Verslag van een commissiedebat, gehouden op 2 april 2026, over Onderzoeks- en Wetenschapsbeleid
Brontekst
Versie a8213a50e87ae774 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202631 288Hoger Onderwijs-, Onderzoek- enWetenschapsbeleidNr. 1258 VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBATVastgesteld 8 juni 2026 De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft op2 april 2026 overleg gevoerd met mevrouw Letschert, Minister vanOnderwijs, Cultuur en Wetenschap, over:–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 12 maart 2026 inzake vertrouwen in de wetenschap(Kamerstuk 31 288, nr. 1234);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 14 maart 2025 inzake beleidsbrief vervolgonder-wijs, onderzoek en wetenschap (Kamerstuk 31 288, nr. 1185);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 16 februari 2026 inzake SEO-onderzoeksrapportSlimme investeringen (Kamerstuk 36 800-VIII, nr. 129);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 3 november 2025 inzake uitslag tweede financie-ringsronde Nationale Roadmap Grootschalige Wetenschappe-lijke Infrastructuur 2021 (Kamerstuk 27 406, nr. 232);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 2 juli 2025 inzake Einstein Telescope: een grensver-leggende prioriteit (Kamerstuk 29 338, nr. 294);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 23 juni 2025 inzake voortgang programma Erken-nen en Waarderen (Kamerstuk 31 288, nr. 1206);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 7 april 2025 inzake stand van zaken wetsvoorstelScreening kennisveiligheid (Kamerstuk 31 288, nr. 1187);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 24 september 2025 inzake onderzoeksrapport Aande poort (Kamerstuk 31 288, nr. 1212);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 13 juni 2025 inzake uitvoering moties en toezeggin-gen kennisveiligheid en verscherpt toezicht (Kamerstuk31 288, nr. 1205); kst-31288-1258ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 12581 –de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 9 december 2025 inzake internationale mobiliteitvan wetenschappers (Kamerstuk 29 338, nr. 298);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 20 maart 2025 inzake aantrekken internationalewetenschappers van topniveau (Kamerstuk 29 338, nr. 291);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 4 juli 2025 inzake reactie op het rapport «Neder-lands onderzoek en ontwikkeling in internationaal perspec-tief» van het Rathenau Instituut (Kamerstuk 33 009, nr. 164);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 10 december 2025 inzake rapport Reken er maar(niet meer) op: de digitale infrastructuren voor onderzoek2027–2035 (Kamerstuk 31 288, nr. 1227);–de brief van de Europese Rekenkamer d.d. 15 januari 2026inzake aanbieding adviezen ERK over wetgevingsvoorstellenvoor Europees Fonds voor concurrentievermogen en HorizonEurope (2026Z00546);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 27 januari 2025 inzake oprichting Europeseonderzoeksinfrastructuren op het gebied van de Holocaust,sterrenkunde en atmosfeer met deelname vanuit Nederland(Kamerstuk 27 406, nr. 231);–de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d.28 november 2025 inzake fiche: Mededeling Europese strate-gie voor artificiële intelligentie in de wetenschap (Kamerstuk22 112, nr. 4215);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 19 december 2024 inzake uitkomst gesprekkenover de financiering van HFML-FELIX (Kamerstuk 29 338,nr. 288);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 18 december 2025 inzake uitvoering moties van hetlid Heite over pluriformiteit in de wetenschap en nevenwerk-zaamheden van hoogleraren (Kamerstuk 31 288, nr. 1228);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 26 september 2025 inzake uitvoering van hetamendement van het lid Kostic´ c.s. over middelen voor hetverminderen van apenproeven (Kamerstuk 36 725-VIII, nr. 11)(Kamerstuk 32 336, nr. 168);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 12 januari 2026 inzake stand van zaken op deuitvoering van het amendement-Kostic´ (Kamerstuk 36 725-VIII,nr. 11) (Kamerstuk 32 336, nr. 171 );–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 19 december 2024 inzake werkprogramma Rathe-nau Instituut 2025–2026 (Kamerstuk 36 600-VIII, nr. 155);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 21 augustus 2025 inzake eindevaluatie sectorplan-nen ronde I (2019–2024) (Kamerstuk 29 338, nr. 296);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 11 juni 2025 inzake reactie op Monitor praktijkge-richt onderzoek (Kamerstuk 29 338, nr. 293);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 21 februari 2025 inzake beleidsreactie op hetadviesrapport van de evaluatiecommissie van de Nederlandsegedragscode wetenschappelijke integriteit (Kamerstuk 31 288,nr. 1180);Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 12582 –de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 4 februari 2025 inzake diversiteitsbeleid NWO(Kamerstuk 29 338, nr. 290);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 31 maart 2026 inzake reactie op het SEO-onderzoeksrapport Slimme investeringen (Kamerstuk 36 800-VIII, nr. 143);–de brief van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Weten-schap d.d. 1 april 2026 inzake toesturen van communicatieover het amendement-Kostic´ c.s. over middelen voor hetverminderen van apenproeven (Kamerstuk 36 725-VIII, nr. 11)(Kamerstuk 32 336, nr. 172).Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijkverslag uit.De voorzitter van de commissie,KoorevaarDe griffier van de commissie,VerhoevTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 12583 Voorzitter: StultiensGriffier: Van ThielAanwezig zijn negen leden der Kamer, te weten: Abdi, Armut, De Beer,Boomsma, Claassen, Van Duijvenvoorde, Keijzer, Rooderkerk en Stultiens,en mevrouw Letschert, Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.Aanvang 13.16 uur.De voorzitter:Goedemiddag allemaal. Welkom bij het commissiedebat van decommissie OCW. Het thema van vandaag is onderzoeks- en wetenschaps-beleid. Ik heet de Minister, en haar ondersteuning in het gebouw, vanharte welkom, net als de mensen op de tribune, de mensen die onlinemeekijken en natuurlijk de collega’s in de Kamer.Ik zal ze kort aan u voorstellen, te beginnen met de heer Claassen. Hijspreekt namens de Groep Markuszower. Hij is officieel geen lid van decommissie, maar ik neem aan dat er geen bezwaar is tegen zijn aanwe-zigheid. Ik hoor enige twijfel, maar er wordt toch ingestemd! Welkom,meneer Claassen. Dan noem ik de heer De Beer van de VVD, mevrouwRooderkerk van D66, mevrouw Keijzer van de fractie-Keijzer, de heerBoomsma van JA21, mevrouw Armut van het CDA en de heer VanDuijvenvoorde van FVD.U heeft allemaal vier minuten spreektijd. Het aantal interrupties is vier. Ergeldt een werkwijze in deze commissie dat interrupties onder de 30seconden niet meetellen – als u het dus kort en bondig houdt, wordt udaarvoor beloond – en dat interrupties die langer duren dan 30 seconden,tellen als twee interrupties. Ga hier verstandig mee om, is mijn advies.Dan beginnen we bij de heer Claassen. Hij spreekt namens de GroepMarkuszower.De heer Claassen (Groep Markuszower):Ik wil eigenlijk eerst een punt van orde maken. Zou u de tijd dus nog evenwillen stoppen? As we speak wordt er door palliewappies, door pallietuig,een universiteit bezet. In de krant moeten we lezen dat men zich zorgenmaakt over degenen die de bezetting uitvoeren. Het is toch een rare zaakdat men zich zorgen maakt om degenen die zorgen voor totale ontre-geling op een universitair ziekenhuis. Het is een rare zaak dat er dan wordtgezegd: we maken ons zorgen om die mensen. Mijn vraag aan de Ministeris dus eigenlijk of zij al contact heeft gehad met de universiteit. Heeft deMinister al contact ...De voorzitter:Wat is uw punt van orde?De heer Claassen (Groep Markuszower):Obstructies bij de Universiteit Maastricht. Heeft de Minister al contactgehad met de Minister van JenV? Als dat niet zo is, dan stel ik voor omeven te schorsen, zodat u dat kunt doen en zodat er eindelijk eensopgetreden wordt, want de Kamer vraagt daar al maanden om. Zorg datdeze flauwekul ophoudt.De voorzitter:Ik ga kijken of er steun is voor uw punt van orde. Mevrouw Rooderkerk.Mevrouw Rooderkerk (D66):We zitten hier gewoon om te beginnen aan een commissiedebat overonderzoeks- en wetenschapsbeleid. Daarvoor ben ik hier aangeschoven,en mijn collega’s ook, neem ik aan. Ik heb nog niet eerder aan de ordeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 12584 gehad dat er om de schorsing van een commissiedebat wordt verzochtvanwege een actualiteit. Volgens mij kunt u gewoon een goede aanvraagtijdens de regeling van werkzaamheden doen voor een debat of voor eenvraag tijdens het vragenuurtje. Ik zou zeggen: laten we hier dan over indebat gaan.De voorzitter:Dit beschouw ik als geen steun. De heer Boomsma.De heer Boomsma (JA21):Ik begrijp de zorg van de heer Claassen zeker. Dit is niet echt eenordepunt, maar eigenlijk meer een openbareordepunt. Ik steun zeker hetpleidooi om op te treden tegen deze intimidatie, maar denk niet dat hetzinvol is om nu te schorsen. De politie moet daar haar werk doen en deopenbare orde moet worden gehandhaafd; daar gaan wij op dit momentzelf niet over. Geen steun dus voor het ordepunt.Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):Ik denk dat het verstandig is als we dit commissiedebat nu beginnen,maar ik wil wel in de eerste termijn van deze Minister horen wat zij ... Hetis in Maastricht, dus ik heb er een hard hoofd in vanwege haar geschie-denis, maar goed. Misschien wordt hier eindelijk eens een keer iets aangedaan, want dit heeft niets meer met wetenschap en hoger onderwijs temaken.De voorzitter:Ik constateer dat er geen steun is voor het verzoek, maar deze vragenworden doorgeleid naar de Minister. Die gaat daar vast in haar eerstetermijn op in. Dan kunnen we nu gewoon het debat vervolgen en geef ikde heer Claassen het woord voor zijn inbreng.De heer Claassen (Groep Markuszower):Maar het heeft wel met dit debat te maken, want het gaat overonderzoeks- en wetenschapsbeleid. Als universiteiten geteisterd blijvenworden door dit soort tuig, dan beïnvloedt dat ook de wetenschap en devisie op de wetenschap. Dat heeft er dus wel degelijk mee te maken.Degene die dit ontkent, steekt de kop in het Saharazand. Het is echtafgrijselijk om dit te moeten horen. Maar ik zal beginnen met mijninbreng, tenzij iemand daar nog op wil reageren.De heer Van Duijvenvoorde (FVD):Ik wil alleen het punt van orde maken dat ik denk dat aanstaande dinsdageen goed moment is om hier een debat over aan te vragen, maar dat hetbelangrijk is dat we dit debat gewoon vandaag voeren.De voorzitter:We gaan het debat nu gewoon beginnen zoals gepland.De heer Claassen (Groep Markuszower):Ja, helemaal mee eens.De inzet van het kabinet is helder: hoge kwaliteit, samenwerking enmaatschappelijke impact. Wetenschap moet bijdragen aan grote opgaven,zoals energie, veiligheid en economische groei en daarmee aan hetverdienvermogen en de strategische positie van Nederland.Voorzitter. Maar laten we de feiten er even bij pakken. Nederlandinvesteert momenteel ongeveer 2,3% van het bbp in research anddevelopment. Dat is net boven het EU-gemiddelde, maar duidelijk onderhet OESO-gemiddelde van circa 2,7%. We zitten ook ver onder koploperszoals Duitsland en België, die boven de 3% zitten. Sterker nog, die 3% isTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 12585 ook onze ambitie, maar die halen we al jaren niet. We zijn daarmee geenkoploper, maar gewoon een simpele middenmoter.Voorzitter. Laten we het zeggen zoals het is: we lopen achter. Israël enZuid-Korea investeren inmiddels 4% tot 5% van het bbp in R&D. Dat isgeen klein verschil; dat is een ander niveau van competitie. Dat verschilvertaalt zich direct naar groei. Uit onderzoek blijkt dat 1% extra voor R&Dkan leiden tot wel 2,8% extra bbp-groei op lange termijn. Dus terwijl zijversnellen, blijven wij hangen. Dat betekent niet dat we een beetjeachterblijven, maar dat we structureel worden ingehaald. In innovatiegeldt: wie stilstaat, valt af. Waar hebben we het dus over? Over groei diewe laten liggen, welvaart die we mislopen of een voorsprong die we aanhet weggeven zijn. Als andere landen structureel twee keer zo veelinvesteren in innovatie, lopen ze niet een beetje uit, maar trekken ze deeconomie uit elkaar. Dan bepalen zij de technologie. Dan bepalen zij destandaarden. Zij banen de weg naar de toekomst.Waar zit het probleem? Vooral bij het bedrijfsleven. In Nederland ligtprivate R&D rond de 1,35% van het bbp, terwijl het OESO-gemiddelde op1,75% ligt. Dat betekent concreet: minder innovatiekracht, mindervalorisatie en uiteindelijk dus minder economische groei. Tegelijkertijdzien we dat het systeem verandert. Daarin wordt de basisfinancieringversterkt en wordt ingezet op internationale samenwerking, onder meervia Europese programma’s. Tegelijkertijd verschuift de manier vanbeoordelen: minder nadruk op publicaties en citaties, meer op narratievecv’s, samenwerking, impact en talentontwikkeling. Ook legt het kabinetnadruk op diversiteit, inclusie, sociale veiligheid en balans tussendisciplines. Op zich delen we die ambitie, maar we maken ons zorgen overde richting. De wetenschap is geen kompas dat je afstelt op gevoel; het iseen meetinstrument dat je scherp moet blijven afstellen. Als je objectievemaatstaven vervangt door meer subjectieve criteria, bestaat het risico dathelder zicht plaatsmaakt voor mist. Hoe blijft de wetenschap dantransparant, toetsbaar en internationaal concurrerend? We zien signalendat het systeem verschuift van meten naar duiden, van prestatie naarinterpretatie. Waar de meetlat verdwijnt, komt ruimte voor willekeur. Datraakt de kern van de wetenschap: toetsbaarheid, herhaalbaarheid en opentegenspraak.Daarnaast zien we ontwikkelingen richting een steeds smaller debat-klimaat, met name in delen van de sociale wetenschappen en hetonderwijs. Waar wetenschap een marktplaats voor ideeën hoort te zijn,dreigt soms een echozaal te ontstaan. Als afwijkende perspectievenminder ruimte krijgen, verliest wetenschap haar corrigerende vermogen.Zonder wrijving geen glans en zonder tegenspraak geen vooruitgang.Daarom vragen we de Minister om enkele concrete toezeggingen. Teneerste, dat in de beoordelings- en financieringskaders expliciet wordtgeborgd dat alle wetenschappelijke perspectieven en afwijkende visiesgelijke kansen krijgen bij benoemingen, peerreviews en subsidieaan-vragen. Ten tweede, dat objectieve toetsbare criteria een harde basisblijven vormen binnen programma’s als Erkennen en Waarderen, zodatbeoordeling niet afhankelijk wordt van narratief en normatievevoorkeuren. Ten derde, dat er actief wordt gemonitord op pluraliteit in hetacademische debatklimaat, inclusief signalen van zelfcensuur ofuitsluiting van perspectieven.Wij pleiten voor een heldere toekomst. Behoud objectieve maatstaven alsfundament. Zorg dat excellentie en prestatie leidend blijven. Waar is decumlauderegeling gebleven? Bewaak de ...De voorzitter:Kunt u afronden, meneer Claassen?De heer Claassen (Groep Markuszower):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 12586 Ja, ga ik doen. Bewaak de breedte van het debat, zodat wetenschap geengesloten systeem wordt, maar een open veld waar ideeën vrij mogen enkunnen botsen. Want als wetenschap haar meetlat verliest, verliestNederland zijn voorsprong. De vraag is dan ook: bent u bereid en zijn wijals Kamer bereid om die meetlat stevig in handen te houden?De voorzitter:Dank u wel. Ik zie twee interrupties, drie zelfs! Eerst de heer Boomsma,dan mevrouw Keijzer, dan mevrouw Abdi.De heer Boomsma (JA21):Ik kan het betoog van de heer Claassen wel volgen. Ik heb het zelf ookgehad over academische vrijheid bij de begrotingsbehandeling. Ik heb ookeen voorstel gedaan om te kijken of je niet een apart fonds kunt instellenvoor het financieren van onderzoek naar die zogenaamde tegendraadseperspectieven, die altijd dreigen achterwege te blijven, omdat je altijd, inalle menselijke instituties en ook hier, het risico hebt van conformisme.Hoe ziet de heer Claassen dat?De heer Claassen (Groep Markuszower):Als je om iets wat normaal is, het brede debat waar het mag schuren enwrijven en waar je het met elkaar oneens mag zijn, dat je niet in denormatief van de tegenwoordige besturen van universiteiten mee moetgaan ... Als je wil bereiken wat eigenlijk normaal is en daar een fonds voormoet oprichten, dan zijn we eigenlijk idioot bezig. Laat ik het zo maarzeggen. Het moet de normaalste zaak zijn. Als het zou helpen om diebeweging voor elkaar te krijgen met een fonds, dan moeten we het daarmet elkaar over hebben. Maar ik wil hier wel gezegd hebben dat als er eenfonds voor moet worden opgericht om die beweging met elkaar in gangte kunnen zetten, dat wel eigenlijk een heel kwalijke zaak zou zijnMevrouw Keijzer (Lid Keijzer):Dit betoog komt overeen met mijn betoog. Ik zou aan de heer Claassenwillen vragen: waarom moet nou iemand die bijvoorbeeld gewoon eenbedrijf heeft en een paar kinderen op een basisschool heeft zich zorgenmaken over hetgeen de heer Claassen en straks ik, maar ook de heerBoomsma hier betogen?De heer Claassen (Groep Markuszower):Omdat als die onderzoeken een heel smal narratief hebben, dat leidendgaat zijn voor wat in de wereld en de omgeving waar gaat worden. Devraag is of dat dan de waarheid is. Ik, mijn kinderen, mijn familie, uwkinderen, uw kleinkinderen – ik weet het allemaal niet – komen wel in datnarratief terecht. Dus mijn inzet zou zijn om te voorkomen dat dat soortnarratieven de standaard worden en te zorgen dat het perspectief op dehele breedte aanwezig blijft. Dat draagt het beste bij aan de ontwikkelingvan kinderen, dat ze ook hun eigen denkbeelden daarin kunnen ontwik-kelen. Dat is mijn antwoord op de vraag van mevrouw Keijzer.De voorzitter:Ik zie nog een vervolgvraag van mevrouw Keijzer.Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):Geen vervolgvraag, maar instemming. Dit is precies waarom ik mij hierook zorgen over maak. Uiteindelijk gaat er één wereldbeeld overNederland heen gerold worden. Iets anders denken stopt op een gegevenmoment, want je mag het niet meer uiten.De voorzitter:Dan ga ik door naar mevrouw Abdi.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 12587 Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):Mijn vraag aan collega Claassen over zijn betoog is of hij kan specificerenwat hij bedoelt met die afwijkende meningen en welke signalen hij heeft.Hij heeft het eerder ook al benoemd. Ik ben benieuwd of hij concretevoorbeelden kan noemen van waar hij het over heeft.De heer Claassen (Groep Markuszower):Ik kan wel een voorbeeld geven. Stel dat je als onderzoeker zou willenonderzoeken wat het effect is van de huidige maatschappij op hoe delhbtqia+ – weet ik hoe ze allemaal heten – zich ontwikkelt binnen dehogescholen en je wilt kijken wat dat betekent voor de ontwikkeling vanhet curriculum. Ik geef u een zware dobber als u daar een subsidietje voorzou willen binnenharken. Dat gaat u nooit lukken. Dat gaat u nooit lukken.Maar als de vraag zou zijn – een pakkend voorbeeld – hoe we de positievan lhbtq in universiteiten kunnen versterken, dan stroomt het geldbinnen, zal ik u vertellen. Dat is maar een klein voorbeeld. Ik heb er nogeen heleboel meer, als u die zou willen horen.De voorzitter:Vervolgvraag van mevrouw Abdi.Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):Dit is natuurlijk niet echt een antwoord op mijn vraag. Wat u hier doet, iseen soort mening geven. Dat is uw goed recht. Het is iedereens goedrecht om dat te doen. Maar het tast wel een heel fundamenteel punt aan,want er is één ding dat wel klopt, namelijk dat veel wetenschappers inNederland in toenemende mate inderdaad zelfcensuur toepassen omdatzij ervaring hebben met bedreigingen en intimidatie, ook als het gaat ombepaalde vakgebieden. Volgens mij is dat een ontwikkeling die we nietzouden moeten willen. De heer Claassen is ook zorgwoordvoerder, dus ikneem aan dat hij het belangrijk vindt dat er veel doorbraakontwikkelingenplaatsvinden op het gebied van gezondheid. Laat dat nou net eenvakgebied zijn waarop met name heel veel vrouwelijke wetenschappersaangeven dat het moeilijk is om op bepaalde onderzoeksvragen dingen tedoen, door dat harde klimaat. Ik ben dus oprecht benieuwd. Kunt u hetconcreet maken? En als u het niet concreet kunt maken, wilt u dan nieteen bepaalde terughoudendheid uitoefenen, juist omdat u hiermeeuiteindelijk het wetenschapsklimaat ondermijnt?De heer Claassen (Groep Markuszower):Nee, ik wil helemaal geen terughoudendheid. Als iedereen dat ging doen,terughoudendheid ging laten zien, zeker in de politiek, en als die discussieniet gevoerd mag worden, dan zijn we een end ver. Als u dat pad wiltbewandelen, dan moet u dat vooral doen. Die zelfcensuur vindt plaatsbinnen een bubbel, zeg ik tegen collega ... Ik ben de naam even kwijt,hoor. O, Abdi. Die zelfcensuur vindt plaats binnen een bubbel. Mijnpleidooi is dat die zelfcensuur er in de volle breedte moet zijn. Zeker alshet gaat om kwalitatief onderzoek wordt gevraagd dat de onderzoekerergens in het begin van zijn artikel schrijft wat zijn achtergrond is.Eigenlijk zou dat normaal moeten zijn, maar bij een heleboel artikelenwaarvan de uitkomst al een beetje kunt vermoeden staat er niet eens bijwat de achtergrond van iemand is. Als je dan zelf gaat zoeken, dan zie jeeen bepaalde achtergrond van onderzoekers, van de onderzoeksgroep endenk je: ik had al kunnen bedenken wat de conclusie zou zijn. Daarmoeten we niet blind voor zijn. Ik denk dat het tijd wordt dat ook in ditsoort debatten dat soort dingen benoemd wordt. Als u nog concretevoorstellen wilt, dan zal ik ervoor zorgen dat u binnenkort een lijstje vanmij krijgt.De voorzitter:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 12588 Ik geef zo het woord, mevrouw Abdi. Ik herhaal graag de eerdere afspraak:interrupties onder 30 seconden tellen niet mee en die daarboven tellendubbel. Mevrouw Abdi.Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):Ik hou het heel kort. Ik vind het gewoon een beetje borrelpraat als je nietmet concrete feiten komt. U heeft het over dat u het debat niet magvoeren. Natuurlijk mag je het debat hier voeren. We moeten het debat hiervoeren. We mogen ook met elkaar van mening verschillen. Mijn verzoekom terughoudendheid gaat erom dat de politiek ook een aandeel heeftwaar het gaat over veiligheid, een klimaat waarin wetenschappers hetgevoel hebben dat ze onderzoek kunnen doen. Daar hebben wij ook eenaandeel in en daar vraag ik terughoudendheid in. Ik zou het waarderen alsu met dit soort voorstellen komt, dat die op feiten gebaseerd zijn en nietop meningen.De heer Claassen (Groep Markuszower):Ik heb een paar feiten gegeven. Als u daar de bronnen van wilt hebben,wil ik u die best doen toekomen. Dat mag. Maar ik maak me wel zorgen,want dit is precies wat er gebeurt. Dit is precies wat er gebeurt als jedingen benoemt die je ziet gebeuren. Er is een bepaald narratief – datwerd ook bevestigd door andere collega’s – in de onderzoekswereld, zekerin de sociaal-culturele wetenschappen. Ik heb het niet ... De colleganoemde een voorbeeld uit de medische wetenschappen. Ja, daar zou,zeker als het om vrouwengezondheid gaat, iets anders naar gekekenmoeten worden om die vrouwengezondheid te bevorderen. Daar ben ikhet helemaal mee eens, maar in de sociaal-culturele wetenschappen ziteen bepaald narratief dat vooral een bepaalde duiding heeft – ik pak evenmijn eigen voorbeeld – die misschien niet echt rechts-conservatief is. Ik ziedaar heel weinig voorbeelden van. Nogmaals, ik denk dat het juist goed isom dat hier wel te benoemen. Natuurlijk, een politicus kan ook eenmening hebben, maar ik heb ook voorbeelden en die heb ik ook genoemd.U probeert dat een andere plek te geven. Dat moet u zelf weten, maar ikdenk dat dat ook meteen een voorbeeld is van wat er dan precies mis is.De voorzitter:Ik zie nog een interruptie van mevrouw Rooderkerk.Mevrouw Rooderkerk (D66):De heer Claassen geeft aan zich zorgen te maken over de academischevrijheid die onder druk staat. Die zorg deel ik. Die is er namelijk ookandersom. We zien dat bijvoorbeeld in Amerika wetenschappers heel veelmoeite hebben met het nog kunnen uitvoeren van onderzoek naar hetklimaat. Maakt u zich daar dan ook niet heel zorgen over?De heer Claassen (Groep Markuszower):Ja, daar maak ik me heel veel zorgen over. We hebben hier in Nederlandeen zekere Jan van de Beek. Die heeft een iets andere mening als het gaatom klimaat en die heeft echt op verschillende manieren – daar heeftcollega Abdi meteen ook het voorbeeld – geprobeerd om funding tekrijgen om het tegengeluid nog eens verder te onderzoeken. Nul funding!Het lukt hem gewoon niet. Ja, ik maak me zorgen over het klimaat – datdelen wij – maar wel op een andere manier: het idee dat het klimaat alseen catastrofe over onze jongeren heen gestort wordt waardoor zeallemaal depressief zijn en achteraan in de rij aansluiten bij de ggz. Ja,daar maak ik me zorgen over, omdat het andere geluid niet gehoordwordt. En waarom? Omdat zo iemand als Jan het niet voor elkaar krijgtom funding te krijgen. U zou mij dus kunnen steunen als u het daarmeeeens zou zijn, om ervoor te zorgen dat dat narratief daar weggaat en datTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 12589 mensen zoals hij, toch een iets andere klimaatonderzoeker, voet aangrond zouden kunnen krijgen bij een universiteit, wat hem nu gewoon nietlukt.De voorzitter:Een vervolgvraag van mevrouw Rooderkerk.Mevrouw Rooderkerk (D66):Waar ik me dan vooral zorgen over maak, is dat politici willen bepalenwaar onderzoekers zich mee bezig houden. Dat lijkt me juist de grootstezorg. We zien aan de ene kant dat Trump bijvoorbeeld klimaatonderzoekonmogelijk maakt en aan de andere kant hoor ik hier de heer Claassenervoor pleiten dat lhbtqi+-onderzoek niet zou moeten kunnen. Ik zouzeggen: laat het nou gewoon aan de wetenschap.De heer Claassen (Groep Markuszower):Nee. Ik heb hier staan «het onderzoeks- en wetenschapsbeleid». Dus danvraag ik me af: wat doet u hier? Als u vindt dat wij er niks mee te makenhebben, dan moeten we dit debat niet voeren. We zitten hier toch om nate denken over hoe het onderzoeks- en wetenschapsbeleid eruitziet en hoewe dat kunnen ondersteunen en verbeteren? Mijn punt om te verbeterenis mensen die een iets ander geluid willen onderzoeken de ruimte geven.Ik kan nog genoeg voorbeelden opnoemen, maar ik vind wel dat u zichzelftegenspreekt op deze manier.Mevrouw Rooderkerk (D66):Nee, in het geheel niet. Ik zit hier juist voor een debat over onderzoeks- enwetenschapsbeleid omdat wij inderdaad het beleid, de kaders vaststellen.Het Tulp Fonds is een mooi voorbeeld van NWO, dat ruimte biedt aaninternationale wetenschappers die zelf tegen bedreigingen aanlopen vande academische vrijheid en niet de ruimte krijgen om onderzoek te doen.Die vangen wij als Nederland juist op. Daar bent u dan denk ik ook welvoor?De voorzitter:De heer Claassen, tot slot.De heer Claassen (Groep Markuszower):Eh, ik was niet aan het opletten.De voorzitter:Nou, dat is ook een eerlijk antwoord. Mevrouw Rooderkerk, wilt u uwlaatste punt herhalen?Mevrouw Rooderkerk (D66):Dit bevestigt een beetje mijn punt. Ik denk dat het heel makkelijk is ommoord en brand te schreeuwen over van alles wat er mis zou zijn met dewetenschap vanuit je eigen politieke blik, maar de kracht van wetenschapis juist dat er sprake is van tegengestelde meningen en dat onderzochtwordt wat daadwerkelijk op basis van de feiten wel of niet klopt. En als deheer Claassen zich zorgen maakt over de academische vrijheid, dan vindik dat heel goed. Ik maak me namelijk ook zorgen, misschien de anderekant van de oceaan op. Dan is bijvoorbeeld NWO een instituut dat ervoorzorgt dat ruimte wordt geboden om die academische vrijheid tewaarborgen. Ik hoop dat de heer Claassen dat ook ziet en dat we op diemanier dat gesprek ook kunnen aangaan.De heer Claassen (Groep Markuszower):Nou, de andere kant van de oceaan? Volgens mij gaat hier over het beleidin Nederland. Overigens moet ik iets corrigeren wat ik net zei. DeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 125810 aanleiding was klimaat en toen heb ik het woord «klimaat» gebruikt, maarik bedoelde natuurlijk migratiewetenschappen. Dat wil ik even corrigeren,dat voorbeeld van Jan van de Beek. Hij is een migratiewetenschapper. Ubegon over klimaat en ik gebruikte het woord «klimaat», maar ik bedoeldemigratie.De voorzitter:Dan is ook dat rechtgezet. Dan gaan we naar de heer De Beer namens deVVD.De heer De Beer (VVD):Dank u wel, voorzitter. De VVD wil dat Nederland vooroploopt alskenniseconomie. Dat vraagt om sterke wetenschap, maar ook om scherpekeuzes. Voor de VVD is wetenschap een middel om onze economie teversterken en oplossingen te bieden voor maatschappelijke vraagstukken.Dat betekent focus aanbrengen en investeren in datgene wat maatschap-pelijk rendeert, maar ook beschermen wat ons kwetsbaar maakt.Laat ik beginnen met onze kennisveiligheid, want wetenschap floreert bijopenheid. Maar in een wereld waarin geopolitieke spanningen toenemen,is openheid alleen niet genoeg. We zien dat landen als China, Rusland enIran systematisch proberen om toegang te krijgen tot gevoelige kennis entechnologie. Soms subtiel via samenwerkingen of studentenuitwisse-lingen, maar met grote gevolgen. Onze kennisinfrastructuur is voor eengroot deel publiek gefinancierd en dan mag je verwachten dat we die ookgoed beschermen. Dat vraagt ook om sturing, niet uit wantrouwen, maaruit verantwoordelijkheid. De screeningswet is daarvoor cruciaal. Mijnvraag aan de Minister is dan ook wanneer deze wet naar de Kamer komten hoe wordt geborgd dat instellingen niet alleen een verantwoorde-lijkheid krijgen, maar ook daadwerkelijk de instrumenten en kadershebben om risico goed te beoordelen en te beheersen. En aanvullend: hoevoorkomen we dat instellingen onderling verschillende standaardenhanteren, waardoor er zwakke schakels ontstaan in ons kennissysteem?Dan het voornemen van de Minister om een doctorsgraad in het hbomogelijk te maken. De VVD is daar heel kritisch op. Wij hebben namelijkafgesproken dat er een pilot loopt tot 2029 en toch kiest de Minister nuvoor een vlucht naar voren door dit al wettelijk te willen regelen. Datvinden wij prematuur. Wat is precies het probleem dat we daarmeeproberen op te lossen? We zijn groot voorstander van praktijkgerichtonderzoek. Dat is immers de kracht van hogescholen, maar ook van hetmbo. Dat betekent echter niet automatisch dat je nieuwe titels moetoptuigen. Sterker nog, het risico is dat we het stelsel versnipperen, dat eronduidelijkheid ontstaat over de waarde van verschillende graden en dater misschien zelfs sprake zou kunnen zijn van titelinflatie. Dat helpthelemaal niemand vooruit, niet de student, niet de werkgever en niet dekwaliteit van ons onderwijs.De VVD ziet op dit moment dan ook weinig meerwaarde in een nieuwedoctorsgraad. Mijn vragen aan de Minister zijn daarom: wat is de concretemeerwaarde van deze nieuwe graden ten opzichte van de bestaandePhD-trajecten en praktijkroutes en waarom wacht de Minister deuitkomsten van de pilot niet af? Wat de VVD betreft leggen we de prioriteitook financieel bij het verbeteren van de kwaliteit van het onderwijs enbovenal bij een sterkere aansluiting van het onderwijs op de arbeids-markt.De voorzitter:Er is eerst een interruptie van mevrouw Rooderkerk en daarna van de heerClaassen.Mevrouw Rooderkerk (D66):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 125811 Ik hoor dat de VVD zich zorgen maakt over titelinflatie. Is de VVD niet ookvan mening dat het van belang is dat we het onderwijs meer als eenwaaier gaan zien, dat we niet alleen aan theoretisch onderzoek heel veelwaarde moeten hechten, maar ook aan praktisch gericht onderzoek?De heer De Beer (VVD):Daar zijn we het helemaal over eens. We hebben gisterenavond eenplenair debat over het beroepsonderwijs gehad. Er wordt meer waardegehecht aan het beroepsonderwijs, aan praktisch opgeleide mensen, endie weten ook goed samen te werken met theoretisch opgeleiden. Daarhebben we gisterenavond nog een voorbeeld van genoemd en ik komdadelijk ook nog op een voorbeeld. De meerwaarde van praktijkopge-leiden en dus ook praktijkgericht onderwijs en onderzoek onderschrijvenwe helemaal.Mevrouw Rooderkerk (D66):Dat is heel goed om te horen, want ik hoop echt dat we als samenlevingmeer deze kant op gaan denken en beide heel erg van belang vinden.Maar deelt u niet dat het juist heel goed kan zijn om daar dan ookdaadwerkelijk een titel aan te kunnen verbinden?De heer De Beer (VVD):Nee. We vinden het wel belangrijk dat je waarde hecht aan en ook durft teinvesteren in het beroepsonderwijs en meer mogelijkheden creëert, maarwij zien niet meteen een meerwaarde in het creëren van nieuwe titels indat opzicht. Bovendien hebben we ervoor gekozen om een pilot te doentot en met 2029, dus de timing vinden we ook een punt. Waarom nietgewoon de pilot afwachten, evalueren en kijken wat we moeten doen omhet praktijkgericht onderzoek verder te versterken?Mevrouw Rooderkerk (D66):Maar dat begrijp ik niet, want het is al uitgebreid onderzocht. Er looptinderdaad al een pilot. Er zijn al heel veel onderzoekers die daaraan meehebben gedaan. Dit geeft nou juist aan of de VVD praktisch onderzoekdaadwerkelijk van belang vindt, want als je zegt «ja, ik vind dat ook vanbelang, ik vind ook dat mensen die praktijkgericht in de techniek of samenmet bedrijven onderzoek doen, van belang zijn», dan moet je ze ook opdie manier kunnen waarderen. Als we ze op die manier waarderen, zorgtdat er namelijk ook voor dat mensen zich er meer toe genegen voelen omeen opleiding of onderzoek in die richting te doen en dat ze ook daadwer-kelijk de waardering krijgen die zij verdienen.De heer De Beer (VVD):Daar zijn we het niet helemaal mee eens, denk ik. De waardering voorpraktijkgericht onderzoek heb ik onderschreven. Ik heb de Ministergevraagd wat de meerwaarde is om dat op dit moment te doen, zonderdat we de pilot hebben afgerond.De heer Claassen (Groep Markuszower):Ik vind het ook lastig, hoor, dat practical doctorship, of hoe het allemaalmag heten. Ik ben het er ook mee eens dat PhD’s ook heel erg praktijkge-richt onderzoek doen, samen met de praktijk; ik zie al mensen neeschudden. Maar het zit het probleem nu dan in de titulatuur? Of zit hetprobleem in het niveau of dat er weer allemaal nieuwe titulaturen bijkomen binnen een bamastructuur en wat daar allemaal bij hoort?De heer De Beer (VVD):Het gaat om de zorg of we dat op dit moment moeten willen, gedurendede looptijd van de pilot. Wat betekent dat voor de waarde van deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 125812 verschillende titels en wat is de meerwaarde nu precies in dat hele aspectvan praktijkgericht onderzoek? Dat waren de vragen aan de Minister.De voorzitter:Dan kunt u verder met uw betoog.De heer De Beer (VVD):Dan kom ik op de valorisatie. Voor de VVD is dat geen bijzaak, maar eenkernopgave. We investeren jaarlijks miljarden in onderzoek. Dan moet dekennis ook landen in de praktijk, in bedrijven, in innovaties. Daar zit watons betreft de economische kracht, zeker in een tijd waarin technologischeontwikkelingen elkaar in hoog tempo opvolgen. We zien dat anderelanden, bijvoorbeeld Duitsland, dat heel structureel doen, met sterkesamenwerking tussen kennisinstellingen en industrie. Mijn vraag aan deMinister is: wat kunnen we daarvan leren? Hoe zorgen we ervoor datvalorisatie in Nederland niet afhankelijk is van losse projecten, maarstructureel onderdeel wordt van ons systeem? Specifiek: hoe wordtgeborgd dat investeringen in onderzoek ook daadwerkelijk bijdragen aanstrategische sectoren zoals defensie, technologie en energie?De heer Van Duijvenvoorde (FVD):Ik hoop niet dat ik het gras voor mijn eigen voeten ga wegmaaien, want ikga het hier ook over hebben, maar ik ben een beetje verbaasd over hetenorme enthousiasme over de valorisatie. Ik merk namelijk vanuit deacademische wereld juist ook heel veel moeite met valorisatie. Stel dat jepromoveert op een gedicht uit de negende eeuw. Dan moet je eerst driehoofdstukken schrijven waarom dat maatschappelijk relevant is. Ziet deVVD geen spanning met de obsessie met valorisatie en onderzoek?De heer De Beer (VVD):Nee. Natuurlijk willen we niet treden in de academische vrijheid en vindenwe dat studenten en onderzoekers zelf de onderwerpen moeten kunnenkiezen waar ze op willen promoveren of waar ze verder op willenstuderen. Dat neemt echter niet weg dat als wij beleid maken, waar dezecommissie ook over gaat, en de randvoorwaarden creëren, je als land weldegelijk speerpunten kunt benoemen waarin je verder wil en je ook dewetenschap uitnodigt om daaraan mee te doen. Er zijn natuurlijkspeerpunttechnologieën waar we als Nederland verder in willen excel-leren. Valorisatie is daar een heel belangrijk middel in.De voorzitter:Een vervolgvraag van de heer Van Duijvenvoorde.De heer Van Duijvenvoorde (FVD):Zou het dan misschien een idee zijn – ik weet niet hoe we dat zoudenmoeten vormgeven, hoor – om scheidingen te maken? Er moeten dus ookplekken zijn die valorisatievrij zijn, waar van alles kan gebeuren wat zinnigof zinloos is, waar geld heen gaat dat misschien weggegooid geld is ofmisschien niet. U praat nu namelijk in algemeenheden. We moeten hetdus echt gaan scheiden: dit onderzoek heeft een noodzaak tot valorisatieen dit moeten we gewoon met rust laten, omdat het onderzoek omwillevan het onderzoek is.De heer De Beer (VVD):Er vindt natuurlijk ook fundamenteel onderzoek plaats dat wellicht pas opveel langere termijn leidt tot praktische toepassingen. Daar heb ik dadelijkook nog een voorbeeld van. Het lijkt me lastig om vanuit Den Haagprecieze scheidslijnen te trekken van wat wel en niet in aanmerking komtvoor valorisatie. Je zou natuurlijk wel kunnen benoemen wat dedomeinen, de speerpunten en de technologieën zijn waar je verder in wilTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 125813 excelleren, zodat je de industrie en de maatschappij uiteindelijk verderkunt brengen.De heer Claassen (Groep Markuszower):Ik vind die valorisatievraag wel erg interessant. Als je ervan uitgaat dat eraltijd valorisatie is, dan betekent dat dat onderzoek altijd iets moetopleveren wat bruikbaar is. In de brede zin van onderzoek en wetenschapkan het ook zomaar zo zijn – dat komt volgens bijna niet meer voor – datiemand een promotietraject doet en er na vijf jaar achter komt dat het nietwerkt. Dan houdt diegene zijn proefschriftverdediging en vertelt: het werktallemaal niet. Is dat ook niet gewoon academische vrijheid? Is het niet zodat je valorisatie eigenlijk helemaal niet als uitgangsprincipe zou moetengebruiken bij wetenschappelijk onderzoek?De heer De Beer (VVD):Ik zei net dat academische vrijheid moet blijven bestaan. Daar staan weook voor. Studenten en onderzoekers moeten daar zelf keuzes in kunnenmaken. Sommige wetenschapsgebieden komen wat meer in aanmerkingom economische meerwaarde of een maatschappelijke bijdrage televeren. Als overheid kun je natuurlijk wel aangeven in welke domeinen,technologieën of speerpunten je extra wil investeren, zodat je valorisatietot stand kunt brengen.Laat ik daar een voorbeeld bij geven.De voorzitter:U gaat nu verder met uw betoog, toch?De heer De Beer (VVD):Ja, als dat mag.De voorzitter:Jazeker.De heer De Beer (VVD):Ik weet niet of ik dit al had gevraagd, maar hoe wordt geborgd datinvesteringen in onderzoek ook daadwerkelijk bijdragen aan strategischesectoren, zoals defensie, technologie en energie? Ja, die had ik al gesteld.Voorzitter. Tot slot de Einsteintelescoop, een voorbeeld van een groot-schalig project waarin fundamenteel onderzoek en valorisatie op den duurworden gecombineerd. Wat de VVD betreft is dat een strategisch projectvan nationaal en Europees belang. Dit is bij uitstek een project datfundamenteel onderzoek, innovatie en regionale ontwikkeling samen-brengt. Dit is ook precies het type investering waarmee Nederland zichinternationaal kan onderscheiden. Het mooie is dat dit niet stopt bijuniversiteiten. Er is namelijk ook betrokkenheid vanuit het mbo en hbo,bijvoorbeeld via de Einstein Academy, waaraan ook de universiteitmeedoet. Dat laat zien hoe breed de impact kan zijn. Dit is precies hetsoort investering waar we als land sterker van worden. Maar ook anderelanden zitten niet stil. Daarom vraag ik de Minister wat er concreet nodigis om de Nederlandse kandidatuur verder te versterken. Welke stappen zethet kabinet om ervoor te zorgen dat Nederland deze kans daadwerkelijkbinnenhaalt?De voorzitter:Kunt u uw laatste zin uitspreken?De heer De Beer (VVD):Zeker!Voorzitter. Als we willen dat Nederland een leidende kenniseconomieblijft, dan moeten we scherp zijn op veiligheid, op prioriteiten, op deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 125814 kwaliteit van het stelsel en op de vraag wat onze investeringen opleveren.Dat betekent ook dat we moeten beschermen wat van waarde is en dat wekritisch moeten zijn op nieuwe structuren zonder duidelijke meerwaarde.We moeten vol inzetten op projecten die Nederland sterker maken. Punt!De voorzitter:Dat was een lange laatste zin. Ik geef het woord aan mevrouw Rooderkerknamens D66. O, sorry, er is nog een interruptie van mevrouw Abdi.Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):Excuus. Ik wachtte even totdat de heer De Beer klaar was met zijn betoog.Ik heb een vraag aan collega De Beer. Ik hoorde in zijn pleidooi meermaalsterugkomen dat we vooral moeten inzetten op bèta- en gammatechniekenet cetera. Het SSH-vakgebied wordt dan eigenlijk gepasseerd, terwijl datwel voor iets van 80% onderdeel uitmaakt van onze economie, van dedienstensector. Als je je op het gebied van het vestigingsklimaat inNederland en onze economie zo focust op bèta en gamma, ondermijn jejezelf dan niet?De heer De Beer (VVD):Nee, wat mij betreft niet. Ik heb net al een aantal keer aangegeven dat alshet gaat over het beleid, je randvoorwaarden kunt creëren waarbinnen jejuist dat speelveld van valorisatie verder zou kunnen versterken. Dan komje wellicht iets dichter bij de wetenschappen die wat makkelijkertoepasbaar zijn, maar dat wil niet zeggen dat we de ruimte voor de anderewetenschappen willen inperken. Het is natuurlijk wél de vraag waar jefinancieel je prioriteit legt als je meer te investeren hebt in de wetenschapen in de kenniseconomie.Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):Mijn vervolgvraag is of de heer De Beer dat kan specificeren. Kan hij datconcreet maken? Wat stelt hij dan wél voor?De heer De Beer (VVD):De Einsteintelescoop is zo’n voorbeeld. Over de campusontwikkeling gaanwe volgens mij nog verder praten. We gaan ook nog praten over denationale talentstrategie waar het kabinet mee bezig is. Daarbinnen zullener allerhande vraagstukken komen. Wat geven we bijvoorbeeld prioriteit?Hoe zien we de samenwerking tussen kennisinstellingen, het beroe-penveld, het onderwijs en het bedrijfsleven? Volgens mij zijn er nog heelveel aanknopingspunten om de komende tijd het debat met elkaar tevoeren.De voorzitter:Ik geef het woord aan mevrouw Rooderkerk. Zij spreekt namens D66.Mevrouw Rooderkerk (D66):Dank, voorzitter. In 2009 lukte onderzoeker Hans Clevers en zijn team inhet Hubrecht Instituut in Utrecht iets wat nog nooit eerder was gedaan.Uit één enkele stamcel van een muis kweekten zij een miniorgaan in eenschaaltje, een organoïde. Zij kweekten een miniatuurdarm die eruitzag enzich gedroeg als een echt orgaan. Niemand kon toen voorspellen waar dattoe zou leiden. Inmiddels worden organoïden wereldwijd ingezet omkankermedicijnen te testen op de cellen van individuele patiënten, om tekijken welk specifiek medicijn het beste aansluit op de individuele patiënt,zodat we hen eerder en beter kunnen genezen. Het begon met nieuwsgie-righeid, met fundamenteel onderzoek gefinancierd met publiek geld. Ikwas onlangs op het Utrecht Science Park, waar die ontdekking begon.Binnen 1 vierkante kilometer vind je onder andere het Hubrecht Instituut,het Regenerative Medicine Center, het Prinses Máxima Centrum, maarTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 125815 ook Genmab, dat vorig jaar buurman Merus overnam voor bijna 7 miljardeuro. Hogeschool Utrecht en Universiteit Utrecht zitten daar mettienduizenden studenten middenin. Fundamenteel onderzoek, toegepastonderzoek, onderwijs en bedrijfsleven werken hier niet naast elkaar, maarmet elkaar.Voorzitter. Na jaren van bezuinigingen gaan we hier weer in investeren,meer dan het vorige kabinet bezuinigde. Dat is een keerpunt. Te lang zijninvesteringen in wetenschap namelijk behandeld als kostenpost. HetSEO-rapport Slimme investeringen laat zien dat kennisinvesteringenbijdragen aan de productiviteit en economische groei, maar ook dat wegeen model hebben om dat goed door te rekenen. Zolang dat ontbreekt,worden uitgaven aan wetenschap op een hoop gegooid met consump-tieve uitgaven. Ik ben blij dat de Minister het SEO-rapport onderschrijft enermee aan de slag gaat. Nederland investeert nu namelijk maar 2,3% vanhet bbp in R&D, terwijl België, Duitsland en Zweden daar fors bovenzitten. Het verschil zit vooral aan de private kant, maar publieke investe-ringen jagen private juist aan. De Minister schrijft dat ze de Kamer inseptember informeert over de vervolgstappen. Kan ze daarbij ook eenindicatie geven van het tijdpad, zodat we als Kamer weten wanneer we deeerste resultaten kunnen verwachten en hoe we dit kunnen gebruiken bijbesluitvorming?Voorzitter. Dan ten aanzien van de campussen. Wat het Utrecht SciencePark sterk maakt, is de fysieke nabijheid: onderzoekers, studenten enbedrijven op loopafstand. Niet alleen de universiteit, maar ook dehogeschool zit daar, evenals talloze mbo-studenten en -medewerkers. Inhet coalitieakkoord staan mooie ambities over onze innovatievecampussen, over het versterken van start-ups en samenwerking en overde samenwerking tussen mbo, hbo en universiteiten op het gebied vanonderzoek. De Einstein Academy in Limburg, waar roc’s en hogescholensamen opleiden voor de Einsteintelescoop, laat zien hoe krachtig dieverbinding kan zijn. Hoe werkt de Minister, samen met de collega vanEconomische Zaken, de campusambities uit het akkoord concreet uit? Hoezorgt zij dat mbo-instellingen en hogescholen hierin volwaardige partnersworden?Voorzitter. Het is daarbij cruciaal dat het extra geld terechtkomt bijonderzoekers en docenten, en niet verdwijnt in rapportageverplichtingen.De werkdruk in de wetenschap is hoog, niet alleen door het onderzoek,maar ook door de verantwoordingsdruk. Iedere euro die opgaat aanonnodige verantwoording is een euro minder voor een experiment of eenonderzoeker. Hoe zorgt de Minister dat de extra investeringen nietgepaard gaan met extra administratie? Is zij bereid om bij de verdereuitwerking concreet aandacht te besteden aan het verminderen van deverantwoordingsdruk? Wat zijn haar ambities – daar werd eerder naargevraagd – voor het bijdragen aan valorisatie en praktijkgerichtonderzoek? Zorgt zij dat daar voldoende geld naartoe gaat, ook richtinghet hbo?De voorzitter:Kunt u naar uw laatste punt gaan, mevrouw Rooderkerk?Mevrouw Rooderkerk (D66):Ja, voorzitter. Ik sluit af waarmee ik begon. Niemand kon in 2009voorspellen dat één experiment met stamcellen van een muis zouuitgroeien tot een revolutie in de geneeskunde en een betere gezondheidvoor heel veel mensen. Fundamenteel onderzoek vraagt om geduld,vertrouwen en een overheid die investeert zonder van tevoren altijdprecies te weten wat eruit komt. Nu moet het geld terechtkomen bij deonderzoekers, de studenten en de campussen waar de doorbraken vanmorgen ontstaan.Dank u wel.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 125816 De voorzitter:Dank u wel. Zie ik nog een interruptie van mevrouw Keijzer? Ja, mevrouwKeijzer.Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):Dat is een mooi pleidooi voor wetenschappelijk onderzoek, maar ismevrouw Rooderkerk bekend met het interview met mevrouw Weijnenvan NWO waarin zij zegt dat een organisatie pas subsidies krijgt wanneerhet diversiteit en inclusie in het beleid heeft opgenomen?Mevrouw Rooderkerk (D66):Dat hoor ik nu. Daar gaat mevrouw Keijzer mij vast meer over vertellen ofvragen.Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):Ik heb hier een kopietje. Dat kan ik aan u geven. Is mevrouw Rooderkerkop de hoogte van het feit dat in de gedragscode van de KNAW dezelfstandige criteria objectiviteit en waarheidsvinding niet meer alsnormatief uitgangspunt, als bepalend criterium, zijn opgenomen?Mevrouw Rooderkerk (D66):Wellicht was het handig geweest om het kopietje van tevoren te hebbengelezen, maar ik ga een beetje op zoek naar de kern van deze vragen. Ikdenk dat de NWO wetenschap financiert die goed is. We willen weten-schappers van topniveau en wetenschappelijk onderzoek van topniveau,maar er lijkt mij niets op tegen om het ook van belang te vinden dat eenorganisatie ook aan andere waarden voldoet.Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):Mevrouw Rooderkerk weet vast dat we in de internationale ranglijst vanuniversiteiten aan het dalen zijn. Zou dat te maken kunnen hebben methet punt dat het niet meer gaat over excellent onderzoek, waarheids-vinding en objectiviteit, maar over of je de juiste boxjes kunt aanvinken?Mevrouw Rooderkerk (D66):Nee, ik denk dat het ermee te maken heeft dat wij een kabinet hebbengehad, onder leiding van Schoof en Wilders, waaraan ook mevrouwKeijzer deelnam, die echt gruwelijke bezuinigen op het onderwijs en dewetenschap heeft doorgevoerd. En nee, dat is niet goed voor onzeinternationale toppositie. Daarom gaan wij die herstellen.De voorzitter:Tot slot, mevrouw Keijzer.Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):Dat is dan f... Hoe zeg je dat netjes? Dat is dan jammer, want die dalingdoet zich, voor zover ik weet, al voor sinds 2020. Drie keer raden wie ertoen dik in de regering zat! Maar dit is makkelijk – al zou mevrouwRooderkerk dit moeten weten. Maakt zij zich dan echt geen enkele zorgen?Ik vind het ook belangrijk dat iedereen een kans krijgt, hoor. Maar doordatdaar stapje voor stapje meer de nadruk op is gekomen, gaat het niet meerover excellent onderzoek, gaat het niet meer uit van het bevragen vanbestaande overtuigingen, maar gaat het erom of je het juiste boxje hebtaangevinkt. Daar moet mevrouw Rooderkerk zich toch zorgen overmaken? Dat heeft niets met geld te maken, maar dat heeft te maken metwat je belangrijk vindt aan universiteiten.Mevrouw Rooderkerk (D66):Het heeft natuurlijk wel degelijk ook met geld te maken. Als je wil dat wijinternationaal toptalent en topwetenschap hebben, dan moet je daar welTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 125817 degelijk in investeren. Dan helpt het niet om daar hele grote bezuini-gingen op door te voeren, want dat heeft gewoon effect op het onderzoekdat er gedaan kan worden en op de mate waarin er onderzoek gedaan kanworden. Dat lijkt mij dus ten eerste van belang.Het tweede punt dat mevrouw Keijzer aansnijdt, gaat over het toekennenvan gelden. We hebben natuurlijk gelden die via het NWO in allerleiverschillende programma’s worden toegekend. Het is belangrijk dat datop een goede manier gebeurt. Ik heb zelf geen reden om daar op basisvan feiten aan te twijfelen. Als mevrouw Keijzer die wel heeft, dan lijkt hetme goed om daarnaar te kijken. Het zijn echter toch vaak een beetjeonderbuikgevoelens die dan omhoog worden gehaald. Of het zijnonderwerpen die mevrouw Keijzer dan kennelijk minder belangrijk vindt,zoals diversiteit. Eerder hoorde ik hier ook iets over lhbtiq+. Volgens mijzijn dat meer politieke meningen dan dat het iets is wat daadwerkelijk eenrol speelt bij toekennen van beurzen bij de NWO. De wetenschap is ernatuurlijk juist op gericht dat je falsificatie toepast, dat je kijkt of jouwhypothese wel of niet te onderbouwen is. Dat is juist de hele basis van dewetenschap. Daar twijfel ik dus niet aan.De heer Claassen (Groep Markuszower):Ik word toch getriggerd door dit interruptiedebatje. Ik kan me herinnerendat er recent een vacature was voor een docent en een onderzoeker. Datmoesten vooral geen witte mannen zijn. Bent u het met mij eens dat uitdeze aanname blijkt dat de ideeën en de ideologie van de mensen die hetgroepje vormen die de onderzoeksagenda bepaalt, ook leidend wordenvoor alles wat daaruit komt?Mevrouw Rooderkerk (D66):Dit zijn een beetje anekdotische voorbeelden. Hierbij vroeg ik mij datwellicht ook af. Ik denk dat het in het algemeen belangrijk is dat wij zorgenvoor goede diversiteit, niet alleen hier in de Kamer, maar overal in devertegenwoordiging. Dat geldt ook voor universiteiten. Ik maak me echtertoch nog steeds wat meer zorgen over het feit dat er veel mindervrouwelijke hoogleraren en collegevoorzitters zijn en dat er binnen dewetenschap eerder beurzen worden toegekend aan mannen, wellicht ookomdat meer wetenschappers op dat niveau man zijn. Over alle vormenvan diversiteit maak ik me zorgen. Als u dat ook doet, zou ik zeggen: latenwe daarvoor strijden. Dat werkt twee kanten op. Ik denk dat witte mannendaar nog steeds ruimte moeten krijgen, maar ik denk ook dat we niet deogen moeten sluiten voor het punt dat daar nog steeds een hele groteongelijkheid zit, ook richting vrouwen.De heer Claassen (Groep Markuszower):Ik ben blij dat witte mannen ook nog iets van ruimte krijgen. D66 kan hettoch niet met mij oneens zijn dat dat voorbeeld... Dat voorbeeld is hetpuntje van de ijsberg. Het werd later wel weer aangepast, maar in principezit het gewoon diepgeworteld in dat soort instituties. Nu komt het eenkeer naar de oppervlakte en dan wordt het weer weggemoffeld. Dezegedachtegang is geïnstitutionaliseerd. Daar zou u zich zorgen overmoeten maken. Ik hoop dat u dat in toenemende mate zult gaan doen.De voorzitter:Het is niet echt een vraag, maar een oproep.Mevrouw Rooderkerk (D66):Ja, of ik mij goed zorgen maak om de witte man. Dat zal ik ter hartenemen.De voorzitter:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 125818 Dat staat genoteerd. Dan hebben we mevrouw Rooderkerk gehad. Ik moetnog even officieel noemen dat mevrouw Keijzer geen lid is van decommissie. Ik neem aan dat we het goedvinden dat ze hier is, want zeheeft al heel veel interrupties geplaatst. Bij dezen mag ze haar betoogbeginnen.Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):Dank, voorzitter. Dank aan de commissie dat zij mij hier toestaat.Voorzitter. Het gaat niet over je sekse, over de kleur van je huid of over hetgeld. Het gaat over iets veel fundamentelers, namelijk over de vraag of deacademische wereld nog een vrijplaats is voor nieuwsgierigheid en debatof is verworden tot een systeem dat vooral bevestigt wat moreelcomfortabel voelt en de juiste boxjes aanvinkt. Een universiteit zou eenplek moeten zijn waar gedachten botsen, waar de zoektocht naar dewaarheid vooropstaat en waar hypotheses onderzocht worden, ook als zeoncomfortabel voelen. We zien echter in toenemende mate een cultuurwaar één manier van denken wordt beloond en afwijkende perspectievenworden ontmoedigd.Voorzitter. Dat is een groot probleem, want uiteindelijk landt wat aanuniversiteiten wordt onderzocht via hbo’s in maatschappelijke organi-saties en bijvoorbeeld in het onderwijs aan onze kinderen. Het voorbeeldover de Erasmus Universiteit waarin alleen – hoe noem je dat in hetNederlands? – gekleurde mensen geselecteerd zouden moeten worden, isdaar een fantastisch voorbeeld van. Het werd natuurlijk snel aangepast,maar het is ongelofelijk!Voorzitter. Wetenschap wordt zo langzamerhand geen zoektocht meernaar de waarheid, maar een verlengstuk van één ideologisch project,omdat het salonfähig is om tegen antiwesters sentiment aan te schuren –we zien het vandaag weer aan de universiteit waar Onze Minister hiervoorde baas was – omdat dat veilig voelt binnen de bubbel daar. Het gaat overde vraag of je de juiste genderovertuiging hebt, enzovoort enzovoortenzovoort.Formeel is er genoeg toezicht. Zo heb je visitatiecommissies, de integri-teitscode en de inspectie. De Minister kan bij ernstige taakverwaarlozingzelfs ingrijpen in raden van toezicht. Deze richten zich echter op integriteiten bestuur, niet op de sluipende ideologische eenzijdigheid die deacademische vrijheid stapje voor stapje uitholt. Niemand bewaakt depluriformiteit van het denken. Niemand waakt over het feit dat kritischeonderzoekers sociaal risico’s lopen door gewoon hun werk te doen.We zien de gevolgen. Universiteiten die al jaren dalen in de internationaleranglijsten. Onderzoekers zwakken hun woorden af om subsidies niet ingevaar te brengen. Het voorbeeld van Jan van Beek ken ik ook. MarcelCrok is iemand die ander onderzoek wil doen over klimaat, maar hij krijgtook geen kans. Formuleringen worden verzacht. Hypotheses wordeningeslikt. Dat gebeurt met alle gevolgen van dien; de studenten zijnuiteindelijk wel de beleidsbepalers en bestuurders van de toekomst.Oftewel: een academische gemeenschap die steeds minder op eenuniversiteit lijkt, maar steeds meer op een echokamer.Mevrouw Rooderkerk (D66):Ik hoor dat mevrouw Keijzer zich druk maakt over de academischevrijheid. Maakt ze zich dan, net als ik, ook druk over klimaatweten-schappers die in de VS geen onderzoek meer mogen doen naar de staatvan het klimaat?Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):Ik denk dat het hoog tijd wordt dat wetenschappers op een andere manierkijken naar de klimaatverandering, die zich absoluut voordoet. Als datuiteindelijk het doel is van de besluitvorming in de Verenigde Staten, danis het middel wat mij betreft beroerd, maar de uitkomst dat er ook eensTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 125819 een andersoortig onderzoek gedaan wordt, met andere hypotheses dan«het einde der tijden is nabij en dat komt door de mensheid», doet mijgoed.Mevrouw Rooderkerk (D66):Maar dan spreekt u uzelf dus echt compleet tegen, mevrouw Keijzer. Uzegt dan namelijk eigenlijk: ik vind het een probleem dat er kennelijk teveel een bepaalde richting op wordt gestuurd, maar wanneer Trump datdoet, is het geen probleem.Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):Nee, dan heeft u niet goed geluisterd. Ik vind de manier waarop het gaatniet goed. Tegelijkertijd zien we in Nederland het tegenovergesteldegebeuren. Hier zien we dat mensen alleen geselecteerd worden als zeonderzoek willen doen dat uitgaat van bepaalde overtuigingen dieweliswaar in D66-kringen aangehangen worden, maar niet in demeerderheid van Nederland. In Amerika zie je dat nu ook de andere kantop gebeuren. Ik heb meteen, in het begin al, gezegd dat ik daar geenvoorstander van ben. Maar er moet iets veranderen in de academie. Opdit moment zie je namelijk in toenemende mate dezelfde soort onder-zoeken en dezelfde soort uitkomsten. Dat smoort uiteindelijk de acade-mische vrijheid en dat maakt ons met z’n allen niet slimmer, maardommer.Mevrouw Rooderkerk (D66):Ik deel de zorgen over de academische vrijheid. Het pleidooi van mevrouwKeijzer spreekt zichzelf alleen tegen. Mijn oproep zou dus zijn: laten weons daar als politiek vooral buiten houden. Wij zijn allebei geen weten-schapper. Ik denk dus ook niet dat wij moeten gaan bepalen waarnaaronderzoek gedaan wordt. De wetenschap moet dat zelf doen.Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):Dat is wat mij betreft nou precies het onderwerp van dit politieke debatvandaag. Inmiddels is het zelfzuiverende vermogen in de wetenschap aanhet verdwijnen. Er wordt nog onderzoek gedaan naar zaken die in hetnarratief van diversiteit en inclusie passen. Er wordt vooral geenonderzoek gedaan naar bijvoorbeeld de vraag waarom het nou toch zo isdat ik geloof Syrische en Ethiopische mannen hoger zitten in de mate vanschuldig zijn aan verkrachtingen. Komt dat door cultuur, door een tribaleherkomst of door armoede? We hebben het er niet over. De enige redenwaarom we het weten, is omdat er een onderzoeker is die in deCBS-statistieken duikt. Ik wil weten waarom het zo is. De enige manier omgoed beleid te vormen, is door te weten wat er aan de hand is.Mevrouw Rooderkerk (D66):Dat is een voorbeeld van een onderzoek dat gedaan is. Het probleemdaarmee is dat het vervolgens vaak door politici wordt gebruikt om hetverkeerd uit te leggen om hun punt te bevestigen. Het lijkt me dus nietzo’n goed voorbeeld om hier te geven. Nogmaals, wat ik zeg is dat we eenpolitiek debat kunnen voeren over de wetenschap. Dan voeren we eendebat over het beleid en over de kaders daarvan. Dat lijkt me heel zinvol.Ik maak me namelijk, net als u, zorgen over de academische vrijheid. Maarik zeg dus: laten we als politiek niet gaan bepalen waarnaar de weten-schap onderzoek moet doen. Laat de wetenschap dat zelf bepalen. Andersraken we namelijk heel ver verwijderd van waar de wetenschap toebestaat.Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):Nee, het onderzoek is niet gedaan door een wetenschapper die geld krijgtvanuit een van die fantastische fondsen die de belastingbetaler terTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 125820 beschikking stelt. Het is door iemand op eigen kosten en voor eigenrekening gedaan, omdat het een vraag is die ongemakkelijk is. MevrouwRooderkerk is lid van de fractie van D66. Zij wil dat de politiek zich er nietmee bemoeit, omdat haar politieke overtuiging juist vaak bepaaltwaarnaar er onderzoek gedaan wordt. Ik hoop zeer dat ook progressievepolitici, of ze zich nou zo noemen of niet ... Volgens mij gaat het over D66,Partij voor de Dieren en GroenLinks-PvdA. Hun overtuiging landtuiteindelijk wel in de onderzoeken. Maar daarmee kom je niet totobjectieve wetenschap die gericht is op waarheidsvinding. Daarmeewordt het een echokamer waarin vooral bevestigd wordt wat men zelfvindt. Ik maak me daar zorgen om. Uiteindelijk sijpelt het namelijk door totin het onderwijs en, bij wijze van spreken, de peuterspeelzaal.Voorzitter.De voorzitter:Ik zie nog een interruptie van mevrouw Abdi.Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):Ik heb eigenlijk dezelfde vraag als het lid Rooderkerk. Ik ben nog steedszoekende naar waar dit allemaal vandaan komt en waar het op gebaseerdis. Ik vind het namelijk best ernstig. We kunnen met elkaar hier vaststellendat academische vrijheid belangrijk is. Maar vervolgens wordt datmisbruikt om te zeggen: alle onderzoeken die me niet aanstaan ... Erwordt een soort beeld geschetst dat er een soort cult van wetenschappersis die samenspannen en een bepaalde ideologie hebben. Ik vind het bestzorgelijk dat dat hier heel makkelijk wordt gedaan. Ik zou mevrouw Keijzerdus willen oproepen om concrete voorbeelden te noemen. Wat wilt u dater concreet gebeurt, mevrouw Keijzer?Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):Ik had deze vraag natuurlijk verwacht. Ik heb hier een stapeltje van allerleionderzoeken. Zelfs Nieuwsuur – ik zeg dat omdat dit onderwerp nietautomatisch landt in uitzendingen van Nieuwsuur – had op 16 september2025 een uitzending met als kop: «Nederlandse universiteiten schuwendebat met andersdenkenden». Ik noem er maar eens eentje. Ik noem ookwat er gebeurt op de Universiteit Maastricht. Zelfs pro-Palestina krijgtdaar een aparte plek. Joodse studenten zijn inmiddels hun leven niet meerzeker. «Moreel activisme op academies». Dat artikel is naar aanleiding vanhoe er op die universiteiten gereageerd werd op de dood van Charlie Kirk.«Voltaire zou zich in zijn graf omdraaien». «Academische vrijheid bedreigddoor links activisme». «Wetenschap onder druk door cancelen enzelfcensuur». Ik heb nog een opiniestuk mee, uit NRC, mind you: «Linksedominantie op de universiteit ondergraaft vertrouwen in de wetenschap».Zo kan ik nog wel even doorgaan. Ik kan me voorstellen dat mevrouwAbdi al deze voorbeelden niet kent. We bewegen ons allemaal in onzeeigen bubbels. Maar het is juist in het belang van wetenschap, objecti-viteit en waarheidsvinding zo belangrijk dat we goed kijken wat er feitelijkaan de hand is.De voorzitter:Een vervolgvraag van mevrouw Abdi.Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):Ik ben een beetje aan het zoeken wat dit allemaal met wetenschap temaken heeft. Wat ik wél zie is een totale polarisatie in de samenleving. Erworden verdachtmakingen gedaan. Eerder hebben we dat van mevrouwKeijzer natuurlijk gezien richting journalisten. Overigens vind ik dat ookverdrietig omdat u een voormalig bewindspersoon bent, mevrouw Keijzer,maar dat terzijde. Nu zien we het kennelijk ook richting wetenschappers. Ikvind dat een hele kwalijke ontwikkeling. Ik denk namelijk dat het weten-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 125821 schappelijke klimaat in Nederland iets is waar we trots op moeten zijn.Bepaalde onderzoeken zinnen bepaalde politici niet. Dan zou ik zeggen: eris ruimte voor debat; daar mag het absoluut schuren. Maar gebruik hetalsjeblieft niet om het hele wetenschappelijke klimaat, al onze universi-teiten en al onze wetenschappers, verdacht te maken. Dat verdienen zeniet. Ze verdienen juist steun. Men verdient veel meer terughoudendheidom in deze arena zomaar meninkjes te gooien.Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):Dit is precies wat er mis is: dit hoogverheven toontje van een zichzelffeliciterende en zichzelf «progressief» noemende politica. Dit is precieswat er mis is. Laat ik vragenderwijs zijn. Als er op dit moment opuniversiteiten geapplaudisseerd wordt voor dit betoog, dan hebben weecht een probleem met elkaar. Ik baseer me namelijk niet op gevoelentjesen meninkjes. Ik heb gewoon een analyse gemaakt van de gedragscodevoor de wetenschapsbeoefening. Kijk naar hoe de woorden «objectiviteit»en «waarheidsvinding» – dat zijn bij uitstek de criteria waar hoogstaandewetenschap aan moet voldoen – sinds 2014, dus sinds twaalf jaar, eenplek hadden in de gedragscode. Ze zijn van expliciet benoemd inmiddels –ik noem het KNAW-rapport Academische vrijheid in Nederland –verworden tot niet meer expliciet benoemd als normatief uitgangspunt ofworden niet als zelfstandig kernbegrip gehanteerd. Dit zegt niet «ik metmijn meninkje», maar dit kunt u terugvinden in de gedragscode. Voordat umij op deze manier de maat neemt: zoek dit even na. Laten we dan hiermet elkaar ons verenigen voor het belang van hoogstaande wetenschap,want dat verenigt ons hier met z’n allen. Laten we ons dan verenigentegen de KNAW, de NWO en al die instituten. Er zijn er nog veel meer. Ikheb ook een overzicht van alle instituten op dit vlak: Rathenau, ZonMw ennoem ze allemaal maar op. We moeten dan hier verenigd tegen dezeorganisaties zeggen: mensen, dit gaat niet goed.De voorzitter:Ik moet even streng zijn. Mevrouw Abdi, u heeft vier interrupties gehad. Ikmag u dus helaas niks meer geven. Mevrouw Keijzer, ik wil vragen of uook de antwoorden iets korter wil houden. Ik krijg te horen dat de afspraakbinnen de commissie voor OCW is: als je op vier interrupties staat, is deteller vol. U gaat met elkaar over de orde. Ik kijk rond of het wordttoegestaan dat u nogmaals interrumpeert. Het mag, maar dit betekent weldat u geen lange interruptie meer mag doen, mevrouw Abdi. Het moetdus echt kort.Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):Ik hou het dan kort. Ik vind het wel belangrijk om te zeggen dat dewetenschap zich dag in, dag uit juist niet bezighoudt met politiek, maarzich bezighoudt met onderzoek en met het verzinnen van oplossingenvoor de maatschappelijke uitdagingen. Ik vind het echt heel zorgelijk enverdrietig dat dit zo gepolitiseerd wordt door een aantal collega’s hier.Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):Dit is nou polarisatie. Dit! Dit is wat het is, maar het is niet anders. Het isjammer. Ik ga verder als u het goed vindt.De voorzitter:U heeft nog 1 minuut en 20 seconden.Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):Dat klopt.Goed, voorzitter. Het komt dus aan op: wie houdt hier nou toezicht op?Collega’s hier, sommige wel en sommige niet ... De vraag is niet óf ertoezicht is in de wetenschap zelf, maar wie er toeziet op pluriformiteit vanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 125822 denken. Het begint met eerlijkheid. Je moet erkennen dat ideologischeneutraliteit op zichzelf niet bestaat, maar dat je die wel actief als tegen-wicht kunt organiseren. Dat kun je doen door in benoemingen encommissies structureel uiteenlopende perspectieven te borgen, doorwetenschappers met afwijkende meningen over cultuurproblemenwerkelijk te beschermen en door te onderzoeken of er een onafhankelijkorgaan nodig is dat niet naar de inhoud van het onderzoek kijkt, maar naarde vraag of afwijkend onderzoek ook een eerlijke kans krijgt.Daarom heb ik de volgende vragen aan de Minister. Is hij bereid om teverkennen of een onafhankelijk fonds voor tegendraads onderzoek, zoalsook al eerder voorgesteld door mijn collega Boomsma, noodzakelijk is omacademische verenging te doorbreken? Welke stappen kan de Ministernemen om te waarborgen dat er daadwerkelijk toezicht komt op plurifor-miteit in denken, zodat aanstellingen, beoordelingen en subsidies nietlanger via één ideologisch spoor verlopen? Is de Minister van mening datje op een universiteit ook ruimte moet geven aan Israëlische weten-schappers als je ruimte geeft aan pro-Palestina-activisten?Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel. We gaan naar de heer Boomsma. Hij spreekt namens JA21.De heer Boomsma (JA21):Dank u wel, voorzitter. Na het Beleg van Leiden in 1573 schreef Willemvan Oranje dat er een vermaarde school of universiteit moest wordenopgericht in Leiden, als een vaste steun ende onderhoudt der vrijheid.Daar ben ik het mee eens. Het moet een bolwerk van vrijheid zijn. Hetmoet geen bolwerk van activisme zijn, maar van vrijheid. Dat is een nobelstreven. We bedoelen dan vrijheid in de klassieke zin en dus niet: doenwat je wil. Vrijheid is zelfbestuur, zowel op het niveau van de staat, doordemocratie, als op het niveau van de ziel, door discipline en goed lerendenken. Daar word je vrij van. JA21 zal zich daarvoor blijven inzetten.Ik heb een aantal aandachtspunten die ik even wil langslopen. Ten eerstedenk ik dat het belangrijk is om universiteiten niet te veel te runnen alseen bedrijf. Ik denk dat het goed is als we universiteiten in Nederlandmeer gaan democratiseren en dat we de rol en de autonomie vanhoogleraren gaan versterken. Ik vind het ook belangrijk om de regeldruken de bureaucratie te verminderen, zodat universiteiten zich kunnenrichten op onderzoek en onderwijs. Wat is de inzet van het kabinet op ditvlak? Ik denk zelf dat het belangrijk is om bijvoorbeeld het aantal visitaties,dat ook zorgt voor veel stress en bureaucratie, te beperken. We werkenaan een voorstel daarover, maar ik ben ook benieuwd hoe het kabinet hetziet.Het plan van het kabinet is nu om meer geld beschikbaar te stellen vooronderzoek, via een fonds voor onderzoek en wetenschap, waaronder viade sectorplannen. Wij denken dat dat heel goed is. Zoals ik bij debegroting al had aangegeven, denken wij dat het niet alleen vanwegeacademische vrijheid – daar is het al veel over gegaan – maar ookvanwege het beperken van administratieve lasten heel belangrijk is dat erveel geld gaat naar ongebonden onderzoek. We zijn dus niet alleen voorfundamenteel onderzoek, om de serendipiteit een kans te geven. Je weetnamelijk van tevoren nooit hoe het gaat. We zijn ook voor ongebondenonderzoek voor de wetenschappers. Wij vinden dat dit een striktebepaling moet worden in de sectorplannen.Een ander deel is bestemd voor de onderzoekinfrastructuur. Gezien desnelle ontwikkelingen lijkt het onontbeerlijk dat Nederland met name kijktnaar de digitale infrastructuur. We hebben daar een briefing over gehaden door allerlei partijen is daar ook een heel onderzoek naar gedaan. Ikdenk dat het belangrijk is om snel te besluiten dat we die digitaleinfrastructuur gaan aanleggen. Ik hoor graag hoe de Minister dat ziet. IkTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 125823 hoop ook dat de Einsteintelescoop er komt. We moeten sowieso al dietestfaciliteit kunnen gaan opzetten.Dat neemt niet weg dat ik denk dat AI juist voor het onderwijs wel eenpotentieel probleem is. Een van de beste manieren om te leren denkenmet nuance en diepgang is immers het schrijven van essays, en dat kaneigenlijk alleen nog maar goed worden gedaan onder toezicht op deuniversiteit. Als dit daar ter plekke wordt gedaan, wordt het niet in de AIgegooid. Ik denk dat daarvoor op de universiteiten meer ruimte moetworden gemaakt. Ik hoor graag hoe de Minister dat ziet.Voorzitter. Ik haak nog wat verder in op de vorige discussie. Ik heb geziendat de NWO nu aan instellingen eisen stelt op het gebied van diversiteiten inclusie. Er staat inderdaad: als je er geen werk van maakt, dan kom jeniet in aanmerking voor subsidie. Maar hoe wordt dat dan getoetst? Enwelke vorm van diversiteit? Ik denk dat het zou moeten gaan omstandpuntdiversiteit. Naar de andere vormen moet je eigenlijk niet kijken.Wij vinden dus niet dat je een soort ideologische krabbel moet zetten omin aanmerking te komen voor subsidie voor onderzoek. Volgens mij is dateen discussie die we moeten voeren, maar wij willen dat die eis niet wordtgesteld.Ik ben het eens met mevrouw Keijzer over de gedragscode in de weten-schap. In 2018 is zijn de begrippen «objectiviteit» en «waarheidsvinding»eruit gehaald. Ik vind dat dit juist heel belangrijke begrippen zijn. Ik zoekdus even naar een manier om die discussie wat breder te trekken, zodatwe daar met z’n allen over na gaan denken. Maar wanneer is daarvoornou een goed moment? Wanneer wordt die gedragscode herzien? Kunnenwe die discussie dan wat breder voeren? Wij vinden dat die begrippenterug zouden moeten komen; dat is immers waar het in de wetenschapom gaat.Dan de discussie over academische vrijheid. Er is een motie aangenomenvan het voormalig Kamerlid Heite over de pluriformiteit, zoals het toenwerd genoemd. Die zou worden onderzocht. Dat was in 2016. Ik denk dathet inderdaad heel belangrijk is om meer diversiteit van perspectieven enstandpuntendiversiteit op universiteiten beter te borgen, maar ik hoop datwij dat traject wat kunnen versnellen. Voorheen werd gezegd «we hebbengeen tijd om dat nu te doen», maar kunnen we dat niet versnellen?De voorzitter:Mag ik u vragen om af te ronden, meneer Boomsma?De heer Boomsma (JA21):Ja. Tot slot nog één ander belangrijk punt. Ik denk dat het heel belangrijkis dat meer replicatieonderzoek wordt gedaan. Vandaag is via het bladNature ook weer naar buiten gekomen dat uit een studie bleek dat van3.900 onderzoeken die waren gedaan slechts de helft replicabel was. Bijde rest kreeg je dus niet dezelfde uitkomsten. Daar wordt natuurlijk al tienjaar over gesproken: heel veel onderzoek kan niet worden herhaald of erkomt iets anders uit. Het komt nog niet goed van de grond om dat recht tezetten. Ik ben benieuwd naar de visie van het kabinet op die replicatie-crisis.Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel. We gaan naar mevrouw Armut van het CDA.Mevrouw Armut (CDA):Dank, voorzitter. Het onderzoek dat op onze hogescholen, universiteitenen onderzoeksinstituten wordt verricht, is onmisbaar voor onze welvaart,gezondheid, veiligheid en de manier waarop wij samenleven. Ik ben danook blij dat deze coalitie ervoor kiest om hierin te investeren. In mijninbreng wil ik stilstaan bij de rol van de overheid en het creëren van deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 125824 randvoorwaarden op regionaal, nationaal en internationaal niveau.Daartoe moeten we ervoor zorgen dat onze hogescholen, universiteitenen onderzoeksinstituten kunnen doen waar ze goed in zijn, namelijk hetonderzoek verrichten dat ten goede komt aan de samenleving.Brainport Eindhoven, Regio Foodvalley en het Leiden Bio Science Park zijnvoorbeelden van een succesvolle samenwerking van het onderwijs enonderzoeksinstellingen met bedrijven en overheden op regionaal niveau.Deze regionale kennisecosystemen dragen niet alleen bij aan innovatie enwerkgelegenheid in de regio, maar aan de welvaart in heel Nederland. Ikben dan ook blij te lezen dat voor de uitvoering van de NationaleTechnologiestrategie geïnvesteerd zal worden in de regionale innovatie-clusters en dat daarbij aansluiting wordt gezocht met publiek-privateinnovatieprogramma’s. Mijn vraag aan de Minister is hoe zij voor dezeinnovatieclusters de aansluiting op de publiek-private innovatiepro-gramma’s en de Nationale Technologiestrategie gaat borgen.In een brief van de vorige Minister van Onderwijs lezen we dat het voorhet behoud van een sterke wetenschappelijke positie van Nederland vanbelang is dat de Nederlandse wetenschap een sterke aantrekkingskrachtheeft en in staat is om in te spelen op kansen die zich voordoen. Onder devoorganger van deze Minister is hiervoor het Tulp Fonds opgericht. Mijnvraag aan de Minister is of zij bij het aantrekken van wetenschappelijktoptalent ook in de toekomst een rol voor het Tulp Fonds ziet weggelegd.Het is goed dat het kabinet op nationaal niveau toewerkt naar deLissabondoelstelling om 3% van het bbp te investeren in onderzoek enwetenschap. Daarbij is het van belang dat de investeringen van deoverheid zich richten op zowel wetenschappelijk als toegepast onderzoek.Zo zorgen we ervoor dat deze investeringen een versterkend effecthebben op investeringen door het bedrijfsleven en de 3%-normgezamenlijk wordt behaald. Zou de Minister kunnen schetsen op welkewijze zij ervoor gaat zorgen dat de investeringen door de overheidmaximaal renderen en daarmee een dergelijk versterkend effect wordtbereikt?In het rapport Reken er maar (niet meer) op van SURF en NWO over dedigitale infrastructuur lezen we dat Nederland op het gebied vanonderzoek en infrastructuur internationaal gezien achteropraakt en dat decapaciteit van de Nederlandse digitale infrastructuur al op korte termijnontoereikend is voor het eigen Nederlandse onderzoek, met alle gevolgenvan dien voor het Nederlandse wetenschappelijk vestigingsklimaat en onsverdienvermogen. Kan de Minister reflecteren op deze constatering enbreder aangeven wat haar plannen zijn voor het versterken van deonderzoeksinfrastructuur?In het coalitieakkoord staat dat de investeringen in onderzoek en innovatiewel gepaard gaan met meer samenwerking en specialisatie van universi-teiten en minder concurrentie op studentenaantallen. Kan de Ministeraangeven hoe zij dit wil gaan vormgeven?Tot slot ga ik nog even in op een internationaal wetenschappelijk projectvan topniveau, namelijk de Einsteintelescoop. Zou de Minister kunnentoelichten welke stappen zij in de aanloop naar de besluitvorming over delocatie van deze telescoop in 2027 gaat zetten om de komst van deEinsteintelescoop naar Limburg te bevorderen?Dank u wel, voorzitter.De voorzitter:Dank u wel. We gaan naar de heer Van Duijvenvoorde. Hij spreekt namensForum voor Democratie.De heer Van Duijvenvoorde (FVD):Dank je wel, voorzitter. Ik wil eerst even beginnen met een kort metapunt.Ik vind het zo jammer dat wij ons ondanks de liefde voor de wetenschapdie wij hier tonen, in dit debat zo’n weinig wetenschappelijke houdingTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 125825 weten aan te meten. Ik vind het jammer dat we én niet kunnen zeggen dathet verschrikkelijk is dat wetenschappers in Amerika worden aangevallenén niet dat het gewoon heel zonde is dat een denker als Marcel Crok geenkans krijgt op de universiteit. Ik vind dit debat zó ideologisch; volgens mijmoet het daar niet over gaan. Dat punt wilde ik even maken.Ik ga naar mijn verhaal. Vrijwel iedereen hier gebruikt WhatsApp.De voorzitter:Ik zie al een vraag van mevrouw Keijzer hierover.Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):Doelt de heer Van Duijvenvoorde op mijn antwoord op de vraag vanmevrouw Rooderkerk?De heer Van Duijvenvoorde (FVD):Sorry, wat zei u? Ik was even niet aan het opletten.De voorzitter:O, kijk. Dan gaan we mevrouw Keijzer nog een poging laten doen.Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):Nou ja. Wetenschap begint met luisteren, voorzitter. Ik zal mijn vraag dusherhalen. Doelt de heer Van Duijvenvoorde op mijn antwoord op de vraagvan mevrouw Rooderkerk over de wetenschappers in de Verenigde Statendie onderzoek willen doen naar klimaat?De heer Van Duijvenvoorde (FVD):Nou ja, ik gebruikte het inderdaad als voorbeeld. Ik vind dat we én moetenkunnen zeggen dat klimaatsceptici veel meer de mogelijkheid moetenkrijgen om onderzoek te doen aan de universiteit én dat het verschrikkelijkis dat de politiek in Amerika zich dusdanig met wetenschappers bemoeitdat hun vrijheid daardoor wordt bekneld. Ik denk dat dat naast elkaar kanbestaan. Ik denk dat mevrouw Keijzer, maar ook mevrouw Rooderkerk ...Het is zo zielig om te zeggen «mijn ideeën komen misschien te weinig aanbod», maar dat betekent niet ... Het is bijvoorbeeld ook problematisch datvrouwen veel te weinig aan bod zijn gekomen in het medisch onderzoek,want daardoor lopen we enorm achter met wat we weten over bijvoor-beeld hartfalen bij vrouwen. In plaats van dat we hier allemaal vechtenomdat de wetenschap eigenlijk ons politieke idee moet implementeren,zou dat allemaal naast elkaar moeten bestaan. Volgens mij voeren we daneen veel bredere en eerlijker discussie met elkaar.Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):Dan luistert de heer Van Duijvenvoorde echt heel erg slecht. Ik hebnamelijk gezegd dat ik het een bijzonder middel vind om te bereiken datook ander onderzoek wordt gedaan naar klimaat. Nou ja, goede weten-schap begint volgens mij met luisteren. Misschien is dat dan een verzoekaan de heer Van Duijvenvoorde.De voorzitter:De heer Van Duijvenvoorde gaat verder met zijn betoog.De heer Van Duijvenvoorde (FVD):Ik wil daar nog even op reageren als dat mag.De voorzitter:Dat mag natuurlijk ook.De heer Van Duijvenvoorde (FVD):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 125826 Ik denk dat goede wetenschap begint met tegen jezelf in kunnen denken.Dat is, denk ik, de essentie. Ten tweede. Het is waar dat mevrouw Keijzerzei dat het verschrikkelijk was, maar ze zei ook dat het een noodzakelijkmiddel was. Dat werd ook gezegd. Mag ik verder met mijn betoog?De voorzitter:Zeker.De heer Van Duijvenvoorde (FVD):Yes, oké. Ik weet niet meer waar ik was.Als we een nieuw gesprek beginnen in whatsapp, dan zien we altijd dathet end-to-end encrypted is: het is beschermd en kan niet gelezen wordendoor derden. De oorzaak daarvan of de reden dat wij dat kunnen, ligt bijeen groep wiskundigen in de negentiende eeuw die het leuk vonden ommet elkaar te spelen en exercities te doen met priemgetallen en de waardedaarvan. Het had geen nut; ze vonden het gewoon leuk om na te denkenover priemgetallen. Dat onnuttige onderzoek, zonder valorisatie, is nu debasis van onze digitale vrijheid. Maar dit nutsdenken eisen we momenteelwel van onderzoekers. Onderzoek moet steeds vaker nuttig, toepasbaar ofnormatief wenselijk zijn. We moeten de wereld niet begrijpen, maarveranderen. De KNAW waarschuwt hier ook voor. De balans tussenenerzijds onafhankelijkheid en anderzijds maatschappelijke verantwoorde-lijkheid is doorgeslagen. Verantwoording, valorisatie, impact, strategischerelevantie: deze elementen staan nu centraal. Erkent de Minister dat dezebalans is doorgeslagen, zoals de KNAW stelt? En zo nee, waarom zou zijdan van dit oordeel afwijken?Wetenschap wordt steeds meer gefinancierd op basis van thema’s,missies en politieke prioriteiten. Wat levert het op en voor wie? Volgensde universiteiten van Nederland staat ongebonden en fundamenteelonderzoek onder druk en zij onderschrijven dat het nut van wetenschapvaak helemaal niet voorspelbaar is. Ook staan ze – nogmaals, volgens deKNAW – onder druk door de enorme schaarste in de eerste geldstroom inde basisfinanciering. Wetenschappers zijn daardoor veel te afhankelijkgeworden van competitieve projectfinanciering. Kan de Minister inzich-telijk maken hoeveel van de basisfinanciering van universiteiten daadwer-kelijk wordt uitgegeven aan het doen van onderzoek en hoeveel daarvanvrij beschikbaar is voor ongebonden onderzoek?Bij organisaties als de NWO is de balans inmiddels doorgeslagen. Erwordt grofweg twee keer zoveel besteed aan strategisch en thematischonderzoek als aan vrij en ongebonden onderzoek. Daar komt bij dat deslagingskansen laag zijn en dat maatschappelijke relevantie vaakvoorwaarde is voor toekenning. Erkent de Minister in lijn met de KNAWdat deze werkwijze met competitie, lage slagingskansen en nadruk opimpact de publicatiedruk en de thematische sturing versterkt? En zo ja,welke concrete stappen is zij bereid te zetten om meer ruimte te creërenvoor vrij en ongebonden onderzoek?Hiermee zouden we een deel van het probleem kunnen oplossen, namelijkdoor onafhankelijkheid en originaliteit tot bloei laten komen. Maar dat isniet het hele verhaal. Onderzoek van hoogleraar Mark Bovens, verbondenaan de Universiteit Utrecht, toont aan dat de academische wereld op hetmoment buitengewoon homogeen is. Voorheen hadden we bijvoorbeeldde Katholieke Universiteit Nijmegen, de socialistische UVA, de protes-tantse VU in Amsterdam en de klassieke humanistische universiteit inLeiden. Universiteiten verschilden van elkaar. Tegenwoordig bewegenacademici zich veelal in dezelfde milieus. Ze delen dezelfde reflexen enlezen dezelfde boeken. Volgens, nogmaals, Mark Bovens kiezen ze ookvaak voor dezelfde politieke partijen.Universiteiten dreigen steeds minder een vrijplaats van ideeën te zijn. Erontstaat een steeds smallere bandbreedte van wat als aanvaardbaar geldt.Ook de KNAW waarschuwt in haar adviezen expliciet voor vooringeno-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 125827 menheid en schoolvorming in de wetenschap, wat direct ten koste gaatvan de noodzakelijke diversiteit en perspectieven. Juist daarom ben ik alde derde of de vierde in dit debat die zegt dat een tegenspraakfonds zobelangrijk is, een ruimte voor onderzoekers die tegen de consensusindenken, die buiten modieuze kaders treden en die vragen stellen diebinnen de gevestigde instituties minder welkom zijn.Wil de Minister gezien de toenemende en erkende zorg over school-vorming en pluriformiteit serieus werk maken van structurele ruimte voortegenspraak en dissidente wetenschappelijke opvattingen, bijvoorbeelddoor de inrichting van het door de heer Boomsma voorgestelde tegen-spraakfonds? Ik zeg er dan nog wel bij dat het mij niet gaat om waar hetom gaat, want ik vind gewoon dat wetenschap altijd gericht is opconsensus. We zijn mensen. Het gaat gewoon om tegenideeën, van welkekleur ook. Uiteindelijk gaat het er dus om de individuele wetenschapperste vertrouwen, de nieuwsgierigheid van onderzoekers te voeden en tewaarderen en om onderzoek weer echt een vrijplaats van ideeën temaken. Dat is wat wetenschap moet en hopelijk weer kan zijn.Dank je wel.De voorzitter:Dank u wel. Dan gaan we naar de laatste spreker van de Kamer, mevrouwAbdi.Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):Dank, voorzitter. Kennis is macht. Ik denk dat we in Nederland heel trotsmogen zijn op onze kennisinstellingen en op onze wetenschapers enuniversiteiten. Maar dat is niet vanzelfsprekend. Dat vraagt ook omstabiele en duurzame financiering. Mijn eerste vraag aan de Minister gaathier dan ook over. Het CPB constateert dat het coalitieakkoord eigenlijkmaar in beperkte mate wetenschappelijk onderzoek stimuleert. Hoe kijktze hiernaar en in hoeverre kunnen we ervoor zorgen dat de middelen dienaar onderzoek gaan, voor een deel ook naar ongebonden fundamenteelonderzoek gaan? Kan de Minister daar een concretere toezegging opdoen?Breder denk ik dat het belangrijk is om te praten over een brederwetenschappelijk klimaat. In heel veel politieke debatten gaat het heelvaak over het vestigingsklimaat en over kennisinstrumenten voorverdienvermogen voor bepaalde bedrijven en strategische sectoren. Determen vliegen je om de oren! Maar het is belangrijk dat het ene nietzonder het andere kan. Je kan niet de maatschappelijke uitdagingen waarwe in de 21ste eeuw voor staan oplossen met technologie of gammaalleen. En dat kan je ook niet bepalen vanuit de Bezuidenhoutseweg metallemaal mooie actieagenda’s.Het gaat om een breed wetenschappelijk klimaat, waarin ook de socialewetenschappen een belangrijke rol hebben. Denk alleen maar aan AI. Jekan het niet alleen hebben over de technologie zelf, want het gaat ook omde toepasbaarheid en om wat mensen ermee doen. Het gaat om deethische aspecten die maken dat het dragelijk is voor bepaalde technolo-gieën, maar ook om de implementatie. Mijn vraag aan de Minister: hoekunnen we zorgen dat ook het begrip «innovatie», dat momenteel inNederland heel smal is, wordt verbreed, zodat SSH er ook een essentieelonderdeel van wordt? Hoe kunnen we dat doortrekken in ons beleid? Ikvind het in verband met het brede wetenschappelijke klimaat ookbelangrijk om te noemen dat het ook veilig moet zijn. We zien in toene-mende mate dat heel veel wetenschappers en onderzoekers te makenkrijgen met haat, bedreiging en intimidatie. Ik denk dat het heel belangrijkis dat wij als politiek terughoudendheid in acht nemen als het gaat om devraag wat wetenschappers moeten onderzoeken en hoe ze dat moetendoen. Wij moeten vooral randvoorwaarden scheppen. Ik schetste er net aleen, namelijk de middelen. Maar veiligheid is een ander belangrijk aspect.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 125828 Mijn vraag aan de Minister is of zij nog met een concrete agenda komtvoor de veiligheid van wetenschappers. Een meldpunt is leuk, maar datdoet eigenlijk niks. Je ziet bovendien dat er enorme verschillen perinstelling zijn, want je wordt niet overal in dezelfde mate geholpen.Het is belangrijk dat je ziet dat het zich richt op bepaalde wetenschappersen vakgebieden. We zien dat wetenschappers die zich bezighouden metklimaat, migratie of vrouwengezondheid veel vaker te maken hebben metbedreiging en intimidatie. Die wetenschappers zeggen zelfs dat ze bijnazelfcensuur toepassen als het gaat om het uiten van hun wetenschappe-lijke bevindingen in het publieke debat. Ik vind het fundamenteelbelangrijk dat ze dat kunnen doen, omdat dat hoort bij onze democra-tische samenleving. Kan de Minister dit concreet maken? Kan ze bijvoor-beeld kijken naar de samenhang met persveiligheid? Dat is een agendavoor journalisten, die ook onder de Minister valt. Ik denk dat dat heelbelangrijk is.Een ander punt dat ik wil maken betreft de academische vrijheid. Dat isinderdaad geen abstract begrip. Je ziet dat het heel anders wordtuitgelegd door sommigen, maar mijn fractie ziet het als de vrijheid diemensen voelen om te studeren en te onderzoeken. Maar we denkendaarbij ook aan de mate waarin wetenschappers het gevoel hebben dat zerugdekking en steun hebben. We zien in heel veel instellingen dat er intoenemende mate invloed wordt uitgeoefend op hun autonomie. Ik benbenieuwd hoe de Minister daarnaar kijkt. Herkent ze die signalen? Endenkt ze daarbij ook aan bepaalde waarborgen?Mijn laatste punt gaat over het open klimaat, als ik het zo mag noemen. Inwelke context vindt de wetenschap eigenlijk plaats? Ik denk dat hetbelangrijk is dat de wetenschap juist in een polariserende samenlevingheel erg kan bijdragen aan gedeelde feiten. Mijn vraag is welke randvoor-waarden de Minister daarbij ziet. Een zo’n randvoorwaarde is toeganke-lijkheid. Ik heb hier eerder gesproken over de beperkte mate waarinmensen van buiten Nederland Nederland een aantrekkelijk land vindenom onderzoek te doen. Ik zie een aantal dingen in het coalitieakkoordstaan, maar ik zie niet echt iets concreets, terwijl ik bijvoorbeeld welzorgen heb over de werking van het wetsvoorstel voor kennisveiligheid. Ikzou daar graag een reflectie van de Minister op willen horen.Tot slot vind ik het ook belangrijk om te noemen dat de academischevrijheid volgens mijn fractie niet een soort vrijbrief is om te zeggen: ik benhet hier niet mee eens of ik ben het daar niet mee eens en daarom doethet er dus niet toe of daarom moet het juist zwartgemaakt worden ofverdacht gemaakt worden. Ik vind dat een hele zorgelijke ontwikkeling enik hoop dat we in dit huis te allen tijde zullen staan voor die vrijheid, ookals we het met iemand oneens zijn.De voorzitter:Dank u wel. Ik zie dat de heer Duijvenvoorde een interruptie voor u heeft.De heer Van Duijvenvoorde (FVD):Ik vroeg me af hoe mijn collega kijkt naar hoe er bijvoorbeeld met Jan vande Beek is omgegaan. Hij is steeds in de hoek gezet door gevestigdewetenschappers en die zeiden dan toch ook vaak: we zijn het er gewoonniet mee eens. Het debat is niet echt inhoudelijk met hem gevoerd. Hoekijkt u daarnaar?Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):Dank voor de vraag. Ik ben niet bekend met de hele context rond de heerVan de Beek. Ik heb in debatten wel gehoord dat hij het gevoel had dat hijzijn onderzoek niet kon doen. Ik vind dat uiteraard zorgelijk, maar datgebeurt natuurlijk wel vaker. Je moet niet één voorbeeld zo uitvergrotendat het gaat lijken of het overal gebeurt. Dan kun je elk arbeidsrechtcon-flict hier wel naar binnen slepen en er soort norm van maken. Maar laat ikTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 125829 vooropstellen: ook als ik het niet met iemand eens ben, betekent dat nietopeens dat hij slecht onderzoek of slechte wetenschap bedrijft. Volgensmij is dat wat we hier met elkaar moeten vaststellen. Het gaat omwetenschappelijke integriteit en om de methode die je hanteert. Ik herkendie signalen niet en daarom vroeg ik de heer Claassen en het lid Keijzerook om concrete feiten te noemen. Ik vind het namelijk zorgelijk als hieriets in de arena wordt gegooid, zonder dat we het kunnen staven, wantdan blijft het maar een soort mening.De voorzitter:Een vervolgvraag van de heer Van Duijvenvoorde.De heer Van Duijvenvoorde (FVD):De kern van het debat is volgens mij of de ethiek of de waarheid centraalstaat. Misschien bent u het er niet mee eens, maar volgens mij kan ikconcluderen dat het binnen de wetenschap gewoon gaat om de feiten enhet zoeken naar de waarheid. Dat moet gewoon altijd centraal staan.De voorzitter:Mevrouw Abdi knikt instemmend. Mevrouw Keijzer heeft ook een vraag.Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):Een concreet voorbeeld is Peter-Paul Verbeek van de KNAW. Ik hoorzeggen dat hij hier is geweest. Het klopt toch dat hij dat is? Nou ja, datdoet er voor mijn vraag niet toe. Peter-Paul doet uitspraken namens deKNAW, de Commissie voor de Vrijheid van Wetenschapsbeoefening, endan is dat blijkbaar ook beleid. Hij zei: op het moment dat het woord«woke» valt, is het gesprek voorbij. Dus op het moment dat een weten-schapper onderzoek wil doen naar zaken die je zou kunnen percipiëren alswoke, is er geen gesprek meer mogelijk. Is dat een voorbeeld, vraag ikmevrouw Abdi.Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):Ja ... Maar laat ik dan misschien een ander voorbeeld noemen, uit eenheel ander onderwerp. Ik was raadslid. Toevallig was de heer Boomsmatoen een collega en ook mevrouw Rooderkerk, maar dat terzijde. Ik wasdus raadslid, en woordvoerder Openbare orde en veiligheid. Er was toeneen tendens om bij demonstraties te zeggen dat agenten biased waren,dat de ME biased was, dat die allemaal bepaalde politieke voorkeurenhadden en dat daarom het handelen van de politie ondermijnd moestworden. Ik noem dit meer als een voorbeeld om aan te geven dat, zodrawe een soort van overtuigingen plakken op mensen die gewoon hun werkdoen – ik heb het dus over wetenschappers die gewoon hun werk doen –en hen verdacht maken, ik dat een hele kwalijke ontwikkeling vind. Ik werpdat verre van me. Dus ik zou hopen dat mevrouw Keijzer daar ook zo naarkan kijken en kan zien dat het best wel krom is om een aantal voorbeeldenaan te halen waar dan een soort algemeenheid uit zou vallen dat de helewetenschap biased is, of dat er een soort stil verzet is; dat soort termen.De voorzitter:Heel kort: ook u staat op vier. Dat betekent dat we geen lange interruptiesmeer overhebben. Maar ik ga u gelijk behandelen, net als de rest, dus umag nu een korte interruptie doen.Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):Heel kort, voorzitter. Ik word door een persoon ook weleens neergezet alseen Volendammer met een dialect, maar ik neem dan niet aan datiedereen dat vindt. Dus een voorbeeld noemen uit een gemeenteraad vindik hieraan voorbijgaan. Ik geef antwoord met een concreet voorbeeld ophaar vraag, en vervolgens ontwijkt ze die. Het volgende voorbeeld. EenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 125830 NWO-voorlichter is boos op Jort Kelder, die vraagt: geef eens een paarvoorbeelden van studies die jullie hebben gefinancierd en die ingaantegen het heersende narratief op het gebied van klimaat, gender enkolonialisme. Volgens Kelder luidt het antwoord: die onderzoeken zijn erniet; ze zijn niet nodig, want de wetenschap vindt dit niet. Is dat eenvoorbeeld?Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):Mevrouw Keijzer mag van mij natuurlijk haar hele mapje voorlezen, maarhet fundamentele punt dat ik maak is dat ik dit debat ben ingekomen overdat de wetenschap biased is; dat er één soort ideologisch keurmerk isvoor wat wetenschappers allemaal doen. Ik vind dat heel kwalijk. Als jeeven terug uitzoomt op wat wetenschappers volgens mij dag in, dag uitdoen, is het dat ze gewoon onderzoek doen. Ze zitten er helemaal niet opte wachten om gepolitiseerd te worden en om bepaalde politieke debattenin getrokken te worden. De suggesties die u doet, vind ik gewoon heel ergkwalijk. Dus u kunt van alles oplezen ... Ik bedoel, haal het van X of weet ikveel waar allemaal vandaan, maar ik kijk hier echt anders naar. En dereden waarom ik hier zo fel op reageer, is dat het uiteindelijk gaat omfeiten. Het gaat om: kan je je onderzoek doen; kan je deelnemen; mag je inuniversiteiten je werk doen? Volgens mij kan dat wel in Nederland. Ik zieeen heel ander soort bedreiging, en dat heeft ook te maken met het debatdat we onder andere hier voeren.De voorzitter:Tot slot, mevrouw Keijzer.Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):Ja, voorzitter. Zo komen we natuurlijk geen stap met elkaar verder, dus ikvraag bij dezen een tweeminutendebat aan ...De voorzitter:Mijn verzoek is om hiermee te wachten tot in de tweede termijn.Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):Nou, dan kondig ik dat bij dezen aan. Ik zal in ieder geval een motieindienen om onderzoek te doen naar gehonoreerde onderzoeksvragenmet een andere benadering van de onderwerpen die ik net opsomde. Dangaan we daar gewoon onderzoek naar doen en zullen we zien hoe vaakonderzoeken met een tegengestelde benadering van het dominantenarratief gehonoreerd zijn. En ik neem dan aan dat de fractie vanGroenLinks-PvdA die steunt, want anders slaat het echt helemaal nergensop wat ze hier doet.De voorzitter:Wilt u nog reageren, mevrouw Abdi, tot slot?Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):Ja, heel kort. Ik denk dat wetenschappers niet doen aan opinievorming,maar dat ze bezig zijn met wetenschap beoefenen. Ik herken die signalengewoon niet. En ik zal dit niet steunen, want ik vind het gewoon heelkwalijk wat u hier doet, en ook in eerdere debatten. Ik zie dit als eenaanval op de wetenschap, wat ik echt volstrekt verre van mij werp.De voorzitter:Ik zie nog een hand van de heer Van Duijvenvoorde. Daarna gaan we naarde schorsing, omdat we ook naar de Minister moeten gaan luisteren.De heer Van Duijvenvoorde (FVD):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 125831 Ik wilde ook een vraag stellen. Is niet de hele essentie van wetenschap datzij van zichzelf weet dat ze worstelt met feiten zolang het feiten zijn, omdatdie altijd kunnen veranderen? Dus dat ze biased is? Er zijn wel allerleistructuren in gang gezet om die «biasedheid» zo veel mogelijk teminimaliseren. Dus het vertrouwen dat hier in de wetenschap geuit wordt,is volgens mij juist gevaarlijk, want iedere keer als de wetenschap datvertrouwen niet waarmaakt, ontstaat dat wantrouwen in de wetenschap.Is het niet essentieel voor de wetenschap dat er juist een fundamenteelwantrouwen plaatsvindt tegenover de feiten van de wetenschap?Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):Ik heb het eerder al genoemd: het Rathenau Instituut heeft best weluitgebreid onderzoek gedaan naar hoe het staat met het vertrouwen vanNederlanders in de wetenschap. Daarin concludeerde het dat ditvertrouwen uitermate hoog is: heel veel Nederlanders hebben vertrouwenin de wetenschap, ook in hoe wetenschappelijke onderzoeken wordenuitgevoerd. Maar er zijn zorgen. Waar komen die zorgen vandaan? Diehebben juist ook te maken met het debat dat we hier voeren, waarbijbepaalde wetenschappers in bepaalde vakgebieden verdacht wordengemaakt omdat hun wetenschappelijke bevindingen niet stroken met demening van een aantal hier. In een vrije democratische samenleving maghet schuren en mag men met elkaar van mening verschillen. Maar ik wilervoor waken dat we mensen gaan politiseren of doen alsof weten-schappers vanuit een soort mening met wetenschap bezig zijn, want datzijn ze niet. Zij gaan een heel traject door om zaken te valideren op basisvan feiten. Ik denk dat dit belangrijk is en ik denk ook dat het juistbelangrijk is om achter die wetenschappers te staan.De voorzitter:Tot slot, meneer Van Duijvenvoorde.De heer Van Duijvenvoorde (FVD):Ik snap die reactie. Ik maak geen politieke opmerking over de weten-schappers. Het was meer een epistemologische opmerking. De basis vanwetenschap moet toch de onvolkomenheid van die wetenschap zelf zijn?Dat is toch de kern van de wetenschappelijke houding?Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):Ik denk dat wetenschappers die houding hebben en kennen. Daar wil ikhet bij laten.De voorzitter:Ik stel voor dat we een halfuur gaan schorsen. Dan zien we elkaar weerom 15.15 uur. Dan gaan we luisteren naar de beantwoording van deMinister.O, ik zie nog een punt van orde.Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):Ja, nog een punt van orde. Ik had het net al over de peuterspeelzaal:voorafgaand daaraan is er ook nog een debat over geboorte- enkraamzorg. Ik heb zo dus nog een plenair debat. Mijn medewerker zal debeantwoording wel volgen. Ik probeer op tijd terug te zijn voor de tweedetermijn, want dan heeft de Minister antwoord gegeven op mijn drievragen.De voorzitter:Ja, dank.De vergadering wordt van 14.45 uur tot 15.15 uur geschorst.