwerking plaats tussen EU lidstaten en het VK. Hetkabinet ziet kansen om samenwerking op het gebied van bijvoor-beeld defensie-industrie te versterken.Handelsrelatie EU-Verenigde StatenDe leden van de D66-fractie nemen met teleurstelling kennis van derecente dreigingen van de Amerikaanse president om tarieven op deEuropese auto-industrie te verhogen. Zij constateren dat president Trumpde EU een deadline van 4 juli 2026 heeft gesteld om de afspraken uit deTurnberry-deal uit te voeren, met de dreiging van hogere tarieven indiende EU dat niet doet. Daarbij is onder meer gesproken over een verhogingvan autotarieven van 15 naar 25 procent.Deze leden benadrukken dat zij nog altijd zorgen hebben over de matewaarin de Verenigde Staten zich gebonden achten aan de afspraken die inTurnberry zijn gemaakt. Ook recente Amerikaanse waarschuwingen datbroodnodig Europees beleid rond technologische soevereiniteit strijdigzou zijn met handelsafspraken, dragen bij aan deze zorgen.Hoe reflecteert het kabinet op deze dreigementen en uitspraken vanuitAmerikaanse zijde? Deelt het kabinet de zorg dat de betrouwbaarheid vande Verenigde Staten als handelspartner onder druk staat wanneertariefdreigingen worden ingezet terwijl de EU bezig is met democratischeen wetgevende procedures?14. Antwoord van het kabinet:Het kabinet zet zich in voor een snelle implementatie van deTurnberry deal aan EU-zijde. Daarbij geldt dat het kabinet erop zalletten dat ook de VS zich aan de afspraken houdt, waarbij hetmogelijk moet zijn de implementatie aan EU zijde op te schortenindien dat niet het geval is.Voor wat betreft wet- en regelgeving geldt dat eventueleverschillen van inzicht kunnen bestaan in de trans-Atlantischerelatie maar niet horen te worden geadresseerd door middel vaneconomische machtsmiddelen, dreigementen of dwang.Nederland zal binnen de EU blijven benadrukken dat Europesewet- en regelgeving niet ter discussie kan staan onder druk vanderde landen. Dit standpunt wordt in de EU breed gedeeld doorandere lidstaten en de Europese Commissie.Hoe beoordeelt het kabinet de spanning tussen enerzijds snelle inwerking-treding van de Turnberry-afspraken en anderzijds de noodzaak om de EUvoldoende te beschermen tegen nieuwe Amerikaanse tariefmaatregelen?15. Antwoord van het kabinet:De Amerikaanse heffingen en de aanhoudende onzekerheid diedaarmee gepaard gaat, zijn in niemands voordeel. Tegelijkertijdblijven de Verenigde Staten (VS) een van de belangrijkstehandelspartners van zowel Nederland als de EU. In het oordeelvan het kabinet is de EU nog altijd beter af mét de Turnberry3Kamerstuk 21 112, nr. 4265.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 34178 afspraken dan zonder. Een situatie waarin de meeste heffingenaan VS-zijde zijn geplafonneerd op 15 procent is beter dan eensituatie zonder een dergelijk plafond. De gemaakte afsprakenbieden bovendien een basis voor verdere onderhandelingen.Daarbij beschikt de EU over voldoende instrumenten om deEuropese belangen te beschermen, mocht de VS haar afsprakenonder de Turnberry deal niet nakomen.Deze leden achten, ondanks de duidelijke mankementen, snelle inwerking-treding van het akkoord van belang om verdere escalatie in de trans-Atlantische handelsrelatie te voorkomen. Tegelijkertijd vragen zij hoe hetkabinet aankijkt tegen aanvullende waarborgen om de Amerikaanse zijdedaadwerkelijk aan de afspraken te binden. Ziet het kabinet voldoendehandvatten in het bestaande akkoord om te reageren op nieuwe Ameri-kaanse tarieven?16. Antwoord van het kabinet:Ja. Wat betreft de EU-verordeningen is het voor het kabinet vanbelang dat er voldoende bijsturingsmogelijkheden zijn mocht deVS zich niet aan haar afspraken houden. Daarom heeft Nederlandzich in de Raad uitgesproken voor een stevige monitorings- enevaluatieclausule, zodat de impact van de EU-tariefverlagingen enimplementatie aan VS-zijde goed kunnen worden gevolgd. Daarbijmoet de mogelijkheid bestaan om de tariefverlagingen op teschorten bij niet-naleving van afspraken door de VS, zoals ookexpliciet opgenomen in de Raadspositie. Ook het EuropeesParlement is hier voorstander van. In meer algemene zin heeft deEU voldoende instrumenten om te reageren als de VS haarafspraken niet nakomt.Hoe beoordeelt het kabinet de inzet van het Europees Parlement voorclausules die tariefpreferenties kunnen opschorten wanneer de VS nieuwetarieven invoert, en voor een zogenoemde sunrise clause waarbijEU-concessies pas ingaan zodra de VS haar verplichtingen nakomt?17. Antwoord van het kabinet:De kabinetsinzet is gericht op een goede implementatie van deTurnberry deal, aan beide zijden van de Atlantische Oceaan. Hetis daarom zaak dat aan EU-zijde de triloog onderhandelingen overde EU-verordeningen ter implementatie van de Turnberry dealspoedig worden afgerond. Dat geeft de EU een betere uitgangs-positie om de VS aan te spreken op de implementatie aanVS-zijde op die punten waar de EU ontevreden is, zoals deheffingen op staal- en aluminiumderivaten, en om de gesprekkenover verdere carve outs met de VS te hervatten.Het kabinet is geen voorstander van een sunrise clausule; eendergelijke clausule brengt het risico met zich mee dat de imple-mentatie van het Joint Statement in een patstelling belandt.Zoals ook beschreven in het antwoord op de vorige vraag is hetkabinet voorstander van maatregelen die erop zien dat de EUhaar zijde van de deal kan opschorten als de VS de gemaakteafspraken niet nakomt.Handelsrelatie met Israël en illegale nederzettingenDe leden van de D66-fractie nemen met teleurstelling kennis van hetuitblijven van voldoende steun, ook bij besluitvorming met gekwalifi-ceerde meerderheid, voor Europese maatregelen in de handelsrelatie metIsraël in brede zin, en voor een Europees handelsverbod op producten uitillegale nederzettingen in het bijzonder.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 34179 Deze leden constateren dat de Raad Buitenlandse Zaken Handel eenlogisch moment biedt om opnieuw te pleiten voor een Europeeshandelsverbod op producten uit illegale nederzettingen. Is het kabinetbereid zich tijdens de RBZ Handel actief uit te spreken voor Europesehandelsmaatregelen tegen illegale nederzettingen?18. Antwoord van het kabinet:Zoals uw leden constateren was er tijdens de Raad BuitenlandseZaken (RBZ) van 11 mei jl. onvoldoende draagvlak voor Europesemaatregelen op het gebied van handel. Het kabinet blijft zichinspannen om het draagvlak voor maatregelen in EU-verband tevergroten, parallel aan de inzet voor nationale maatregelen omproducten uit de onrechtmatige nederzettingen in de door Israëlbezette gebieden te weren. EU-maatregelen hebben de voorkeurvan het kabinet, omdat deze doorgaans effectiever zijn, endaarmee een grotere impact hebben, dan nationale maatregelen.Deze inzet van het kabinet zal tijdens de RBZ Handel wordenbesproken met andere EU-handelsministers.Wat is de inzet van het kabinet om lidstaten die zich hiertegen verzettenalsnog te overtuigen? Hoe benut het kabinet de mogelijkheden om metgelijkgezinde lidstaten een coalitie te vormen, om zo de invloed enovertuigingskracht richting terughoudende lidstaten te vergroten?19. Antwoord van het kabinet:Het kabinet zal zich in lijn met relevante moties en toezeggingenaan het parlement blijven inzetten voor het vergroten vandraagvlak voor EU-maatregelen. Het kabinet staat hiervoor incontact met zowel gelijkgezinde lidstaten, als lidstaten dieaanname van EU-maatregelen nog niet steunen. Tegelijkertijdblijft het kabinet samenwerken met landen die net als Nederlandnationale maatregelen hebben aangekondigd ten aanzien van dehandel in goederen afkomstig uit de onrechtmatige nederzet-tingen, met als doel om informatie uit te wisselen en waarmogelijk de effectiviteit en onderlinge coherentie van nationalemaatregelen zoveel mogelijk te bevorderen.Deze leden blijven daarnaast aandringen op het voortvarend presenterenvan een nationaal handelsverbod op producten uit illegale nederzettingen,indien Europese besluitvorming uitblijft.Russisch lng en economische veiligheidDe leden van de D66-fractie nemen met zorg kennis van berichtgeving datNederland in de eerste drie maanden van dit jaar nog altijd 12 procent vanhet geïmporteerde vloeibare gas uit Rusland betrok. Zij constateren dat ditmoeilijk te rijmen is met de inzet om Europese afhankelijkheid vanRussische energie zo snel mogelijk af te bouwen en te voorkomen datEuropese betalingen de Russische oorlogskas blijven spekken.Hoe beoordeelt het kabinet deze aanhoudende import van Russisch lng?Kan het kabinet uitsplitsen welk deel hiervan daadwerkelijk voor Neder-lands gebruik bestemd is en welk deel via Rotterdam wordt doorgevoerdnaar andere Europese landen?20. Antwoord van het kabinet:Het kabinet heeft zich in EU-verband de afgelopen jaren hardingezet voor de afbouw van de import van Russische olie en gas.Per 1 januari 2027 zijn alle LNG-importen per REPowerEU-verordening en sanctiewetgeving verboden. Het Russisch LNG datnog binnenkomt via de GATE terminal, wordt geïmporteerd opTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 341710 basis van langetermijncontracten die marktpartijen ruim voor deRussisch inval in Oekraïne met Russische producenten hebbengesloten. Conform het 19de sanctiepakket en de zogenaamdeREPowerEU verordening (Verordening (EU) 2026/261) mag dezeimport tot uiterlijk 31 december 2026 doorgaan.Het is niet aan te geven welk deel van dit Russisch gas wordtgebruikt in Nederland en welk deel wordt doorgevoerd naarandere landen. Dat gas wordt vanuit de GATE terminal ingevoerdin het Nederlandse gastransportnet waar het wordt gemengd metgas uit andere bronnen (bijoorbeeld de Nederlandse kleine veldenen Noorwegen) waarna niet meer valt te achterhalen waar deRussische moleculen blijven.Welke mogelijkheden ziet het kabinet om de import van Russisch lngsneller af te bouwen dan de Europese deadline van begin 2027, zonder deleveringszekerheid onevenredig te raken?21. Antwoord van het kabinet:Het kabinet deelt de ambitie om de import van Russisch LNG naarEuropa zo snel mogelijk te reduceren.Op dit moment binnen de EU biedt de REPowerEU-verordening demogelijkheid om de import van Russisch LNG uiterlijk per31 december 2026 te beëindigen.Het kabinet ziet echter geen mogelijkheid om de import vanRussisch gas eenzijdig sneller af te bouwen. Dit hangt samen methet feit dat het hier gaat om een EU-bevoegdheid en een geregu-leerde interne markt, waarbij importbeperkingen niet doorafzonderlijke lidstaten eenzijdig kunnen worden opgelegd, enwaarin het kabinet bovendien geen mogelijkheden heeft om in tegrijpen in reeds gesloten lange termijncontracten tussen markt-partijen.Het kabinet blijft zich in EU-verband inzetten voor snelle enconsequente afbouw van de import van Russisch LNG binnen hetafgesproken EU-kader. Het kabinet zet daarnaast actief in opdiversificatie van importstromen.En is het kabinet bereid zich in EU-verband te verzetten tegen uitstel vanhet volledige verbod op Russisch lng, ook nu de afsluiting van de Straatvan Hormuz druk zet op de wereldwijde lng-markt?22. Antwoord van het kabinet:Het kabinet is volledig gecommitteerd aan het doel om hetRussische verdienvermogen verder te ondermijnen en de importvan Russisch lng naar de Europese Unie volledig uit te faseren.Uitstel van de overeengekomen data in het kader van deRuslandsancties en van het RePowerEU-afbouwplan is wat hetkabinet betreft dan ook niet aan de orde.Oeigoerse dwangarbeidDe leden van de D66-fractie blijven grote zorgen houden over productendie mogelijk met Oeigoerse dwangarbeid tot stand zijn gekomen. Zijwijzen op recente berichtgeving van Nieuwsuur dat de import vangoederen uit Xinjiang naar Nederland de afgelopen jaren is verzesvoudigden vorig jaar bijna 500 miljoen euro bedroeg, ondanks de ernstigemensenrechtenschendingen tegen Oeigoeren en andere minderheden inde regio. Ook zou Nederland een deadline hebben gemist voor deaanwijzing van een toezichthouder onder de nieuwe Europese regelstegen producten die met dwangarbeid zijn gemaakt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 341711 Kan het kabinet toelichten waarom het de motie-Van Baarle/Bamenga alsuitgevoerd beschouwt, terwijl de handel met Xinjiang toeneemt en depraktische handhaving nog in voorbereiding lijkt?23. Antwoord van het kabinet:Het kabinet veroordeelt gedwongen arbeid waar ook ter wereld,en deelt de zorgen over de situatie van de Oeigoeren. DeAnti-dwangarbeidverordening is een belangrijk Europeesinstrument om dwangarbeid wereldwijd tegen te gaan. De regelsvoor bedrijven gaan gelden vanaf 14 december 2027. Vanaf datmoment zal er ook gehandhaafd worden.De Europese Commissie wordt verantwoordelijk voor hetonderzoek doen naar en vaststellen van producten gemaakt metdwangarbeid buiten de Europese grenzen, waaronder in China.Het is dus van belang dat zij op de hoogte zijn van het risico opdwangarbeid aldaar en goed voorbereid zijn op het toezicht en dehandhaving van de verordening. In lijn met de moties Van Baarle4en Van Baarle/Bamenga5 heeft Nederland de afgelopen jarenregelmatig aandacht gevraagd bij de Commissie over het belangvan het tegengaan van Oeigoerse dwangarbeid. De Commissie ismede dankzij de inzet van Nederland beter geïnformeerd over hetrisico op dwangarbeid in China.Daarnaast zet Nederland zich in om bedrijven actief te infor-meren over de Anti-dwangarbeidverordening en hen te onder-steunen bij het toepassen van gepaste zorgvuldigheid. Daarnaastvinden er regelmatig gesprekken plaats met het bedrijfsleven enandere stakeholders over de verordening. Bedrijven kunnen onderandere terecht bij het MVO-steunpunt (RVO) en het posten-netwerk in China voor informatie en ondersteuning.In het antwoord op vraag 25 hieronder wordt nader ingegaan ophet toezicht in Nederland door een nog aan te wijzen Nederlandsetoezichthouder.Welke concrete stappen zet het kabinet om producten die met Oeigoersedwangarbeid zijn gemaakt van de Nederlandse en Europese markt teweren?24. Antwoord van het kabinet:Zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 23 wordt de EuropeseCommissie verantwoordelijk voor het onderzoek doen naar envaststellen van producten gemaakt met dwangarbeid buiten deEU-grenzen, waaronder in China vervaardigde producten.Nederland heeft de afgelopen jaren op verschillende momenten inhet kader van de Anti-dwangarbeidverordening aandachtgevraagd voor het belang van het tegengaan van Oeigoersedwangarbeid. Daarnaast worden bedrijven actief geïnformeerdover de verordening en ondersteund bij het toepassen vangepaste zorgvuldigheid.Wanneer wordt de Nederlandse toezichthouder aangewezen?25. Antwoord van het kabinet:Lidstaten moesten voor 14 december 2025 één of meerderetoezichthouder(s) aanwijzen. Aan die verplichting is gedeeltelijkvoldaan. Een aantal markttoezichthouders, namelijk de Neder-landse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), Inspectie Leefom-geving en Transport (ILT), Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA) en4Kamerstukken 36 600 V, nr. 53 en Kamerstuk 35 207, nr. 90.5Kamerstuk 36 800 XVII, nr. 41.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 341712 Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), zijn aan de Commissiedoorgegeven voor de handhaving van het verbod wanneerdwangarbeid is vastgesteld. De Kamer is hierover geïnformeerdvia de geannoteerde agenda voor de RBZ Handel van 19 en20 februari jl. Daarnaast moet elke lidstaat één leidendebevoegde autoriteit aanwijzen. Het ministerie voert al geruimetijd gesprekken met verschillende partijen die geschikt kunnenzijn. Deze rol omvat meerdere taken, waaronder het beoordelenvan ingediende informatie, het onderzoek doen naar productengemaakt met dwangarbeid in Nederland, en het nemen vanbesluiten of het verbod geschonden is. Het ministerie heeftsamen met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheidde gesprekken met potentiële kandidaten voor de rol vanleidende bevoegde autoriteit geïntensiveerd. Het kabinet streefternaar op korte termijn een leidende bevoegde autoriteit aan tewijzen. Zoals aangegeven in de beantwoording van vraag 23 en24 hierboven treedt de Europese Commissie voor gevallen vandwangarbeid buiten de EU op als leidende bevoegde autoriteit.En is het kabinet bereid ervoor te pleiten dat Xinjiang expliciet alsrisicoregio wordt opgenomen in de Europese risicodatabase?26. Antwoord van het kabinet:Ja, daar is het kabinet toe bereid.Inbreng leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan de geannoteerde agenda met de inzet voor de Raad BuitenlandseZaken Handel van 22 mei 2026 en de overige stukken. In een wereld vantoenemende geopolitieke spanningen en instabiliteit benadrukt volgensde leden van de VVD-fractie nog maar eens het belang van een actief,strategisch en realistisch handelsbeleid. Deze leden hebben nog eenaantal vragen.De leden van de VVD-fractie benadrukken dat de trans-Atlantische relatiede hoeksteen van onze economische welvaart vormt. Deze ledenconstateren dat er vanuit Washington stevige kritiek bestaat op de trageEuropese uitvoering van het Turnberry-akkoord. Zij geven aan dat hoeweler vaak kritiek is op Washington, we ook eerlijk moeten zijn dat deVerenigde Staten wel een punt hebben als het gaat om trage Europeseuitvoering van het Turnberry-akkoord. De Verenigde Staten zijn degrootste buitenlandse investeerder in Nederland, terwijl Nederlandtegelijkertijd behoort tot de grootste investeerders in de Verenigde Staten.Dat wederzijdse belang vraagt volgens deze leden om nuchterheid,strategisch inzicht en een pragmatische koers.De leden van de VVD-fractie steunen daarom de-escalatiestrategie vanbondskanselier Merz. Wat deze leden betreft moet Europa laten zien dathet gemaakte afspraken serieus neemt in plaats van de confrontatie op tezoeken. Zij vragen de Minister daarom hoe hij er in Europees verband opaandringt dat de Europese Unie sneller uitvoering geeft aan de afsprakenuit het Turnberry-akkoord. Welke concrete stappen zet Nederland ombinnen de Europese Unie meer tempo te maken?27. Antwoord van het kabinet:De kabinetsinzet is gericht op een goede implementatie van deTurnberry deal, aan beide zijden van de Atlantische Oceaan. Hetkabinet zet in dat verband in op spoedige afronding van detriloog onderhandelingen over de EU-verordeningen ter imple-mentatie van de Turnberry deal aan EU-zijde. De verwachting isdat deze triloog spoedig kan worden afgerond. Het kabinet zalTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 341713 zich in de Raad opnieuw uitspreken voor een spoedige implemen-tatie aan EU-zijde.Tegelijkertijd vinden de leden van de VVD-fractie wel dat moet wordenvoorkomen dat instrumenten als het Anti-Coercion Instrument licht-vaardig worden ingezet. Wat deze leden betreft dient dit instrumentuitsluitend te worden gebruikt als drukmiddel bij ernstige geopolitiekechantage of existentiële dreigingen. Diplomatie richting onze belangrijkstehandelspartner moet volgens deze leden altijd maximaal worden benutvoordat verdere economische tegenmaatregelen worden overwogen.Ten aanzien van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) constateren de ledenvan de VVD-fractie dat de uitkomsten van de 14e Ministeriële Conferentiein Yaoundé teleurstellend zijn. Deze leden maken zich in het bijzonderzorgen over het uitblijven van structurele WTO-hervormingen en hetaflopen van het e-commerce moratorium. Wat de leden betreft verliesteen Wereldhandelsorganisatie die structurele hervormingen blijftuitstellen haar geloofwaardigheid. Sinds 1998 vormt dit moratorium, datinvoerrechten op digitale overdrachten zoals software, data en streaming-diensten voorkomt, een fundament onder de wereldwijde digitaleeconomie. Het wegvallen daarvan creëert volgens deze leden groteonzekerheid voor bedrijven en dreigt te leiden tot een versnippering vannationale digitale heffingen. Deze leden vragen daarom hoe de Ministerde risico’s voor de Nederlandse techsector en digitale handel beoordeeltnu het moratorium onder druk staat. Welke inzet pleegt Nederland binnende WTO om alsnog tot verlenging van het moratorium of alternatieveinternationale afspraken te komen?28. Antwoord van het kabinet:Uiteraard betreurt het kabinet dat het niet gelukt is om hete-commerce moratorium opnieuw te verlengen tijdens de14e Ministeriële Conferentie (MC14) van de WTO. De EU zal zichblijven inspannen om tot een oplossing te komen, waarbij hetuitgangspunt blijft dat voorkomen moet worden dat landenheffingen op elektronische transmissies invoeren. In dat licht ishet positief dat 66 WTO-landen, waaronder de EU, tijdens MC14zijn overeenkomen om het zogenoemde E-Commerce Agreement(ECA) op voorlopige basis toe te gaan passen.6 Dit plurilateraleakkoord