KamerkringInloggen
Kamerstuk

Memorie van toelichting

20 sep 2011 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie e1a11273b9e76a40 · officiële bron

kst-33000-V-2ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2011Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2011–201233 000 VVaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (V) voor het jaar 2012Nr. 2 MEMORIE VAN TOELICHTING INHOUDSOPGAVE Blz. A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGRO-TINGSWETSVOORSTEL 3 B. BEGROTINGSTOELICHTING 4 1. Leeswijzer 4 2. Beleidsagenda 2012 10 3. Tabel beleidsdoorlichtingen 30 4. Artikelen 32 Artikel 1. Versterkte internationale rechtsorde en eerbiediging van mensenrechten 32 Artikel 2. Grotere veiligheid en stabiliteit, effectieve humanitaire hulpverlening en goed bestuur 36 Artikel 3. Europese samenwerking 46 Artikel 4. Meer welvaart, eerlijkere verdeling en minder armoede 52 Artikel 5. Toegenomen menselijke ontplooiing en sociale ontwikkeling 60 Artikel 6. Duurzaam water- en milieubeheer 68 Artikel 7. Welzijn en veiligheid van Nederlanders in het buitenland en regulering van het personenverkeer 76 Artikel 8. Versterkt cultureel profiel en positieve beeldvorming in en buiten Nederland 81 Artikel 9. Geheim 87 Artikel 10. Nominaal en Onvoorzien 88 Artikel 11. Algemeen 89 AGENTSCHAPSPARAGRAAF CBI 94 Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 21 BIJLAGEN 99 Bijlage 1 Lijst van afkortingen 99 Bijlage 2 Trefwoordenlijst 104 INTERNETBIJLAGEN 2012 1. Verdiepingshoofdstuk 2. Moties en toezeggingen in het vergaderjaar 2010/2011 3. Subsidieoverzicht 4. Evaluatie- en onderzoeksoverzicht Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 22 A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWET-VOORSTEL Wetsartikel 1 De begrotingsstaten die onderdeel uitmaken van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 1, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld. Het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe om de begrotingsstaten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken voor het jaar 2012 vast te stellen. Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor het jaar 2012. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota 2012. Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten voor het jaar 2012 vastgesteld. De in de begroting opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze Memorie van Toelichting toegelicht (de zgn. begrotingstoelichting). Wetsartikel 2 Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de baten en lasten en de kapitaaluitgaven en -ontvangsten van de baten-lastendienst Centrum voor de Bevordering van de Import uit Ontwikkelingslanden (CBI) voor het jaar 2012 vastgesteld. De in die begrotingen opgenomen begrotingsartikelen worden toegelicht in onderdeel B (Begrotingstoelichting) van deze Memorie van Toelichting en wel in de paragraaf inzake de diensten die een baten-lastenstelsel voeren. De Minister van Buitenlandse Zaken, U. Rosenthal Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 23 B. BEGROTINGSTOELICHTING 1. LEESWIJZER Deze leeswijzer volgt de nieuwe begrotingspresentatie «Verantwoord Begroten». Hij licht toe welke veranderingen al in deze begroting zijn verwerkt en welke vanaf de begroting van 2013 zullen worden doorge-voerd. Daarnaast gaat hij in op de opbouw van de beleidsagenda en de beleidsartikelen. In de beleidsartikelen zijn veranderingen in de operati-onele doelstellingen doorgevoerd om de prioriteiten van de regering duidelijker vorm te geven. De wijzigingen in de operationele doelstel-lingen staan in een was-wordt-tabel bij deze leeswijzer. Ten slotte worden de overige onderdelen van de begroting en de relatie met enkele andere stukken toegelicht. Algemeen Buitenlandse betrekkingen zijn een zaak van het hele Koninkrijk der Nederlanden: Nederland in Europa en Aruba, Curaçao en Sint Maarten in het Caribisch gebied. Waar deze begroting spreekt over «Nederland» of «Nederlands» wordt daarmee bedoeld: «(van) het Koninkrijk der Neder-landen», tenzij het gaat om zaken die specifiek het land Nederland betreffen, zoals het EU-lidmaatschap en ontwikkelingssamenwerking. Verantwoord Begroten Op 20 april 2011 ging de Tweede Kamer akkoord met een aanpassing van de presentatie van de Rijksbegroting onder de naam «Verantwoord Begroten1». De nieuwe presentatie moet leiden tot meer inzicht in financiële informatie, de rol en verantwoordelijkheid van de minister en moet een duidelijke splitsing tussen apparaat en programma laten zien. De meeste veranderingen zijn in deze begroting doorgevoerd. •De begroting bevat een artikel waarop alle apparaatsuitgaven van het kerndepartement bij elkaar staan. Dit is artikel nr. 11 van deze begroting. Bij Buitenlandse Zaken is dit al eerder ingevoerd. •De beleidsagenda bevat een totaaloverzicht van de beleidsdoorlichtin-gen. Dit komt in de plaats van de afzonderlijke tabellen bij elk beleidsartikel. Het overzicht van evaluatieonderzoeken per beleidsarti-kel komt nog wel op www.rijksbegroting.nl. •Er is een nieuwe bijlage met een subsidieoverzicht, die de Tweede Kamer digitaal krijgt. De andere bijlagen die vanaf nu digitaal worden aangeboden zijn: het verdiepingshoofdstuk, het overzicht moties en toezeggingen en de tabel evaluatieonderzoeken. De bedrijfsvoeringpa-ragraaf is uit de begroting geschrapt. •Alle artikelen zijn ingevuld volgens de nieuwe voorschriften met uitzondering van de aanpassing van de budgettaire tabel. Dit laatste bleek op deze korte termijn niet mogelijk. De overige veranderingen worden in de begroting van 2013 doorgevoerd. Het gaat dan om: •de introductie van een kwalitatieve toelichting bij de budgetflexibiliteit; •veranderingen binnen het apparaatsartikel om personele en materiële uitgaven apart in beeld te brengen; •het onderscheid tussen financiële instrumenten binnen de budgettaire tabellen. De komende tijd wordt ook getracht om de prioriteiten van de regering beter weer te geven in de begroting. Dit kan leiden tot wijzigingen in de (indeling van de) huidige acht beleidsartikelen. 1 Kamerstuk 31 865, nr.26Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 24 Opbouw van de beleidsagenda en beleidsartikelen De beleidsagenda bevat de politieke hoofdlijnen van het buitenlandbeleid van de regering. In de beleidsartikelen vindt u, zoals in andere jaren, de financiële en beleidsinformatie over de voorgenomen uitgaven. De indeling per beleidsartikel is als volgt. A: Algemene doelstelling Elk beleidsartikel begint met de algemene doelstelling (titel van het beleidsartikel) met een korte toelichting. B: Rol en verantwoordelijkheid De rol en de verantwoordelijkheid van de minister wordt beschreven aan de hand van de volgende categorieën: resultaatverantwoordelijk; procesverantwoordelijk; systeemverantwoordelijk; regiefunctie; facilite-rende rol; stimulerende rol. Volgens het uitgangspunt van Verantwoord Begroten zijn er alleen kwantitatieve indicatoren bij resultaatverantwoordelijkheid. Bij Buiten-landse Zaken betreft dit de consulaire dienstverlening (beleidsartikel 7). Hier onderbouwen een indicator en kengetallen de resultaatverantwoor-delijkheid van de minister. Op de overige beleidsterreinen van Buiten-landse Zaken heeft de minister een stimulerende of faciliterende en in sommige gevallen een regisserende rol. De mogelijkheden voor kwantita-tieve effectmeting voor de meeste beleidsterreinen van Buitenlandse Zaken zijn dan ook beperkt. De werkelijkheid is vaak complex en het krachtenspel om de beleidsdoelstellingen te realiseren is ingewikkeld. Kenmerkend is de internationale context waarin veel spelers en factoren de doelbereiking beïnvloeden. Vaak is er een gezamenlijke inspanning waarbij het weinig zinvol is (een deel van) de resultaten toe te rekenen aan Nederland, dat een klein deel van de inputs heeft verzorgd. Bij Buitenlands Zaken is de relatie tussen de Nederlandse activiteiten en de effecten vaak niet causaal; de relatie is meestal wel plausibel. Daarnaast bevat deze paragraaf een korte weergave van de beleidstheorie (van doel tot doelbereiking) met de samenhang tussen de algemene doelstelling en de operationele doelen. C: Beleidswijzigingen Dit is een overzicht van belangrijke wijzigingen als gevolg van evaluatie of voortschrijdend inzicht. D: Operationele doelstellingen Dit onderdeel vermeldt per operationele doelstelling welke instrumenten en activiteiten Buitenlandse Zaken inzet. Daarbij worden de financiële instrumenten (informatie over waar het geld heen gaat, wat ermee gebeurt en waar het toe dient) en de beleidsinstrumenten (diplomatieke inspanningen, voorzitterschappen, conferenties) onderscheiden. Niet in alle gevallen komt het totaal van de hier genoemde financiële instru-menten overeen met de saldi in de tabel. Zo zijn kleine bijdragen niet altijd specifiek genoemd en kan er ruimte zijn voor nieuwe activiteiten. E: Budgettaire gevolgen van beleid De tabel «Budgettaire gevolgen van beleid» presenteert de begroting op subartikel niveau voor 2010 tot en met 2016. De subartikelen komen overeen met de operationele doelstellingen. Een één-op-één-koppeling is echter niet altijd mogelijk. Zo komen de afdrachten aan de Europese Unie ook ten goede aan operationele doelstelling 3.2 «een effectief, efficiënt en coherent optreden van de Unie ten opzichte van derde landen of regio’s, Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 25 inclusief ontwikkelingslanden», terwijl zij staan vermeld bij operationele doelstelling 3.1 «een democratische, slagvaardige en transparante Europese Unie die haar burgers vrijheid recht en veiligheid biedt en in staat is tot duurzame groei». Het is niet zinvol de EU-afdrachten op te knippen over alle operationele doelstellingen waar de EU invloed op uitoefent. In de tabel is de budgetflexibiliteit verwerkt op subartikel niveau. Zoals voorgeschreven worden daarbij de juridisch verplichte uitgaven weerge-geven. Daarnaast bevat de tabel ook de overig verplichte uitgaven. Dit zijn uitgaven die nog niet juridisch verplicht, maar die wel al zijn toegezegd of die al zijn gereserveerd op grond van een wettelijke regeling of een beleidsprogramma waarmee de Tweede Kamer heeft ingestemd. Overige onderdelen van de begroting Na de acht beleidsartikelen volgen de drie niet-beleidsartikelen. De niet-beleidsartikelen zijn het verplichte artikel 9 «geheim», artikel 10 waarin de non-ODA macro-mutaties binnen de Homogene Groep Internationale Samenwerking (HGIS) staan en artikel 11 dat de apparaats-kosten verantwoordt. Daarna volgt de agentschapsparagraaf over de baten-lastendienst Centrum voor de Bevordering van de Import uit ontwikkelingslanden (CBI). Ten slotte volgen zes bijlagen waarvan de eerste vier alleen via internet beschikbaar: het verdiepingshoofdstuk (met informatie over de budgettaire begrotingsaansluiting tussen de begroting 2011 vanaf de 1e Suppletoire Wet en die van 2012), de lijst met moties en toezeggingen aan de Kamer, het subsidieoverzicht, de evaluatie- en onderzoekstabel, de lijst met afkortingen en de trefwoordenlijst. De relatie met de HGIS-nota en andere beleidsnota’s De HGIS omvat naast de uitgaven van Buitenlandse Zaken ook buitenland-uitgaven van de andere ministeries. Deze bundeling bevordert de samenhang en samenwerking die voor een geïntegreerd en coherent buitenlandbeleid van belang zijn. De nota over de HGIS bevat een overzicht van de belangrijkste programma’s en uitgaven voor het buitenlandbeleid, waaronder een overzicht van de begrotingsontwikke-lingen binnen de HGIS en bijlagen die alle buitenlanduitgaven overzich-telijk presenteren, zoals een totaaloverzicht van de buitenlanduitgaven die als officiële ontwikkelingshulp (ODA) kwalificeren. De beleidsvoornemens die deze begroting in kort bestek weergeeft, worden vaak verder uitgewerkt aan de Tweede Kamer voorgelegd. Dat is bijvoorbeeld het geval bij de jaarlijkse «Staat van de Unie» die de Nederlandse doelen in de Europese Unie verder uitwerkt. Ook op beleidsterreinen als mensenrechten, ontwikkelingssamenwerking en prioritaire thema’s daarbinnen zijn deelnota’s aangeboden aan de Kamer. Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 26 Het onderstaande overzicht bevat de wijzigingen per artikel en operati-onele doelstelling. WAS WORDT UITGAVEN/VERPLICHTING Artikel Operationele doelstelling/subartikel Artikel Operationele doelstelling/subartikel 1.Versterkte internationale rechtsorde en eerbiediging mensenrechten 1.1 Internationale rechtsorde 1.Versterkte internationale rechtsorde en eerbiediging van mensenrechten 1.1 Een goed functionerende internationale rechtsorde 1.2 Mensenrechten 1.2 Bescherming van de rechten van de mens 1.3 Internationale Juridische Instellingen 8.2 Een aantrekkelijk vestigings-klimaat voor internationale organisaties in Nederland 2. Grotere veiligheid en stabiliteit, effectieve humanitaire hulpverlening en goed bestuur 2.1 Nationale en bondgenoot-schappelijke veiligheid 2. Grotere veiligheid en stabiliteit, effectieve humanitaire hulpverlening en goed bestuur 2.1 Goede internationale samenwerking ter bevordering van de nationale en bondgenoot-schappelijke veiligheid 2.2 Bestrijding internationaal terrorisme 2.2 Bestrijding en terugdringing van het internationale terrorisme en andere vormen van interna-tionale criminaliteit 2.3 Non- proliferatie en ontwapening 2.3 Bestrijding van proliferatie van massavernietigingswapens, bevordering van ontwapening, wapenbeheersing en het voeren van een restrictief en transparant wapenexportbeleid. 2.4 Conventionele wapenbe-heersing 2.3 Bestrijding van proliferatie van massavernietigingswapens, bevordering van ontwapening, wapenbeheersing en het voeren van een restrictief en transparant wapenexportbeleid. 2.5 Regionale stabiliteit en crisisbeheersing 2.5 Veiligheid, goed bestuur en rechtsorde in prioritaire gebieden 2.6 Humanitaire hulpverlening 2.6 Effectieve humanitaire hulp 2.7 Goed bestuur 2.5 Veiligheid, goed bestuur en rechtsorde in prioritaire gebieden 2.8 Het bevorderen van energievoorzieningszekerheid 2.4 Het bevorderen van energievoorzienings- en grondstoffenzekerheid 3 Versterkte Europese samenwerking 3.1 Nederlandse afdrachten aan de EU 3 Europese samenwerking 3.1 Een democratische, slagvaardige en transparante Europese Unie die haar burgers vrijheid, recht, veiligheid, welvaart en duurzame econo-mische groei biedt 3.2 Ondersteuning bij pre- en post-accessie 2.5 Veiligheid, goed bestuur en rechtsorde in prioritaire gebieden 3.3 EOF Europees ontwikkelings-fonds 3.2 Een effectief, efficiënt en coherent optreden van de Unie ten opzichte van derde landen en regio’s, inclusief ontwikkelings-landen 3.4 Nederlandse positie in de EU 3.4 Versterkte Nederlandse positie in de Unie van 27 3.5 Raad van Europa 3.3 Een hechtere Europese waardengemeenschap Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 27 WAS WORDT 4. Meer welvaart, eerlijkere verdeling en minder armoede 4.1 Handels- en financieel systeem 4. Meer welvaart, eerlijkere verdeling en minder armoede 1.1 Een goed functionerende internationale rechtsorde 4.2 Effectief armoedebeleid van ontwikkelingslanden 4.3 Private sector ontwikkeling 4.2 Armoede vermindering 4.1 Voedselzekerheid 4.2 Effectief armoedebeleid van ontwikkelingslanden 4.3 Verhoogde economische groei en verminderde armoede als gevolg van gezonde private sector ontwikkeling in ontwikke-lingslanden 4.1 Voedselzekerheid 4.3 Private sector ontwikkeling 4.4 Kwaliteit en effectiviteit ontwikkelingssamenwerking 4.2 Effectief armoedebeleid van ontwikkelingslanden 4.5 Nederlandse handels- en investeringsbevordering 4.4 Effectieve Nederlandse handels- en investeringsbevor-dering 5. Toegenomen menselijke ontplooiing en sociale ontwikkeling 5.1 Alle kinderen, jongeren en volwassenen hebben gelijke kansen om kwalitatief goed onderwijs te doorlopen, dat hen de benodigde vaardigheden en kennis biedt om op een volwaardige wijze deel te kunnen nemen aan de samenleving. 5. Toegenomen menselijke ontplooiing en sociale ontwikkeling 4.2 Effectief armoedebeleid van ontwikkelingslanden 5.1 Goed onderwijs, goed opgeleide bevolking en capaciteit voor onderzoek en innovatie voornamelijk ten behoeve van de beleidsprioriteiten. 5.2 Versterking van het gebruik van kennis en onderzoek in beleid en praktijk van ontwikke-lingssamenwerking en versterking van post-secundaire onderwijs- en onderzoekscapa-citeit in partnerlanden. Vermin-dering van kwalitatieve en kwantitatieve tekorten aan geschoold middenkader. 5.1 Goed onderwijs, goed opgeleide bevolking en capaciteit voor onderzoek en innovatie voornamelijk ten behoeve van de beleidsprioriteiten. 5.3 Gender 5.3 Gelijke rechten en kansen voor vrouwen. 5.4 HIV/AIDS 5.4 Seksuele en reproductieve gezondheid en rechten voor iedereen en een halt aan de verspreiding van HIV/AIDS 5.5 Reproductieve gezondheid 5.4 Seksuele en reproductieve gezondheid en rechten voor iedereen en een halt aan de verspreiding van HIV/AIDS 5.6 Participatie civil society 5.2 Versterking van het maatschappelijk middenveld in ontwikkelingslanden. 8.1 Grotere buitenlandse bekendheid met de Nederlandse cultuur 6. Beter beschermd en verbeterd milieu 6.1 Milieu en water 6. Duurzaam water- en milieubeheer 6.1 Duurzaam milieugebruik wereldwijd. 6.2 Duurzaam waterbeheer, een hoger percentage mensen dat duurzame toegang heeft tot veilig drinkwater en sanitaire voorzieningen 6.2 Efficiënt en duurzaam watergebruik, veiliger delta’s en stroomgebieden en verbeterde toegang tot drinkwater en sanitaire voorzieningen in ontwikkelingslanden/partnerlanden Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 28 WAS WORDT 7. Welzijn en veiligheid van Nederlanders in het buitenland en regulering van personenverkeer 7.1 Consulaire dienstverlening 7. Welzijn en veiligheid van Nederlanders in het buitenland en regulering van het personenverkeer 7.1 Op basis van eigen verant-woordelijkheid consulaire dienstverlening bieden aan Nederlanders in het buitenland. 7.2 Vreemdelingenbeleid 7.2 Samen met (keten)partners het personenverkeer reguleren 8. Versterkt cultureel profiel en positieve beeldvorming in en buiten Nederland 8.1 Grotere buitenlandse bekendheid met de Nederlandse cultuur en versterking van de culturele identiteit in ontwikke-lingslanden 8. Versterkt cultureel profiel en positieve beeldvorming in en buiten Nederland 8.1 Grotere buitenlandse bekendheid met de Nederlandse cultuur 8.2 Cultureel Erfgoed 8.1 Grotere buitenlandse bekendheid met de Nederlandse cultuur 8.3 Draagvlak Nederlands buitenlandbeleid. 8.3 Vergroten van begrip en/of steun voor Nederlandse zienswijzen, standpunten en beleid in het buitenland en het versterken van het draagvlak in eigen land voor het buitenland-beleid. 8.4 Vestigingsklimaat interna-tionale organisaties in Nederland 8.2 Een aantrekkelijk vestigings-klimaat voor internationale organisaties in Nederland 9. Geheim 9.1 Geheim 9. Geheim 9.1 Geheim 10. Nominaal en onvoorzien 10.1 Nominaal en onvoorzien 10. Nominaal en onvoorzien 10.1 Nominaal en onvoorzien 11. Algemeen 11.1 Apparaatsuitgaven 11. Algemeen 11.1 Apparaatsuitgaven ONTVANGSTEN 2. Grotere veiligheid en stabiliteit, effectieve humanitaire hulpverlening en goed bestuur 2.10 Nationale en bondgenoot-schappelijke veiligheid 2. Grotere veiligheid en stabiliteit, effectieve humanitaire hulpverlening en goed bestuur 2.10 Doorberekening Defensie diversen 2.70 Humanitaire dienstverlening 2.50 Restituties contributies 3 Versterkte Europese samenwerking 3.10 Perceptiekostenvergoe-dingen 3 Europese samenwerking 3.10 Perceptiekostenvergoe-dingen 3.40 Restitutie Raad van Europa 3.30 Restitutie Raad van Europa 4. Meer welvaart, eerlijkere verdeling en minder armoede 4.10 Ontvangsten tijdelijke financiering NIO en restituties 4. Meer welvaart, eerlijkere verdeling en minder armoede 4.20 Ontvangsten en restituties met betrekking tot leningen 7. Welzijn en veiligheid van Nederlanders in het buitenland en regulering van personenverkeer 7.10 Consulaire dienstverlening 7. Welzijn en veiligheid van Nederlanders in het buitenland en regulering van personenverkeer 7.10 Consulaire dienstverlening 8. Versterkt cultureel profiel en positieve beeldvorming in en buiten Nederland 8,10 Doorberekening Defensie diversen 8. Versterkt cultureel profiel en positieve beeldvorming in en buiten Nederland 8.30 Doorberekening Defensie diversen 11. Algemeen 11.10 Diverse ontvangsten 11. Algemeen 11.10 Diverse ontvangsten 11.20 Koersverschillen 11.20 KoersverschillenTweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 29 2. BELEIDSAGENDA 2012 Belangrijkste beleidswijzigingen in 2012 De regering zet in het buitenlandbeleid in op de versteviging van drie pijlers: veiligheid, welvaart in de wereld en vrijheid. De regering stelt daarbij, meer dan in het verleden, het Nederlands belang centraal. De komende jaren vormen veiligheid en welzijn van Nederland en de Nederlanders, internationale stabiliteit en veiligheid, heroriëntatie van de ontwikkelingssamenwerking, energie- en grondstofzekerheid, internationale rechtsorde inclusief mensenrechten en handels- en economische belangen van Nederland en Nederlandse bedrijven de kern van het buitenlandbeleid. Diplomatie is een instrument om in of met het buitenland Neder-landse doelen tot stand brengen, en staat ten dienste van alle landen van het Koninkrijk der Nederlanden. De regering maakt scherpere keuzes als het gaat om internationale inspanningen, leidend tot een selectieve inzet van de Nederlandse capaciteit. Dit geldt bij ontwikke-lingssamenwerking, de geïntegreerde politietrainingsmissie in Kunduz en de bijdrage aan de bestrijding van piraterij. De trans-Atlantische samenwerking in de NAVO blijft de hoeksteen van het Nederlandse veiligheidsbeleid. Samenwerking, in het bijzonder via de Europese Unie, is meer dan ooit nodig als antwoord op grens-overschrijdende uitdagingen. Nederland heeft groot belang bij een Europa dat werkt: een Europa waar onze bedrijven kunnen expor-teren en onze burgers in vrijheid en veiligheid kunnen leven. Onder de huidige omstandigheden vergt dit voor alles herstel van de financiële stabiliteit, en een duurzame verankering hiervan in het genoom van Europa door een slagvaardige Unie te creëren die effectief toeziet op het naleven van de begrotingsdiscipline. De regering investeert verder in de relatie met Israël. Begin 2012 vindt de eerste Nederlands-Israëlische samenwerkingsraad plaats, met een focus op innovatie en handel. Dat is mede in het belang van een duurzame oplossing van het Palestijns-Israëlische conflict. De Nederlandse regering gaat investeren in economische diplo-matie. Het postennetwerk zal specifieker worden toegerust om de economische belangen te behartigen. Daarbij hoort ook het op duurzame wijze zeker stellen van de aanvoer van energie, grond-stoffen en halffabricaten. Met de Grondstoffennotitie markeert Nederland de «kick-off van een integraal Nederlands grondstoffen-beleid1. In 2012 krijgen de bilaterale relaties met onder meer Brazilië, de VS, Rusland en China extra aandacht. Buitenlandse bezoeken van bewindspersonen worden strategischer ingezet. De inzet op het gebied van ontwikkelingssamenwerking verschuift van sociale sectoren naar productieve sectoren2. Economische groei vanuit een sterke private sector is immers een belangrijke motor van armoedebestrijding. De regering heeft gekozen voor vier speer-punten – veiligheid en rechtsorde, voedselzekerheid, water, seksuele en reproductieve gezondheid en rechten – die aansluiten bij de Millenniumdoelen en de agenda voor de global public goods. Bij de uitwerking van deze speerpunten bevordert de regering een goed ondernemingsklimaat en investeert in samenwerking met het bedrijfsleven. 1 Grondstoffennotitie, kamerstuk: 32 582, nr.1 2 Basisbrief en Focusbrief Ontwikkelingssa-menwerking Kamerstukken 32 500 V, nr. 15 en 32 605, nr. 2.Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 210 De regering heeft focus aangebracht in het mensenrechtenbeleid1, onder meer via een selectieve thematische en geografische inzet van het Mensenrechtenfonds. Nadruk zal liggen op vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en de vrijheid van meningsuiting, inclusief de bevordering van internetvrijheid, maatschappelijk verantwoord ondernemen, bescherming van mensenrechtenverde-digers en tegengaan van discriminatie op basis van seksuele oriëntatie. De regering ondersteunt de volwaardige deelname van vrouwen in de politieke en bestuurlijke besluitvorming binnen hun maatschappijen. Vrouwen zijn multipliers van economische ontwikkeling en stabiliteit De regering zet sterk in op hervormingen van de multilaterale organisaties zodat ze beter zijn toegesneden op de uitdagingen van de 21e eeuw. Hiervoor is een sterke positie binnen deze organisaties belangrijk. Ook daarbij zoekt Nederland steeds de samenwerking met andere landen. Zo werkt Nederland in 2012 met België verder aan de vorming van een gezamenlijke kiesgroep in het IMF. Consulaire dienstverlening richt zich vooral op dienstverlening aan Nederlanders in extreme nood, met een robuustere crisisrespons en een gedifferentieerde gedetineerdenbegeleiding. Hier tegenover staat een versobering en stroomlijning van de dienstverlening wanneer er geen extreme nood is. De eigen verantwoordelijkheid van de burger (zoals het afsluiten van een reisverzekering) staat voorop. De regering ondersteunt desgevraagd met informatiever-schaffing over de veiligheidssituatie in het land van bestemming. Rijksbrede bezuinigingen krijgen ook hun neerslag op het ministerie van Buitenlandse Zaken en het netwerk van Nederlandse vertegen-woordigingen in het buitenland2. Deze worden de komende jaren efficiënter, goedkoper en flexibeler, en beter toegerust op de eisen van deze tijd. Het aantal vertegenwoordigingen zal afnemen. Posten zijn en blijven rijksbrede dienstverleners; ten aanzien van het buitenlands beleid en de uitwerking van de herziening van de Nederlandse diplomatie op het postennetwerk is rekening gehouden met de belangen van andere departementen en die van de overzeese delen van het Koninkrijk. De veranderingen in het postennetwerk zorgen voor een deel van de taakstelling op personeel en materieel. Maatregelen om de organisatie dynamischer te maken, centrali-sering van bedrijfsvoering en versobering op het kerndepartement realiseren de rest van de taakstelling. Ook op het ODA-budget wordt bezuinigd: dat daalt structureel van 0,8 procent van het BNP in 2010 naar een gemiddeld budget van 0,7 procent van het bnp vanaf 2012. De vier speerpunten en private sector ontwikkeling krijgen meer geld. De bezuinigingen op de overige gebieden zijn soms fors. De taakstelling op de niet OS-programma’s vertaalt zich onder meer in een bezuiniging van 10 procent op programma’s op de prioritaire sectoren van deze regering (veiligheid, mensenrechten en economische programma’s) en maximaal 20 procent op de overige programma’s. 1 Notitie Verantwoordelijkheid voor Vrijheid, kamerstuk 32 735, nr. 1. 2 Brief modernisering Nederlandse diplomatie kamerstuk: 32 734, nr. 1Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 211 Bezuiniging in EUR miljoen 2012 2013 2014 2015 Postennetwerk 2,5 16 38,75 55 Den Haag 4,5 9 16,25 19 Ontwikkelings-samenwerking 900 720 750 750 Vrijwillige bijdragen 8 24 32 40 Inleiding De regering stelt het Nederlandse belang centraal in haar buitenland-beleid. Zij ziet het als taak de veiligheid en het welzijn van Nederland en de Nederlanders te bevorderen. De regering richt zich op bevordering van internationale stabiliteit en veiligheid, energie- en grondstofzekerheid, bevordering van de internationale rechtsorde inclusief mensenrechten en de bevordering van handels- en economische belangen van Nederland en Nederlandse bedrijven. Dit is vastgelegd in het Regeerakkoord en geldt onverkort in 2012. Economische diplomatie krijgt meer nadruk dan voorheen. Ontwikkelingssamenwerking, internationale rechtsorde en actieve betrokkenheid bij Europese en trans-Atlantische samenwerking blijven daarnaast belangrijke kenmerken van het Nederlandse buitenland-beleid. Deze uitgangspunten zijn vertaald in een geïntegreerd beleid met drie pijlers: veiligheid, welvaart en vrijheid. De prioriteiten in 2012 worden hieronder beschreven. Schematisch ziet de verwevenheid er als volgt uit. Internationaal samenwerken, selectiviteit van de Nederlandse inzet, bezuinigingen Internationaal samenwerken is het uitgangspunt voor het beleid, maar ook selectiviteit en bezuinigingen bepalen in 2012 de invulling ervan. Deze samenwerking is meer dan ooit nodig als antwoord op grensoverschrij-dende uitdagingen. De veranderingen in de Arabische wereld onder-strepen de noodzaak van een geïntegreerd buitenlandbeleid. Nederland is deel van de wereld en de grens tussen binnenland en buitenland vervaagt. Met diplomatie kunnen we in of met het buitenland Nederlandse doelen tot stand brengen. Daarbij hoort de bijdrage aan internationale inspanningen, zoals ontwikkelingssamenwerking, de geïntegreerde VeiligheidWelvaartVrijheidVrede & StabiliteitEconomischediplomatieOS Europa ConsulairMensenrechtenInternationalerechtsordeEnergie en Grondstoffen-zekerheidTweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 212 politietrainingsmissie in Kunduz en de bijdrage aan de bestrijding van piraterij. De regering wil scherpe keuzes maken en de Nederlandse capaciteit selectief gebruiken, waarbij de trans-Atlantische samenwerking in de NAVO de hoeksteen blijft van het Nederlandse veiligheidsbeleid. Reizen van bewindspersonen worden strategischer ingezet. Concreet betekent dit dat de regering een lange termijn planning van de reizen nastreeft, afgestemd tussen de betrokken bewindspersonen en gericht op de voor Nederland belangrijke landen. De internationale samenwerking van Nederland krijgt voor een belangrijk deel vorm via de Europese Unie. Het Nederlandse belang is gediend met een Europa dat onze veiligheid, welvaart en vrijheid bevordert. Een sterke interne markt is daarbij de motor van economische groei en werkgele-genheid, juist in handelsland Nederland. Een stabiele muntunie is cruciaal voor exporterende bedrijven en burgers met spaargeld en pensioente-goeden. Daarvoor moeten de afspraken over degelijk begrotingsbeleid worden nagekomenen zo nodig worden afgedwongen. De regering streeft naar een stelsel van sterke en effectieve multilaterale organisaties. Het huidige stelsel moet worden toegesneden op de uitdagingen van de 21e eeuw: representatiever, coherenter, efficiënter en effectiever. Nederland neemt van oudsher een sterke positie in binnen multilaterale organisaties zoals de Verenigde Naties en de Bretton Woods-instellingen. De regering wil die positie behouden en gebruiken om aan hervormingen bij te dragen. Zij volgt de doeltreffendheid en de doelmatigheid in de beleidsuit-voering van deze organisaties op de voet. De regering werkt in 2012 met België verder aan de vorming van een gezamenlijke kiesgroep in het IMF. De bezuinigingen maken het nog belangrijker middelen selectief te benutten. Effectiviteit en duurzaamheid zijn leidend bij alle activiteiten en bij de keuze voor partnerschappen binnen de Europese Unie, de NAVO, de Verenigde Naties of andere internationale organisaties, in gelegenheids-coalities of met het bedrijfsleven, de wetenschap of maatschappelijke organisaties. In deze begroting zijn de forse HGIS-bezuinigingen uit het Regeerakkoord meerjarig verwerkt. De keuzes en hervormingen voor het Nederlandse postennetwerk, ontwikkelingssamenwerking en de andere beleids-terreinen van Buitenlandse Zaken volgen hieronder. De financiële uitwerking zit in de beleidsartikelen. De taakstelling uit het Regeerakkoord op personeel en materieel op de begroting van Buitenlandse Zaken loopt op vanaf 2013 tot EUR 78 miljoen structureel. Hier bovenop komt de laatste taakstelling van EUR 7 miljoen van de regering Balkenende IV vanaf 2012. Dit betekent voor deze begroting een taakstelling die oploopt van EUR 7 miljoen in 2012, EUR 25 miljoen in 2013, EUR 55 miljoen in 2014, EUR 74 miljoen in 2015 en structureel EUR 85 miljoen. Hiervan komt EUR 55 miljoen uit inkrimping van en efficiencymaatregelen binnen het postennetwerk, zoals de Kamerbrief Modernisering Diplomatie1 uiteenzet. Deze brief beschrijft hoe de herziening van de Nederlandse diplomatie de komende jaren uitwerkt op het postennetwerk: slanker en sterker. Dat levert niet alleen een efficiënter en goedkoper postennetwerk op, maar ook een flexibelere inzet die beter past bij de eisen van deze tijd. Precies die opdracht heeft de regering zich in het Regeerakkoord gesteld; de vernieuwende focus is tot stand gekomen in nauwe afstemming tussen alle landen van het Koninkrijk der Nederlanden. Het resterende bedrag van EUR 19 miljoen in 2015 komt uit maatregelen die de organisatie op het kerndepartement 1 Brief modernisering Nederlandse diplomatie kamerstuk: 32 734, nr. 1.Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 213 dynamischer maken, centraliseren en versoberen. Het ODA-budget voor ontwikkelingssamenwerking daalt structureel van 0,8 procent bnp in 2010, via een tussenstap van 0,75 procent bnp, naar een gemiddeld budget van 0,7 procent bnp vanaf 2012. De bezuiniging voor 2012 bedraagt EUR 900 miljoen, in 2013 en 2014 daalt het budget met EUR 720 miljoen en EUR 750 miljoen. Hierdoor is een aangepaste themavoering nodig. De Basisbrief en de Focusbrief werken deze verlaging en verschuiving van het ODA-budget uit. De vier speerpunten – veiligheid en rechtsorde, water, voedselzekerheid en seksuele en reproductieve gezondheidszorg en rechten – en private sector ontwik-keling krijgen meer geld. Overige thema’s als onderwijs, begrotingssteun en gezondheidszorg krijgen te maken met soms forse bezuinigingen. Deze begroting werkt dit verder uit. De HGIS-taakstelling op vrijwillige bijdragen voor non-ODA-programma’s bedraagt in totaal EUR 50 miljoen, waarvan EUR 40 miljoen op de begroting van Buitenlandse Zaken en EUR 10 miljoen op de begroting van andere departementen. Bij Buitenlandse Zaken loopt dit op van EUR 8 miljoen in 2012, EUR 24 miljoen in 2013, EUR 32 miljoen in 2014 tot EUR 40 miljoen in 2015. Deze taakstelling vertaalt zich in een bezuiniging van 10 procent op programma’s op de prioritaire sectoren van deze regering, veiligheid, mensenrechten en economische programma’s, en maximaal 20 procent op de overige programma’s. Verdragsrechtelijke en overige structurele verplichtingen zijn niet gekort. De regering zet zich in voor beleidscoherentie voor ontwikkeling, dat tot doel heeft dat Nederlands, Europees en internationaal beleid op niet-hulpterreinen zo coherent mogelijk is met de ontwikkelingsdoelstel-lingen. In dat kader voert de regering de motie van de kamerleden Ferrier/Dikkers uit die vraagt om «vanuit een mondialiseringsvisie coherentie voor duurzame ontwikkeling vorm te geven». De regering kiest daarbij voor een praktische beleidsagenda. Daarin staan mondiale uitdagingen (global public goods) centraal die van belang zijn voor de ontwikkelingsdoelstellingen. De vijf prioritaire global public goods betreffen: handel en financiering, klimaatverandering, voedselzekerheid, migratie, en vrede en veiligheid. Hiermee sluit de beleidsagenda aan bij de vijf EU-prioriteiten voor beleidscoherentie. 1e pijler: werken aan veiligheid Veiligheid in de wereld vergroot de veiligheid van en in ons land. Er zijn mondiale veiligheids- en stabiliteitsrisico’s. Vaak zijn statelijke actoren de bron en betreffen de conflicten een strijd tussen staten onderling of tussen staten en groeperingen die een staat willen worden. De ontwikke-lingen in Arabische regio bewijzen dat veiligheidsrisico’s ook bestaan in de directe nabijheid van de lidstaten van de Europese Unie. Zij vereisen internationale samenwerking en trans-Atlantische samenwerking in het bijzonder. In het Midden-Oosten wil de regering de relatie met Israël verder intensiveren. Hiertoe vindt begin 2012 de eerste Nederlands-Israëlische samenwerkingsraad plaats. De focus hierbij ligt op innovatie en handel. Dat is mede in het belang van een duurzame oplossing van het Palestijns-Israëlische conflict. Ook energie- en grondstoffenzekerheid hebben een belangrijke veiligheidsdimensie, waaraan deze regering aandacht besteedt. Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 214 Effectieve internationale samenwerking is nodig opdat Nederland in- en extern veilig kan zijn. De NAVO is een sleutelspeler op het wereldtoneel en heeft bewezen zich aan veranderende omstandigheden te kunnen aanpassen. De NAVO is een solide waardengemeenschap, die ervoor zorgt dat de bondgenoten er keer op keer met elkaar uit kunnen komen. Een voorbeeld hiervan is het eensgezinde optreden in Libië ter bescherming van de burgerbevolking waarbij Nederland een sterke en evenredige bijdrage levert. Een toekomstige Nederlandse bijdrage wordt bezien in het licht van de politieke en militaire omstandigheden. De trans-Atlantische samenwerking in de NAVO blijft onverminderd de hoeksteen van het Nederlandse veiligheidsbeleid. Het NAVO Strategisch Concept van november 2010 herbevestigt het principe van collectieve, bondgenootschappelijke verdediging van bondgenoten, inclusief tegen nieuwe bedreigingen. Multilaterale organisaties schragen een internationale rechtsorde die bijdraagt aan onze veiligheid en welzijn. De Verenigde Naties bieden het mondiale platform voor internationaal overleg over de belangrijkste internationale uitdagingen. Nederland wil daarom sterk vertegenwoordigd blijven in de VN en andere mondiale fora. Het aantal staten met kernwapens is sinds de inwerkingtreding van het Non-Proliferatieverdrag gegroeid. De verspreiding van massavernieti-gingswapens, waaronder kernwapens en de technologie ervoor is een grote bedreiging. Het nucleaire en vooral ook het raketprogramma van Iran vormt een bedreiging van de internationale vrede en veiligheid. In 2012 blijft de regering zich inspannen om nucleaire proliferatie tegen te gaan. Maar we hebben ook te maken met bedreigingen van de interne veiligheid door niet-statelijke actoren, zoals onderkend in het nieuwe Strategische Concept van de NAVO. Terrorisme en andere vormen van grensoverschrij-dende misdaad bedreigen Nederlandse belangen en de stabiliteit in onze samenleving. Het gaat onder meer om drugs- en mensenhandel, illegale wapenhandel, piraterij, cyberaanvallen en pogingen van terroristen om massavernietigingswapens te verwerven. Bestrijding van deze bedrei-gingen vergt nationale en internationale samenwerking om tot een innovatieve aanpak te komen. De verhoudingen zijn asymmetrisch: hier staat niet de ene staat tegenover de andere, maar een staat tegenover steeds andere bedreigende groepen. We zoeken naar de effectiefste methodes om hiermee om te gaan. Een hiermee samenhangend vraagstuk dat ook raakt aan onze veiligheid is het internationale personenverkeer en de toegang tot Nederland. Deze problematiek kent vele facetten en wordt voor een belangrijk deel in Europees kader besproken. Allereerst betreft dit het tegengaan van illegale migratie, maar ook het asielbeleid en stringente bewaking van de buitengrenzen van de Unie vallen hieronder. Tegelijkertijd is de visumver-lening bedoeld om juist diegenen die Nederland willen aandoen, zoals buitenlandse zakenlieden en kenniswerkers, daartoe de mogelijkheden te bieden. In samenspraak met de ministeries van Veiligheid en Justitie en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt gestreefd naar het bereiken van de doelstellingen uit het regeerakkoord. De Europese Unie draagt ook substantieel bij aan onze veiligheid. In eerste instantie doet zij dat in Europa zelf. Via het nabuurschapsbeleid voor de ooster- en de zuiderburen draagt de EU bij aan stabiliteit en Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 215 (energie)veiligheid aan haar grenzen. Eind september 2011 vindt de top van het Oostelijk Partnerschap plaats. Bovendien voert de EU twaalf civiele en militaire missies uit onder de vlag van het Gemeenschappelijke Veiligheids- en Defensiebeleid, die veelal een combinatie van hard en soft power behelzen. De combinatie van civiel en militair is een uniek product en een meerwaarde van de EU; veel bedreigingen kunnen immers niet alleen met militaire middelen worden opgelost. Daar komt een breder scala aan instrumenten aan te pas, waaronder steun bij de opbouw van de rechtsstaat, wederopbouw en verzoening. In 2012 wil de regering de instrumenten van de Unie nog effectiever en coherenter gebruiken, bijvoorbeeld in Afghanistan (via EUPOL). Zij streeft ernaar dat de EU in het komende jaar intern en met derden nog beter samenwerkt. De ervaring met de 3D-aanpak, de samenhang in het gebruik van diplomatieke, militaire en ontwikkelingssamenwerkingsmiddelen, geeft Nederland toegevoegde waarde. De Nederlandse benadering is een land-specifieke combinatie van defensie, diplomatie en ontwikkeling. De regering gaat verder met de bevordering van veiligheid in zwakke staten door de onderliggende oorzaken van instabiliteit, conflict en uitsluiting aan te pakken. Dat kan grootschalig, zoals dat is gebeurd in Uruzgan, maar ook op kleinere schaal, in bijvoorbeeld Soedan en Burundi. Begin 2011 besloot de regering met bijdragen aan de EU en de NAVO een geïntegreerde politietrainingsmissie op te zetten in Afghanistan. Deze missie in Kunduz en Kabul bouwt verder op eerdere inspanningen in Afghanistan. Nederland gaat de Afghanen de komende jaren helpen de rechtsstaat op te bouwen, zodat zij zelf de openbare orde kunnen handhaven. Nederlandse politieagenten, experts van het Openbaar Ministerie en het gevangeniswezen, marechaussees, ontwikkelings-experts, mensenrechtendeskundigen, militaire trainers en ondersteuners, diplomaten en juristen werken nauw samen om de Afghaanse civiele politie en justitiële instellingen te versterken. Dat is essentieel voor het vertrouwen van de bevolking in de overheid en vitaal voor de verzelfstan-diging van Afghanistan. De actieve bijdrage van mannen en vrouwen bij vredesopbouw is een basis voor duurzame politieke en economische stabiliteit. Vrouwen moeten de rechten en kansen hebben om gelijkwaardig deel te nemen aan vredes- en wederopbouwprocessen. De regering vindt het belangrijk dat vrouwenrechten aandacht krijgen tijdens civiele en militaire missies. Zij voert daarom Veiligheidsraadresolutie 1325 actief uit. Ook de aanpak van piraterij en terrorismebestrijding is geïntegreerd. Nederland neemt deel aan antipiraterijmissies voor de kust van Somalië en in de Indische Oceaan en gaat daarmee door. De regering wil daar nog effectiever optreden. Dat is de militaire kant. Tegelijkertijd wil de regering bijdragen aan capaciteitsopbouw. Landen in de regio moeten op termijn zelf in staat zijn piraterij te bestrijden. Het is zaak naast directe bestrijding van het fenomeen als zodanig ook de oorzaken van piraterij aan te pakken. Bij terrorismebestrijding is preventie een belangrijke poot. De regering wil radicalisering en grensoverschrijdende criminaliteit in derde landen tegengaan en benut daarvoor politieke, financiële en andere middelen. De bestrijding van terrorisme en gewelddadig extremisme houdt ook na de dood van Osama bin Laden de hoogste prioriteit. Cyberbedreiging verdient een plaats in het buitenlandbeleid als een belangrijke nieuwe bedreiging. De regering pakt dit samen met burgers, bedrijfsleven en ngo’s in Nederland en in het buitenland aan. Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 216 De regering wil de rol vasthouden die Nederland speelt als non-proliferatie- en ontwapeningsmakelaar. Juist als middelgroot en betrouwbaar land kan Nederland bruggen slaan in moeizame multilaterale onderhandelingen. Nederland is één van de initiatiefnemers van het Non-Proliferation and Disarmament Initiative (NPDI), een groep van tien landen waaronder Japan, Australië, Mexico en Duitsland. Deze ad-hoc coalitie maakt zich hard voor de uitwerking van het actieplan van de laatste toetsingsconferentie van het Non-Proliferatieverdrag. Ook speelt Nederland een actieve rol bij exportcontroleregimes en bij het tegengaan van de verspreiding van goederen en technologieën voor nucleaire, chemische en biologische wapens en van rakettechnologie. In 2012 vindt mogelijk een conferentie plaats over een massavernietigingswapens vrije zone in het Midden Oosten, waarbij Nederland een belangrijke rol wenst te spelen. 2e pijler: werken aan welvaart – economische diplomatie De verdere ontsluiting van de wereld en de grotere verwevenheid van landen bieden grote kansen voor onze ondernemers en ons bedrijfsleven. De mogelijkheden groeien om handel te drijven, te reizen en te communi-ceren. Nederlanders kunnen die kansen grijpen. De regering is van oudsher een vurig pleitbezorger van vrijhandel en een gelijk speelveld voor alle landen. Daarom streeft zij ernaar dat zoveel mogelijk landen aansluiten bij het wereldhandelssysteem. Daar profiteert Nederland van en anderen ook. Aansluiting op het wereldhandelssysteem schept kansen voor groei en werkgelegenheid voor iedereen. Binnen de EU zet de regering zich ervoor in de Doha-ronde van de Wereldhandelsorganisatie vlot te trekken. Alle landen profiteren hiervan, zeker ook ontwikkelings-landen. De bestrijding van protectionisme en corruptie, het wegnemen van handelsbarrières, een gelijk speelveld en een betrouwbare juridische en bancaire infrastructuur zijn van wezenlijk belang voor de Nederlandse veiligheid, groei en welvaart. De laatste jaren is het mondiale krachtenveld sterk veranderd. De sterke groei van Azië en andere opkomende economieën, zoals Brazilië en Turkije, doet zich voelen. De wereldbevolking groeit en het welvaarts-niveau stijgt in deze opkomende economieën. Dat heeft gevolgen voor Nederland. Nieuwe koopkrachtige afzetmarkten bieden kansen voor het Nederlands bedrijfsleven en nieuwe investeerders spelen een waardevolle rol in de Nederlandse economie. Tegelijkertijd is het niet vanzelfsprekend dat de wereldmarkt de komende decennia volgens de huidige spelregels blijft functioneren. Dit betekent dat de regering zich inzet afspraken te maken met andere landen die goed zijn voor het economisch klimaat in de wereld en dus ook voor Nederlandse bedrijven inclusief het midden- en kleinbedrijf, beter toezicht op de financiële sector en vrijhandel. De financieel-economische crisis en schulden van een aantal westerse economieën hebben ook gevolgen voor de verhoudingen in de wereld. Er is aanhoudende onrust over het internationale financiële en monetaire systeem. Onzekerheid over de dollar en de euro heeft op de korte termijn bijgedragen aan volatiele aandelenmarkten. Ook op de langere termijn zijn er onevenwichtigheden die de wereldwijde economische stabiliteit beïnvloeden. Juist voor de kleine en open Nederlandse economie is een robuuste ontwikkeling van de wereldeconomie van essentieel belang. De regering blijft daarom actief bijdragen aan inspanningen om de econo-mische stabiliteit te waarborgen. Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 217 Economische diplomatie, waarbij de Nederlandse overheid voor een economisch doel onderhandelt met een buitenlandse publiek/private partij ten behoeve van het bevorderen van handel- en R&D-samenwerking en het binnenhalen van investeringen, krijgt hoge prioriteit. Onze vertegen-woordigingen in het buitenland ondersteunen het bedrijfsleven bij het verkrijgen van markttoegang, het vinden van geschikte partners en trouble shooting: waar bedrijven op obstakels stuiten, kan de ambassade interveniëren bij buitenlandse overheden. Onze diplomaten kunnen de lokale context en regelgeving duiden, waar nodig bemiddelen en hun netwerk inzetten. De regering streeft naar de bescherming van de Nederlandse econo-mische belangen op lange termijn. Zo moet de aanvoer van energie, grondstoffen en aardmetalen verzekerd zijn. De groeiende concurrentie om deze hulpbronnen kan een bron zijn van conflicten. Hier ligt een verband met onze veiligheidsbelangen. Het Energierapport 2011 maakt een grondige analyse van de energievoorzieningszekerheid en identifi-ceert de landen die hierbij belangrijk zijn voor Nederland: de buurlanden en de grote strategische spelers, zoals Brazilië, VS, Rusland en China. In 2012 wordt de bilaterale relatie met deze landen nader gestructureerd. Het beleid op het gebied van grondstoffenzekerheid wordt uitgevoerd op basis van de grondstoffennotitie1. Daarbij zijn duurzaamheid en ketenbe-nadering van groot belang. Handelsmissies, beurzen, publieksdiplomatie, culturele evenementen en uitwisselingen en onderwijs- en onderzoekssamenwerking dragen allemaal bij aan het goed op de kaart zetten van Nederland in het buitenland. Dat is bekend instrumentarium. De regering wil daar slimmer en strategischer mee omspringen, optimaal gebruik makend van de beperkte middelen. Dat gebeurt bijvoorbeeld via een strategische inzet van de reizen van de bewindspersonen. Dat vergt dat we per markt, per sector, per regio zelfs, bekijken wat nodig is. Het ministerie van Buiten-landse Zaken werkt op dit terrein nauw samen met het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, dat internationaal onder-nemen coördineert. Om de kansen van Nederlandse bedrijven in snel groeiende massamarkten zoals China, India en Brazilië te optimaliseren, wordt daaraan speciale aandacht besteed. Maar ook groeimarkten en strategische knooppunten als Vietnam en Panama rechtvaardigen extra inzet. Juist in deze landen zijn goede contacten met de overheid van groot belang. De regering zal zich bij de uitvoering van de economische diplomatie richten op negen zogenoemde «topsectoren», waarin Nederland een sterke internationale positie heeft: voedsel, agro and food, tuinbouw, hightech, energie, logistiek, creatieve industrie, life sciences, chemie en water. Het gaat er nu om de kansen van het Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen op deze gebieden maximaal te benutten. Ook zullen de Caribische partners in het Koninkrijk worden ondersteund met een betere benutting van de economische strategische ligging en de culturele verbondenheid met de Latijns-Amerikaanse regio van de eilanden. Economische diplomatie wordt ook ingezet ter bevordering van onze bredere internationale economische belangen. Ook het verbeteren van de interne markt van de Europese Unie valt er onder. Die interne markt heeft Nederland al veel opgeleverd in termen van welvaart en werkgelegenheid. Maar zij kan nog steeds verder worden vervolmaakt. De regering heeft de verdere vervolmaking van de interne markt voor diensten, energie en intellectueel eigendom voor ogen. Dit zou voor de Nederlandse economie, 1 Grondstoffennotitie, kamerstuk: 32 582, nr.1Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 218 die voor 80 procent op diensten is gebaseerd, forse groei opleveren. Aandacht voor internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen maakt ook deel uit van economische diplomatie. Nederlandse bedrijven zullen onder andere via de posten worden ondersteund en geïnformeerd over het aanpakken van mogelijke schendingen van OESO-normen in hun productieketen. 3e pijler: werken aan vrijheid De regering geeft prioriteit aan thema’s als de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en de vrijheid van meningsuiting inclusief de bevor-dering van internetvrijheid. Zij wil hierbij een voortrekkersrol vervullen. De regering beoogt mediadiversiteit in landen waar die tekort schiet te bevorderen, bloggers en cyberdissidenten te ondersteunen, gedragscodes voor bedrijven te bepleiten en sluitende Europese regelgeving. Samen met Canada, Zweden, de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk speelt Nederland een rol in de voorhoede van de internetvrijheid. De regering spant zich meer nog dan voorheen in vervolging van religieuze minderheden tegen te gaan. Ook voor de rechten van lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen en transgenders spant de regering zich bijzonder in. De regering ondersteunt gelijke rechten en kansen voor vrouwen. De regering ondersteunt daarom de volwaardige deelname van vrouwen in de politieke en bestuurlijke besluitvorming binnen hun maatschappijen. Dit verhoogt de efficiëntie en effectiviteit van beleid en is een voorwaarde voor economische ontwikkeling, democratisering, goed bestuur, vrede, veiligheid en stabiliteit. Vrouwen zijn multipliers van economische ontwikkeling en stabiliteit. Verdedigers van mensenrechten en hun organisaties staan centraal in het beleid. Zij moeten zich gesteund weten. Het Mensenrechtenfonds steunt projecten op deze ijkpunten, voor een groot deel via de ambassades. Het gaat om projecten die verdedigers van mensenrechten helpen voet aan de grond te krijgen in hun land. De Arabische wereld krijgt hierbij prioriteit vanwege de zorgelijke mensenrechtensituatie in deze regio. Duurzame transitie zal alleen gebeuren als er democratie, rechtstaat en respect mensenrechten zijn. Een sterke internationale rechtsorde vereist goed functionerende internationale instellingen met een breed draagvlak. De Nederlandse traditie van volkenrechtelijke expertise komt tot uitdrukking in de positie van Den Haag als juridische hoofdstad van de wereld. Nederland zal zich blijven inspannen voor de erkenning van de rechtsmacht van de interna-tionale hoven en tribunalen, waaronder het Internationaal Gerechtshof en het Internationaal Strafhof. Mensenrechten hebben intrinsieke waarde. Bij ernstige schendingen van fundamentele rechten, zoals marteling, de doodstraf, buitengerechtelijke verdwijningen en verkrachtingen, vinden de slachtoffers de regering aan hun zijde. Daarnaast spant de regering zich in om genocide en oorlogs-misdaden te voorkomen en daders te bestraffen. De regering probeert notoire schenders van mensenrechten de voet dwars te zetten, bijvoorbeeld met Europese sancties tegen hen. Zij bepleit dat landen die niet voldoen aan basisnormen voor democratie en mensenrechten minder of zelfs geen EU-hulp krijgen. Naast deze morele overwegingen, is de bevordering van respect voor mensenrechten ook in het eigen belang. Nederland vaart wel bij een stabiele internationale omgeving, waar de regels van de rechtsstaat worden nageleefd en de Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 219 mensenrechten worden gerespecteerd. Dat is goed voor handel en investeringen. Waarden en belangen gaan hier gelijk op. Nederlandse ambassades bevorderen maatschappelijk verantwoord ondernemen en mensenrechten in hun contacten met (Nederlandse) bedrijven. De notitie «Verantwoordelijk voor vrijheid – mensenrechten in het buitenlandbeleid» van april 2011 beschrijft de Nederlandse positie voor het mensenrechtenbeleid als een coherent en compact mensenrechten-beleid dat concrete resultaten oplevert. De beperkte middelen dwingen ons keuzes te maken om effectief te zijn. Dat betekent principieel zijn waar dat nodig is, maar zeker ook gericht zijn op dialoog. Waar gelijkgezinde landen expertise en gedrevenheid aan de dag leggen, sluit de regering zich aan bij bestaande initiatieven. Dat gebeurt multilateraal waar mogelijk, bilateraal waar nodig. Het effect is groter als alle 27 lidstaten samen optrekken. Het Verdrag van Lissabon, waarin onder meer de toetreding van de EU tot de EVRM is afgesproken, heeft een impuls gegeven aan het gemeenschappelijke buitenlandbeleid van de EU. Van die gemeenschappelijkheid wil de regering optimaal gebruik maken. Dat geldt ook voor de totstandkoming van een Europees mensenrechtenbeleid en de afstemming tussen EU-instellingen en lidstaten over de uitvoering ervan. Buitenlandse Zaken treft samen met Onderwijs, Cultuur en Weten-schappen voorbereidingen om Radio Nederland Wereldomroep per 1 januari 2013 te richten op de bevordering van het vrije woord, in de wereld. Dit vult de afspraken uit het Regeerakkoord in. In focus: geïntegreerd beleid voor de Arabische regio De veranderingen in de Arabische wereld benadrukken de noodzaak van een geïntegreerd buitenlandbeleid dat veiligheid, welvaart en vrijheid in samenhang ziet. Waar mensenrechten met voeten worden getreden, waar de rechtsstaat in verdrukking is en waar jongeren nauwelijks toekomstper-spectief hebben, is stabiliteit niet blijvend en kan de welvaart niet duurzaam toenemen. Het verschil tussen stabiliteit en pseudostabiliteit heeft zich in de Arabische regio duidelijk gemanifesteerd. De mensen daar verdienen een transitie die leidt tot maatschappelijke en economische hervormingen, een inclusieve democratie en respect voor burgerlijke vrijheden en mensenrechten. De regering wil bijdragen aan die transitie. Zij moet duurzaam zijn en leiden tot economische groei, mede door opbouw van de economische infrastructuur, en groei van de werkgelegenheid. Bij deze bijdrage past bescheidenheid: de eerste verantwoordelijkheid ligt in de regio zelf. Zonder drive van binnenuit lukt het niet. Nederland en de EU kunnen de transitieprocessen wel goed ondersteunen en begeleiden. De leidende principes hierbij zijn: multilateraal waar mogelijk bilateraal waar nodig, vraag gestuurd en op basis van conditionaliteit. Hoe de landen aan de zuidflank van Europa zich ontwikkelen, is ook belangrijk voor Nederland en de Europese Unie. Het zijn potentieel grote afzetmarkten en het zijn energieleveranciers. Een ontwikkeling in de verkeerde richting kan leiden tot internationale criminaliteit, terrorisme en illegale immigratie. De openstelling van de Europese markt is van wezenlijk belang voor economische ontwikkeling en werkgelegenheid. Daarom pleit de regering voor verbeterde markttoegang voor producten uit de Arabische regio, in het bijzonder voor agrarische producten. Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 220 De EU heeft binnen de bestaande begroting extra middelen vrijgemaakt om de regio te ondersteunen. Dit betreft schenkingsmiddelen voor het Europese Nabuurschapsbeleid en EIB leningen, waarvan 5% kan worden toegerekend aan Nederland. De regering houdt aandacht voor recht-matige, effectieve en efficiënte besteding van deze gelden. Daarnaast kan Nederland onder andere via de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBRD), de Europese Investeringsbank (EIB), het IMF en de Wereldbank de steun voor de transitieprocessen beïnvloeden. Bovenop het Nederlandse deel van de multilaterale bijdragen aan de Arabische regio1 maakt de regering zelf in 2012 EUR 7,5 miljoen vrij voor onder-steuning van de regio. Dat loopt op tot EUR 15 miljoen in 2015. Het gaat dan om ondersteuning van het maatschappelijk middenveld, politieke partijen, training van diplomaten, ondersteuning van betrouwbare justitie-instellingen en om ondersteuning van het bedrijfsleven, in het bijzonder het MKB. Bij de aanwending van de extra middelen focust de regering eerst vooral op Egypte en Tunesië en in een tweede fase op Marokko en Jordanië. Ontwikkelingssamenwerking Ontwikkelingssamenwerking is integraal onderdeel van het Nederlandse buitenlandbeleid zoals beschreven in de Basisbrief en de Focusbrief aan de Tweede Kamer. Veiligheid, welvaart en vrijheid zijn nauw verbonden aan dit beleidsterrein. Als mensen niet van hun fundamentele vrijheden en rechten kunnen genieten en in onveiligheid moeten leven, leidt dat tot instabiliteit en menselijk lijden. Onveiligheid en instabiliteit belemmeren bovendien economische groei en welvaart. In de lijst partnerlanden zitten daarom enkele fragiele staten, waar de regering probeert veiligheid en stabiliteit te bevorderen. De regering wil en kan bijdragen aan de verbetering van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten. Water en voedselzekerheid zijn belangrijke elementen in de ontwikkeling en welvaart in ontwikkelingslanden. Nederland heeft iets te bieden en te winnen bij deze twee speerpunten die aansluiten bij de Nederlandse economische topgebieden. De landenkeuze houdt verder rekening met kansen en mogelijkheden van Nederlandse bedrijven in die landen. Het verlenen van humanitaire hulp aan slachtoffers van natuurrampen en conflicten, zoals in de Hoorn van Afrika, blijft van groot belang evenals zorg voor vluchtelingen in de regio. Daarbij wordt nadrukkelijk gekeken naar maximalisering van de effectiviteit, mogelijkheden van zelfred-zaamheid en betere verantwoording over de besteding van de middelen. Een integrale aanpak van ontwikkelingsproblematiek is ook internationaal nodig. De regering maakt zich daarvoor sterk, zeker ook binnen de EU. EU- of nationaal regeringsbeleid moet belangen van ontwikkelingslanden zo min mogelijk schaden. Bij interdepartementale afstemming houdt de regering de beleidscoherentie voor ontwikkeling voortdurend in de gaten. Er komt sterkere expertise bij Buitenlandse Zaken voor beleidscoherentie voor ontwikkeling.Bij de Nederlandse inzet in het multilaterale kanaal wordt aangesloten bij de gekozen bilaterale beleidsthema’s binnen een bredere ondersteuning van het multilaterale systeem. Hierbij wordt zo veel mogelijk vastge-houden aan het uitgangspunt dat de combinatie van relevantie en effectiviteit de hoogte van de Nederlandse bijdragen bepaalt. Een dergelijke afweging verdient maatwerk. Bijkomende factoren zoals de inschatting van het perspectief op verbetering van de organisatie zullen per geval worden meegewogen. 1 Zie verder brief Actuele situatie in Noord-Afrika en het Midden-Oosten kamerstuk: 32 623 nr. 40.Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 221 Goede bedoelingen zijn onvoldoende basis voor effectieve ontwikkelings-samenwerking. De regering kiest voor gebieden waar Nederland internationaal verschil kan maken door haar kennis en expertise en die het nationale belang dienen. Dit is ook goed voor het draagvlak. De regering wil een herkenbaar profiel voor de Nederlandse ontwikkelingssamen-werking en moet tegelijkertijd bezuinigen. Dat heeft geleid tot een fundamentele koerswijziging met minder thema’s en minder landen. Uiteindelijk is het doel zelfredzaamheid voor armen. De inzet verschuift van sociale sectoren naar productieve sectoren. Economische groei vanuit een sterke private sector is immers een belangrijke motor van armoedebe-strijding. De regering heeft gekozen voor vier speerpunten, die aansluiten bij de Millenniumdoelen en de agenda voor de global public goods. Die speerpunten verbinden wereldwijde problemen en Nederlandse kennis. Het zijn: (1) veiligheid en rechtsorde, (2) voedselzekerheid, (3) water en (4) seksuele en reproductieve gezondheid en rechten. Bij de uitwerking van de vier speerpunten bevordert de regering een goed ondernemings-klimaat en investeert in samenwerking met het bedrijfsleven1. Veiligheid en rechtsorde Voorkomen van conflicten bespaart menselijk leed en is efficiënt. De regering wil veiligheid bevorderen in zwakke staten door de onderlig-gende oorzaken van instabiliteit, conflict en uitsluiting aan te pakken. De Nederlandse benadering is een land-specifieke combinatie van defensie, diplomatie en ontwikkeling. De prioriteiten zijn verbetering van veiligheid voor mensen en ontwikkeling van de rechtsstaat (op basis van een scheiding der machten en de Rule of Law), ondersteuning van legitieme overheden met voldoende capaciteit, verbetering van sociale voorzie-ningen, creatie van werkgelegenheid, versterking van de rol van vrouwen in vredesprocessen en effectievere multilaterale inzet in post-conflictsituaties. Water Steeds meer landen kampen met waterproblemen. Dit heeft ook gevolgen voor de stabiliteit van ontwikkelingslanden. De regering wil bijdragen aan effectief en integraal waterbeheer, op terreinen waar Nederland een kennisvoorsprong heeft en waar samenwerking tussen overheid, Nederlandse bedrijven, maatschappelijke organisaties en kennisinstel-lingen meerwaarde heeft. De prioriteiten zijn efficiënt watergebruik voor duurzame voedselproductie, veilige delta’s en beheer van stroomge-bieden (inclusief aanpassing aan klimaatverandering) en verbeterde toegang tot veilig drinkwater en sanitatie. De regering werkt hierbij samen met de brede Nederlandse watersector. Zij breidt de publiek-private partnerschappen en samenwerkingsprogramma’s daarvoor uit met, bijvoorbeeld, drinkwaterbedrijven, kennisinstituten en ngo’s. Zij versterkt de samenwerking in het Water Mondiaal-programma. Voedselzekerheid Ontwikkeling van de private sector is een essentiële voorwaarde voor meer economische groei en draagt bij aan voedselzekerheid, een belangrijk element bij het behalen van millenniumdoel 1 (Halvering van honger en het aantal mensen dat onder de armoedegrens leeft). Wereldwijd zijn 1 miljard mensen chronisch ondervoed en hebben 2 miljard mensen een tekort aan essentiële voedingsstoffen. Nederland wil de voedselzekerheid vergroten door duurzame productie, efficiënte markten, grotere inkomenszekerheid en betere toegang tot gezond voedsel te stimuleren. De prioriteiten zijn stimulering van innovatie, 1 Opgenomen in motie Eigeman Kamerstuk 32 500 V, K.Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 222 duurzame ketenontwikkeling, betere toegang tot goede voeding voor armere bevolkingsgroepen door onder meer hogere werkgelegenheid en het wegnemen van knelpunten voor producenten. Seksuele en reproductieve gezondheid en rechten1 Zwanger worden, zwanger zijn en bevallen leiden in ontwikkelingslanden vaak tot ziekte en complicaties. De regering is een vooruitstrevende en standvastige pleitbezorger van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten. Prioriteiten zijn pleitbezorging en beïnvloeding van beleid, effectieve dienstverlening door een betere aansluiting tussen overheid en private sector, capaciteitsversterking in de reproductieve gezond-heidszorg, onderwijs, en gericht onderzoek om toegang tot voorzieningen te verbeteren. Reproductieve gezondheid, algemene gezondheid en de hiv/aidsproblematiek beïnvloeden elkaar. De regering wil zich concen-treren op het vlak waar deze drie bij elkaar komen. Dit betekent dat Nederland zich richt op het voorkomen van uitsluiting en bestrijding van discriminatie in de gezondheidszorg, betere toegang voor jongeren tot informatie over seksualiteit en gezondheid, verbetering van rechten van gemarginaliseerde groepen, verbeterde toegang tot anticonceptie, hiv preventie, vaccins en andere medische middelen en verbetering van seksuele en reproductieve zorg, incl. veilige abortus. Juist daar kan Nederland een verschil maken ten opzichte van andere donoren. Dwarsdoorsnijdende thema’s Milieu, goed bestuur, en gelijke rechten en kansen voor vrouwen (gender) zijn dwarsdoorsnijdende thema’s. Zij wegen mee bij de programmering en in de uitvoering van het beleid op de bovengenoemde speerpunten. Partnerlanden Het aantal partnerlanden is verminderd van 33 naar 15. De keuze voor de partnerlanden houdt rekening met de mogelijkheid resultaten te boeken, het inkomens- en armoedeniveau, de mogelijkheid de speerpunten vorm te geven, de belangen van andere departementen, de financiële omvang van het lopende hulpprogramma, de mate van goed bestuur, en de mate waarin de eventuele sluiting of omvorming van het hulpprogramma bijdraagt aan de voorgenomen bezuinigingen op het postennetwerk. De landenlijst bevat drie categorieën: •lage-inkomenslanden: Benin, Ethiopië, Mali, Mozambique, Oeganda en Rwanda; •fragiele staten: Afghanistan, Burundi, Jemen, Palestijnse Autoriteiten en Soedan; •en landen met een gezonde economische groei: Bangladesh, Ghana, Kenia en Indonesië. Ook in enkele andere landen investeert de regering ontwikkelingsgeld. Colombia, Vietnam en Zuid-Afrika komen in aanmerking voor een transitiefaciliteit. Besteding via multilaterale fondsen, het maatschappe-lijke kanaal en centrale programma’s blijft bestaan. De uitfasering en transformatie in de afgevallen landen gebeurt zorgvuldig. De regering streeft naar een gezamenlijke aanpak met andere donorlanden. De ambassades werken de komende periode een op maat gesneden exit- of transformatiestrategie uit. Nederland in Europa Europa is van groot belang om de drie pijlers van het buitenlandbeleid, veiligheid, welvaart en vrijheid, te schragen. De waarden waarop de Europese Unie berust, eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, 1 In lijn met de toezegging gedaan tijdens AO SRGR en HIV/AIDSTweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 223 democratie, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, en de doelstellingen van de EU onder meer de creatie van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, de totstandbrenging van een interne markt, evenwichtige economische groei en prijsstabiliteit, bijdrage en vrede en veiligheid, sluiten nauw aan bij de buitenlandspolitieke doelstellingen van de regering. Tegelijkertijd meent de regering dat de EU zeker niet de enige supra- en internationale organisatie is die van belang is om de buiten-landse politieke doelstellingen te realiseren. Ook de NAVO en VN, en in Europa de OVSE en de Raad van Europa spelen een belangrijke rol. De grootste uitdaging voor Europa op dit moment is het herstellen van de financiële stabiliteit. Een stabiele Europese muntunie is in het belang van Nederland, zowel voor exporterende bedrijven als voor sparende burgers. Dit vergt een slagvaardige EU waarin afspraken worden nagekomen en toekomstige crises worden voorkomen. De regering werkt actief mee aan een aanpak om de financieel-economische crisis te beteugelen. Deze aanpak kent een waaier aan maatregelen.De hoofdverantwoordelijkheid ligt bij de lidstaten zelf: zij moeten hun overheidsfinanciën op orde krijgen en economische hervormingen doorvoeren. Daarbij moet de financiële stabiliteit duurzaam worden verankerd door te garanderen dat afspraken over begrotingsdiscipline worden nageleefd. Dat vergt een slagvaardig Europees toezicht dat effectief ingrijpt wanneer lidstaten de spelregels van de muntunie overtreden. Afgelopen jaar is hieraan gewerkt door aanscherping van het Stabiliteits- en Groeipact, betere controle op nationale statistieken en begrotingsraamwerken en monitoring van macro-economische oneven-wichtigheden. Ook wordt de economische beleidscoördinatie versterkt via het Europese Semester en het Euro-Plus-Pact. Om scherper en beter toezicht te houden op de geïntegreerde Europese financiële sector zijn drie nieuwe Europese toezichthouders opgericht. Ook komend jaar wordt de nieuwe regulering van de financiële sector verder uitgewerkt. Een crisisbeheersingsmechanisme is het sluitstuk van deze aanpak, om in het uiterste geval onder strenge voorwaarden bijstand te verlenen. Vanaf 2013 treedt het Europees Stabiliteitsmechanisme (ESM) in werking, ter opvolging van de European Financial Stability Facility. De ratificatie van het ESM zal in 2012 moeten gebeuren. Echter, verdere aanscherping moet niet uitgesloten worden.Nederland kiest voor een moderne en sobere Europese begroting. Modern vereist dat die aandacht geeft aan innovatie, asiel en migratie en veiligheid. De Europese middelen moeten bijdragen aan de prioriteiten van dit moment: een concurrerend Europa in een multipolaire wereld. De EU begroting moet sober zijn: de regering moet in vier jaar tijd EUR 18 miljard bezuinigen. Ook andere lidstaten bezuinigen. De regering wil de afdrachten aan Brussel substantieel verlagen. Op 29 juni 2011 presen-teerde de Commissie haar voorstellen voor het meerjarige financiële kader 2014-2020. Dit is het begin van intensieve onderhandelingen die vermoedelijk pas eind 2012 zijn afgerond. De voorstellen zijn een goede basis voor de onderhandelingen, maar moeten op onderdelen nog wel sterk verbeteren om de Nederlandse doelstelling van modern en sober te realiseren. De regering is er duidelijk over dat landen met een lidmaat-schapsperspectief kunnen toetreden wanneer zij aan de voorwaarden voldoen. Toetreding van nieuwe lidstaten leidt tot stabiliteit en welvaart in Europa. Zij dienen echter wel te voldoen aan de criteria, met name de Kopenhagen-criteria, waaronder het absorptievermogen van de EU.Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 224 Ook in 2012 vult de regering het uitbreidingsbeleid in volgens het adagium strict and fair. In 2012 zal Nederland bijzondere aandacht geven aan de ontwikkeling van de rechtsstaat in de (potentiële) kandidaat-lidstaten. Hieronder valt ook het toezicht op de justitiële hervormingen in Kroatië waarmee de Raad eind december 2011 het toetredingsverdrag tekent. Het strikt vasthouden aan de regels is noodzakelijk voor het draagvlak voor uitbreiding. Europa heeft het afgelopen decennium landen toegelaten die hier nog niet klaar voor waren. Dat is onwenselijk: toetreding van nieuwe lidstaten moet de EU versterken, niet verzwakken. Vervolmaking van de interne markt is voor de regering een speerpunt. De interne markt is de motor van groei en banen. Om ook in de toekomst een goed functionerende interne markt te houden, en om als Europese Unie een van de leidende en hoogst ontwikkelde economieën in de wereld te blijven, moet worden ingezet op innovatie, de digitale agenda, verbetering van de concurrentiepositie en een goed functionerende dienstenmarkt. Dit is goed voor Europa én voor Nederland. Dankzij de interne markt ligt het jaarinkomen van elke Nederlander volgens het CPB nu al ongeveer 1 500 tot 2 200 euro hoger. Deze interne marktbonus kan de komende jaren nog meer dan verdubbelen. De opheffing van de belemmeringen voor een digitale interne markt in Europa zou in 2020 4 procent extra economische groei kunnen opleveren. De regering wil naar een systeem dat kansen biedt voor diegenen die kunnen bijdragen en restrictief is voor diegenen die dat niet willen. Daarom moet de EU een scherper asiel- en immigratiebeleid voeren. Dat vereist aanpassing van sommige richtlijnen zoals gezinsmigratie en arbeidsmigratie. De regering is voor versterking van Frontex. Grensbe-waking is een terrein waar Europese samenwerking meerwaarde biedt. Eén van de grootste successen van Europese samenwerking is het vrije personenverkeer binnen de Schengenruimte. Tegelijkertijd meent de regering dat de politieke sturing en samenwerking in het Schengengebied beter kan. Het wederzijdse vertrouwen tussen de lidstaten moet verbe-teren. Dit kan door elkaar in de reguliere rapportages te beoordelen op elementen als onafhankelijke rechtspraak, strijd tegen corruptie en georganiseerde misdaad. De omwentelingen in de Arabische wereld maken eens te meer duidelijk dat Europa gebaat is bij een slagvaardige en coherente EU. Geen enkele lidstaat is alleen in staat gebeurtenissen in de wereld doorslaggevend te beïnvloeden. Europa moet als geheel antwoorden op mondiale uitda-gingen. De EU is bij uitstek geschikt om bepaalde Nederlandse belangen in de wereld te behartigen, en om onze waarden uit te dragen. Zoals ook in het Regeerakkoord staat, streeft de regering zich naar een effectiever en samenhangender extern beleid van de Unie. Om de rol van de EU te versterken, steunt de regering de ontwikkeling van de Europese diploma-tieke dienst. Deze moet, in overeenstemming met het Verdrag van Lissabon, de Hoge Vertegenwoordiger steunen bij de formulering en uitvoering van het Europese externe beleid. De Europese Dienst Extern Optreden (EDEO) is pas een half jaar operati-oneel. De organisatie staat en de topposities zijn vervuld. Maar er zijn ook opstartproblemen. Er is nog geen bedrijfscultuur omdat het personeelbe-stand is opgemaakt uit drie bloedgroepen: Commissie-diensten, experts van het Raadssecretariaat en diplomaten uit lidstaten. De regering denkt actief mee over verdere verbeteringen van de EDEO, ook binnen de Benelux. De Benelux heeft gepleit voor meer gezamenlijke rapportages, Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 225 logistieke ondersteuning bij crisissituaties, ondersteuning bij opstellen reisadviezen en ambtsberichten, gezamenlijke communicatie en gezamen-lijke opleidingen. Daarnaast let de regering op de kosten en streeft zij naar plaatsing van Nederlanders in de EDEO. Er werken nu 64 Nederlanders bij de EDEO (4 procent van het totaal). Van de 136 EU-delegaties, worden er acht geleid door Nederlanders, ruim 6 procent. Nederland besteedt de komende jaren 0,7 procent van zijn bnp aan ontwikkelingshulp. Daarmee is Nederland een van de weinige lidstaten die deze internationale verplichtingen waar maakt. Om het draagvlak hiervoor in Nederland te behouden, moeten ook de andere EU lidstaten in 2012 hun hulp verhogen naar de internationale norm. De regering dringt bij hen daarop aan. Zij wil betere afstemming van ontwikkelingssamen-werking tussen lidstaten en de Europese Commissie. De bijdrage van de regering aan de Europese inzet voor de internationale klimaatonderhandelingen richt zich op vormgeving van het nieuwe Green Climate Fund, de effectieve internationale besteding van de korte termijn klimaatfinanciering voor 2010 tot 2012 en het genereren van private financiering, de ontwikkeling van nieuwe en gebruik van bestaande marktmechanismen en de integratie van klimaat in de speerpunten water en voedselzekerheid. Nederland is voorstander van een extern EU energiebeleid dat streeft naar energievoorzieningszekerheid en een duurzame energiehuishouding. Europese maatregelen voor energiebesparing zijn alleen op hun plaats als er meerwaarde is. Er moet een goede balans zijn tussen nationale en mondiale belangen. Gecoördineerde EU-actie is belangrijk. De regering wil de Europese marktregels in het energiebeleid handhaven. Regionale samenwerking is nodig om de kosten van grensoverschrijdende energie-infrastructuur beter te verdelen. Nadat Nederland het doel van 14 procent hernieuwbare energie in 2020 heeft bereikt, wil de regering een geharmo-niseerd beleid voor opwekking van duurzame energie daar waar dat het efficiëntst is. Consulaire diplomatie Recente gebeurtenissen zoals in Noord-Afrika en het Midden-Oosten maar ook de tsunami in Japan laten zien hoe belangrijk hulp is aan Neder-landers in nood in het buitenland. Instabiliteit, onzekerheid en onvei-ligheid zijn vaak onverwacht en moeilijk te voorspellen. Zij tonen het belang van zichtbare inspanningen van ambassades en consulaten aan. Consulaire dienstverlening, inclusief migratievraagstukken, is een belangrijke deeltaak van het departement en de vertegenwoordigingen. Consulaire diplomatie heeft praktische kanten zoals dienstverlening aan Nederlandse burgers in het buitenland, maar heeft ook raakvlakken met de rest van het buitenlandbeleid. Een consulaire dialoog kan soms de weg inzetten naar politieke samenwerking. Samenwerking met niet-EU-staten faciliteert de terugkeer en herintegratie van niet tot Nederland toegelaten migranten en de opvang en bescherming van vluchtelingen in de regio. De consulaire dienstverlening moet staan als een huis. Het zwaartepunt verschuift naar dienstverlening aan Nederlanders in extreme nood. In de praktijk betekent dit een robuustere crisisrespons en een gedifferentieerde gedetineerdenbegeleiding. Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 226 Buitenlandse Zaken geeft bijzondere bijstand aan gedetineerden die een reële kans op de doodstraf lopen. De bijstand aan gedetineerden richt zich erop dat iedere Nederlandse gedetineerde in het buitenland zich kan beroepen op het recht op een eerlijk proces en de daarvan afgeleide beginselen zoals het recht op een advocaat. Effectieve bijstand aan Nederlanders bij extreme noodsituaties en calamiteiten in het buitenland vereisen capaciteitsversterking om meerdere crises tegelijkertijd te kunnen afhandelen. De eerder genoemde crises in de eerste helft van 2011 hebben aangetoond dat deze in vele vormen kunnen gebeuren en een specifieke aanpak vergen. Het kan gaan om de inzet van militaire transportmiddelen, inzet van chartervluchten en uitzending van Snel inzetbaar Consulair Ondersteunende Teams (SCOT) ter tijdelijke versterking van ambassades. Het juiste reisadvies op het juiste moment en een adequate crisisorganisatie zijn van groot belang. Nederland onderzoekt hoe de internationale samenwerking met andere lidstaten en de EDEO verder vorm kan krijgen. Tijdens de afgelopen crises is er ook intensief interdepartementaal samengewerkt, vooral met Defensie. Tegenover de concentratie op dienstverlening in noodsituaties staat een versobering en stroomlijning van de overige dienstverlening. Een kleiner postennetwerk leidt er onvermijdelijk toe dat sommige Nederlanders verder moeten reizen. Omdat de huidige leges voor een paspoort dat in het buitenland wordt afgegeven bij lange na niet kostendekkend zijn, moeten zij stijgen tot een kostendekkend niveau. Ook op andere gebieden dan crisisbeheersing onderzoekt Nederland de mogelijkheden voor overdracht van consulaire taken aan de EDEO. Bij de afgifte van visa, belangrijk om het verkeer van personen wereldwijd in goede banen te leiden, beoogt de regering meer samenwerking met Schengenpartners. Er zijn nu al tientallen bilaterale afspraken tussen Nederland en partners om elkaar in het visumproces te vertegenwoor-digen. De regering zet deze lijn voort. De regering zet stappen om meer delen van de consulaire en visumprocessen te digitaliseren om zodoende Nederlanders in het buitenland nog beter en sneller van dienst te zijn en hiermee de regeldruk te verminderen. Internationaal cultuurbeleid Het Nederlands internationaal cultuurbeleid versterkt de Nederlandse positie in het buitenland. De regering zet culturele diplomatie daarom strategisch in, in landen die zowel cultureel, politiek als economisch interessant zijn. Focus ligt op de internationale zichtbaarheid van het Nederlands topsegment. Er is opnieuw gekeken naar de geografische focus van het internationaal cultuurbeleid. Nederlandse kunst staat in het buitenland hoog aangeschreven, wat goed is voor het imago van Nederland. Daar waar kansen liggen voor de Nederlandse economie benadrukt de regering de verbanden tussen cultuur, handel en economie. Een van de prioriteiten van het internati-onaal cultuurbeleid is de promotie van Nederlandse creatieve industrie. Met programma Dutch Design Fashion and Architecture wil de regering in de periode 2009–2012 de internationale positie van de sectoren design, mode en architectuur duurzaam versterken. Voor de komende subsidiepe-riode zal de geografische focus komen te liggen op België (Vlaanderen), Duitsland, Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Spanje, Italië, Turkije, de Verenigde Staten, Brazilië, Rusland, China, India, Zuid-Afrika, Indonesië en Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 227 Japan. Voorts zal de culturele samenwerking met de Arabische regio en Centraal- en Oost-Europa worden gestimuleerd. Nederlandse expertise van restauratie of herbestemming van gemeen-schappelijk cultureel erfgoed kan bilaterale betrekkingen een extra impuls geven en historische relaties een nieuwe dynamiek bezorgen. Onder-steuning van cultuur in ontwikkelingslanden draagt bij aan debat, identiteit, een open samenleving en een gelijkwaardige dialoog tussen partners. Internationalisering is belangrijk voor de Nederlandse kunst. Onze topinstellingen kunnen niet bestaan zonder de internationale markt. Er is vraag in het buitenland naar Nederlandse kunst. Nederlands toptalent is internationaal toonaangevend en vernieuwend. Kunst draagt daarmee bij aan een positief beeld van Nederland in het buitenland. Bovendien is het voor kunstenaars, net als voor sporters, van belang zich te kunnen meten met de internationale competitie. Deelname aan internationale festivals, biënnales en concoursen is dan ook essentieel. Tenslotte is culturele diplomatie een belangrijk instrument van moderne diplomatie. Diplomaten krijgen hun informatie niet alleen via de traditi-onele diplomatieke kanalen. Om te weten wat er speelt in een samen-leving is het belangrijk te luisteren naar schrijvers, filmers, kunstenaars en bloggers. Modernisering van diplomatie en postennetwerk De Nederlandse diplomatie is een middel om doelstellingen in het buitenland tot stand te brengen. De regering richt zich op veiligheid, welvaart en vrijheid in de wereld en op een consulaire inzet die staat als een huis. Vanzelfsprekend wil de regering dat optimaal doen. Daarom past zij de diplomatie aan aan de verhoudingen in de wereld, aan de Neder-landse belangen, aan de omgang tussen mensen. Die aanpassingen krijgen de komende jaren gestalte, op basis van de volgende uitgangs-punten. •Nederlandse belangen, ook de economische, staan centraal in het handelen. Dat betekent een forse intensivering van de economische diplomatie en meer samenwerking met het bedrijfsleven en kennisin-stellingen. •Structuur volgt functie. Pas nadat de functie helder voor ogen staat, kan de vorm daarop worden aangepast. Diplomatieke aanwezigheid hoeft niet per definitie een ambassade te zijn maar kan ook een heel anders vorm krijgen, zoals door reizende ambassadeurs of flexibel inzetbare beleidsteams, vanuit regionale steunpunten of door een keuze voor een specifieke inzet voor het bedrijfsleven. •De flexibiliteit moet groot zijn om snel te kunnen inspringen op veranderende omstandigheden. •De regering focust de diplomatie. Zij wil niet alles doen maar bekijken waar meerwaarde ligt. Aan de hand van die meerwaarde bepaalt zij de inzet. Zij doet waar Nederland goed in is en kiest daarvoor de meest vruchtbare bodem. •De diplomatie is een geïntegreerde vorm van werken. Er zijn nog steeds schotten te slechten. Veiligheid, welvaart en vrijheid moeten in samenhang worden bezien. •Het opereren wordt dynamischer, waarbij Buitenlandse Zaken volop gebruik maakt van kansen van technologie en communicatiemiddelen en met aandacht voor wat er in de samenleving speelt. Dat betekent een uitbreiding van het palet aan gesprekspartners, verbindingen leggen en buiten de gebaande paden treden om Nederland goed op de kaart te zetten. Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 228 •De consulaire inzet kan moderner en makkelijker, met behulp van elektronische dienstverlening. Uitgangspunten voor de consulaire dienstverlening zijn: zelfredzaamheid, voorspelbare dienstverlening, kostendekkendheid en Europese samenwerking waar het kan. Met deze uitgangspunten scherp op het netvlies maakt de regering het Nederlandse postennetwerk slanker maar ook sterker. Dat levert niet alleen een efficiëntere diplomatie en een goedkoper postennetwerk op, maar ook een flexibelere inzet die beter past bij de eisen van deze tijd. Flexibiliteit betekent dat jonge medewerkers instromen met contracten voor een bepaalde tijd. Daarna wordt bepaald welke talentvolle medewerkers een vaste aanstelling krijgen, afhankelijk van de behoeften van de organisatie. Dit leidt tot efficiëntie en flexibiliteit, de opdracht heeft de regering zich in het regeerakkoord gesteld. Een groep van wijzen zal de komende twee jaar als klankbord dienen bij de modernisering van het postennetwerk. De groep wordt voorgezeten door mr. Arthur Doctors van Leeuwen. Leden zijn vertegenwoordigers uit het bedrijfsleven, maatschap-pelijke organisaties, de wetenschappelijke wereld en de diplomatie. Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 229 3. TABEL BELEIDSDOORLICHTINGEN Agendering beleidsdoorlichtingen Artikel / Operationele doelstelling 2010 (realisatie) 2011 (planning) 2012 2013 2014 2015 2016 1 Versterkte internationale rechtsorde en eerbiediging van mensenrechten U 1 Een goed functionerende internationale rechtsorde U 2 Bescherming van de rechten van de mens U 2 Grotere veiligheid en stabiliteit, effectieve humanitaire hulpverlening en goed bestuur 1 Goede internationale samenwerking ter bevor-dering van de nationale en bondgenootschappelijke veiligheid U 2 Bestrijding en terugdringing van het internationale terrorisme en andere vormen van internationale criminaliteit 3 Bestrijding van proliferatie van massavernieti-gingswapens, bevordering van ontwapening, wapenbeheersing en het voeren van een transparant en verantwoord wapenexportbeleid 4 Het bevorderen van energievoorzienings- en grondstoffenzekerheid 5 Veiligheid, goed bestuur en rechtsorde in prioritaire gebieden U U 6 Effectieve humanitaire hulp U 3 Europese samenwerking U 1 Een democratische, slagvaardige en transparante Europese Unie die haar burgers vrijheid, recht, veiligheid, welvaart en duurzame economische groei biedt U 2 Een effectief, efficiënt en coherent optreden van de Unie t.o.v. derde landen en regio’s, incl. ontwikke-lingslanden U U 3 Een hechtere Europese waardengemeenschap U 4 Versterkte Nederlandse positie in de Unie van 27 U 4 Meer welvaart, eerlijkere verdeling en minder armoede 1 Voedselzekerheid 2 Effectief armoedebeleid van ontwikkelingslanden U U 3 Private sector ontwikkeling U 4 Effectieve Nederlandse handels- en investeringsbe-vordering 5 Toegenomen menselijke ontplooiing en sociale ontwikkeling U 1 Goed onderwijs, goed opgeleide bevolking en capaciteit voor onderzoek en innovatie t.b.v. beleidsprioriteiten U 2 Versterking van het maatschappelijk middenveld in ontwikkelingslanden U 3 Gelijke rechten en kansen voor vrouwen U 4 Seksuele en reproductieve gezondheid en rechten voor iedereen en een halt aan de verspreiding van HIV/AIDS U 6 Duurzaam water- en milieubeheer U 1 Duurzaam milieugebruik wereldwijd U Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 230 Artikel / Operationele doelstelling 2010 (realisatie) 2011 (planning) 2012 2013 2014 2015 2016 2 Efficiënt en duurzaam watergebruik, veiliger delta’s en stroomgebieden en verbeterde toegang tot drinkwater en sanitaire voorzieningen in ontwikke-lingslanden U 7 Welzijn en veiligheid van Nederlanders in het buitenland en regulering van het personenverkeer U 1 Op basis van eigen verantwoordelijkheid consu-laire dienstverlening bieden aan Nederlanders in het buitenland U 2 Samen met (keten)partners het personenverkeer reguleren U 8 Versterkt cultureel profiel en positieve beeldvorming in en buiten Nederland 1 Grotere buitenlandse bekendheid met de Nederlandse cultuur U 2 Een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor interna-tionale organisaties in Nederland 3 Vergroten van begrip en/of steun voor Neder-landsezienswijzen, standpunten en beleid in het buitenland en het versterken van het draagvlak in eigen land voor het buitenlandbeleid Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 231 4. ARTIKELEN Beleidsartikel 1: Versterkte internationale rechtsorde en eerbie-diging van mensenrechten Algemene doelstelling Het bevorderen van een goed functionerende internationale rechtsorde, met een blijvende inzet op mensenrechten, als integraal onderdeel van het buitenlandbeleid. Rol en verantwoordelijkheid Regiefunctie •Interdepartementale regie ten behoeve van een coherente en consistente Nederlandse inzet in beheers- en bestuursraden van internationale organisaties ter bevordering van de internationale rechtsorde en mensenrechten. Faciliterende rol •Effectieve inzet van fondsen en middelen ter bevordering van de internationale rechtsorde en mensenrechten, waaronder het Mensen-rechtenfonds. Beleidstheorie Een sterke rechtsorde maakt de wereld op termijn stabieler, veiliger, vrijer en welvarender. Nog afgezien van een definieerbaar eigenbelang, is dit waar Nederland sinds jaar en dag voor staat en wil blijven staan. Een sterke internationale rechtsorde vereist goed functionerende interna-tionale instellingen met een breed draagvlak, de strijd tegen straffe-loosheid en een effectieve bescherming van de rechten van de mens. In dit verband zal Nederland zich blijven inspannen voor de uitbreiding van lidmaatschap en erkenning van de rechtsmacht van internationale hoven en tribunalen, waaronder het Internationaal Gerechtshof en het Internationaal Strafhof, als ook het bevorderen van de nakoming van verplichtingen door statenpartijen. De Europese rechtsorde die ook een onderdeel is van de internationale rechtsorde komt aan bod in beleidsar-tikel 3 over Europese samenwerking. Procentuele verdeling uitgaven 2012 per operationele doelstelling51%49%1.1 Een goed functionerende internationale rechtsorde 51%1.2 Bescherming van de rechten van de mens 49%Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 232 Naleving van mensenrechten is nog steeds niet vanzelfsprekend. De roep om respect voor mensenrechten en democratie is wereldwijd zelfs groeiende, gesteund door internet en andere nieuwe media. De recente ontwikkelingen in de Arabische wereld illustreren dit. De inzet op onder andere burgerlijke en politieke vrijheden, en ondersteuning van mensen-rechtenverdedigers, is juist nu van belang. Daartoe zal Nederland in 2012 realistisch en selectief middelen en menskracht inzetten, waarbij de effectiviteit voorop staat. De mogelijk-heden van internationale taakverdeling zullen daarbij worden onderzocht. Het Nederlandse mensenrechtenbeleid zal zich in het bijzonder richten op die terreinen waar vrijheid, veiligheid en welvaart elkaar versterken. Nederland zet in op de volgende thema’s: vrijheid van meningsuiting, internetvrijheid, vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, vrouwen- en LGBT («Lesbian, Gay, Bisexual, Transgender»)-rechten, Maatschap-pelijk Verantwoord Ondernemen (MVO), kinderarbeid, bevordering van SRGR en bescherming van mensenrechtenverdedigers. Ook zal Nederland consequent strijden tegen ernstige mensenrechtenschendingen als marteling, executies en verdwijningen. Hiertoe zal Nederland uitvoering geven aan de geactualiseerde mensenrechtenstrategie, «Verantwoordelijk voor Vrijheid»1 en de notitie «Vrijheid van meningsuiting en vrijheid van godsdienst en levens- overtuiging: kernwaarden in het Nederlands buitenlands beleid»2 Beleidswijzigingen •Regeringsreactie op het AIV-advies over Responsibility to Protect (R2P) zal in de praktijk worden gebracht. Dit zal leiden tot een breder draagvlak en verdere operationalisering van het R2P.3 •Regeringsreactie op het WRR-rapport «Aan het buitenland gehecht»4. Hierin staat beschreven op welke wijze de buitenlandagenda van het regeerakkoord zal worden uitgevoerd. Daarbij wordt ingegaan op de gebieden waarop de Nederlandse belangen zich het sterkst doen gelden, de samenwerking met andere landen en internationale en niet-statelijke organisaties, en de regie en coördinatie. •Kamerbrief Modernisering Diplomatie.5 Hierin staat beschreven hoe de Nederlandse diplomatie de komende jaren wordt herzien en het postennetwerk wordt ingericht Dit om niet alleen te komen tot een efficiënter en goedkoper postennetwerk, maar ook tot een flexibelere inzet die beter is toegerust op de eisen van deze tijd. Operationele Doelstellingen Operationele Doelstelling 1.1 Een goed functionerende internationale rechtsorde Financiële instrumenten •Algemene verplichte bijdrage van ongeveer EUR 44,5 miljoen (waaronder verdragscontributies aan de reguliere VN-begroting van EUR 35 miljoen als ook contributies aan het Rwanda-tribunaal van EUR 2 miljoen en het Joegoslavië-tribunaal van EUR 2,5 miljoen) en EUR 3 miljoen verdragscontributie aan het Internationaal Strafhof. •Bijdrage aan OESO (EUR 5 miljoen) •Diverse bijdragen aan internationaalrechtelijke instellingen en NGO’s van in totaal EUR 2 miljoen op jaarbasis. Onder meer een bijdrage van EUR 0,5 miljoen aan de berechting van oud-president Habré van Tsjaad. 1 Kamerstuk 32 735, nr. 11. 2 Kamerstuk 32 735, nr. 2. 3 Brief regering – minister van Buitenlandse Zaken, U. Rosenthal – 11 februari 2011 Regeringsreactie op AIV-advies: Nederland en de «Responsibility to Protect» – 32 500 V, nr. 147 4 Brief regering – minister van Algemene Zaken, M. Rutte – 3 februari 2011 Regeringsre-actie op het adviesrapport «Aan het buitenland gehecht» van deWetenschappelijke Raad voor het Regerings-beleid – 32 635, nr. 1. 5 Brief regering – minister van Buitenlandse Zaken, U. Rosenthal – 8 april 2011Modernisering Nederlandse diplomatie – 32 734, nr. 1.Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 233 Beleidsinstrumenten •Deelname aan bestuur van internationaalrechtelijke instellingen, zoals aan de beheerscomités van de in Nederland gevestigde instellingen Speciaal Hof voor Sierra Leone (SCSL) en het Libanon-Tribunaal (STL). Nederland neemt daarnaast actief deel in de bijeenkomsten van de Vergadering van Statenpartijen bij het Internationaal Strafhof. •Samenbrengen van partijen en het formuleren van tekstvoorstellen om het hervormingsproces van de VN-veiligheidsraad vooruit te stuwen. •Onderzoek naar draagvlak voor een initiatief om te komen tot een multilateraal verdrag over interstatelijke rechtshulp bij nationale berechting van internationale misdrijven (samen met ministerie van Veiligheid en Justitie). •Co-voorzitterschap van de Group of Friends of Responsibility to Protect (R2P) in New York, gericht op het creëren van draagvlak voor en operationalisering van het principe van R2P. •Aanbieden van technische assistentie om nationale uitvoeringswetge-ving te faciliteren en rechters te trainen in landen die partij zijn bij het Statuut van Rome. •Procesvertegenwoordiging van de Staat bij internationale hoven en tribunalen. •Vertegenwoordigen van Nederland bij de onderhandelingen over VN-begrotingen en management in New York, waarbij het streven nominale nulgroei van de reguliere VN-begroting is. Operationele Doelstelling 1.2 Bescherming van de rechten van de mens Financiële instrumenten •Mensenrechtenfonds (EUR 34,2 miljoen) ter ondersteuning van de prioriteiten uit de mensenrechtenstrategie en in landen op basis van de volgende criteria: ernst van de mensenrechtensituatie, kansen in transitielanden van de MENA regio, in landen die deel uitmaken van de pilot vrijheid van godsdienst of de pilot maatschappelijk verantwoord ondernemen en OS-partnerlanden en effectiviteit van de inzet van middelen. •Middelen voor mensenrechten waaronder de bijdrage aan Office of the High Commissioner for Human Rights (OHCHR) (EUR 9 miljoen.) •Bijdragen aan regionale organisaties als Organisation of American States en de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking (OVSE) in Europa (circa EUR 1 miljoen.). •Jaarlijkse bijdrage (circa EUR 5 miljoen.) aan de International Labour Organisation (ILO). Beleidsinstrumenten •Inzet van postennetwerk voor onder meer dialogen, demarches, projecten onder het Mensenrechtenfonds, contacten met mensenrech-tenverdedigers en rapportages over zorgelijke mensenrechtensituaties. •In het kader van het VN-raamwerk van Ruggie over mensenrechten en handel wordt MVO en mensenrechten ook via de posten bevorderd in hun contacten met (Nederlandse) bedrijven gezien hun actieve rol als handelsbevorderaars. Samen met het Nederlandse bedrijfsleven zal een reeks bijeenkomsten over de toepassing van het Ruggie-raamwerk worden georganiseerd met als doel te verduidelijken wat de verant-woordelijkheid om mensenrechten te respecteren voor bedrijven inhoudt. Daarnaast zet Nederland zich actief in voor de expert werkgroep die zal worden ingesteld tijdens de 18de mensenrechten-raad als vervolg op het mandaat van Ruggie1. 1 Refererend naar motie Peters Kamerstuk 32 735 V, nr. 15.Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 234 •Inzet van Mensenrechtenambassadeur. •Mensenrechten waar relevant onderdeel van bilaterale bezoeken, handelsmissies en andere contacten met autoriteiten in landen. •Gebruik maken van internationale kanalen, waaronder EU, VN, Raad van Europa en OVSE, om naleving van mensenrechten te bevorderen. Daarbij bijzondere aandacht voor complementariteit binnen de EU en het doorbreken van blokvorming binnen de VN. •Bijdragen aan verdergaande hervorming van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en aan zorgvuldig voorbereide toetreding van de EU tot het EVRM. Budgettaire gevolgen van beleidBeleidsartikel 1 Versterkte internationale rechtsorde en eerbiediging van mensenrechten Bedragen in EUR 1 000 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 Verplichtingen 99 812 91 110 95 262 93 245 90 740 90 140 90 140 Uitgaven: Programma-uitgaven totaal 100 659 108 636 100 562 98 045 95 140 94 140 94 140 1.1 Een goed functione-rende internationale rechtsorde 48 741 58 525 51 729 51 229 50 729 50 229 50 229 Juridisch verplicht 90% 90% 90% 90% 90% Overig verplicht 10% 10% 10% 10% 10% Beleidsmatig nog niet ingevuld 0% 0% 0% 0% 0% 1.2 Bescherming van de rechten van de mens 51 918 50 111 48 833 46 816 44 411 43 911 43 911 Juridisch verplicht 16% 14% 12% 12% 12% Overig verplicht 84% 86% 88% 88% 88% Beleidsmatig nog niet ingevuld 0% 0% 0% 0% 0%Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 235 Beleidsartikel 2: Grotere veiligheid en stabiliteit, effectieve humanitaire hulpverlening en goed bestuur Algemene doelstelling Het bevorderen van de Nederlandse en internationale veiligheid en stabiliteit door doelgerichte bilaterale en multilaterale samenwerking. Humanitaire hulpverlening aan mensen in nood. Rol en verantwoordelijkheid Procesverantwoordelijk •Samen met de Minister van Economische Zaken, Landbouw, en Innovatie voeren van een transparant en verantwoord internationaal en Nederlands wapenexportbeleid. De minister van Buitenlandse Zaken is verantwoordelijk voor de buitenlandpolitieke toetsing van wapenexportaanvragen. De minister van EL&I is eindverantwoordelijk voor het wapenexportbeleid. Regiefunctie •Eerstverantwoordelijke, in nauwe afstemming met de Minister van Defensie, in de artikel 100-procedure voor de voorbereiding van besluitvorming omtrent wereldwijde inzet van de krijgsmacht in crisisbeheersingsoperaties conform het Toetsingskader 2009. •Toepassing van terrorismesancties/Sanctieregeling 2007, uitgevoerd in overeenstemming met de Ministers van Financiën en Veiligheid en Justitie. Onderdeel van het sanctiebeleid. Faciliterende rol •Bevorderen en bewaken van coherentie en consistentie van de Nederlandse inzet in de relevante internationale fora, als de EU, VN, NAVO en OVSE ter bevordering van internationale veiligheid en stabiliteit. •Effectieve inzet van fondsen en middelen ter bevordering van grotere veiligheid en stabiliteit, humanitaire hulpverlening en goed bestuur. Procentuele verdeling uitgaven 2012 per operationele doelstelling2%0%1%0%69%28%2.1 Samenwerking ter bevordering van veiligheid 2%2.2 Bestrijding internationaal terrorisme 0%2.3 Bestrijding van proliferatie van massavernietigingswapens 1%2.4 Energievoorzienings- en grondstoffenzekerheid 0%2.5 Veiligheid, goed bestuur en rechtsorde 69%2.6 Effectieve humanitaire hulp 28%Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 236 Stimulerende rol •Bevorderen van energie- en grondstofvoorzieningszekerheid. Op dit dossier trekken de Ministers van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, en van Buitenlandse Zaken samen op. De verantwoordelijk-heid voor het energiebeleid inclusief de internationale component berust primair bij de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. De Minister van Buitenlandse Zaken is betrokken op grond van zijn verantwoordelijkheid voor geopolitieke, veiligheidspolitieke en ontwikkelingspolitieke vraagstukken, en de coherentie van het Nederlands buitenlandbeleid. Beleidstheorie De omvang en complexiteit van de grensoverschrijdende dreigingen vergen een aanpak in internationaal verband. Voorbeelden van dreigingen zijn de proliferatie van massavernietigingswapens, terrorisme en gewelddadig extremisme, internationale criminaliteit zoals piraterij, drugs- en mensenhandel, illegale wapenhandel, en – in toenemende mate – cyberdreigingen. Daarnaast hebben we te maken met ontwikkelingen op het wereldtoneel die een indirecte veiligheidsdreiging vormen. Zoals zwakke staatsstructuren elders, die een thuisbasis kunnen bieden voor terrorisme en georganiseerde misdaad. En conflicten, die kunnen leiden tot grootscheepse migratie- en vluchtelingenstromen. Ook energie- en grondstoffenzekerheid hebben een belangrijke veiligheidsdimensie, naast de directe relevantie voor de Nederlandse economie. Illegale handel in en exploitatie van grondstoffen gedijt in landen waar de rechtsorde is aangetast en de overheid niet in staat is om de veiligheid te garanderen. Nationale veiligheid bestaat niet zonder effectieve, doelgerichte interna-tionale samenwerking. We blijven daarom investeren. In de Trans-Atlantische samenwerking. In een effectief EU en Gemeenschappelijk Veiligheids- en Defensiebeleid (GVDB). Maar ook in coalitievorming met gelijkgezinde landen en in meer samenwerking met nieuwe veiligheids-partners. Om effectief te zijn voert Nederland een geïntegreerd beleid, waaronder door een onderling versterkende inzet van diplomatieke, militaire, en OS-middelen. Nederland zet de inspanningen op het tegengaan van transnationale dreigingen voort, zoals ligt besloten in het nieuwe Strategisch Concept van de NAVO, de Nationale Contraterrorisme Strategie 2011–2015 en de Nationale Cyber Security Strategie, en het actieplan van de laatste toetsingsconferentie van het Non-proliferatieverdrag.De regering voert een restrictief en transparant beleid om zorg te dragen voor een strikte invulling van de acht Europese criteria voor wapenexport. Het is daarbij van belang een Europees level playing field voor de Nederlandse industrie te creëren. De Nederlandse industrie levert hoogstaande technologische producten. Het exportbeleid blijft ruimte bieden aan de hieraan gekoppelde hoogwaardige R&D activiteiten en werkgelegenheid om dit potentieel te benutten en te behouden. Hoogwaardig R&D en innovatie zorgt ook voor steeds effectievere en meer gericht in te zetten wapentechnologie. De kans op ongewenste schade (collateral damage) neemt hierdoor af. Problemen bij de bron aanpakken. Juist ook in fragiele staten zullen we dus actief zijn. Bijdragen aan een veilige leefomgeving voor burgers; waarin zij een bestaan kunnen opbouwen. Daarbij is bijzondere aandacht nodig voor de positie van vrouwen. Conform resolutie 1325 van de VN-Veiligheidsraad zal Nederland daarom blijven bijdragen aan actieve Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 237 (politieke) participatie van vrouwen in vredes- en wederopbouwpro-cessen. Ook zal Nederland bescherming van meisjes en vrouwen in (post-)conflict situaties blijven bevorderen. Daarnaast is van belang dat na een ramp burgers zo spoedig mogelijk hulp ontvangen, weer in hun primaire levensbehoeften kunnen voorzien, en zo snel mogelijk kunnen beginnen met wederopbouw. Snelle levering van sociale voorzieningen en van basis- en beroepsonderwijs levert zichtbare resultaten («vredesdi-vidend»). Dit kan de aanpak van de onderliggende oorzaken van instabi-liteit, zoals uitsluiting en gebrek aan perspectief op werk, bevorderen. Doorlopende aandacht voor – en investeren in – de kwaliteit en legitimiteit van openbaar bestuur daarvoor eveneens essentieel. Alleen verande-ringen die kunnen rekenen op de steun van de bevolking in partnerlanden kunnen beklijven. Goed bestuur is daarom niet alleen van belang voor dit beleidsartikel, maar is als dwarsdoorsnijdende aandachtsgebied ook van betekenis voor de speerpunten uit andere beleidsartikelen zoals water en voedselzekerheid. In landen met een EU-toetredingsperspectief en in landen in de Arabische regio draagt Nederland door middel van het Matra-programma bij aan opbouw dan wel versterking van de rechtsstaat, het respecteren van mensenrechten en democratisering. Beleidswijzigingen •Samen met het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie is het wapenexportbeleid herzien1. Bij de toetsing zal meer dan in het verleden ook een risicoanalyse richting de toekomst worden gemaakt en zal nog steviger ingezet worden op verdere harmonisatie in de toepassing van het EU Gemeenschappelijk standpunt op het gebied van wapenexport. •Regeringsreactie op evaluatie wederopbouw Zuid-Soedan2. De regering zal intensiever gebruik maken van conflictanalyses en nog meer nadruk leggen op veiligheid en goed bestuur. •Evaluatie van het bilaterale energievoorzieningszekerheidsbeleid op basis waarvan – samen met het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie – plannen van aanpak worden gemaakt met betrekking tot de voor Nederland relevante energielanden. D. Operationele Doelstellingen Operationele Doelstelling 2.1 Goede internationale samenwerking ter bevordering van de nationale en bondgenootschappelijke veiligheid Financiële instrumenten •Jaarlijkse bijdrage aan de NAVO (EUR 6,2 miljoen) en de bijdrage aan de nieuwbouw van het NAVO hoofdkwartier (EUR 5,1 miljoen). •Jaarlijkse bijdrage aan het EU Satellietcentrum ten behoeve van de financiële verplichtingen (uitkering pensioengelden ex-WEU personeel) die het centrum heeft overgenomen van de in juli 2011 opgeheven WEU. (circa EUR 1 miljoen ) •Jaarlijkse subsidie aan de Atlantische Commissie, ter ondersteuning van het maatschappelijk debat over de nationale en bondgenootschap-pelijke veiligheid (EUR 0,5 miljoen). Programma Ondersteuning Buitenlands Beleid (POBB) (EUR 2,5 miljoen) en Veiligheidsfonds (EUR 0,5 miljoen), voor kleinschalige activiteiten die het Nederlands veiligheidsbeleid (inclusief publieksdiplomatie) ondersteunen. 1 Kamerbrief 22 054, nr. 165. 2 Kamerbrief 29 237, nr. 136.Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 238 Beleidsinstrumenten •Diplomatieke inspanningen richten zich onder meer op een succesvolle NAVO-top in het voorjaar van 2012, over herziening van de NAVO’s Posture (welke mix van raketverdediging, conventionele en nucleaire wapens is nodig voor onze veiligheid en stabiliteit?). Daarnaast zullen Afghanistan, NAVO-EU en NAVO-Rusland samenwerking, en mogelijk ook Smart Defence en Libië onderwerpen van overleg zijn. •Bevorderen van maatschappelijke dialoog in Nederland over de NAVO-agenda, waaronder de Posture Review, ten behoeve van transparante besluitvorming en een breed draagvlak. •Bevorderen praktische samenwerking met Rusland en het positief agenderen van NAVO-EU samenwerking door middel van concrete activiteiten. •Initiatieven (gerichte consultaties, indiening van discussiestukken) die bijdragen aan een meer strategische oriëntatie van het GVDB en aan verbeterde civiele en militaire capaciteiten van de EU. •Diplomatieke inspanningen ter bevordering van de menselijke dimensie binnen de OVSE (ondersteuning van het Office for Democra-tic Institutions and Human Rights van de OVSE), •Gebruik van multilaterale fora (NAVO, OVSE, VN), coalities van gelijkgezinden en het postennetwerk ter bevordering van cyber security in het algemeen en de uitvoering van de Nationale Cyber Security Strategie in het bijzonder. Operationele doelstelling 2.2 Bestrijding en terugdringing van het internationale terrorisme en andere vormen van internationale criminaliteit Financiële instrumenten •Jaarlijkse bijdrage (EUR 0,5 miljoen.) aan het in Den Haag gevestigde onafhankelijke International Centre for Counter-Terrorism (ICCT). •Uit het Programma Ondersteuning Buitenlands Beleid (POBB, verantwoording onder 2.1) en uit het Stabiliteitsfonds (verantwoording onder 2.5) worden activiteiten gefinancierd ter ondersteuning van operationele doelstelling 2.2. Projecten en programma’s uit het POBB en het Stabiliteitsfonds voor deze operationele doelstelling zijn gericht op de versterking van capaciteit in voor Nederland prioritaire regio’s in Afrika en Azië om terrorisme te voorkomen en te bestrijden, alsmede op de versterking van capaciteit in derde landen voor de bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit, in het bijzonder internationale drugs- en mensenhandel. Beleidsinstrumenten •Uitvoering van de Sanctiewet, de Sanctieregeling 2007 en het nationaal protocol totstandkoming en beëindiging van bevriezings-maatregelen terrorisme om terrorisme tegen te gaan door het bevriezen van tegoeden van personen en organisaties. •Bilaterale diplomatie en inzet van postennetwerk in de landen waar het tegengaan van terrorisme en drugs- en mensenhandel van specifiek belang is. •Bepleiten van ratificatie en uitvoering van de VN-terrorismeverdragen en -strategie (o.a. door middel van contraterrorisme-clausules zodat landen zich committeren aan de bestrijding van terrorisme). •Multilaterale diplomatie gericht op (1) de versterking van de samen-hang tussen EU-intern en EU-extern beleid op het terrein van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit; (2) de ondersteuning van de VN Counter Terrorism Implementation Task Force (CTITF); (3) Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 239 bredere ratificatie van het VN-verdrag betreffende grensoverschrij-dende georganiseerde criminaliteit en de bijbehorende protocollen, in het bijzonder het VN-Mensenhandelprotocol; (4) behoud van draagvlak voor de uitgangspunten van het Nederlandse drugsbeleid werken, waaronder het concept harm reduction. •Coalitievorming en versterking van de onderlinge coördinatie onder gelijkgezinde landen gericht op (1) capaciteitsopbouw van terrorisme-bestrijding in derde landen, (2) vergroten impact OS-inspanningen tegen radicalisering en (3) verbetering van procedures voor plaatsing op en verwijdering van organisaties en personen op terrorismelijsten van EU en VN. •Het benutten van de beschikbare vertrouwelijke en geduide (in context geplaatste) informatie, verkregen via de inlichtingen- en veiligheids-diensten AIVD en MIVD, om buitenlandse politieke doelstellingen te bereiken1. Operationele Doelstelling 2.3 Bestrijding van proliferatie van massavernietigingswapens, bevordering van ontwapening, wapenbeheersing en het voeren van een transparant en verantwoord wapenexportbeleid Financiële instrumenten •Jaarlijkse bijdragen aan IAEA (EUR 6,5 miljoen) de OPCW (EUR 1,5 miljoen) en de CTBTO (EUR 1,6 miljoen). •Ondersteuning van kleinschalige initiatieven (ca. EUR 30 000) gericht op uitvoering van het Biologische en Toxische Wapens Verdrag (BTWC), Non-proliferatieverdrag (NPV) en de Ottawa Conventie. •Bijdrage aan het Nuclear Security Fund (NSF) van het IAEA en aan het promovendi-programma op het gebied van non-proliferatie in samenwerking met de Erasmus Universiteit Rotterdam en de Universi-teit van Utrecht. Beleidsinstrumenten •Deelname aan het Non-proliferation and Disarmament Initiative (NPDI), dat zich richt op het omzetten van de actiepunten van de Toetsingsconferentie van het Non-Proliferatie Verdrag (NPV) in concrete resultaten. •Onderhouden en uitbreiden van netwerken met nationale en interna-tionale academici, thinktanks en maatschappelijk middenveld ten behoeve van standpuntbepaling en beïnvloeding. •Deelname aan de Nuclear Security Summit in Seoul in 2012, met het oog op afspraken die de effectiviteit van het internationale systeem van nucleaire veiligheid bevorderen. •Inspanningen om de verschillende formele initiatieven en bijeenkom-sten op het gebied van nucleaire veiligheid met elkaar te verbinden en duplicatie te voorkomen. •Bepleiten van sanctiemaatregelen en sanctie-instrumenten om landen die zich niet aan de afspraken houden te bewegen zich te conformeren aan verdragsverplichtingen, zoals het geval is bij het nucleaire programma van Iran. •In wapenexportregimes bepleiten van aanscherping van de richtlijnen voor export van goederen en technologieën die gebruikt worden in de ontwikkeling van nucleaire, chemische en biologische wapens en de bijbehorende overbrengingsmiddelen (m.n. ballistische raketten). •Voorzitterschap van de Nuclear Suppliers Group (NSG) tot en met juni 2012. Dit voorzitterschap richt zich in het bijzonder op de toekomst van 1 Samenwerking is ook van toepassing bij operationele doelstellingen 2.3, 2.4 en 2.5Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 240 de NSG en de nieuwe rol die dit exportcontrole regime moet spelen in het kader van de nucleaire renaissance. •Inzet op verdere harmonisatie, transparantie en een uniforme en strikte uitvoering van het Europese wapenexportbeleid. Deze inzet vertaalt zich in de eigen verantwoordelijkheid voor het Nederlandse wapenex-port beleid en het creëren van een level playing field voor het Nederlandse bedrijfsleven. •Deelname aan onderhandelingen over een wapenhandelsverdrag dat als doel heeft om de legale wapenhandel wereldwijd beter te kunnen controleren en illegale wapenhandel tegengaat. De onderhandelingen worden mogelijk in 2012 tijdens een diplomatieke conferentie afgerond. •In 2012 vindt mogelijk een conferentie plaats over een massavernieti-gingswapenvrije zone in het Midden Oosten, waarbij Nederland een actieve rol wenst te spelen. Operationele Doelstelling 2.4 Het bevorderen van energievoorzienings- en grondstoffenze-kerheid Beleidsinstrumenten •Dialoog met het bedrijfsleven en maatschappelijk middenveld voor bevordering van de lange termijn en duurzame energie- grondstoffen-voorzieningszekerheid. •Wederzijdse bezoeken op ministerieel en ambtelijk niveau, economi-sche diplomatie en handelsmissies, ter bevordering van de bilaterale energierelaties en grondstoffenzekerheid. •Samenwerking met gelijkgezinde lidstaten en de Europese Commissie, ter bevordering van een coherente strategie voor grondstofvoorzie-ningszekerheid en ter vervolmaking van de Europese energiemarkt als belangrijk element voor het bevorderen van de energievoorzieningsze-kerheid. •Inzet van multilaterale instrumenten zoals het Internationale Energie Agentschap en het Energie Handvest Verdrag voor de bevordering van »energy governance» en het creëren van een level playing field op het gebied van investeringen en regelgeving. Tevens inzet op het behoud van een open handelssysteem om toegang tot grondstoffen te bevorderen. Operationele Doelstelling 2.5 Veiligheid, goed bestuur en rechtsorde in prioritaire gebieden Financiële instrumenten •Stabiliteitsfonds van (EUR 84,5 miljoen, waarvan EUR 58 miljoen ODA). •Middelen voor wederopbouw (EUR 180 miljoen). •Afdracht voor VN-contributies ten behoeve van crisisbeheersingsope-raties ter grootte van (EUR 102 miljoen). •Bijdrage aan OVSE (7 miljoen) •MATRA-programma voor goed bestuur in Oost-Europese landen met toetredingsperspectief (EUR 21 miljoen). •Bijdrage aan trainingsmissie Kunduz (EUR 14 miljoen). •Maatschappelijke en overige hervormingen in de Arabische regio (EUR 7,5 miljoen, daarna oplopend) •Middelen voor onderwijs ter bevordering van veiligheid en rechtsorde, onder meer via het vernieuwde Education in Emergencies and Post Crisis Transition Program van UNICEF (EUR 22 miljoen). Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 241 •Bijdragen aan crisisbeheersingsoperaties. Deze operaties, waar alle Nederlandse bijdragen aan vredesmissies onder vallen («art-100» en anderszins), worden gefinancierd onder beleidsartikel 20 van de begroting van het ministerie van Defensie. Dit valt binnen de HGIS (EUR 192 miljoen, hoofdzakelijk non-ODA). De inzet van civiele politiefunctionarissen ten behoeve van civiele missies (EUR 8,6 miljoen) wordt gefinancierd uit de HGIS-middelen die op de begroting staan van het ministerie van Veiligheid en Justitie. •Bijdragen aan activiteiten op het dwarsdoorsnijdend aandachtsgebied goed bestuur, de programmatische inzet voor het OS beleid van de bij de Nederlandse lokale overheden aanwezige deskundigheid en activiteiten gericht op democratiseringsprocessen en pluriformiteit (totaal ca. EUR 90 miljoen). Beleidsinstrumenten •Inzet van krijgsmacht, politie, justitiële expertise en van andere civiele overheidsdeskundigen, onder meer bij internationale crisisbestrijding (zoals in Arabische regio, Soedan en Balkan), de Nederlandse politietrainingsmissie in Kunduz, prioriteitslanden uit de Focusbrief en piraterijbestrijding (Operation Ocean Shield en EU Atalanta). Daarbij aandacht voor het verbeterd functioneren van de korte missiepool met experts van buiten de overheid voor inzet in internationaal verband. •Investeren in en gebruikmaken van het netwerk van Nederlandse kennis- en uitvoeringsinstellingen. •Context- en conflictanalyses in prioritaire landen als basis voor een goede informatievoorziening en een samenhangende inzet (3D). •Inspanningen gericht op het operationaliseren van de geïntegreerde benadering in internationaal verband (NAVO, EU, VN). •Uitvoering van de nationale strategie voor civiele crisisbeheersing en de strategie voor veiligheid en ontwikkeling in fragiele staten, om de strategische inzet van personeel en middelen te stroomlijnen. •Bevorderen van verdere integratie van missies in het bredere EU-buitenland beleid. •In NAVO-verband bepleiten van een verbetering van het crisisinstru-mentarium, met duidelijke richtlijnen voor NAVO’s bijdrage aan een geïntegreerde aanpak van crisisbeheersing (comprehensive approach), en van een goede samenwerking met andere (civiele) actoren •Dialoog met betrokken VN-organisaties over de aanbevelingen van het SG rapport over Peacebuilding in the aftermath of Conflict: beter leiderschap van missies, coördinatie tussen belanghebbenden, flexibeler inzet van capaciteiten en van financiering. Daarbij gerichte ondersteuning, waaronder via de uitwisseling van expertise, van de voor Nederland prioritaire onderwerpen zoals Rule of Law •Opvolgen VNVR resolutie 1325 over vrouwen, vrede en veiligheid in vredeshandhaving en vredesopbouw op basis van het Nationaal Actieplan 1325, waaronder door beleidsdialogen met internationale en maatschappelijk organisaties. •Ondersteuning en bijdrage aan uitvoering aanbevelingen Charting a New Horizon for UN Peacekeeping: de noodzaak tot robuuste mandaten, een versterkte civiel-militaire capaciteiten en hogere kwaliteit van bijdragen van troepen leverende landen. •Stelselmatig bepleiten van een effectievere inzet van de Wereldbank (WB) in conflictgebieden en fragiele staten op basis van het World Development Report 2011 en via de Governance Partnership Facility, waaronder versterking van de samenwerking tussen de VN en de WB in het veld. Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 242 •Versterken van strategische partnerschappen met maatschappelijke organisaties op het gebied van conflictpreventie en vredesopbouw, goed bestuur en democratisering, rechtsstaatontwikkeling en corruptiebestrijding (m.n. uitvoering en monitoren van het VN-Verdrag tegen corruptie). Operationele Doelstelling 2.6 2.6 Effectieve humanitaire hulp Financiële instrumenten •Bijdrage aan het wereldwijde VN-noodhulpfonds CERF (EUR 40 miljoen.) en het Internationale Comité van het Rode Kruis (ICRC) (EUR 25 miljoen) ten behoeve van de snelle beschikbaarheid en flexibiliteit van de humanitaire hulp. •Bilaterale bijdragen voorzien bij acute noodsituaties (bijvoorbeeld ten gevolge van natuurrampen of gewelddadige conflicten). (EUR 20 miljoen). •Jaarlijkse bijdragen aan UNHCR (EUR 33 miljoen), UNRWA (EUR 13 miljoen) en het Wereldvoedselprogramma (EUR 36 miljoen). •De overige middelen zullen worden ingezet ten behoeve van verlich-ting van noden bij complexe humanitaire crises in verschillende landen. Besluitvorming m.b.t. deze langdurige humanitaire crises wordt gebaseerd op de inventarisatie van noden door de VN, het zgn. Consolidated Appeals Process (CAP). Deze bijdragen kunnen worden ingezet via VN-organisaties, gemeenschappelijke landenfondsen voor humanitaire hulp of NGOs. Beleidsinstrumenten •Inzet van Nederlandse deskundigen of materieel op basis van een internationaal hulpverzoek en bij specifieke meerwaarde. Dit gebeurt in nauwe samenwerking met de betrokken vakdepartementen en overige organisaties, en in overeenstemming met de internationale richtlijnen. •Bevorderen van een effectieve en efficiënte EU-rampenrespons buiten de EU, waarbij de EU-coördinatie in dienst staat van de algehele coördinatie van de VN. •Vergroten van aandacht voor rampenrisicovermindering in OS- en klimaatbeleid en in Nederlandse OS-programma’s, teneinde de capaciteit om op rampen te kunnen reageren te versterken. •Stelselmatig bepleiten van het belang van accountability van humani-taire hulp, bij overleg met andere donoren en tijdens jaarvergaderin-gen met uitvoerende organisaties. E. Budgettaire gevolgen van beleidBeleidsartikel 2 Grotere veiligheid en stabiliteit, effectieve humanitaire hulpverlening en goed bestuur Bedragen in EUR 1 000 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 Verplichtingen 761 844 671 059 870 604 693 114 873 961 672 577 672 577 Uitgaven: Programma-uitgaven totaal 847 606 775 476 786 801 809 185 866 626 857 496 857 311 Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 243 Bedragen in EUR 1 000 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2.1 Goede internationale samenwerking ter bevordering van de nationale en bondge-nootschappelijke veiligheid 12 187 17 543 17 779 20 106 20 510 19 441 19 256 Juridisch verplicht 78% 76% 80% 84% 84% Overig verplicht 14% 2% 1% 0% 0% Beleidsmatig nog niet ingevuld 8% 22% 19% 16% 16% 2.2 Bestrijding en terugdringing van het internationaal terrorisme en andere vormen van interna-tionale criminaliteit 500 500 500 500 500 0 0 Juridisch verplicht 100% 100% 100% 0% 0% Overig verplicht 0% 0% 0% 0% 0% Beleidsmatig nog niet ingevuld 0% 0% 0% 0% 0% 2.3 Bestrijding van proliferatie van massavernietigings-wapens, bevordering van ontwapening, wapenbeheersing en het voeren van een restrictief en trans-parant wapenexport-beleid 9 575 10 764 9 613 9 613 9 613 9 613 9 613 Juridisch verplicht 78% 72% 67% 61% 56% Overig verplicht 10% 10% 8% 7% 7% Beleidsmatig nog niet ingevuld 12% 18% 25% 32% 37% 2.4 Het bevorderen van energievoorzienings- en grondstoffenze-kerheid 0 0 0 0 0 0 0 2.5 Veiligheid, goed bestuur en rechtsorde in prioritaire gebieden 559 032 476 152 539 642 566 899 630 236 623 425 623 425 Juridisch verplicht 57% 40% 31% 28% 28% Overig verplicht 35% 49% 54% 54% 54% Beleidsmatig nog niet ingevuld 8% 11% 15% 18% 18% 2.6 Effectieve humanitaire hulp 266 312 250 517 219 267 212 067 205 767 205 017 205 017 Juridisch verplicht 22% 0% 0% 0% 0% Overig verplicht 62% 83% 83% 83% 83% Beleidsmatig nog niet ingevuld 16% 17% 17% 17% 17% Ontvangsten 1 084 1 163 1 165 1 167 1 168 1 168 1 168 2.10 Doorberekening Defensie diversen 162 163 165 167 168 168 168 Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 244 Bedragen in EUR 1 000 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2.50 Restituties contributies 922 1 000 1 000 1 000 1 000 1 000 1 000Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 245 Beleidsartikel 3: Europese samenwerking A. Algemene doelstelling Als constructief-kritische partner investeren in een Europa dat werkt. B. Rol en verantwoordelijkheid Faciliterende en stimulerende rol De minister is (mede) verantwoordelijk voor: •het bevorderen en bewaken van de coherentie en consistentie van het Nederlandse Europabeleid, inclusief de voorbereiding van Europese Raden en horizontale/institutionele dossiers; •de interdepartementale afstemming van de Nederlandse inzet in de verschillende vakraden; •de Europese meerjarige begroting, ook wel het «Meerjarig Financieel Kader» genoemd; •het vormgeven aan het Europese externe beleid ten opzichte van derde landen, regio’s en ontwikkelingslanden; •het onderhouden en intensiveren van de bilaterale relaties met andere Europese landen; •het bevorderen van een hechtere Europese waardengemeenschap. Beleidstheorie Nederland maakt deel uit van Europa: geografisch, historisch, cultureel en economisch. Nederland is één van de oprichters van de Unie. Europa is essentieel voor onze welvaart, vrijheid en veiligheid. Blijvende betrok-kenheid bij het Europese proces is daarom in het directe belang van Nederlandse burgers en bedrijven. Voor de (nabije) toekomst is het van belang dat er Europese antwoorden worden gevonden op mondiale uitdagingen waarvoor geen nationale oplossingen meer te vinden zijn. Voorbeelden van dergelijke uitdagingen zijn de mondiale financieel-economische crisis en de monetaire turbu-lentie waarmee de Eurolanden worden geconfronteerd maar het gaat nadrukkelijk ook om een agenda voor de langere termijn gericht op groei en werkgelegenheid. Georganiseerde criminaliteit, terrorisme en migratie Procentuele verdeling uitgaven 2012 per operationele doelstelling98%2%0%3.1 Nederlandse afdrachten aan de EU 98%3.2 Bijdrage internationale samenwerking EU 2%3.4 Versterkte Nederlandse positie in de Unie van 27 0%3.3 Een hechtere Europese waardengemeenschap 0%0%Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 246 hebben geen boodschap aan landsgrenzen. De uitputting van de draagkracht van de aarde (klimaatverandering, biodiversiteit, grond-stoffen) vereist een aanpak waarbij over de dijken heen wordt gekeken. Nauwe Europese samenwerking op verschillende niveaus, binnen de Europese Unie maar ook in andere verbanden als bijvoorbeeld de Raad van Europa, is noodzakelijk om aan dergelijke uitdagingen het hoofd te kunnen bieden. Met de jaarlijkse Staat van de Unie beoogt de regering een geïntegreerde visie op hoofdlijnen voor het Nederlandse Europabeleid neer te zetten1. De Kamerbrief «Actualisering Staat van de Unie» d.d. 3 mei 20112 reflecteert de nieuwe beleidsaccenten die de huidige regering wenst te zetten met betrekking tot het Nederlandse EU-beleid. Samen met de begroting 2012 zal de Staat van de Unie 2012–2013 worden gepresen-teerd. De kerntaken van de Raad van Europa zijn het bevorderen van democratie, mensenrechten en de rechtsstaat. De inzet in de Raad van Europa is mede gebaseerd op de Nederlandse Mensenrechtenstrategie. Toelichting tabel: Samenstelling (in percentages) van de gemiddelde Nederlandse ontvangsten van de EU in de periode 2007–2009, naar EU-begrotingscategorie. Nederland ontving in deze periode gemiddeld 2,01 miljard euro per jaar. Uiteindelijk draagt Nederland meer af aan de EU dan het ontvangt. C. Beleidswijzigingen •De speerpunten van de inzet zijn in het licht van het nieuwe regeerak-koord geherformuleerd in de Kamerbrief « Actualisering Staat van de Unie»3. •Voor de Nederlandse strategie ten aanzien van de komende onderhan-delingen over het nieuwe Meerjarig Financieel Kader van de EU vanaf 2014 wordt verwezen naar de Kamerbrieven d.d. 28 maart 20114 en de Gemiddelde Nederlandse ontvangsten van de EU 2007–200921%19%53%2%1%0%4%1.1 Concurrentievermogen voor groei en werkgelegenheid 21%1.2 Cohesie voor groei en werkgelegenheid 19%2 Behoud en beheer van natuurlijke rijkdommen 53%3.1 Vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid 2%3.2 Burgerschap 0%4 EU als wereldspeler 1%5 Administratie 4% 1 Staat van de Unie 2010–2011, Kamerstuk 35 502, nr. 1. 2 Kamerstuk 32 502, nr. 3. 3 Kamerstuk 32 502, nr. 3 4 Kamerstuk 21 501-20 nr. 529.Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 247 brief van september 2011. D. Operationele doelstellingen Operationele Doelstelling 3.1 Een democratische, slagvaardige en transparante Europese Unie die haar burgers vrijheid, recht, veiligheid, welvaart en duurzame economische groei biedt Financiële instrumenten: Nederlandse afdrachten aan de EU: •Nieuwe cijfers over het surplus 2010 en het BNI geven aanleiding om de raming aan te passen. De meevaller in 2011 wordt voornamelijk veroorzaakt door het overschot van de begroting 2010 dat is ontstaan door onderuitputting. Deze heeft geen meerjarige doorwerking aangezien het een incidentele teruggave betreft. •Over 2014 en verder zal op basis van de recent verschenen Commissie voorstellen onderhandeld worden. Over de uitkomst valt nog niets te zeggen. •Overigens wordt deze bijstelling deels ongedaan gemaakt door een opwaartse bijstelling die al vanaf 2012 jaarlijks oploopt. Reden hiervoor is dat de BNI-afdrachten na 2011 hoger uitvallen naar aanleiding van meer inzicht in de realisatiecijfers van de EU-begroting. Onderstaande tabel geeft de verwachte ontwikkeling weer van de Nederlandse afdrachten aan de EU tot en met 2013.Tabel 1: Nederlandse afdrachten aan de EU in miljoen € 2011 2012 2013 BNI-afdracht 3 690 4 498 4 604 BTW-afdracht 351 360 377 Landbouwheffingen 303 303 303 Invoerrechten 2 136 2 178 2 222 Totaal EU-afdrachten (bruto) 6 480 7 340 7 506 Perceptiekostenvergoeding voor inning landbouwheffingen 76 76 76 Perceptiekostenvergoeding voor inning invoerrechten 534 545 555 Totaal perceptiekostenvergoedingen 610 620 631 Totaal EU-afdrachten (netto) 5 870 6 720 6 875Beleidsinstrumenten: •Bilaterale en intra-Europese diplomatie, zowel op ministerieel als ambtelijk niveau, om andere lidstaten, Europees Parlement en Europese Commissie te overtuigen van onze posities over bijvoorbeeld het Meerjarig Financieel Kader, de eurozone, Schengen etc. Coördina-tie gaat via de strategische reisagenda van de regering waarin de voorgenomen reizen van bewindslieden worden opgenomen en afgestemd. •Inzet van het Europese postennetwerk om bilaterale betrekkingen te onderhouden om mogelijk coalities te identificeren, standpunten uit te wisselen en rapportages te ontvangen over relevante ontwikkelingen die standpuntbepaling in de EU kunnen beïnvloeden. •Tijdig formuleren van interdepartementaal gecoördineerde standpun-ten via wekelijkse BNC om vroegtijdig het debat en de besluitvorming in Brussel te sturen. •Coalitievorming in het kader van «gelijkgezinden» maar ook actief zoeken naar en inzetten op nieuwe partners op verschillende dossiers. Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 248 •Voorbereiden van strategische inzet voor strategische Europese dossiers via de Hoog Ambtelijke Commissie EU-zaken en de - Ministeriële Commissie EU-zaken. •Via demarches in Benelux kader inzetten op het optimaal functioneren van de nieuwe structuren van het Verdrag van Lissabon zoals de Vaste Voorzitter van de Europese Raad. •Actief detacheringbeleid bij de Europese instellingen (zoals Europese Commissie en Raadssecretariaat) en bij ministeries van Buitenlandse Zaken in verschillende lidstaten. •Behoud en de ontwikkeling van de Europese rechtsorde door actief bij te dragen aan de ontwikkeling van Europese regelgeving en door een actieve houding van de Nederlandse regering bij het Hof van Justitie van de EU. Operationele Doelstelling 3.2 Een effectief, efficiënt en coherent optreden van de Unie ten opzichte van derde landen en regio’s, inclusief ontwikkelings-landen Financiële instrumenten: •Bijdrage aan het Europees Ontwikkelingsfonds (EUR 173 miljoen). De «EU toerekening»: het aan de BZ-begroting toegeschreven «Neder-landse aandeel» uit hoofdstuk vier van de begroting van de Europese Commissie («De Europese Unie als mondiale partner»). Uit dit hoofdstuk worden diverse programma’s van de EU voor internationale samenwerking gefinancierd, waaronder het Nabuurschapsbeleid, het Instrument voor Ontwikkelingssamenwerking, het GBVB-budget en Humanitaire hulp. •Zie voor het instrument van pre-accessiesteun (landen met EU-lidmaatschapsperspectief assisteren bij overname EU-acquis) het MATRA programma dat wordt verantwoord op beleidsartikel 2 (OD 2.5). Beleidsinstrumenten (in aanvulling op beleidsinstrumenten onder 3.1): •Coherente inzet in de Raad («met één mond spreken») Operationele Doelstelling 3.3 Een hechtere Europese waardengemeenschap Financiële instrumenten: •Contributie aan de Raad van Europa van EUR 9,7 miljoen waarmee wordt ingezet op een doelmatige, efficiënte Raad van Europa, die zich richt op het bevorderen van mensenrechten, democratie en de rechtsstaat in Europa. Beleidsinstrumenten: •Via (coalitievorming in) rapporteursgroepen, het Comité van Ministers en stuurgroepen Nederlandse beleidsprioriteiten realiseren. •Nederlandse inzet is altijd gebaseerd op goede afstemming tussen de betrokken vakdepartementen. De Nederlandse Permanente Vertegenwoordiging in Straatsburg speelt een centrale rol bij het realiseren van de beleidsdoelstellingen, door goede betrekkingen en, indien opportuun, regelmatig overleg met het secretariaat van de Raad van Europa, permanente vertegenwoordigingen van andere lidstaten en met de Nederlandse delegatie in de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa. Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 249 Operationele Doelstelling 3.4 Versterkte Nederlandse positie in de Unie van 27 Financiële instrumenten: •Jaarlijkse bijdrage van circa EUR 3,8 miljoen aan de Benelux. Het Benelux-verdrag dient twee doelen: het vervullen van een voortrek-kersrol binnen de Europese Unie en grensoverschrijdende samenwer-king, vooral op het gebied van economie, duurzame ontwikkeling en justitie/binnenlandse zaken. Beleidsinstrumenten: •Conferenties (zoals de Utrecht Conferentie met Polen) en seminars ter intensivering van de bilaterale betrekkingen. •Benelux overleg voorafgaand aan EU-raden en waar nuttig ook met andere regionale samenwerkingsverbanden zoals Visegrad1 en Baltische2 staten. •Bilaterale en intra-Europese diplomatie, zowel op ministerieel als ambtelijk niveau, om andere lidstaten te overtuigen van onze posities. •Actieve inzet van het Europese postennetwerk. •Gerichte detacheringen bij verschillende EU-lidstaten (o.a. tijdens EU-voorzitterschappen) en EU-instellingen. •Voorlichting van departementen, onder andere door verdere activitei-ten van het Expertisecentrum Europees Recht (ECER). •Voeren van het secretariaat en het co-voorzitterschap van de Interde-partementale Commissie Europees Recht (ICER) met het oog op een goede coördinatie tussen departementen van standpunten over het recht van de Europese Unie. E. Budgettaire gevolgen van beleidBeleidsartikel 3 Europese samenwerking Bedragen in EUR 1 000 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 Verplichtingen 6 090 076 6 493 256 7 353 602 7 528 242 7 918 919 8 133 453 8 133 453 Uitgaven: Programma-uitgaven totaal 6 230 748 6 657 389 7 526 717 7 696 623 8 071 175 8 285 709 8 285 709 3.1 Een democratische, slagvaardige en transparante Europese Unie die haar burgers vrijheid, recht, veiligheid, welvaart en duurzame economische groei biedt 6 022 099 6 479 880 7 340 042 7 505 786 7 905 259 8 119 793 8 119 793 Juridisch verplicht 100% 100% 100% 100% 100% Overig verplicht 0% 0% 0% 0% 0% Beleidsmatig nog niet ingevuld 0% 0% 0% 0% 0% 1 Deelnemers zijn Polen, Hongarije, Tsjechië en Slowakije. 2 Deelnemers zijn Estland, Letland en Litouwen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 250 Bedragen in EUR 1 000 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 3.2 Een effectief, efficient en cohorent optreden van de Unie ten opzichte van derde landen en regio’s, inclusief ontwikkelings-landen 195 228 164 133 173 115 177 177 152 256 152 256 152 256 Juridisch verplicht 100% 100% 100% 100% 100% Overig verplicht 0% 0% 0% 0% 0% Beleidsmatig nog niet ingevuld 0% 0% 0% 0% 0% 3.3 Een hechtere Europese waardengemeenschap 9 669 9 516 9 700 9 800 9 800 9 800 9 800 Juridisch verplicht 0% 0% 0% 0% 0% Overig verplicht 100% 100% 100% 100% 100% Beleidsmatig nog niet ingevuld 0% 0% 0% 0% 0% 3.4 Versterkte Nederlandse positie in de Unie van 27 3 752 3 860 3 860 3 860 3 860 3 860 3 860 Juridisch verplicht 0% 0% 0% 0% 0% Overig verplicht 100% 100% 100% 100% 100% Beleidsmatig nog niet ingevuld 0% 0% 0% 0% 0% Ontvangsten 576 496 609 720 620 347 631 239 642 349 653 681 653 681 3.10 Perceptiekostenvergoe-dingen 576 496 609 669 620 347 631 239 642 349 653 681 653 681 3.30 Restitutie Raad van Europa 0 51 0 0 0 0 0Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 251 Beleidsartikel 4: Meer welvaart, eerlijkere verdeling en minder armoede A. Algemene Doelstelling Zelfredzaamheid van ontwikkelingslanden, gericht op het bevorderen van het op termijn voeren van eigenstandig armoedebeleid. Inzet van posten voor internationalisering van onze economie. B. Rol en verantwoordelijkheid Regiefunctie •de minister voert de regie over beleidscoherentie voor ontwikkeling in het Nederlandse buitenlandbeleid door het ontwikkelingsbelang mee te nemen in het nationale, Europese en – waar opportuun – interna-tionale beleid, ook ten aanzien van Global Public Goods, in het bijzonder door Nederlands overheidsbeleid (en dat van de EU) te toetsen op de effecten voor ontwikkelingslanden. Nauwe samenwer-king vindt plaats met andere departementen, in het bijzonder met Financiën, Economische Zaken, Landbouw & Innovatie (EL&I) en Infrastructuur & Milieu (I&M). •de minister voert (onder meer in het strategisch beleidsoverleg postennetwerk) regie over de inzet van de posten in economische diplomatie, in nauw overleg met de minister van EL&I die internatio-naal ondernemen coördineert, en in samenwerking met het Agent-schap NL. Faciliterende rol •de minister draagt bij aan het scheppen van de omstandigheden waaronder effectief armoedebeleid van landen zelf uitgevoerd kan worden. Beleidstheorie Duurzame economische groei en een overheid die deze groei mogelijk maakt én doeltreffend armoedebeleid voert, leiden ertoe dat ontwikke-lingslanden op termijn minder afhankelijk worden van hulp. Bij het bereiken van dit doel hebben verschillende partijen (private sector, Procentuele verdeling uitgaven 2012 per operationele doelstelling25%36%38%1%4.1 Voedselzekerheid 25%4.2 Effectief armoedebeleid van ontwikkelingslanden 36%4.3 Private sector ontwikkeling 38%4.4 Effectieve Nederlandse handels- en investeringsbevordering 1%Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 252 overheid, maatschappelijke en multilaterale organisaties) op diverse niveaus (nationaal, regionaal, mondiaal) hun eigen rol. Nederland werkt samen met die verschillende partijen in een samenhangende benadering1. Uitgangspunt bij het leveren van de bijdrage aan zelfredzaamheid is de behoefte vanuit ontwikkelingslanden. De overheid speelt een cruciale rol. Een doeltreffende overheid is nodig voor stabiliteit en vormgeving van het economische en sociale beleid. Daartoe dient de overheid zelf haar zaken op orde te hebben. Het gaat daarbij om zaken als adequate wet- en regelgeving, effectief armoede-beleid, macro-economische stabiliteit, gezonde overheidsfinanciën, een gunstig ondernemingsklimaat, een adequaat belastingstelsel, verant-woord financieel beheer en de capaciteit van het ambtenarenapparaat. Als directe steun aan overheden in ontwikkelingslanden wordt gegeven, kan dit in de vorm van begrotingssteun, programma- of projectsteun. De praktische toepasbaarheid van algemene begrotingssteun is wel zeer beperkt omdat er voldoende vertrouwen moet bestaan in de wijze waarop het partnerland in de praktijk omgaat met zaken zoals mensenrechten en corruptie2. Ontwikkeling van de private sector is een essentiële voorwaarde voor meer economische groei en draagt bij aan voedselzekerheid, een belangrijk element bij het behalen van millenniumdoel 1 (Halvering van honger en het aantal mensen dat onder de armoedegrens leeft). De toenemende bevolkingsgroei, schaarser wordende en ongelijk verdeelde natuurlijke hulpbronnen (land, water en energie) en ongelijke toegang tot voedsel vormen een grote uitdaging. Vergroting van de voedselzekerheid is daarom één van de vier speerpunten van het ontwikkelingssamenwer-kingsbeleid. Nederland zal bijdragen aan toegenomen voedselzekerheid door gelijktijdig te investeren in zowel de vergroting van het voedsel-aanbod door duurzame productie, efficiëntere markten, grotere inkomens-zekerheid alsmede verbeterde toegang tot gezond en nutriëntenrijk voedsel. Om adequate private sector ontwikkeling te ondersteunen zet Nederland in op markttoegang en -ontwikkeling, verbeterde infrastructuur, financiële dienstverlening, en kennis en vaardigheden. Daarbij zal de samenwerking met het bedrijfsleven worden geïntensiveerd. De wijze waarop hulp wordt geleverd is van belang. De mate waarin interventies doeltreffend kunnen zijn wordt in belangrijke mate bepaald door de lokale context en de wijze van uitvoering. Ook de afstemming met en samenwerking tussen actoren, waaronder andere donoren, kunnen bijdragen of afdoen aan de effectiviteit van de ingezette middelen. Hulp dient transparant te zijn en hier en daar verantwoordingsrelaties te ondersteunen en verdiepen. Capaciteitsopbouw is cruciaal voor lange termijn ontwikkeling en zelfredzaamheid. Een belangrijk deel van de wereldwijde economische groei vindt plaats in opkomende markten en van deze groei wil Nederland via handel en investeringen deel uitmaken. Het Ministerie van EL&I is hiervoor eerstverantwoordelijke. Om de internationalisering van de economie een verdere impuls te geven zullen de posten inzetten op ondersteuning van het bedrijfsleven op buitenlandse markten en het versterken van de economische positie van ons land in de wereld. Hoe en in welke mate economische diplomatie en dienstverlening worden ingezet zal per land verschillen. Zo zal het bedrijfsleven in de zogenaamde BRICS landen in de volle breedte worden ondersteund. In andere landen richt de inspanning 1 In lijn met motie Ferrier 32 500 V, nr. 36. 2 Zoals opgenomen in de basisbrief Ontwikke-lingssamenwerking Kamerstuk 32 500 V, nr. 15.Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 253 zich met name op de economische topsectoren. In partnerlanden zal worden aangehaakt bij het ontwikkelingssamenwerkingsprogramma en in enkele landen wordt een transitiefaciliteit opgezet. C. Beleidswijzigingen •Er zal meer nadruk komen op de productieve sectoren, dit in navolging van de conclusies van de WRR in zijn rapport «Minder pretentie, meer ambitie1». •Naar het verstrekken van algemene begrotingssteun zal zeer kritisch worden gekeken, resulterend in een verdere inkrimping van landen waaraan deze steun gegeven wordt. Hiervoor gelden strikte voorwaar-den inzake mensenrechten, corruptie en voldoende goed bestuur, waarbij wel de nog lopende verplichtingen op behoorlijke wijze worden afgehandeld. •Economische diplomatie zal een veel belangrijker plaats gaan innemen in het werk van de posten, om de Nederlandse open economie verder te ondersteunen2. •N.a.v. het WRR-rapport «Minder pretentie, meer ambitie» en het debat met de Kamer is een traject ingezet met als doel OS fundamenteel te herzien en beter te integreren in het buitenlandbeleid. De regering heeft de Tweede Kamer in dit kader toegezegd een praktische beleidsagenda te ontwikkelen. Deze zal zich richten op de ontwikke-lingsdimensie van een aantal prioritaire global public goods: handel en financiering, klimaatverandering, voedselzekerheid, migratie en vrede en veiligheid. •Er wordt geïnvesteerd in economische diplomatie. Het postennetwerk wordt specifieker toegerust voor het behartigen van de economische belangen. Bijzondere aandacht is er voor het MKB. De beleidswijzigingen zijn opgenomen in de Basisbrief Ontwikkelingssa-menwerking3, Focusbrief Ontwikkelingssamenwerking4 en Modernisering Nederlandse diplomatie5. D. Operationele Doelstellingen Operationele Doelstelling 4.1 Voedselzekerheid Financiële inzet Via het multilaterale kanaal zijn de grootste programma’s: •ondersteuning van het Global Agriculture and Food Security Program (GAFSP) (EUR 25 miljoen) ter ondersteuning van private sectorontwik-keling in relatie tot voedselzekerheid. •ondersteuning aan IFAD (EUR 18 miljoen) voor leningen en subsidies aan ontwikkelingslanden ter ondersteuning van de uitvoering van landbouw ontwikkelingsprojecten. •ondersteuning van nationale overheden in ontwikkelingslanden op het terrein van landbouwketenontwikkeling via het International Center for Soil Fertility and Agricultural Development (EUR 10 miljoen) en het Comprehensive Africa Agricultural Development Programme (CAADP) van EUR 1 miljoen. •steun aan internationaal landbouwonderzoek via de Consultative Group on International Agricultural Research (CGIAR), International Centre for Agricultural Research in the Dry Areas (ICARDA) en Forum for Agricultural Research in Africa (FARA). 1 Regeringsreactie op het WRR-rapport: Minder pretentie, meer ambitie (32 605, nr. 1). 2 http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2011/06/24/buitenlandse-markten-nederlandse-kansen.html 3 Kamerstuk 32 500 V, nr. 15. 4 Kamerstuk 32 605, nr. 2. 5 Kamerstuk 32 734, nr. 1.Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 254 Via bilaterale ambassadeprogramma’s wordt onder meer aan de volgende programma’s bijgedragen: •In Ethiopië zal gewerkt worden aan de verhoging van de landbouwpro-ductiviteit onder meer via productieve vangnetprogramma’s voor districten waar veel chronische honger wordt geleden. •In Rwanda worden via arbeidsintensieve programma’s rurale wegen, terrasbouw en bosaanplant-projecten aangelegd en onderhouden. •In Mozambique worden lokale gemeenschappen geholpen om hun recht op landgebruik beter te beschermen. •In Mali wordt geïnvesteerd in de uitbreiding van irrigatie-infrastructuur en waterbeheer in samenwerking met boerenorganisaties. •In Benin zal geïnvesteerd worden in diversificatie van de landbouw door ontwikkeling van voedselketens. De grootste programma’s voor samenwerking met het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties zijn: •EUR 22 miljoen voor het Initiatief Duurzame Handel (IDH) met als doel verduurzaming van internationale agro-ketens. •EUR 13 miljoen voor versterking van boerenorganisaties via het Programma Ondersteuning Producentenorganisaties (POP). •EUR 30 miljoen voor publiek private partnerschappen (met onder meer Heineken, Solidaridad, Unilever en DSM) ter verbetering van de voedselkwaliteit, versterking van capaciteit van ondernemers, versterken van business support centres, en de overschakeling van geïmporteerde naar lokaal geproduceerde grondstoffen. Naast bovengenoemde programma’s zullen er voor de nieuwe beleidspri-oriteit voedselzekerheid in de loop van 2012 nieuwe programma’s worden ontwikkeld. Operationele Doelstelling 4.2 Effectief armoedebeleid van ontwikkelingslanden Financiële instrumenten Multilaterale inzet via de Internationale Financiële instellingen, via VN-organisaties (als UNDP en UNICEF) en schuldverlichtingsinitiatieven. Uitgesplitst naar categorie gaat het in 2012 daarbij om: •EUR 93 miljoen aan de «zachte loketten» van de Afrikaanse en de Aziatische ontwikkelingsbank voor concessionele project- en program-maleningen en schenkingen aan de overheden van de armste lage-inkomenslanden. Iedere drie jaar worden de financiële middelen van deze fondsen aangevuld, waarbij ook afspraken worden gemaakt over de beleidsprioriteiten voor de komende periode. •Deelname aan kapitaalverhogingen bij de Afrikaanse en de Aziatische ontwikkelingsbank om de regionale ontwikkelingsbanken meer financiële armslag te geven bij bestrijding van de gevolgen van de financiële crisis. •Multilaterale schuldverlichtingsinitiatieven. Afspraken over schuldver-lichting in de Club van Parijs leiden ook tot verlaging van de vorde-ringen van ontwikkelingsbanken op ontwikkelingslanden. Deze middelen dienen ter compensatie voor de mis te lopen terugbetalin-gen. •Bijdrage aan UNDP voor armoedebestrijding door bevordering van duurzame ontwikkeling. Binnen het mandaat van UNDP valt een coördinerende rol voor de verschillende VN-organisaties en een operationele rol als uitvoerder van programma’s. Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 255 •Bijdrage aan UNICEF. De door Nederland ondersteunde programma’s richten zich op nood/humanitaire hulp, water en sanitatie, voedselze-kerheid, seksuele- en reproductieve gezondheid en rechten, bestrijding van besmettelijke ziektes als HIV/AIDS, en onderwijs in fragiele staten. •EUR 2 miljoen als bijdragen aan programma’s gericht op versterking van schuldenmanagement in ontwikkelingslanden. Het gaat hier om 1) een bijdrage aan DMFAS (Debt Management Financial Analysis System), een softwareprogramma van UNCTAD voor het administre-ren van overheidsschulden; 2) een bijdrage aan MEFMI (Macroecono-mic and Financial Management Institute of Eastern and Southern Africa), dat trainingsprogramma’s op het terrein van Public Finance Management in zuidelijk Afrika verzorgt; en 3) een bijdrage aan de Debt Management Facility van de Wereldbank voor trainingsprogram-ma’s ten behoeve van overheidsfunctionarissen. •EUR 13 miljoen voor het assistent-deskundigenprogramma. Dit biedt Nederlandse academici en academici uit OS-landen de mogelijkheid volwaardige werkervaring op te doen bij internationale organisaties. De totstandbrenging van een kweekvijver van deskundigen en het versterken draagvlak gaan daarbij hand in hand met NL-presentie en zichtbaarheid bij internationale organisaties. Bilaterale ondersteuning van het armoedebeleid van partnerlanden: •algemene begrotingssteun. •EUR 12 miljoen voor sector-overstijgende projecten, zoals de inzet op gezonde overheidsfinanciën en verantwoord financieel beheer, voor het opbouwen van nationale capaciteit op het terrein van belastingen, en gerichte bilaterale ondersteuning van enkele ontwikkelingslanden. •voor bijdragen aan de beleidscoherentie voor ontwikkeling en de effectiviteit en kwaliteit van de Nederlandse financiële inspanningen gericht op ontwikkeling (EUR 0,5 miljoen). Beleidsinstrumenten •In samenwerking met het ministerie van Financiën inzetten op het verhogen van belastinginkomsten in ontwikkelingslanden. De inzet beoogt het tegengaan van internationale belastingontduiking en -ontwijking door personen en bedrijven en versterking van nationale belastingstelsels. De OESO informele Taskforce Tax and Development werkt samen met ontwikkelingslanden aan de implementatie van voorstellen op het gebied van capaciteitsontwikkeling, verrekenprijzen-methodieken, uitwisseling van informatie tussen landen en transparan-tie in rapportages door multinationale ondernemingen. Ook in de EU zet Nederland zich in op het verbeteren van transparantie in de financiële rapportages door multinationals. •Om negatieve gevolgen van Nederlands en Europees beleid voor ontwikkelingslanden zoveel mogelijk te voorkomen ondergaat al dit beleid dat derde landen raakt een beleidscoherentie voor ontwikkeling-toets. Hierbij wordt synergie tussen het Nederlands belang en de belangen van ontwikkelingslanden gezocht. Het creëren van handels-mogelijkheden door de aanpak van handelsbarrières, bijvoorbeeld, biedt ontwikkelingslanden de ruimte de armoede te bestrijden door eigen industrie- en dienstensectoren te ontwikkelen. In Nederland is beleidscoherentie voor ontwikkeling verantwoordelijkheid van de regering als geheel. •In navolging van het 4de High Level Forum on Aid Effectiveness in Busan (eind 2011) wordt in 2012 verder uitvoering gegeven aan het internationale partnerschap tussen donoren, partnerlanden, opko-mende economieën, NGO’s en private sector om de effectiviteit van Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 256 ontwikkelingsinspanningen te verhogen. Het basisraamwerk rondom resultaten, transparantie en accountability staat hierbij centraal. Op landenniveau zullen zogeheten country compacts een maat gesneden kader bieden voor resultaatbereiking en accountability. Operationele Doelstelling 4.3 Private sector ontwikkeling Financiële instrumenten De grootste programma’s binnen het multilaterale kanaal zijn: •technische assistentie aan ontwikkelingslanden via het Netherlands IFC Partnership Programme (NIPP, EUR 20 miljoen) ter ondersteuning van onder meer het lokale investeringsklimaat, ontwikkeling van de financiële sector en infrastructuurontwikkeling. •via het (World) Bank Netherlands Partnership Programme (BNPP) en de Investment Climate Facility wordt gewerkt aan de verbetering van het ondernemingsklimaat in ontwikkelingslanden en het stimuleren van investeringen. Overheden worden geholpen in het vereenvoudi-gen van procedures en het verminderen van de tijdsduur en kosten voor het bedrijfsleven die daaraan zijn verbonden. De inzet via het bilaterale kanaal en samenwerking met het bedrijfsleven behelst vooral de volgende instrumenten: •(publieke) infrastructuurontwikkeling via het ORET/ORIO programma, het Infrastructure Development Fund (IDF) van de FMO (EUR 20 miljoen) en Private Infrastructure Development Group (PIDG). •stimuleren van innovatieve investeringen door middel van joint-ventures tussen het MKB, via het PSI programma (EUR 60 miljoen). •financieringsmogelijkheden van het MKB in ontwikkelingslanden worden ondersteund via MASSIF (EUR 20 miljoen), het Fonds Mesofinanciering (EUR 3 miljoen) en FOM-OS (EUR 13 miljoen), alle drie programma’s van de FMO. •Publiek-private partnerschappen, o.a. gericht op de ontwikkeling van de financiële sector (Triodos, Rabobank) en bevordering van technolo-gische innovaties (Base of the Pyramid Innovation Lab) (EUR 14 miljoen). •verbetering van de toegang tot internationale afzetmarkten voor individuele ondernemingen via programma’s van het CBI. •versterking van kennis en capaciteit van ondernemingen via PUM (EUR 12 miljoen). •In 2012 zal de transitiefaciliteit van start zijn gegaan met als doel het transitieproces van bilaterale relaties op het terrein van ontwikkelings-samenwerking naar reguliere economische relaties te faciliteren. Dit zal plaatsvinden in Zuid-Afrika, Vietnam en Colombia. Operationele Doelstelling 4.4 Effectieve Nederlandse handels- en investeringsbevordering Financiële instrumenten •Steun aan Netherlands Business Support Offices (NBSO’s) en Netherlands Agricultural Business Support Offices (NABSO’s). De belangrijkste taak is het ondersteunen van Nederlandse bedrijven bij het betreden van kansrijke markten. Binnen de eerstelijns dienstverle-ning verstrekken N(A)BSOs maatwerkvoorlichting bij de marktoriënta-tie door individuele bedrijven. Afgeleide taken zijn onder andere de beantwoording en behandeling van handelsaanvragen; het faciliteren van contacten van Nederlandse bedrijven met relevante zakenpartners Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 257 en vertegenwoordigers van lokale overheden; ondersteuning van inkomende delegaties, economische missies en bezoekers; individuele marktbewerking (marktscans). Beleidsinstrumenten •Diplomatieke inspanningen van ambassades en consulaten richten zich op de volle breedte van economische dienstverlening en economische diplomatie die kan bijdragen aan het succes van Nederlandse kennisinstellingen en bedrijven in het buitenland. Nederland zal zich vooral inzetten in de landen waar de Nederlandse overheid de meeste toegevoegde waarde heeft, namelijk landen met veel economisch potentieel (snelgroeiende, opkomende markten) en landen waar de overheidsinmenging groot is. •Naast de inzet van bilaterale economische diplomatie, zal ingezet worden op multilaterale economische diplomatie gericht op verster-king van het multilaterale stelsel en op het afsluiten van vrijhandelsak-koorden via de EU. E. Budgettaire gevolgen van beleidBeleidsartikel 4 Meer welvaart, eerlijkere verdeling en minder armoede Bedragen in EUR 1 000 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 Verplichtingen 2 128 486 1 595 323 1 006 398 967 643 846 599 1 007 641 1 119 570 Uitgaven: Programma-uitgaven totaal 1 046 907 689 398 881 135 981 748 1 048 898 1 192 389 1 315 028 4.1 Voedselzekerheid 108 923 152 768 218 907 286 610 411 140 343 500 434 500 Juridisch verplicht 57% 36% 26% 17% 10% Overig verplicht 43% 64% 74% 83% 90% Beleidsmatig nog niet ingevuld 0% 0% 0% 0% 0% 4.2 Effectief armoedebeleid van ontwikkelings-landen 627 109 173 328 317 833 293 561 204 536 348 878 471 517 Juridisch verplicht 64% 63% 56% 56% 56% Overig verplicht 35% 34% 40% 40% 40% Beleidsmatig nog niet ingevuld 1% 3% 4% 4% 4% 4.3 Private sector ontwikkeling 304 811 356 642 337 735 394 917 426 562 403 001 403 001 Juridisch verplicht 55% 47% 35% 25% 20% Overig verplicht 44% 53% 65% 75% 80% Beleidsmatig nog niet ingevuld 1% 0% 0% 0% 0% 4.4 Effectieve Nederlandse handels- en investe-ringsbevordering 6 064 6 660 6 660 6 660 6 660 6 010 6 010 Juridisch verplicht 100% 100% 100% 0% 0% Overig verplicht 0% 0% 0% 100% 100% Beleidsmatig nog niet ingevuld 0% 0% 0% 0% 0% Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 258 Bedragen in EUR 1 000 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 Ontvangsten 11 208 20 483 20 136 24 163 28 067 28 067 28 067 4.20 Ontvangsten en restituties met betrekking tot leningen 11 208 20 483 20 136 24 163 28 067 28 067 28 067Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 259 Beleidsartikel 5: Toegenomen menselijke ontplooiing en sociale ontwikkeling A. Algemene Doelstelling De kern van ontwikkeling ligt in de mogelijkheden en kansen die mensen, mannen én vrouwen, krijgen om zich te ontplooien en bij te dragen aan de sociale en economische ontwikkeling van hun land. Een sterk maatschap-pelijk middenveld geeft een stem aan groepen uit de samenleving en zorgt voor het nodige tegenwicht voor de overheid. B. Rol en verantwoordelijkheid Faciliterende rol •De minister stelt voldoende financiële en personele middelen beschikbaar voor het realiseren van de operationele doelstellingen en is aanspreekbaar op effectieve en doelmatige inzet van die middelen. Stimulerende rol •Internationaal versterken van het politiek draagvlak voor gelijke rechten en kansen voor vrouwen en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten voor iedereen, ongeacht leeftijd, geslacht, seksuele geaardheid, leefstijl of religie, zowel in donorlanden als in ontvangende landen. Beleidstheorie Van de acht Millenniumdoelen hebben er vijf betrekking op gezondheid, HIV/Aids, onderwijs en gelijkwaardigheid tussen mannen en vrouwen. In het nieuwe beleid is meer focus aangebracht en geeft Nederland prioriteit aan die Millennium Development Goals waarop een relatief grote achterstand is en waar Nederland specifieke meerwaarde heeft. Vanuit deze overwegingen is gekozen voor het speerpunt seksuele en reproduc-tieve gezondheid en rechten, inclusief HIV/Aids. Er rust in veel landen een taboe op seksualiteit en dat belemmert voortgang op het terrein van SRGR en HIV preventie. Oppositie tegen reproductieve en seksuele rechten is groot en groeit, veelal religieus geïnspireerd. Wereldwijd bestaan legio taboes over zelfbeschikkingsrecht van vrouwen over hun eigen lichaam, over seksueel gedrag van jongeren maar ook over veilige Procentuele verdeling uitgaven 2012 per operationele doelstelling22%43%4%31%5.1 Onderwijs en onderzoek 22%5.2 Maatschappelijk middenveld 43%5.3 Gelijke rechten en kansen voor vrouwen 4%5.4 Seksuele en reproductieve gezondheid en rechten en HIV Aids 31%Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 260 abortus. Dit leidt tot stigma en discriminatie, en tot gevangenisstraffen voor vrouwen die hun zwangerschap hebben afgebroken en voor hun hulpverleners. Daarnaast leiden stigma, discriminatie en criminalisering van LGBT1, sekswerkers en injecterende druggebruikers («key popula-tions») tot uitsluiting van deze mensen en verdere verspreiding van de aidsepidemie. Seksueel geweld tegen vrouwen, jongeren en seksuele minderheden blijft te vaak ongestraft. Nederland geeft specifieke aandacht aan mensenrechten gerelateerd aan seksualiteit en voortplanting. Deze inzet is ook gericht op jongeren zodat zij betere kennis verwerven over seksualiteit, zwangerschap en HIV en zelf keuzes kunnen maken bij het aangaan van seksuele relaties, veilig vrijen en het gebruik van anticon-ceptie. Ook wordt ingezet op betere toegang tot en keuze uit kwalitatief goede anticonceptie, mannen- en vrouwencondooms, medicijnen, vaccins en andere medische middelen voor reproductieve gezondheid en HIV preventie. Een belangrijk aandachtspunt is het optimaliseren van complementaire publieke en private dienstverlening voor seksuele en reproductieve gezondheid inclusief veilige abortus en HIV/Aids.2 Op deze manier wordt een belangrijke bijdrage geleverd aan het verminderen van moedersterfte. Onderwijs en onderzoek Basisonderwijs is niet benoemd als een van de speerpunten in het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid. De keuze voor de speerpunten is gemaakt op basis van de meerwaarde van de Nederlandse deskundigheid die Nederland ontwikkelingslanden op bepaalde terreinen kan bieden. De meerwaarde op terreinen als voedselzekerheid en water blijkt groter dan op basisonderwijs. Het Nederlandse onderwijskundig onderzoek wordt internationaal hoog gewaardeerd. Tegelijkertijd is het zo dat de Neder-landse onderwijsexpertise voornamelijk is gericht op de oplossing van onderwijsvraagstukken in een Nederlandse of westerse setting. Er is op dit moment geen center of excellence op het terrein van onderwijs in OS-landen in Nederland. Voor de thans gekozen speerpunten zullen Nederlandse kennisinstituten die zich wel expliciet bezig houden met de specifieke problematiek van ontwikkelingslanden zoveel mogelijk benut worden. Ze krijgen de gelegenheid zich aan de nieuwe speerpunten aan te passen. De inzet op basis- en beroepsonderwijs in fragiele staten wordt voorgezet. De resterende onderwijsprogramma’s, waaronder die voor hoger onderwijs, worden zoveel mogelijk omgevormd naar onderwijs en training die de vier speerpunten van het OS-beleid ondersteunen. Genderongelijkheid is een maatschappelijke kwestie en de politiek dient een leidende rol te spelen om verbetering te realiseren. Vrouwen kunnen daar zelf een katalyserende rol bij spelen wanneer zij zich bewust zijn van hun rechten en kansen en wanneer zij de capaciteiten hebben om deze op te eisen. Het is daarom van groot belang dat vrouwen en mannen uit de lokale gemeenschap vanaf het begin bij besluitvorming worden betrokken. Lokale (vrouwen)organisaties spelen een belangrijke rol in het creëren van maatschappelijk draagvlak onder zowel vrouwen als mannen. Zij hebben toegang tot de wortels van de samenleving en staan aan de basis van duurzame initiatieven op het gebied van de creatie en verdeling van welvaart, van vrede en stabiliteit en van mensenrechten voor iedereen. Nederland ondersteunt lokaal ingezette processen die bijdragen aan veranderingen gericht op verschillende niveaus: institutioneel (zoals nieuwe wetgeving en betere arbeidsvoorwaarden), cultureel (zoals politiek 1 Lesbian, Gay, Bisexual and Transgender. 2 Zie ook brief aan Tweede Kamer kenmerk AMBA-12/2011van 18 april 2011.Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 261 leiderschap van vrouwen) en individueel (zoals kennis van vrouwen over hun rechten, toegang tot onderwijs, gezondheid en werk). Daarnaast is Nederland internationaal actief om te komen tot betere standaarden en betere naleving daarvan om mondiaal gelijke rechten en kansen te bevorderen. Sterkere maatschappelijke organisaties in ontwikkelingslanden zijn nodig die volwaardig en zelfstandig gesprekspartner zijn bij een beleidsdialoog ten aanzien van alle aspecten van armoedebestrijding en duurzame sociale en economische ontwikkeling. Maatschappelijke organisaties kunnen indien nodig overheid en markt tegenwicht bieden en aanspreken op hun verantwoordelijkheden. Een sterk en divers maatschappelijk middenveld is essentieel voor een vitale samenleving en daarmee voor ontwikkeling. C. Beleidswijzigingen •Bij gezondheid zal meer dan voorheen de focus op SRGR inclusief HIV/Aids liggen met nadruk op preventie en mensenrechten. De inzet op het terrein van algemene gezondheid wordt vooral ondersteunend aan deze prioriteit met als doel dat het gezondheidssysteem maximaal resultaten op dit thema kan behalen. •Het accent in het onderwijs- en onderzoeksbeleid verschuift naar activiteiten die bijdragen aan de vier beleidsspeerpunten. Er is minder geld beschikbaar voor algemeen basisonderwijs in (bilaterale) partnerlanden en voor het Education for All – Fast Track Initiative (FTI). Een aantal activiteiten wordt geheel afgebouwd, zoals basisonderwijs in de partnerlanden waaruit Nederland zich terugtrekt en het SII-programma voor Samenwerking tussen Internationale (hoger onderwijs) Instituten1. •De inzet op beroepsonderwijs ten dienste van de speerpunten wordt voortgezet of mogelijk vergroot. Binnen de onderwijsprogramma’s blijft er speciale aandacht bestaan voor het inhalen van achterstanden door meisjes/jonge vrouwen2. •Centrale onderwijsactiviteiten ter ondersteuning van een specifiek speerpunt, zoals het programma ten behoeve van fragiele staten, zijn ondergebracht onder het betreffende beleidsartikel. D. Operationele Doelstellingen Operationele doelstelling 5.1 Goed onderwijs, goed opgeleide bevolking en capaciteit voor onderzoek en innovatie voornamelijk ten behoeve van de beleidsprioriteiten. Financiële instrumenten Hoger onderwijs. •EUR 75 miljoen voor de hoger onderwijsprogramma’s: het Netherlands Fellowship Programma (NFP) en het Netherlands Initiative for Capacity Development in Higher Education (NICHE). NICHE richt zich op de versterking van de capaciteit, en verbetering van kwaliteit en relevan-tie, van hoger (beroeps)onderwijs in de vier prioritaire sectoren in de partnerlanden. Het NFP verleent studiebeurzen aan mid-career professionals uit 60 ontwikkelingslanden om hun capaciteiten te vergroten en bij te dragen aan de ontwikkeling van de organisaties waar zij werkzaam zijn. Ook het NFP zal zich meer gaan richten op de vier prioritaire sectoren. In zowel NFP als NICHE is een belangrijke rol weggelegd voor Nederlandse kennisinstellingen. NICHE is in 2012 1 Zoals opgenomen in de Basisbrief en Focusbrief Ontwikkelingssamenwerking. 