Hofprocedure wegens niet tijdige implementatie van de dierproevenrichtlijn
Brontekst
Versie f44ccaf600f2ff2e · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2014–2015 32 336Dierproeven Nr. 32 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Den Haag, 28 oktober 2014 Uw Kamer heeft mij tijdens de Regeling van Werkzaamheden op 16 oktober jl. (Handelingen II 2014/15, nr. 15) verzocht u voor het einde van het reces te informeren over de aankondiging van de Europese Commissie om Nederland voor het Europese Hof van Justitie te dagen vanwege de niet tijdige implementatie van de Europese Richtlijn 2010/63/EU, betreffende de bescherming van dieren die voor wetenschap-pelijke doeleinden worden gebruikt (hierna: de dierproevenrichtlijn). De dierproevenrichtlijn bepaalt dat de richtlijn uiterlijk op 10 november 2012 omgezet moet zijn in Nederlandse wetgeving die per 1 januari 2013 in werking moet treden. In deze brief informeer ik u tevens over de stand van zaken in de Eerste Kamer bij de behandeling van het wetsvoorstel tot implementatie van de dierproevenrichtlijn. Gevolgen van het niet tijdig omzetten van de richtlijn Ik wil benadrukken dat met de huidige Wet op de dierproeven (hierna: Wod) al grotendeels invulling wordt gegeven aan de bepalingen van de richtlijn en dat met de huidige wet het beschermingsniveau van de richtlijn al grotendeels wordt bereikt. Zo is een belangrijk element uit de dierproevenrichtlijn, het beginsel van vervanging, vermindering en verfijning (de 3Vs), al in artikel 10 van de huidige Wod vastgelegd, bevat de huidige Wod in artikel 10e een algeheel verbod op het verrichten van dierproeven op mensapen, en worden op grond van de huidige Wod al regels gesteld aan de huisvesting van proefdieren, de bekwaamheid van het personeel, de registratie en het merken van proefdieren. In tegenstelling tot andere lidstaten hanteerde Nederland al voor de vaststelling van de nieuwe dierproevenrichtlijn een zeer hoog niveau van bescherming van proefdieren. Door de richtlijn wordt het niveau van bescherming van proefdieren binnen Europa aangepast aan de hoge eisen die lidstaten als Nederland reeds nationaal hadden vastgesteld. kst-32336-32ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2014Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 32 336, nr. 321 De Wod blijft in de huidige vorm van kracht, totdat het implementatie-wetsvoorstel tot wet is verheven en in werking is getreden. Dit betekent onder meer dat er tot die tijd nog geen projectvergunning vereist is, maar een positief advies van de dierexperimentencommissie moet worden verkregen. De Centrale commissie dierproeven en het Nationaal comité voor de bescherming van proefdieren worden pas met de inwerking-treding van de implementatiewet opgericht. De wet wordt echter al wel zo veel mogelijk richtlijnconform toegepast. Dit is bijvoorbeeld aan de orde bij de beoordeling van onderzoeksplannen van dierproeven. De dierexperimentencommissies zijn er eind 2012 op gewezen dat zij bij de beoordeling van aanvragen om een positief advies, de huidige Wod richtlijnconform dienen toe te passen. Dit betekent onder meer dat dierproeven uitsluitend voor de in artikel 5 van de richtlijn genoemde doeleinden mogen worden uitgevoerd. Daarnaast bestaat er in de huidige Wod reeds een vergunningplicht voor instellingen die dierproeven uitvoeren en voor fokkers en leveranciers. Ook bij de beoordeling van aanvragen voor deze instellingsvergunningen wordt de wet richtlijnconform toegepast. Stand van zaken implementatie dierproevenrichtlijn Het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op de dierproeven ter imple-mentatie van de dierproevenrichtlijn (hierna: het implementatiewets-voorstel) ligt momenteel voor behandeling bij de Eerste Kamer. Bij de behandeling van het implementatiewetsvoorstel in de Tweede Kamer is artikel 10f van de Wod gewijzigd door een amendement van het lid Ouwehand. Het amendement (Kamerstuk 33 692, nr. 22) scherpt de in het oorspronkelijke voorstel gestelde voorwaarden voor het gebruik van in het wild gevangen dieren verder aan. Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer bleek het amendement onvoorziene nadelige gevolgen te hebben voor funda-menteel ecologisch onderzoek op in het wild gevangen dieren. Het lid Ouwehand heeft vervolgens een herstelamendement ingediend (Kamerstuk 33 771, nr. 11), dat bepaalt dat de strengere voorwaarden niet van toepassing zijn op veldonderzoek waarbij de gevangen dieren niet langer dan 24 uur buiten hun biotoop worden gehouden. Ecologisch onderzoek waarbij in het wild gevangen dieren gedurende langere tijd buiten hun biotoop worden gehuisvest, bijvoorbeeld in kunstmatige vijvers of poelen, of in vliegvolières valt nog wel onder de strengere voorwaarden. De regering meent dat een deel van dit soort ecologisch onderzoek, waaronder fundamenteel gedragsonderzoek, niet aan de extra voorwaarde zal kunnen voldoen. Dit betekent dat voor dergelijk onderzoek geen projectvergunning zou kunnen worden verleend en het onderzoek daardoor niet meer mogelijk wordt. Zoals aangegeven in de nadere memorie van antwoord (Kamerstuk 33 692, nr. G) deelt de regering de zorgen van de sector hierover. Daarnaast heeft de Europese Commissie aangegeven dat zij de aange-scherpte voorwaarden voor het gebruik van in het wild gevangen dieren ziet als een bepaling die strenger is dan de richtlijn. Omdat de bepaling nog niet gold vóór 10 november 2012 zou dit in strijd zijn met artikel 2 van de dierproevenrichtlijn. De regering komt alles overwegende tot de conclusie dat er aanleiding is om op dit punt aan te sluiten bij de uitleg van de richtlijn die door de Commissie is gegeven. Dit leidt tot de conclusie dat de voorwaarden voor het gebruik van in het wild gevangen dieren in artikel 10f van de Wet op de dierproeven weer in lijn moeten worden gebracht met de voorwaarden die in de richtlijn Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 32 336, nr. 322 worden gesteld. De regering heeft daarom in de nota naar aanleiding van het verslag d.d. 3 oktober jl. (Kamerstuk 33 692, nr. I) aangekondigd met een wetsvoorstel te zullen komen waarin de tekst van artikel 10f van de Wod weer in lijn wordt gebracht met de richtlijn. De Eerste Kamer heeft op 7 oktober jl. besloten de behandeling van het implementatiewetsvoorstel aan te houden in afwachting van het aangekondigde wijzigingsvoorstel. De ministerraad heeft vervolgens op 17 oktober jl. besloten de novelle voor advies aan de Raad van State voor te leggen, met het verzoek deze adviesaanvraag met spoed te behandelen. Ik verwacht dat de novelle op korte termijn aan uw Kamer kan worden voorgelegd. Gevolgen van de gang naar het Hof door de Europese Commissie De Europese Commissie verzoekt het Hof een dwangsom op te leggen van € 51.156 per dag dat de richtlijn niet is omgezet. Indien het Hof deze dwangsom oplegt zal de termijn voor het verbeuren van de dwangsom aanvangen op de datum van de uitspraak van het Hof. De verwachting is dat, met de medewerking van uw Kamer, de novelle ruim voor die tijd in de Eerste Kamer zal komen te liggen, zodat de richtlijn nog vóór de uitspraak van het Hof zal zijn omgezet en de gang naar het Hof geen financiële consequenties zal hebben voor de Staat. Dit neemt niet weg dat de regering er aan hecht de herziene Wod zo snel mogelijk in werking te laten treden, zodat Nederland aan haar implementatieverplichtingen voldoet en de bescherming van proefdieren in Nederland met de komst van een onafhankelijke beoordelaar van vergunningaanvragen, de Centrale commissie dierproeven, en de adviezen van het Nationaal comité nog beter wordt gewaarborgd. De Staatssecretaris van Economische Zaken, S.A.M. DijksmaTweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 32 336, nr. 323
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.