bevat onder meer een verbod op elektronische heffingendat vergelijkbaar is met het e-commerce moratorium. Bovendienbevatten een aantal recente EU-handelsovereenkomsten eenvergelijkbaar verbod op heffingen op elektronische transmissies,waardoor in de handelsrelaties met een aanzienlijk aantal anderelanden rechtszekerheid op dit punt geborgd blijft.Daarnaast vragen de leden van de VVD-fractie nadrukkelijk aandacht voorde positie van China binnen de WTO. Deze leden vinden het niet langeruitlegbaar dat de tweede economie ter wereld zich nog altijd beroept opde status van ontwikkelingsland. Daardoor blijft China volgens deze ledenruimte houden voor grootschalige staatssteun, marktverstoring enoneerlijke concurrentie, zonder de verantwoordelijkheden te dragen diepassen bij zijn economische gewicht.De leden van de VVD-fractie vragen de Minister daarom welke concretestappen Nederland samen met gelijkgestemde partners zet om de druk opChina binnen de WTO op te voeren. Welke instrumenten of beperkendemaatregelen worden overwogen indien China blijft weigeren zijn status enverplichtingen aan te passen aan de economische realiteit van vandaag?29. Antwoord van het kabinet:6https://docs.wto.org/dol2fe/Pages/SS/directdoc.aspx?filename=Q:/WT/MIN26/W26.pdfTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 341714 De drieslag van China als handelspartner, concurrent en systeem-rivaal blijft onverminderd van belang.7 Daarbij deelt het kabinetde zorgen over het Chinese industrie- en handelsbeleid, die ookbreder in de EU leven. Nederland zet zich in EU-verband dan ookin voor een versterking van het gelijk speelveld tussen industriëlesectoren, via onder andere een effectieve inzet van het EUhandelsinstrumentarium.De status van ontwikkelingsland bij de WTO is een classificatiedie landen voor zichzelf mogen bepalen en waarvoor geenvastgestelde criteria gelden. China heeft recent aangekondigd omin toekomstige WTO-overeenkomsten niet langer aanspraak tezullen maken op bepaalde voordelen die ontleend kunnen wordenaan de status van ontwikkelingsland. Het kabinet beschouwt ditals een logisch en positief besluit, maar constateert tegelijk datChina in WTO-verband nog steeds aan de status van ontwikke-lingsland vasthoudt. Nederland zal in EU-verband blijvenbenadrukken dat landen in de WTO geen oneigenlijk beroepmogen doen op de voordelen die de status van ontwikkelingslandkan bieden.De leden van de VVD-fractie benadrukken dat in een wereld waarin deWTO steeds vaker vastloopt, handelsverdragen belangrijker worden. Zijconstateren dat het succes van CETA laat zien dat stabiele envoorspelbare handelsafspraken een krachtig antwoord vormen optoenemend mercantilisme en economische fragmentatie.De leden van de VVD-fractie zijn van mening dat de Europese Unie hierineen unieke positie heeft. De betrouwbaarheid van Europa maakt deEuropese Unie aantrekkelijk voor landen die niet willen kiezen tussenWashington en Beijing. Wat deze leden betreft moet de Europese Uniedaarom veel intensiever samenwerken met landen zoals Japan,Zuid-Korea, Australië en Canada, niet alleen via afzonderlijke handelsver-dragen, maar ook via een breder strategisch netwerk gericht op econo-mische veiligheid, leveringszekerheid en kritieke grondstoffen.De leden van de VVD-fractie vragen de Minister daarom of hij mogelijk-heden ziet voor een bredere alliantie van gelijkgestemde middelmachtenop het gebied van economische veiligheid, kritieke grondstoffen en debescherming van vitale maritieme handelsroutes. Kan de Ministerdaarnaast een concreet tijdpad schetsen voor wanneer een formele topmet deze partners zou kunnen plaatsvinden om dergelijke afspraken naderuit te werken en vast te leggen?30. Antwoord van het kabinet:Het kabinet deelt het beeld dat een grote rol is weggelegd voorde EU op het gebied van economische veiligheid, zoals ookverwoord in de beoordeling van de Mededeling «Versterking vande economische veiligheid van de EU»8 die op 30 januari aan uwKamer is gestuurd. Zoals in de Beleidsbrief Buitenlandse Zaken20269 uiteengezet, wil Nederland zijn risicovolle strategischeafhankelijkheden afbouwen en de economische veiligheidversterken, onder meer via diversificatie van handelspartners,innovatie en gerichte investeringen, en door het verbreden enverdiepen van partnerschappen met gelijkgezinde landen,waaronder middelmachten als Japan, Zuid-Korea, Australië enCanada.7Kamerstukken II, 2025/26, 36 696, nr. 3.8Kamerstuk II, 2025/26, 22 112, nr. 42399Kamerstuk 36 800 V, nr. 103Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 341715 Het kabinet onderkent dat economische veiligheid alleen ingezamenlijkheid kan worden versterkt. Nederland werkt daaromal nauw samen met Europese partners en andere gelijkgestemdelanden binnen bestaande kaders, zoals de EU, de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO), de G7 (via de EU) en viathematische partnerschappen op het gebied van economischeveiligheid, kritieke grondstoffen en halfgeleiders. Hoewel hetkabinet op dit moment geen aanleiding ziet om een afzonderlijkeformele top te organiseren, is het wel de inzet om de samen-werking met deze gelijkgezinde landen verder te verdiepen enconcretiseren.Inbreng leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennis genomen van deagenda voor de Raad Buitenlandse Zaken Handel van 22 mei 2026 enhebben hier nog enkele vragen en opmerkingen over.De leden lezen dat de Raad tijdens de lunch zal spreken over de imple-mentatie van handelsakkoorden. In dat kader hebben de leden van dezefractie enkele vragen over Investor-State Dispute Settlement (ISDS), hetmechanisme in internationale investeringsverdragen dat buitenlandseinvesteerders het recht geeft om een staat aan te klagen buiten denationale rechtbanken om. De leden wijzen erop dat Nederland zelfbijvoorbeeld geconfronteerd wordt met rechtszaken van ExxonMobil enShell vanwege de sluiting van het gasveld in Groningen.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen het kabinet of zijherinneren dat eind vorige maand in Colombia een historische conferentieplaatsvond, de eerste conferentie over de transitie weg van fossielebrandstoffen, gezamenlijk georganiseerd door Colombia en Nederland, enof zij herinneren dat daar op de agenda specifiek werd verwezen naarISDS als een obstakel voor een groene transitie. Ook vragen zij het kabinetof zij bekend zijn met de vooraf aan de conferentie verstuurde brief door220 economen en rechtsgeleerden aan de Colombiaanse presidentGustavo Petro, waarin zij oproepen tot maatregelen inzake ISDS.31. Antwoord van het kabinet:Tijdens de eerste conferentie «Transitioning away from FossilFuels» is inderdaad onder meer gesproken over het investeerder-staatgeschillenbeslechtingsmechanisme (ISDS). Investeringsbe-schermingsovereenkomsten (IBO’s), waarvan ISDS deel kanuitmaken, hebben als doel investeringen van de investeerder vande ene verdragspartij op het grondgebied van de andere verdrags-partij bescherming te bieden in aanvulling op de bescherming dievoortvloeit uit nationale wetten en regelingen van de verdrags-partijen. Investeringsbescherming draagt daarmee bij aan hetversterken van het investeringsklimaat, waaronder ten behoevevan investeringen die nodig zijn voor de groene transitie. Hetkabinet is op de hoogte van de brief die is verstuurd aanpresident Gustavo Petro. Het kabinet zet in op modernisering vanhet ISDS systeem en niet op de afschaffing daarvan.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen zich af of de Minister kanuitweiden over de discussies die zijn gevoerd over ISDS op deze confe-rentie. De Nederlandse regering liet bij monde van Minister vanVeldhoven na afloop weten dat «verschillende partijen en verschillendelanden verschillende standpunten» hadden ingenomen, maar niet welkestandpunten. De leden vragen welke positie de Nederlandse regeringheeft ingenomen in de discussies over ISDS. Deelt de Nederlandseregering de mening van de Colombiaanse Minister Irene Vélez Torres, diezei dat ISDS regeringen al jaren belemmert om doortastender klimaat-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 341716 maatregelen te nemen, en die een stappenplan heeft ontwikkeld om uitISDS te stappen? Erkent de Minister, net als zijn Colombiaanse collega,dat ISDS een obstakel vormt voor de groene transitie? Zo nee, waaromniet?32. Antwoord van het kabinet:Over ISDS wordt inderdaad verschillend gedacht door verschil-lende landen en door verschillende maatschappelijke organi-saties. Nederland heeft tijdens de conferentie aangegevenvoorstander te zijn van een hervorming van het ISDS mechanismeen in te zetten op een modernisering van het systeem op zowelnationaal, Europees als multilateraal niveau. Nederlandbeschouwt het ISDS systeem niet als een obstakel voor deenergietransitie. Het ISDS-systeem is sectorneutraal, dus ookinvesteringen die noodzakelijk zijn voor de transitie wordenhierdoor beschermd, zoals ook aangegeven in het antwoord op devorige vraag.Welke positie gaat Nederland innemen bij toekomstige verdragen die tertafel komen als daarin een vorm van ISDS is opgenomen? Hoeveelbilaterale of multilaterale handels- en investeringsverdragen waarinNederland op dit moment partij is, bevatten een vorm van ISDS? Welkedaarvan lopen binnen deze kabinetsperiode af? Welke van de vrijhandels-verdragen of investeringsverdragen die nu door Europa in onderhan-deling zijn (onder andere met Indonesië, India, en Mexico) bevatten eenvorm van ISDS?33. Antwoord van het kabinet:Het kabinet hecht belang aan investeringsbeschermingsverdragenen beschouwt dergelijke verdragen als één van de instrumentenvoor een actief en ambitieus internationaal handels- en investe-ringsbeleid. Derhalve staat Nederland in beginsel positieftegenover toekomstige verdragen die ISDS elementen bevatten.Dit wel met inachtneming van de inzet op modernisering van hetISDS-systeem, zoals is voorzien in het Nederlandse en Europesebeleid ten aanzien van ISDS10.Op dit moment is Nederland partij bij ongeveer 75 in werkingzijnde handels- en investeringsverdragen die een vorm van ISDSbevatten. Geen van deze verdragen loopt tijdens deze kabinetspe-riode af.In de Voortgangsrapportage handelsakkoorden van 6 mei jl.11 isuw Kamer geïnformeerd over de status van de lopende onderhan-delingen en recent afgeronde akkoorden. Wat betreft de EUvrijhandels- en investeringsverdragen waar ISDS onderdeel vanis, lopen op dit moment enkel nog onderhandelingen over eeninvesteringsbeschermingsakkoord met India. De onderhande-lingen tussen de EU en Indonesië over een investeringsbescher-mingsovereenkomst zijn in oktober 2025 afgerond. De onderhan-delingen over de gemoderniseerde EU-Mexico Global Agreementzijn in januari 2025 afgerond. Dit gemoderniseerde verdrag bevatbepalingen over de totstandkoming van een permanent investe-ringshof (Investment Court System) dat bestaat uit een Gerechtvan eerste aanleg en een Hof van Beroep. De procedures voor hetinvesteringshof zullen transparant zijn en de mogelijkheid biedenvoor inbreng van geïnteresseerde derden die een relevant belanghebben bij het geschil. Daarnaast zijn er gedragscodes10Kamerstuk II, 2018/19, 34 952 nr. 32.11Bijlage bij de Geannoteerde agenda voor de Raad Buitenlandse Zaken – Handel, 22 mei 2026,TK 21 501-02, nr. 3393Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 341717 opgenomen die de onafhankelijkheid van de leden van hetinvesteringshof moeten garanderen. Het kabinet beschouwt dezeafspraken als een belangrijke stap in de modernisering van hetinternationale ISDS-systeem.Over het handelsverdrag met Indonesië vragen de leden van deGroenLinks-PvdA-fractie zich af hoe risico’s op ontbossing en landrechtenbij de uitvoering van dit verdrag worden gewaarborgd. Hoe kijktNederland naar het idee om de handelsvolumes van producten metontbossingsrisico naar de EU na de invoering bij te houden, om te zien ofer daadwerkelijk sprake is van een stijging?34. Antwoord van het kabinet:In het bijhouden van handelsvolumes is het niet mogelijk omonderscheid te maken tussen producten met een ontbossings-risico en producten die daadwerkelijk bijgedragen hebben aanontbossing. Bovendien zal onder de EU Verordening Ontbossings-vrije producten een verbod opgelegd worden aan het op deEU-markt brengen van producten die bijgedragen hebben aanontbossing. Het handelsakkoord heeft geen impact op de eisenvan de ontbossingsverordening.Is Nederland het eens dat de EU aanzienlijke middelen en diplomatiekeinspanningen moet inzetten om duurzame productie te stimuleren inpartnerlanden zoals Indonesië? En is de Nederlandse regering het eensdat het maatschappelijk middenveld een rol moet krijgen in het houdenvan toezicht op de wijze waarop het Palmolieprotocol moet wordenuitgevoerd?35. Antwoord van het kabinet:Nederland is een belangrijke toevoerhaven naar Europa en streeftmede daarom naar een gelijk speelveld binnen de EU op hetgebied van duurzame handel. Nederland roept daarom de EU enandere lidstaten op om met eenduidige lijnen te komen richtingpartnerlanden, inclusief Indonesië, om duurzame productie testimuleren. In multilaterale context zet het kabinet in op hetverhogen van productiestandaarden wereldwijd. In handelsak-koorden en andere bilaterale instrumenten zet het kabinet ook inop het maken van afspraken over verduurzaming van productie.Middels unilaterale wetgeving zoals de EU Verordening Ontbos-singsvrije Producten wordt duurzame productie in partnerlandeneveneens gestimuleerd. Hierbij wordt ook bijgedragen aanflankerend beleid ter ondersteuning van implementatie van dezewetgeving.Op het gebied van duurzame productie in Indonesië ondersteuntNederland de verduurzaming van de palmolieketen middelstechnische assistentie via het NISCOPS II programma. Daarnaastdraagt Nederland bij aan het Team Europe Initiatief ontbossings-vrije waardeketens, dat als doel heeft om duurzame, ontbossings-vrije toeleveringsketens te bevorderen door middel vantechnische assistentie aan producenten en overheden.In het Palmolieprotocol is afgesproken dat de verdragspartijen debetrokkenheid van relevante stakeholders in de EU en Indonesiëbij de implementatie van het protocol zullen stimuleren. Hetkabinet onderschrijft het belang van de rol van het maatschap-pelijk middenveld, ook in het kader van het Palmolieprotocol.Over de conferentie over de hervorming van de WTO, delen de leden vande GroenLinks-PvdA-fractie de mening van het kabinet dat het teleur-stellend is dat er geen consensus is bereikt over noodzakelijke hervor-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 341718 mingen. De leden wijzen erop dat een goed functionerende WTObelangrijk is voor een mondiaal handelssysteem gebaseerd op regels, endat hervormingen noodzakelijk zijn om recht te doen aan landen in hetmondiale Zuiden. Zij vragen het kabinet om aan te geven hoe zij denkendat een weg uit deze impasse eruit kan zien.36. Antwoord van het kabinet:De Nederlandse inzet bij de WTO zal er, ook na de teleurstellendeuitkomst van MC14, op gericht blijven om hervormingen bij deWTO door te voeren die het gelijk speelveld tussen landenkunnen verbeteren en die het multilaterale handelssysteemsterker en eerlijker maken. Daarvoor zal nadrukkelijk de samen-werking worden gezocht met landen die hetzelfde doel voor ogenhebben, ook in het Mondiale Zuiden.Bij 14e ministeriële conferentie (MC14) is nogmaals duidelijkgeworden dat multilaterale besluitvorming bij de WTO zeermoeilijk is om te bewerkstelligen, maar dat plurilaterale samen-werking wel mogelijkheden biedt om tot nieuwe internationalehandelsafspraken te komen. Nederland ziet plurilaterale samen-werking dan ook als een mogelijkheid om de impasse in besluit-vorming bij de WTO te doorbreken. Nederland zet derhalve in optotstandkoming van een aantal nieuwe plurilaterale verdragen inde komende periode, zoals ook beschreven in het antwoord opvraag 1.Tot slot lezen de leden van deze fractie dat het in de Raad zal gaan over deTurnberry-deal tussen de EU en de VS. Zij vragen het kabinet hoe het staatmet de onderhandelingen tussen de Raad en het Europees Parlement, enof de verwachting is dat belangrijke aanpassingen van het EuropeesParlement – in het bijzonder een sunset clause; een sunrise clause voorstaal en aluminium; opschortingsclausules bij ernstige schendingen vanmensenrechten en fundamentele democratische beginselen; formelekoppeling met het Anti-Coercion Instrument – in de uiteindelijke overeen-komst zullen komen. Is het kabinet het eens dat, zelfs als de overeenkomstverbetert, fundamentele zorgen over de deal – zoals de zwakke onderhan-deling vanuit de EU, de zeer onevenwichtige uitkomst, en zorgen over dejuridische basis voor de tarieven en WTO-conformiteit – overeind blijvenen niet worden weggenomen?37. Antwoord van het kabinet:De Amerikaanse heffingen en de aanhoudende onzekerheid diedaarmee gepaard gaat, zijn in niemands voordeel. Tegelijkertijdblijven de Verenigde Staten (VS) een van de belangrijkstehandelspartners van zowel Nederland als de EU. In het oordeelvan het kabinet is de EU nog altijd beter af mét de Turnberryafspraken dan zonder. Een situatie waarin de meeste heffingenaan VS-zijde zijn geplafonneerd op 15 procent is beter dan eensituatie zonder een dergelijk plafond. De gemaakte afsprakenbieden bovendien een basis voor verdere onderhandelingen.Daarbij beschikt de EU over voldoende instrumenten om deEuropese belangen te beschermen, mocht de VS haar afsprakenonder de Turnberry deal niet nakomen.Voor wat betreft de EU-verordeningen ter implementatie aanEU-zijde is het voor het kabinet van belang dat er voldoendebijsturingsmogelijkheden zijn mocht de VS zich niet aan haarafspraken houden. Daarom heeft Nederland zich in de Raadsteeds uitgesproken voor een stevige monitorings- en evaluatie-clausule, zodat de impact van de EU-tariefverlagingen en imple-mentatie aan VS-zijde goed kunnen worden gevolgd. Daarbijmoet de mogelijkheid bestaan om de tariefverlagingen op teTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 341719 schorten bij niet-naleving van afspraken door de VS, zoals ookexpliciet opgenomen in de Raadspositie. Ook het EuropeesParlement is hier voorstander van. Het kabinet kan zich ookvinden in een sunset clausule. Het kabinet is echter geenvoorstander van een sunrise clausule; een dergelijke clausulebrengt het risico met zich mee dat de implementatie van hetJoint Statement in een patstelling belandt.Het kabinet verwacht dat de triloog over de EU-verordeningenspoedig kan worden afgerond. Tijdens de aanstaande RaadBuitenlandse Zaken Handel zal het kabinet opnieuw aandringenop spoedige implementatie van de Turnberry deal aan EU-zijde.Hoe ziet het kabinet een overeenkomst waarin Europa belooft om grotehoeveelheden vloeibaar gas te kopen, als verenigbaar met onze nationaleen internationale verplichtingen om af te stappen van fossiele energie?38. Antwoord van het kabinet:De EU heeft in het kader van de Turnberry deal met de VSaangegeven om voor 700 miljard dollar Amerikaanse energiepro-ducten aan te kopen. De Turnberry deal betreft een politiekeafspraak tussen de VS en de EU, die als zodanig geen energieinkoopt. De vraag naar energieproducten wordt bepaald doorinkopende bedrijven. Het kabinet beschouwt aardgas als transi-tiebrandstof in de omschakeling naar een koolstofvrij energie-systeem in 2050. Het kabinet voert actief beleid om per 2050klimaatneutraal te zijn, overeenkomstig het doel van de EU. Datlaat onverlet dat de EU voorlopig voor haar energiebehoefte deelsafhankelijk is van de import van aardgas, waaronder uit deVerenigde Staten.Inbreng leden van de CDA-fractieDe leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de geanno-teerde agenda voor de Raad Buitenlandse Zaken Handel van 22 mei 2026,de voortgangsrapportage handelsakkoorden, de brief over de herzieningvan het Algemeen Preferentieel Stelsel, de brief over de EU-Canadahandelsrelatie, de reactie op de grondstoffenalliantie tussen de VS, Japanen de EU en de EU-signalering.De leden van de CDA-fractie beoordelen deze agenda vanuit één centraleovertuiging: in een wereld waarin handelsroutes worden verstoord,bondgenootschappen verschuiven en protectionisme toeneemt, moetEuropa zijn strategische autonomie op het gebied van handel, grond-stoffen en voedselzekerheid veel actiever vormgeven. Europa is voorcruciale grondstoffen voor de landbouw, zoals fosfaat en kali, afhankelijkvan Rusland, Belarus en Marokko. Voor plantaardige eiwitten voorveevoer is de EU grotendeels aangewezen op Brazilië en de VS. Deafsluiting van de Straat van Hormuz laat zien hoe kwetsbaar toeleverings-ketens zijn wanneer geopolitieke spanningen oplopen. Het regeerakkoordonderstreept terecht dat Nederland de banden verder moet aanhalen