2 In lijn met motie van der Staaij 32 500 V, nr. 49.Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 262 operationeel in tenminste negen partnerlanden, waaronder twee fragiele staten (Jemen en Zuid-Soedan). Beroepsonderwijs: •Naast de NICHE-activiteiten op het gebied van beroepsonderwijs zullen ook in bilaterale partnerlanden nieuwe en waar mogelijk innovatieve onderwijsactiviteiten op het gebied van voedselzekerheid en water worden opgezet. In de aanloop naar 2013 wordt een verkenning gedaan naar het aantal landen en de aard van de partnerschappen. Voor intensivering van beroepsonderwijs is (afgezien van NICHE) EUR 2 miljoen beschikbaar. Basisonderwijs: •Nederland blijft zowel donor (EUR 30 miljoen) als medebestuurder bij het Education for All - Fast Track Initiative. Nederland zal als bestuurs-lid blijven aansturen op meer aandacht voor fragiele staten en gender. In 2012 worden naar verwachting 42 landen (waarvan 8 nieuw door FTI ondersteund bij de verbetering van hun onderwijsbeleid. Daarvan zijn 14 staten fragiel (waaronder 3 nieuwe landen). •Overige centrale programma’s voor basisonderwijs die niet specifiek op de speerpunten zijn gericht, worden afgebouwd. In de partnerlan-den wordt de onderwijssteun omgebogen ter ondersteuning van de beleidsprioriteiten of afgebouwd. Steun aan basisonderwijs in de exit-landen wordt de komende jaren op verantwoorde wijze afge-bouwd. Onderzoek: •EUR 20 miljoen is beschikbaar voor het Programma Onderzoek & Innovatie, dat zich sterker zal richten op de beleidsprioriteiten. EUR 2,1 miljoen hiervan is bestemd voor academisch beleidsonderzoek en kennisplatforms op relevante ontwikkelingsterreinen. Een nieuwe algemene bijdrage aan de Consultative Group for International Agricultural Research (CGIAR) is voorzien. •EUR 1,6 miljoen is beschikbaar voor de bevordering van de interactie tussen het ministerie en de externe kenniswereld. Een substantieel deel van dit bedrag is vastgelegd in lopende IS Academie-trajecten. Operationele doelstelling 5.2 Versterking van het maatschappelijk middenveld in ontwikke-lingslanden Financiële instrumenten De totale financiële inzet bij deze operationele doelstelling die via Nederlandse maatschappelijke organisaties geleverd wordt bedraagt EUR 472 miljoen. Daarnaast gaat directe financiering van zuidelijke maatschap-pelijke organisaties vanuit het bilaterale kanaal in de toekomst onder deze operationele doelstelling vallen. Onder de bijdragen aan Nederlandse maatschappelijke organisaties vallen: •EUR 382 miljoen aan twintig allianties van Nederlandse maatschappe-lijke organisaties binnen het Medefinancieringsstelsel II (2011–2015). MFS II richt zich op de versterking van maatschappelijke organisaties in het Zuiden zodat zij een volwaardige en zelfstandige gesprekspart-ner kunnen zijn van de (lokale) overheid over duurzame ontwikkeling. Maatschappelijke organisaties fungeren in een samenleving als countervailing power. Een sterk en divers maatschappelijk middenveld is een voorwaarde voor duurzame ontwikkeling. Door versterking van Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 263 het maatschappelijk middenveld in het Zuiden levert MFS II tevens een bijdrage aan armoedebestrijding, het realiseren van de (prioritaire) beleidsthema’s en meer specifiek aan het behalen van diverse thematische doelstellingen (inclusief capaciteitsopbouw voor versterking van het maatschappelijk middenveld). •EUR 65 miljoen aan SNV dat zich door middel van capaciteitsontwikke-ling van ngo’s, private sector en lokale overheden in ontwikkelingslan-den richt op armoedebestrijding en het verbeteren van lokaal bestuur. •EUR 12 miljoen aan PSO met het doel de capaciteit van het maatschap-pelijk middenveld in het Zuiden te bevorderen door de kwaliteit en de effectiviteit van Nederlandse ontwikkelingsorganisaties te versterken. •EUR 13 miljoen aan het Vakbondsmedefinancieringsprogramma (VMP) dat capaciteitsopbouw van vakbonden in ontwikkelingslanden ondersteunt teneinde arbeids- en vakbondsrechten te bevorderen als bijdrage aan duurzame armoedebestrijding. Beleidsinstrumenten •Coördinatie van MFS II op stelselniveau en monitoring van MFS II organisaties. De monitoringprotocollen van de MFS II-allianties zullen monitoring en rapportage door deze allianties op MFS II-resultaatgebieden mogelijk maken. •De in het MFS II verankerde afstemming en samenwerking tussen ambassades en Nederlandse maatschappelijke organisaties én tussen Nederlandse maatschappelijke organisaties onderling om meer synergie en toegenomen doelmatigheid van hulpinspanningen te bereiken via het maatschappelijke kanaal. Operationele doelstelling 5.3 Gelijke rechten en kansen voor vrouwen. Financiële instrumenten De bijdragen aan gendermainstreaming van het algemene beleid zijn onderdeel van de respectievelijke operationele doelstellingen. Onder deze operationele doelstelling zijn de bijdragen aan specifieke genderinitia-tieven samengebracht. Conform het amendement Hachchi (32500 V, nr.17) is het beschikbare bedrag in 2011 verhoogd naar EUR 42 miljoen (waarvan ca. EUR 3 miljoen is overgeheveld vanwege de bundeling van de uitgaven ten behoeve van het maatschappelijk middenveld onder OD 5.2). De meerjarige financiële inzet is hiermee in lijn gebracht. •De nadruk ligt op het leveren van bijdragen aan internationale maatschappelijke initiatieven op het gebied van gelijke rechten en kansen: Funding Leadership and Opportunities for Women (FLOW) en afronding MDG3 fonds. EUR 20 miljoen zal worden besteed aan maatschappelijke initiatieven op het gebied van bestrijding van geweld tegen vrouwen, actieve deelname van vrouwen aan processen van vrede, veiligheid en wederopbouw, vergroting van economische zelfredzaamheid en de toename van het aandeel vrouwen in politiek en bestuur. •Via bilaterale programma’s wordt EUR 13 miljoen besteed aan activiteiten van overheid en maatschappelijk veld om lokaal duurzame stappen te zetten op institutioneel en sociaal cultureel vlak. Een zwaartepunt ligt op de bestrijding van geweld tegen vrouwen. •Multilateraal draagt Nederland bij aan de verdere versterking en institutionele opbouw van UN Women (EUR 6 miljoen), inclusief de bijdrage aan het UN Trust Fund to Eliminate Violence Against Women) Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 264 Operationele Doelstelling 5.4 Seksuele en reproductieve gezondheid en rechten voor iedereen en een halt aan de verspreiding van HIV/AIDS De totale financiële inzet bij deze Operationele Doelstelling bedraagt ongeveer EUR 337 miljoen. Van dit bedrag gaat EUR 113 miljoen naar SRGR, EUR 113 miljoen naar HIV/Aids en EUR 111 miljoen naar gezondheid algemeen ter ondersteuning van SRGR en HIV/Aids. Bijdragen aan internationale organisaties (EUR 216 miljoen) Internationale organisaties zijn van belang voor internationale beleidsont-wikkeling, het ontwikkelen van internationale normen en standaarden op basis van onderzoek en hun technische rol ter ondersteuning van landen om nationaal beleid te ontwikkelen. Internationale NGO’s zijn belangrijke spelers voor zowel SRGR en HIV/Aids dienstverlening als belangrijke pleitbezorgers van de SRGR en HIV/Aids agenda. Multidonorfondsen dienen voor schaalvergroting en efficiëntie. •EUR 71 miljoen gaat naar UNFPA (waarvan 35 miljoen voor het Global Programme for Reproductive Health Commodity Security) Hierdoor draagt NL bij aan het inlopen van de achterstand op MDG 5. Het aantal landen dat intensieve meerjarige ondersteuning krijgt van het GP-RHCS neemt toe van 11 naar 13. Het eerste van de 11 onder-steunde landen is in 2012 in staat om zonder intensieve steun de logistiek, planning en management zelf uit te voeren. Het aantal donoren van het GP-RHCS neemt toe met twee. •EUR 20 miljoen gaat naar UNAIDS Ter ondersteuning van de advise-rende rol van UNAIDS ten behoeve van nationaal beleid. •EUR 16 miljoen gaat naar de WHO t.b.v. het uitoefenen van haar normerende en standaard zettende rol als wel technische ondersteu-ning van landen bij beleidsvorming en onderzoek op het gebied van Bijdrage OD 5.4 in miljoen euro’sHIV/aidsSRGRGGezondheid algemeenMultilaterale organisatiesLandenprogramma’sNGO’s en samenwerkingmet bedrijfsleven020406080100120752018713012413832N.B. Activiteiten t.b.v. HIV/Aids, SRGR en gezondheid die gefinancierd worden uit MFS II zijn hier niet in opgenomen maar vallen onder O.D. 5.2.Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 265 seksuele en reproductieve gezondheid. Dit is inclusief EUR 6 miljoen contributie aan WHO/PAHO. •EUR 55 miljoen gaat naar het GFATM als bijdrage aan mondiale lopende programma’s ter bestrijding van HIV/Aids, TB en malaria. Indien de bestaande programma’s worden gecontinueerd, worden in 2015 naar verwachting 4.4 miljoen Hiv-geïnfecteerden met ARVs behandeld, 3,9 miljoen TB-patiënten behandeld en zijn 110 miljoen bed netten in gebruik. UNFPA, UNAIDS en WHO leveren technische assistentie voor het opstellen van financieringsaanvragen bij het GFATM. •EUR 25 miljoen gaat naar de Global Alliance for Vaccination and Immunization (GAVI) en het International Finance Facility for Immuni-zation (IFFim). In 2012 worden via GAVI 39 miljoen kinderen gevacci-neerd, waardoor 607 000 kinderlevens worden gered. Ook worden een aantal nieuwe en te weinig gebruikte vaccins in 28 landen geïntrodu-ceerd en worden immunisatie- en gezondheidssystemen versterkt. •EUR 20 miljoen gaat naar publiek private partnerschappen voor productontwikkeling (nieuwe vaccins, microbiciden, nieuwe voorbe-hoedsmiddelen en medicijnen). •Een budget van EUR 10 miljoen is beschikbaar voor internationale NGO’s zoals International Planned Parenthood Federation (IPPF, jongeren en seksualiteit programma’s), IPAS (voorwaarden scheppend voor veilige abortus), Population Services International (PSI, social markering van voorbehoedsmiddelen) en International HIV/Aids Alliance (IHAA, harm reduction programma’s). Bilaterale programma’s (EUR 88 miljoen) •De inzet in partnerlanden is enerzijds gericht op een effectieve dienstverlening voor SRGR en HIV/Aids en anderzijds om randvoor-waarden voor effectief beleid zoals wetgeving, naleving van mensen-rechten en pleitbezorging te realiseren. Van het totaal bedrag is ongeveer 20 miljoen voor HIV/Aids programma’s, inclusief het regionale programma in Zuidelijk Afrika, 38 miljoen voor Gezondheid ter ondersteuning van SRGR en HIV/Aids en 30 miljoen voor SRGR specifieke programma’s. Speciale Programma’s tbv «Key Populations», onderzoek en andere ondersteunende en innovatieve activiteiten (EUR 52 miljoen) •Op basis van de Nederlandse meerwaarde op het terrein van HIV preventie voor en rechten van «Key populations» wordt onder andere een aantal NGO’s gefinancierd om dergelijke programma’s uit te voeren in landen waar de aidsepidemie wordt gedreven door juist deze «key populations» (EUR 7 miljoen). Het Health Insurance Fund (EUR 20 miljoen) heeft een innovatief karakter om te werken aan alternatieven voor meer duurzame financiering van de gezondheidszorg. Beleidsinstrumenten •Het mandaat van de Aids-ambassadeur wordt uitgebreid tot Ambassa-deur voor seksuele en reproductieve gezondheid en rechten en HIV/Aids. Zij zal in internationale fora het Nederlands beleid uitdragen en bruggen slaan om meer politiek draagvlak te creëren voor seksuele en reproductieve gezondheid en rechten voor iedereen. •Diplomatie voor SRGR inclusief HIV/Aids krijgt ook vorm in onze partnerlanden en via de permanente vertegenwoordiging van Nederland bij de VN. Inzet zal zijn om het internationale beleid voor SRGR en Aids aan te scherpen vanuit de mensenrechtenbenadering en met meer aandacht voor preventie. Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 266 E. Budgettaire gevolgen van beleidBeleidsartikel 5 Toegenomen menselijke ontplooiing en sociale ontwikkeling Bedragen in EUR 1 000 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 Verplichtingen 2 652 374 533 045 1 110 031 411 462 309 425 502 468 502 468 Uitgaven: Programma-uitgaven totaal 1 492 076 1 283 531 1 088 142 1 062 948 1 068 001 1 052 266 1 052 266 5.1 Goed onderwijs, goed opgeleide bevolking en capaciteit voor onderzoek en innovatie voornamelijk ten behoeve van de beleidsprioriteiten 433 049 334 069 238 656 212 400 189 796 173 896 173 896 Juridisch verplicht 18% 64% 34% 17% 17% Overig verplicht 81% 31% 57% 74% 74% Beleidsmatig nog niet ingevuld 1% 5% 9% 9% 9% 5.2 Versterking van het maatschappelijk middenveld in ontwikkelingslanden 591 055 539 700 473 788 454 000 448 000 448 000 448 000 Juridisch verplicht 97% 100% 100% 96% 96% Overig verplicht 3% 0% 0% 0% 0% Beleidsmatig nog niet ingevuld 0% 0% 0% 4% 4% 5.3 Gelijke rechten en kansen voor vrouwen 40 151 39 322 39 000 39 000 39 000 39 000 39 000 Juridisch verplicht 91% 89% 86% 81% 81% Overig verplicht 0% 7% 4% 0% 0% Beleidsmatig nog niet ingevuld 9% 4% 10% 19% 19% 5.4 Seksuele en reproduc-tieve gezondheiden rechten voor iedereen en een halt aan de verspreiding van HIV/AIDS 427 821 370 440 336 698 357 548 391 205 391 370 391 370 Juridisch verplicht 67% 53% 44% 36% 36% Overig verplicht 33% 46% 56% 61% 61% Beleidsmatig nog niet ingevuld 0% 1% 0% 3% 3%Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 267 Beleidsartikel 6: Duurzaam water- en milieubeheer A. Algemene Doelstelling Het bevorderen van een duurzame en veilige leefomgeving door verantwoord milieu- en waterbeheer B. Rol en verantwoordelijkheid Regiefunctie •De minister heeft de regieverantwoordelijkheid voor de interdeparte-mentale coördinatie van het internationale- en Europese milieu- en klimaatbeleid. Faciliterende rol •Met inachtneming van de vele factoren en actoren die van invloed zijn op doelbereiking is de minister verantwoordelijk voor de effectieve inzet van middelen om de doelstellingen voor verbeterd milieu- en waterbeheer te realiseren. Beleidstheorie Nederland heeft belang bij een duurzame en veilige leefomgeving wereldwijd. Als gevolg van een groeiende wereldbevolking en toene-mende consumptie neemt de druk op het milieu en beschikbare natuur-lijke hulpbronnen exponentieel toe. Klimaatverandering verergert de druk op de fysieke omgeving. Ongelijke toegang tot hulpbronnen houdt armoede in stand en belemmert economische ontwikkeling. Waterze-kerheid en -veiligheid komen steeds sterker in het gedrang. Het doel is economische groei die niet ten koste gaat van cruciale ecosystemen, zodat deze groei ook op de lange termijn kan worden gewaarborgd en internationale publieke goederen (zoals klimaat, ecosystemen en grondstoffen) worden veilig gesteld. Dit geldt zowel voor de Europese Unie zelf als voor de rest van de wereld. Goed beheerde ecosystemen en duurzame productieketens dragen bij aan productieve landbouwsystemen, verhoogde voedselzekerheid, duurzame inkomsten uit de handel in hout, soja, palmolie en biomassa, een betrouwbare watervoorziening en aanpassing aan klimaatverandering. Nederland intervenieert op diverse niveaus en fora om dit te bewerkstelligen. Via inbreng in Europese en multilaterale fora (o.a. VN-onderhandelingen over klimaat, biodiversiteit, Rio+20) en bijdragen aan internationale organi-saties die zich richten op de opbouw van institutionele capaciteit, wordt Procentuele verdeling uitgaven 2012 per operationele doelstelling58%42%6.1 Duurzaam milieugebruik wereldwijd 58%6.2 Integraal waterbeheer, drinkwater en sanitatie 42%Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 268 ingezet op verbeterd beheer en veiligstellen van internationale publieke goederen. Nederland neemt actief deel aan EU-trajecten ten behoeve van een grondstoffen-efficiënte en koolstofarme economie. Buitenlandse Zaken coördineert de afstemming met de andere departementen voor Neder-landse positiebepaling in Brussel en internationale fora via de CIM (Coördinatie Internationaal Milieubeleid). Via de inzet op duurzaam ecosysteembeheer, energietransitie, klimaatverandering (mitigatie en adaptatie) en duurzame winning van natuurlijke hulpbronnen (voorkomen van milieuschade bij de ontginning, alsook voorkomen van toekomstige grondstoffen schaarste), wordt invulling gegeven aan verbeterd milieube-stuur (via UNEP, GEF, OESO, Rio+20) en worden landen bilateraal en via multilaterale organisaties ondersteund om beleid te ontwikkelen en toe te passen. Daarmee geeft Nederland invulling aan bindende internationale milieuverdragen. Op het terrein van klimaatmitigatie en -adaptatie zijn voor de korte termijn (2010–2012) additionele fondsen beschikbaar ter financiering van maatregelen om de CO2-uitstoot te verminderen (mitigatie) en aanpassing aan onvermijdelijke temperatuurstijging (adaptatie). In de klimaatonder-handelingen wordt ingezet op adequate klimaatfinanciering op de lange termijn en het integreren van klimaatadaptatie in water en voedselze-kerheid. De Nederlandse bijdrage aan Fast Start Finance wordt conform regeerakkoord betaald uit het ODA budget. Daarnaast worden specifieke activiteiten ondersteund waarbij in samenwerking met multilaterale instellingen, andere donoren, het bedrijfsleven en lokale partners de toegang van armen tot hernieuwbare energie wordt vergroot. Met het Nederlandse bedrijfsleven en de Nederlandse kennisinstituten wordt samengewerkt aan de verduurzaming van handelsketens, met name op het gebied van hout, soja, biomassa en palmolie. Milieu is een dwarsdoorsnijdend aandachtsgebied bij de ontwikkeling van de vier speerpunten, met name bij voedselzekerheid en water en wordt geïntegreerd in ontwikkelingsplanning. Er zal worden geanticipeerd op mogelijke gevolgen van klimaatverandering. Inzet is dat resultaten van ontwikkelingsinterventies duurzaam zijn en programma’s bijdragen aan terugdringing van uitstoot van broeikasgassen en ondersteuning van partnerlanden bij aanpassing aan de gevolgen van klimaatverandering. Omdat ontwikkelingslanden extra gevoelig zijn voor klimaatverandering wordt aansluiting gezocht bij nationale plannen voor klimaatverandering, zoals de in de LDC’s ontwikkelde NAPA’s. Via inzet van de Commissie MER (Milieueffectrapportage) en ondersteuning van het Climate and Development Knowledge Network en het World Resources Institute wordt bijgedragen aan opbouw van kennis, toetsing van programma’s op milieueffecten en het nemen van aanvullende maatregelen ter voorkoming en vermindering van schade aan ecosystemen. Voor wat betreft water is de Nederlandse inspanning gericht op zowel waterzekerheid als waterveiligheid. Waterzekerheid betekent de beschik-baarheid van voldoende water (kwaliteit, kwantiteit) voor huishoudens, energie, landbouw, industrie en instandhouding van ecosystemen. Waterveiligheid is de bescherming van mensen, economische sectoren en infrastructuur tegen ernstige overstromingen (rivieren, kusten). Tegen 2025 woont naar schatting twee derde van de wereldbevolking in gebieden met «waterstress». Van de mondiale zoetwaterconsumptie gaat Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 269 70–80% naar de landbouw. Effectief watergebruik in de landbouw is daarom cruciaal. Waterschaarste is in toenemende mate een bron van conflict, zowel op lokaal, nationaal als regionaal niveau. Wateroverlast in de vorm van overstromingen veroorzaakt elk jaar aanzienlijke econo-mische schade en dodelijke slachtoffers. Klimaatverandering zal leiden tot een grotere variabiliteit van neerslag- en weerpatronen en afname van waterzekerheid. Ten slotte sterven meer dan 5 000 mensen dagelijks door gebrek aan schoon drinkwater en sanitaire voorzieningen, de meesten van hen kinderen. Water gerelateerde ziektes verminderen de arbeidsproducti-viteit en deelname aan het onderwijs (vooral van meisjes) en verhogen de ziektekosten. Er is gekozen voor focus op drie terreinen: •Efficiënt en duurzaam watergebruik, vooral in de landbouw, ter verhoging van de voedselzekerheid; •Veilige delta’s en beter beheer van stroomgebieden met het oog op klimaatverandering; •Duurzame toegang tot veilig drinkwater en sanitatie. Bij de ontwikkeling en uitvoering van het beleid wordt gebruik gemaakt van de in Nederland aanwezige kennis en ervaring op het gebied van water. De ontwikkeling van programma’s wordt afgestemd met relevante departementen en vormgegeven in samenwerking met vertegenwoor-digers van kennisinstellingen, waterbedrijven en NGO’s. Het beleid streeft ernaar, zowel in de Water Mondiaal landen als in de partnerlanden waar op water zal worden geïntensiveerd1, om op termijn te komen tot een gelijkwaardige economische relatie waarbij een langjarige samenwer-kingsrelatie tot stand komt tussen Nederlandse waterbedrijven en instellingen en hun «counterparts» in deze landen.C. Beleidswijzigingen •Als uitvloeisel van het regeerakkoord geeft de focusbrief OS aan dat de Nederlandse inspanningen onder beleidsartikel 6 zich zullen richten op het thema water, met milieu en klimaat als dwarsdoorsnijdend thema, dienstbaar aan de prioritaire thema’s van het OS-beleid. •De inzet op het gebied van bossen is gerelateerd aan de inzet op verbeterd waterbeheer en verduurzaming van productieketens (w.o. hout). •Op het terrein van water richt Nederland zich de komende jaren in toenemende mate op waterbeheer in brede zin. De inzet op verbeterde toegang tot veilig drinkwater en sanitaire voorzieningen wordt ten opzichte van geïntegreerd waterbeheer geleidelijk verminderd. Hiervoor in de plaats komen interventies op terrein van waterveiligheid (zoals beheer van delta’s en stroomgebieden) en de relatie van water en het prioritaire thema voedsel. •Uit verschillende IOB evaluaties van bilaterale drinkwater- en sanitatie programma’s blijkt dat er bij onderhoud van systemen, hygiënevoor-lichting en de opslag van water op huishoudelijk niveau nog veel winst te behalen valt. Om deze reden gaat extra aandacht uit naar zowel duurzaamheid van interventies als naar verbeterde voorlichting. Hierop zal door uitvoerende organisaties expliciet worden gemonitord. 1 De Water Mondiaal landen zijn Bangladesh, Egypte, Indonesië, Mozambique en Vietnam. De partnerlanden waar op water zal worden geïntensiveerd zijn Benin, Ghana, Kenia, Mali en Zuid-Soedan.Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 270 D. Operationele Doelstellingen Operationele Doelstelling 6.1 Duurzaam milieugebruik wereldwijd Financiële instrumenten De totale financiële inzet in 2012 bedraagt ongeveer EUR 249 miljoen. Onderstaand de verdeling van dit bedrag met een toelichting op enkele van de grotere uitgaven. Klimaat, (hernieuwbare) energie en milieutechnologie (EUR 146 miljoen) •Via het Promoting Renewable Energy Programme (PREP, EUR 115 miljoen)wordt geïnvesteerd in hernieuwbare energie in Sub Sahara Afrika en Indonesië. Er wordt samengewerkt met multilaterale organisaties1, andere donorlanden met Nederlandse organisaties en bedrijven zoals FMO, Nuon, Philips, HIVOS, ECN en de Vrije Universi-teit. Met dit programma geeft Nederland uitvoering aan de in Kopenhagen toegezegde EUR 300 miljoen als Nederlandse bijdrage aan de korte termijn financiering voor Klimaat (2010–2012). Beoogd resultaat is het vergroten van de toegang tot moderne vormen van energie voor armen in ontwikkelingslanden door middel van capaci-teitsopbouw, investeringen in diverse hernieuwbare energie technolo-gieën en marktontwikkeling. •Samen met de Britse overheid wordt via het Climate and Development Network (CDKN, EUR 3,2 miljoen) in 60 landen gewerkt aan capaciteits-opbouw voor klimaat. Nederland heeft het voornemen bij te dragen aan speciale fondsen voor klimaatadaptatie zoals het Least Developed Countries Fund en het Pilot Program for Climate Resilience (PPCR). Ecosystemen en duurzame productieketens (EUR 41 miljoen) •Het Forest Carbon Partnership Facility (FCPF) van de Wereldbank stelt ontwikkelingslanden in staat om door middel van het tegengaan van ontbossing en bosdegradatie reductie van de CO2-uitstoot te bewerk-Aantal aansluitingen tot energie (Cumulatief)Aantal personen aangesloten tot energie200520062007200820092010201102.000.0004.000.0006.000.0008.000.00010.000.000Aantal personen aangesloten tot energieJaar 1 Zo ondersteunt Nederland de toegang tot efficiëntere vormen van energie via UNF en activiteiten van de Global Alliance for Clean Cookstoves.Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 271 stelligen. Dit levert bosrijke ontwikkelingslanden op den duur verhandelbare koolstofkredieten op. De voorgenomen Nederlandse bijdrage aan dit programma is EUR 6 miljoen. •Door bijdragen aan diverse instellingen, waaronder International Union for the Conservation of Nature (IUCN, EUR 3 miljoen) en de Organisatie van de Overeenkomst voor Amazonische Samenwerking (EUR 2 miljoen) wordt ondersteuning gegeven aan regionale samen-werking gericht op duurzaam gebruik van bosecosystemen •Via het European Forest Institute (EUR 1 miljoen) wordt een bijdrage geleverd aan het tegengaan van illegale houtkap door middel van de ontwikkeling van een licentiesysteem in diverse hout exporterende landen waaronder Indonesië, Ghana, en DR Congo. •De milieuprogramma’s in Bolivia, Guatemala, Mongolië, Suriname en de sectorale begrotingssteun in Colombia worden de komende jaren afgebouwd (EUR 10 miljoen). Internationaal milieubeleid en instrumenten (EUR 62 miljoen) •Via de Global Environment Facility (GEF, EUR 20 miljoen) wordt uitvoering gegeven aan de internationale milieuverdragen voor klimaatverandering, biodiversiteit, duurzaam landgebruik, interna-tionale wateren en niet-afbreekbare organische giftige stoffen. VN organisaties en ontwikkelingsbanken voeren op basis van nationale programma’s uit. De investeringen en activiteiten dragen bij aan verbetering van het milieubestuur en hebben een positieve invloed op het wereldwijde milieu. •Nederland draagt bij aan de zes thematische prioriteiten van United Nations Environment Program (UNEP, EUR 7,1 miljoen): klimaatveran-dering; rampen en conflicten; ecosysteem beheer; milieubestuur; schadelijke stoffen en gevaarlijk afval; duurzame consumptie en productie. UNEP heeft als doel het milieu te agenderen, milieu te integreren in het ontwikkelingsbeleid en in andere VN programma’s, milieuanalyses uit te voeren, beleidsadvies te geven en ondersteuning te bieden bij de implementatie van milieubeleid en -wetgeving. •De Commissie MER (Milieueffectrapportage) ondersteunt landen bij de uitvoering van de MER en toetst programma’s op milieueffecten (EUR 1,5 miljoen). •Met het oog op vermindering van schade aan ecosystemen worden kennisinstituten zoals het World Resources Institute ondersteund en worden publiek private partnerschappen (bedrijfsleven, kennisinstitu-ten, NGO’s) gefinancierd. •Via bilaterale milieuprogramma’s in een aantal partnerlanden (o.a. Ghana, Indonesië, Kenia) wordt bijgedragen aan de uitvoering van nationaal milieubeleid (EUR 12 miljoen). •De ondersteuning van de uitvoering van nationaal milieubeleid via bilaterale programma’s in Guatemala, Mongolië, Pakistan en Senegal wordt in de komende jaren afgebouwd (bijdrage in 2012 EUR 20 miljoen). Beleidsintrumenten •Nederlandse milieudiplomatie richt zich meer en meer op het verbeteren van de nationale en internationale coherentie met economisch-, handels-, landbouw- en visserijbeleid om de afgesproken milieudoelen te halen. Hiervoor wordt samengewerkt met andere departementen, met het bedrijfsleven en met maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen. •De Nederlandse Ambassadeur Duurzame Ontwikkeling zal in interna-tionale fora het Nederlandse duurzaamheidsbeleid uitdragen en Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 272 bruggen slaan naar publiek, bedrijfsleven en politiek. In 2012 zal een nieuwe VN-top over Milieu en Ontwikkeling in Brazilië moeten leiden tot hernieuwbare inzet en internationale samenwerking om de achteruitgang van ecosystemen en biodiversiteitsverlies te stoppen en klimaatverandering tegen te gaan. Operationele Doelstelling 6.2 Efficiënt en duurzaam watergebruik, veiliger delta’s en stroomge-bieden en verbeterde toegang tot drinkwater en sanitaire voorzieningen in ontwikkelingslanden Financiële instrumenten De totale inzet op het thema water bedraagt in 2012 ongeveer EUR 181 miljoen. Dit bedrag is als volgt verdeeld: Integraal waterbeheer (EUR 100 miljoen) •Het bilaterale programma (totale reservering 65 miljoen) in 2012 wordt op basis van meerjarige programmering in overleg met de ontvan-gende landen vorm gegeven, waarbij nadrukkelijk de link tussen landbouw, voedselzekerheid en duurzaam beheer van ecosystemen wordt gelegd. In vijf partnerlanden zal de samenwerking op het gebied van water worden geïntensiveerd, waarbij de uitgangspunten van het interdepartementale programma «Water Mondiaal» centraal staan. Dit betekent dat nauw wordt samengewerkt met bedrijven, kennisinstellin-gen en het maatschappelijk middenveld in Nederland en ontvangende landen. •Er zal een faciliteit worden gestart voor de financiering van publiek-private partnerschappen op het gebied van water (EUR 30 miljoen). In de bilaterale programma’s voor water en voedselzekerheid wordt specifiek aandacht geschonken aan de problematiek van klimaatveran-dering. •Via multilaterale kanalen worden activiteiten ondersteund ter verbetering van stroomgebied beheer en de noodzakelijke capaciteits-opbouw daaromtrent. Via de Wereldbank en de Aziatische Ontwikke-lingsbank worden trust funds gefinancierd, waaruit grensoverschrij-dend waterbeheer in belangrijke stroomgebieden (Nijl, Mekong, Ganges) wordt ondersteund (in totaal EUR 3 miljoen). •Ook wordt bijgedragen aan capaciteitsopbouw via ondersteuning van internationale programma’s van o.a. UNESCO-IHE (EUR 4 miljoen). Drinkwater en sanitatie (EUR 81 miljoen) •Het bilaterale, meerjarige programma op het gebied van drinkwater en sanitatie komt in overleg met de ontvangende landen tot stand. Bilaterale steun wordt zowel via sectorprogramma’s als via particuliere en/of non-gouvernementele organisaties verstrekt, bijvoorbeeld via de NGO Bangladesh Rural Advancement Committee (BRAC) en het Mozabikaanse National Urban Water Investment en Asset Holding Fund (FIPAG). In totaal wordt er EUR 30 miljoen geïnvesteerd in bilaterale programma’s in de lanen Bangladesh, Benin, Ethiopië, Indonesië en Kenia. De programma’s in Mongolië, Pakistan en Tanzania (in 2012 10 miljoen) worden afgebouwd. •Met multilaterale organisaties wordt gewerkt aan internationale agendering (bijvoorbeeld het Water and Sanitation Program/Wereldbank en Sanitation and Water for All/UNICEF), wereldwijde monitoring en ondersteuning van anti-corruptieprogramma’s (EUR 6 miljoen). Daarnaast worden met Nederlandse ondersteuning drinkwa-ter en sanitatie programma’s van UNICEF en UN-HABITAT op lokaal en Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 273 regionaal niveau uitgevoerd (EUR 12 miljoen). Via maatschappelijke organisaties wordt ingezet op bewustwording en versterking van maatschappelijke partners in het zuiden. Belangrijke partners zijn Simavi, Plan Nederland en de Water Supply and Sanitation Collabora-tive Council (Totaal EUR 10 miljoen). •In publiek-private partnerschappen (o.a. Aqua for All, Vitens Evides International) wordt de Nederlandse kennis en kunde van de brede watersector gebruikt om de capaciteit van lokale waterbedrijven te verbeteren (EUR 6 miljoen). Door NL inzet bereikte mensen met verbeterde toegang tot sanitaire voorzie-ningen200420052006200720082009201005.000.00010.000.00015.000.00020.000.00025.000.000Aantal bereikte mensenDoor NL inzet bereikte mensen met verbeterde toegang tot veilig drinkwaterAantal bereikte mensen200420052006200720082009201005.000.00010.000.00015.000.000Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 274 Door Nederlandse inzet hebben in de periode 2004–2010 20 miljoen mensen toegang tot sanitaire voorzieningen en 10 miljoen mensen toegang tot schoon drinkwater gekregen (zie de grafiek hierboven). De verwachting is dat in 2011 en 2012 deze aantallen voor zowel de sanitatie als drinkwater met 3 miljoen mensen per jaar zullen toenemen.Beleidsinstrumenten •Waterdiplomatie wordt ingezet om grensoverschrijdende conflicten gerelateerd aan water te voorkomen en te reguleren. Daarbij wordt samengewerkt met partners zoals het Water Governance Centre (WGC) en Clingendael, die beschikken over hoogwaardige kennis over water en bestuur. E. Budgettaire gevolgen van beleidBeleidsartikel 6 Duurzaam water- en milieubeheer Bedragen in EUR 1 000 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 Verplichtingen 183 158 213 466 591 027 438 414 301 882 165 349 165 349 Uitgaven: Programma-uitgaven totaal 363 521 418 846 430 620 459 280 500 243 499 360 499 110 6.1 Duurzaam milieuge-bruik wereldwijd 231 857 262 678 249 219 242 866 242 713 245 366 245 116 Juridisch verplicht 