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 125832 De voorzitter:Goedemiddag, allemaal. Welkom bij het vervolg van het commissiedebatOnderzoeks- en wetenschapsbeleid. We gaan zo beginnen aan de eerstetermijn van de Minister. Ik herhaal nog eenmaal de pilot die we met elkaarvoeren. U heeft een onbeperkt aantal interrupties, maar als een interruptiete lang duurt, dan telt die dubbel. Als u twee dubbele interrupties heeft,dan is uw interruptieruimte voorbij. Voor de snelle rekenaars: na detweede te lange interruptie kunt u niet meer interrumperen. Wees dus zeervoorzichtig met lange interrupties. We gaan na de pilot kijken of we diteen geslaagd experiment vinden.Ik geef de Minister het woord voor haar beantwoording.Minister Letschert:Dank je wel, meneer de voorzitter. Goedemiddag. Allereerst dank aan deleden voor de eerste termijn, voor alle boeiende, passievolle vragen. Ikhad even wat tijd nodig om die goed te ordenen. Ik vind het namelijk fijnerom wat thematischer met u een gesprek te hebben dan dat ik alle vraagjesga oplepelen en de antwoorden ga geven. Daarom kostte dat even wattijd.Meneer de voorzitter. Ik wil het als volgt doen. Ik wil beginnen met eenreactie op de protesten waar in het begin van het commissiedebataandacht voor is gevraagd. Het tweede grote thema van vandaag isacademische vrijheid, cultuur en onderzoekstalent. Die punten heb ik bijelkaar gepakt. Daar zijn meerdere interventies op geweest. Als derde zal ikeen reactie geven op de vragen die gaan over de kennisketen, deR&D-ambities, de rol van de regionale campussen, de infrastructuur,valorisatie en sectorplannen, eigenlijk over alle ambities uit het coalitieak-koord die daarover gaan. Dan heb ik een blokje infrastructuur, dat onderandere over de Einsteintelescoop gaat, waar vragen over zijn gesteld. Alslaatste heb ik een blokje rondom internationale samenwerkingen, waarinmet name de vragen zitten die gesteld zijn over kennisveiligheid.Dan wil ik beginnen met het eerste thema dat ik noemde, de protesten dieplaatsvinden op de Universiteit Maastricht. Er werd mij gevraagd: heeft ucontact gehad met de universiteit? Ja, heel kort, deze middag, in deaanloop naar dit debat. Ik heb niet zozeer meteen actief de telefoonopgepakt. Dit is echt een verantwoordelijkheid voor het bestuur van deuniversiteit en de lokale driehoek, die hier alle aandacht voor heeft. Het isafleidend als de Minister daar actief contact in zoekt. Uiteraard volg ik welwat daar gebeurt. Ik wil ook zeggen dat op het moment dat er mensen zijndie een universiteit bezetten en dat ook nog eens doen in een omgevingwaar veiligheidsimplicaties zijn, dat absoluut onacceptabel is. Dit heeftniks te maken met demonstreren. We weten soms ook niet eens of ersprake is van de aanwezigheid van studenten of andere mensen. Ook diefeiten heb ik op dit moment nog niet. Het is ook niet aan mij om op dezespecifieke situatie in Maastricht te reflecteren. Wat ik u wel kan toezeggen,is dat wij dit debat met elkaar gaan hebben in het debat over onderandere antisemitisme dat in april gepland staat. Ik zal dan samen met deMinister met JenV hierover met u in gesprek gaan. Uiteraard hebben wevolgende week ook een hogeronderwijsdebat, waarbij we dit thema,Maastricht, indien gewenst, meer in de breedte met elkaar kunnenaanraken.Dan was er ook nog een vraag van mevrouw Keijzer of de Minister vanmening is dat als je ruimte geeft aan pro-Palestijnse demonstraties, je ookruimte zou moeten geven aan Israëlische wetenschappers. Uiteraard isdat het geval.Dan ga ik nu door met mijn tweede blokje. Dat is eigenlijk het hele mooiethema rondom de academische vrijheid en de cultuur bij Nederlandseinstellingen. Uiteraard kwam er ook nog het een en ander voorbij rondomdiversiteit en inclusie. Ik ga proberen alles te beantwoorden, waarbij ikTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 125833 ook recht wil doen aan uw vragen. Als ik dat niet afdoende doe, interrum-peert u mij toch wel.Laat ik beginnen met aangeven dat academische vrijheid een van debelangrijkste fundamenten is van de wetenschap. Zonder academischevrijheid kun je eigenlijk niet spreken van een wetenschappelijk systeemdat werkt. Dat er zorgen zijn aan de verschillende universiteiten over deruimte voor diversiteit aan perspectieven in onderzoek heeft u vandaagvolgens mij veel met elkaar gedeeld. Die zorgen zijn eerder ook alverwoord in de motie-Heite. Mijn ministerie heeft opvolging gegeven aandie motie door een onafhankelijk onderzoek te starten naar de plurifor-miteit in de wetenschap. Erken ik daarmee als Minister dat er eenprobleem is? Nee. Ik weet het niet. Ik denk dat wij dat probleem niethebben; volgens mij hebben we dat debat ook met elkaar gevoerd. Ik hebhet in mijn loopbaan in de afgelopen twintig jaar aan de universiteit nietherkend in de hoedanigheid waarin het hier vandaag soms ter tafel kwam.Tegelijkertijd wil ik de zorgen niet miskennen die vandaag in dit debatgeuit zijn. Daarom is het ook belangrijk dat dat onafhankelijke onderzoeknaar de pluriformiteit in de wetenschap er ook komt. Dat betekent dat weuw Kamer over de uitkomsten van dat onderzoek zullen informeren, zodatwe een debat kunnen voeren dat gestoeld is op wetenschappelijkewaarden. Dan hebben we namelijk uitkomsten die het debat iets meerkunnen voeden dan de verschillende voorbeelden die deze middag tertafel zijn gekomen.Daar komen nog twee onderzoeken bij. Er zijn ook twee adviesaanvragenbij de KNAW gedaan. Die adviesaanvragen gaan over de juridischeborging van academische vrijheid, over de vrijheid van meningsuiting inde wetenschappelijke sector en over de afbakening van het begrip«academische vrijheid». Ook daarover zijn namelijk heel veel verschil-lende opvattingen in omloop. Rond de zomer krijg ik de uitkomsten vandie twee adviesaanvragen. Die zal ik uiteraard met u delen. Die tweeonderzoeken, samen met de uitkomsten van het onderzoek naar depluriformiteit in de wetenschap, zijn volgens mij een hele mooieaanleiding om een goed onderbouwd debat te voeren over de zorgen dievanmiddag met mij gedeeld zijn.De voorzitter:Dank. Ik zag de vinger van de heer Boomsma; hij heeft een interruptie.De heer Boomsma (JA21):In de brief stond dat het onderzoek naar aanleiding van de motie-Heiteinderdaad zou worden uitgevoerd, maar dat dat vanwege de bezuini-gingen van het vorige kabinet pas zou kunnen plaatsvinden in het najaarvan 2026. Ik vind dat eigenlijk te lang duren, zeker als die andere onder-zoeken nu al komen, in de zomer. Zouden we niet kunnen kijken of we datnaar voren kunnen halen? Dit leeft namelijk ontzettend. Laten weproberen om die discussie snel wat breder te trekken, zodat we die goedkunnen voeren.Minister Letschert:De voorbereidingen lopen. Het is een aanbesteding. Ik zal hier echtprioriteit van maken, ook in het licht van de discussie die we hiervanmiddag hebben gehad. Hoe sneller het kan, hoe eerder we dezediscussie kunnen voeren, maar het moet wel zorgvuldig gebeuren. Ik gahierin dus niets traineren. We gaan hier vaart mee maken. Maarnogmaals: partijen moeten zich ook melden om dit onderzoek te gaandoen. Daar ben ik wel van afhankelijk. Dus nogmaals: de voorbereidingenlopen. Als het lukt om dit voor de zomer met u te delen, doe ik dat. Maarnogmaals: ik wil wel dat een onderzoekspartij die zich hiervoor meldt, ookde ruimte krijgt om dit op een wetenschappelijke en zorgvuldige manier tedoen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 125834 Mevrouw Rooderkerk (D66):Dit is niet eens echt een vraag, maar meer een constatering. De partijendie net een enorme show van dit debat hebben gemaakt, waren de BBBen Groep Markuszower. Sorry, het waren de voormalige BBB’er, mevrouwKeijzer, en Groep Markuszower, dat hiervoor de PVV was. Zij zijn dus vande partijen die zelf in het vorige kabinet het onderzoek hebben uitgesteld.Zij zijn nu ook niet aanwezig om dit antwoord aan te horen. Dat wil ik tochook even genoteerd hebben.De voorzitter:Waarvan akte. Ik kijk naar de Minister: zij kan verder met haar betoog.Minister Letschert:Dank je wel, meneer de voorzitter. Ik wil ingaan op de discussie die u netmet elkaar had: kan er aan een universiteit nog dialoog plaatsvinden als ersprake is van schurende of botsende opvattingen, perspectieven enwetenschappelijke inzichten? We hebben de afgelopen periode gezien datdit op bepaalde thema’s heel moeilijk is gebleken. Daar heeft de sector opverschillende manieren uiting aan gegeven. Zo hebben een paar maandengeleden de rectoren van de veertien universiteiten een publicatie doenuitgaan waarin zij aan hebben gegeven de komende maanden eenprogramma te starten om de academische dialoog over ingewikkelde,complexe maatschappelijke thema’s actief aan te jagen, op alle veertienuniversiteiten en met een soortgelijke aanpak, om ook met elkaar te lerenhoe je dat samen doet. Want dat is het allerbelangrijkste dat moet kunnenplaatsvinden op een universiteit. Ik heb het dan over het faciliteren vanhet voeren van dat gesprek op een gedegen, respectvolle manier envolgens de wetenschappelijke methode. Dat geldt ook als je het weten-schappelijk of maatschappelijk niet met elkaar eens bent. Het gaat danover het gesprek met de studentengemeenschap en uiteraard ook overgesprekken tussen de wetenschappers en het liefst ook met elkaar. Ik benheel blij dat de rectoren dat initiatief zijn gestart. De komende maandenvinden de eerste dialogen daarover plaats. Ik zou het heel mooi vinden alswe met deze commissie – wellicht kunnen we dat gezamenlijk doen –proberen om bij zo’n dialoogsessie aanwezig te zijn. Want dan kunnen wezien hoe de universiteiten hun verantwoordelijkheid nemen en dat zij dezorgen die er zijn absoluut niet onder stoelen en banken schuiven. Bijdezen dus een uitnodiging vanuit mij. Die heb ik nog niet gedeeld met derectoren, maar hen kennende gaan ze daar zeker enthousiast op reageren.Ik zou de voltallige commissie willen adviseren om met mij samen eenkeer naar zo’n dialoogsessie te gaan.Er zijn ook vragen gesteld over diversiteit en inclusie, zoals: toetsen onzeonderzoeksfinancierders of onderzoeksaanvragen voldoende wat betreftdiversiteit en inclusie? Bij mijn weten is NWO niet de organisatie die opindividueel aanvraagniveau toetst of er sprake is van diversiteit en inclusiein een voorstel. Wat je wel ziet, is dat organisaties met instellingen hetgesprek aangaan – maar dat is dan veel meer in de breedte, op het niveauvan de organisatie – over de vraag of de organisatie een weerspiegeling isvan de maatschappij. Als je vindt dat kwaliteit evenredig vertegen-woordigd is als je bijvoorbeeld kijkt naar de verschillende genders, danwil je ook dat die vertegenwoordiging in jouw organisatie zichtbaar is.Volgens mij weten we allemaal uit wetenschappelijk onderzoek dat erbiases in onze persoonlijkheden zitten die maken dat je vaak geneigd bentom te kiezen voor degene die het meest op jou lijkt. De discussie die wemet elkaar hebben, ook binnen de universiteiten, gaat over getraindworden om dat type impliciete biases te onderkennen en op die manierook richting te geven aan die diversiteit in je organisatie. Ik ben blij om tezeggen dat je aan de universiteiten een verbetering ziet als het gaat ombijvoorbeeld het aantal vrouwelijke hoogleraren. Heel lang hadden wenamelijk toch een soort lek in de pijplijn, omdat de vrouwelijke universi-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 125835 taire docenten in de meerderheid waren maar zij toch niet naar bovenkwamen in die laatste rang als hoogleraar. Maar nogmaals, NWObeoordeelt op het niveau van de individuele onderzoeksaanvraag niet ofde aanvrager een bepaald vinkje kan zetten.De heer Boomsma (JA21):Het is heel goed dat ze dat niet bij individuele aanvragen beoordelen.Maar ze hebben wel gezegd: wij verlenen alleen subsidies aan organi-saties die werk maken van inclusie en diversiteit. De Minister heeft het ernu over dat elke organisatie ervoor moet zorgen dat er voldoendeaandacht voor is dat er voldoende vrouwen werken. Dat lijkt me op zichprima, maar het begrip «inclusie en diversiteit» is heel vaag en breed. Ikmaak me er zorgen over ... Ik ga nu over de 30 seconden heen, hè? Ik wilgraag precies weten welke eisen ze stellen en welke ideologischeaannames en overtuigingen daarachter zitten. Want wat daar precies meewordt bedoeld, is toch deels een omstreden gebied. Ik zou zeggen: kijkvooral naar standpuntdiversiteit, maar ik heb het idee dat ze daar juist nietzozeer mee bezig zijn.Minister Letschert:Op de vraag rond standpuntendiversiteit kom ik dadelijk nog terug. Alshet gaat over diversiteit en inclusie in je medewerkersbestand: je ziet veelverschil als je kijkt naar de compositie van universiteiten en faculteiten.NWO voert, nogmaals, veel meer op macroniveau gesprekken dan opindividueel aanvraagniveau. Dat kan er bijvoorbeeld toe leiden dat er inbepaalde vakgebieden waarin overwegend mannen of vrouwen werken,een gesprek is: bent u zich bewust van het feit dat dit wellicht wat minderdivers is dan je zou willen? Vanuit onderzoek weten we namelijk dat je hetliefst een marge van 30% van bijvoorbeeld mannen of vrouwen in jeorganisatie wil, voordat het daadwerkelijk een vanzelfsprekendheid is datje een diverse vakgroep of onderzoeksgemeenschap hebt. Nogmaals, ustelde een vraag over NWO. Is het een selectiemechanisme bij deindividuele onderzoeksaanvraag die je doet? Nee.De voorzitter:Een vervolgvraag van de heer Boomsma.De heer Boomsma (JA21):Dat weet ik. Ik keek gewoon naar de website van NWO. Daar staat: als jegeen werk maakt van diversiteit en inclusie kom je niet in aanmerkingvoor subsidie. Ik wil gewoon graag weten wat men bedoelt met diversiteiten inclusie. Welke uitgangspunten zijn er? Waar kijkt men naar? Hoewordt dat getoetst? Hoe wordt dat beoordeeld? Hoe wordt dat gemeten?Op die manier kunnen wij beoordelen in hoeverre we dat kunnen steunenof niet.Minister Letschert:Nogmaals, NWO hanteert geen enkele eis rondom diversiteit en inclusie.In het bestuurlijke gesprek tussen NWO en de instellingen is het eenonderwerp van gesprek. Het Landelijke Netwerk Vrouwelijke Hooglerarenheeft net zo goed gesprekken met de instellingen om dit onderwerp onderde aandacht te brengen. Tot zover en niet verder gaat de verantwoorde-lijkheid van NWO. Het is ook ... Voorzitter?De voorzitter:Maak uw zin af, Minister.Minister Letschert:Het is ook een verantwoordelijkheid van de colleges van bestuur en nietvan NWO.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 125836 De heer Boomsma (JA21):Oké. Dat onderwerp van gesprek is één ding, maar er staat gewoonletterlijk op de website van NWO: als je dat als instelling niet hebtgeregeld, kom je niet in aanmerking voor NWO-subsidies. Je moet duswerk maken van diversiteit en inclusie. Dat is wat anders dan dat hetgesprek daarover wordt gevoerd. Er staat: je komt niet in aanmerking.Daarom is het voor ons als politici die ook over de budgetten van NWOgaan die vervolgens worden verdeeld, belangrijk om in te kunnenschatten wat men daarmee bedoelt en hoe dat wordt beoordeeld.Minister Letschert:Diversiteit en inclusie is een belangrijk onderwerp, ook voor het huidigekabinet, om ervoor te zorgen dat ieder talent kansen krijgt in Nederland.Op het moment dat een publieke instelling, gefinancierd met publiek geld,daar aandacht voor vraagt in de gesprekken met de instellingen en niet opindividueel onderzoeksniveau – zeg ik nogmaals – past dat binnen onskabinetsbeleid. Ik zie daar geen zorgen. Ik zou zorgen hebben als deindividuele aanvrager daar een bepaalde verantwoording over zoumoeten afleggen. Het is dus een onderdeel van ons diversiteits- eninclusiebeleid. Dat zie je bij al onze Nederlandse universiteiten enhogescholen terugkomen. Nogmaals, het is bedoeld om ervoor te zorgendat ook onze publiek gefinancierde instellingen een afspiegeling zijn vanonze maatschappij en dat iedereen daarin gelijke kansen krijgt.De voorzitter:Tot slot?De heer Boomsma (JA21):Ik ga dan wel op een andere manier uitzoeken wat daar precies geëist engevraagd wordt. Dat komt dan wel.De voorzitter:Dan kunt u verder met uw betoog, Minister.Minister Letschert:Dan had ik een vraag gekregen over objectieve maatstaven als fundamentvoor excellentie en prestatie. Hoe verhoudt zich dat tot instellingen diebijvoorbeeld niet meer cumlauderegelingen toepassen? De cumlaudere-gelingen vallen onder de verantwoordelijkheid van de instellingen. Daargaat de Minister niet over. Het is aan de instellingen zelf om met elkaar enmet de medezeggenschap, niet te vergeten, te bepalen of cumlauderege-lingen een plek hebben binnen het beleid van de instelling.Dan ga ik naar de vragen die gesteld zijn rondom het Tulp Fonds. Die hebik onder dit onderwerp geschaard. De vraag was, even samenvattend, metname wat de toekomst is van het Tulp Fonds. Ik weet dat NWO op ditmoment bezig is met het beoordelen van de voordrachten die gedaan zijn.De verwachting is dat er voor de zomer duidelijkheid is over de uitkomstvan de aanvragen. Het is oprecht niet zo dat ik zomaar naar «voor dezomer» verwijs – ik doe dat vaker in debatten – maar dit is wat ik vanNWO terug heb gehoord. Nadat dat is afgerond zal ik met NWO terug-blikken op de manier waarop dit fonds eigenlijk ontwikkeld is. Welk typeaanvragen is daarop binnengekomen? Wat zijn de behaalde resultaten?Dit moet ik weten voordat ik kan bepalen of het zinvol is om een dergelijkfonds te continueren of uit te breiden. Het is nu eigenlijk te vroeg om daaral iets zinvols over te kunnen zeggen.Meneer de voorzitter. We hebben best wel een mooie discussie gezienover een zorgwekkend thema, namelijk de veiligheid van wetenschappers.Er werd een vraag gesteld over de bedreigde wetenschapper. Er werd ookeen parallel getrokken met het andere mooie domein binnen mijnministerie, namelijk de bedreigde journalist. Laat ik vooropstellen dat hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 125837 ongelofelijk ernstig is als je als wetenschapper bedreigd wordt vanwegede onderzoeksresultaten die je hebt gepubliceerd. Het raakt je namelijk inalles wat je elke dag, als wetenschapper eigenlijk vaak zeven dagen perweek, aan het doen bent. Het kruipt onder je huid en zorgt ervoor dat je inalle facetten van je zijn geraakt wordt. De veiligheid van wetenschappersis dus iets waar wij met elkaar altijd voor moeten blijven staan. U weet datWetenschapVeilig is opgericht, eigenlijk naar analogie van PersVeilig. Ikben momenteel met mijn ambtenaren aan het bekijken hoe we nogconcreter opvolging kunnen geven aan de eerste stappen die we hebbengezet, zodat dit onderwerp blijvend aandacht krijgt. Dat geldt overigensook voor het thema rondom persveiligheid. Ook daar hebben we in hetcoalitieakkoord het een en ander over geschreven. Daar zal ik in debeleidsbrief over alle voornemens binnen mijn ministerie die binnenkortuw kant op komt, verder woorden aan geven. Het is een ongelofelijkbelangrijk onderwerp. Het is ook belangrijk om te evalueren hoe dewetenschapper WetenschapVeilig vindt en om te bekijken of de dienstver-lening die daarachter zit tot tevredenheid leidt. Die is overigens lokaalbinnen de instellingen georganiseerd. Voelt de wetenschapper zichinderdaad beschermd door de instelling? Daar gaat het uiteindelijk om.Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):Dank aan de Minister voor dit antwoord. Om het concreet te maken: mijnvraag was of er een agenda komt. Er is namelijk een fundamenteelverschil tussen PersVeilig en WetenschapVeilig. Het ene is een meldpunten een monitor en het ander is echt een brede samenwerkingspartij, wantde politie en het OM zijn erbij. Bovendien zijn er protocollen en afspraken.Kan ik de Minister dan zo verstaan dat zij met zo’n agenda komt? Wat zijnu zei over veiligheid en wetenschap bleef mij iets te algemeen. Hoe gaanwe dat concreet waarborgen om ervoor te zorgen dat het voor de matewaarin je je beschermd voelt om je werk te kunnen doen, niet uitmaakt inwelke instelling je zit?Minister Letschert:Geeft u mij wat tijd om de ervaringen van de verschillende instellingen opte halen om die concrete agenda daadwerkelijk onderbouwd in te kunnenvullen. Nogmaals, wij zijn met die uitwerking bezig, maar ik wil ook weleen verdieping krijgen van de ervaringen die wetenschappers zelf hebben.Hoe ervaren zij het netwerk dat nu binnen de instellingen is opgebouwd?Daarna kom ik met een concrete agenda. Ik ...De voorzitter:Maakt u uw zin maar even af. Of was u klaar met de zin?Minister Letschert:Sorry, ja.De voorzitter:Dan geef ik mevrouw Abdi het woord voor een vervolgvraag.Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):Dan zou ik misschien twee concrete punten willen toevoegen aan dietoezegging, als dat mag. Mijn fractie zou graag niet alleen een ophaal-ronde zien, want die monitor is er. De laatste keer is in 2024 geweest en erzou dit jaar ook een ronde komen. Bij mijn weten lopen die gesprekkenmet de universiteiten. Ik zou dus eerder een versnelling willen. Wat voorinstrumenten zijn er momenteel beschikbaar en waar is behoefte aanvanuit de instellingen? Concreet voeg ik nog toe dat het me ook gaat omde juridische bescherming. Mijn fractie heeft namelijk ook signalenopgevangen van processen die worden gestart, dus rechtszaken tegenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 125838 onderzoekers en wetenschappers. Het effect daarvan is een enormezelfcensuur. Ik vind dat een belangrijk punt.Misschien nog een laatste punt, als ik dan toch bezig ben. U noemde alhet aandeel en het belang van vrouwen in de wetenschap. Met namevrouwen worden hierdoor geraakt. Als we echt serieus willen dat meervrouwen hun plek vinden in de wetenschap, dan is het belangrijk om dataspect ook mee te nemen.Minister Letschert:Bij mijn weten hebben we de uitkomsten van de monitor nog niet.Misschien ben ik abuis. Die komt er aan, hoor ik. Precies! Aangezien wehier een goed debat hebben over wetenschappelijke methoden, wil ikgraag de uitkomsten van die monitor inzien om vanuit daar te bekijkenwat we additioneel nodig hebben om ervoor te zorgen dat een weten-schapper die bedreigd wordt, voldoende gefaciliteerd en ondersteundwordt vanuit de instelling en vanuit mijn verantwoordelijkheid als Ministervoor het stelsel. Daarbij zet ik bovendien veel liever in op de preventievekant. Zodra we de uitkomsten hebben, kom ik daarop bij u terug.Voorzitter. Dan was er een vraag over de Nederlandse gedragscodewetenschappelijke integriteit. Die wordt inderdaad op dit moment herzien.De vernieuwde gedragscode verwacht ik dit najaar met uw Kamer tekunnen delen. Er is een commissie ingesteld die een nieuwe analysemaakt en beziet of de huidige gedragscode herziening behoeft.Dan wil ik naar het tweede blokje gaan, het blokje rond de kennisketen. Ikheb meerdere vragen hierover gekregen, dus ik heb geprobeerd om hiereen rode lijn in te maken. Als ik daarmee misschien toch onverhoopt eenvraag heb overgeslagen, dan interrumpeert u mij wel. Ik denk dat een vande overkoepelende vragen die de heer De Beer, mevrouw Rooderkerk ende heer Claassen naar voren brachten, ging over het enorme belang omonze R&D-investeringen op het percentage te krijgen waar we eigenlijk aljaren met elkaar over spreken, namelijk de 3%-norm. Je ziet dat Nederlandwat achterblijft bij de landen om ons heen. Ik ben uiteraard blij dat hethuidige kabinet weer meer geld wil investeren in de publiekeR&D-investeringen. Ik kom daar dadelijk nog even op terug. Als je kijktnaar de private R&D-investeringen, zie je dat we het daar ook beterzouden kunnen doen. Ik ga daar niet over. Daar gaan de bedrijven zelfover.Ik kan u vertellen dat ik afgelopen week een mooie bijeenkomst had methet bestuur van wat we de Semicon Board NL noemen. Dat zijn eigenlijkalle industrieën en bedrijven die zich bezighouden met halfgeleiders,chips en alles wat met de semiconindustrie te maken heeft. Daar zatenpubliek en privaat samen aan tafel om met elkaar te bespreken hoe je depublieke R&D-investeringen en de private R&D-investeringen met elkaarkunt versterken. De keuzes die je daarin maakt, hebben een vliegwieleffectop de technologie die je zou willen stimuleren. Vanuit de industrie werderkend: ook wij moeten onze R&D-inzet eigenlijk verhogen.Die gesprekken lopen, en niet alleen maar aan zo’n Semicon Board-tafel,maar ook in de Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat. Dietaskforce heeft onze Minister-President ingericht. Daarin praten we metverschillende Ministers van verschillende departementen onder andereover hoe we ons verdienvermogen kunnen laten groeien. Besprokenwordt hoe we ervoor kunnen zorgen dat we binnen Nederland de juistetalenten opleiden en internationaal talent, zowel van de wetenschappelijkekant als de kant van de studenten, naar Nederland weten te trekken. Hetgaat dus niet alleen om de onderzoekerskant, maar ook om de studenten.Die taskforce is nu twee keer bij elkaar gekomen.Vanuit mijn ministerie ben ik de coördinerende Minister voor de talent-strategie. Dat is heel fijn. Ik vind het heel fijn om te zien dat de verschil-lende departementen integraal daaraan werken, omdat je dit niet alleenvanuit OCW, EZK of andere ministeries kunt doen. Wij zullen de KamerTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 125839 voor de zomer – dat is oprecht zo – informeren over de eerste stappen diede taskforce gezet heeft. Van mij kunt u vanuit die talentstrategie eenanalyse verwachten waarin staat hoe we ervoor zorgen dat we voldoendetalent opleiden, omscholen, bijscholen en aantrekken om bijvoorbeeld inonze tekortsectoren en ook in onze groeisectoren te werken.We hebben het prachtige rapport-Wennink gehad, waarin vier prioritairesectoren zijn benoemd waar Nederland eigenlijk een strategischeautonomie in zou willen hebben. Hoe zorg je ervoor dat je voldoendetalent daarvoor hebt? Dan gaat het over mbo-, hbo- wo-talent dat in diesectoren zijn banen gaat vinden. Die talenten moeten ook de capaciteitenhebben om in die sectoren te kunnen werken. De ambities van het kabinetzijn torenhoog. We werken hard om in integraliteit met elkaar de juistestappen te zetten. Bij het debat over de talentstrategie zal ik u verderhierin meenemen.U heeft ook gevraagd: hoe zorg je dat je die publiek-private innovatiepro-gramma’s aansluit? De hele kern van het rapport-Wennink was dat jesamen, publiek en privaat, keuzes maakt, om te zorgen dat je niet duizendbloemen laat bloeien, maar dat je gericht kiest waar je die nieuweeconomie ontwikkeld wil zien. Dat is overigens niet alleen maar een bèta-en techniekfeestje. Ik ben het namelijk helemaal met mevrouw Abdi eens.Bij bijvoorbeeld de ontwikkeling van nieuwe technologieën, zoals nieuwetechnologieën in de zorg, heb je ook gedragswetenschappers nodig dieaangeven hoe je ervoor zorgt dat bepaalde technologieën gebruikt engeaccepteerd worden. Het is nodig dat er aan de voorkant over deethische aspecten van nieuwe technologieën wordt nagedacht en niet pasop het einde. Ik zie dus dat er in de wetenschap al veel meer interdisci-plinair wordt samengewerkt. Daarbij wil ik overigens niet zeggen datmaatschappij- en gedragswetenschappen altijd ten dienste staan vantechnologie of bèta en technische wetenschappen. Nee, die hebben eeneigenstandige waarde. In de beleidsbrief die u van mij zult krijgen, waarinde ambities van het coalitieakkoord worden omschreven, zal ik ookaangeven hoe ik de breedte van de wetenschap en de eigenstandigewaarde van gedrags- en maatschappijwetenschappen wil borgen.Daarbij vind ik het ook van belang om aan te geven dat elke innovatiestart met nieuwsgierigheidsgedreven, ongebonden onderzoek. Ik heb deafgelopen week vaak het voorbeeld genoemd van de opening van defotonicaproeffabriek in Eindhoven, een prachtige faciliteit. Die was er nietgeweest als er niet ooit een wetenschapper in een lab was gaan nadenkenover een bepaalde technologische ontwikkeling die die wetenschapper inzijn of haar hoofd had. Dat leidt uiteindelijk tot een opschaling in eenfabriek. In die hele keten is dat nieuwsgierigheidsgedreven, ongebondenonderzoek van cruciaal belang. Het toegepaste onderzoek en hetongebonden onderzoek heb je in de hele keten allemaal nodig. Als je nietinvesteert in dat ongebonden onderzoek, dan durf ik te stellen dat je geenvooruitgang krijgt in de toepassing die je nodig hebt, of dat nou gaat overnieuwe economieclusters of over analyses van complexe, maatschappe-lijke problemen. Het een kan niet zonder het ander. Daar zal ik altijd voorstaan. Daar kunt u mij ook op afrekenen. Ik weet niet of dat een ...«Aanspreken» is misschien positiever.De voorzitter:Dat leidt tot een interruptie van de heer Van Duijvenvoorde.De heer Van Duijvenvoorde (FVD):Ik stelde de vraag of de Minister bereid was om ook onderzoek te doennaar hoeveel van de eerste geldstroom uitgaat naar dat ongebondenonderzoek? Ik zie de Minister knikken, dus dat komt waarschijnlijk nogterug.Minister Letschert:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 125840 Ja, dat komt terug.De heer Van Duijvenvoorde (FVD):Precies. Dan wacht ik daar nog even op.De voorzitter:Dan kan u verder.Minister Letschert:Ik wil ’m meteen wel oppakken.De voorzitter:Dat mag ook.Minister Letschert:Ik vond dat een interessante vraag. Als voormalig universiteitsbestuurderzou je dat antwoord natuurlijk meteen moeten kunnen geven, maar ik benhier, in dat halfuurtje dat ik net had, over na gaan denken, voordat ik jazou zeggen op een vraag die in de uitwerking altijd toch complexer ligt. Jekunt de financiering die we krijgen vanuit de overheid, maar ook vanuitallerlei andere subsidiestromen – denk aan de NWO en de Europesefinanciering vanuit de ERC – nog wel makkelijk scheiden, maar deoverheidsfinanciering gaat voor een deel natuurlijk in de lumpsum.Daarbij kun je wat moeilijker vaststellen welk deel van die lumpsum bijeen wetenschapper naar het ongebonden onderzoek gaat.Neemt u mij even als de oude wetenschapper. Ik krijg voor mijn onder-zoekscomponent een bepaald bedrag. Daar doe ik soms ongebondenonderzoek mee, maar soms ook toegepast onderzoek. Het is dezelfdepersoon. Dat is overigens ook dezelfde persoon die onderwijs geeft. Jekunt dat op die manier heel moeilijk inzichtelijk maken, zoals u wenst. Alsik die vraag zou stellen aan de instellingen, dan zou ik de instellingen meteen enorme administratieve last opzadelen, terwijl die volgens mij nietgaat opleveren wat u zoekt. U wilt namelijk dat er voldoende ruimte isvoor dat ongebonden onderzoek; dat begrijp ik. Ik wil hier wel erkennendat dat voor een deel onder druk heeft gestaan, ook omdat we heel veelbezuinigingen hebben gezien binnen het hoger onderwijs. Die bezuini-gingen raken uiteraard ook de ruimte die wetenschappers hebben omüberhaupt onderzoek te doen. Daarom ben ik ook blij dat er nu weer eenextra impuls aan het onderzoek kan worden gegeven. Ik kom binnenkortnaar uw commissie met mijn plannen. Wij hebben vaker rapporten gehaddie de onderfinanciering van ons hoger onderwijs hebben laten zien. Ja,dat doet ergens pijn, maar ik zou het willen ontraden om uw vraag verderte gaan uitzoeken, want dat is eigenlijk gewoon niet te doen.De voorzitter:Er is nog een vervolgvraag van de heer Van Duijvenvoorde.De heer Van Duijvenvoorde (FVD):Het klopt inderdaad wat de Minister zegt, dat het te maken heeft metongebonden onderzoek, maar ik heb ook nagedacht over de schaarste, dedruk en die enorme competitiviteit tussen wetenschappers. Ik dacht datals we in de basisfinanciering meer beschikbaar zouden kunnen maken,we misschien ook die concurrentieslag minder heftig zouden kunnenmaken, waardoor er dus ook meer rust en ruimte is om echt onderzoek tedoen. Mijn volgende vraag is niet voor nu, maar ik ben dan inderdaadnieuwsgierig of de Minister ideeën heeft om via de NWO bij die enormeschaarste aan slagingskansen – het is 10% tot 12%, geloof ik – meerruimte te creëren, zodat meer wetenschappers toch hun onderzoekkunnen doen. Dat is namelijk ook een van de elementen van waarom ikernaar vroeg.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 125841 Minister Letschert:In de beleidsbrief die u van het kabinet, en van mij in het bijzonder, gaatontvangen rondom de besteding van de middelen voor onderzoek enwetenschap zult u ook zien dat een deel van die middelen er ook echt optoegespitst is dat universiteiten en hogescholen dat ongebondenonderzoek te kunnen doen. Wij gaan vast met elkaar een gesprek hebbenover de vraag: is het voldoende en is het voldoende gericht? Ik komdaarmee meteen bij de beantwoording van de vragen over de regeldruk.Ik vind het daarbij namelijk belangrijk om zo min mogelijk nieuweinstrumenten in te richten waardoor de universiteiten en hogescholen –dat geldt overigens ook voor de mbo’s als we het over de practoratenhebben – allerlei instrumenten moeten gaan uitwerken in hun instellingendie weer leiden tot nieuwe overhead. Dat moeten we volgens mij namelijkniet willen. Laten we dat gesprek hebben op het moment dat de beleids-brief uw kant op is gekomen, zodat u ook kunt toetsen of ik voldoende hebgeluisterd naar wat eigenlijk bijna de voltallige commissie zegt: zo minmogelijk extra regeldruk en administratieve lasten voor de instellingen,zodat de ruimte voor het ongebonden maar ook het toegepaste onderzoekgeborgd blijft.De heer Boomsma (JA21):Zoals ik ’m begreep, gaat ongebonden er meer over dat wetenschapperszelf kunnen bepalen wat ze ermee doen. Ze kunnen dan kiezen voor meerfundamenteel onderzoek, maar ook voor toegepast onderzoek. Het gaaterom dat ze daar zelfbeschikking over hebben en die keuze kunnenmaken. Ongebondenheid staat dus niet tegenover toegepast, maar is ereen van de varianten van. Ik ben heel blij dat de Minister dit omarmt enzegt: ja, wij hechten ook ontzettend aan dat ongebonden onderzoek. Het isgoed als dat wordt meegenomen in die brief, die we dan inderdaad zullenbespreken, en als het heel duidelijk wordt gestipuleerd in die sector-plannen en er als voorwaarde wordt opgenomen dat het op die manierkan worden besteed.De voorzitter:De Minister knikt instemmend.Minister Letschert:Ja, meneer de voorzitter. Misschien kan ik daar nog iets aan toevoegen. Ikweet niet of het een vraag van meneer Boomsma was, maar ik dacht hetwel. Het was net ook een vraag van de heer Van Duijvenvoorde. De vraagwas hoe je er nou voor zorgt dat instellingen niet met elkaar concurrerenmaar meer met elkaar samenwerken. Hoe zorg je ervoor dat er niet te veelprikkels in zitten, bijvoorbeeld via de financiering omtrent studentenaan-tallen? Dat leidt namelijk soms tot de verkeerde prikkels. Je zou juistwillen dat universiteiten, hogescholen en mbo’s veel meer de samen-werking opzoeken met elkaar. Ik moet zeggen, even pratend vanuitervaring in de universitaire sector, dat de plannen die er bijvoorbeeld zijnrondom zelfregie, met name wat betreft sturing op internationalestudenten, eigenlijk al laten zien dat universiteiten gezamenlijk afsprakenmaken in plaats van ieder voor zich en met elkaar die concurrentieslagaangaan. Ik vind dat een hele mooie ontwikkeling. Daarover zullen wewellicht volgende week met elkaar praten in het debat over het hogeronderwijs. We zijn een klein land en we hebben topinstellingen. Hoe meerwe samenwerken en de schaarste die er is, zowel in middelen als inmensen, samen aanpakken in plaats van ieder voor zich, hoe beter het is.Ik denk dat het goed is als we dat debat volgende week verder met elkaarvoeren.Dan wil ik nu graag door met de vraag over het replicatieonderzoek. Het isuiteraard belangrijk dat onderzoek replicabel is en dat daar voldoendefinanciering voor is. Het is een heel belangrijk onderdeel van de codeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 125842 wetenschappelijke integriteit dat je bevindingen gerepliceerd en geveri-fieerd moeten kunnen worden. Het is ook een van de onderdelen van dehele checks-and-balances in het wetenschappelijk systeem. Vaak is hetniet het meest sexy onderzoek, waardoor wetenschappers er niet altijdvoor kiezen, maar ik ben wel blij om te zeggen dat het regieorgaan OpenScience NL bij NWO onderzoeksfinanciering beschikbaar heeft specifiekvoor replicatieonderzoek. Ik heb zelf een tijd het voorzitterschap mogenhebben van een Europese, eigenlijk globale, organisatie die als ambitieheeft om de manier van onderzoeksbeoordeling veel diverser maar welgevalideerd te maken, waar onder andere replicatieonderzoek alsbelangwekkend onderzoek onderdeel was van de discussies. Er is dus eenbeweging gaande. Het is goed dat die gaande is. Dat wil ik hierbijbenadrukken.Eens even kijken. Ik heb heel veel al beantwoord. Ik loop even door mijnnotities heen. Ik heb een vraag gekregen over het SEO-rapport. Ik heb aanhet begin van dit blokje het een en ander gezegd over de ambities van hetkabinet rondom R&D-investeringen. In september kom ik met eenuitgebreide reactie op het rapport van SEO. Ik zie heel veel positieverelaties tussen publiek-private samenwerking en investeringen. Denkalleen al aan het project Beethoven in de omgeving van Eindhoven, maardenk hier vlakbij aan de Biotech Campus, waarin ook verschillendepartners samenwerken. Hierop zullen we in de reactie op de brief, maarook in het werk dat we met de taskforce doen, verder bij u terugkomen, opeen later moment.Eens even kijken. Studentenaantallen heb ik gehad, net als bureaucratie.Dan valorisatie. Dat thema ligt u ook nauw aan het hart. Ik wil beginnenmet aan te geven dat valorisatie niet de enge definitie kent van alleenmaar kijken naar de economische waarde die uit onderzoek zou kunnenkomen. Het gaat ook om de maatschappelijke waarde. Als je als weten-schapper onderzoek doet naar de impact van – wat zal ik eens noemen? –crisisbeheersing... Ik heb zulke fijne mensen naast me zitten! Als je dusonderzoek naar crisisbeheersing doet en er in een commissiedebat in deTweede Kamer wordt verwezen naar dat onderzoek, of je je onderzoekineens in een voetnoot in een Kamerbrief vindt, dan is dat maatschappe-lijke valorisatie. Daar ben je als wetenschapper dan enorm trots op, enterecht. Dat geldt ook voor de economische valorisatie. De universiteitenen hogescholen hebben de taak om over die valorisatie na te denken enwetenschappers in staat te stellen om daar uitvoering aan te geven, wantdat is niet zomaar iets wat je erbij en ernaast doet. Op het moment dat jebijvoorbeeld een prachtig wetenschappelijk artikel gepubliceerd hebtgekregen en je dat toegankelijker zou willen opschrijven, bijvoorbeeld ineen beleidsbrief gericht aan de Tweede Kamer, dan heb je daar tijd ensoms ook expertise voor nodig. De universiteiten zijn er volop mee aan deslag om die ruimte te geven, maar die staat soms wel onder druk, zeker intijden waarin kabinetten bezuinigen op de wetenschap, want dan zijn datnou net de taken waar je wat minder erkenning voor krijgt. Daarom geloofik altijd heel erg in het programma Erkennen en Waarderen, waarmee jede ruimte geeft aan wetenschappers om zich ook in dat type expertise temogen ontwikkelen.De discussie over valorisatie gaan we ook met elkaar hebben als wepraten over de inzet van het kabinet op de regionale campussen. In debeleidsbrief zullen we daar ook het een en ander over schrijven. Ik beninmiddels in gesprek met de Minister van EZK om te bekijken hoe weervoor zorgen dat we met de taskforce nieuwe economie, en met dekeuzes die we daarin maken, aansluiten bij de bestaande regionalecampussen, waar de ecosystemen al een plaats hebben en de partijen dieje daarvoor nodig hebt al met elkaar samenwerken. Dan heb ik het over deprivate partijen, waarbij ik niet alleen maar de grote multinationals wilnoemen, maar ook ons belangrijke mkb, en het mbo, hbo en wo. Wij zijnnu met elkaar in gesprek over hoe we zorgen dat we gericht incentivesTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 125843 geven en de bestaande succesvolle ecosystemen daarmee versterken,zodat ook hier weer niet duizend bloemen bloeien. Daar is valorisatienatuurlijk een heel belangrijk onderwerp in vanuit de kennisinstellingen.Ik ga misschien ook maar meteen de PD-discussie hierbij noemen. Vooreen deel is het praktijkgerichte onderzoek dat je aan de hogescholen zieteen belangrijk vehikel om de valorisatie vanuit de hogescholen nog meereen gezicht en erkenning te geven. Uw vragen gingen over de vraagwaarom ik de pilot niet heb afgewacht en waarom wij nu al de internet-consultatie zijn gestart. Dat heeft er deels mee te maken dat de mensendie in die pilot aan het werk zijn, dus die in een professional doctoratezitten, eigenlijk niet als een soort guinea pigs, als ik ze zo mag noemen, dedupe wil laten zijn van de onzekerheid over dit wetsvoorstel, medeafhankelijk van wat er allemaal nog uit de consultatie komt. In die pilot zijner jaarlijkse toetsen om bij te sturen waar dat nodig is. Als hetwetsvoorstel een gedragen meerderheid krijgt in de Kamer, is deverwachting dat deze mensen aan het einde van het traject – zij zijn nugewoon bezig – een PD-titel kunnen krijgen. Ik ben afgelopen week opbezoek gegaan bij een aantal mensen die in een professional doctorate-traject zitten. Ik zou daar heel graag een keer langs willen gaan met deheer De Beer, maar we hebben veel werkbezoeken. Ik heb daar metverschillende PD’s, zoals ik ze inmiddels noem, gesproken. Dit is nog maarn=3, dus het is zeker nog niet voldoende wetenschappelijk onderbouwddoor mij als Minister, maar ik heb daar wel voldoende inzage gekregenom te zien dat de toegevoegde waarde van het type onderzoek dat zijdoen en het eindresultaat dat zij gaan opleveren, echt iets heel anders isdan een wetenschappelijk proefschrift aan een universiteit. Dat moet ook,want het moet niet precies hetzelfde zijn. Anders zou niemand begrijpenwaarom je er een titel bij doet.Ik hoop dat meneer De Beer de pilot met een open mind wil benaderen,totdat de pilot helemaal klaar is. Ik hoop ook dat hij tijdens de internetcon-sultatie wil gaan spreken met de verschillende instellingen die er nuervaring mee opdoen, om in alle scherpte te zien dat het iets anders moetzijn dan een wetenschappelijk-theoretisch geïnspireerd proefschrift, enom dan ook de meerwaarde te zien van de PD voor het praktijkgerichtonderzoek. Ik zal in de beleidsbrief die ik uw Kamer ga sturen ookaangeven dat wij een incentivering van de middelen voor het praktijkge-richt onderzoek zouden willen voorstellen aan uw Kamer, omdat hetbelang daarvan gewoon enorm groot is. De erkenning die mensen krijgenvoor het doen van dat type onderzoek vind ik eerlijk gezegd ook al eenwaarde op zichzelf. Dan nog iets als laatste, en dan stop ik met ditonderdeel. Het product waar mensen uiteindelijk hun professionaldoctorate mee behalen, is heel gevarieerd. Dat kan een proof of conceptof een handleiding bij een andere manier van werken in zorginstellingenzijn, waar ze uiteindelijk een onderzoeksverslag over moeten schrijven,maar er zit dus ook een heel ander type resultaat bij. Dat zien we aanuniversitaire instellingen veel minder, want daar heb je een proefschriftmet artikelen of een boek. Ik ben er dus heel erg content mee dat we nude internetconsultatie kunnen starten, want dan krijgen alle partijen deruimte om hun zorgen, kritiek of enthousiasme te delen. Samen met depilot maakt dit dat wij met elkaar kunnen gaan bepalen of wij ditwetsvoorstel naar de Tweede en de Eerste Kamer willen sturen.Meneer de voorzitter. Als laatste in dit blokje ga ik in op AI in hetonderwijs. Daarna ga ik naar de infra.Het is evident dat AI in alle onderwijssectoren een enorme impact heeftop het onderwijs. Ik dacht dat het de heer Boomsma was die dat zei. Ofwas het mevrouw Abdi? Dat maakt eigenlijk niet uit. Wat ik zie, is dat in desector, maar uiteraard ook binnen de individuele instellingen, bijvoorbeeldmet teaching and learning centres samen uiting wordt gegeven aan demanier waarop je de impact van AI op het onderwijs en bijvoorbeeld opde toetsing vorm moet geven. Dat gebeurt niet alleen bij essays. Bij heelTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 125844 veel onderwijsvormen kun je aan de ene kant de kansen pakken, terwijl jeaan de andere kant serieus moet zijn over de risico’s die dit met zichmeebrengt. Bij de afwegingen die de instellingen daarbij maken, zijn zijnatuurlijk gehouden aan onze accreditatiekaders, waar ik als