metgelijkgezinde landen als Canada, het Verenigd Koninkrijk, Japan enNoorwegen, en dat diversificatie van kritieke grondstoffen essentieel is.De leden van de CDA-fractie vinden dat voedselgrondstoffen en eiwit-stromen in dat rijtje thuishoren. Juist de samenwerking met zogenoemdemiddenmachten – landen als Canada, Australië, Brazilië en Marokko, dielandbouwgrond, grondstoffen of verwerkingscapaciteit hebben dieEuropa nodig heeft – biedt perspectief voor een weerbare Europesehandelspositie. Vanuit dit perspectief stellen deze leden de volgendevragen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 341720 Wereldhandelsorganisatie (WTO)De leden van de CDA-fractie delen de teleurstelling over de magereuitkomst van de 14e Ministeriële Conferentie van de WTO in Yaoundé.Juist in een tijd van geopolitieke spanning, handelsconflicten en groeiendprotectionisme is een sterke WTO immers nodig. Voornoemde ledenconstateren dat er geen akkoord is gekomen over een WTO-hervormingen dat er ook geen verlenging is van het e-commerce moratorium(afspraak binnen de WTO dat landen geen invoerheffingen mogenopleggen op elektronische transmissies). Kan de Minister preciesaangeven wat de Nederlandse inzet wordt in Genève? Welke concretestappen wil Nederland dat de EU zet om alsnog tot resultaat te komen?39. Antwoord van het kabinet:De Nederlandse inzet bij de World Trade Organization (WTO) inGenève zal in eerste instantie gevormd worden door de priori-teiten en de inzet zoals beschreven in de kaderinstructie voor de14e ministeriële conferentie (MC14). Dit document is op29 januari 2026 met uw Kamer is gedeeld.12 Plurilateralesamenwerking in en rond de WTO zal in de komende jarenbelangrijker worden om de impasse in besluitvormingsprocessenbij de WTO te doorbreken. Dit is een ontwikkeling die Nederlandonderschrijft, zoals ook beschreven in het antwoord op vraag 1hierboven. Om tot plurilaterale akkoorden te komen zal samen-werking met gelijkgezinde landen van groot belang zijn.Nederland zal zich daarom actief inzetten voor een EU die hetvizier openhoudt en samenwerkingsgronden zoekt met een bredegroep aan landen.De leden van de CDA-fractie vragen ook hoe realistisch het kabinet hetacht dat de WTO via consensus nog tot stevige hervormingen kan komen.Is het kabinet bereid om binnen de EU te pleiten voor meer samenwerkingmet gelijkgezinde middenmachten, zoals Canada, Japan, Australië en hetVerenigd Koninkrijk, als hervorming met alle WTO-leden niet zou lukken?40. Antwoord van het kabinet:Ja, het kabinet is bereid om binnen de EU te pleiten voor meersamenwerking met gelijkgezinde middenmachten, zowel binnende WTO als daarbuiten. MC14 heeft wederom getoond dat hetzeer moeilijk is om tot besluitvorming met consensus te komenbij de WTO. De verwachting is helaas ook niet dat dit in dekomende jaren zal veranderen. Een inzet bij de WTO die meer denadruk legt op plurilaterale samenwerking en waarbij duidelijkerwordt opgetrokken met gelijkgezinde landen is een pragmatischemanier om toch voortgang te boeken in internationale handelsaf-spraken.Ook vragen de leden van de CDA-fractie hoe het kabinet aankijkt tegenplurilaterale akkoorden binnen of naast de WTO. Kunnen zulke akkoordeneen praktische uitweg bieden als sommige leden hervorming blijvenblokkeren? Waar liggen voor Nederland hierbij de grenzen?41. Antwoord van het kabinet:Het kabinet is voorstander van plurilaterale samenwerking in enrond de WTO, zoals ook aangegeven in de antwoorden op de tweevoorgaande vragen. Momenteel zijn de onderhandelingenafgerond voor twee nieuwe plurilaterale akkoorden bij de WTO,12Kamerstuk 25 074, nr. 202, bijlage Kaderinstructie Nederlandse inzet voor de 14e MinisteriëleConferentie van de Wereldhandelsorganisatie (WTO)Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 341721 namelijk het Investment Facilitation for Development Agreement(IFDA) en het E-Commerce Agreement (ECA). Nederland is, alslidstaat van de Europese Unie (EU), onderdeel van beide plurila-terale akkoorden. Bij de 14e ministeriële conferentie van de WTO(MC14) hebben de deelnemende landen afgesproken om denodige stappen te zetten om deze akkoorden in werking te latentreden. De inwerkingtreding van plurilaterale akkoorden binnenhet WTO-acquis heeft de voorkeur, maar als dit door langdurigeblokkades door enkele WTO-leden onmogelijk wordt gemaakt, isde tijdelijke inwerkingtreding van plurilaterale akkoorden buitende WTO een pragmatische oplossing om toch tot besluitvormingop internationale handelsthema’s te komen.Sommige thema’s binnen de WTO zullen echter multilateralebesluitvorming blijven vergen. Het gaat bijvoorbeeld om onder-werpen die van invloed zijn op de handelspositie van elk WTO-lid,zoals afspraken omtrent toegestane subsidies of het gebruik vannationale veiligheidsgronden om unilaterale handelsmaatregelente nemen.De leden van de CDA-fractie maken zich zorgen over oneerlijke concur-rentie door industriële subsidies, staatsbedrijven en marktverstoring. Kande Minister aangeven hoe Nederland binnen de EU inzet op stevigereWTO-regels voor industriële subsidies? Wordt daarbij ook explicietgekeken naar de rol van China?42. Antwoord van het kabinet:Hervormingen die de bestaande WTO-regels omtrent industriëlesubsidies verduidelijken en aanscherpen zijn een belangrijkeprioriteit binnen de Nederlandse inzet bij de WTO. Grootschaligemarktverstorende industriële subsidies door bepaalde landen,waaronder China, leiden tot oneerlijke concurrentie op wereld-markten. Het doel van zulke hervormingen moet volgensNederland dan ook zijn dat het mondiale gelijke speelveld tussenindustriële sectoren wordt versterkt en dat marktverstorendeindustriële steunmaatregelen effectief geadresseerd worden.In dit verband wijzen de leden van de CDA-fractie op de analyse van AnneApplebaum in Autocracy, Inc., waarin zij beschrijft hoe autocratischeregimes – waaronder China, Rusland en Iran – niet langer op ideologischegronden samenwerken, maar op basis van wederzijds economisch enpolitiek belang. Zij zetten industriële subsidies, staatsbedrijven enkleptocratische financieringsstructuren in om hun machtspositie teversterken, waarbij zij het internationale handelssysteem naar hun handzetten. De leden van de CDA-fractie vragen de Minister of hij deze analysedeelt en welke consequenties hij hieruit trekt voor de Nederlandse enEuropese handelspolitiek. Is het kabinet bereid om, in lijn met Apple-baums oproep aan democratieën om gezamenlijk op te trekken, binnen deEU te pleiten voor een coherente strategie die de handelsverstoringendoor autocratische netwerken adresseert, bijvoorbeeld door stevigeroptreden tegen staatssteun aan buitenlandse staatsbedrijven, strengereinvesteringsscreening en het tegengaan van marktverstoring via gedumptaanbod?43. Antwoord van het kabinet:Het kabinet erkent dat het huidige op regels gebaseerde handels-systeem onder druk staat, mede door de inzet van bijvoorbeeldindustriële subsidies en andere marktverstorende praktijken doorgrote economische spelers. Een belangrijk onderdeel van hetantwoord op deze problematiek is het verdiepen van samen-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 341722 werking met gelijkgezinde partners en het diversifiëren vanhandelsrelaties, onder meer via nieuwe handelsakkoorden.Nieuwe partnerschappen kunnen helpen tegenwicht te biedenaan de groeiende economische invloed van andere machts-blokken. Daarnaast steunt Nederland de effectieve en gerichteinzet van het bestaande EU-handelsinstrumentarium, om waarnodig op te treden tegen oneerlijke concurrentie en marktver-storing.Ten aanzien van het e-commerce moratorium vragen de leden van deCDA-fractie welke gevolgen het verlopen van dit moratorium kan hebbenvoor Nederlandse bedrijven, in het bijzonder voor mkb-bedrijven endigitale dienstverleners. Welke landen overwegen volgens het kabinetinvoerheffingen op elektronische transmissies? En wat doet de EU omschade voor Europese bedrijven te voorkomen?44. Antwoord van het kabinet:Uiteraard betreurt het kabinet dat het niet gelukt is om hete-commerce moratorium opnieuw te verlengen tijdens de MC14van de WTO. Dit betekent dat het WTO-landen nu in principevrijstaat om invoerheffingen op elektronische transmissies in tevoeren, tenzij zij zich in een bilaterale handelsovereenkomsthebben verbonden om daar onderling van af te zien, zoals de EUmet een aantal landen heeft gedaan. Vooralsnog heeft het kabinetechter geen signalen ontvangen dat derde landen op dit momentdaadwerkelijk overwegen om een dergelijke heffing te introdu-ceren. Ondertussen blijft de EU zich onverminderd inzetten voorvoortzetting van het moratorium. Ook is het positief dat eengroep van 66 WTO-leden, waaronder de EU, tijdens MC14 overeenzijn gekomen om het e-commerce agreement (ECA) op voorlopigebasis toe te passen.13 Dit plurilaterale akkoord bevat onder meereen verbod op elektronische heffingen dat vergelijkbaar is methet e-commerce moratorium, waarmee in ieder geval in dezegroep landen een zekere mate van rechtszekerheid blijft bestaan.Economische veiligheid: De impact van de situatie in het Midden-Oostenop handelDe leden van de CDA-fractie maken zich grote zorgen over de gevolgenvan het conflict in het Midden-Oosten voor handel, energieprijzen,voedselzekerheid en mondiale stabiliteit. Deze leden steunen de inzet datvrije doorvaart moet worden hersteld. Zij vragen de Minister welkeconcrete rol de EU hierbij kan spelen. Gaat het hierbij alleen om diploma-tieke druk, of ook om praktische ondersteuning van internationale ofhumanitaire initiatieven?45. Antwoord van het kabinet:In het licht van het fragiele staakt-het-vuren tussen de VS en Iranen de voortdurende belemmeringen van vrije doorvaart in deStraat van Hormuz zet het kabinet zich onverminderd in voor eendiplomatieke oplossing. Het kabinet roept hier in verschillendeEuropese fora en bilaterale contacten consistent toe op. Deuitbreiding van het sanctie-instrument om Irans belemmering vande vrije doorvaart in de Straat van Hormuz te adresseren is bijnaeen feit, en hier zal door de EU spoedig opvolging aan wordengegeven. Ook zet het kabinet zich in om het huidige momentumte benutten om de samenwerking tussen de EU en de Golfstatente versterken.13https://docs.wto.org/dol2fe/Pages/SS/directdoc.aspx?filename=Q:/WT/MIN26/W26.pdfTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 341723 Welke bijdrage is Nederland bereid te leveren als de veiligheidssituatie dattoelaat?46. Antwoord van het kabinet:Zoals eerder aan de Kamer gemeld onderzoekt Nederland eenmogelijke militaire bijdrage in coalitieverband. Frankrijk en hetVK plannen voor een missie met een brede internationale coalitie.Nederland is betrokken bij deze planning.De plannen zijn nog in ontwikkeling, en eventuele activatie is pasaan de orde zodra een aantal randvoorwaarden is bereikt,waaronder een einde aan de vijandelijkheden. Eventuele Neder-landse inzet als onderdeel van een internationale militairepresentie vergt dan eerst nationale politieke besluitvormingconform de artikel 100-procedure.De leden van de CDA-fractie lezen dat Nederland inzet op EU-sanctiestegen Iraanse personen en entiteiten die betrokken zijn bij het belem-meren van vrije doorvaart. Kan de Minister aangeven welke sanctie-optiesop tafel liggen?47. Antwoord van het kabinet:Het kabinet zet sinds de aanvang van de Hormuz crisis in op hetsanctiespoor, waarbij de inzet is om verantwoordelijken voor desluiting van de Straat van Hormuz op de sanctielijst te kunnenplaatsen. Verdere details zullen volgen wanneer de besluit-vorming van de EU hierover rond is.De leden van de CDA-fractie vragen ook naar de gevolgen voorlage-inkomenslanden. Juist deze landen zijn vaak afhankelijk van importvan olie, gas en kunstmest uit de Golfregio. Wat doet Nederland, bilateraalen via de EU, om te voorkomen dat deze crisis leidt tot hogere voedsel-prijzen en nieuwe schuldenproblemen in kwetsbare landen?48. Antwoord van het kabinet:Het kabinet deelt de zorg dat lage-inkomenslanden hard kunnenworden geraakt door de economische gevolgen van de blokkadevan de Straat van Hormuz. Veel van deze landen zijn sterkafhankelijk van import van energie, voedsel en kunstmest,hebben beperkte begrotingsruimte en kampen in veel gevallen almet hoge schuldendienst. Hogere energie- en kunstmestprijzenkunnen daardoor snel doorwerken in voedselprijzen, inflatie,betalingsbalansdruk en nieuwe schuldenproblemen.Nederland zet zich daarom in voor een gecoördineerde interna-tionale respons, zowel via de EU als via de internationalefinanciële instellingen. Daarbij is het van belang dat elkinstrument op de juiste plek wordt ingezet. Het InternationaleMonetaire Fonds (IMF) heeft een centrale rol bij betalingsba-lansdruk, reserves en macro-economische stabilisatie. DeWereldbank en regionale ontwikkelingsbanken kunnen landenondersteunen bij het beschermen van prioritaire uitgaven, socialevangnetten, voedselzekerheid, energievoorziening en hervor-mingen die de weerbaarheid vergroten. International FinanceCorporation (IFC), Multilateral Investment Guarantee Agency(MIGA) en regionale ontwikkelingsbanken kunnen daarnaastbijdragen aan handelsfinanciering, garanties en risicodekkingvoor kritieke importketens, waaronder energie, voedsel,kunstmest en medicijnen.Binnen de EU pleit Nederland voor een respons die snel, gecoördi-neerd en doelgericht is, met aandacht voor de meest kwetsbarelanden. Daarbij moet worden voorkomen dat Europese maatre-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 341724 gelen, bijvoorbeeld op het gebied van energiezekerheid of opslag,onbedoeld de druk op kwetsbare importerende landen verdervergroten. De inzet van Nederland is dat beperkte middelengericht worden ingezet voor korte-termijn crisisrespons entegelijk dat er blijvende aandacht is voor de versterking vanstructurele weerbaarheid, waaronder voedselzekerheid, energie-zekerheid en diversificatie van toeleveringsketens.Kan de Minister daarnaast aangeven wat de gevolgen zijn voor Neder-landse sectoren zoals landbouw, transport, energie-intensieve industrie enchemie?49. Antwoord van het kabinet:Nederlandse sectoren worden primair geraakt door hogereproductiekosten (voornamelijk energie) en problemen in detoeleveringsketens. Dit kan neerwaartse druk zetten op dewinstgevendheid en het concurrentievermogen van Nederlandsebedrijven.Heeft het kabinet scenario’s klaarliggen voor het mitigeren van degevolgen van verdere verstoring van energie-, kunstmest-, aluminium- ofheliummarkten?50. Antwoord van het kabinet:Het kabinet heeft de Kamer op 20 april jl. geïnformeerd overmaatregelen voor het mitigeren van de gevolgen van het conflictin het Midden-Oosten.14 In deze brief gaat het kabinet in opverschillende scenario’s, waaronder een verslechtering van desituatie.Lunch implementatie handelsakkoordenDe leden van de CDA-fractie vragen de Minister hoe hij de discussie overhet versnellen van procedures voor handelsakkoorden ingaat. Waar ziethet kabinet ruimte voor versnelling? En waar trekt het kabinet eenduidelijke grens?51. Antwoord van het kabinet:Handelsakkoorden bieden grote kansen voor onze economie envoor verduurzaming. Daarnaast dragen ze bij aan het vergrotenvan de economische weerbaarheid en slagvaardigheid vanNederland en de EU. Het kabinet steunt daarom de Commissie inhaar ambitieuze inzet om na de afronding van onderhandelingenhet proces richting ondertekening en ratificatie te versnellen.Versnelling zou mogelijk zijn in het proces van vertalingen van deonderhandelde teksten en het juridisch opschonen (legalscrubbing) van een tekst.Het kabinet steunt initiatieven die Europese proceduresversnellen, maar ze mogen geen inbreuk maken op de integriteitvan nationale procedures, besluitvorming, of verminderdebeschikbaarheid van informatie, zoals impactanalyses, die degevolgen van een akkoord breed in kaart brengen.Deze leden vragen ook hoe de Kamer tijdig betrokken blijft bij nieuwehandelsakkoorden. Kan de Minister toezeggen dat versnelling niet tenkoste gaat van parlementaire controle, transparantie en een goedebeoordeling van gevolgen voor landbouw, milieu, arbeidsrechten enstrategische afhankelijkheden?14Kamerstuk II, 2025–26, 36 933, nr. 1.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 341725 52. Antwoord van het kabinet:Het kabinet stuurt de Kamer vier keer per jaar een voortgangsrap-portage van alle lopende onderhandelingen. Daarnaast wordt deKamer per brief geïnformeerd over tussentijdse relevanteontwikkelingen. Na een onderhandelaarsakkoord en formelevoorlegging aan de EU-lidstaten beoordeelt het kabinet hetakkoord op zijn merites, waarin een breed palet aan onderwerpenwordt meegenomen. Dit betreft onder meer gevolgen voorNederlandse economische sectoren en duurzaamheids- ensociaal-maatschappelijke aspecten van een akkoord, zoalsbijvoorbeeld arbeidsrechten, en tevens de geopolitieke relevantievan een akkoord. Uw Kamer ontvangt hiervoor standaard eenkabinetsappreciatie, zodanig dat uw Kamer de mogelijkheid heefthierover desgewenst in gesprek te treden met het kabinet,alvorens Nederland een definitieve positie inneemt in de Raad.Nederland geeft bij de Commissie aan dat eventuele versnel-lingen in het Brusselse proces niet mogen leiden tot onzorg-vuldige besluitvorming of verminderde transparantie, en datnationale parlementaire processen gerespecteerd dienen teworden.Daarnaast vragen de leden van de CDA-fractie hoe het kabinet ervoorzorgt dat bestaande handelsakkoorden beter worden benut doorNederlandse ondernemers. Veel mkb-bedrijven kennen de mogelijkhedenvan handelsakkoorden onvoldoende. Welke concrete stappen zet hetkabinet samen met RVO, ambassades en brancheorganisaties om diebenutting te vergroten?53. Antwoord van het kabinet:Goede implementatie van handelsakkoorden is essentieel omervoor te zorgen dat de kansen die handelsakkoorden bieden ookdaadwerkelijk worden benut en gemaakte afspraken wordennageleefd. Het kabinet zet via verschillende kanalen in opinformatievoorziening aan het bedrijfsleven. Op websites vanonder andere de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO),de Douane, de Kamer van Koophandel en de Rijksoverheid staanhandelsakkoorden uitgelegd en wordt verhelderd aan welkevoorwaarden moet worden voldaan voor het gebruik hiervan.Tevens kunnen bedrijven bij deze organisaties terecht metvragen. Voorlichting aan het Nederlands bedrijfsleven overkansen die handelsakkoorden bieden gebeurt doorlopend binnende inzet van het brede handelsinstrumentarium. Dit wordtgezamenlijk uitgevoerd door de RVO, ambassades en consulaten-generaal, Netherlands Business Support Offices (NBSOs), en hetTrade and Innovate NL netwerk.Daarnaast worden bedrijven door koepelorganisaties, waaronderdoor VNO-NCW, actief ingelicht over (de mogelijkheden van)nieuwe handelsakkoorden. In samenwerking met de EuropeseCommissie bestaan verschillende initiatieven, zoals het onlineAccess to Markets platform en het organiseren van markttoe-gangsdagen, die bijdragen aan de kennis over handelsakkoorden.De leden van de CDA-fractie zijn positief over het versterken van handels-relaties met gelijkgezinde landen zoals Canada en Mexico. De motie-Kamminga/Boswijk vroeg terecht aandacht voor verdieping van dezerelaties en voor het veiligstellen van toeleveringsketens voor kritiekegrondstoffen. Deze leden constateren dat de handel met Canada sinds devoorlopige toepassing van CETA sterk is gegroeid. Ook lezen zij datCanada beschikt over belangrijke kritieke grondstoffen, zoals lithium,koper en zeldzame aardmetalen. Kan de Minister aangeven welkeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 341726 concrete resultaten de samenwerking met Canada inmiddels oplevertvoor Nederlandse bedrijven en voor de leveringszekerheid van kritiekegrondstoffen?54. Antwoord van het kabinet:Concrete resultaten voor Nederlandse bedrijven van de samen-werking tussen Nederland en Canada op kritieke grondstoffenzijn twee handelsmissies (maart 2025 en 2026) naar deProspectors & Developers Association of Canada (PDAC) beurs,onder leiding van voormalig Minister Klever en Speciaal Vertegen-woordiger Grondstoffenstrategie Allard Castelein. In 2025 en2026 hebben respectievelijk 18 en 22 Nederlandse bedrijven aanPDAC deelgenomen. Deze en toekomstige handelsmissies stellenNederlandse bedrijven – ondersteund door het bredere handelsin-strumentarium – in staat direct hun positie te versterken in deCanadese waardeketen voor kritieke grondstoffen. Aanvullend isin 2025 een samenwerkingsintentie ondertekend met deprovincie Québec gericht op waardeketenintegratie, recycling enEnvironmental, Social and Governance (ESG)-standaarden. Infebruari 2026 hebben acht Canadese bedrijven gespecialiseerd inkritieke