97% 85% 55% 42% 42% Overig verplicht 3% 15% 44% 56% 56% Beleidsmatig nog niet ingevuld 0% 0% 1% 2% 2% 6.2 Efficient en duurzaam watergebruik, veiliger delta’s en stroomge-bieden en verbeterde toegang tot drinkwater en sanitaire voorzie-ningen in ontwikkelingslanden/partnerlanden 131 664 156 168 181 401 216 414 257 530 253 994 253 994 Juridisch verplicht 61% 47% 25% 29% 29% Overig verplicht 39% 53% 75% 71% 71% Beleidsmatig nog niet ingevuld 0% 0% 0% 0% 0%Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 275 Beleidsartikel 7: Welzijn en veiligheid van Nederlanders in het buitenland en regulering van het personenverkeer Algemene doelstelling Het verlenen van bijstand aan Nederlanders in nood in het buitenland. De minister voert daarnaast activiteiten uit die ertoe bijdragen dat Neder-landers in het buitenland aan de benodigde (reis)documenten kunnen komen. De minister levert zijn bijdrage aan een gereguleerd personen-verkeer door visa af te geven, ambtsberichten te schrijven over de situatie in bepaalde landen en de samenwerking te faciliteren met niet-EU-staten op het punt van migratie. Rol en verantwoordelijkheid Resultaatverantwoordelijk voor: •Visumbeleid kort verblijf van het Koninkrijk der NederlandenIndicator als resultaatverantwoordelijke: Indicator Realisatie 01.04.10 t/m 31.03.11 Streefwaarde 2011 Streefwaarde 2012 Percentage visumaanvragen kort verblijf dat binnen 15 dagen wordt afgehandeld 81% 75% 75%Bron: ministerie van Buitenlandse Zaken Voor het Schengengebied is de standaard die door de EU visumcode (gestart per 5.4 2010) wordt gehanteerd 15 dagen. Deze periode kan in bijzondere gevallen worden verlengd tot 60 dagen. Over de periode van 1 april 2010 t/m 31 maart 2011 is het gerealiseerde percentage 81,24%. Echter, gezien regionalisering en bezuinigingsmaatregelen zal dit percentage in 2012 niet te realiseren zijn en is gekozen de streefwaarde van 75% voor 2012 te handhaven. NB: De doorlooptijd is het aantal dagen dat zit tussen het indienen van een ontvankelijke visumaanvraag tot aan het moment van bekendmaken of uitreiken van de beslissing op de aanvraag. Procesverantwoordelijk voor: •de bijstand aan Nederlanders in nood in het buitenland •gedetineerdenbegeleiding •uitbrengen van reisadviezen •crisisbeheersing Procentuele verdeling uitgaven 2012 per operationele doelstelling59%41%7.1 Consulaire dienstverlening aan Nederlanders in het buitenland 59%7.2 Samen met (keten) partners het personenverkeer reguleren 41%Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 276 •de afgifte van Nederlandse reisdocumenten in het buitenland en van diplomatieke en dienstpaspoorten •de afgifte van consulaire akten •de afgifte van machtigingen voorlopig verblijf (MVV’s) •de afname van inburgeringsexamens buitenland Faciliterende rol bij/in: •het terugkeer- en herintegratiebeleid van vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf in Nederland. •de brede samenwerking met niet-EU-staten op het vlak van asiel en migratie. Beleidstheorie Nederlanders in het buitenland krijgen bijstand in situaties waar zij zichzelf niet kunnen helpen of niet door anderen kunnen worden geholpen. Het gaat daarbij om zaken als evacuaties in crisissituaties, bijstand aan gedetineerden en het afgeven van nooddocumenten. Daarnaast speelt de Minister een rol in de regulering van het personen-verkeer van vreemdelingen naar en van Nederland. De belangrijkste activiteiten op dit terrein zijn de afgifte van visa, het afnemen van inburgeringsexamens en het legaliseren van documenten. Ook worden ambtsberichten uitgebracht en wordt de samenwerking met niet-EU-staten gefaciliteerd bij o.m. terugkeer en herintegratie van niet tot Nederland toegelaten migranten en de opvang en bescherming van vluchtelingen in de regio. Er wordt samengewerkt met een groot aantal binnen- en buitenlandse partners. In de meeste gevallen is sprake van rechtstreekse dienstverlening aan de individuele burger. De afgifte van visa vindt plaats in het kader van de Schengenovereenkomst. Omschrijving aantal 2007 aantal 2008 aantal 2009 aantal 2010 Reisdocumenten 167 368 158 352 176 278 169 432 Consulaire bemiddeling ongeval en ziekte 343 363 419 446 Consulaire bemiddeling overlijden 387 441 469 517 Consulaire bemiddeling overlijden tgv misdrijf 18 40 17 34 Consulaire bemiddeling misdrijf zonder overlijden 303 399 330 363 Consulaire bemiddeling welstand en vermissing 331 440 351 405 Consulaire bijstand algemeen 1 1 382 1 683 1 586 1 765 Reclassering Nederland bezoeken 7 389 6 422 7 025 6 000 Epafras bezoeken 1 413 1 679 1 616 1 951 BZ bezoeken gedetineerden 6 950 6 106 6 058 4 616 2 Totaal bezoeken gedetineerden 15 752 14 207 14 699 12 567 Alleen MVV’s 31 748 38 532 37 339 40 839 Visumaanvragen niet MVV 429 250 405 377 363 518 397 570 Visumaanvragen (incl. MVV) 460 998 443 909 400 857 438 409 Documentenlegalisaties 136 374 151 745 153 259 156 837 Verificaties 206 191 214 124 Inburgeringsexamens 8 500 8 100 9 186 10 141 Individuele ambtsberichten 250 132 68 46 Algemene ambtsberichten 26 26 27 23 Hervestiging 500 544 509 484 Terugkeer (met financiële bijstand aan de vreemdelingen) - - - 1 000 Terugkeer (zonder financiële bijstand aan de vreemdeling) - - - 150 Beroep-/Bezwaarschriften BZ 645 473 537 6121 Betreft de 5 meest voorkomende categorieën consulaire bijstand 2 Betreft periode 01.04 2010 t/m 31.3 2011 Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 277 C. Beleidswijzigingen •Nadruk bij consulaire bijstand komt te liggen op de eigen verantwoor-delijkheid. Het accent ligt meer dan voorheen op noodgevallen en/of schrijnende gevallen. •Hulp aan gedetineerden voor wie de doodstraf dreigt, wordt geïntensi-veerd. •Een robuustere crisisrespons in het geval van crises in het buitenland. •Meer aandacht voor zorg aan Nederlanders na crisissituaties, in samenwerking met gespecialiseerde organisaties. •Geldigheidsduur paspoorten wordt verlengd tot 10 jaar. •Leges voor reisdocumenten welke worden afgegeven op de Neder-landse posten in het buitenland, worden verhoogd tot kostendekkend niveau. •Extra inzet op de thema’s duurzame terugkeer, opvang en herintegratie van alleenstaande minderjarige vreemdelingen, duurzame terugkeer van gezinnen met minderjarige kinderen, en opvang en bescherming van vluchtelingen in de regio1. •Gestreefd wordt, vooruitlopend op mogelijke overdracht van consu-laire taken naar EDEO, met een aantal gelijkgezinde EU-partners pilots te starten op het gebied van consulaire diensten. •Digitalisering van de processen voor aanvraag en behandeling van visa en paspoorten. •Regionalisering van consulaire back office-taken van de posten (de grote dan wel risicovolle consulaire posten uitgezonderd) in een tiental regiokantoren om de kwaliteit en efficiency van de consulaire processen te verbeteren. Met deze maatregelen wordt beoogd de consulaire functie moderner, gerichter en efficiënter te maken. Verwezen wordt naar de brieven van de Minister in zake consulaire dienstverlening2 , de IOB doorlichting3 , gedetineerdenbegeleiding4 , en migratie en ontwikkeling5 . D. Operationele doelstellingen Operationele doelstelling 7.1 Op basis van eigen verantwoordelijkheid consulaire dienstver-lening bieden aan Nederlanders in het buitenland. Financiële instrumenten •Verlenen van consulaire bijstand aan Nederlanders. Hiervoor is een budget beschikbaar van EUR 0,3 miljoen. •Gedetineerdenbegeleiding inclusief maandelijkse gift van EUR 30 aan gedetineerden buiten Europa en bijdragen aan Epafras en Reclassering Nederland. (financiële inzet EUR 2 miljoen) •Consulaire informatiesystemen om de primaire consulaire processen te kunnen afhandelen. De verwachte kosten hiervoor zijn EUR 7 miljoen. •Inkoop van reisdocumenten ten behoeve van afgifte in het buitenland. (EUR 4 miljoen) •Houden van opleidingen gericht om de consulaire werkprocessen te optimaliseren. (EUR 0,5 miljoen) Beleidsinstrumenten •Verlenen van niet-financiële consulaire bijstand aan Nederlanders in nood en/of schrijnende gevallen. 1 Zie ook brief Tweede Kamer 2010–2011 Kamerstuk 30 573, nr. 74. 2 Kamerbrief inzake consulaire dienstver-lening van 30 juni 2011 met kenmerk DCM-024/2011 3 Kamerbrief inzake Consulaire dienstver-lening doorgelicht 2007–2010 van 30 juni 2011 met kenmerk DCM-038/2011 4 Kamerbrief inzake Jaarlijkse rapportage over Nederlandse gedetineerden in het buitenland (motie Pechtold 32 500-V, nr. 137) van 30 juni 201, kenmerk DCM/CA-058/2011. 5 Kamerbrief inzake Internationale Migratie en Ontwikkeling van 10 juni 2011 Kamerstuk 30 573, nr. 74.Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 278 •Adviseren en ondersteunen van Nederlandse gedetineerden tijdens lokale rechtsgang en na hun veroordeling. •(Stille) diplomatie met oog op eerlijke rechtsgang voor Nederlandse gedetineerden. •Verstrekken van reisadviezen. •Organiseren, waar mogelijk met partnerlanden, van evacuaties en bijstaan van Nederlanders in geval van crises. •Verstrekken van reisdocumenten en opmaken van consulaire akten. Operationele doelstelling 7.2 Samen met (keten)partners het personenverkeer reguleren Financiële instrumenten •Subsidies aan niet-gouvernementele organisaties op het gebied van migratie en ontwikkeling. (EUR 9 miljoen) •Bijdragen aan nationale en internationale organisaties op gebied van migratie en terugkeer. (EUR 0,6 miljoen) •Consulaire informatiesystemen om de primaire consulaire processen te kunnen afhandelen. De kosten voor deze systemen zijn opgenomen onder operationele doelstelling 7.1. Niet financiële instrumenten •Verstrekken van visa kort verblijf. •Inname van aanvragen voor MVV’s •Afnemen van inburgeringsexamens. •Verrichten van legalisaties en uitvoeren van verificatieonderzoeken. •Schrijven van algemene en individuele ambtsberichten voor besluit-vorming door IND inzake toelating van asielzoekers. •Diplomatie voor het bemiddelen bij terugkeer van vreemdelingen zonderrechtmatig verblijf. Samenwerking met instanties in en buiten Nederland, de EU en internationale organisaties. Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 279 E. Budgettaire gevolgen van beleidBeleidsartikel 7 Welzijn en veiligheid van Nederlanders in het buitenland en regulering van het personenverkeer Bedragen in EUR 1 000 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 Verplichtingen 29 976 27 653 25 014 25 014 25 014 25 014 25 014 Uitgaven: Programma-uitgaven totaal 25 845 27 291 25 014 25 014 25 014 25 014 25 014 7.1 Op basis van eigen verantwoordelijkheid consulaire dienstver-lening bieden aan Nederlanders in het buitenland 19 522 17 026 14 809 14 809 14 809 14 809 14 809 Juridisch verplicht 31% 21% 19% 19% 19% Overig verplicht 51% 61% 59% 56% 56% Beleidsmatig nog niet ingevuld 18% 18% 22% 25% 25% 7.2 Samen met (keten) partners het personen-verkeer reguleren 6 323 10 265 10 205 10 205 10 205 10 205 10 205 Juridisch verplicht 28% 7% 3% 1% 1% Overig verplicht 8% 11% 8% 8% 8% Beleidsmatig nog niet ingevuld 64% 82% 89% 91% 91% Ontvangsten 41 789 39 450 39 450 41 300 41 300 41 300 41 300 7.10 Consulaire dienstver-lening 41 789 39 450 39 450 41 300 41 300 41 300 41 300Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 280 Beleidsartikel 8: Versterkt cultureel profiel en positieve beeld-vorming in en buiten Nederland A. Algemene doelstelling De inzet op de internationale belangen van Nederland en Nederlanders is de basis van de communicatieactiviteiten van het ministerie van Buiten-landse Zaken, in binnen- en buitenland. Met culturele diplomatie wordt de Nederlandse positie in het buitenland versterkt, zowel in cultureel, buitenlandpolitiek als economisch opzicht. B. Rol en verantwoordelijkheid Regiefunctie De uitvoering van het Internationaal Cultuurbeleid (ICB) is een gedeelde verantwoordelijkheid van de minister van Buitenlandse Zaken en de staatssecretaris van OCW. In de huidige regering is het ICB onderdeel van de portefeuille van de Minister van Buitenlandse Zaken. Communicatie over het buitenlandbeleid is de primaire verantwoordelijkheid van Buitenlandse Zaken. Beeldvorming over Nederland raakt regeringsbrede onderwerpen. Buitenlandse Zaken werkt dan ook nauw met andere departementen samen om een realistisch beeld over Nederland in het buitenland uit te dragen. De minister is verantwoordelijk voor: •Het communicatie- en mediabeleid van het ministerie van Buiten-landse Zaken en de coördinatie van de communicatie over de beleidsterreinen van Buitenlandse Zaken, waaronder Ontwikkelingssa-menwerking en Europese Zaken. De communicatie is hierbij altijd gericht op de inhoud van beleid. •Aansturing van de posten en van de culturele instituten in Parijs en Jakarta. •Verdeling van publieksdiplomatie- en cultuurmiddelen over de posten. •Financiering voor grootschalige manifestaties in het buitenland. •Buitenlandse Bezoekersprogramma’s. •Synergie tussen cultuur en het buitenlandpolitieke en economisch beleid. •Ondersteuning van cultuur in ontwikkelingslanden. Procentuele verdeling uitgaven 2012 per operationele doelstelling25%22%53%8.1 Grotere buitenlandse bekendheid Nederlandse cultuur 25%8.2 Een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor internationale organisatiesin Nederland 22%8.3 Vergroten draagvlak Nederlands buitenland beleid 53%Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 281 •Het bestendigen van Den Haag als goede vestigingsstad voor internationale organisaties, in goede samenwerking met andere betrokkenen, zoals de gemeente Den Haag. De minister is samen met de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen ook verantwoordelijk voor: •Beleidsvorming en uitvoering ten aanzien van het Internationaal Cultuurbeleid. •De promotie van Nederlandse kunst in het buitenland (in het bijzonder Nederlands topsegment) en identificatie van internationale kansen en ontwikkelingen voor de Nederlandse culturele sector. •Aansturing van het Nederlands-Vlaams Huis «deBuren». •Afstemming met de SICA, fondsen en sectorinstituten over interna-tionale activiteiten. De algemene aansturing van fondsen en sectorin-stituten is de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris OCW. •Beleidsvorming en uitvoering op het gebied van Gemeenschappelijk Cultureel Erfgoed. Beleidstheorie Een belangrijke rol is weggelegd voor de contacten met de media middels actief nieuwsmanagement. De media zijn immers de grootste multiplier en brengen kennis en informatie over buitenlandbeleid tot in de huiskamer van de burger. Buitenlandse Zaken maakt in toenemende mate gebruik van nieuwe media: online-informatie via rijksoverheid.nl en de sites van de Nederlandse ambassades, maar ook van sociale media zoals Facebook, Twitter en LinkedIn. Buitenlandse Zaken hecht aan dialoog met de Nederlander en ontvangt daarom regelmatig groepen studenten en andere geïnteresseerden op het departement. Diplomaten en ambassadeurs worden ondersteund de burger in Nederland op te zoeken en met hen het debat over buitenland-beleid aan te gaan. Strategische beleidscommunicatie vindt niet alleen in Nederland plaats, maar speelt ook een grote rol in het behalen van onze doelen op het terrein van buitenlands beleid in het buitenland. Democrati-sering van beleid en de razendsnelle opkomst van nieuwe media zorgen er wereldwijd voor dat niet-statelijke actoren een steeds prominentere rol spelen. Diplomatie beperkt zich allang niet meer tot het klassieke interstatelijke verkeer. Ook in het buitenland betekent dit dialoog met media, ngo’s, academici en bijvoorbeeld het bedrijfsleven. De term publieksdiplomatie wordt door het ministerie van Buitenlandse Zaken gebruikt als overkoepelende term voor communicatie met buitenlandse doelgroepen en is gebaseerd op het aangaan van samenwerking en dialoog. Publieksdiplomatie is een taak van alle diplomaten. Duiding is nodig op die dossiers die vragen oproepen in het buitenland, bijvoorbeeld rond ethische kwesties als abortus of het homohuwelijk, een mogelijk verbod op ritueel slachten of een boerkaverbod. Nederland is een sterk merk. Het is daarom zaak alert te blijven op ontwikkelingen in binnen- en buitenland die afbreuk kunnen doen aan dit sterke imago. In zijn publieksdiplomatie richt Buitenlandse Zaken zich dan ook op die thema’s waar Nederland aantoonbare relevantie heeft in de wereld, zoals water bijvoorbeeld of innovatie. Diplomatie is ook luisteren naar schrijvers, filmers, kunstenaars en bloggers om te weten wat er in een samenleving speelt. Met kunst en cultuur is het mogelijk om verschillende doelgroepen aan te spreken en nieuwe vormen van media te bedienen waardoor internationale beleids-Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 282 doelstellingen effectiever kunnen worden bereikt. Via cultuur worden vriendschappelijke banden met landen aangehaald en krijgt gemeen-schappelijke geschiedenis een nieuwe dynamiek. Culturele netwerken zijn dan ook van positieve waarde voor de internationale betrekkingen. Bovendien staat Nederlandse kunst in het buitenland hoog aange-schreven. Dit is niet alleen voor het imago van Nederland, maar ook voor onze economie van belang. Culturele diplomatie wordt kosteneffectief ingezet: bij de ondersteuning van culturele activiteiten in het buitenland wordt nauw samengewerkt met lokale partners, die doorgaans het leeuwendeel van de kosten op zich nemen C. Beleidswijzigingen De prioriteiten van ICB hangen samen met de prioriteiten in het regeerak-koord en zijn nader uitgewerkt in de paragraaf «internationalisering» van de kamerbrief over het nieuwe cultuurstelsel.1 Het internationaal cultuurbeleid sluit aan bij het uitgangspunt van de regering om het economisch belang meer centraal te stellen. Het internationale verkeer neemt toe, markten raken steeds meer verweven, goederen en diensten bewegen zich steeds sneller over de wereld. Dit biedt Nederlandse culturele instellingen kansen om hun markt te verruimen. Die kansen liggen vooral bij de ons omringende landen en opkomende economieën. Daarnaast draagt het internationaal cultuurbeleid bij aan de bredere belangen van het buitenlandbeleid. De doelen voor het internationaal cultuurbeleid voor de komende periode zijn: •een internationaal niveau van Nederlandse topinstellingen, door gerichte keuzes binnen de culturele basisinfrastructuur; •het blijven versterken van de internationale marktpositie van Neder-landse kunstenaars en instellingen •versterken van het Nederlands economisch belang, door verbanden tussen cultuur, handel en economie te benadrukken. •culturele diplomatie: kunst en cultuur benutten voor buitenlandse betrekkingen. Naast deze sectorale focus is opnieuw gekeken naar de geografische focus van het internationaal cultuurbeleid. Voor de komende subsidiepe-riode zal deze komen te liggen op Duitsland, Frankrijk, België (Vlaan-deren), Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten, Italië, Spanje, Brazilië, Turkije, Rusland, China, India, Zuid-Afrika, Indonesië en Japan. Voorts zal de culturele samenwerking met de Arabische regio en Centraal- en Oost-Europa worden gestimuleerd. Eén van de prioriteiten van het internationaal cultuurbeleid is de promotie van Nederlandse creatieve industrie in landen waar zich bijzondere kansen voordoen. Tot 2012 zetten brancheverenigingen, fondsen en de ministeries van OCW, EL&I en BZ strategisch in op de sectoren design, mode en architectuur in een beperkt aantal landen. Zij hebben daarvoor het programma DutchDFA in het leven geroepen. Het kabinet gaat bekijken of samen met brancheverenigingen ook na 2012 gericht kan worden ingezet op creatieve sectoren, vooral in landen die zowel uit cultureel als uit economisch oogpunt interessant zijn. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de ervaring met het programma DutchDFA en de aanbevelingen van het topteam creatieve industrie.2 Het Europafonds, waarvoor in 2011 2,3 miljoen euro was gereserveerd, zal niet worden voortgezet. Deze regering is van mening dat een subsidie-fonds niet het aangewezen middel is om het debat onder het Nederlandse 1 Nota Meer dan kwaliteit: een nieuwe visie op cultuurbeleid, Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011 32 820. 2 Dit topteam brengt advies uit aan de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 283 publiek over Europa te stimuleren1. D. Operationele doelstellingen Operationele doelstelling 8.1 Grotere buitenlandse bekendheid met de Nederlandse cultuur Financiële instrumenten: •SICA (sector overstijgende organisatie voor uitvoering van ICB met een belangrijke netwerk- en informatiefunctie) ontvangt ca. EUR 1 miljoen van OCW en Buitenlandse Zaken gezamenlijk. •Voor activiteiten van het programma DutchDFA (design, mode en architectuur) stellen de ministeries van BZ, EL&I en OCW elk EUR 1 miljoen per jaar beschikbaar gedurende vier jaar (2009–2012). •Het Ministerie van Buitenlandse Zaken en het Ministerie van OCW stellen gezamenlijk in totaal EUR 2 miljoen per jaar beschikbaar voor Gemeenschappelijk Cultureel Erfgoed. Daarvan is EUR 1 miljoen gedelegeerd aan de ambassades in acht prioriteitslanden en EUR 1 miljoen aan het Nationaal Archief en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. •Voor het Buitenlands Bezoekersprogramma is EUR 0,4 miljoen beschikbaar. •De coördinatie van de culturele component van de bilaterale vieringen met Turkije in 2012 en Rusland in 2013 ligt bij de SICA. Voor Turkije 2012 en Rusland 2013 is thans totaal EUR 1,5 miljoen beschikbaar. •Voor culturele activiteiten in ontwikkelingslanden en uitwisseling is een bedrag van ca. 8 miljoen euro beschikbaar, dat deels via ambassa-des in partnerlanden wordt ingezet en deels via Nederlandse cultuur- en ontwikkelingsorganisaties, zoals het Prins Clausfonds, het Hubert Bals Fonds en het Jan Vrijman Fonds. Operationele doelstelling 8.2 Een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor internationale organi-saties in Nederland Financiële instrumenten •Nederlandse bijdrage van EUR 3,6 miljoen aan de huur van het in Nederland gevestigde Libanon-Tribunaal. •Nederlandse bijdrage van EUR 11,6 miljoen aan het Internationaal Strafhof (jaarlijkse contributie en kosten die gemoeid zijn met de voorbereidingen voor de nieuwbouw) •Nederlandse bijdrage van EUR 4,8 miljoen aan de Carnegiestichting tbv de instandhouding van het Vredespaleis (zetel International Gerechtshof en Permanent Hof van Arbitrage) •Nederlandse bijdrage van EUR 175 000 aan de bedrijfsvoering en huur van het kantoor van de Hoge Commissaris voor de Nationale Minder-heden Beleidsinstrumenten •Inzet binnen de NAVO voor het behoud van het Joint Forces Command in Brunssum en het NAVO C3 Agentschap in Den Haag •Begeleiden van de geleidelijke afbouw en afwikkeling van de taken van het Speciale Hof voor Sierra Leone en van het Joegoslavië-Tribunaal, onder andere door faciliteren van een soepele uitstroom van expat- en Nederlands personeel •Praktische en juridische voorbereiding van de vestiging in Den Haag van de residual mechanisms voor het Joegoslavië-Tribunaal en het 1 Zie Kamerstuk 32 502 nr. 18.Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 284 Rwanda-Tribunaal en het Speciale Hof voor Sierra Leone, door het opstellen van een zetelverdrag voor deze nieuwe instellingen en begeleiding bij het realiseren van geschikte huisvesting •Begeleiding bij het realiseren van geschikte huisvesting van het Internationaal Strafhof en Eurojust •Opstellen van een zetelverdrag voor het European Air Transport Command •Praktisch uitvoering geven aan de zetelovereenkomsten met, en andere internationaalrechtelijke verplichtingen ten opzichte van de in Nederland gevestigde internationale organisaties •Logistieke ondersteuning van de in Nederland gevestigde internatio-naal juridische instellingen, onder andere met gevangenisruimte, beveiliging en medewerking bij het in- en uitreizen van verdachten en getuigen •Coördinatie met andere departementen, uitvoerende diensten en decentrale overheden en regelmatig overleg met de internationale organisaties zelf Operationele doelstelling 8.3 Vergroten van begrip en/of steun voor Nederlandse zienswijzen, standpunten en beleid in het buitenland en het versterken van het draagvlak in eigen land voor het buitenlandbeleid. Financiële instrumenten De totale financiële inzet bedraagt ca. EUR 43 miljoen. •Via strategische beleidscommunicatie richt Buitenlandse Zaken zich op die doelgroepen die van belang zijn bij het ontwikkelen, bereiken en uitdragen van beleidsdoelstellingen op het terrein van buitenlandbe-leid. Buitenlandse Zaken gelooft niet in groots opgezette, dure publiekscampagnes om draagvlak te creëren onder het Nederlands publiek. In plaats daarvan worden communicatie-inspanningen gericht ingezet, middels dialoog met NGO’s, de academische wereld en bijvoorbeeld het bedrijfsleven. Een belangrijke rol is daarbij weggelegd voor de media. Daarnaast worden online kanalen ingezet, zoals internet en Facebook. In totaal is EUR 5,5 miljoen geserveerd voor strategische beleidscommunicatie. •Voor voorlichting op het terrein van ontwikkelingssamenwerking is ongeveer EUR 18 miljoen beschikbaar. •Voor de communicatie met de Nederlandse burger over Europese samenwerking is EUR 0,7 miljoen gereserveerd. Dit staat los van de al aangegane verplichtingen voor de nog lopende projecten uit het Europafonds over 2012 (totaal zo’n EUR 0,5 miljoen). •In totaal is EUR 8 miljoen beschikbaar voor publieksdiplomatie, waarmee Nederlandse ambassades activiteiten op het gebied strategische beleidscommunicatie, beeldvorming over Nederland en internationaal cultuurbeleid kunnen ondersteunen of opstarten. •Instituut Clingendael ontvangt een subsidie van zo’n EUR 2,9 miljoen. •EUR 1,7 miljoen is bestemd voor staatsbezoeken. •Voor het Programmafonds Ondersteuning Buitenlands Beleid (POBB algemeen) is een budget beschikbaar van EUR 3,7 miljoen. Hieruit worden eenmalige activiteiten gefinancierd ter ondersteuning van de doelstellingen van het Nederlandse buitenlandbeleid. Beleidsinstrumenten •In Nederland versterking van de mondiale dimensie van burgerschap door kennis en advies ter beschikking te stellen. Verbinding met Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 285 burgerschap op nationaal niveau en een betere aansluiting op de bredere context van internationale en ontwikkelingssamenwerking.» E. Budgettaire gevolgen van beleidBeleidsartikel 8 Versterkt cultureel profiel en positieve beeldvorming in en buiten Nederland Bedragen in EUR 1 000 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 Verplichtingen 105 638 45 502 46 019 45 404 43 298 40 798 40 798 Uitgaven: Programma-uitgaven totaal 87 268 100 447 81 892 66 454 57 748 55 248 55 248 8.1 Grotere buitenlandse bekendheid met de Nederlandse cultuur 23 944 23 710 20 418 19 189 17 901 17 401 17 401 Juridisch verplicht 86% 69% 70% 71% 71% Overig verplicht 14% 31% 21% 20% 20% Beleidsmatig nog niet ingevuld 0% 0% 9% 9% 9% 8.2 Een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor internationale organisaties in Nederland 14 133 21 800 17 775 7 775 4 175 4 175 4 175 Juridisch verplicht 100% 100% 100% 100% 100% Overig verplicht 0% 0% 0% 0% 0% Beleidsmatig nog niet ingevuld 0% 0% 0% 0% 0% 8.3 Vergroten van begrip en/of steun voor Nederlandse ziens-wijzen, standpunten en beleid in het buitenland en het versterken van het draagvlak in eigen land voor het buiten-landbeleid 49 191 54 937 43 699 39 490 35 672 33 672 33 672 Juridisch verplicht 80% 50% 44% 7% 7% Overig verplicht 11% 36% 38% 77% 77% Beleidsmatig nog niet ingevuld 9% 14% 18% 16% 16% Ontvangsten 922 790 790 790 790 790 790 8.10 Doorberekening Defensie diversen 922 790 790 790 790 790 790Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 286 Niet-Beleidsartikel 9: Geheim Op dit artikel worden geheime uitgaven verantwoord.Niet-beleidsartikel 9 Geheim Bedragen in EUR 1 000 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 Verplichtingen 0 0 pm pm pm pm pm Uitgaven 27 123 pm pm pm pm pmTweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 287 Niet-Beleidsartikel 10: Nominaal en Onvoorzien Op dit artikel worden de uitgaven verantwoord die samenhangen met de HGIS-indexering en onvoorziene uitgaven.Niet-beleidsartikel 10 Nominaal en onvoorzien Bedragen in EUR 1 000 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 Verplichtingen 5 36 416 65 429 25 713 120 616 178 703 130 890 Uitgaven: Uitgaven totaal 5 36 416 65 429 25 713 120 616 178 703 130 890 10.1 Nominaal en onvoorzien 5 34 472 63 535 25 713 120 616 178 703 130 890Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 288 Niet-Beleidsartikel 11: Algemeen Personele en materiële uitgaven: Dit artikel behandelt de apparaatsuitgaven van zowel het postennetwerk als het departement in Den Haag, exclusief de uitgaven voor vak-attachés van andere ministeries. Het omvat de verplichtingen voor- en uitgaven aan het ambtelijk personeel, de overige personele uitgaven en het materieel. •Het ambtelijk personeel betreft de algemene leiding van het departe-ment (inclusief de ministers en de staatssecretaris), de beleidsdirecties, de ondersteunende diensten, het uitgezonden personeel op de ambassades, inclusief themadeskundigen en het lokaal aangenomen personeel op de ambassades. •Ook worden in dit artikel de buitenlandvergoedingen aan uitgezonden personeel, overige vergoedingen, diverse overige personele uitgaven en de uitgaven voor het post actieve personeel verantwoord. •De materiële uitgaven hebben betrekking op de uitgaven voor de exploitatie van en investeringen in het departement in Den Haag en de vertegenwoordigingen in het buitenland. •Hieronder vallen onder andere de verplichtingen en uitgaven voor huur van kanselarijen, residenties, personeelswoningen en het gebouw in Den Haag, beveiligingsmaatregelen, automatisering en communicatiemiddelen, klein onderhoud en bouwkundige projecten. Op de personele en materiële kosten zijn jaarlijks loon-, prijs-, en koersontwikkelingen van toepassing. Deze ontwikkelingen dekt Buiten-landse Zaken af binnen de daarvoor in de HGIS getroffen voorziening (zie artikel 10). Loonkostenstijgingen vloeien vooral voort uit afgesloten CAO’s; de prijsstijgingen waarmee Buitenlandse Zaken te maken heeft passen binnen het kader van algehele (mondiale) inflatie. Daarnaast spelen koersfluctuaties tussen vooral de Euro en de Amerikaanse dollar een belangrijke rol. Verdeling apparaatsuitgaven naar beleid De minister van Financiën heeft de Kamer toegezegd om te bezien hoe de apparaatsuitgaven indicatief kunnen worden verdeeld over de beleidsarti-kelen. Bij de verdeling van de apparaatsuitgaven hieronder wordt onderscheid gemaakt per thema en tussen de uitgaven voor posten in het buitenland en het kernministerie. Van de totale apparaatskosten van EUR 739,2 miljoen in 2012 kan ca. EUR 234 miljoen toe worden gerekend aan het kernministerie. Bij de verdeling van deze kosten hieronder is het aantal fte’s per directoraat generaal (consulair en bedrijfsvoering is één directoraat generaal) toe te rekenen. Het restant (EUR 504 miljoen.) zijn uitgaven die toegerekend kunnen worden aan het postennetwerk. Omdat in 2010 een inventarisatie heeft plaatsgevonden over de thematische invulling van de personele inzet op de post is het mogelijk een schatting te maken van de kosten van het postennetwerk op een aantal terreinen (stand 2010). Deze categorieën zijn: economie, cultuur, politiek, ontwikke-lingssamenwerking, management, consulair en beheer. In onderstaand overzichten is schematisch de verdeling opgenomen. Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 289 Uitwerking regeerakkoord: In het regeerakkoord is, als onderdeel van de bezuinigingen, afgesproken om een kleinere overheid te realiseren. Onderdeel hiervan is een taakstelling op het Rijk. Inclusief de laatste taakstelling van de regering Balkenende IV dient Buitenlandse Zaken (inclusief het postennetwerk) oplopend tot 2015 EUR 74 miljoen te besparen op personele en materiële kosten. Daar boven op dient ruimte te worden gemaakt voor door de regering gewenste intensiveringen en flankerend beleid. Omdat er sprake is van bezuinigingen op het postennetwerk dragen ook andere departe-menten bij aan de taakstelling, voornamelijk via het attaché netwerk op de posten. Met ingang van begrotingjaar 2012 worden de effecten van de hieronder genoemde maatregelen merkbaar. Het grootste deel van de bezuinigingen (EUR 55 miljoen in 2015) wordt behaald op het postennetwerk. In de Kamerbrief Modernisering Diplo-matie is een aantal maatregelen opgenomen die leiden tot een efficiënter en goedkoper postennetwerk, alsook tot meer flexibiliteit. Het posten-netwerk zal hierdoor beter toegerust zijn voor de eisen van deze tijd. Verdeling apparaatskosten kernministerie EURO 234 miljoen30183323131DG Internationale SamenwerkingDG Europese SamenwerkingDG Politieke ZakenConsulaire ZakenBedrijfsvoeringVerdeling apparaatskosten posten EURO 504 miljoen166732359605468BeheerConsulairCultuurEconomieManagementOSPolitiekTweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 290 •Als onderdeel van herstructurering van het postennetwerk worden tien posten gesloten. •Administratieve en consulaire ondersteunende diensten worden geconcentreerd in een aantal regiokantoren. Door deze schaalvergro-ting ontstaat meer efficiency en kennisborging. •Zoals in de focusbrief Ontwikkelingssamenwerking is opgenomen zal het aantal partnerlanden teruggebracht wordt tot 15. Hierdoor vermindert het aantal medewerkers belast met ontwikkelingssamen-werking. •Door focus, dynamisering en flexibilisering zal het aantal medewerkers op posten, inclusief attachés van vakministeries, verminderen. •In enkele gevallen zal worden geïntensiveerd. Dit in het bijzonder op het gebied van economische diplomatie en expertise op OS-thema’s. •Om de economische belangen van Nederland in opkomende markten te ondersteunen wordt gestreefd naar opening van een tweetal posten geopend. •Ten slotte draagt versobering van arbeidsvoorwaarden voor personeel in het buitenland, van huisvesting voor personeel en van kantoor-ruimte ook bij aan het verminderen van uitgaven. De maatregelen binnen het postennetwerk hebben ook invloed op het kernministerie (EUR 19 miljoen in 2015). Hierdoor zal het aantal fte’s afnemen en worden directies samengevoegd. Verder draagt ook rijks-brede samenwerking bij aan de taakstelling. Bepaalde diensten worden gecentraliseerd waardoor een efficiencybesparing mogelijk is. Ten slotte zal op een aantal terreinen ook een versobering plaatsvinden. Hierbij valt te denken aan representatie en dienstreizen.Budgettaire verdeling van de taakstelling Kleinere overheid in miljoen EURO Omschrijving 2012 2013 2014 2015 2016 Struc. Kleinere overheid Taakstelling Rijk, Agentschappen en uitvoerende ZBO’s* 7 25 55 74 77 85 waarvan: – Taakstelling Balkenende IV 7 7 7 7 7 7 – Efficiencykorting personeel en materieel (generieke deel) 0 7 14 21 23 25 – Aanvullende korting (additionele deel, indien van toepassing) 0 11 34 46 47 53* Inclusief taakstelling Balkenende IV (motie Koolmees)Detacheringen: BZ werkt nauw samen met zowel andere ministeries als nationale en internationale publieke en private partijen. In dit kader voert het Ministerie een actief detacheringsbeleid, waarbij ambtenaren voor bepaalde tijd actief zijn bij partnerorganisaties en medewerkers van elders de kans wordt geboden om voor het Ministerie werkzaam te zijn. Dit al dan niet in de vorm van uitwisseling van personeel. Hoewel er, mede door de bezuinigingen, beperkingen zijn wat betreft beschikbaarheid van medewerkers/middelen en het daardoor niet mogelijk is om aan alle detacheringsverzoeken om te voldoen, zal het Ministerie voorstellen voor nieuwe detacheringen (inclusief niet statelijke actoren) welwillend bezien1. 