document · 28 apr 2026 · Tweede Kamer
Memorie van toelichting zoals gewijzigd naar aanleiding van het Advies van de Afdeling advisering van de Raad van State
Brontekst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 693Voorstel van wet van de leden Eerdmans enMartens-AmericaNr. 6 MEMORIE VAN TOELICHTING ZOALS GEWIJZIGD NAARAANLEIDING VAN HET ADVIES VAN DE AFDELING ADVISERINGVAN DE RAAD VAN STATE I. ALGEMEEN 1. Inleiding Dit wetsvoorstel bevat een uitbreiding van het taakstrafverbod naar elkevorm van geweld tegen personen in de uitoefening van een publieke taakdie als onderdeel van die taak noodhulp kunnen verlenen. Daartoe is totop grote hoogte geput uit de inhoud en toelichting van het eerderewetsvoorstel Wet uitbreiding taakstrafverbod (hierna: het initiëlewetsvoorstel).1 Dat wetsvoorstel is in 2022 door de Eerste Kamerverworpen, maar de initiatiefnemers achten de veranderde politiekeverhoudingen in beide Kamers en recente maatschappelijke gebeurte-nissen reden genoeg om over dit onderwerp wederom een inhoudelijksoortgelijk wetsvoorstel aanhangig te maken.Het wetsvoorstel strekt ertoe het huidige taakstrafverbod voor geweld- enzedenmisdrijven uit te breiden naar elke vorm van geweld tegen personenin de uitoefening van een publieke taak die als onderdeel van die taaknoodhulp kunnen verlenen. Het gaat om politiemensen, medewerkers vande brandweer of ambulance en buitengewoon opsporingsambtenaren.Deze personen werken voor de publieke zaak in de frontlinie en stellenzich maximaal dienstbaar op aan de samenleving. Zij handhaven de orde,treden op onder gevaarlijke omstandigheden en in het bijzonder verlenenzij hulp aan mensen in nood. Niet zelden staan zij mensen bij die in acuutlevensbedreigende situaties verkeren. Voor hen is terugtreden bijgeweldpleging vaak niet goed mogelijk, niet in de laatste plaats omdathun taakuitoefening juist handelend optreden vereist. Politieagenten,brandweermensen, ambulancemedewerkers en buitengewoon opspo-ringsambtenaren komen in de uitoefening van hun taken geregeld met1De toen door de regering voorgestelde Wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verbandmet het beperken van de mogelijkheden om een taakstraf op te leggen bij geweld tegenpersonen met een publieke taak (Wet uitbreiding taakstrafverbod). Zie Kamerstukken 35 528.Dit wetsvoorstel is op 2 februari 2021 aangenomen in de Tweede Kamer, maar op 18 oktober2022 door de Eerste Kamer, na hoofdelijke stemming, verworpen. kst-36693-6ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 693, nr. 61 fysiek geweld in aanraking. Er zijn ook andere personen met een publieketaak die in de taakuitoefening risico lopen op een gewelddadigebejegening. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een jeugdbe-schermer die het gesprek aangaat met een ouder over de opvoeding vaneen minderjarige, aan een deurwaarder die uitvoering geeft aan eenbeslagbeslissing en aan een conducteur die de reiziger verzoekt eengeldig vervoersbewijs te tonen. De initiatiefnemers hebben er echter voorgekozen om een onderscheid te maken in personen met een publieketaak. Het onderscheid is gemaakt op basis van in hoeverre personen meteen publieke taak noodhulp kunnen verlenen. Deze zogeheten «firstresponders» hebben ten opzichte van anderen met een publieke taak, dieeveneens zeer belangrijk werk verrichten (bijvoorbeeld psychologen,therapeuten of huisartsen), geen werk waarbij zij agressie in eenvergelijkbare mate ondervinden als de groep agenten en hulpverleners inde noodhulp.Tegen geweld tegen iedere hulpverlener moet stevig worden opgetreden.In het bijzonder personen met een publieke taak die noodhulp verlenen.Zij staan immers in de frontlinie en hebben te maken met overmatigeagressie en geweldsincidenten. Een taakstraf is specifiek voor deze groepgeen passende sanctie, zo volgt ook reeds voor diverse situaties uit artikel22b van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Het wetsvoorstel wil dezeregeling in die zin uitbreiden dat niet kan worden volstaan met hetopleggen van een «kale taakstraf», dat wil zeggen een taakstraf die nietwordt gecombineerd met een andere, vrijheidsbenemende sanctie, aanplegers van elke vorm van fysiek geweld tegen personen met eenpublieke taak die als onderdeel van die taak noodhulp kunnen verlenen.Het initiële wetsvoorstel waaruit dit wetsvoorstel is geïnspireerd, is op14 juli 2020 ingediend door het toenmalige kabinet. Het voorstel isdestijds tot stand gekomen doordat er uitvoering werd gegeven aan demotie van de leden Helder (toen PVV), Van Oosten (VVD) en Van Dam(CDA).2 Het voorstel was destijds aangekondigd in een brief aan deTweede Kamer van 11 maart 2019 als reactie op de genoemde motie.3 Hethield in dat het reeds bestaande taakstrafverbod in artikel 22b Sr werduitgebreid. In artikel 22b Sr zijn de mogelijkheden voor het opleggen vaneen taakstraf ook nu al beperkt in geval van veroordeling voor een ernstigzeden- of geweldsmisdrijf. Ook bij enkele andere specifiek aangeduidemisdrijven4 en in het geval van recidive, geldt een taakstrafverbod. Ditbestaande taakstrafverbod is een voortvloeisel van de door de wetgevernoodzakelijk geachte positionering van de taakstraf als passende strafvoor minder ernstige strafbare feiten.5 Het taakstrafverbod werd met hetwetsvoorstel uitgebreid doordat daaraan ook de nog niet onder artikel 22bSr vallende vormen van geweld werden toegevoegd, voor zover dezefeiten zijn begaan tegen personen met een publieke taak. Concreet ginghet daarbij om veroordelingen voor de artikelen 300 tot en met 303 Sr,waarin mishandeling in vormen van verschillende ernst strafbaar isgesteld. Met het wetsvoorstel zou het uitgangspunt dat een taakstraf geenpassende straf is bij elke vorm van fysiek geweld tegen personen met eenpublieke taak, wettelijk worden verankerd. Dit wetsvoorstel verschiltdaarin dus ten opzichte van het initiële wetsvoorstel, omdat ditwetsvoorstel een onderscheid maakt op basis van personen met eenpublieke taak die noodhulp kunnen verlenen.2Kamerstukken II 2018/19, 35 000-VI, nr. 24.3Kamerstukken II 2018/19, 28 684, nr. 551.4Per 1 juli 2024 vindt daarbij een wijziging plaats in de betrokken verwijzing, zie Stb. 2024, 59 enKamerstukken 36 222.5Kamerstukken II 2009/2010, 32 169, nr. 3, p. 1Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 693, nr. 62 Zoals hiervoor werd aangegeven, moet bij personen met een publieketaak in het kader van dit wetsvoorstel vooral worden gedacht aandiegenen die zich niet aan een confrontatie met geweld van een derde bijde uitoefening van hun taak kunnen onttrekken door terug te treden én inhun taakuitoefening verantwoordelijk zijn voor het verlenen vannoodhulp. De beperking van hun mogelijkheden om terug te treden enzichzelf in veiligheid te brengen, vormt reden anders om te gaan metgeweldpleging tegen deze personen, en de geweldplegers dergelijk zeerlaakbaar en onaanvaardbaar gedrag zwaarder aan te rekenen dan bijvergelijkbaar geweld tegen andere personen. Aan plegers van geweldtegen personen met een publieke taak wordt een verzwaard strafrechtelijkverwijt gemaakt. Bijvoorbeeld de richtlijn die het Openbaar Ministeriemoet hanteren om een strafverzwaring van 200% op te leggen bij geweldtegen personen met een publieke taak. Initiatiefnemers constateren opbasis van WODC-onderzoek echter dat er een scheefgroei is ontstaantussen de richtlijn die het OM in theorie heeft en hoe deze in de praktijkwordt toegepast.6 Het overgrote deel van de officieren van justitie pastslechts «enige mate van strafverzwaring toe». Onder rechters en officierenbestaat namelijk «geen draagvlak» voor deze strafverhoging. De Neder-landse Politiebond noemde het niet naleven van deze richtlijn «schokkend,schrijnend en bizar». De initiatiefnemers vinden een wetswijzigingnoodzakelijk, zowel gelet op de ontwikkeling waarbij de huidige richtlijnniet wordt opgevolgd als de verharde maatschappelijke verhoudingen tenaanzien van hulpverleners.Geweld tegen personen met een publieke taak vraagt dus om eenpassende reactie. Het eerdere wetsvoorstel bepaalde dat die passendereactie in alle gevallen van geweld tegen personen met een publieke