grondstoffen recycling Nederland bezocht om samen-werking met Nederlandse bedrijven te verkennen.Voorts verkent het kabinet actief de mogelijkheden voor hetstimuleren van nieuwe waardenketen-ontwikkeling tussenCanada, Nederland en Europa ten behoeve van leveringszekerheidvan kritieke grondstoffen. Het doet dit in samenwerking metNederlandse en Canadese marktpartijen, het NederlandsMaterialen Observatorium, Europese partners en de Canadeseoverheid. De Minister van Economische Zaken en Klimaat heeftde Tweede Kamer toegezegd om deze zomer een brief over deNederlandse bijdrage aan de Critical Raw Materials Act te sturen.Daarin wordt uw Kamer nader geïnformeerd over de stand vanzaken en de kabinetsinzet wat betreft het vergroten van deleveringszekerheid van kritieke grondstoffen, waaronder de inzetonder de diversificatiepijler van de Nationale Grondstoffenstra-tegie.De leden van de CDA-fractie vragen of het kabinet bereid is om metCanada een meerjarig actieplan op te stellen voor kritieke grondstoffen,met aandacht voor mijnbouw, raffinage, recycling, onderzoek, investe-ringen en hoge ESG-standaarden.55. Antwoord van het kabinet:Het kabinet ziet geen meerwaarde in het opstellen van een apartmeerjarig actieplan voor kritieke grondstoffensamenwerking metCanada. Voor internationale grondstoffensamenwerking heeft hetkabinet een Europese en internationale aanpak die zich richt opde hele waardeketen, mede omdat de Nederlandse industrie dezegrondstoffen niet of nauwelijks direct importeert of gebruikt.Nederland importeert vooral producten waar kritieke grond-stoffen in verwerkt zitten. Tegelijk onderneemt Nederland reedsde nodige activiteiten, o.a. in samenwerking met Canada zoalsaangegeven in het antwoord op de vorige vraag.Ten aanzien van Mexico vragen de leden van de CDA-fractie wanneerondertekening van het gemoderniseerde EU-Mexico akkoord wordtverwacht.56. Antwoord van het kabinet:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 341727 De ondertekening door Mexico en de EU van het gemoderni-seerde EU-Mexico akkoord is voorzien op 22 mei a.s., tijdens deEU-Mexico top.Welke kansen ziet het kabinet voor Nederlandse bedrijven?57. Antwoord van het kabinet:Het akkoord biedt diverse kansen voor het Nederlandse bedrijfs-leven, zoals uiteengezet in de kabinetsappreciatie van demodernisering van de EU-Mexico Global Agreement die14 november 2025 met uw Kamer is gedeeld.15 Zo creëert hetakkoord aanvullende markttoegang voor landbouwproducten,hetgeen kansen kan bieden voor het Nederlandse bedrijfsleven.Hierbij kan specifiek worden gedacht aan de export van vlees- enzuivelproducten. Ook biedt het akkoord aanvullendemarktoegang op het gebied van diensten en overheidsaanbeste-dingen.En hoe wordt de Kamer geïnformeerd over de uitvoering?58. Antwoord van het kabinet:Wanneer het gemoderniseerde EU-Mexico akkoord in werking isgetreden, zal de implementatie van het akkoord worden meege-nomen in het jaarlijkse rapport van de Europese Commissie datziet op de implementatie van EU-handelsakkoorden. Dit rapport isopenbaar en te raadplegen op de website van de EuropeseCommissie. Dit rapport wordt daarnaast regulier geagendeerd opde RBZ Handel, waarover uw Kamer wordt geïnformeerd alsonderdeel van de RBZ cyclus.Algemeen Preferentieel StelselDe leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de brief over deherziening van het Algemeen Preferentieel Stelsel (APS). Deze ledensteunen het doel om ontwikkelingslanden betere toegang tot de Europesemarkt te geven. Handel kan immers bijdragen aan armoedebestrijding,werkgelegenheid en economische ontwikkeling.Tegelijk lezen de leden van de CDA-fractie dat het APS ook voorwaardenstelt op het gebied van mensenrechten, arbeidsrechten, goed bestuur,milieu en klimaat. Kan de Minister aangeven hoe de EU deze voorwaardenin de praktijk gaat controleren? Welke capaciteit is daarvoor beschikbaar?59. Antwoord van het kabinet:Voor landen die onder het APS extra markttoegang krijgen (dezogenaamde APS+ landen waarvoor ook extra duurzaamheidsaf-spraken gelden) is een specifiek monitoringsregime van krachtom te toetsen of deze landen de internationale verdragenopgenomen in de verordening ratificeren en effectief implemen-teren. De Europese Commissie en de Europese Dienst voor ExternOptreden verzorgen monitoringsmissies in APS+ landen. Daarspreken zij ook met maatschappelijke actoren, waaronder metvakbonden en maatschappelijke organisaties, over de nalevingvan mensenrechten, arbeidsrechten, afspraken over milieu- enklimaatbescherming en goed bestuur. Op basis van deze monito-ringsmissies wordt eens in de drie jaar een monitoringsrapportgepubliceerd met aanbevelingen voor het betreffende APS+ land.De naleving van internationale verdragen door standaard APS enEBA (Everything But Arms) landen wordt gemonitord via15Kamerstuk II, 2025/26, 21 501-02, nr. 3271.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 341728 bestaande dialogen en monitoringsprocedures die losstaan vanhet APS, zoals een EU-mensenrechtendialoog en monitoring doorde VN.Daarnaast vragen deze leden hoe de nieuwe koppeling met terugkeersa-menwerking in de praktijk gaat werken. Het kabinet geeft zelf aan datbesluitvorming over visummaatregelen vaak traag verloopt. Is het kabinetbereid om binnen de EU te pleiten voor een helder escalatiemechanisme,waarbij handelsvoordelen onder het APS automatisch worden opgeschortwanneer een partnerland structureel niet meewerkt aan terugkeer?60. Antwoord van het kabinet:De tijdelijke gedeeltelijke of volledige intrekking van tariefprefe-renties kan grote economische gevolgen hebben voorAPS-landen. Dit besluit is daarom onderhevig aan verschillendebesluitvormingsprocedures. Zo zijn de terugkeerafspraken in deAPS herziening afhankelijk van besluitvorming onder deVisumcode over visummaatregelen bij onvoldoende samen-werking op terugkeer. Daarnaast is ruimte ingebouwd vooroverleg met het betreffende APS-land.Het kabinet is geen voorstander van het automatisch opschortenvan tariefpreferenties, omdat het kabinet hecht aan het behoudvan een genereus en ruimhartig stelsel voor ontwikkelingslanden.Bovendien hecht het kabinet aan brede relaties met partner-landen, gebaseerd op wederzijdse belangen, waaronder op hetgebied van migratie. Bij dergelijke brede relaties is het vanbelang eerst een dialoog te voeren en een zorgvuldig proces tedoorlopen voordat tot maatregelen wordt overgegaan.En hoe voorkomt de Minister dat de koppeling met migratie ertoe leidt datjuist de armste landen, waar de noden het grootst zijn, als eerste hunhandelspreferenties verliezen?61. Antwoord van het kabinet:In besluitvorming over de mogelijke tijdelijke gedeeltelijke ofvolledige intrekking van tariefpreferenties bij onvoldoendeterugkeersamenwerking wordt rekening gehouden met dekwetsbare positie van minst ontwikkelde landen. De drempelvoor de intrekking van tariefpreferenties ligt hoger bij minstontwikkelde landen, ook omdat die landen vaak beperktecapaciteit hebben om maatregelen te implementeren.Inbreng leden van de JA21-fractieDe leden van de fractie van JA21 hebben kennisgenomen van degeannoteerde agenda Raad Buitenlandse Zaken Handel van 22 mei 2026.Zij hebben enkele vragen en opmerkingen.De leden van de fractie van JA21 maken zich zorgen over de ratificatie enuitvoering van de Turnberry deal die spoedig dient te worden afgerond.Deze leden zijn van mening dat een pragmatische houding die zorgt voorvoorspelbaarheid voor bedrijven nu van het grootste belang is. Daaromvragen zij het kabinet in de Raad te pleiten voor een zo snel mogelijkeverwerking van de Turnberry deal. Deelt het kabinet dit standpunt vandeze leden?62. Antwoord van het kabinet:Het kabinet deelt de visie dat bedrijven aan beide kanten van deAtlantische oceaan belang hebben bij voorspelbaarheid enstabiliteit in de trans-Atlantische handelsrelatie. Tijdens deaanstaande Raad Buitenlandse Zaken Handel zal het kabinetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 341729 opnieuw aandringen op spoedige implementatie van de Turnberrydeal aan EU-zijde.Kan zij toezeggen zich hiervoor hard te maken in de Raad? Welkediscussiepunten maken het nu dat de triloog nog niet heeft kunnenworden afgerond?63. Antwoord van het kabinet:Ja, dat kan het kabinet toezeggen. Voor wat betreft deEU-verordeningen ter implementatie aan EU-zijde is het voor hetkabinet van belang dat er voldoende bijsturingsmogelijkhedenzijn mocht de VS zich niet aan haar afspraken houden. Daaromheeft Nederland zich in de Raad steeds uitgesproken voor eenstevige monitorings- en evaluatieclausule, zodat de impact van deEU-tariefverlagingen en implementatie aan VS-zijde goed kunnenworden gevolgd. Daarbij moet de mogelijkheid bestaan om detariefverlagingen op te schorten bij niet-naleving van afsprakendoor de VS, zoals ook expliciet opgenomen in de Raadspositie.Ook het Europees Parlement is hier voorstander van. Het kabinetkan zich ook vinden in een sunset clausule, zoals voorgestelddoor het Europees Parlement. Het kabinet is echter geenvoorstander van een sunrise clausule zoals het EuropeesParlement voorziet; een dergelijke clausule brengt het risico metzich mee dat de implementatie van het Joint Statement in eenpatstelling belandt.Het kabinet verwacht dat de triloog over de EU-verordeningenspoedig kan worden afgerond. Tijdens de aanstaande RaadBuitenlandse Zaken Handel zal het kabinet opnieuw aandringenop spoedige implementatie van de Turnberry deal aan EU-zijde.De leden van de fractie van JA21 zijn van mening dat escalatoirehandelsreacties vanuit de Europese Unie zeer terughoudend moetenworden ingezet. Deze leden wijzen erop dat extra Europese tegenhef-fingen uiteindelijk ook Europese bedrijven, producenten en consumentenraken, zeker voor een open economie als Nederland. Zij vragen hetkabinet daarom expliciet of het zich in EU-verband verzet tegen eenautomatische logica van dreigingen tot vergeldingsmaatregelen richtingde Verenigde Staten. Deelt het kabinet de opvatting dat het economischonverstandig is om als reactie op Amerikaanse handelsbarrières zelfopnieuw barrières op te werpen die de Europese economie verderbelasten?64. Antwoord van het kabinet:Europese bedrijven hebben inderdaad baat bij stabiliteit envoorspelbaarheid in de trans-Atlantische handelsrelatie. Daaromzet het kabinet in op een spoedige implementatie van deTurnberry-Deal. Een situatie waarin de Amerikaanse heffingengeplafonneerd zijn is beter dan een situatie zonder een dergelijkplafond. Mochten de VS zich echter niet houden aan deTurnberry-Deal en nieuwe heffingen invoeren, dan kan hetnoodzakelijk zijn om proportionele en gerichte tegenmaatregelente nemen om het Europese belang te beschermen.De leden van de fractie van JA21 zijn van mening dat de Europese reactieop drukzettende Amerikaanse importheffingen handelsdiversificatie moetzijn in plaats van escalatie. Die handelsdiversificatie wordt medeaangemoedigd door de Kamer bij monde van de motie Hoogeveen c.s.(Kamerstuk 21 501-20, nr. 2344). Hoe vervult het kabinet deze aanjagersrolin de Raad?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 341730 65. Antwoord van het kabinet:De inzet van het kabinet op het afbouwen van risicovollestrategische afhankelijkheden door verdere diversificatie vanhandelspartners is uiteengezet in de Beleidsbrief BuitenlandseZaken16. Het kabinet geeft hieraan invulling door in EU-verbandde Commissie aan te sporen onderhandelingen met derde landente versnellen en nieuwe partnerschappen aan te gaan. Devoorlopige toepassing van het handelsdeel van het EU-Mercosurakkoord per 1 mei jl., de aanstaande ondertekening van hetgemoderniseerde EU-Mexico akkoord en de recente afronding vanonderhandelingen met Australië, India en Indonesië zijn belang-rijke mijlpalen in dit opzicht.De Minister was onlangs in Egypte; is daar ook gesproken over verdiepingvan het Deep and Comprehensive Free Trade Agreement met het land?66. Antwoord van het kabinet:In 2011 kreeg de Commissie een mandaat om te onderhandelenover verbreding en verdieping van het Associatieakkoord tussende EU en Egypte, met afspraken over onder meer dienstenhandelen investeringen. Een dialoog over deze zogenoemde Deep andComprehensive Free Trade Area (DCFTA) is gestart in juni 2013;de onderhandelingen liggen momenteel stil. Dit onderwerp is nietter sprake gekomen tijdens het bezoek aan Egypte dat plaatsvondvan 4 tot en met 7 mei jongstleden.Kan het kabinet tevens toelichten wanneer gesprekken zullen beginnenmet de Gulf Cooperation Council over een handelsakkoord?67. Antwoord van het kabinet:In 2024 zijn door de Europese Commissie verkennendegesprekken gevoerd over het hervatten van de onderhandelingenover een EU-Gulf Cooperation Council (GCC) handelsakkoord.Hierbij is gebleken dat de ambitieniveaus van enerzijds de EU enanderzijds de Golfstaten ver uit elkaar liggen. Voor zowel de EUals Nederland gaat het hierbij om onderwerpen zoals beleids-ruimte in de energiesector, arbeidsrechten, staatssteun eninvesteringen. De inschatting is dat, ondanks de veranderdecontext, die situatie niet is veranderd. Conform de motieHoogeveen c.s.17 blijft het kabinet zich inzetten voor hetverkennen van een bredere handelsovereenkomst met de GCC.Ondertussen wordt ook het spoor van onderhandelingen metindividuele GCC-staten verkend, waarbij voor de VAE geldt datdeze onderhandelingen al lopen.De leden van de fractie van JA21 vragen daarnaast specifiek aandachtvoor China. Deze leden erkennen dat de handelsrelatie met China complexis en dat er terechte zorgen bestaan over economische veiligheid,staatssteun, marktverstoringen en strategische afhankelijkheden.Tegelijkertijd constateren deze leden dat China een van de belangrijkstehandelspartners van de Europese Unie blijft en dat duidelijke enafdwingbare handelsafspraken juist kunnen bijdragen aan meer wederke-righeid, voorspelbaarheid en het verminderen van handelsirritaties.Deze leden wijzen erop dat het Comprehensive Agreement on Investment(CAI), waarover in 2020 in principe overeenstemming werd bereikt, medebedoeld was om Europese bedrijven betere markttoegang te geven,regels af te spreken over staatsbedrijven en gedwongen technologieover-16open.overheid.nl/documenten/2b716c40-b371-48df-808d-64b330a11546/17Kamerstuk 23 432, nr. 743Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 341731 dracht tegen te gaan. De ratificatie van het akkoord werd in 2021 politiekbevroren. De leden van de fractie van JA21 vragen het kabinet daarom ofhet bereid is in de Raad te verkennen of onderdelen van het CAI ofvergelijkbare afspraken over markttoegang, investeringsbescherming enwederkerigheid opnieuw bespreekbaar kunnen worden gemaakt. Zo nee,waarom niet?68. Antwoord van het kabinet:De EU heeft de goedkeuringsprocedure van de ComprehensiveAgreement on Investment (CAI) in mei 2021 stilgelegd, als reactieop Chinese sancties op Europese politici. Het Europees Parlementheeft bovendien aangegeven het CAI niet te zullen behandelenzolang deze sancties van kracht zijn. Hervatting van het goedkeu-ringsproces of heropenen van onderhandelingen over onderdelenvan het CAI is op dit moment niet aan de orde. Naast de politiekesituatie dient daarbij ook te worden meegewogen op welke wijzede EU-China handels- en investeringsrelatie het beste in balanskan worden gebracht; hierover loopt een bredere discussiebinnen de Europese Unie, zoals ook uiteen gezet in de verslagenvan de recente bijeenkomsten van de Raad Buitenlandse ZakenHandel waar de EU-China relatie op de agenda stond.Hoe voorkomt het kabinet dat het Europese China-beleid doorslaat vannoodzakelijke de-risking naar economisch schadelijke ontkoppeling?69. Antwoord van het kabinet:De drieslag van China als partner, concurrent en systeemrivaalblijft van belang en is het uitgangspunt voor «de-risking, notdecoupling».18 Het kabinet hanteert derhalve een gebalanceerdeaanpak en onderkent dat de Chinese economie, gezien haaromvang en innovatiekracht, belangrijke kansen biedt voor hetNederlandse verdien- en innovatievermogen. Via handels- eninnovatiemissies, economische dialogen en ondersteuning doorRVO en de posten wordt hier actief op ingezet. Tegelijkertijd ishet kabinet zich bewust van de risico’s van risicovolle strate-gische afhankelijkheden en zet het gericht in op het verminderendaarvan, onder meer via de Nationale Grondstoffenstrategie, deEU Critical Raw Materials Act en het bredere economischeveiligheidsinstrumentarium.De leden van de fractie van JA21 constateren dat binnen de EuropeseUnie in toenemende mate wordt gesproken over zogenoemde «localcontent»-eisen en «Made in Europe»-criteria binnen industrie- enaanbestedingsbeleid. Deze leden begrijpen de wens om strategischeafhankelijkheden te verminderen, maar waarschuwen tegelijkertijd vooreen ontwikkeling richting impliciet protectionisme en verstoring vaninternationale waardeketens. Deze leden vragen het kabinet daarom hoehet aankijkt tegen dergelijke lokale inhoudseisen. Deelt het kabinet deopvatting dat het opleggen van vergaande Europese local content-verplichtingen uiteindelijk kan leiden tot hogere kosten, minder concur-rentie, verstoring van mondiale productieketens en tegenmaatregelen vanhandelspartners?70. Antwoord van het kabinet:Het kabinet hanteert een terughoudende positie ten aanzien vanEuropese voorkeurscriteria zoals lokale inhoudsvereisten en zetzich zo veel als mogelijk in voor een Made with Europebenadering die in overeenstemming is met de internationale18Kamerstukken II, 2025/26, 36 696, nr. 3.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 341732 verplichtingen de EU, waaronder die van de World Trade Organi-zation (WTO) en bilaterale EU handelsovereenkomsten. Daarbij ishet kabinet van mening dat de handel verstorende effecten vaneen dergelijk voorkeursprincipe beperkt moeten blijven, tenzijeconomische weerbaarheidsoverwegingen tot een andereafweging nopen. Sterke economische betrekkingen tussen de EUen derde landen zijn immers in het Nederlands belang. Niet alleenvanwege de diversificatie-mogelijkheden om risicovolle strate-gische afhankelijkheden af te bouwen, maar ook omdat deNederlandse welvaart baat heeft bij open handel met een hogemate van concurrentie.19 Daarmee sluit het kabinet aan op demotie Hoogeveen op dit punt.20Hoe voorkomt het kabinet dat de Europese Unie, in reactie op protectio-nistische tendensen elders in de wereld, zelf vergelijkbare handelsversto-rende instrumenten gaat inzetten? Is het kabinet bereid zich in de Raad uitte spreken tegen de trend richting local content-eisen en te blijven pleitenvoor open markten, wederkerigheid en diversificatie van handelspartners?71. Antwoord van het kabinet:Zoals in het antwoord op vraag 70 hierboven uiteengezet draagthet kabinet een terughoudende positie uit ten aanzien van eenEuropees voorkeursprincipe zoals lokale inhoudsvereisten.Daarnaast spoort het kabinet de Europese Commissie actief aannieuwe handels- en investeringsverdragen te sluiten om onzehandelsrelaties te diversifiëren. Ook zet Nederland zich inEU-verband in voor het bevorderen van een internationaal gelijkspeelveld, waar handelsmaatregelen tegen concurrentiever-valsing en marktverstorende praktijken onderdeel van zijn.21 Hetkabinet is zich ervan bewust dat een aantal handelspartners weleen nationaal voorkeursbeleid hanteert. De EU zet zich daaromcontinu in voor betere toegang van EU-bedrijven tot derdemarkten. Dit kan onder andere door nieuwe handelsovereen-komsten te sluiten en door derde landen aan te spreken opmarktverstorende handelspraktijken. Indien nodig, treft de EUdaar maatregelen tegen door bijvoorbeeld inzet van het handels-defensieve instrumentarium of recentere instrumenten zoals hetInstrument voor Internationale Overheidsopdrachten (Inter-national Procurement Instrument, IPI).De leden van de fractie van JA21 constateren voorts dat de Europese Uniesteeds meer inzet op handelsakkoorden met duurzaamheidshoofdstukken,keteneisen en aanvullende regelgeving. Deze leden onderschrijven hetbelang van eerlijke handel en basisnormen, maar vragen tegelijkertijdaandacht voor het risico dat Europese regeldruk en complexe compliance-eisen de praktische markttoegang voor handelspartners bemoeilijken. Hoeweegt het kabinet dit risico mee in de onderhandelingen over nieuwehandelsakkoorden?72. Antwoord van het kabinet:Het kabinet herkent het risico dat Europese wetgeving bij kandragen aan regeldruk en handelsbelemmeringen, en het kabinetzet zich er dan ook voor in om handelsbeperkende effecten vanEU wetgeving zo veel mogelijk te bepreken om er voor te zorgendat de EU een betrouwbare en aantrekkelijke handelspartner19Zoals ook toegelicht in het BNC fiche: Verordening Industrial Accelerator Act, Kamerstukken II2025/2026 22 112, nr. 4306.20Kamerstukken II 2025/26, 21 501-20, nr. 2391.21Kamerstukken II 2025/26, 36 800 V, nr. 103.