Ministerverantwoordelijk voor ben, en aan de AI-verordening. Ik vind het mooi datvanuit het Nationaal Groeifonds op enig moment een aanzienlijke,incidentele investering is gedaan in het programma Npuls. Daarbij wordtvooral geïnvesteerd in het landelijk ophalen en delen van evidencebasedkennis van de wetenschappelijke sectoren die hier ervaring mee hebben,met name van de onderwijsdeskundigen en de data scientists. Zo wil mende digitale vaardigheden van docenten versterken, maar ook de impactdaarvan op studenten goed kunnen meenemen. Het Npuls-project looptnu een aantal jaren. Ik ben uiteraard bereid om de resultaten van eenvolgende evaluatie van het Npuls-project – dat loopt via het Groeifonds enuiteindelijk ook via OCW – met u te delen. Die resultaten zijn immers vangroot belang en leiden uiteindelijk tot een opschaling van kennis enervaring. Dan is niet ieder voor zich het wiel aan het uitvinden; dat wil jeuiteraard niet.De heer Boomsma (JA21):Dat lijkt me heel goed. Het is inderdaad een ontzettende gamechanger opallerlei niveaus. Het gaat echter niet alleen om de digitale vaardighedendie docenten of studenten kunnen opdoen. Je wil gewoon dat kinderen enstudenten goed leren schrijven. Dat gaan ze niet meer thuis doen. Daarmoet je dus voor zorgen. Dat vraagt om ruimte op de universiteit en datvraagt ook om tijd van docenten. Zij moeten daar aanwezig zijn, terwijl terplekke aan opdrachten wordt geschreven. Dat is iets wat, denk ik, wel eenonderdeel moet zijn van de oplossing en van het gesprek hierover.Minister Letschert:Daar ben ik het helemaal mee eens. Ik zie het bij mijn eigen kinderen.De voorzitter:Het is fijn dat we het eens zijn. U kunt verder naar blokje vier:infrastructuur.Minister Letschert:Blokje vier: de onderwijsinfrastructuur. Ik ga wat sneller.De Einsteintelescoop. In de beleidsbrief die over enkele weken uw kant opkomt, zullen door het ministerie zowel over de grootschalige infra-structuur in het algemeen wat suggesties en voorstellen worden gedaanals, uiteraard, over de Einsteintelescoop, die ook een onderdeel is van hetcoalitieakkoord. Ik zal vol inzetten op de lobby die nodig is om deEinsteintelescoop naar de regio te halen. Ik ben momenteel bezig met hetaanstellen van een nieuwe special envoy. We hadden een special envoy,maar die is toegetreden tot het kabinet. Ik moest dus een opvolger zoeken.Ik ben bijna zover dat ik wereldkundig kan maken wie het is, maar dat kanik nu nog niet doen. Dat betekent dat zowel ik als de special envoy alleszal doen om ervoor te zorgen dat het bid dat gemaakt moet worden,voldoende steun krijgt van de landen waarvan wij die steun nodig zullenhebben. Het is een enorm belangrijke wetenschappelijke infrastructuur. Depathfinder die er nu staat – dat noemen we de mini-Einstein – heeft ook aleen heel relevante infrastructuur. In de beleidsbrief kunt u ook eenintensivering van de ontwikkeling van deze pathfinder tegemoetzien.Als laatste ga ik in dit blokje naar de kennisveiligheid. Dan heb ik ze bijnaallemaal gehad. Ik ga uw Kamer zo snel mogelijk informeren over devoortgang van het wetsvoorstel Screening kennisveiligheid. Daar heeft ubest lang op moeten wachten, heb ik begrepen. Ik wil hier welbenadrukken dat de screening kennisveiligheid niet op zichzelf staat. Dekennisinstellingen zijn al jaren hard aan het werk om het eigen kennisvei-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 125845 ligheidsbeleid te implementeren. Zij worden daarbij geholpen door derijksoverheid via het Loket Kennisveiligheid, en met de nationale leidraaddie al is opgesteld en een uniforme set van criteria om risico-afwegingente maken. Zij hebben in 2025 ook al geld gekregen, ongeveer 18 miljoen,om te investeren in de beschermingsmaatregelen en het toegangsbeleid.De resultaten van de internetconsultatie van het wetvoorstel Screeningkennisveiligheid zijn inmiddels binnen. Er zijn ook uitvoeringstoetsen – dielopen parallel aan de internetconsultatie – en adviezen binnengekomen.Wat ik op dit moment, as we speak, aan het doen ben, is dat allemaalsamennemen. Met mijn collega-bewindspersonen van JenV en van EZKtreed ik in overleg over de manier waarop wij uiting gaan geven aan alleadviezen en de uitvoeringstoetsen die binnen zijn gekomen. Er zijnnamelijk best wel wat dilemma’s. Ik denk niet dat we die nu moetenbespreken. Dat moeten we, denk ik, doen nadat ik die dilemma’s goed hebverwoord. Dan kan ik met u in een debat over die dilemma’s spreken.Ik wil wel nog noemen – en dan stop ik – dat de persoonsgebondenscreening, die voor een deel ook in deze wet zit, al deels risicogerichtplaatsvindt onder de sanctieverordening van de Europese Unie. Het is dusniet dat daar niks gebeurt. Met uw toestemming zal ik zo snel als mogelijkalles wat er nu ligt meenemen voor die brief; daarna zal ik met u datgesprek aangaan.De voorzitter:Ik dank u voor alle antwoorden. Ik kijk of er nog vragen zijn blijven liggen.Dat is niet het geval. Dan stel ik voor dat we gelijk naar de tweede termijnovergaan. Ik begin bij de heer De Beer van de VVD.De heer De Beer (VVD):Dank u wel, voorzitter. Ik had maar weinig tijd om na te denken over detweede termijn, aangezien mijn buurman, de eerste spreker, ervantussenis gegaan.Laat ik vooropstellen dat ik mij wat betreft de valorisatie helemaal aansluitbij de Minister. Dit is breder dan alleen de economische impact. Ik hebdaarstraks ook gewezen op maatschappelijke vraagstukken. Diemaatschappelijke meerwaarde onderschrijven we natuurlijk helemaal. Ikdenk dat er inderdaad voldoende aanknopingspunten zijn om daar metelkaar de komende tijd verder over te spreken. De campusontwikkeling eneen deel van de talentstrategie zullen ook op dat snijvlak liggen.Het tweede onderwerp was het professional doctorate. Als de Minister mijaankijkt en vraagt «kunnen wij dat niet met een open blik benaderen», danis het moeilijk om dat af te wijzen, maar ik wil wel helder maken dat hetons vooral gaat om de duidelijkheid die je met elkaar in het stelsel creëertover de titulatuur. Gaat het daarbij om het belang van praktijkgerichtonderzoek, dan onderschrijven wij dat helemaal, zeker als daarbij sprakeis van samenwerking met niet alleen de universitaire wereld, maar ookmet het hbo en het mbo. Uiteraard wil ik graag samen met de Ministerverder nadenken over de vraag hoe we zoeken naar vormen vanwaardering van dat praktijkgerichte onderzoek.De voorzitter:Wilt u tot een eind van uw betoog komen? U heeft nog 1 minuut en 20seconden.De heer De Beer (VVD):Ja, dat is dan ook het nadeel. Wat betreft kennisveiligheid wachten we heteven af. Ik ben benieuwd of we dat op een zeer korte termijn richting deKamer kunnen zien komen.Ik kijk even of er nog een onderwerp is blijven liggen. Dat is volgens mijniet het geval. Mocht dat zo zijn, dan interrumpeer ik nog.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 125846 De voorzitter:Dank voor uw bijdrage. Dan gaan we naar mevrouw Rooderkerk van D66.Mevrouw Rooderkerk (D66):Veel dank, voorzitter. Dank aan de Minister voor de beantwoording envoor dit debat. We hebben het natuurlijk gehad over de pluriformiteit vande wetenschap en de zorgen over academische vrijheid. Ik vind het dusgoed om te horen dat de Minister aangeeft dat er onderzoek komt naar depluriformiteit. Dat is wat mij betreft de juiste reflex. Laten we de zorgenover de wetenschap ook op een wetenschappelijke manier onderzoekenen zien of die zorgen gegrond zijn. Academische vrijheid is namelijk geenvanzelfsprekendheid, maar een verworvenheid, die kwetsbaar is en nietalleen van buitenaf wordt bedreigd, maar ook van binnenuit, wanneerpartijen spreken over politieke druk op instellingen. Die verleiding hoordeik wel in dit debat, in verhalen over woke op de universiteit, indoctrinatieen ideologische eenzijdigheid. Ik neem die zorgen serieus, maar eenincident is geen systeem, een anekdote is geen bewijs en een onderbuik-gevoel is geen beleidsbasis. Laten we dit dus onderzoeken. Op basisdaarvan kunnen we de kaders stellen die nodig zijn ten aanzien van definanciering, de onafhankelijkheid en het beschermen van de randvoor-waarden. Mijn oproep aan deze Kamer is: laten we staan voor deacademische vrijheid. Ik ben ook blij dat we gaan inzetten op valorisatieen op praktijkgericht onderzoek. Ik zie uit naar de ambitieuze agenda vandit kabinet daarover.De voorzitter:Dank voor uw bijdrage. Dan gaan we naar de heer Boomsma van JA21.De heer Boomsma (JA21):Dank aan de Minister. We hebben volgens mij een goed gesprek kunnenvoeren. Ik denk dat het heel goed mogelijk is om meer standpuntdiver-siteit in de universitaire wereld te bepleiten zonder dat je mensen meteenbeticht van kwade wil of de wetenschap an sich gaat ondermijnen. Het isnatuurlijk wel belangrijk dat je dat op een zorgvuldige manier doet. Ik bendus blij met de toezegging om te kijken of dat onderzoek kan wordenversneld. Ik snap dat nog niet zeker is of dat lukt. Ik hoop het zeer. Dangaan we er daarna verder over spreken. Ik vind het ook goed om te ziendat de gedragscode wordt herzien. Ik hoop dat objectiviteit en waarheids-vinding dan terugkeren.Ik had in het kader van de regeldruk en de bureaucratie een opmerkinggemaakt over de visitaties. Je hebt onderzoeks- en onderwijsvisitaties. Ikdenk dat het verstandig is om te kijken of je de frequentie daarvan kuntbeperken, dus dat je ze niet elke zes jaar doet, maar elke acht of tien jaar.Dan doe je ze dus om en om. Ik denk dat dat heel veel kan opleveren voorde universiteiten. Daar komen we trouwens volgende week misschien opterug.Mevrouw Rooderkerk (D66):Ik heb geen interruptie, maar ik wil iets zeggen over iets wat we volgensmij allemaal waren vergeten: ik zou graag een tweeminutendebat willenaanvragen.De voorzitter:U bent officieel de eerste. Daarmee staat het dus genoteerd, mevrouwRooderkerk. Ja, meneer Boomsma, mevrouw Rooderkerk was u voor. Zowerkt het hier soms. Het is gebeurd. Het gaat plaatsvinden. Ik geef hetwoord aan mevrouw Armut van het CDA.Mevrouw Armut (CDA):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 125847 Dank, voorzitter. Het CDA heeft dit debat gebruikt om uit te spreken dat wijhet heel belangrijk vinden dat de randvoorwaarden goed zijn omwetenschappelijk onderzoek van topniveau te borgen. We kijken heel erguit naar de verdere uitwerking van het kabinet om dit ook waar te maken,dus dank.De voorzitter:We gaan naar de heer Van Duijvenvoorde van Forum voor Democratie.De heer Van Duijvenvoorde (FVD):Dank aan de Minister voor het vooralsnog afdoende beantwoorden van degestelde vragen. Het is natuurlijk een beetje een moeilijk debat, omdat ernog heel veel aanstaande is. Ik weet niet meer wat er allemaal komt. Debeleidsbrief moet nog komen. Er zijn een paar dingen voor de zomer eneen paar dingen voor het najaar. Ik ben daarvan even het overzicht kwijt.Ik zou graag een overzicht willen hebben van wat er nou eigenlijk allemaalgezegd is over wat wij nog te ontvangen hebben. Dat is me nu een beetjeonduidelijk.De voorzitter:Dat gaan we aan het eind van het debat opsommen, dus dat komt goed.De heer Van Duijvenvoorde (FVD):Verder dank u wel voor het beantwoorden van de vragen.De voorzitter:Tot slot aan de zijde van de Kamer: mevrouw Abdi.Mevrouw Abdi (GroenLinks-PvdA):Dank, voorzitter. Ik wil ook beginnen met dank uitspreken aan de Minister.Dank dat ze op een aantal vragen nader is ingegaan. Het doet me deugdom te horen dat u het brede wetenschappelijke klimaat belangrijk vindt.Dat laat onverlet dat ik het graag iets concreter wil zien, bijvoorbeeld watbetreft de talentstrategie of de inzet op bepaalde strategische sectoren. Iksnap de wens, maar die kan ook een valkuil met zich meebrengen. Ik zouhet dus prettig vinden als de Minister in haar toezegging – de voorzittergaat zo nog een opsomming doen van de toezeggingen – concreet maakthoe we dit extra gaan borgen. Daarom vroeg ik ook door. Wat dit betekentvoor het beleid? Hoe kijken we naar innovatie? We moeten voortaan echtspreken over het volledige wetenschappelijke klimaat.Voorzitter. Ik begon mijn bijdrage met kennis is macht, beter gezegd:tegenmacht. Ik ben blij dat we wetenschap hebben die een aantal mensenmisschien tot op het bot weet te irriteren. Ik zou bijna zeggen: ga zo door!Nee, dat is natuurlijk een soort geintje. Ik ben echter bloedserieus: ik vindhet doodeng. Het probleem is breder, want we zien een aanval oprechters, op journalisten en nu dus ook op wetenschappers. Wij gaan nietmee in een soort geïmporteerde cultuuroorlog. Dat is schadelijk. Dat ison-Nederlands. Dat is onwenselijk. Mijn fractie vindt het van belang datwe vandaag en niet pas morgen beginnen met het borgen van een veiligonafhankelijk wetenschappelijk klimaat. We roepen de Minister op om ookecht voor de wetenschap te gaan staan. Ik zie heel graag hoe de Ministerdat concreet gaat vormgeven. Wij zullen zelf ook met voorstellen komen.Het laatste punt dat ik wilde maken is dat in de wetenschap één dingvooropstaat: je verzet je altijd tegen iets. Het bevestigen van de bestaandefeiten levert je geen onderzoeksgeld op. Het is daarom ook een beetjeonzin om te denken dat wetenschap een grote echoput is; verre van! Bijdezen.De voorzitter:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 125848 Dank u wel. Ik zie een twijfelende heer Boomsma, maar hij heeft toch geeninterruptie.Kan de Minister gelijk verder of wil ze dat we een paar minuten schorsen?We kunnen gelijk verder, dus dan gaan we naar de tweede termijn van deMinister.Minister Letschert:Ik heb al zo veel tijd genomen.Meneer de voorzitter, volgens mij hoef ik niet op alles apart in te gaan. Devoorzitter gaat dadelijk namelijk samenvatten wat ik allemaal beloofd heb.Ja, toch? Dat is het geval. Over de PD gaan we nog discussiëren op hetmoment dat we verder in het proces zijn. Die internetconsultatie loopt. Alsdat allemaal binnen is, gaan wij absoluut het gesprek met elkaar hebbenwaarom dit onderzoekstalent ook een titel verdient en over hoe de Kamerdaarnaar kijkt.Voorzitter. Aan de heer Boomsma wilde ik graag toezeggen dat ik ga kijkenof ik het onderzoek rondom de pluriformiteit kan versnellen. Maar ik zegnogmaals dat dit niet ten koste mag gaan van de zorgvuldigheid bij hetmaken van de keuze voor het onderzoeksbureau dat dat dan gaat doen.Volgende week kunnen wij bij het debat over hoger onderwijs met elkaarspreken over het verkorten van onderwijsvisitaties. Daar is in het verledenook al een hele discussie over geweest. Het idee was om die eruit te halenen alleen maar instellingsaccreditaties te doen. Dat wilde de Kamer toenniet. Ik sta ervoor open om daar opnieuw een discussie over te hebben.De andere opmerkingen zal ik zeker ter harte nemen. Veel dank voor hetfijne debat.De voorzitter:Die dank is wederzijds. Veel dank aan de Minister. Ik concludeer dat weeen tweeminutendebat zullen hebben met als eerste spreker mevrouwRooderkerk. Zij zal spreken namens D66.Dan ga ik nu nog even de administratie doen. Dat betekent dat ik detoezeggingen zal voorlezen. Mevrouw Keijzer, u bent precies op tijd voorde toezeggingen! Ik noem hier graag bij dat een toezegging officieel iets iswat terugkomt in een Kamerbrief en wat nog niet eerder met de Kamer isgedeeld. Misschien denkt u: er zijn meer dingen gezegd dan de voorzitternu voorleest. Dat kan kloppen, maar dit is wat valt onder de definitie vaneen toezegging.–De Minister gaat voor de zomer de Kamer informeren over de eerstestappen die zijn gezet met de talentstrategie.–De Minister informeert de Kamer voor de zomer over de uitkomst vande monitor WetenschapVeilig en bekijkt aan de hand daarvan wat nogadditioneel nodig is.–De vernieuwde gedragscode wetenschappelijke integriteit wordt in hetnajaar verwacht en dan met de Kamer gedeeld.–De Minister komt in de beleidsbrief over de besteding van middelenvoor onderzoek en wetenschap terug op de verdeling van middelenvoor fundamenteel onderzoek. In deze beleidsbrief wordt ook deintensivering van de ETpathfinder meegenomen.Bij de beleidsbrief is geen datum genoemd, maar het ging over enkeleweken, als ik het me goed herinner. Binnen enkele weken komt die naarde Kamer. Er komt nog een ambtelijk proces aan, maar die komtbinnenkort onze kant op, zeker voor de zomer maar volgens mij weleerder dan voor de zomer. De Minister zegt zelfs: ver voor de zomer. Datstaat genoteerd.Ik kijk even of er nog dingen ontbreken.De heer Boomsma (JA21):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 125849 Ik had ook een vraag gesteld over de digitale infrastructuur. Ik denk dathet belangrijk is om daar snel een besluit over te nemen. Dat zit ook in diebrief?De voorzitter:Ik zie een duim van de Minister, dus dat is zo. De Minister vult aan.Minister Letschert:Ik heb ook toegezegd dat ik het onderzoek naar de pluriformiteit, dat naaraanleiding van de motie-Heite zal worden gedaan, graag probeer teversnellen, zodat we de uitkomsten eerder kunnen hebben en we dezorgen die hier vandaag gedeeld zijn, eerder onderbouwd door datonderzoek met elkaar kunnen bespreken.De voorzitter:Ja, en om de Kamer over de uitkomsten te informeren.Minister Letschert:Zeker, zeker, uiteraard.De voorzitter:En dat gaat niet ten koste van de kwaliteit van het onderzoek.Minister Letschert:Precies.De voorzitter:Dat lijkt me goed. Ik zie dat er nog een paar aanvullingen zijn. MevrouwKeijzer en de heer De Beer.Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):Ik begrijp dat vooral mevrouw Rooderkerk mij gemist heeft; ik heb alleszitten luisteren. Wat is de termijn van het onderzoek op basis van demotie-Heite? Ik heb begrepen dat u geen antwoord heeft gegeven op mijnvraag of er een apart fonds komt voor tegendraads onderzoek. Als datmeegenomen is in het onderzoek waar u het nu over heeft, wacht ik dataf. Ik wil dan wel graag een termijn hebben. Wanneer komt dat?Minister Letschert:Ik heb gezegd dat er drie trajecten lopen. Er loopt een traject bij de KNAWover juridische borging van academische vrijheid. Er loopt een trajectrondom het begrip «academische vrijheid» in relatie tot vrijheid vanmeningsuiting. Die komen beide voor de zomer. Er zijn voorbereidingengetroffen om onderzoek te doen naar de pluriformiteit binnen dewetenschap. Ik heb uw commissie toegezegd dat ik ga proberen de startvan dat onderzoek te versnellen, zodat we snel met elkaar een discussiekunnen hebben zoals we hier vanmiddag hebben gehad. Daarbij ben ikwel afhankelijk. Het is een aanbesteding, dus er zijn partijen die zich voordat onderzoek gaan melden. Die aanbesteding wil ik zorgvuldig kunnendoen. In eerste instantie was de planning het najaar, maar alles wat iknaar voren kan halen zonder de kwaliteit van het onderzoek daarmee inhet gedrang te brengen, ga ik echt proberen naar voren te halen. Dat iswat ik heb toegezegd. Daar hoort dus ook de discussie bij die we dan metelkaar hebben over de noodzaak die sommigen van uw leden zien om eenfonds te hebben voor tegendraadse meningen. Ik ben van mening datdaar ruimte voor is binnen de huidige onderzoeksfinanciering, en anderszou die er moeten zijn. Als op basis van dat onderzoek naar de plurifor-miteit blijkt dat die er niet zou zijn, dan hebben we met elkaar dat gesprek.Zo hebben wij de discussie gehad.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 125850 De voorzitter:Dank. Dan zie ik nog de heer De Beer en dan de heer Van Duijvenvoorde.De heer De Beer (VVD):Kunnen we ook nog iets afspreken over kennisveiligheid? De Minister gafnet aan dat er allerhande gesprekken en consultaties lopen. Kunnen wedaar een termijn aan verbinden?De voorzitter:Ik kijk naar de Minister voor een termijn.Minister Letschert:Zo snel mogelijk.De voorzitter:Is dat een kwestie van weken, maanden of jaren?Minister Letschert:Ik heb inmiddels in Den Haag geleerd dat je soms best door wat routesmoet. Ik hoef u niet te vertellen wat dat betekent. Ik gok op eind mei, maardat zit ’m ook een beetje in de vrije dagen en de recessen.De voorzitter:Volgens mij valt het onder het bakje «voor de zomer», maar hoe eerderhoe beter. Dan tot slot de heer Van Duijvenvoorde.De heer Van Duijvenvoorde (FVD):Ik weet niet of het bij dezelfde beleidsbrief hoort, maar hoort de briefwaarin geschreven zou worden over de verdeling van de middelen, hetonderzoek, de wetenschap en hoe we dat willen gaan vormgeven, bij dienet genoemde beleidsbrief over digitale ontwikkelingen?De voorzitter:De Minister knikt, dus dat wordt daarin verwerkt. Wij kijken als Kamer-commissie uit naar de brieven die er de komende tijd aan komen. Wegaan deze debatten vervolgen. Ik dank iedereen voor zijn tijd, de mensenop de tribune en de mensen thuis voor het meeluisteren, en de Ministeren de ondersteuning voor het beantwoorden van alle vragen. Hiermee zijnwe aan het einde van het debat.Sluiting 16.26 uur.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 288, nr. 125851
Gerelateerde bronnen
- Onderzoeks- en Wetenschapsbeleid
Verslag van een commissiedebat, gehouden op 2 april 2026, over Onderzoeks- en Wetenschapsbeleid
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.