taakniet meer uitsluitend vorm kon krijgen door het opleggen van eentaakstraf. Dit zou gelden ongeacht de gevolgen die het gepleegde geweldheeft gehad. Ook strafbare pogingen zouden als gevolg van hetwetsvoorstel onder het taakstrafverbod komen te vallen. Dit wetsvoorstelheeft alleen betrekking op personen met een publieke taak die bij die taaktevens noodhulp verlenen en te maken hebben met overmatig geweld.De bijzondere aandacht voor personen met een publieke taak die metagressie en geweld te maken hebben, is niet nieuw. In dit verband kanonder meer worden gewezen op het programma Veilige Publieke Taak(hierna: VPT) van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksre-laties en op de doorgevoerde verruiming van gronden voor de voorlopigehechtenis met het oog op toepassing van snelrecht bij geweld tegenpersonen met een publieke taak. Het programma Veilige Publieke Taakheeft onder meer geleid tot strafrechtelijk beleid dat erop is gerichtgeweldplegers tegen een werknemer met een publieke taak snel en strengte straffen.7 Voorrang wordt gegeven aan de opsporing en vervolging vanverdachten, en daders mogen eerder voorlopig worden vastgezet,waardoor snelrecht en supersnelrecht mogelijk is. Over de prioriteit die bijopsporing en vervolging wordt gegeven aan geweldsfeiten tegenpersonen met een publieke taak, bestaan landelijke afspraken. Dezeeenduidige landelijke afspraken (ELA) zijn recentelijk geëvalueerd waarbijdoor de Minister van Justitie en Veiligheid ook een versterking van de6https://repository.wodc.nl/bitstream/handle/20.500.12832/3402/3376-strafverhogingen-bij-veilige-publieke-taak-delicten-volledige-tekst.pdf?sequence=1&isAllowed=y7Het VPT-programma is eind 2016 afgerond. De Tweede Kamer is per brief van 19 december2017 door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties geïnformeerd over deafronding en evaluatie van het programma, Zie Kamerstukken II 2017/18, 28 684, nr. 513. Deresultaten van de evaluatie zijn met een appreciatie door de Minister van Justitie en Veiligheidop 4 februari aan de Voorzitter van de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstukken II 2019/2028 684, nr. 596).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 693, nr. 63 uitvoering is toegezegd.8 Naast deze prioriteit bij opsporing en vervolgingwordt ook in het strafvorderingsbeleid van het openbaar ministerierekening gehouden met dat een slachtoffer van een geweldsmisdrijf isbelast met publieke taak. Zo zouden strafeisen van het openbaarministerie in die gevallen drie keer zo hoog moeten zijn als in anderegeweldszaken. Bij de straftoemeting in concrete strafzaken zijn daarnaastde landelijke oriëntatiepunten voor de straftoemeting van belang. Dezezijn door en ten behoeve van de rechtspraak vastgesteld door hetLandelijk Overleg Voorzitters Strafsectoren (LOVS).9 De oriëntatiepuntenvormen veelal het vertrekpunt bij de straftoemeting in concrete strafzaken.Ook in deze oriëntatiepunten wordt betekenis toegekend aan de omstan-digheid dat geweld werd toegepast tegen een persoon met een publieketaak. Deze omstandigheid werkt strafverzwarend en leidt tot strafverho-gingen van een derde tot honderd procent ten opzichte van de geldendeoriëntatiepunten. Op grond van artikel 304, onder 2°, Sr geldt eenwettelijke strafverzwaringsgrond voor mishandeling gepleegd tegen«ambtenaren gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening vanhun bediening». En in situaties waarin wederspannigheid bewezen wordtverklaard en tevens sprake is van enig lichamelijk letsel, volgt ook nu al uitde wet dat het taakstrafverbod van toepassing is (artikel 22b, eerste lid,onderdeel b, Sr).Er blijkt nog steeds sprake te zijn van een aanzienlijk aantal registratiesvan geweld tegen personen met een publieke taak. In 2021 werden 12.940meldingen gedaan van geweld tegen politiepersoneel. Dit aantal bleef in2022 nagenoeg gelijk met 12.895 incidenten. Ook in 2023 werden nog12.265 meldingen geregistreerd.10 Ter vergelijking: In 2017 werden er9.598 meldingen gedaan van geweld tegen hulpverleners en in 2018bedroeg dit aantal 10.781 meldingen. Er is dus sprake van een stijgendetrend. Het WODC onderzoek «Buitengewoon veilig» uit 2022 constateertdat 95% van de Boa’s slachtoffer is van verbale agressie en 68% vanintimidatie en 58% van fysieke agressie.11 Van ambulancepersoneel maakt60% maandelijks agressie mee (2022).12Recente agressie-en geweldscijfers van de politie bevestigen de urgentievan dit wetsvoorstel. In 2024 maakten politiemedewerkers 12.543 keermelding van geweld tegen politieambtenaren. Hierbij ging het in 139gevallen om poging tot doodslag, 167 keer om poging tot zware mishan-deling en 46 keer zware mishandeling.13Afgelopen jaarwisseling verliep wederom onrustig en is derhalve een vande redenen waardoor dit wetsvoorstel een spoedige behandeling moetondergaan. Er werden 295 politiemensen slachtoffer van geweld enagressie. Dat zijn er 32 meer dan vorig jaar.14 Verder werden er 49 andere8Het VPT-programma is eind 2016 afgerond. De Tweede Kamer is per brief van 19 december2017 door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties geïnformeerd over deafronding en evaluatie van het programma, Zie Kamerstukken II 2017/18, 28 684, nr. 513. Deresultaten van de evaluatie zijn met een appreciatie door de Minister van Justitie en Veiligheidop 4 februari aan de Voorzitter van de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstukken II 2019/2028 684, nr. 596).9Raadpleegbaar via https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/Orientatiepuntenenafspraken-LOVS.pdf.10https://www.politie.nl/nieuws/2024/april/15/00-verharding-samenleving-terug-te-zien-in-gtpacijfers.html11https://repository.wodc.nl/handle/20.500.12832/248112https://www.nporadio1.nl/nieuws/binnenland/d36db580-642d-4a63-8d31-6a0b64ee0d7e/bijna-60-procent-van-hulpverleners-maakt-elke-maand-agressie-mee13https://www.politie.nl/nieuws/2025/mei/6/00-opnieuw-hoge-aantallen-agressie-en-geweld-tegen-politie.html14https://nos.nl/artikel/2550795-politie-jaarwisseling-ontaardde-op-veel-plaatsen-in-geweld-envernielingTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 693, nr. 64 hulpverleners, zoals brandweermensen en ambulancemedewerkers,slachtoffer van geweld en agressie. Dit zijn er 17 meer dan vorig jaar.15Het initiële wetsvoorstel, dat aanvullend was op de hiervoor genoemdevoorzieningen, beoogde een verdere bijdrage te leveren aan het terug-dringen van geweld tegen personen met een publieke taak.16 Het initiëlewetsvoorstel is op 2 februari 2021 aangenomen in de Tweede Kamer,17maar werd op 18 oktober 2022 door de Eerste Kamer, na een hoofdelijkestemming, verworpen.18 Ondanks dat het initiële wetsvoorstel niet langgeleden is ingediend en behandeld, achten de initiatiefnemers deveranderde politieke verhoudingen in beide Kamers en recentemaatschappelijke gebeurtenissen, zoals de onrustig verlopen nieuwjaars-nacht,19 reden genoeg om dit eerdere wetsvoorstel, met een aantal kleineaanpassingen, actualiseringen en het inhoudelijke onderscheid vanhulpverleners die bij hun publieke taak noodhulp verlenen opnieuwaanhangig te maken.De inhoud van het wetsvoorstel is daarbij redelijk gelijk aan dat van hetinitiële wetsvoorstel voor een Wet uitbreiding taakstrafverbod, en ookdeze memorie van toelichting sluit tot op zekere hoogte aan bij die van hetdat eerdere wetsvoorstel.20 De initiatiefnemers hebben daarvoor gekozenaangezien de wettekst naar hun oordeel geen aanpassing vereist,uitgezonderd van het onderscheid dat in dit wetsvoorstel wordt gemaaktvan hulpverleners die noodhulp kunnen verlenen, en de daarbijbehorende toelichting en uitgebrachte adviezen nog tamelijk relevant zijn,alsmede omwille van de actualiteit, relevantie en het belang van snelleinwerkingtreding van de voorgestelde wet.2. Eerder ontvangen adviezen Over het initiële wetsvoorstel is advies ingewonnen van de Raad voor derechtspraak (Rvdr), de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR),het College van Procureurs-Generaal van het openbaar ministerie (OM),de korpschef van de politie (de politie), de Koninklijke Marechaussee, deNederlandse Orde van Advocaten (NOvA) en de reclasseringsorganisaties(3RO).21 Het initiële wetsvoorstel is daarnaast gepubliceerd op hetplatform voor internetconsultatie. Tot de respondenten behoorden ondermeer de Nederlandse Veiligheidsbranche, de Vereniging Beveiligingsorga-nisaties Nederland, de Politievakbond ACP, de gecertificeerde instellingenvoor jeugdhulp en jeugdreclassering alsmede de Koninklijke Beroepsorga-nisatie voor Gerechtsdeurwaarders.22 Ook enkele particulieren hebben ophet initiële wetsvoorstel gereageerd. Deze ingewonnen adviezen enreacties op het initiële wetsvoorstel zijn volgens de initiatiefnemers nogsteeds relevant, en op de inhoud ervan wordt derhalve in deze en devolgende paragrafen nader ingegaan. Daarbij dient wel vermeld teworden dat de ingewonnen adviezen niet volledig toepasbaar zijn op dit15https://nos.nl/artikel/2550795-politie-jaarwisseling-ontaardde-op-veel-plaatsen-in-geweld-envernieling16Zie Kamerstukken 35 528.17Zie Handelingen II 2020/21, 2 februari 2021, nr. 51, item 8. Zie ook https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/wetsvoorstellen/detail?cfg=wetsvoorsteldetails&qry=wetsvoorstel%3A35528.18Zie Handelingen I 2022/23, 18 oktober 2022, nr. 4, item 11. Zie over het verloop van debehandeling ook https://wetgevingskalender.overheid.nl/Regeling/WGK010552. Zie verder ookhttps://www.eerstekamer.nl/wetsvoorstel/35528_wet_uitbreiding. 1719https://www.politie.nl/nieuws/2025/januari/6/jaarwisseling-meer-geweld-tegenhulpverleners.html20Zie daarvoor Kamerstukken 35 528, met name de nrs. 2 en 3.21Bij de behandeling van het initiële wetsvoorstel (35 528) ter inzage gelegd bij het CentraalInformatiepunt Tweede Kamer.22Bij de behandeling van het initiële wetsvoorstel (35 528) ter inzage gelegd bij het CentraalInformatiepunt Tweede Kamer. Zie voor de reacties ook https://www.internetconsultatie.nl/1537.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 693, nr. 65 wetsvoorstel, gezien de veranderde definitie van «personen met eenpublieke taak».De politie is van oordeel dat geweld tegen politiemedewerkers onaccep-tabel is. De politie verwelkomde de in het initiële wetsvoorstel voorge-stelde uitbreiding van het taakstrafverbod en zag daarin een erkenningvan het uitgangspunt dat geweld tegen hulpverleners een zeer ernstigstrafbaar feit is waarop een vrijheidsbenemende sanctie dient te volgen.De politie wees erop dat een stevig optreden tegen geweldplegers in dezin van het wetsvoorstel door politiemedewerkers als een morele steunwordt ervaren. Deze medewerkers zien in een kale taakstraf bij geweldjegens personen die zich inzetten in het kader van de handhaving van deorde of veiligheid geen passende sanctie. Het opleggen van een kaletaakstraf druist in tegen hun rechtvaardigheidsgevoel. In paragraaf 3 komthet toenmalige advies van de politie ook hier nader aan de orde.De Koninklijke Marechaussee had met voldoening van het initiëlewetsvoorstel kennisgenomen. Zij gaf in haar advies aan het doel van hetwetsvoorstel van harte te onderschrijven en onderstreepte het belang vaneen passende bestraffing van mensen die geweld plegen tegen personenmet een publieke taak. De Koninklijke Marechaussee had voor het overigegeen inhoudelijke opmerkingen gemaakt bij het wetsvoorstel.Ook de politievakbond ACP steunde het initiële wetsvoorstel en vroegaandacht voor de uitvoeringsconsequenties. De ACP toonde zichvoorstander van een uitbreiding van het wetsvoorstel tot situaties vanopenlijke geweldpleging als bedoeld in artikel 141 Sr. Dit komt ook hiernader aan de orde in paragraaf 3.3.2 van deze memorie van toelichting.Het OM zei met belangstelling kennis te hebben genomen van het initiëlewetsvoorstel. Het College zag daarnaast geen aanleiding tot het makenvan op- of aanmerkingen.Ook de Nederlandse Veiligheidsbranche en de Vereniging Beveiligingsor-ganisaties Nederland steunden het initiële wetsvoorstel. Deze brancheor-ganisaties stelden zich op het standpunt dat het initiële wetsvoorstel ookbeveiligers en verkeersregelaars tegen geweldplegers zou moetenbeschermen. Zoals hierna in paragraaf 3.3.1 van deze memorie wordtbesproken, is dit in het initiële wetsvoorstel wel het geval geweest, maarmaakt deze toevoeging geen onderdeel uit van dit wetsvoorstel.De Rvdr toonde zich in zijn advies geen voorstander van het initiëlewetsvoorstel. De Rvdr had ernstige bezwaren tegen het wetsvoorstel enadviseerde met klem van indiening af te zien. De Rvdr citeerde zijn eerderuitgebrachte advies van 6 februari 2009 bij het wetsvoorstel waarmee hettaakstrafverbod werd geïntroduceerd en bracht de daarin geuite bezwarenopnieuw naar voren. Op het debat dat over de introductie van hettaakstrafverbod is gevoerd, wordt hierna in paragraaf 3.1 ingegaan. Hetwetsvoorstel streefde een uitbreiding na van het bestaande taakstraf-verbod. Het ging daarbij om situaties van geweld tegen personen met eenpublieke taak. Die voorgestelde uitbreiding stuitte bij de Rvdr op hetbezwaar dat mishandeling zich voordoet in vele verschijningsvormen endat in de afdoening van geweldszaken juist ruimte zou moeten bestaanvoor maatwerk. De opmerkingen van de Rvdr hadden aanleiding gegevenin de memorie verhelderende toevoegingen op te nemen in de onder-delen die zich daarvoor lenen. Ook werden de redactionele opmerkingenvan de Rvdr overgenomen. Het advies van de Rvdr gaf verder aanleidingop te merken dat het wetsvoorstel geen wijzigingen aanbrengt in deplaats die de taakstraf in het bestaande sanctiepallet inneemt. Anders dande RvdR meende, kon er volgens de regering aandacht bestaan voor depersoonlijkheid van de verdachte en eventueel verzachtende omstandig-heden waaronder het geweld is gepleegd. In paragraaf 3.1 wordt hieropTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 693, nr. 66 ook nader teruggekomen. De Rvdr vestigde in zijn advies verder aandachtop de genoemde oriëntatiepunten voor de straftoemeting van het LOVS.Ook in die oriëntatiepunten is een strafverzwaring opgenomen voorvormen van geweld tegen personen met een publieke taak. Aan dezeoriëntatiepunten ligt de gedachte ten grondslag dat geweld tegenpersonen met een publieke taak onwenselijk is en tot een zwaarderebestraffing aanleiding kan geven. Dat was ook het vertrekpunt van hetinitiële van dit wetsvoorstel. Een verschil met de oriëntatiepunten wasvolgens de regering verder dat het wetsvoorstel een afdoening met eentaakstraf uitsluit bij geweld tegen personen met een publieke taak terwijlde oriëntatiepunten voor een afdoening met een taakstraf wél nog ruimtebieden, ook al zal de taakstraf door de strafverhoging in de oriëntatie-punten mogelijk van langere duur zijn. Het initiële wetsvoorstel koos alsuitgangspunt dat voor dergelijk geweld een andere sanctiemodaliteit ophaar plaats is. Dit voorstel sluit in die zin aan op de kritiek van de Rvdr,omdat dit wetsvoorstel slechts van invloed is op personen met eenpublieke taak die bij die taak noodhulp verlenen.Ook de NVvR had in haar advies aandacht over het initiële wetsvoorstelgevraagd voor de mogelijkheden om in een individueel geval te komen toteen adequate straftoemeting. De NVvR wees in dat verband op demogelijke consequenties van de uitbreiding van het taakstrafverbod bijverdachten met psychiatrische aandoeningen of beperkingen zoalszwakbegaafdheid. Verder wees de NVvR op situaties waarin een heftigeemotie bij een verdachte bij het plegen van een geweldsmisdrijf een rolhebben gespeeld, bijvoorbeeld omdat hij een naaste van het slachtoffer isbij het voorval waarbij hulp wordt verleend of orde wordt gehandhaafd.Daarnaast meende de NVvR dat het doel van het wetsvoorstel ook meteen aangescherpt rekwireerbeleid zou kunnen worden bewerkstelligd. Inreactie merkte de regering op dat het rekwireerbeleid van het openbaarministerie inderdaad een rol speelde bij het inscherpen van de norm datgeweld tegen personen met een publieke taak onacceptabel is. Dit komtook tot uitdrukking in het hiervoor in de inleiding van deze memorie vantoelichting al beschreven VPT-beleid. Het initiële wetsvoorstel lag in hetverlengde hiervan en sloot in de door het wetsvoorstel voorziene gevalleneen afdoening met een taakstraf uit. Tegen de achtergrond