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 341733 blijft voor derde landen. Bovendien is het van belang dat nieuwewetgeving in lijn is met internationale verplichtingen van de EU,waaronder die in handelsakkoorden.Handelsakkoorden worden gesloten om markttoegang over enweer daadwerkelijk te verbeteren. Het kabinet ziet handelsak-koorden voorts als een goed instrument om mogelijke onduide-lijkheid over EU wetgeving weg te nemen. Handelsakkoorden ende onderhandelingen daarover bieden een platform om weder-zijdse ontwikkelingen in wetgeving te bespreken om zo voorspel-baarheid voor bedrijven uit derde landen te vergroten en handels-belemmerende effecten waar mogelijk tegen te gaan. Het isechter niet mogelijk om derde landen een voorkeursbehandelingte bieden in handelsakkoorden bij de toepassing van EUwetgeving.Deelt het kabinet de opvatting dat de EU moet waken voor een situatiewaarin handelsakkoorden op papier markttoegang vergroten, maaraanvullende regelgeving die toegang in de praktijk juist complexer maakt?73. Antwoord van het kabinet:Zie het antwoord op vraag 72.De leden van de fractie van JA21 hebben kennisgenomen van deantwoorden van het kabinet op het schriftelijk overleg over de RaadBuitenlandse Zaken van 11 mei 2026. Deze leden vragen het kabinet naderin te gaan op de positie van het Koninkrijk ten opzichte van Venezuela. Hetkabinet stelt dat «het bereid is een constructieve rol te spelen om desituatie te verbeteren waardoor in de toekomst mogelijk ook de randvoor-waarden ontstaan voor verantwoorde economische kansen.» Aan welkeconstructieve rol wordt hier specifiek gedacht?74. Antwoord van het kabinet:Het kabinet benadrukt, ook richting de Venezolaanse autoriteiten,dat verdere concrete stappen richting herstel van de rechtsstaaten democratie in Venezuela noodzakelijk zijn, ook om de sociaal-economische situatie duurzaam te verbeteren. Sociaalecono-mische ontwikkeling in Venezuela is gekoppeld aan herstel vanrule of law en institutionele hervormingen. Het is uiteraard aanVenezuela zelf om dergelijke processen vorm te geven. Hetkabinet is bereid, waar mogelijk, een constructieve rol te spelendie kan bijdragen aan herstel van de rechtsstaat en democratie,bijvoorbeeld in de facilitatie van politieke dialoog.Hoe worden de landen Aruba en Curaçao, mede in het licht van hun reedsuitgesproken ambities, binnen het buitenlandbeleid in de optimale positiegebracht om nieuwe economische kansen met Venezuela te kunnengrijpen?75. Antwoord van het kabinet:Herstel van de rechtsstaat en democratie in Venezuela isbelangrijk om in de toekomst op verantwoorde wijze naareconomische kansen te kijken. Economische aangelegenhedenvallen echter binnen de autonome bevoegdheden van Curaçao enAruba en dus buiten het mandaat van Nederland en hetKoninkrijk.Tenslotte willen de leden van de fractie van JA21 een verzoek doenbetreffende de gevolgen van een mogelijke opschorting van hethandelsdeel van het associatieakkoord met Israël. Tijdens het plenairedebat over de situatie in het Midden-Oosten van 16 april jongstleden heeftTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 341734 de Minister van Buitenlandse Zaken aangegeven dat er weinig zicht is opde mogelijke gevolgen voor het Nederlandse bedrijfsleven en toeleve-ringsketens. Hij gaf daarbij aan wel bereid te zijn te kijken of daar meerinformatie over verstrekt zou kunnen worden. Zou het kabinet bereid zijnper brief de Kamer hierover te informeren met daarover beschikbareinformatie?76. Antwoord van het kabinet:Het Commissievoorstel voor een gedeeltelijke opschorting vanhet handelsdeel van het EU-Israël Associatieakkoord (hierna:opschorting) is niet aangenomen door de Raad. Indien dit voorstelwel zou worden aangenomen, zouden zowel Israël als de EU geenaanspraak meer kunnen maken op preferentiële behandelingonder titel II, titel III en hoofdstukken 2, 3 en 4 van titel IV van deAssociatieovereenkomst zolang de opschorting van kracht zouzijn. In de praktijk betekent dit dat wederzijdse handel zouplaatsvinden onder de voorwaarden van de Wereldhandelsorgani-satie (most favoured nation, MFN). Dit heeft rechtstreeks invloedop kosten van de handel in bepaalde goederen, maar niet op debeschikbaarheid van deze goederen.Opschorting zou een beperkt deel van de totale goederenstroomtussen de EU en Israël treffen. 63 procent van de export vanIsraël naar de EU en bijna 70 procent van de EU-export naar Israëlvindt namelijk al plaats onder MFN-voorwaarden, waarbij veelalsprake is van een nultarief. De handelsstroom die momenteel welonder preferentiële voorwaarden plaatsvindt, zou bovendien inbeperkte mate worden getroffen omdat de gemiddelde toege-paste MFN-heffingen van Israël en de EU respectievelijk 1,9 en3 procent zijn. De effecten verschillen wel per productcategorie;heffingen voor landbouwproducten zijn doorgaans (beduidend)hoger dan voor industriegoederen.Aangezien Israël niet tot de voornaamste handelspartners vanNederland behoort, zouden de directe economische gevolgen vanopschorting voor de Nederlandse economie naar verwachtingzeer gering zijn. Er is beperkt zicht op de mogelijke gevolgenvoor specifieke bedrijven, sectoren en toeleveringsketens, ondermeer omdat de effecten van een verhoging van invoerheffingenvariëren op basis van de prijselasticiteit van specifieke goederen.En wat is de laatste stand van zaken omtrent die voornemen in Europeesverband?77. Antwoord van het kabinet:Tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 11 mei jl. bleek onvol-doende steun voor het gedeeltelijk of volledig opschorten van hetAssociatieakkoord tussen de EU en Israël. De kabinetsinzet tenaanzien van de opvolging van de evaluatie van artikel 2 van hetEU-Israël Associatieakkoord blijft gericht op het vergroten vandraagvlak voor EU-maatregelen onder andere lidstaten.Inbreng leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerdeagenda voor de Raad Buitenlandse Zaken Handel van 22 mei 2026 enhebben hierover nog enkele vragen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 341735 Impact Midden-Oosten op handel, energieprijzen en kunstmestDe leden van de BBB-fractie lezen dat de Raad zal spreken over de impactvan het conflict in het Midden-Oosten op handel en internationalewaardeketens. Deze leden lezen ook dat prijseffecten kunnen optreden oponder meer gas-, aluminium- en kunstmestmarkten. Kan de Ministeraangeven welke Nederlandse sectoren volgens het kabinet op dit momenthet meest kwetsbaar zijn voor deze prijsstijgingen en verstoringen,specifiek in de landbouw, visserij, transportsector, maakindustrie enenergie-intensieve industrie?78. Antwoord van het kabinet:De genoemde sectoren zijn inderdaad kwetsbaar voor versto-ringen en prijsstijgingen. Met name energie-intensieve industrie,zoals chemie en glastuinbouw, worden geraakt door hogeregasprijzen. De landbouw wordt onder andere geraakt door hogerekunstmestprijzen. Voor wat betreft verstoringen in de aluminium-markt wordt dit met name gevoeld in de bouw en de maakin-dustrie. De prijseffecten zullen op termijn echter breeddoorwerken in de economie door middel van hogere inflatie. Dekwetsbaarheid van specifieke bedrijven voor deze verstoringenhangt onder andere af van hun mogelijkheid om hogere prijzendoor te belasten aan de eindgebruikers.De leden van de BBB-fractie constateren dat de Europese Commissietijdelijk ruimere staatssteunregels toestaat via het Middle East CrisisTemporary State Aid Framework. Kan de Minister aangeven of het kabinetvoornemens is gebruik te maken van deze verruimde staatssteunruimte,bijvoorbeeld voor bedrijven die hard worden geraakt door hogere kostenvoor energie, brandstof en kunstmest? Zo ja, voor welke sectoren, onderwelke voorwaarden en op welke termijn? Zo nee, waarom niet?79. Antwoord van het kabinet:Voor Nederland is het gebruik van het steunkader nu niet aan deorde, Nederland heeft een evenwichtig pakket staan: het kabinetheeft bijna EUR 1 miljard vrijgemaakt voor ondernemers enhuishoudens. Het kabinet houdt ook rekening met de onzekerheidvan de huidige situatie. Daarom zijn verschillende scenario’suitgewerkt en houdt het kabinet bewust ruimte om op te schalenals de situatie verder verslechtert. Daarnaast werkt het kabinetaan het structureel afbouwen van de afhankelijkheid van fossieleenergie. Dat maakt ondernemers en onze economie op de langetermijn sterker en minder kwetsbaar.Deze leden vragen hoe de Minister voorkomt dat Nederlandse bedrijvenop achterstand komen te staan wanneer andere lidstaten wel gebruik-maken van deze ruimere staatssteunruimte. Is de Minister bereid in kaartte brengen welke lidstaten gebruikmaken van deze mogelijkheden enwelke gevolgen dit heeft voor het Europese gelijke speelveld?80. Antwoord van het kabinet:In hoeverre het tijdelijk crisiskader negatieve gevolgen heeft voorde interne markt hangt af van de mate waarin andereEU-lidstaten gebruik gaan maken van de verruimde mogelijk-heden om staatssteun te verlenen. Een verstoring van het gelijkespeelveld is in zo’n situatie denkbaar, als de verschillen tussenEU-lidstaten groot zijn. Het is aan de Europese Commissie toe tezien op de effecten op de interne markt en het kabinet houdteventuele steunverlening door andere EU-lidstaten in de gaten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 341736 De leden van de BBB-fractie vragen daarnaast hoe de Minister dezekwestie in Europees verband aan de orde stelt. Deelt de Minister de zorgdat verschillen in nationale steunmaatregelen kunnen leiden tot concur-rentieverstoring binnen de interne markt, juist voor sectoren die al onderzware druk staan?81. Antwoord van het kabinet:Nederland heeft eerder in de reactie op de consultatie over hetvoorstel voor het Tijdelijk crisiskader richting de EuropeseCommissie aangegeven van mening te zijn dat een tijdelijkcrisiskader in algemene zin nu nog niet noodzakelijk is. Dit geldtvoor staatssteun voor alle type sectoren, dus ook in bijvoorbeeldde agrarische sector. Indien de noodzaak later wel ontstaat, moeteen crisiskader zo gericht en tijdelijk mogelijk zijn vanwegemogelijke nadelige effecten op het gelijke speelveld op de internemarkt en aan bepaalde randvoorwaarden voldoen. Dit gaat metname om prijsprikkels voor de vermindering van fossiel energie-verbruik. Zoals in het antwoord op vraag 80 is aangegeven is eenverstoring van het gelijke speelveld in zo’n situatie denkbaar, alsde verschillen tussen EU-lidstaten groot zijn.Voedselzekerheid en handelsmissie EgypteDe leden van de BBB-fractie constateren dat begin mei een economischetuinbouwmissie naar Egypte heeft plaatsgevonden. Deze leden hebbenbegrepen dat samenwerking op het gebied van land- en tuinbouw, water,zaaizaad, pootgoed, glastuinbouw, precisielandbouw en voedselzekerheiddaarbij belangrijke thema’s waren. Kan de Minister aangeven welkeconcrete resultaten deze missie heeft opgeleverd? Kan de Minister daarbijingaan op de vraag welke kansen deze missie concreet biedt voorNederlandse boeren, tuinders, veredelaars, watertechnologiebedrijven,kennisinstellingen en het mkb? Hoe wordt ervoor gezorgd dat deze missieniet blijft steken in gesprekken en netwerkbijeenkomsten, maar leidt totconcrete handelskansen en projecten?82. Antwoord van het kabinet:De economische tuinbouwmissie naar Egypte heeft concretevervolgstappen opgeleverd voor samenwerking rond voedselze-kerheid, duurzame land- en tuinbouw en efficiënt watergebruik ineen snel groeiende landbouwmarkt. Zo namen aan een van deprogrammaonderdelen, een door Nederland georganiseerdeconferentie, ruim 600 deelnemers deel en er vonden bijna100 gerichte matchmakinggesprekken plaats, waaruit directbedrijfsbezoeken en vervolgafspraken zijn voortgekomen. Ditheeft mede geleid tot aanvullende investeringsplannen voor dekomende jaren, met name in bedekte teelt, post-harvest techno-logie, supply chain management en zadenteelt.Een gezamenlijke «Shared Agenda» met het Egyptische Agri-cultural Research Center verankert afspraken over onder meerbescherming van kwekersrechten, zaadkwaliteit en inspectieca-paciteit, toegang tot biologische bestrijdingsmiddelen ensubstraten, en verdere samenwerking op kassenbouw, pootgoeden citrus ketens. Daarmee ontstaan duidelijke kansen voorNederlandse boeren, tuinders, veredelaars, watertechnologiebe-drijven, kennisinstellingen en het midden- en kleinbedrijf. In hetbelang van vertrouwelijkheid en een gelijk speelveld wordt nietingegaan op resultaten van individuele bedrijven, maar de missieis nadrukkelijk gericht op concrete handels- en samenwerkings-projecten en niet alleen op netwerkbijeenkomsten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 341737 De leden van de BBB-fractie vragen ook hoe de samenwerking met Egypteop het terrein van voedselzekerheid past binnen de bredere handels-agenda van het kabinet. Ziet de Minister voedselzekerheid als een vast enherkenbaar onderdeel van het Nederlandse handelsbeleid, juist omdatNederland op dit gebied veel kennis en praktijkervaring te bieden heeft?83. Antwoord van het kabinet:Het kabinet zet onverminderd in op de Nederlandse kennis enkunde op het gebied van land- en tuinbouw als belangrijkonderdeel van onze internationale handelsstromen. In de handels-relatie met veel landen, waaronder Egypte, staat deze sectorcentraal. Onder andere middels een vanuit ontwikkelingssamen-werking gefinancierde zogeheten Combitrack, komen lokalemarktontwikkeling en marktkansen voor de Nederlandse land- entuinbouwsector samen in Egypte. Deze Combitrack laat zien datvoedselzekerheid en agrohandel nauw met elkaar verbonden zijn.Zij worden als zodanig benoemd als prioriteit in de gezamenlijkebeleidsbrief Buitenlandse Zaken 2026.Handelsakkoorden en kansen voor Nederlandse ondernemersDe leden van de BBB-fractie lezen dat tijdens de lunch zal wordengesproken over de implementatie van handelsakkoorden en hetversnellen van procedures. Deze leden onderschrijven dat handelsak-koorden alleen waarde hebben wanneer ondernemers ze ook echt kunnengebruiken. Kan de Minister aangeven hoe het kabinet ervoor zorgt datvooral mkb’ers, regionale bedrijven en ondernemers in de agrofoodsectorbeter worden geïnformeerd over concrete kansen uit nieuwe enbestaande handelsakkoorden?84. Antwoord van het kabinet:Goede implementatie van handelsakkoorden is essentieel omervoor te zorgen dat de kansen die handelsakkoorden bieden ookdaadwerkelijk worden benut en gemaakte afspraken wordennageleefd. Het kabinet zet via verschillende kanalen in opinformatievoorziening aan het bedrijfsleven. Op websites vanonder andere de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO),de Douane, de Kamer van Koophandel en de Rijksoverheid staanhandelsakkoorden uitgelegd en wordt toegelicht aan welkevoorwaarden moet worden voldaan voor het gebruik hiervan.Tevens kunnen bedrijven bij deze organisaties terecht meteventuele vragen. Voorlichting aan het Nederlands bedrijfslevenover kansen die handelsakkoorden bieden gebeurt doorlopendbinnen de inzet van het brede handelsinstrumentarium. Dit wordtgezamenlijk uitgevoerd door de RVO, ambassades en consulaten-generaal, Netherlands Business Support Offices (NBSOs), en hetTrade and Innovate NL netwerk.Daarnaast worden bedrijven door koepelorganisaties, waaronderdoor VNO-NCW, actief ingelicht over (de mogelijkheden van)nieuwe handelsakkoorden. In samenwerking met de EuropeseCommissie bestaan verschillende initiatieven, zoals het onlineAccess to Markets platform en het organiseren van markttoe-gangsdagen, die bijdragen aan de kennis over handelsakkoorden.Kan de Minister aangeven of bij de implementatie van handelsakkoordenstandaard wordt gekeken naar de gevolgen voor Nederlandse boeren,tuinders, familiebedrijven en mkb’ers? Zo ja, hoe wordt die beoordelinggemaakt? Zo nee, is de Minister bereid dit voortaan explicieter mee tenemen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 341738 85. Antwoord van het kabinet:Bij de beoordeling van een handelsakkoord door het kabinetworden verschillende impactanalyses meegenomen in de beoor-deling. In deze beoordeling is speciale aandacht voor de impactop mkb-bedrijven. Daarnaast gaan de analyses in op specifiekesectoren, waaronder verschillende landbouwsectoren.WTO en weerbaarheid van de Nederlandse economieDe leden van de BBB-fractie lezen dat de uitkomsten van MC14 beperktwaren en dat er geen afspraken zijn gemaakt over WTO-hervormingen enhet voortzetten van het e-commerce moratorium. Kan de Ministeraangeven wat het uitblijven van deze afspraken concreet betekent voorNederlandse ondernemers?86. Antwoord van het kabinet:De Nederlandse inzet bij de WTO is erop gericht om hervor-mingen door te voeren binnen de WTO en in het multilateralehandelssysteem, met als doel het gelijke speelveld tussen landente verbeteren en om het handelssysteem sterker en eerlijker temaken. Dit is nodig omdat veel handelsregels uit de vorige eeuwdateren en verouderd raken. Ze sluiten steeds minder goed aanbij de huidige geo-economische situatie en de machtsverhou-dingen tussen landen. Het doorvoeren van hervormingen moetbijdragen aan het moderniseren en het stabieler en voorspel-baarder maken van het handelssysteem waarin Nederlandsebedrijven dagelijks opereren. Het is daarom teleurstellend dat hetbij 14e ministeriële conferentie (MC14) van de WTO niet is gelukteen concreet hervormingsplan aan te nemen.Het verlopen van het e-commerce moratorium bij de WTObetekent dat er geen multilateraal verbod meer is op het invoerenvan importheffingen op elektronische transmissies. In principestaat het WTO-leden nu dus vrij dergelijke heffingen in te voeren,hetgeen kan leiden tot hogere kosten voor bedrijven en consu-menten. Vooralsnog heeft het kabinet echter geen signalenontvangen dat derde landen op dit moment daadwerkelijkoverwegen om een dergelijke heffing te introduceren. Daarbijspeelt mee dat het onduidelijk is hoe zulke heffingen er in depraktijk uit moeten zien. Voorts geldt dat in bilaterale handelsak-koorden, waaronder een aantal van de akkoorden van de EU, eenvergelijkbaar verbod op e-commerce heffingen is opgenomen.Ook hebben 66 WTO-leden tijdens MC14 besloten om hete-commerce agreement (ECA) met een met het moratoriumvergelijkbaar verbod op voorlopige basis toe te gaan passen.De leden van de BBB-fractie vragen hoe de Minister zich in Europeesverband inzet voor een handelsbeleid dat open handel combineert metbescherming van vitale Nederlandse belangen. Deze leden vinden datNederland handelsland is en moet blijven, maar dat dit niet naïef mag zijn.Kan de Minister aangeven hoe het kabinet in de Raad inzet op minderstrategische afhankelijkheden, betrouwbare handelsroutes en eerlijkeconcurrentievoorwaarden voor Nederlandse bedrijven?87. Antwoord van het kabinet:Het kabinet erkent dat de wereld om ons heen snel verandert endeelt de noodzaak om de geo-economische positie van de EU enNederland te verstevigen. Dat vraagt enerzijds om het versterkenvan ons verdienvermogen en anderzijds om de afbouw van onzerisicovolle strategische afhankelijkheden. Nederland zet zichdaarom in EU-verband in voor een actief handelsbeleid,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 341739 waaronder het sluiten van nieuwe of moderniseren van bestaandehandels- en investeringsakkoorden. Daarmee diversifiëren weonze handelspartners en vergroten we de weerbaarheid van onzewaardeketens. Dat is cruciaal voor zowel ons verdienvermogenals de bescherming van onze vitale belangen. Tegelijkertijd spantNederland zich in voor de bevordering van een internationaalgelijk speelveld voor Europese bedrijven, zoals door de inzet vanhandelsmaatregelen tegen concurrentievervalsing en marktver-storende praktijken.22 Ook daarmee draagt het handelsbeleid bijaan de bescherming van onze vitale belangen.Inbreng leden van de DENK-fractieDe leden van de DENK-fractie hebben kennisgenomen van de geanno-teerde agenda van de Raad Buitenlandse Zaken Handel van 22 mei 2026en hebben naar aanleiding daarvan nog enkele vragen en opmerkingen.In de brief gaat de Minister in op de uitvoering van een motie over hetvoorkomen dat producten die gefabriceerd zijn met Oeigoerse dwang-arbeid op de Nederlandse markt komen. De leden van de DENK-fractiemaken zich in dit kader ernstige zorgen over de voortgaande groei van dehandelsrelatie met Xinjiang (Oost-Turkestan), terwijl er sprake is vanstructurele en grootschalige mensenrechtenschendingen tegen deOeigoerse bevolking, waaronder de inzet van dwangarbeid. Deze ledenvragen de Minister hoe hij deze ontwikkeling beoordeelt in het licht van derecente bevindingen van Nieuwsuur, waaruit blijkt dat de handel tussenNederland en Xinjiang (Oost-Turkestan) de afgelopen jaren aanzienlijk istoegenomen en in 2024 bijna een half miljard euro bedroeg.88. Antwoord van het kabinet:Het kabinet veroordeelt dwangarbeid waar ook ter wereld, endeelt de zorgen van de DENK-fractie over de situatie van deOeigoeren. In de verslaggeving van Nieuwsuur worden cijfers vande Chinese douane gebruikt. Het kabinet kan deze cijfers nietverifiëren. Een mogelijke verklaring voor de toename van importuit Xinjiang is dat de regio een belangrijke import- en exporthubis geworden. Daardoor zijn niet alle producten die China viaXinjiang verlaten ook daar geproduceerd. Ook kan uit detoename van de import uit Xinjiang niet automatisch wordengeconcludeerd dat de toegenomen instroom van productengeheel middels dwangarbeid is vervaardigd. Bovendien zijn nietalle producten die via Nederland binnenkomen bestemd voor deNederlandse markt. De Anti-dwangarbeidverordening is eenbelangrijk Europees instrument om te voorkomen dat productengemaakt met dwangarbeid, waaronder Oeigoerse dwangarbeid,op de Europese markt aangeboden worden. Vanaf 14 december2027 gaan de regels voor bedrijven gelden en wordt er gehand-haafd. Nederland heeft in lijn met de moties Van Baarle(Kamerstuk 36 600 V, nr. 53 en Kamerstuk 35 207, nr. 90) en VanBaarle/Bamenga (Kamerstuk 36 800 XVII, nr. 41) de afgelopenjaren regelmatig aandacht gevraagd bij de Commissie over hetbelang van het tegengaan van Oeigoerse dwangarbeid. DeCommissie is mede dankzij de inzet van Nederland beter geïnfor-meerd over het risico op dwangarbeid in China.Voorts vragen de leden van de DENK-fractie welke concrete stappenNederland sinds de aanneming van de Europese anti-dwangarbeid-verordening heeft gezet om producten die vervaardigd zijn met dwang-arbeid uit de Nederlandse en Europese markt te weren.22Kamerstukken II 2025/26, 36 800 V, nr. 103.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 341740 89. Antwoord van het kabinet:In lijn met de moties Van Baarle23 en Van Baarle/Bamenga24 heeftNederland de afgelopen jaren regelmatig aandacht gevraagd bijde Commissie over het belang van het tegengaan van Oeigoersedwangarbeid. De Commissie is mede dankzij de inzet vanNederland beter geïnformeerd over het risico op dwangarbeid inChina. Daarnaast zet Nederland zich in om bedrijven actief teinformeren over de Anti-dwangarbeidverordening en hen teondersteunen bij het toepassen van gepaste zorgvuldigheid. Ervinden regelmatig gesprekken plaats met het bedrijfsleven enandere stakeholders over de verordening. Bedrijven kunnen onderandere terecht bij het MVO-steunpunt (RVO) en het posten-netwerk in China voor informatie en ondersteuning.In dat kader vragen deze leden tevens of het klopt dat Nederland nog altijdgeen nationale toezichthouder heeft aangewezen voor de uitvoering enhandhaving van deze verordening. Indien dat het geval is, vernemen dezeleden graag waarom dit nog niet is gebeurd, op welke termijn alsnog eentoezichthouder zal worden aangewezen en welke gevolgen het uitblijvenhiervan heeft voor de handhaving op producten die mogelijk metOeigoerse dwangarbeid zijn vervaardigd.90. Antwoord van het kabinet:Lidstaten moesten voor 14 december 2025 één of meerderetoezichthouder(s) aanwijzen. Aan die verplichting is gedeeltelijkvoldaan. Een aantal markttoezichthouders, namelijk de Neder-landse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), Inspectie Leefom-geving en Transport (ILT), Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA) enInspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), zijn aan de Commissiedoorgegeven voor de handhaving van het verbod wanneerdwangarbeid is vastgesteld. De Kamer is hierover geïnformeerdvia de geannoteerde agenda voor de RBZ Handel van 19 en20 februari jl. Daarnaast moet elke lidstaat één leidendebevoegde autoriteit aanwijzen. Het ministerie voert al geruimetijd gesprekken met verschillende partijen die geschikt kunnenzijn. Deze rol omvat meerdere taken, waaronder het beoordelenvan ingediende informatie, het onderzoek doen naar productengemaakt met dwangarbeid in Nederland, en het nemen vanbesluiten of het verbod geschonden is. Het ministerie heeftsamen met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheidde gesprekken met potentiële kandidaten voor de rol vanleidende bevoegde autoriteit geïntensiveerd. Het kabinet streefternaar op korte termijn een leidende bevoegde autoriteit aan tewijzen.Wel geldt dat de Europese Commissie verantwoordelijk is voorhet onderzoek doen naar en vaststellen van producten gemaaktmet dwangarbeid buiten de EU-grenzen, waaronder in Chinavervaardigde producten. Lidstaten zijn verantwoordelijk voor hetonderzoek en vaststellen van dwangarbeid binnen de eigenlandsgrenzen. Pas als de Anti-dwangarbeidverordening vantoepassing is in december 2027, kan daadwerkelijk wordengehandhaafd. Tot die tijd treft Nederland voorbereidingen vooreen effectieve implementatie van de verordening. Er lopengesprekken met een veelvoud aan toezichthouders en de Douaneom na te gaan hoe deze verordening in de Nederlandse contexthet best kan worden uitgevoerd.23Kamerstukken 36 600 V, nr. 53 en Kamerstuk 35 207, nr. 90.24Kamerstuk 36 800 XVII, nr. 41.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 341741 Welke andere stappen zet de regering nationaal ter voorbereiding op deverordening, wensen de leden ook te vragen.91. Antwoord van het kabinet:Het kabinet werkt momenteel aan de effectieve implementatievan de Anti-dwangarbeidverordening in Nederland. Naast degesprekken met potentiële toezichthouders en de Douane voerthet kabinet gesprekken met andere EU lidstaten en de EuropeseCommissie. Het kabinet werkt voorts aan de uitvoeringswet, laatde regeldrukeffecten van de verordening in kaart brengen, enondersteunt en informeert bedrijven, o.a. via het MVO-steunpunt.Daarnaast vinden er regelmatig gesprekken met het bedrijfslevenen andere stakeholders plaats over de Anti-dwangarbeidver-ordening.Het kabinet heeft vorig jaar een onderzoek laten uitvoeren dateen eerste inzicht biedt in landen en productgroepen met eenpotentieel risico op dwangarbeid in de Nederlandse import.25 Hetkabinet heeft dit onderzoek aan de Europese Commissie enandere EU lidstaten gepresenteerd en hierover nadere gesprekkengevoerd met de Europese Commissie.Daarnaast vragen de leden van de DENK-fractie of de Minister bereid iszich in Europees verband in te zetten voor een verzwaarde bewijslast voorproducten afkomstig uit Xinjiang (Oost-Turkestan), vergelijkbaar met deAmerikaanse Uyghur Forced Labor Prevention Act, waarbij bij productenuit deze regio standaard wordt vermoed dat zij met dwangarbeid zijnvervaardigd tenzij het tegendeel wordt bewezen. Indien de Ministerhiertoe niet bereid is, verzoeken deze leden uiteen te zetten waarom niet.92. Antwoord van het kabinet:De Anti-dwangarbeidverordening is reeds in werking getreden enkan niet meer worden gewijzigd. In tegenstelling tot de Ameri-kaanse Uyghur Forced Labor Prevention Act is de verordeninglandenneutraal. De Europese Commissie komt met richtsnoerenover o.a. de bewijsstandaard en staatsgeleide dwangarbeid. Bijhet prioriteren van zaken zal de toezichthouder op grond van deverordening rekening houden met de omvang en de ernst van dedwangarbeid. Bij staatsgeleide dwangarbeid zal de omvang enernst groot zijn. Het kabinet verwacht dat de verordening reedsvoldoende ruimte biedt om producten gemaakt met staatsgeleidedwangarbeid van de Europese markt te weren. Aanvullendestappen nemen voorafgaand aan de toepassingsdatum acht hetkabinet prematuur.Voorts vragen de leden de Minister uiteen te zetten wat sinds aannemingvan de motie Van Baarle (Kamerstuk 36 600 V, nr. 53) door de regeringspecifiek is gedaan op het gebied van het weren van producten diemogelijk met Oeigoerse dwangarbeid tot stand zijn gekomen.93. Antwoord van het kabinet:Sinds aanneming van de motie-Van Baarle (Kamerstuk 36 600 V,nr. 53) heeft het kabinet verschillende acties in gang gezet26waaronder het organiseren van een bijeenkomst voorEU-lidstaten en de Europese Commissie over de implementatievan de Anti-dwangarbeidverordening en is binnen dit kader en in25Assessing Forced Labour Risks in Dutch Imports | Rapport | Rijksoverheid.nl.26Zie ook het Verslag van de Raad Buitenlandse Zaken van 15 december 2025 (Kamerstuk21 501-02, nr. 3313) en de Geannoteerde Agenda voor de Raad Buitenlandse Zaken Handel van22 mei 2026 (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3393).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 341742 het Unienetwerk tegen met dwangarbeid vervaardigde productenspecifiek het tegengaan van (staatsgeleide) Oeigoerse dwang-arbeid geagendeerd. Daarnaast heeft het kabinet zorgen over demensenrechtensituatie in China aangekaart, zowel in bilateralegesprekken met China als in multilateraal verband met gelijkge-zinden en is er input van experts en andere stakeholders aange-leverd voor de EU-richtsnoeren over staatsgeleide dwangarbeid,gepaste zorgvuldigheid en de op te zetten database met risico-producten en -regio’s. Tot slot heeft het kabinet zich ingespannenvoor de implementatie van de aanbevelingen van het OHCHR-rapport over de mensenrechtensituatie in Xinjiang, waaronderdoor dit aan te kaarten in de nationale verklaringen tijdens deMensenrechtenraden in Genève in maart en september jl.Tot slot wensen de leden van de DENK-fractie te vragen hoe de regeringconcreet zich tot de Europese Commissie wendt om de implementatie vande antidwangarbeidverordening zo streng mogelijk te maken op hetgebied van Oeigoerse dwangarbeid. Welke mogelijkheden biedt deverordening hiertoe, wensen de leden te vragen. Is de regering bijvoor-beeld bereid om aan de Europese Commissie te vragen om geheelXinjiang (Oost-Turkestan) tot risicogebied aan te wijzen, vragen dezeleden.94. Antwoord van het kabinet:Het kabinet spreekt regelmatig met de Europese Commissie overde Anti-dwangarbeidverordening en zal dit blijven doen. In dezegesprekken zal het kabinet blijvend aandacht vragen vooreffectieve implementatie van de Anti-dwangarbeidverordening,ook met het oog op het tegengaan van Oeigoerse dwangarbeid.De Europese Commissie zal verantwoordelijk worden voorbesluiten over dwangarbeid buiten de EU. Producten waar hetbesluit over gaat mogen de EU-markt niet op, en worden aan deEU-grens tegengehouden of moeten van de markt af wordengehaald. Nederland zal – net als andere EU lidstaten – wordenbetrokken bij deze besluitvorming. Het Unienetwerk tegen metdwangarbeid vervaardigde producten, waarin de EuropeseCommissie en EU lidstaten vertegenwoordigd zijn, is eenbelangrijk platform om deze gesprekken te voeren.Het kabinet is ertoe bereid aan de Europese Commissie te vragenom Xinjiang op te nemen in de database met risicoregios en-producten van de Anti-dwangarbeidverordening.De leden van de DENK-fractie vragen verder of mensenrechtenschen-dingen tegen de Oeigoeren expliciet onderdeel zullen zijn van degesprekken tijdens de aankomende handelsmissie naar China.95. Antwoord van het kabinet:Tijdens het aanstaande werkbezoek staan de kansen en uitda-gingen in de economische relatie met China centraal. Internati-onaal maatschappelijk verantwoord ondernemen en hettegengaan van dwangarbeid is daar onderdeel van. Er wordt opdit moment nog gewerkt aan de invulling van het programma,daarom is het niet mogelijk vooruit te lopen op de agenda van hetbezoek.Tevens vragen deze leden of de Minister bereid is tijdens deze handels-missie nadrukkelijk aandacht te vragen voor de situatie van de Oeigoerenen de inzet van dwangarbeid in Xinjiang (Oost-Turkestan). Indien deMinister daartoe niet bereid is, vernemen deze leden graag waarom dithet geval is.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 341743 96. Antwoord van het kabinet:Er wordt op dit moment nog gewerkt aan de invulling van hetprogramma. Het kabinet kan op dit moment nog niet aangevenwelke onderwerpen expliciet onderdeel zullen zijn van hetwerkbezoek. IMVO-gerelateerde onderwerpen, waaronder hettegengaan van dwangarbeid in waardeketens, zijn voor hetkabinet en bedrijven die actief zijn in China zeker relevant.Op de agenda staat ook het Midden-Oosten, merken de leden op. Daaromvragen de leden van de DENK-fractie of de Minister tijdens de komendeRaad bereid is zich in te zetten voor opschorting van het handelsdeel vanhet EU-associatieakkoord met Israël, conform meerdere aangenomenoproepen uit de Kamer. Indien de Minister daartoe niet bereid is,verzoeken deze leden dit nader toe te lichten.97. Antwoord van het kabinet:Tijdens de Raad Buitenlandse Zaken (RBZ) van 11 mei jl. bleekonvoldoende steun voor het gedeeltelijk of volledig opschortenvan het Associatieakkoord tussen de EU en Israël. Dekabinetsinzet ten aanzien van de opvolging van de evaluatie vanArtikel 2 van het EU-Israël Associatieakkoord blijft gericht op hetvergroten van draagvlak onder andere lidstaten voorEU-maatregelen.27 Deze inzet van het kabinet zal tijdens de RBZHandel worden besproken met andere EU-handelsministers.Tevens vragen deze leden hoe effectief de Minister het huidige Europesebeleid acht ten aanzien van de etikettering van producten afkomstig uitillegale Israëlische nederzettingen. Daarbij vernemen deze leden graaghoeveel controles de afgelopen jaren hebben plaatsgevonden op decorrecte etikettering van dergelijke producten, hoeveel overtredingendaarbij zijn vastgesteld en welke sancties of maatregelen wordenopgelegd wanneer producten uit illegale nederzettingen onjuist zijngeëtiketteerd of ten onrechte profiteren van handelsvoordelen.98. Antwoord van het kabinet:Het etiketteringsbeleid is gebaseerd op EU-wetgeving metbetrekking tot juiste en niet-misleidende herkomstaanduiding.Deze wetgeving is bedoeld om consumenten van correcteinformatie te voorzien en is algemeen van toepassing, ongeachthet land of gebied waar producten vandaan komen. Er zijn dusgeen specifieke regels voor de door Israël bezette gebieden ofvoor welk ander gebied of land dan ook.28 Derhalve staat hetetiketteringsbeleid ook los van gerichte handelspolitieke maatre-gelen, zoals tarifaire of kwantitatieve beperkingen.29Hoewel dezelfde etiketteringsregels van toepassing zijn op allelanden en gebieden, heeft het EU Hof van Justitie wel naderetoelichting gegeven over de manier waarop deze regels moetenworden toegepast in de context van de (onrechtmatige nederzet-tingen in) de door Israël bezette gebieden. Specifiek heeft het Hofop 12 november 2019 verduidelijkt dat op levensmiddelenafkomstig uit een door Israël bezet gebied, dit gebied moetworden vermeld. Indien levensmiddelen afkomstig zijn uit een27In reactie op verzoek 2025Z18617/2025D43258 Aan Minister BuZa – Verzoek d.d. 3 oktober 2025om een reactie ten aanzien van het voorstel inzake opschorting van bepaalde handelsgerela-teerde bepalingen van de Euro-mediterrane Overeenkomst van de Europese Gemeen-schappen en Israël. Zie tevens de kabinetsinzet ten aanzien van dit voorstel in onder meer deKamerstukken 21 501-02, nr. 3262 en 21 501-02, nr. 3267.28Kamerstuk 23 432, nr. 475.29Kamerstuk 21 501-02, nr. 3236.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 341744 Israëlische nederzetting binnen dat gebied, moet ook dezeherkomst worden vermeld.30De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) is verant-woordelijk voor toezicht op de geldende etiketteringswetgeving.De NVWA controleert risicogericht en sanctioneert conform hetstaande interventiebeleid. Sinds begin 2025 heeft de NVWA zesmeldingen ontvangen over herkomstetikettering van productendie mogelijk onterecht als «producten uit Israël» gezien kondenworden. Van deze zes waren er vier onterecht gemeld, éénmelding heeft niet geleid tot maatregelen en één melding isopgevolgd met een waarschuwingsbrief aan het betreffendebedrijf.Ten slotte vragen de leden in het kader van overige onderwerpen welkeconcrete stappen de regering naar aanleiding van de aanneming van demotie van het lid Van Baarle c.s. (Kamerstuk 36 180, nr. 209) zal zetten omde Europese Commissie te verzoeken om de rol van de VerenigdeArabische Emiraten (VAE) in de oorlog in Sudan bespreekbaar te makenen hierin Europese medestanders te vinden. De leden wensen te vragen ofde Minister dit de aankomende Raad zal doen.99. Antwoord van het kabinet:Conform de motie van het lid Van Baarle c.s.31 heeft het kabinetrecentelijk in Brussel het conflict in Soedan onder de aandachtgebracht van Commissie en EU-lidstaten in relatie tot hetonderhandelingsmandaat.In dit kader vragen deze leden ook of de rol van de VAE in de oorlog inSudan momenteel wordt betrokken bij handelsafwegingen, diplomatiekecontacten of onderhandelingen met de VAE. Indien dit niet het geval is,verzoeken deze leden de regering uiteen te zetten waarom dit niet hetgeval is.100. Antwoord van het kabinet:Nederland onderhoudt een brede bilaterale relatie met de VAE,een belangrijke partner voor Nederland en de EU. Binnen dezerelatie spreekt het kabinet op politiek en hoogambtelijk niveaumet de VAE over de situatie in de regio en regionale stabiliteit,waaronder ook de oorlog in Soedan. Daarbij zet Nederland in opconstructief engagement met de VAE waarbij aandacht wordtbesteed aan de humanitaire situatie, de gevolgen van de oorlogvoor Soedan, de regio en de EU, en over wapenleveranties vanderde partijen aan de strijdende partijen.Inbreng leden van de SGP-fractieDe leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan de geannoteerde agenda van de Raad Buitenlandse Zaken Handel van22 mei 2026.De leden van de SGP-fractie hebben nog een aantal vragen over versoe-peling van staatssteunregels, de handelsrelatie met Israël en de(herziening van de) APS-verordening.30Arrest van het Hof in zaak C-363/18 (12 november 2019), https://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf?text=&docid=220534&pageIndex=0&doclang=NL&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=504186831Kamerstuk 36 180, nr. 209Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 341745 Economische veiligheidDe leden van de SGP onderschrijven het belang dat het kabinet hecht aande opening van de Straat van Hormuz, die illegaal geblokkeerd wordt doorde Islamitische Republiek Iran. Primair moet de druk op het ayatollah-regime daartoe verder worden opgevoerd. Het kabinet geeft aan dat deleveringszekerheid vooralsnog niet in gevaar komt. Toch kunnen erbedrijven zijn waarvan de aanvoerketens zodanig onder druk raken dat zijdoor de oorlog in het Midden-Oosten in de problemen komen. DeEuropese Commissie staat tijdelijk toe dat lidstaten tot het einde van hetjaar extra staatssteun verlenen. Zo kunnen lidstaten tot 70 procent van deextra kosten voor energie en kunstmest compenseren. Is het kabinetvoornemens van deze mogelijkheid gebruik te maken? Zo nee, hoewaarborgt het kabinet een gelijk speelveld wanneer andere lidstaten wélgebruikmaken van deze versoepeling van de staatssteunregels?101. Antwoord van het kabinet:Voor Nederland is het gebruik van het steunkader nu niet aan deorde. Nederland heeft een evenwichtig pakket staan: het kabinetheeft bijna EUR 1 miljard vrijgemaakt voor ondernemers enhuishoudens. Het kabinet houdt ook rekening met de onzekerheidvan de huidige situatie. Daarom zijn verschillende scenario’suitgewerkt en houdt het kabinet bewust ruimte om op te schalenals de situatie verder verslechtert. Daarnaast werkt het kabinetaan het structureel afbouwen van de afhankelijkheid van fossieleenergie. Dat maakt ondernemers en onze economie op de langetermijn sterker en minder kwetsbaar.In hoeverre het Tijdelijk crisiskader negatieve gevolgen heeftvoor de interne markt hangt af van de mate waarin andereEU-lidstaten gebruik gaan maken van de verruimde mogelijk-heden om staatssteun verlenen. Het is aan de EuropeseCommissie toe te zien op de effecten op de interne markt en hetkabinet houdt eventuele steunverlening door andere EU-lidstatenin de gaten.Handel met IsraëlDe leden van de SGP-fractie constateren dat de lidstaten in de Raad vande Europese Unie een politiek akkoord hebben bereikt over een nieuwsanctiepakket tegen kolonisten. Over de inhoud van deze sancties is nogweinig bekend. De leden van de SGP kunnen zich voorstellen dat dezesancties door Israël niet los worden gezien van pleidooien vanuitverschillende lidstaten voor opschorting van het handelsdeel van deassociatieovereenkomst tussen de EU en Israël. Kan het kabinet inzich-telijk maken welke gevolgen de voorgenomen sancties en een eventueleopschorting van het handelsdeel van de associatieovereenkomst kunnenhebben voor de handelsrelatie met Nederland? Kan het kabinet daarnaastaangeven in hoeverre rekening wordt gehouden met mogelijke Israëlischetegenmaatregelen en de Kamer hierover te informeren zodra hierovermeer duidelijkheid is?102. Antwoord van het kabinet:De Raad Buitenlandse Zaken (RBZ) bereikte recentelijk eenpolitiek akkoord over het derde sanctiepakket tegen geweld-dadige kolonisten en hun organisaties. Dit pakket wordtbinnenkort formeel aangenomen en gepubliceerd. Daarmeeworden dan ook de individuele sancties tegen personen en/oforganisaties bekend. De directe gevolgen hiervan zijn hetbevriezen van tegoeden van deze entiteiten en een inreisverbodTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 341746 in de EU. Ook mogen EU personen en bedrijven geen zaken meerdoen met personen en entiteiten op de sanctielijst.Het Commissievoorstel voor een gedeeltelijke opschorting vanhet handelsdeel van het EU-Israël Associatieakkoord (hierna:opschorting) is niet aangenomen door de RBZ. Indien dit voorstelwel zou worden aangenomen, zouden zowel Israël als de EU geenaanspraak meer kunnen maken op preferentiële behandelingonder titel II, titel III en hoofdstukken 2, 3 en 4 van titel IV van deAssociatieovereenkomst zolang de opschorting van kracht zouzijn. In de praktijk betekent dit dat wederzijdse handel zouplaatsvinden onder de voorwaarden van de Wereldhandelsorgani-satie (most favoured nation, MFN). Dit heeft rechtstreeks invloedop kosten van de handel in bepaalde goederen, maar niet op debeschikbaarheid van deze goederen.Opschorting zou een beperkt deel van de totale goederenstroomtussen de EU en Israël treffen. 