van het reedsbestaande taakstrafverbod in artikel 22b Sr lag het naar het oordeel vande regering juist op de weg van de wetgever om, waar het noodzakelijkwordt geacht de mogelijkheid een taakstraf op te leggen te beperken, diebeperking juist wettelijk te verankeren. Ten slotte vroeg ook de NVvRverheldering van het begrip «persoon in de uitoefening van een publieketaak in het kader van de handhaving van de orde of veiligheid». Dezeonduidelijkheid is volgens de initiatiefnemers verholpen, omdat er in ditwetsvoorstel een onderscheid wordt gemaakt op basis van in hoeverrehet verlenen van noodhulp in het verantwoordelijke takenpakket zit.De NOvA was van mening dat de beoordelingsvrijheid van de rechterlijkemacht met het initiële wetsvoorstel werd beperkt en schreef in zijn adviesdat ook zeer lichte vergrijpen door dat wetsvoorstel altijd tot het opleggenvan een gevangenisstraf zouden leiden. Dit was volgens de regering niethet geval. In het voorstel lag volgens de regering besloten dat geweldtegen een persoon met een publieke taak een ernstig vergrijp is en welzodanig ernstig dat een afdoening met een taakstraf niet passend is. In diegevallen komt een gevangenisstraf in beeld. Als de bijzondere omstandig-heden waaronder het feit is begaan daartoe aanleiding geven, kan dit ookeen kortdurende straf zijn. Voorop stond in het initiële wetsvoorstelevenwel dat bij geweldpleging tegen personen met een publieke taak vooreen taakstraf geen plaats is. Het advies van de NOvA gaf voor de regeringverder aanleiding om in herinnering te roepen dat het de verantwoorde-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 693, nr. 67 lijkheid van de wetgever is om in de wet aan te geven welke straffenkunnen worden opgelegd en onder welke omstandigheden, mede geletop de beleving van een straf in de samenleving. Van een inbreuk op hetdomein van de rechter waarover de NOvA in zijn advies sprak, wasvolgens de regering dan ook geen sprake. Evenmin lag volgens deregering aan het initiële wetsvoorstel een gevoel van wantrouwen jegensde rechter ten grondslag, zoals de NOvA meende. Ook de NOvA had tenslotte aandacht gevraagd voor de reikwijdte van het voorstel.Reclassering Nederland had over het initiële wetsvoorstel adviesuitgebracht mede namens het Leger des Heils, Jeugdbescherming &Reclassering en de Stichting Verslavingsreclassering GGZ (samen 3RO).De 3RO waren van mening dat elke vorm van geweld tegen personen meteen publieke taak passend moet worden bestraft. Dit gold volgens dereclassering ook indien geweld zich richt tegen reclasseringsmede-werkers. Voor de voorgestelde uitbreiding zagen de 3RO evenwel geenaanleiding. De 3RO waren van mening dat de taakstraf een effectievesanctie kan zijn en voorts dat het mogelijk zou moeten zijn een voorwaar-delijke straf met de taakstraf te combineren. De 3RO bepleitten dan ook deherinvoering van deze mogelijkheid. Verder vroegen de 3RO aandachtvoor de verstrekking van een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG). Eenmogelijk neveneffect van het voorstel zou kunnen zijn dat de veroordeeldeminder snel voor een VOG in aanmerking kwam omdat bij de toekenningvan de VOG betekenis wordt toegekend aan de afdoeningswijze vangepleegde strafbare feiten. Dit wetsvoorstel sluit derhalve beter aan bij dekritiek van de 3RO.De gecertificeerde instellingen hebben als advies over het initiëlewetsvoorstel een pamflet voorgelegd getiteld «Handen af van onzejeugdbeschermers». Hierin werd aandacht gevraagd voor de positie vanjeugdbeschermers en jeugdreclasseerders die veelvuldig met agressie inaanraking komen. De gecertificeerde instellingen waren van oordeel datook jeugdbeschermers onder de werking van het wetsvoorstel zoudenmoeten vallen. Ook vroegen zij aandacht voor de uitvoering van hetVPT-beleid dat volgens het pamflet jegens jeugdbeschermers nogtekortschoot. Dit wetsvoorstel strekt er, in tegenstelling tot het initiëlewetsvoorstel, niet toe om ook jeugdbeschermers en jeugdreclasseerdersonder het taakstrafverbod te laten vallen.Ook de Koninklijke Beroepsorganisatie voor Gerechtsdeurwaarders(KBvG) onderschreef de doelstelling van het initiële wetsvoorstel, namelijkdat het onaanvaardbaar is om plegers van geweld tegen personen die zichbij uitstek dienstbaar aan de samenleving opstellen, te bestraffen doormiddel van een taakstraf. Deze beroepsorganisatie was van oordeel dat deuitbreiding van het taakstrafverbod ook moest gelden bij geweld tegengerechtsdeurwaarders. Verder vroeg de KBvG aandacht voor de mogelijk-heden aangifte te doen. De regering merkte hierover op dat dit, zoalshiervoor aangegeven, is betrokken bij de aanscherping van de uitvoeringvan het ELA-beleid. De regering verhelderde ook dat de gerechtsdeur-waarders functionarissen zijn waarop het initiële wetsvoorstel ziet. Ditwetsvoorstel voorziet hier echter niet meer in. Het advies van de KBvG gafoverigens geen aanleiding de regels inzake de bewijskracht vanprocessen-verbaal opgesteld door de gerechtsdeurwaarder, aan tepassen. Een «proces-verbaal van constatering» kan in de strafprocedureook nu al een rol spelen en bijdragen aan het bewijs dat de verdachtegeweld heeft gepleegd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 693, nr. 68 3. De uitbreiding van het taakstrafverbod 3.1 Inhoud en totstandkoming taakstrafverbod Het taakstrafverbod in artikel 22b Sr is ooit ingevoerd vanuit de gedachtedat een wettelijke positionering van de taakstraf als een passende strafvoor naar verhouding lichtere strafbare feiten, voor betrokkenen in destrafrechtspleging en voor de justitiabele maximaal helderheid biedt overde toepassing ervan.23 In dit onderdeel van de toelichting wordt kortingegaan op het bestaande taakstrafverbod, de vormgeving en totstand-koming.In artikel 22b, eerste lid, onderdeel a, Sr wordt bepaald dat een taakstrafniet kan worden opgelegd voor een misdrijf waarop naar de wettelijkeomschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld(formeel criterium) en dat een ernstige inbreuk op de lichamelijkeintegriteit van het slachtoffer ten gevolge heeft gehad (materieelcriterium). De in artikel 22b, eerste lid, onderdeel a, Sr genoemdevereisten hebben als doel het opleggen van een taakstraf uit te sluiten ingeval van ernstige zeden- en geweldsmisdrijven. Het genoemde formelecriterium sluit aan bij de opvatting van de wetgever over de ernst van eendelict, welke opvatting tot uitdrukking komt in de hoogte van de maximalestraf die voor een bepaald misdrijf kan worden opgelegd. Het materiëlecriterium staat in het teken van de gevolgen die het gepleegde misdrijfheeft gehad. Een kale taakstraf kan niet worden opgelegd indien hetmisdrijf bovendien een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit vanhet slachtoffer ten gevolge heeft gehad. Bij zeden- en geweldsmisdrijvenis in beginsel steeds sprake van inbreuken op de lichamelijke integriteit.De ernst van de inbreuk kan verschillen. De ernst van de inbreuk op delichamelijke integriteit is zo medebepalend voor de mogelijkheid om eentaakstraf op te leggen. Zijn de gevolgen voor de lichamelijke integriteitvan het slachtoffer beperkt gebleven, dan kan wel een kale taakstrafworden opgelegd.24De regering is bij de totstandkoming van het taakstrafverbod naderingegaan op de verhouding tussen de inbreuk op de lichamelijkeintegriteit en lichamelijk letsel. Daarbij is overwogen dat een inbreuk opde lichamelijke integriteit niet hetzelfde is als lichamelijk letsel. Zo kan erzeker bij zedenmisdrijven sprake zijn van een ernstige inbreuk op delichamelijk integriteit, zonder dat daarbij sprake is van lichamelijk letsel.Aan de andere kant is bij lichamelijk letsel wel altijd sprake van eeninbreuk op de lichamelijke integriteit. In de gevallen waarin het misdrijfbeperkt lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad, is geen sprake van eenzo ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit dat daarom het opleggenvan een taakstraf is uitgesloten.25 De combinatie van het formele en hetmateriële criterium geldt niet voor enkele in artikel 22b, eerste lid,onderdeel b, Sr nader omschreven misdrijven. De ernst van dezemisdrijven en de bescherming die deze artikelen beogen te bieden aanminderjarigen en aan personen werkzaam in publieke dienst, hebben bijde invoering van het taakstrafverbod voldoende reden gevormd een kaletaakstraf bij veroordeling uit te sluiten. Het gaat dan om een veroordelingwegens artikel 181 (wederspannigheid dat (zwaar) letsel tot gevolg heeft),artikel 240b (kinderpornografie), artikel 248a (verleiding), artikel 248b(jeugdprostitutie), artikel 248c (het bijwonen van seksshows met minderja-rigen) en artikel 250 Sr (koppelarij). Bij veroordeling voor deze misdrijvenkan derhalve geen kale taakstraf worden opgelegd, ongeacht of demisdrijven een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het23Vgl. Kamerstukken II, 2009/10, 32 169, nr. 7, p. 5.24Kamerstukken II 2009/10, 32 169, nr. 3, p. 8–9.25Kamerstukken II 2009/10, 32 169, nr. 3, p. 8–9.