63 procent van de export vanIsraël naar de EU en bijna 70 procent van de EU-export naar Israëlvindt namelijk al plaats onder MFN-voorwaarden, waarbij veelalsprake is van een nultarief. De handelsstroom die momenteel welonder preferentiële voorwaarden plaatsvindt, zou bovendien inbeperkte mate worden getroffen omdat de gemiddelde toege-paste MFN-heffingen van Israël en de EU respectievelijk 1,9 en3 procent zijn. De effecten verschillen wel per productcategorie;heffingen voor landbouwproducten zijn doorgaans (beduidend)hoger dan voor industriegoederen.Aangezien Israël niet tot de voornaamste handelspartners vanNederland behoort, zouden de directe economische gevolgen vanopschorting voor de Nederlandse economie naar verwachtingzeer gering zijn. Mogelijke politieke en diplomatieke gevolgenzijn onderdeel van de discussie over deze maatregel inEU-verband. Eventuele Israëlische tegenmaatregelen zijn evenwelniet op voorhand te voorspellen. Indien van toepassing zal hetkabinet de Kamer hierover informeren.APSMet interesse hebben de leden van de SGP de brief gelezen over deherziening van de verordening over het Algemeen Preferentieel Stelsel(APS). De SGP steunt tariefpreferenties voor ontwikkelingslanden, omdatdit één van de meest effectieve vormen van beleidscoherentie is.Vrijhandel vormt een cruciale voorwaarde voor marktontwikkeling enindustrialisatie, waardoor minst ontwikkelde landen en lage-inkomens-landen beter in staat zijn armoede terug te dringen en een goed functione-rende samenleving op te bouwen. Bij ernstige marktverstoringen doorimport van bepaalde (landbouw)producten uit lagere middeninkomens-landen moet de EU, zoals het kabinet terecht aangeeft, vrijwaringsmaatre-gelen kunnen nemen. Kan het kabinet recente voorbeelden geven dat deEuropese Commissie hiertoe moest overgaan?103. Antwoord van het kabinet:Een recent voorbeeld van vrijwaringsmaatregelen in het kadervan APS is de tijdelijke intrekking van tariefpreferenties voorethanol uit Pakistan in juni 2025 naar aanleiding van een ernstigeverstoring van de Europese markt.32Ernstige en systematische schendingen van bepaalde internationaleverdragen kunnen aanleiding zijn om tariefpreferenties gedeeltelijk ofgeheel in te trekken. Het kabinet noemt in dit verband Wit-Rusland (2007)32https://eur-lex.europa.eu/eli/reg_impl/2025/1206/oj/eng/pdfTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 341747 en Cambodja (2020). Kunnen de leden van de SGP uit de geannoteerdeagenda opmaken dat dit de enige voorbeelden zijn, of is dit instrumentvaker toegepast? Wat de leden van de SGP blijft intrekking van prefe-renties gelden als een ultimum remedium, dat niet lichtvaardig moetworden ingezet wanneer de waarden van de EU en bijvoorbeeldAfrikaanse handelspartners uiteenlopen.104. Antwoord van het kabinet:Wit-Rusland en Cambodja zijn van de huidige APS-landen deenige voorbeelden van de volledige en gedeeltelijke intrekkingvan APS-tariefpreferenties wegens ernstige en systematischeschendingen van internationale verdragen. De intrekking vanAPS-tariefpreferenties is een laatste redmiddel.Inbreng leden van de ChristenUnie fractieDe leden van de ChristenUnie-fractie hebben met interesse kennisge-nomen van de geannoteerde agenda. Ze hebben een aantal vragen.CSDDD/ IMVODe leden van de ChristenUnie-fractie vragen hoe de Minister kijkt naar deimplementatie van de Wet zorgplicht kinderarbeid (WZK), nu de defini-tieve CSDDD na afzwakking niet toereikend is om aan de verplichtingenzoals gesteld in de WZK te voldoen. Is de Minister voornemens de WZK teimplementeren? Zo nee, waarom niet? Als de Minister niet van plan is deWZK te implementeren, hoe borgt de Minister dat Nederland de verplich-tingen om kinderarbeid tegen te gaan, die middels de WZK reeds in eenaangenomen wet waren vervat, straks niet worden verzwakt?105. Antwoord van het kabinet:Inzet van het kabinet is nog steeds om de Wet ZorgplichtKinderarbeid (WZK) in te trekken en te vervangen door de Wetinternationaal verantwoord ondernemen (Wivo), de implementa-tiewet voor de Corporate Sustainability Due Diligence Directive(CSDDD). Daarmee kiest het kabinet nadrukkelijk voor eenEuropese én bredere zorgvuldigheidsverplichting. Dat draagt bijaan het gelijke speelveld in Europa, voorkomt onnodige regeldruken is naar verwachting effectiever. Zo richt de WZK zietuitsluitend op kinderarbeid, terwijl de CSDDD alle mensen-rechten- en milieurisico’s adresseert. Ook ziet de CSDDD integenstelling tot de WZK op alle stappen van het gepastezorgvuldigheidsproces en is in de Wivo een uitgebreid toezicht-en handhavingsinstrumentarium voorzien.Het kabinet ziet de CSDDD daarmee als een geschikt instrumentom kinderarbeid tegen te gaan, in aanvulling op reeds bestaandenationale wetgeving tegen kinderarbeid, de verwachting dat alleNederlandse bedrijven handelen in lijn met de richtlijnen van deOrganisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling(OESO) en United Nations Guiding Principles on Business andHuman Rights (UNGP’s), en in combinatie met bestaande instru-menten om bedrijven te helpen om kinderarbeid in hun waarde-ketens tegen te gaan, zoals het Subsidieprogramma VerantwoordOndernemen (SPVO). Tot slot is ook deAnti-dwangarbeidverordening van belang in dit verband. Dieverbiedt het op de EU-markt brengen van producten gemaakt metdwangarbeid, inclusief gedwongen kinderarbeid, onafhankelijkvan de grootte van het bedrijf en is van toepassing met ingangvan 14 december 2027.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 341748 De leden van de ChristenUnie zien dat er in andere EU-lidstaten al wettenbestaan die zorgen voor de bescherming van mensenrechten, zoals deLieferkettengesetz in Duitsland en de devoir de vigilance in Frankrijk. Opwelke manieren zorgen deze lidstaten ervoor dat de implementatie van deCSDDD in nationale wetgeving er niet voor zorgt dat de bescherming vanmensenrechten, milieu of klimaat wordt afgezwakt?106. Antwoord van het kabinet:In algemene zin is voor het antwoord op deze vraag artikel 1,lid 2 van de CSDDD (de zogenaamde non-regressiebepaling) vanbelang. Hieruit volgt dat lidstaten het niveau van de beschermingvan de mensen-, arbeids- en sociale rechten, of van debescherming van het milieu of de bescherming van het klimaat,in beginsel niet mogen verlagen als gevolg van de CSDDD. tenzijer al nationale wetgeving over gepaste zorgvuldigheid vantoepassing was op het moment van de vaststelling van deCSDDD. Dan mogen lidstaten wel bepalingen, met name tenaanzien van de reikwijdte, van die nationale wetgeving aanpassenom deze in overeenstemming te brengen met deze richtlijn. Het isaan Frankrijk en Duitsland om te besluiten op welke manier zijuitvoering geven aan deze bepalingen in de CSDDD in relatie tothun reeds bestaande gepaste zorgvuldigheidswetgeving.De leden van de ChristenUnie vragen ook naar de uitvoering van deaangenomen motie-Ceder/Hirsch (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3144) over eenconcreet doel en plan zodat meer bedrijven de OESO-richtlijnen onder-schrijven. Wanneer kunnen de leden dit plan verwachten?107. Antwoord van het kabinet:Het Nederlandse IMVO-beleid is reeds gebaseerd op deOESO-richtlijnen en bestaat uit een doordachte mix van maatre-gelen om meer bedrijven te stimuleren hiermee aan de slag tegaan (Kamerstuk 26 485, nr. 337). Dit jaar wordt het IMVO-beleidgeëvalueerd, waarbij ook aanbevelingen zullen worden gedaanover hoe het IMVO-beleid effectiever en doelmatiger kan wordeningezet. Zoals ook aangegeven in de beantwoording van schrifte-lijke vragen over de BHOS-begroting van januari jl.33 betrekt hetkabinet de motie Ceder-Hirsch (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3144)graag bij de reactie op deze evaluatie. De evaluatie zal naarverwachting begin 2027 aan uw Kamer worden toegestuurd.Handelsakkoord tussen EU en IndonesiëDe leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de Minister kan schetsenhoe de huidige mensenrechtensituatie is in West-Papua. Welk beeldschetsen gerenommeerde NGO’s over deze situatie?108. Antwoord van het kabinet:De mensenrechtensituatie in de Papoea provincies van Indonesiëis zorgelijk. Verschillende (mensenrechten)organisaties,waaronder Human Rights Watch en Amnesty International,rapporteren onder andere over geweld en inbreuken op eigen-dommen van de inheemse bevolking. Er vallen ook slachtoffersdoor geweld gebruikt door lokale gewapende groepen.33Begroting Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp (36 800 XVII), brief dd. 15 januari 2026,met kenmerk 2026D01307.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 341749 De leden vragen op welke wijze de EU de situatie in West-Papua concreetheeft aangekaart, zowel binnen als buiten de onderhandelingen over hethandelsakkoord?109. Antwoord van het kabinet:In het kader van de onderhandelingen over het handelsakkoordwordt in bredere zin gesproken over de naleving van mensen-rechten en arbeidsrechten. Gezien de vertrouwelijke status vande onderhandelingen, kan niet gedeeld worden welke specifiekepunten aan de orde zijn gekomen.Buiten de context van de onderhandelingen vond in februari vandit jaar tussen de EU en Indonesië de reguliere mensenrechten-dialoog plaats; hierbij zijn verschillende punten van zorggewisseld.Tevens vragen de leden welke stappen het kabinet zet om de situatie vande Papua’s te verbeteren, alvorens het handelsakkoord wordt getekend.110. Antwoord van het kabinet:Het kabinet volgt de situatie in de Papoea provinciesnauwlettend, onder andere via de Nederlandse ambassade inJakarta. Ter bevordering van de bescherming van mensenrechtenondersteunt de Nederlandse ambassade in Jakarta verschillendeprojecten en brengt het bezoeken aan verschillende provinciesdoor heel Indonesië, inclusief Papoea. De Nederlandse ambassadein Jakarta heeft het bezoek van een delegatie van de VasteKamercommissie voor Buitenlandse Zaken aan Indonesië in juli2025 ondersteund, en gefaciliteerd dat de leden onder anderemet de Indonesische mensenrechtencommissie over de situatie inPapoea hebben gesproken. Deze inzet zal zich niet beperken totde fase voordat het handelsakkoord met Indonesië getekend is,maar zal ook daarna voortgezet worden. Bovendien biedt hethandelsakkoord een aanvullend platform om te spreken overmensenrechten, met name arbeidsrechten, en duurzame ontwik-keling.De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de Minister of Nederland,vanuit de historische verantwoordelijkheid die ons land heeft, kartrekkerwil zijn in het pleiten om het akkoord niet te sluiten, tenzij de mensenrech-tensituatie van de Papua’s aanzienlijk verbetert en met Indonesiëafspraken over verbeteringen wordt gemaakt. Zo nee, waarom niet?111. Antwoord van het kabinet:Hoewel de mensenrechtensituatie in de Papoea provincieszorgelijk is, is het kabinet niet bereid te pleiten voor het nietsluiten van het akkoord. Dit akkoord is in bredere zin belangrijkvoor het versterken van de relatie tussen de EU en Indonesië enbiedt bovendien een extra platform om de situatie in de Papoeaprovincies van Indonesië aan te kaarten. Het afhouden van hetsluiten van het handelsakkoord zou een negatieve impact hebbenop de relatie tussen de EU en Indonesië, wat druk op verbeteringvan de mensenrechtensituatie niet dichterbij brengt.Handelsakkoord tussen EU en de VAEDe leden van de ChristenUnie-fractie vragen de Minister of hij kanschetsen wat de betrokkenheid is van de Verenigde Arabische Emiraten(VAE) ten aanzien van de situatie in Sudan en welk beeld gerenommeerdeNGO’s schetsen over die betrokkenheid?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 341750 112. Antwoord van het kabinet:Het conflict in Soedan is buitengewoon complex. Veel landen inde regio hebben belangen en spelen een rol in Soedan. DeVerenigde Arabische Emiraten (VAE) maakt onderdeel uit van hetQuad initiatief – een samenwerkingsverband met de VerenigdeStaten, Saoedi-Arabië en Egypte, met als doel het beëindigen vanhet conflict.De leden van de Quad, andere landen uit de regio en vertegen-woordigers van het Quintet (de Verenigde Naties (VN), deEuropese Unie (EU), de Liga van Arabische Staten (LAS), deIntergovernmental Authority on Development (IGAD) en deAfrikaanse Unie (AU)) hebben zich op 30 april jl. gecommitteerdaan de Berlin Principles for Sudan, waarin wordt opgeroepen toteen onmiddellijke wapenstilstand, bescherming van burgers,berechting van verantwoordelijken voor oorlogsmisdaden en hetstoppen van externe steun aan de strijdende partijen.Tegelijkertijd zijn er in de media en vanuit non-gouvernementeleorganisaties diverse berichten verschenen over de betrokkenheidvan regionale actoren bij het voortduren van het conflict.Het kabinet spreekt binnen de brede bilaterale relatie met de VAEop politiek en hoogambtelijk niveau over de situatie in Soedan.Inzet van de gesprekken is constructief engagement met de VAEals relevante actor die aangeeft bij te willen dragen aan een eindevan het conflict en als belangrijk lid van de Quad. In dezegesprekken onderstreept het kabinet de noodzaak van eenonmiddellijk staakt-het-vuren, ongehinderde humanitairetoegang, en het stoppen van wapenleveranties van derde partijenaan de strijdende partijen. Verder zet Nederland zich in vooraanvullende EU-sanctiemaatregelen tegen actoren en sectorendie het conflict voeden.De leden van de ChristenUnie-fractie vragen dan ook in hoeverre er metde VAE bij de onderhandelingen over het akkoord wordt gesproken overde situatie in Sudan. Is de Minister het met de leden eens dat er geenhandelsakkoord met de VAE kan worden gesloten zolang de humanitaireramp in Sudan voortduurt? Welke stappen zouden er volgens de Ministermoeten worden gezet voordat een handelsakkoord zou kunnen wordengesloten?113. Antwoord van het kabinet:De EU is exclusief bevoegd als het gaat om de handelspolitiek ende Europese Commissie voert op dit moment de onderhande-lingen over een handelsakkoord met de VAE, op basis van eenmandaat van de Raad. In dit soort onderhandelingen gaat hetprimair om handels- en markttoegangsonderwerpen. Dat laatonverlet dat de situatie in de regio, waaronder die in Sudan, voorNederland en de EU belangrijke aandachtspunten zijn in debredere politieke dialoog met de VAE. Juist onze economischebanden maken het mogelijk om ook over andere onderwerpen –waaronder Soedan – een constructieve dialoog te voeren.Conform de motie van het lid Van Baarle c.s.34 heeft het kabinetrecentelijk in Brussel het conflict in Soedan onder de aandachtgebracht van Commissie en EU-lidstaten in relatie tot hetonderhandelingsmandaat. Het kabinet zal, zodra er een onderhan-delingsresultaat voorligt t.a.v. het handelsakkoord, dit akkoord inzijn geheel en op zijn merites beoordelen.34Kamerstuk 36 180, nr. 209Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 341751 Inbreng leden van de SP-fractieDe leden van de SP-fractie zien grootschalige conflicten in de wereld diebuiten de afspraken van het internationaal recht blijven plaatsvinden. OokNederland moet zich inzetten bij betrokken de (handels)partners om totvrede te komen. Daarom hierover een aantal vragen.Een van de verdragen die onze eigen wapenexportcriteria afbreekt, is hetVerdrag van Aken. Kan de Minister aangeven wat de stand van zaken ismet betrekking tot toetreding tot dit verdrag? Hoe is hierbij gewogen dathoewel op papier wapenexportcriteria hetzelfde zijn, er signalen zijn datdeze in de praktijk door bijvoorbeeld Frankrijk anders worden toegepast?114. Antwoord van het kabinet:Middels de brief over het Nederlands exportcontrolebeleid in202435 d.d. 27 juni 2025 is de Kamer geïnformeerd dat Nederlandformeel is uitgenodigd om toe te treden tot het Verdrag inzakeexportcontrole in het defensiedomein (ook wel bekend als hetVerdrag van Aken) waar Duitsland, Frankrijk, Spanje en sindsdecember 2025 ook het Verenigd Koninkrijk bij zijn aangesloten.In reactie op deze uitnodiging wordt momenteel gewerkt aan deparlementaire goedkeuringsstukken. Binnen afzienbare tijd zullendeze stukken gereed zijn en zal het verdrag aanhangig wordengemaakt bij de Raad van State. Hierna volgt het parlementairegoedkeuringstraject.Het Verdrag berust op het vertrouwen dat de Verdragspartijenhebben in elkaars wapenexportcontrolesystemen die gestoeldzijn op het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenex-portcontrole (2008/944/GBVB) en het Wapenhandelsverdrag.Vertrouwen stellen in Europese partners is daarbij niet nieuw,maar vormt de basis van de Europese samenwerking.Daarnaast draagt het Verdrag bij aan convergentie van hetwapenexportbeleid omdat het ruimte biedt voor intensief overlegmet de andere verdragspartijen om potentiële exportbestem-mingen te bespreken en risico-inschattingen te delen. Verdrags-partijen kunnen eventuele zorgen vroegtijdig identificeren enbespreekbaar maken middels de overlegstructuren die hetVerdrag daartoe biedt. Hiermee gaat het verdrag verder danhuidige Europese samenwerking op het wapenexportbeleid waarEU-lidstaten elkaar achteraf informeren over afgewezen vergun-ningen.Binnen de Europese Commissie ligt er een plan om regels voor dewapenexportvergunningen te versimpelen door met Algemeneoverdrachtsvergunningen te gaan werken. Lidstaten verliezen zo zicht opde uiteindelijke bestemming van wapens, Nederland verliest haar eigenexportcontroletoets, rapportageverplichtingen beperkt en uitzonderingenvoor wapentransfers zonder vergunningen worden uitgebreid.Kunt u op deze punten inzicht geven wat dit voor Nederlandse wapen-export en toepassing van criteria betekent?115. Antwoord van het kabinet:Hiervoor verwijst het kabinet graag naar het Beoordeling NieuweCommissievoorstellen (BNC)-fiche36 over de beoordeling van hetkabinet van het Defence Readiness Omnibus pakket, waaronderde intra-EU-overdrachten richtlijn (2009/43/EG) en wordt uspoedig middels de kabinetsreactie op de reactie van Stop35Kamerstuk 22 054, nr. 4536Kamerstuk 22 112, nr. 4103Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 341752 Wapenhandel c.s. over versimpeling van de intra-EU-overdrachtenrichtlijn verder geïnformeerd.Welke inbreng heeft Nederland hierop in Europa geleverd?116. Antwoord van het kabinet:Hierover bent u geïnformeerd middels het BNC-fiche37 over debeoordeling van het kabinet van het Defence Readiness Omnibuspakket, waaronder de intra-EU-overdrachten richtlijn (2009/43/EG) en wordt u spoedig middels de kabinetsreactie op dereactie van Stop Wapenhandel c.s. over versimpeling van deintra-EU-overdrachten richtlijn verder geïnformeerd.Wat is de invloed van lobby van wapenfabrikanten geweest op detotstandkoming van dit plan en bent u bereid hier inzicht in te geven ofhier meer informatie over te verkrijgen?117. Antwoord van het kabinet:De wijzigingsvoorstellen zijn gepubliceerd in de context van denotie dat het geen oorlog is, maar ook geen vrede, en dat veelregelgeving in de EU niet op die situatie is toegerust. Bevorderenvan de Europese defensie-industriesamenwerking en versterkingvan de Nederlandse en Europese defensie-industrie is van belangvoor onze veiligheid en om die reden is het evident dat deEuropese Commissie ook met de industrie overlegt om deeventuele knelpunten voor het opschalen van de Europesedefensie-industrie te identificeren.Verschillende Europese landen hebben zich al negatief opgesteld tegen ditplan, die de Commissie allerlei gedelegeerde bevoegdheden geeft. Gaatde regering zich hierbij aansluiten en niet instemmen met het huidigevoorstel?118. Antwoord van het kabinet:Voor de positie van Nederland verwijst het kabinet graag naar hetBNC-fiche38 over de beoordeling van het kabinet van het DefenceReadiness Omnibus pakket, waaronder de intra-EU-overdrachtenrichtlijn en wordt u spoedig middels de kabinetsreactie op dereactie van Stop Wapenhandel c.s. over versimpeling van deintra-EU-overdrachten richtlijn verder geïnformeerd.Is de Minister het eens met de stelling dat het versimpelen van hetwapenexportbeleid op geen enkele manier de huidige Europese exportcri-teria mag ondermijnen?119. Antwoord van het kabinet:De intra-EU-overdrachten richtlijn heeft betrekking op deoverdracht van militaire goederen binnen de EU en heeft als doelde regels en procedures hiervoor te vereenvoudigen, ten einde debehoorlijke werking van de interne markt te waarborgen. Derichtlijn en de voorgestelde wijzigingen zien niet toe op deuitvoer van militaire goederen naar landen buiten de EU. Alle EUlidstaten zijn gebonden aan het EU Gemeenschappelijk Standpuntinzake wapenexportcontrole en het Wapenhandelsverdrag.37Kamerstuk 22 112, nr. 410338Kamerstuk 22 112, nr. 4103Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 341753 En hoe ziet verdere besluitvorming er uit, wanneer wordt de TweedeKamer over de uitkomst van de onderhandelingen geïnformeerd enwanneer besluit het kabinet hierover?120. Antwoord van het kabinet:Het kabinet heeft uw Kamer middels het BNC-fiche39 voorafgeïnformeerd over de beoordeling en de inzet van het kabinet vanhet Defence Readiness Omnibus pakket, waaronder de intra-EU-overdrachten richtlijn. De onderhandelingen tussen de Raad, hetEuropees Parlement en de Europese Commissie (trilogen) hieroverzijn begin 2026 van start gegaan en zijn nog gaande. Het kabinetkan hier niet op vooruit lopen en zal uw Kamer na afronding vande onderhandelingen informeren over de uitkomsten hiervan.De Verenigde Arabische Emiraten spelen een belangrijke rol in dewapenstromen richting Soedan. Het kabinet heeft aangegeven dat zijvoldoende doet om wapenexport te controleren en dat zij geen aanwij-zingen ziet dat via de VAE een omleiding heeft plaatsgevonden naarSoedan onder Nederlandse vergunningen voor de uitvoer van militairegoederen. Het artikel van Follow the Money liet zien dat dit in Yemen welis gebeurd, ondanks waarschuwingen vanuit het ministerie. Waar baseertde Minister het uitsluiten van het omleidingsrisico op?121. Antwoord van het kabinet:Het ministerie toetst elke vergunningaanvraag voor de uitvoervan militaire goederen voorafgaand aan de uitvoer op basis vaneen risicoanalyse. Risico’s zijn daarbij nooit volledig uit te sluiten.De toetsing vindt plaats aan de hand van de criteria van het EUGemeenschappelijk Standpunt inzake Wapenexportcontrole enhet Wapenhandelsverdrag waarbij per geval wordt gekeken naarde aard van de goederen, het eindgebruik en (de situatie in) hetland van eindbestemming. Bij vergunningaanvragen voor de VAEwordt zorgvuldig getoetst aan het omleidingsrisico naar Soedan(criterium 7) en wordt alle relevante informatie meegenomen inde beoordeling. Indien aan de hand van de op dat momentbeschikbare informatie duidelijke risico’s bestaan op ongewensteindgebruik, zoals een bijdrage aan ernstige mensenrechten-schendingen of omleiding, wordt een vergunningaanvraagafgewezen.Welke stappen zijn er gezet na de illegale acties van de VAE in Yemen omdit risico uit te sluiten?122. Antwoord van het kabinet:Nederland heeft blijvend aandacht voor het risico op ongewensteindgebruik en omleiding bij vergunningaanvragen voor deuitvoer van militaire goederen naar de VAE en heeft ook inEU-verband de risico’s van omleiding van wapens naar Soedanmeermaals onder de aandacht gebracht. Vergunningaanvragenworden zorgvuldig en per geval getoetst aan de criteria van hetEU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexportcontroleen het Wapenhandelsverdrag, waarbij alle relevante en op datmoment beschikbare informatie wordt betrokken. Daarbij is erspecifiek aandacht voor het risico op omleidingsrisico naarongewenste eindgebruikers. Indien op basis van de beschikbareinformatie duidelijke risico’s bestaan op ongewenst eindgebruikof omleiding, wordt een vergunningaanvraag afgewezen.39Kamerstuk 22 112, nr. 4103Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 341754 Het kabinet geeft aan de VAE een belangrijke partner te vinden en solidairte zijn als het gaat om de veiligheidsbehoeftes van de VAE door de oorlogin Iran. Hoe kan worden uitgesloten dat deze veiligheidsbehoeftes nietgebruikt worden om wapens door te sluizen naar Soedan?123. Antwoord van het kabinet:Als gevolg van het conflict tussen de Verenigde Staten, Israël enIran worden landen in de regio geconfronteerd met toenemendespanningen en veiligheidsrisico’s. Met inachtneming van dezorgvuldige wapenexportcontroletoets aan het Europees Gemeen-schappelijk Standpunt inzake Wapenexportcontrole en hetWapenhandelsverdrag heeft Nederland oog voor de legitiemeveiligheidsbehoefte van de Golfstaten gedurende de crisis.Nederland blijft alle aanvragen voor de uitvoer van militairegoederen en dual-use goederen met militair eindgebruikzorgvuldig en per geval aan de criteria van het EU Gemeenschap-pelijk Standpunt inzake wapenexportcontrole en het Wapenhan-delsverdrag toetsen. Hierbij is voor de VAE specifiek aandachtvoor het risico op omleiding naar Soedan. Indien aan de hand vande op dat moment beschikbare informatie duidelijke risico’sbestaan op ongewenst eindgebruik, zoals een bijdrage aanernstige mensenrechtenschendingen of omleiding, wordt eenvergunningaanvraag afgewezen.Hoe staat het daarnaast met het handelsakkoord tussen de VAE en Europaen hoe wordt daar juist dit punt, van het steunen van strijdende partijen inSoedan, op tafel gelegd tijdens de onderhandelingen over het handelsak-koord? Zoals het Clingendael-rapport aangeeft, geeft een goed bondge-nootschap juist reden om sterke kritiek te leveren.124. Antwoord van het kabinet:De EU is exclusief bevoegd als het gaat om de handelspolitiek ende Europese Commissie voert op dit moment de onderhande-lingen over een handelsakkoord met de VAE, op basis van eenmandaat van de Raad. In dit soort onderhandelingen gaat hetprimair om handels- en markttoegangsonderwerpen. Dat laatonverlet dat de situatie in de regio, waaronder die in Sudan, voorNederland en de EU belangrijke aandachtspunten zijn in debredere politieke dialoog met de VAE. Juist onze economischebanden maken het mogelijk om ook over andere onderwerpen –waaronder Soedan – een constructieve dialoog te voeren.Conform de motie van het lid Van Baarle c.s.40 heeft het kabinetrecentelijk in Brussel het conflict in Soedan onder de aandachtgebracht van Commissie en EU-lidstaten in relatie tot hetonderhandelingsmandaat.Vandaag werd bekend dat Nederland 110 miljoen euro levert aantechnologie aan Israël. De leden van de SP-fractie snappen niet hoe na3 jaar aan genocide, en Europese regels die regelen geen spionage-software te exporteren naar landen waar mensenrechten onder drukstaan, Nederland hier lak aan heeft en handel voor laat gaan op moraal. Isde Minister het met ons eens dat niet uitgesloten kan worden dattechnologie wordt ingezet voor mensenrechtenschendingen? Is deMinister het met ons eens dat een handelsdeal met Israël haaks staat opde noodzaak druk uit te oefenen op de Israëlische regering om mensen-rechtenschendingen in de Westelijke Jordaanoever en genocide in Gaza testoppen?40Kamerstuk 36 180, nr. 209Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 341755 125. Antwoord van het kabinet:Vergunningaanvragen voor de uitvoer van strategische goederen(dual-use en militair) worden zorgvuldig getoetst op het risico opongewenst eindgebruik, zoals schending van mensenrechten.Aanvragen worden per geval strikt beoordeeld door te kijkennaar de aard van de goederen, de aannemelijkheid van hetopgegeven eindgebruik, de eindgebruiker en het land vanbestemming. Een vergunning zal niet worden toegewezenwanneer de inschatting is dat er een risico bestaat dat goederenen technologie worden ingezet bij mensenrechtenschendingen.Is de Minister bereid openheid van zaken te geven over de contracten diezijn aangegaan, zoals andere lidstaten wel hebben gedaan, en direct testoppen met onderhandelingen voor nieuwe aanbestedingen die dezeEuropese regels overtreden?126. Antwoord van het kabinet:Op het terrein van openheid inzake vergunningverlening vanstrategische goederen is Nederland één van de meest transpa-rante landen van Europa. Tijdige publicatie van de maandrappor-tages over onder meer de export van dual use goederen entechnologie zijn belangrijk voor het kabinet. De laatsterapportage op de website van de Rijksoverheid is van april ditjaar.41 Voorts is er bij de export van dual use goederen entechnologie sprake van een transactie tussen marktpartijen,waarbij de Nederlandse overheid een rol speelt bij het al dan nietverlenen van vergunningen voor goederen die vergunningplichtigzijn. De Nederlandse overheid heeft in dat kader geen aanbeste-dende rol en is ook geen partij bij onderhandelingen vooraanbestedingen die de Europese regels op het gebied vanexportcontrole zouden kunnen overtreden.Hoe kan het exportbeleid naar Israël zijn aangescherpt, zoals het minis-terie aangeeft, terwijl er nog steeds niet uit te sluiten is dat deze dual-use-technologie ook kan worden ingezet voor militaire doeleinden? Dan is hettoch noodzakelijk om deze technologie niét te exporteren?127. Antwoord van het kabinet:Export wordt altijd zorgvuldig en voorafgaand aan de exportgetoetst, behalve als er sprake is van algemene vergunningen. In2025 heeft het kabinet uw Kamer geïnformeerd middels eenKamerbrief42 over het besluit om Israël uit te sluiten van dealgemene vergunning, die gebruikt kon worden voor de uitvoervan laag-risico bulkgoederen. Het gaat hierbij om informatiebe-veiligingsproducten (apparatuur en programmatuur) die bedoeldzijn om de interne infrastructuur van (civiele) eindgebruikers teondersteunen.Door deze wijziging dienen exporteurs een individuele of globalevergunning aan te vragen om deze goederen te mogen expor-teren. Dit betekent dat op dit moment alle transacties vandual-use goederen naar Israël voorafgaand aan de uitvoer wordengetoetst aan de geldende criteria.41https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/exportcontrole-strategische-goederen/documenten/rapporten/2016/10/01/overzicht-dual-use-vergunningen42https://open.overheid.nl/documenten/40458812-02f6-4080-8722-bd97ee12e5a0/file; BZ251451,Kamerbrief 7 april 2025: Exportcontrole – intrekking algemene vergunning NL002 enaanpassing algemene vergunningen NL007 NL010 door Israël uit te sluiten als land vaneindbestemming.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 341756 Kan de Minister verantwoorden waarom deze licenties toch afgegeven zijnterwijl het wist dat er risico bestond op schending van mensenrechten enburgerslachtoffers?128. Antwoord van het kabinet:Vergunningaanvragen voor dual-use goederen worden zorgvuldiggetoetst op het risico op ongewenst eindgebruik, zoals schendingvan mensenrechten. Een vergunning zal niet worden toegewezenwanneer de inschatting is dat er een risico bestaat dat goederenen technologie worden ingezet bij mensenrechtenschendingen.Alleen exporteurs met een vooraf door de Douane goedgekeurdInternal Compliance Program (ICP) kunnen een globalevergunning voor dual-use goederen aanvragen. In een ICP gevenexporteurs aan hoe ongewenste eindgebruikers worden geïdenti-ficeerd en ongewenst eindgebruik wordt voorkomen. Daarnaastdienen exporteurs periodiek te rapporteren over wat er naarwelke eindgebruikers is geëxporteerd. Dit wordt gecontroleerddoor de Douane. Wanneer er onregelmatigheden worden gecon-stateerd of toch indicaties blijken te zijn dat er ongewensteindgebruik heeft plaatsgevonden, kan daarop actie wordenondernomen.Vorige week bracht de Minister een bezoek aan de grensovergang aanRafah. Tot welke conclusies is de Minister gekomen met betrekking tot hetbeleid dat nu gevoerd wordt in Nederland en Europa als het gaat om drukop Israël?129. Antwoord van het kabinet:Het kabinet maakt zich ernstige zorgen over de humanitairesituatie in de Gazastrook. Mijn bezoek aan de Noord-Sinaï inEgypte, waaronder de Egyptische kant van de grensovergang bijRafah, heeft deze indruk bevestigd. Ik bracht, vergezeld door degouverneur van de Noord-Sinaï, onder meer een bezoek aan hetlogistiek centrum van de Egyptische Rode Halve Maan. Ik zagdaar met eigen ogen hoe moeilijk het voor hulporganisaties is omhumanitaire goederen Gaza in te krijgen. Grote hoeveelheidhulpgoederen worden door Israël niet toegelaten en staan vastvoor de grensovergang met Gaza. Wat ik zag maakte duidelijkhoe belangrijk het is dat Nederland, zowel bilateraal als inmultilateraal (EU-)verband, constant Israël oproept om veilige,ongehinderde en onvoorwaardelijke toegang aan alle professi-onele humanitaire organisaties te verlenen. Dat geldt voor de VNen de Rode Kruis- en Halve Maanbeweging, en eveneens voor derelevante internationale ngo’s. Het is cruciaal dat Israël op ditgebied stappen zet. Daarnaast is de snel verslechterende situatieop de Westelijke Jordaanoever, inclusief Oost-Jeruzalem, zeerzorgelijk.Zoals uw Kamer bekend heeft Nederland, naar aanleiding vanzorgen over de situatie in de Gazastrook en op de WestelijkeJordaanoever, in de EU het initiatief genomen om de Israëlischenaleving van Artikel 2 van het EU-Israël Associatieakkoord teevalueren. De kabinetsinzet blijft er op gericht om voldoendesteun te vergaren voor binnen de EU voorgestelde maatregelen,naar aanleiding van deze evaluatie en de aanhoudende verslech-tering van de situatie op de Westelijke Jordaanoever. Daarbijonderstreept het kabinet dat maatregelen zijn bedoeld om dedruk op te voeren zodat Israël van koers verandert op de boven-genoemde kwesties. Het kabinet verwelkomt de aanname van hetderde pakket aan sancties tegen gewelddadige kolonisten en hunorganisaties en zet zich in voor een vierde pakket. Het kabinetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 341757 werkt, als bekend, tevens aan nationale maatregelen omproducten uit de onrechtmatige nederzettingen in de door Israëlbezette gebieden te weren van de Nederlandse markt.Welke «klemmende oproep» heeft deze Minister gedaan aan zijnIsraëlische collega en wat was daarop het antwoord?130. Antwoord van het kabinet:Het kabinet maakt zich ernstige zorgen over de humanitairesituatie in de Gazastrook. Het kabinet brengt deze zorgenconsequent bij de Israëlische autoriteiten onder de aandacht enwijst hen daarbij op hun verantwoordelijkheden onder hetinternationaal recht.Welke boodschap neemt de Minister mee naar zijn Europese collega’s?131. Antwoord van het kabinet:Het kabinet spreekt met EU-lidstaten om het draagvlak voorEU-maatregelen te vergroten en staat daarvoor in contact metzowel gelijkgezinde lidstaten als lidstaten die aanname vanEU-maatregelen nog niet steunen, in lijn met relevante moties entoezeggingen aan de Kamer.Tenslotte heeft de Minister aangegeven 5 miljoen euro toe te zeggen aanhet VN-fonds voor de wederopbouw van Gaza. Is het duidelijk waar ditgeld naartoe gaat?132. Antwoord van het kabinet:De toezegging betreft een bijdrage aan het Horizon Fund van deVN, dat een brug gaat slaan tussen humanitaire hulp en vroegherstel van basisvoorzieningen in de Palestijnse Gebieden.Hiermee zal de VN werken aan puin ruimen, basisvoorzieningenals energie, onderwijs, en gezondheid, aan werkgelegenheid, enaan de versterking van de publieke instanties.Wordt dit geld nu al uitgegeven of pas als het vredesplan van Trumpwordt uitgevoerd? Indien dat laatste, betekent dat dat Trump uiteindelijkover deze gelden gaat beschikken en deze mogelijk gaat uitgeven aan zijn«Riviera van het Midden-Oosten»?133. Antwoord van het kabinet:Het Horizon Fund is al operationeel en de eerste uitgaven zullenop korte termijn plaatsvinden om de in het antwoord opvraag 132 genoemde doeleinden te financieren. Het fonds wordtbeheerd door de VN. De inzet van middelen is daarmee onafhan-kelijk van de structuren van de Board of Peace. Wel neemt hetfonds VNVR-resolutie 2803 en het vredesplan als strategischuitgangspunt. Het is zaak dat het vredesplan slaagt en hetkabinet vindt het belangrijk om daaraan bij te dragen.Daarnaast lezen de leden van de SP-fractie dat Unicef heeft gepubliceerddat elke week er een kind gedood wordt op de Westelijke Jordaanoever,dat 93 procent van deze doden gepleegd zijn door Israëlische strijd-krachten en dat maart 2026 de maand was met de meeste Palestijnsegewonden door kolonistenaanvallen in 20 jaar. Het kabinet deelt demening van de SP-fractie dat de nederzettingen op de WestelijkeJordaanoever illegaal zijn. Wat gaat de Minister doen om dit geweld in tetemmen en uiteindelijk volledig te mitigeren?134. Antwoord van het kabinet:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 341758 Het kabinet deelt inderdaad in lijn met het advies van 19 juli 2024van het Internationaal Gerechtshof (IGH) dat de Israëlischebezetting onrechtmatig is en er sprake is van annexatie van grotedelen van de Westelijke Jordaanoever. Het kolonistengeweld opde Westelijke Jordaanoever is het afgelopen jaar toegenomen.Het kabinet veroordeelt kolonistengeweld. Het kabinet brengtdeze boodschap consequent over en benadrukt daarbij dat Israëlals bezettende macht verantwoordelijk is voor de beschermingvan de bevolking en voor het vervolgen van plegers van ditgeweld. De Raad Buitenlandse Zaken ging op 11 mei jl. akkoordmet het derde sanctiepakket tegen gewelddadige kolonisten enhun organisaties. Dit pakket is op initiatief van Nederland totstand gekomen en het kabinet werkt aan een volgend sanctie-pakket.Welke stappen worden er nu in Europees verband gezet door hetaannemen van de kolonistensancties en welke mogelijke escalatie-ladderhoudt het kabinet rekening mee als het geweld aanhoudt?135. Antwoord van het kabinet:Zoals uw Kamer bekend heeft Nederland zich ingezet voor deaanname van het derde sanctiepakket tegen gewelddadigekolonisten en organisaties. Daarnaast heeft Nederland tijdens deRaad Buitenlandse Zaken van april jl. aangekondigd te werkenaan een vierde pakket sancties, in lijn met de moties VanLanschot/Van der Werf, Hirsch en Van Baarle43. Deze inzet isgericht op het verder verhogen van de druk op betrokkenen diezorgen voor verdere verslechtering van de situatie op de Weste-lijke Jordaanoever. Dit is onderdeel van een voortdurende aanpakvan het kabinet, waarbij pakketten van individuele listings vanpersonen en organisaties onderdeel uitmaken van een brederediplomatieke inzet, bestaande uit meerdere instrumenten.Tenslotte willen de leden van de SP-fractie nog kort stilstaan bij deaangenomen motie over de Blocking Statute, Kamerstuk 21 501-02-3371.Kan de Minister aangeven of, en zo ja op welke wijze, het instellen van hetEU Blocking Statute recent is besproken bij de vergaderingen van de EU?Zo ja, wat was de Nederlandse inbreng hierbij en was deze in lijn met deaangenomen motie?136. Antwoord van het kabinet:In algemene zin is de Nederlandse inbreng inzake de motie voorhet instellen van het Blocking Statute dat het aan de EuropeseCommissie is om een voorstel te doen ter activering van deantiboycotverordening (het Blocking Statute). Dat vergt eenzorgvuldige afweging. Het kabinet pleit in lijn met motie-Dobbec.s.44 bij de Europese Commissie, binnen de Raad en bij hetEuropees Parlement voor het treffen van de noodzakelijkevoorbereidingen om het Blocking Statute zo snel mogelijk toe tepassen voor als de Commissie daartoe een voorstel doet. Indiende VS nieuwe sancties afkondigen die het functioneren van hetHof naar verwachting ernstig zullen belemmeren, dan zal hetkabinet zich conform de moties in EU-verband hard maken voorhet daadwerkelijk activeren van de antiboycotverordening.43Kamerstuk 21 501-02, nr. 337844Kamerstuk 21 501-02, nr. 3371Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 341759 Heeft Nederland in EU-verband, inclusief bij de Europese Commissie,gepleit voor en aangedrongen op het instellen van het EU BlockingStatute? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe dan? Bent u bereid om alskabinet zich publiekelijk uit te spreken voor het activeren van het EUBlocking Statue, zoals ook Spanje en Slovenië hebben gedaan?137. Antwoord van het kabinet:Zie het antwoord op vraag 136 hierboven.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-02, nr. 341760
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.