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 693, nr. 69 slachtoffer ten gevolge hebben gehad.26 Artikel 22b, tweede lid, Srvoorziet ten slotte in het uitsluiten van de taakstraf in het geval vanrecidive. Deze beperking van de mogelijkheden om in geval van recidiveeen kale taakstraf op te leggen heeft betrekking op misdrijven in hetalgemeen en ziet niet alleen op ernstige zeden- en geweldsmisdrijven.Indien een verdachte een misdrijf pleegt en er in de vijf daaraan vooraf-gaande jaren al wegens een ander soortgelijk misdrijf een taakstraf aanhem werd opgelegd, kan niet opnieuw een taakstraf worden opgelegd.27Bij de totstandkoming van het taakstrafverbod heeft aandacht bestaanvoor de vraag hoe het verbod om in voorkomende gevallen een kaletaakstraf op te leggen, zich verhoudt tot de vrijheid die de rechter toekomtbij de straftoemeting.28 In het debat is van de zijde van de regering naarvoren gebracht dat het taakstrafverbod de noodzakelijke verduidelijkingbiedt van de opvattingen van de wetgever over de strafwaardigheid vanenkele veelvoorkomende strafbare feiten, terwijl het ook de verantwoor-delijkheid van de wetgever is om in de wet aan te geven welke straffenkunnen worden opgelegd en onder welke omstandigheden, mede geletop de beleving van een straf in de maatschappij. Daarbij is van de zijdevan de regering aangegeven dat, in lijn met de oorspronkelijke bedoelingvan de wetgever bij invoering van de taakstraf als zelfstandige hoofdstraf,de taakstraf moet worden gezien als een passende straf voor naarverhouding lichtere strafbare feiten. De met het ingevoerde taakstraf-verbod gegeven verheldering over de visie van de wetgever op detaakstraf, biedt zo voor alle betrokkenen in de strafrechtspleging en voorde justitiabele helderheid over de toepassing ervan.In het geclausuleerde taakstrafverbod komt zo de opvatting van dewetgever over de plaats van de taakstraf tot uiting. De wettelijke regelingdraagt bij aan de rechtszekerheid, méér dan het geval is bij een algemeneverwijzing naar de bedoeling van de wetgever bij de invoering van detaakstraf. Het taakstrafverbod is geen generiek verbod tot het opleggenvan een taakstraf bij alle feiten die als bijzonder ernstig zouden kunnenworden aangemerkt. Het gaat om bepaalde aangewezen feiten ensituaties in het bijzonder, waarbij invoelbaar is dat een afdoening met eenkale taakstraf als maatschappelijk onaanvaardbaar moet wordenbeschouwd.Bij die gedachte wordt ook met het onderhavige wetsvoorstel aansluitinggezocht. Met de opstellers van eerdergenoemde motie zijn de initiatief-nemers van oordeel dat elke vorm van fysiek geweld tegen personen meteen publieke taak die noodhulp verlenen dusdanig ernstig en laakbaar is,dat een afdoening met een taakstraf niet passend is. Dit geldt ook insituaties waarin het geweld niet tot (ernstig) letsel heeft geleid en er geensprake is van een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van defunctionaris. Voor de gevallen waarin dit wel het geval is, zo volgt uit hetvoorgaande, geldt immers reeds een taakstrafverbod.Het onderscheid dat in dit wetsvoorstel is gemaakt is op basis van inhoeverre een hulpverlener bij diens publieke taak noodhulp verleent.Hieronder worden politieagenten, brandweermensen, ambulancemede-werkers en buitengewoon opsporingsambtenaren geschaard. Deze groephulpverleners, die in hun dagelijkse werk dus belegd zijn met het verlenenvan noodhulp, hebben in hun werk in onevenredige mate te maken metagressie en geweld. Voor deze groep hulpverleners is het daarom dermatevan belang dat er zo spoedig mogelijk een taakstrafverbod voor geweldtegen hen komt.26Kamerstukken II 2009/10, 32 169, nr. 3, p. 10.27Kamerstukken II 2009/10, 32 169, nr. 3, p. 10.28Kamerstukken II 2009/10, 32 169, nr. 3, p. 6.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 693, nr. 610 Zoals in paragraaf 2 aangegeven, hebben de NVvR, de Rvdr, de NOvA ende 3RO in hun eerdere adviezen over het initiële wetsvoorstel aandachtgevraagd voor de mogelijkheden de taakstraf in voorkomende gevallen tecombineren met andere sancties. In situaties waarin het taakstrafverbodgeldt, zou de taakstraf moeten kunnen worden gecombineerd met een(deels) voorwaardelijke vrijheidsstraf.De regering merkte naar aanleiding daarvan op dat als gevolg van detweede nota van wijziging bij het wetsvoorstel waarmee het taakstraf-verbod in artikel 22b Sr werd opgenomen,29 de mogelijkheid is komen tevervallen om bij ernstige zeden- en geweldsmisdrijven en in geval vanrecidive een taakstraf op te leggen in combinatie met een voorwaardelijkevrijheidsstraf. Als gevolg van het door de Tweede Kamer aanvaardeamendement Van Toorenburg bij dat wetsvoorstel,30 kan in deze gevallende taakstraf wél worden gecombineerd met een onvoorwaardelijkevrijheidsstraf. Het onderhavige wetsvoorstel laat deze uitgangspunten, netals eerder het initiële wetsvoorstel, ongemoeid. Ook de door de Rvdr bijzijn advies over het initiële wetsvoorstel gememoreerde wetsevaluatie uit2017 had de regering geen aanleiding gegeven tot een heroverweging vande regeling op dit punt. Dit was, zoals de Rvdr ook constateerde, nogrecentelijk voor het initiële wetsvoorstel naar voren gebracht in debeleidsreactie van de Minister voor Rechtsbescherming op ditonderzoek.31 In de brief van 14 maart 2019 van de Minister voor Rechtsbe-scherming aan de Voorzitter van de Eerste Kamer, houdende de beant-woording van schriftelijke vragen over genoemde beleidsreactie,32 ishierop door de regering een nadere toelichting gegeven. Recidivebe-perking door het gebruik van gedragsbeïnvloedende maatregelen diedoor middel van een voorwaardelijke straf kunnen worden afgedwongen,is, net als eerder het initiële wetsvoorstel, met het onderhavigewetsvoorstel niet beoogd. Bij geweld tegen personen in de uitoefeningvan een publieke taak die noodhulp verlenen worden sanctiedoelen alsvergelding en preventie naar het oordeel van de initiatiefnemers, eneerder de regering bij het initiële wetsvoorstel, onvoldoende gediend meteen taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Eenonvoorwaardelijke gevangenisstraf is bij deze vormen van geweld eenpassende bestraffing. De taakstraf als hoofdstraf, eventueel in combinatiemet een voorwaardelijke vrijheidsstraf en gedragsbeïnvloedendemaatregelen, zien de initiatiefnemers ook als een passende straf voorminder ernstige strafbare feiten. Daarbij biedt het wetsvoorstel ook naarhet oordeel afdoende ruimte om bijzondere omstandigheden, gelegen inde persoonlijkheid van de verdachte of de omstandigheden waaronderhet feit is begaan, in de rechterlijke beoordeling te betrekken. Dit isonlangs nog bevestigd in de jurisprudentie.33 Enkele door de Rvdr, deNOvA en de NVvR aangedragen situaties, waarin sprake is van kwetsbareof hevig geëmotioneerde verdachten, kunnen voorts aanleiding vormentoepassing te geven aan de wettelijke strafuitsluitingsgronden zoals(psychische) overmacht of ontoerekenbaarheid.3.2 In gevallen waarin een taakstrafverbod geldt, kan ook geen geldboeteworden opgelegd Een taakstraf is een afdoeningsvorm bij naar verhouding lichtere delicten.Deze opvatting van de wetgever over de plaats van de taakstraf in hetsanctiepalet ligt ook aan de hier voorgestelde uitbreiding van hettaakstrafverbod ten grondslag. Een taakstraf moet worden gezien als een29Kamerstukken II 2010/11, 32 169, nr. 9.30Kamerstukken II 2010/11, 32 169, nr. 12.31Kamerstukken II 2017/18, 29 279, nr. 456.32Kamerstukken I, 2018/2019, 32 169, G.33Vgl. HR 20 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:202.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 693, nr. 611 lichtere straf dan de vrijheidsstraf. Anderzijds is de taakstraf eenzwaardere straf dan de geldboete. Deze waardering door de wetgever vande relatieve zwaarte van de sancties is neergeslagen in artikel 9 Sr waar inhet eerste lid, onderdeel a, de hoofdstraffen zijn opgesomd. Zoals uitartikel 61 Sr volgt, staan de vrijheidsstraffen (gevangenisstraf voormisdrijven en hechtenis voor overtredingen) qua relatieve zwaarte bovende taakstraf (onderdeel 3°). Deze beide sanctiesoorten staan op hun beurtboven de geldboete (onderdeel 4°). Hieruit volgt dat het niet mogelijk isvoor de taakstraf een geldboete in de plaats te stellen. Waar het taakstraf-verbod geldt, is aldus de enige passende sanctie een vrijheidsstraf. Hetvoorgaande werd door de regering aangegeven in de toelichting bij hetinitiële wetsvoorstel, en diende ook als reactie op de bij dat voorstelgemaakte opmerking door de NOvA, de Rvdr en de NVvR dat, indien dewetgever van oordeel is dat in gevallen waarin geen taakstraf kan wordenopgelegd, ook geen geldboete kan worden opgelegd, dit uitgangspunt ophet niveau van de wet verankering zou moeten vinden. De NOvA meende,onder aanhaling van de jurisprudentie van de Hoge Raad over demogelijkheden de taakstraf te combineren met een reeds in verzekeringdoorgebrachte tijd verrekenende gevangenisstraf,34 dat onder de werkingvan het bestaande taakstrafverbod een geldboete kan worden opgelegd insituaties waarin van het opleggen van een taakstraf op grond van de wetmoet worden afgezien. Die opvatting kon volgens de regering echter nietaan het door de NOvA aangehaalde arrest worden ontleend. De beslissinghad volgens de regering enkel betrekking op de mogelijkheden om eentaakstraf in voorkomende gevallen met een gevangenisstraf te combi-neren. In lijn met hetgeen daarover bij de totstandkoming is overwogen,oordeelt de Hoge Raad dat in situaties waarop het taakstrafverbod ziet, detaakstraf wél kan worden gecombineerd met een onvoorwaardelijkegevangenisstraf. Op de geldboete had de aangehaalde beslissing volgensde regering geen betrekking.3.3 De voorgestelde uitbreiding van het taakstrafverbod Met dit wetsvoorstel wordt beoogd door een uitbreiding van artikel 22b Srtot uitdrukking te brengen dat het opleggen van een kale taakstraf ingevallen van fysiek geweld tegen personen met een publieke taak die inhun taak noodhulp kunnen verlenen geen passende sanctie is. Met hetoog hierop wordt in het eerste lid van artikel 22b Sr een onderdeeltoegevoegd waarin wordt verwezen naar de misdrijven omschreven in deartikelen 300 tot en met 303 Sr, indien het misdrijf is begaan tegen – kortgezegd – een persoon in de uitoefening van zijn publieke taak dienoodhulp zal verlenen, te weten politieagenten, brandweermensen,ambulancemedewerkers en buitengewoon opsporingsambtenaren.3.3.1 De reikwijdte van het wetsvoorstel Het wetsvoorstel heeft betrekking op situaties van fysiek geweld gepleegdtegen «een ambtenaar van politie, een medewerker van de brandweer ofambulance of een buitengewoon opsporingsambtenaar in de uitoefeningvan zijn publieke taak in het kader van de handhaving van de orde ofveiligheid, en het verlenen van noodhulp». De beperking van de mogelijk-heden om bij geweld tegen de genoemde personen een taakstraf op teleggen, vindt haar rechtvaardiging in de omstandigheid dat zij vanwegede aard van hun werkzaamheden eenvoudig in een situatie kunnengeraken waarin zij geen stap terug kunnen doen zonder dat dit mogelijkernstige consequenties heeft. Temeer omdat zij bij het verlenen vannoodhulp doorgaans als eerste ter plekke zijn. Hun handelingsperspectiefis beperkt en er bestaat geen ruimte om de-escalerend op te treden ofgemoederen tot bedaren te brengen, bijvoorbeeld door afwachtend te34Vgl. HR 20 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:202.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 693, nr. 612 zijn. Het zijn deze omstandigheden die het plegen van geweld jegens dezepersonen extra ernstig en strafwaardig maken en die leiden tot hetverzwaard strafrechtelijk verwijt dat in het voorgestelde taakstrafverbodtot uiting komt.In dit onderdeel van de memorie van toelichting komen de afzonderlijkeelementen van artikel 22b, eerste lid, onderdeel c, Sr nader aan bod. Eerstwordt daarbij ingegaan op de beroepsgroepen die onder de reikwijdte vanhet wetsvoorstel vallen. Vervolgens wordt stilgestaan bij het onderdeel«in de uitoefening van zijn publieke taak in het kader van de handhavingvan de orde of veiligheid, en het verlenen van noodhulp» dat de reikwijdtevan het wetsvoorstel nader normeert.Personen met een publieke taak in de zin van dit wetsvoorstel zijnambtenaren van politie, medewerkers van de brandweer of ambulance enbuitengewoon opsporingsambtenaren, indien zij in de uitoefening vanhun publieke taak noodhulp zullen verlenen en met geweld wordengeconfronteerd. Politiemensen en hulpverleners worden afzonderlijkbenoemd. Reden voor het afzonderlijk benoemen van deze beroeps-groepen is dat het werk van deze functionarissen het doel van hetwetsvoorstel zo nadrukkelijk onderstreept. De ongeregeldheden die ookde afgelopen jaarwisselingen ontsierden, maken dit goed invoelbaar. Degelijktijdige inzet van meerdere hulpdiensten en ondersteuning door demobiele eenheid was op veel plaatsen noodzakelijk om de orde tehandhaven en in de veiligheid te voorzien. In veel gevallen werd doorgeweldplegers ook doelbewust een gewelddadige confrontatie metpolitiemensen en hulpverleners aangegaan. Juist politiemensen enhulpverleners zijn in de frontlinie werkzaam. Een taakstraf is in dit soortsituaties niet op zijn plaats, zo menen ook de initiatiefnemers. Devreselijke gebeurtenissen tijdens de jaarwisseling bevestigen de redenwaarop de initiatiefnemers hun onderscheid baseren. Politieagenten,brandweermensen, ambulancemedewerkers en buitengewoon opspo-ringsambtenaren zijn bij uitstek de personen met een publieke taak dietijdens de jaarwisseling worden geconfronteerd met buitensporig enonevenredig geweld. Zij hebben gezien hun functie nauwelijks demogelijkheid om geen (nood)hulp te verlenen wanneer dit genoodzaakt is.De groep «overige» personen met een publieke taak die in het initiëlewetsvoorstel was opgenomen is hiermee verkleind.Het voorgestelde artikel 22b, eerste lid, onderdeel c, Sr houdt naast eenaanduiding van de personen met een publieke taak ook in dat het moetgaan om «in de uitoefening van een publieke taak in het kader van dehandhaving van de orde of veiligheid». Juist in het kader van dehandhaving van deze orde of veiligheid kunnen zich situaties voordoenwaarin de functionaris niet kan terugtreden om zich aan geweld teonttrekken. De zinsnede «uitoefening van een publieke taak in het kadervan de handhaving van de orde of veiligheid» moet worden gezien als eenautonoom begrip dat betekenis heeft in de context van de hier voorzieneuitbreiding van het taakstrafverbod. Binnen de gekozen definitie is onder«de handhaving van de orde» zowel de handhaving van de rechtsorde teverstaan (rechtshandhaving) als de handhaving van de openbare orde.Met de verwijzing naar de «veiligheid» wordt vooral gedoeld op hulpver-leners zoals ambulancepersoneel en brandweerlieden die met hunwerkzaamheden veiligheid in stand houden, herstellen of vergroten.Onder «het verlenen van noodhulp» wordt verstaan zij die in huntaakuitoefening ook verantwoordelijk zijn voor het verlenen van hulp vanslachtoffers van acute noodsituaties.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 693, nr. 613 De politie signaleerde in haar eerder advies bij het initiële wetsvoorstel,dat dat wetsvoorstel zo aansloot bij de in de inleiding op deze memorievan toelichting genoemde ELA. Het initiële wetsvoorstel, en ditwetsvoorstel ligt inderdaad in het verlengde van de inspanningen die alworden verricht om geweld tegen personen met een publieke taak terugte dringen. Al zorgt de begripswijziging in dit wetsvoorstel voor een ietsmindere invulling van deze aansluiting.Het gekozen begrip van «in de uitoefening van een publieke taak in hetkader van de handhaving van de orde of veiligheid, en het verlenen vannoodhulp» verlangt tot slot dat voor de geweldpleger ook kenbaar is dathij van doen heeft met een persoon die een publieke taak uitoefent. Ookde Rvdr stelde dit in zijn advies bij het initiële wetsvoorstel aan de orde, alhad dat advies betrekking op een bredere doelgroep. Zonder diekenbaarheid kan de geweldpleger hieromtrent immers geen verzwaardstrafrechtelijk verwijt worden gemaakt. In de voorgestelde regeling komtdit terug met de formulering dat de persoon met de publieke taak «in deuitoefening» van zijn taak wordt geconfronteerd met geweld. In de praktijkzal dit al snel zichtbaar zijn doordat de persoon met de publieke taak eenuniform of andere onderscheidende uitrusting draagt, dit is zeker hetgeval bij de afkadering van de doelgroep waar dit wetsvoorstel betrekkingop heeft. Naar aanleiding van het advies van de Rvdr merken ook deinitiatiefnemers in dit verband op dat voor de toepasselijkheid van hettaakstrafverbod niet van betekenis is of de taakuitoefening door depersoon met een publieke taak belast, rechtmatig was.Zoals in paragraaf 2 van deze memorie van toelichting is aangegeven,werd in de advisering bij het initiële wetsvoorstel verduidelijkinggevraagd op de reikwijdte van het wetsvoorstel. De richting van deadviezen liep daarbij uiteen. Door diverse adviesorganen, zoals de Rvdr,de NVvR en de NOvA werd de vrees uitgesproken voor een extensieveuitleg van het begrip «persoon in de uitoefening van een publieke taak inhet kader van de handhaving van de orde of veiligheid». Deze adviesor-ganen hebben in overweging gegeven in de wet of in de memorie vantoelichting bij het toenmalige wetsvoorstel een (limitatieve) opsommingte geven van personen die onder dit begrip vallen. Aan deze oproep is indit wetsvoorstel wel uitvoering gegeven, omdat dit wetsvoorstel slechtsbetrekking heeft op politieagenten, brandweermensen, ambulancemede-werkers en buitengewoon opsporingsambtenaren. Andere adviesorganenvroegen zich daarentegen af of bepaalde categorieën van personen welkonden worden aangemerkt als personen met een publieke taak in de zinvan het wetsvoorstel. Hiertoe behoorden onder meer de gecertificeerdeinstellingen, de Nederlandse Veiligheidsbranche, de Vereniging Beveili-gingsorganisaties Nederland en de Koninklijke Beroepsorganisatie voorGerechtsdeurwaarders. Ook dit probleem is niet meer van toepassing opdit wetsvoorstel. Voor het overige is aan de adviezen gevolg gegevendoor ook bij dit wetsvoorstel zowel in de tekst van het wetsvoorstel als inde memorie van toelichting te verhelderen op welke beroepsgroepen hetwetsvoorstel betrekking heeft. Er is voor gekozen een opsomming tegeven van een viertal beroepsgroepen van personen die onder de werkingvan het wetsvoorstel vallen. Dit betreft, zoals hiervoor toegelicht, deambtenaren van politie, medewerkers van de brandweer en ambulance enbuitengewoon opsporingsambtenaren. Deze personen vallen zo onder dereikwijdte van het uitgebreide taakstrafverbod indien tegen hen geweldwerd gepleegd in de uitoefening van hun publieke taak in het kader vande handhaving van orde en veiligheid en het verlenen van noodhulp. Deinitiatiefnemers menen dat het gehanteerde begrippenkader voldoendebepaald is, en dat voor een extensieve uitleg niet meer hoeft te wordengevreesd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 693, nr. 614 3.3.2 Vormen van geweld: mishandeling in de zin van de artikelen 300–303Sr De uitbreiding van het taakstrafverbod, zoals voorgesteld in ditwetsvoorstel, betreft de vormen van mishandeling die strafbaar zijngesteld in de artikelen 300 tot en met 303 Sr. Hier worden onderscheiden«(eenvoudige) mishandeling» (artikel 300 Sr), «mishandeling metvoorbedachten rade» (artikel 301 Sr), «zware mishandeling» (artikel 302Sr) en «zware mishandeling met voorbedachten rade» (artikel 303 Sr).Gelet op de wettelijk voorziene strafbedreigingen vallen enkele van de inartikelen 300 tot en met 303 Sr genoemde vormen van mishandeling ooknu al onder taakstrafverbod. Dit is het geval wanneer op het specifiekemisdrijf een gevangenisstraf van meer dan zes jaren is gesteld en hetgeweld tot een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit heeft geleid.In het navolgende wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze hetwetsvoorstel in een uitbreiding voorziet.Feiten die ook nu reeds onder het taakstrafverbod vallen zijn deeenvoudige mishandeling die de dood tot gevolg heeft (artikel 300, derdelid, Sr), de mishandeling met voorbedachte rade die zwaar letsel of dedood tot gevolg heeft (artikel 301, tweede en derde lid, Sr), de zwaremishandeling en de zware mishandeling met de dood tot gevolg (artikel302 Sr). Bij deze benoemde strafbare feiten is telkens sprake van eenmisdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf vanzes jaren of meer is gesteld. Bij bewezenverklaring kan daarnaast wordenaangenomen dat sprake is van een ernstige inbreuk op de lichamelijkeintegriteit van het slachtoffer. Vormen van geweld die met deze misdrijvengelijkenis vertonen maar die, door omstandigheden van de wil van dedader onafhankelijk, minder ernstige gevolgen hebben gehad, vallen nietonder de werking van het taakstrafverbod in zijn huidige vorm. Het gaatdan bijvoorbeeld om mishandeling die niet de dood, maar zwaarlichamelijk letsel tot gevolg heeft (artikel 300, tweede lid, Sr) of om eenpoging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel/poging zwaremishandeling (artikel 45 juncto artikel 302 Sr). De verschillen in demogelijkheden om een taakstraf op te leggen hangen hier rechtstreekssamen met de ernst van de genoemde strafbare feiten zoals die blijkt uitde wettelijke strafbedreiging. Daarbij komt bijzondere betekenis toe aande vraag waarop het opzet van de dader gericht was en op de gevolgendie de mishandeling ook heeft gehad. Dit rechtvaardigt variatie in op diemisdrijven gestelde strafmaxima.Het onderhavige wetsvoorstel beoogt in aanvulling op deze generiekeregeling te verzekeren dat voor personen met een publieke taak die bij dietaak noodhulp zullen verlenen elke vorm van fysiek geweld, ongeacht deernst van de gevolgen, binnen het bereik van artikel 22b Sr komt te vallen.Om die reden is een afzonderlijke verwijzing opgenomen naar de artikelen300 tot en met 303 Sr en wordt de werking van het taakstrafverbod nietafhankelijk gemaakt van het in artikel 22b, eerste lid, onderdeel a, Srgenoemde formele en materiële criterium. Het taakstrafverbod geldt metde hier voorgestelde uitbreiding ook voor situaties waarin een eenvoudigemishandeling van de betrokken persoon met een publieke taak (lees:politieagenten, brandweermensen, ambulancemedewerkers en buiten-gewoon opsporingsambtenaren) tot zwaar letsel, maar niet de dood, heeftgeleid en in situaties waarin een poging werd ondernomen om zwaarletsel toe te brengen, maar dit gevolg achterwege is gebleven. Eenvoorbeeld van dit laatste, waarbij een lid van een mobiele eenheid tegenhet hoofd werd geschopt en letsel uitbleef doordat het slachtoffer eenhelm droeg, vormde mede aanleiding voor de in de inleiding van dezememorie van toelichting genoemde motie. Voor de goede orde wordthierbij opgemerkt dat een poging tot eenvoudige mishandeling nietstrafbaar is (artikel 300, vijfde lid, Sr).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 693, nr. 615 De Rvdr heeft in zijn advies bij het initiële wetsvoorstel opgemerkt datbepaalde vormen van mishandeling ook nu al onder de werking vanartikel 22b Sr vallen. Dit is juist. Het taakstrafverbod is ook nu al toepas-selijk in situaties waarin de geweldpleging kan worden gekwalificeerd alsmisdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf vanzes jaren of meer is gesteld terwijl dat misdrijf een ernstige inbreuk op delichamelijke integriteit van het slachtoffer ten gevolge heeft gehad. Dezereeds bestaande uitsluiting van de mogelijkheid een taakstraf op teleggen, geldt ook indien het geweld is gericht tegen een persoon met eenpublieke taak. In zoverre heeft ook dit wetsvoorstel voor geweldplegerstegen een dergelijke persoon geen gevolgen. De hier voorgesteldeuitbreiding heeft wel gevolgen voor situaties waarin geweld werdgepleegd tegen voornoemde personen, mits onderdeel van de gekaderdegroep in dit wetsvoorstel, terwijl daarbij geen of minder ernstig letsel istoegebracht. Ook strafbare pogingen tot het plegen van geweld wordenmet het wetsvoorstel onder de werking van het taakstrafverbod gebracht.Zoals in de inleiding van dit algemene deel van de memorie vantoelichting is aangegeven, strekte het initiële wetsvoorstel tot uitvoeringvan de motie van de leden van de Tweede Kamer Helder (toen PVV), VanOosten (VVD) en Van Dam (CDA), en vormt dit wetsvoorstel daarvan eenafgeleide. In de regeringsbrief in reactie op de motie is aangegeven datonderzoek zou worden verricht naar de afdoening van zaken waarin eenveroordeling wegens openlijke geweldpleging (artikel 141, eerste lid, Sr)aan de orde is. Dit onderzoek,35 dat gelijktijdig met het initiëlewetsvoorstel naar de Tweede Kamer is gestuurd, zou aanleiding kunnenvormen ook artikel 141, eerste lid, Sr toe te voegen bij de voorgesteldeuitbreiding van het taakstrafverbod. Dit vanuit de gedachte dat onder-havige wetswijziging ertoe strekt te verzekeren dat elke vorm van fysiekgeweld tegen een persoon met een publieke taak die is belegd met hetverlenen van noodhulp onder de reikwijdte van artikel 22b Sr komt tevallen. In zowel het initiële wetsvoorstel als dit wetsvoorstel is hiervanafgezien. Bij het initiële wetsvoorstel stelde de regering dat een veroor-deling voor openlijke geweldpleging als omschreven in artikel 141, eerstelid, Sr ook aan de orde kan zijn in gevallen waarin de bijdrage die eenindividu levert aan gemeenschappelijk gepleegd geweld, beperkt is. Hetstrafwaardige gedrag kan reeds erin bestaan dat een dader een groepgetalsmatig versterkt, daarbij agressief en opruiend gedrag laat zienterwijl van fysiek geweld door hem zelf gepleegd, geen sprake is. Deze opvoorhand kennelijk beperkte bijdrage moet in de rechterlijke beoordelingworden afgezet tegen de mogelijk grotere bijdrage van anderen in degroep. In situaties waarin een vervolging voor openlijke geweldplegingaan de orde is, is sprake van een ongelijkwaardigheid in de bijdrage aangeweld in de regel. Een uitbreiding met artikel 141, eerste lid, Sr lijktdaarmee slechts in de rede te liggen indien en voor zover kan wordenvastgesteld dat de individuele bijdrage aan het geweld vergelijkbaar ismet geweld dat ook had kunnen worden vervolgd op grond van deartikelen 300 tot en met 303 Sr. Hierop zou het onderzoek zien. Deinitiatiefnemers achten de snelheid van inwerkingtreding van Wetuitbreiding taakstrafverbod op dit moment van bovengeschikt belang.Hierdoor is gekozen om artikel 141, eerste lid, Sr niet toe te voegen aanhet initiële wetsvoorstel, en ook dit wetsvoorstel. De adviezen die op hetinitiële wetsvoorstel zijn geleverd zagen overigens ook niet op artikel 141,eerste lid, Sr.Onder meer de politie, de NVvR en de gecertificeerde instellingen vroegenin hun adviezen bij het initiële wetsvoorstel aandacht voor bedreiging alsbedoeld in artikel 285 Sr. Ook bij bedreiging zouden de mogelijkheden tot35https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/brieven_regering/detail?id=2020D36287&did=2020D36287Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 693, nr. 616 het opleggen van een taakstraf moeten worden beperkt. De hier voorge-stelde uitbreiding van het taakstrafverbod heeft evenwel betrekking opvormen van fysiek geweld. Zoals hiervoor is uiteengezet, geldt dit ookreeds in het bestaande taakstrafverbod. Telkens is de lichamelijkeintegriteit nadrukkelijk in het geding. Hieraan worden met hetwetsvoorstel vormen van geweld toegevoegd die minder ernstig zijn,maar die werden gepleegd tegen een personen in de uitoefening van eenpublieke taak in het kader van de handhaving van orde of veiligheid, enhet verlenen van noodhulp. Een situatie waarin hulpverlening ofhandhaving rechtstreeks wordt belemmerd, doet zich als gevolg vanverbaal geweld niet voor. Evenmin is met die uitingen sprake van eenbegin van uitvoering van fysiek geweld waarop het wetsvoorstelbetrekking heeft.4. Financiële en uitvoeringsconsequenties De financiële en uitvoeringsconsequenties zijn naar het oordeel van deinitiatiefnemers nagenoeg gelijk aan die bij het initiële wetsvoorstel.Daarover werd eerder het volgende toegelicht. Het wetsvoorstel heeftgeen gevolgen voor het aantal zaken dat ter beoordeling aan de officiervan justitie en de strafrechter worden voorgelegd. Wel is van hetwetsvoorstel een verschuiving te verwachten van taakstraffen naarvrijheidsstraffen. Het aantal zaken waarop het onderhavige wetsvoorstelbetrekking heeft is echter gering en in deze zaken blijft een combinatie vaneen onvoorwaardelijke gevangenisstraf of vrijheidsbenemende maatregelmet een taakstraf mogelijk. Het effect op de benodigde celcapaciteit zalnaar verwachting verwaarloosbaar zijn. Wel moet worden gezegd dat dedruk op de gevangeniscapaciteit de afgelopen jaren sterk is toegenomen.Echter zijn de initiatiefnemers van mening dat deze druk geen reden magzijn om aan de voorkant zwaardere straffen niet mogelijk te maken.Eventuele financiële gevolgen van dit wetsvoorstel zullen wordenopgevangen binnen de begroting van Justitie en Veiligheid.II. ARTIKELSGEWIJS Artikel IIn artikel 22b Sr wordt aangegeven in welke gevallen een veroordelingwegens misdrijf niet kan worden bestraft met enkel een taakstraf.Voorgesteld wordt om aan het eerste lid van dit artikel een onderdeel toete voegen. Met dit onderdeel c wordt bepaald dat geen taakstraf kanworden opgelegd in geval van veroordeling voor de geweldsmisdrijvenvan de artikelen 300 tot en met 303 Sr, voor zover begaan tegen eenambtenaar van politie, een medewerker van brandweer of ambulance ofeen buitengewoon opsporingsambtenaar in de uitoefening van zijnpublieke taak in het kader van de handhaving van de orde of veiligheid, enhet kunnen verlenen van noodhulp. In het algemeen deel van dezememorie van toelichting is deze voorgestelde toevoeging beleidsmatigtoegelicht. Op grond van artikel 78b Sr wordt onder veroordeling ook destrafbeschikking verstaan. De officier van justitie kan dus ook geenstrafbeschikking uitvaardigen waarin een taakstraf wordt opgelegd in hetgeval hij vaststelt dat het misdrijf van artikel 300 of artikel 301 Sr isbegaan tegen een persoon met een publieke taak, mits onderdeel van deafgekaderde doelgroep zoals beschreven in dit wetsvoorstel. Voor hetmisdrijf van artikel 302 Sr, met een strafdreiging van acht jaar, kaneveneens geen strafbeschikking worden uitgevaardigd. Dit volgt uit dealgemene regeling voor de strafbeschikking die bepaalt dat een strafbe-schikking kan worden uitgevaardigd voor strafbare feiten waarop naar dewettelijke omschrijving een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaar staat(artikel 257a van het Wetboek van Strafvordering).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 693, nr. 617 ARTIKEL IINet als bij de invoering van het taakstrafverbod dat nu wordt uitgebreid,wordt voorzien in overgangsrecht. Hoewel in strikte zin geen sprake is vaneen veranderd inzicht omtrent de strafwaardigheid van de geweldsmis-drijven waarop het wetsvoorstel betrekking heeft – aan de wettelijkestrafbedreiging wijzigt immers niets – heeft het wetsvoorstel wel totgevolg dat voor deze misdrijven in de in het wetsvoorstel bepaaldegevallen geen kale taakstraf meer kan worden opgelegd. Er is daaromsprake van verandering in de wetgeving als bedoeld in artikel 1, tweedelid, Sr. Voor strafbare feiten die zijn begaan vóór de inwerkingtreding vanonderhavige wetswijziging, hebben de wijzigingen in artikel 22b Sr geenbetekenis.ARTIKEL IIIDe datum van inwerkingtreding van deze wet wordt bij koninklijk besluitbepaald.EerdmansMartens-AmericaTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 693, nr. 618
Versie 54ade788db9f8e591e92a9b87f678e013d83c03885c1d16eba19a2b45d649592 · Officiële bron.
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.