1 Toezegging van de minister tijdens het AO modernisering Nederlandse diplomatie (31-05-2011)Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 291 Bijdrage aan Shared Service Organisatie (SSO) in miljoen EURO SSO 2012 2013 2014 2015 2016 P-direct 0,3 0,3 0,3 0,3 0,3 FMHaaglanden 11,0 10,5 10,0 10,0 10,0 Doc-direct 2,8 2,8 2,8 2,8 2,8 Werkmaatschappij 4,0 4,0 4,0 4,0 4,0 RGD 12,0 12,0 12,0 12,0 12,0 Totaal 30,1 29,6 29,1 29,1 29,1Budgettaire gevolgen:Niet-beleidsartikel 11 Algemeen Bedragen in EUR 1 000 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 Verplichtingen 769 094 746 417 730 691 713 179 686 744 670 396 670 359 Uitgaven: Uitgaven totaal 788 802 768 410 739 203 701 510 695 952 720 673 678 071 11.1 Apparaatsuitgaven 788 802 768 410 739 203 701 510 695 952 720 673 678 071 Ontvangsten 75 005 65 626 58 626 58 626 58 626 58 626 58 626 11.10 Diverse ontvangsten 75 005 65 626 58 626 58 626 58 626 58 626 58 626 11.20 Koersverschillen 0 0 0 0 0 0 0Kengetallen personeel en materieel 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 Personeel Loonkosten departement Gemiddelde bezetting 1 740 1 725 1 701 1 688 1 657 1 634 1 634 Gemiddelde prijs 71 728 76 000 76 000 75 000 75 000 75 000 75 000 Toegelicht begrotingsbedrag (x EUR 1 000) 124 799 131 114 129 288 126 608 124 283 122 583 122 583 Loonkosten posten (incl. themadeskundigen) Gemiddelde bezetting 1 123 1 095 1 076 1 085 1 035 983 983 Gemiddelde prijs 88 916 95 000 95 500 96 000 96 000 96 000 96 000 Toegelicht begrotingsbedrag (x EUR 1 000) 99 895 104 049 102 799 104 129 99 399 94 404 94 404 Totaal loonkosten ambt. Personeel Gemiddelde bezetting 2 863 2 820 2 778 2 773 2 693 2 618 2 618 Gemiddelde prijs 78 482 83 378 83 557 83 215 83 076 82 889 82 889 Toegelicht begrotingsbedrag (x EUR 1 000) 224 694 235 163 232 087 230 737 223 682 216 987 216 987 Vergoedingen Gemiddelde bezetting 1 123 1 095 1 076 1 085 1 035 983 983 Gemiddelde kosten 66 755 70 769 71 282 69 067 68 876 68 768 68 768 Toegelicht begrotingsbedrag (x EUR 1 000) 74 997 77 510 76 730 74 915 71 315 67 625 67 625 Lokaal personeel Gemiddelde bezetting 2 305 2 311 2 264 2 197 2 150 2 112 2 112 Gemiddelde prijs 39 289 42 000 41 000 41 000 41 000 41 000 41 000 Toegelicht begrotingsbedrag (x EUR 1 000) 90 545 97 041 92 844 90 080 88 153 86 578 86 578 Materieel Gemiddelde bezetting (inclusief attachés) 5 536 5 501 5 407 5 330 5 193 5 069 5 064 Gemiddelde kosten 53 296 44 444 43 373 38 983 40 288 50 738 42 377 Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 292 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 Toegelicht begrotingsbedrag (x EUR 1 000) 295 050 244 483 234 523 207 772 209 201 257 217 214 615 Totaal toegelicht begrotingsbedrag 685 286 654 197 636 184 603 504 592 351 628 407 585 805 (x EUR 1 000) Overige apparaatskosten (x EUR 1 000) 103 516 114 213 103 019 98 006 103 601 92 266 92 266 Totaal artikel 11 Apparaatsuitgaven(x EUR 1 000) 788 802 768 410 739 203 701 510 695 952 720 673 678 071Totaaloverzicht apparaatsuitgaven en -kosten Buitenlandse Zaken Buitenlandse Zaken is verantwoordelijk voor één Baten-lastendienst, het CBI. In de onderstaande tabel zijn de apparaatskosten de apparaatsuit-gaven voor het kerndepartement en voor de Baten-lastendienst en bij elkaar gevoegd. In de baten-lastenparagraaf worden de kosten van het CBI nader toegelicht.Totaaloverzicht apparaatsuitgaven en – kosten ministerie van Buitenlandse Zaken (bedragen x EUR 1000) 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 Kerndepartement 788 802 768 410 739 203 701 510 695 952 720 673 678 071 Baten-lastendiensten (CBI) 29 376 34 895 27 604 30 170 26 059 26 231 24 648Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 293 AGENTSCHAPSPARAGRAAF Centrum tot Bevordering van de Import uit ontwikkelingslanden (CBI) Het CBI is het agentschap van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Het heeft als opdracht het duurzaam versterken van de concurrentiekracht van bedrijven uit OS-landen op de Europese markt. Het agentschap CBI draagt bij aan het realiseren van operationele doelstelling 4.3: Een beter ondernemingsklimaat in ontwikkelingslanden en versterking van hun concurrentievermogen, zowel nationaal als internationaal. De agentschapsparagraaf is afwijkend van voorgaande jaren door het vernieuwde kostprijsmodel wat in 2010 is geïmplementeerd. Het kostprijsmodel is modulair qua opbouw, de programma’s kenmerken zich door een kortere doorlooptijd (met de benodigde aandacht voor het vernieuwde landenbeleid) waardoor sturing, door de Opdrachtgever van het CBI, eenvoudiger realiseerbaar is en er adequater kan worden ingespeeld op veranderingen. Het Agentschap CBI zal in 2012 opgaan in het Agentschap NL en in die hoedanigheid met ingang van 1 januari 2013 geen baten-lastendienst meer zijn van het Ministerie van Buitenlandse Zaken c.q. geen zelfstandig Agentschap meer zijn. In deze Agentschapsparagraaf is voor wat betreft de productie uitgegaan van een ongewijzigde opdracht tot en met 2016. 1. Baten en Lasten Tabel 2 Meerjaren baten en lasten (bedragen in EUR 1 000) 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 A Baten Opbrengst moederdepartement 28 577 32 975 26 529 29 300 25 231 25 451 23 884 opbrengst derden 1 239 1 500 1 800 1 500 1 250 1 250 1 250 rentebaten 0 0 2 2 4 4 4 Totale baten 29 816 34 475 28 331 30 802 26 485 26 705 25 138 B Lasten apparaatskosten – personele kosten 212 244 197 217 187 189 177 waarvan eigen personeel 183 148 163 140 142 133 waarvan externe inhuur 61 49 54 37 47 44 – materiele kosten 28 675 33 174 26 807 29 388 25 307 25 527 23 956 waarvan ICT 450 250 250 250 250 250 rentelasten 0 7 25 10 10 10 10 afschrijvingskosten – materieel 489 570 570 550 500 450 400 Dotaties voorzieningen 0 900 5 5 5 5 5 Totale lasten 29 376 34 895 27 604 30 170 26 059 26 231 24 648 C Saldo van baten en lasten 440 -420 727 632 476 524 590A. Baten Opbrengsten moederdepartement In onderstaande tabel worden de financiële waarden weergegeven van de verleende en verwachte opdrachten per product.Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 294 Tabel 3 Productie (bedragen in EUR 1 000) 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 ECP-opdracht 1 5 556 – 2 800 – – – – ECP-modules 7 510 16 070 8 423 17 357 15 367 15 511 15 511 BSOD-modules 2 376 7 749 6 722 4 035 2 387 2 741 1 156 Marktinformatie-modules 2 540 4 140 4 180 4 180 4 180 4 180 4 180 Training-modules 10 458 3 947 3 525 3 225 2 940 2 653 2 671 Strategische modules 37 969 779 403 257 266 266 ITC 100 100 100 100 100 100 100 Totaal 28 577 32 975 26 529 29 300 25 231 25 451 23 884De productie die voor 1 januari 2006 is opgestart wordt afgerekend tegen kostprijs (ex-post). Productie die vanaf 1 januari 2006 is gestart wordt afgerekend tegen vooraf vastgestelde prijzen (ex-ante). Als efficiency-prikkel en om het risico uit te sluiten dat kosten van de nieuwe productie (vanaf 1 januari 2006) ten onrechte wordt toegerekend aan de oude productie, is een vast bedrag voor het totaal van de oude productie bepaald. Ook zijn er marges ingebouwd binnen welke de prijs en de aantallen dienen te bewegen. In 2012 wordt het laatste programma ECP-opdracht 1 opgeleverd. Met ingang van 2010 wordt afgerekend tegen de kostprijs van het herziene kostprijsmodel. In de nieuw vastgestelde verkoopprijzen zit een tijdelijke discrepantie qua prijsstelling. Deze vloeit voort uit het gegeven dat met de nieuwe prijzen rekening is gehouden met het nieuwe landen-beleid (en de daarmee moeilijkere werkomgeving voor het CBI) en de daaraan gekoppelde hogere kostprijs. In de lopende programma’s nemen bedrijven deel uit landen die goedkoper waren klaar te stomen voor de EU markt. Dit gegeven wordt tijdelijk gecompenseerd middels een kortings-percentage, dit is reeds meegenomen in de productiecijfers. Opbrengst derden In het licht van de complementariteit tussen CBI producten en programma’s van onder andere de Europese Commissie, Ministerie van Handel van Ecuador en het Ministerie van EL&I worden additionele opdrachten verwacht. Van organisaties uit Europa, waaronder Zwitserland en Zweden, worden additionele opdrachten verwacht voor het product marktinformatie. Daarnaast wordt door de aan programma’s en trainingen deelnemende bedrijven en organisaties een eigen bijdrage (commitment fee) betaald. Rentebaten De rentebaten worden verkregen door het positieve saldo op de rekening courant bij de Rijkshoofdboekhouding. Het vermelde bedrag is een schatting op basis van ervaringscijfers. B. Lasten Personele kosten In 2012 werken er bij het CBI 12 fte ambtenaren en 38 fte niet-ambtenaren. De personele lasten bedragen in 2012 EUR 197 000. Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 295 Het verschil tussen de personele uitgaven (volgens het kasstelsel) en personele lasten (volgens het baten- lastenstelsel) wordt veroorzaakt door productie met een productietijd van meer dan één jaar. Voor deze productie worden de personele uitgaven, voor zover die verband houden met productie die nog niet is opgeleverd, aan het onderhanden werk toegevoegd. Pas in het jaar dat de productie wordt opgeleverd worden deze uitgaven als last genomen. Een gevolg van deze systematiek is dat de personele uitgaven in 2012 voor een gedeelte als personele lasten worden genomen in latere jaren. Daarnaast worden direct toerekenbare personele uitgaven doorberekend aan de programma’s. Dit betekent dat de personele kosten lager zijn ten koste van de materiële kosten. De verwachtte personele uitgaven voor het jaar 2012 (ambtenaren) bedraagt EUR 900 000. Materiële kosten Tabel 4 Categorieën materiële kosten (bedragen in EUR 1 000) Uitbesteding ondersteunende werkzaamheden 167 Huisvestingskosten (huur, schoonmaak, energie, diensten) 690 Kantoor, o.a. mailings, porti, alg. drukwerk, telefoon, fax 294 Algemeen, o.a. representatie 225 Bankkosten en koersverschillen 36 Onttrekking aan onderhanden werk -1 394 Salariskosten personeel 2 592 waarvan eigen personeel 480 waarvan externe inhuur 2 112 Externe experts, o.a. honoraria en reis- en verblijfskosten 16 628 Deelnemers aan seminars en beurzen, o.a. reis- en verblijfskosten 3 850 Organisatie seminars, o.a. logistieke ondersteuning 700 Organisatie/deelname beurzen, o.a. beurshuur en standbouw 1 457 CBI-publicaties, o.a. honoraria, drukwerk, porti 1 562 Totaal 26 807 Het CBI is gehuisvest in de Beurs-WTC in Rotterdam. In 2011 wordt de kantoor- en archiefruimte gehuurd van de Rijksgebouwendienst voor een huurbedrag van EUR 290 000. Rentelasten De rentelasten vloeien voort uit rente- en aflossingsdragend vermogen dat via de leenfaciliteit van het Ministerie van Financiën zal worden verkregen. Afschrijvingskosten De materiële vaste activa bestaat uit: inventaris, hard- en software en verbouwingen. De afschrijvingstermijnen zijn respectievelijk 5 jaar, 3 jaar, en 5 jaar. Dotaties aan voorzieningen CBI houdt een voorziening aan voor dubieuze debiteuren. Deze voorziening is bedoeld voor de opvang van het risico van wanbetaling door contractpartijen. Het CBI zal een voorziening opnemen in verband met de verhuizing naar Den Haag en de integratie in Agentschap NL gedurende 2012. Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 296 C. Saldo van baten en lasten Het resultaat wordt aan het vermogen van het agentschap toegevoegd. 2. Kasstroomoverzicht Tabel 6 Kasstroomoverzicht (bedragen in EUR 1 000) 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 1. Rekening courant RHB 1 januari 1 890 2 493 2 173 873 550 550 550 2. Totaal operationele kasstroom – 1 210 350 850 27 350 350 350 – /- totaal investeringen 592 570 350 350 350 350 350 +/+ totaal boekwaarde desinvesteringen – 5 – 100 – 100 – – – – 3. Totaal investeringskasstroom – 597 – 670 – 450 – 350 – 350 – 350 – 350 – /- eenmalige uitkeringen aan moederdepar-tement – – – – – – – +/+ eenmalige storting door moederdepar-tement – – – – – – – – /- aflossingen op leningen – 10 – – – – – – +/+ beroep op leenfaciliteit – – – – – – – 4.Totaal financieringskasstroom – 10 – – – – – – 5. Rekening courant RHB 31 december 2 493 2 173 873 550 550 550 5503. Doelmatigheidsparagraaf ECP – modules: Jaar t BSOD – modules: Jaar t Bedrijfsaudit en actieplan 8 200 BSO diagnose & interventie ontwerp 63 000 Bedrijfsontwikkeling 26 000 BSOD Export Intelligentie – beperkt 169 000 Export capaciteit opbouw 28 000 BSOD Export Intelligentie – regulier 354 000 Certificering 14 000 Exportontwikkeling – beperkt 169 000 Markttoegang regionaal 23 000 Exportontwikkeling – regulier 354 000 Markttoegang EU 43 000 MI – modules: HRD – modules: Markt intelligentie 140 000 Training – EU 1 500 Export intelligentie 100 000 Training – doelgroeplanden 5 400 Tailored intelligentie 40 000 Online training 125 Business intelligentie 40 000 Import intelligentie 40 000 Strategische advisering ITC – account management Sectorale analyse 63 000 Vergoeding beheerskosten 100 000 Strategische conferentie groot 83 000 Strategische conferentie klein 37 000 Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 297 Omschrijving Generieke deel t t+1 t+2 t+3 t+4 Omzet per productgroep Sectorale Export Ontwikkeling opdr. 1 kostprijs nvt nvt nvt nvt ECP modules 8 423 17 357 15 367 15 511 15 511 BSOD Modules 6 722 4 035 2 387 2 741 1 156 Marktinformatie modules 4 180 4 180 4 180 4 180 4 180 Training modules 3 525 3 225 2 940 2 653 2 671 Strategische modules 779 403 257 266 266 ITC 100 100 100 100 100 FTE totaal 12 12 12 12 12 Saldo van baten en lasten (%) 5% 5% 5% 5% 5% Impact kwaliteitsindicatoren Totaal gerealiseerde export EU/EFTA 167 000 167 000 167 000 167 000 167 000 Aangegeven verbeterde dienstverlening onder cliënten 60% 60% 60% 60% 60% Kennis over de EU-markt vergroot 75% 75% 75% 75% 75% Hogere export c.q. effectievere dienstverlening 60% 60% 60% 60% 60% Omschrijving specifiek deel Ziekteverzuim (%) 3.9% 3.9% 3.9% 3.9% 3.9%In het derde kwartaal van 2011 zal het kostprijsmodel door de interne accountantsdienst worden geëvalueerd. De kwaliteitsindicatoren dienen nog nader met de Opdrachtgever aangepast en uitgebreid te worden. Taakstelling De afgelopen jaren is de formatie van het CBI gekrompen met 10 fte ambtenaren in het kader van de Taakstelling 2008, waarvan de laatste 3 fte in 2011 zijn uitgestroomd. Met de in 2010 geïmplementeerde integrale werkwijze in een gewijzigde organisatorische setting is zowel op een personele als een kostprijs reductie ingezet. De komende jaren wordt een neerwaartse bijstelling van de kostprijs verwacht om zodoende met dezelfde middelen tot een hogere productie te komen. Het genomen besluit tot integratie van het CBI binnen Agentschap NL dient daarnaast na realisatie hiervan een efficiency bereikt te worden welke tussen de Euro 700 000 en 1 000 000 structureel gaat opleveren. Hierin is inbegrepen een verwachte reductie van 12 medewerkers (payrollers/externe inhuur). Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 298 BIJLAGE 1 LIJST VAN AFKORTINGEN AABs Algemene Ambtsberichten ACS Association of Caribbean States Adept Accession-oriented Dutch-European Proficiency Training AERC African Economic Research Consortium AMISOM African Union Mission on Somalia AIVD Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst ANA Aruba en de Nederlandse Antillen ANDS Afghan National Development Strategy ASEAN Association of Southeast Asian Nations ATAF African Tax Administration Forum ATT Arm Trade Treaty (Internationaal wapenhandelsverdrag) AU Afrikaanse Unie AVVN Algemene Vergadering Verenigde Naties BBP Bruto Binnenlands Product BNP Bruto Nationaal Product BSOD Business Support Organisation Development BTWC Biologisch en Toxische Wapens Verdrag (155) BZ Ministerie van Buitenlandse Zaken BZK Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties CAADP Comprehensive Africa Agriculture Development Programme CAO Collectieve arbeidsovereenkomst CBI Centrum tot Bevordering van de Import uit ontwikkelings-landen CBRN Chemische, Biologische, Radiologische of Nucleaire middelen CD Capacity Development CDM Clean Development Mechanism CERF Central Emergency Response Fund CGIAR Consultative Group on International Agricultural Research CICIG Comisión Internacional Contra la Impunidad en Guate-mala (Internationale commissie tegen de straffeloosheid in Guatemala) COHRED Council on Health Research for Development CPI Corruptie Perceptie Index CTBT Comprehensive Test Ban Treaty (Alomvattend Kernstop-verdrag (138) ) CTITF Counter Terrorism Implementation Task Force CvP Club van Parijs CWC Chemical Weapons Convention (Chemisch Wapenver-drag) DAC Development Assistance Committee DDR Disarmament Demobilization and Reintegration DFA Design, Fashion, Architecture DfID United Kingdom Department for International Develop-ment DGIS/CE Directeur Generaal Internationale Samenwerking Coherentie Eenheid DPKO Department of Peacekeeping Operations DRC Democratische Republiek Congo EBRD European Bank for Reconstruction and Development ECDPM European Centre for Development Policy Management ECOWAS Economic Community Of West African States ECP Export Coaching Programme EDEO Europese Dienst voor Extern Optreden EFA Education for All EHRM Europees Hof voor de Rechten van de Mens Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 299 EITI Extractive Industries Transparency Initiative EIU Economist Intelligence Unit EKI Exportkredietverzekering en Investeringsgaranties ENP Europees Nabuurschaps Programma ENPI European Neighbourhood and Partnership Instrument EOF Europees Ontwikkelings Fonds EPA European Partnership Agreements (Europese Partner-schapsakkoorden) ERP Enterprise Resource Planning EU Europese Unie EUBAM Rafah EU Border Assistance Mission at Rafah EUJUST LEX EU Integrated Rule of Law Mission for Iraq EULEX EVDB missie in Kosovo EUPM European Union Police Mission EUPOL European Union Police Mission EUPOL COPPS European Union Police Coordinating Office for Palestinian Police Support (EU Police Mission for the Palestinian Territories) EUSEC European Union Security (in the Democratic Republic Congo) EUVIS European Union Visuminformatie Systeem EVD Economische Voorlichtingsdienst EVDB Europees Veiligheids- en Defensiebeleid EVRM Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens EZ Ministerie van Economische Zaken FAO Food and Agriculture Organization FAWE Forum for African Women Educationalists FLEGT Forest Law Enforcement Governance and Trade FMCT Verdrag betreffende een verbod op de productie van splijtstoffen voor explosiedoeleinden FMO Nederlandse Financieringsmaatschappij voor Ontwikke-lingslanden FSAP Financial Sector Assessment Programs FTI Fast Track Initiative GCE Gemeenschappelijk Cultureel Erfgoed GFATM Global Fund to fight Aids, Tuberculosis and Malaria GMR Global Monitoring Report (UNESCO) GRPI Genetic Resources Policy Initiative GtZ Gesellschaft für Technische Zusammenarbeit GVDB Gemeenschappelijk Veiligheids- en Defensiebeleid G20 Groep bestaande uit 19 van de landen met de grootste nationale economieën en de EU HALO HALO Trust:NGO die zich vooral met ontmijning en ontwapening bezig houdt HCNM Hoge Commissaris voor de Nationale Minderheden HCOC Hague Code of Conduct against Ballistic Missile Prolifera-tion (Haagse Gedragscode tegen de proliferatie van Ballistische Wapens) HGIS Homogene Groep Internationale Samenwerking HIF Health Insurance Fund HiiL Hague Institute Internationalisation of Law HRP Human Reproduction Programme IAEA International Atomic and Energy Agency IASC Inter-Agency Standing Committee IBF International Bureau Fraude Informatie ICARDA International Centre for Agricultural Research in Dry Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 2100 Areas ICB Internationaal Cultuurbeleid ICC International Criminal Court ICTR International Criminal Tribunal for Rwanda ICTY International Criminal Tribunal for the former Yugoslavia IDEA International Institute for Democracy and Electoral Assistance IDF Infrastructure Development Fund IDH Initiatief Duurzame Handel IDLO International Development Law Organization IDRC International Development Research Centre IEF International Energy Forum IFAD International Fund for Agricultural Development IFPRI International Food Policy Research Institute IIEP International Institute for Educational Planning ILO International Labour Organization IMF Internationaal Monetair Fonds IND Immigratie- en Naturalisatiedienst IOB Inspectie Ontwikkelingssamenwerking en Beleidsevaluatie IPA Europese Instrumenten voor pre-Accessie IRC International Water and Sanitation Centre IRENA International Renewable Energy Association IS-academie Internationale Samenwerking-Academie ISAF International Security Stability Force IUCN International Union for Conservation of Nature KAZA Kavango-Zambezi Transfrontier Conservation KFOR Kosovo Force KIT Koninklijke Instituut voor de Tropen LNV Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit LRRD Linking Relief, Rehabilitation Development MASSIF Ontwikkelingsfonds voor de financiële sector MATRA Maatschappelijke Transformatie MDG’s Milleninium Development Goals (Millennium Ontwikke-lingsdoelen) MFS Medefinancieringsstelsel MIVD Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst MKB Midden en Klein Bedrijf MNA Mean Nuclear Area MOL Minst Ontwikkelde Landen MONUC United Nations Organization in the Democratic Republic Congo MONUSCO United Nations Organization Stabilization Mission in the Democratic Republic Congo MOVP Midden-Oosten Vredes Proces MRR Mensenrechtenraad MTES Matra Training voor Europese Samenwerking MVO Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen MVV Machtiging tot Voorlopig Verblijf NAPA Nederlandse Actieplan Parijs NAVO Noord-Atlantische Verdrags Organisatie NBSO Netherlands Business Support Offices NCAP Netherlands Climate Assistance Programme NCDO Nationale Commissie voor Internationale Samenwerking en Duurzame Ontwikkeling NFP Netherlands Fellowship Programme NIMD Netherlands Institute for Multiparty Democracy NIMF Netherlands Investment Matching Fund NGO Non-Gouvernementele Organisatie Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 2101 NICHE Netherlands Initiative for Capacity Development in Higher Education institutions NPT Netherlands Programme for institutional strengthening of education and Training capacity NPV Non-Proliferatie Verdrag (189) NTM-A NATO Training Mission Afghanistan NVIS Nieuw Visum Informatie Systeem NSS Nuclear Security Summit NWO-WOTRO Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onder-zoek – Wetenschappelijk Onderzoek in de Tropen OCW Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap OD Operationele Doelstelling ODA Official Development Assistance (officiële ontwikkelings-hulp) ODIHR Office for Democratic Institutions and Human Rights OESO Organisatie Economische Samenwerking en Ontwikkeling OHCHR Hoge commissaris voor de Rechten van de Mens OPCAT Optional Protocol to the UN Convention against Torture, Inhuman and Degrading Treatment ORET Programma Ontwikkelingsrelevante Exporttransacties ORIO Ontwikkelingsrelevante Infrastructuurontwikkeling OS Ontwikkelingssamenwerking OVSE Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa PBC Peace Building Commission PEGASE Mécanisme Palestino-Européen de Gestion de l’Aide Socio-Economique PFM Public Finance Management POI Programma Onderzoek en Innovatie POP Programma Ondersteuning Productenorganisaties PRSP Poverty Reduction Strategy Papers PSE Producer Support Estimate PSI Private Sector Investment PSO Praktische Sectororiëntatie PSOM Programma Samenwerking Opkomende Markten PUM Programma Uitzending Managers RBV Rijksbegrotingsvoorschriften REDD Reducing Emissions from Deforestation and forest Degradation in developing countries RHB Rijkshoofdboekhouding (ministerie van Financiën) RTR Regeringsstandpunt Tropisch Regenwoud RvE Raad van Europa R2P Responsibility to Protect SACMEQ Southern and Eastern Africa Consortium for Monitoring Educational Quality SADAA Strategic Alliance for the Development of Agriculture in Africa SCSL Special Court Sierra Leone SGACA’s Strategische Goed Bestuur en Corruptie Analyses SICA Stichting Internationale Culturele Activiteiten SNV Stichting Nederlandse Vrijwilligers SRGR Seksuele en Reproductieve Gezondheid en Rechten SSA Sub Sahara Africa SSR Security Sector Reform TB Tuberculose TDR Special Programme for Research and Training in Tropical Diseases TI Transparency International TK Tweede Kamer UEMOA Union Economique et Monétaire Ouest-africaine Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 2102 UIS Unesco Institute for Statistics UNAIDS Joint United Nations Programme on HIV/AIDS UNAMA United Nations Assistance Mission in Afghanistan UNAMID African Union/ United Nations Hybrid Operation in Darfur UNCED United Nations Conference on Environment and Development UNCCD United Nations Convention to Combat Desertification UNDGO United Nations Development Group Office UNDP United Nations Development Programme UNESCO United Nations Educational, Scientific and Cultural Organization UNESCO-IHE UNESCO- Institute for Water Education UNFCCC United Nations Framework Convention on Climate Change UNFPA United Nations Population Fund UN-HABITAT United Nations Human Settlements Programme UNICEF United Nations Children’s Fund UNIFEM United Nations Development Fund for Women UNMIS United Nations Mission in Sudan UNODC United Nations Office on Drugs and Crime UNRWA United Nations Relief and Works Agency UNSGAB United Nations Secretary General’s Advisory Board on Water and Sanitation UNU-MERIT Joint research and training centre of United Nations University and Ùniversity of Maastricht VK Verenigd Koninkrijk VN Verenigde Naties VNVR Veiligheidsraad van de Verenigde Naties VR Veiligheidsraad VROM Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer V&W Ministerie van Verkeer en Waterstaat Wbp Wet bescherming persoonsgegevens WFP World Food Programme WHO World Health Organisation Wob Wet openbaar bestuur WSSD World Summit on Sustainable Development WTO World Trade Organization (Wereldhandelsorganisatie) Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 2103 BIJLAGE 2 TREFWOORDENLIJST 3D-aanpak 16 Accountability 43, 57 Acquis 49 Afghanistan 16, 23, 39, 102, 103 Afrika 21, 39, 55, 56, 66, 71, 99 Agentschap 6, 41, 52, 84, 91, 94, 96, 97, 98 Aids 61, 66 Ambassade 18, 19, 20, 23, 26, 27, 28, 35, 55, 58, 64, 66, 72, 82, 84, 85, 89 Ambtsberichten 26, 76, 77, 79, 99 Antipiraterijmissies 16 Apparaatsuitgaven 4, 9, 89, 92, 93 Armoede 1, 8, 9, 22, 23, 30, 52, 53, 55, 56, 58, 68 Armoedebestrijding 10, 22, 55, 62, 64 Asiel 15, 24, 25, 77, 79 ATT 99 Balkan 42 Basisonderwijs 61, 62, 63 Bedrijfsleven 10, 13, 16, 17, 18, 21, 22, 28, 29, 34, 41, 53, 55, 57, 69, 72, 73, 82, 85 Bedrijfsvoering 4, 11, 84, 89 Begrotingssteun 14, 53, 54, 56, 72 Belastingen 56 Beleidsprioriteiten 8, 30, 49, 55, 62, 63, 67 Benelux 25, 49, 50 Beroepsonderwijs 38, 61, 62, 63 Bezuinigen 22, 24 Biodiversiteit 47, 68, 72, 73 Bretton Woods 13 Buitenlandbeleid 5, 6, 9, 10, 12, 16, 20, 21, 23, 26, 31, 32, 37, 52, 54, 81, 82, 83, 85, 86 Burundi 16, 23 BZK 99 Capaciteitsopbouw 16, 40, 53, 64, 71, 73 CAP 43, 101 CBI 1, 3, 6, 57, 93, 94, 95, 96, 98, 99 CERF 43, 99 China 10, 18, 27, 83 Civil society 8 Clingendael 75, 85 CO2 71 Coherentie 14, 21, 36, 37, 46, 52, 56, 72, 99 Colombia 23, 57, 72 Concurrentievermogen 94 Conflictpreventie 43 Consulaire bijstand 77, 78 Consulaire dienstverlening 5, 9, 11, 26, 78, 80 Corruptie 17, 25, 43, 53, 54, 73, 99, 102 Corruptiebestrijding 43 Crisis 11, 26, 27, 41, 42, 55, 77, 78 Crisisbeheersing 7, 24, 27, 36, 41, 42, 76 CTBTO 40 CTITF 39, 99 Cultureel erfgoed 28 Cultureel profiel 1, 9, 31, 81, 86 Cultuur 8, 9, 20, 25, 27, 28, 31, 81, 82, 83, 84, 86, 89, 102 Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 2104 Cultuurbeleid 81, 82, 83, 85, 101 Cultuurmiddelen 81 Defensie 9, 16, 22, 27, 36, 37, 42, 44, 86, 100 Democratisering 19, 38, 42, 43, 82 Den Haag 12, 19, 39, 82, 84, 89, 96 Dialoog 20, 26, 28, 39, 41, 42, 62, 82, 85 Discriminatie 11, 23, 61 Diversificatie 55 Doha 17 Donorlanden 23, 60, 71 Doodstraf 19, 27, 78 Draagvlak 9, 19, 22, 25, 26, 31, 32, 33, 34, 39, 40, 56, 60, 61, 66, 85, 86 Drinkwater 8, 22, 31, 70, 73, 74, 75 Duurzaamheid 13, 18, 70, 72 Duurzame ontwikkeling 14, 50, 55, 63 Duurzame Ontwikkeling 72, 101 Economische dienstverlening 58 Economische diplomatie 12, 18, 19, 41, 53, 54, 58, 91 EDEO 25, 26, 27, 78, 99 Education for All 62, 63, 99 Energie 10, 12, 14, 16, 18, 20, 26, 37, 38, 41, 53, 69, 71, 96 Energievoorziening 7, 30, 41, 44 Energievoorzieningszekerheid 7, 18, 26, 38, 41 EOF 7, 100 ESM 24 EU-afdrachten 6, 48 EU 4, 5, 6, 7, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 29, 31, 33, 34, 35, 36, 37, 38, 39, 40, 41, 42, 43, 44, 45, 47, 48, 49, 50, 51, 52, 53, 54, 55, 56, 57, 58, 59, 60, 61, 62, 63, 64, 65, 66, 67, 69, 71, 72, 73, 74, 75, 76, 77, 78, 79, 80, 81, 82, 83, 84, 85, 86, 87, 88, 89, 90, 91, 92, 93, 94, 95, 96, 97, 98, 99, 100, 102 Europa 4, 10, 13, 15, 20, 23, 24, 25, 28, 34, 46, 47, 49, 78, 83, 84, 85, 95, 102 Europees Parlement 48 Europese Commissie 26, 48, 49, 95 Europese Dienst voor Extern Optreden 99 Europese Raad 49 Europese samenwerking 1, 7, 9, 25, 29, 30, 32, 46, 47, 50, 85 Europese Unie 5, 6, 7, 10, 13, 14, 15, 18, 20, 23, 30, 47, 48, 49, 50, 68, 100 Evaluatie 2, 5, 6, 38, 70, 101 Evaluatieonderzoek 4 EVRM 20, 35, 100 Externe beleid 25, 46 Financieel beheer 56 Financieel-economische crisis 17, 24, 46 FMO 57, 71, 100 Fragiele staten 21, 23, 37, 42, 56, 61, 62, 63 FTI 62, 63, 100 GBVB 49 Gedetineerden 11, 26, 27, 76, 77, 78, 79 GEF 69, 72 Gelijke rechten 8, 19, 23, 30, 60, 62, 64, 67 Gelijkgezinden 39, 48 Gender 8, 19, 23, 30, 33, 39, 61, 63, 64, 72, 73 Genderongelijkheid 61 Gezondheidszorg 14, 23, 66 GFATM 66, 100 Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 2105 Global public goods 14, 22, 54 Godsdienst 11, 19, 33, 34 Goed bestuur 1, 7, 9, 19, 23, 30, 36, 38, 41, 42, 43, 44, 54 Groei 6, 7, 8, 10, 13, 15, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 30, 33, 34, 46, 48, 50, 52, 53, 58, 60, 68 GVDB 37, 39, 100 Handel 8, 10, 12, 13, 14, 15, 17, 18, 20, 24, 26, 27, 28, 30, 34, 35, 37, 39, 40, 41, 47, 48, 53, 54, 55, 56, 57, 58, 66, 68, 69, 72, 76, 78, 79, 83, 89, 95, 101, 103 Harmonisatie 38, 41 Hervormingsproces 34 HGIS 6, 13, 14, 42, 88, 89, 100 HIV/AIDS 8, 23, 30, 56, 60, 61, 62, 65, 66, 67, 103 HIVOS 71 Humanitaire hulp 7, 21, 30, 43, 44, 49, 56 Humanitaire hulpverlening 1, 7, 9, 30, 36, 43 IAEA 40, 100 ICCT 39 IFC 57 ILO 34, 101 IMF 11, 13, 21, 101 India 18, 27, 83 Infrastructuur 17, 20, 26, 52, 53, 55, 57, 69, 83, 102 Internationaal cultuurbeleid 27, 83 Internationaal Strafhof 19, 32, 33, 84, 85 Internationale organisaties 7, 9, 13, 56, 65, 68, 79, 82, 85 Internationale rechtsorde 1, 7, 12, 15, 19, 30, 32, 33, 35 Investeringsklimaat 57 IOB 70, 78, 101 IPPF 66 Iran 15, 40 ISAF 101 Juridische hoofdstad 19 Justitie 15, 21, 34, 36, 42, 49, 50 Kanaal 21, 23, 54, 57, 63, 64 Kandidaat-lidstaten 25 Kernwapens 15 Kinderarbeid 33 Kinderen 8, 66, 70, 78 KIT 101 Klimaat 17, 26, 68, 69, 70, 71 Klimaatbeleid 43, 68 Klimaatverandering 14, 22, 47, 54, 68, 69, 70, 72, 73 Kopenhagen 71 Kopenhagen-criteria 24 Korting 1, 6, 91, 95 Krijgsmacht 36, 42 LGBT 33, 61 Libanon-Tribunaal 34, 84 Maatschappelijk middenveld 8, 21, 30, 40, 41, 62, 63, 64, 67 Maatschappelijk verantwoord ondernemen 11, 20, 34 Maatschappelijk 13, 19, 20, 22, 23, 29, 33, 38, 39, 41, 42, 43, 53, 55, 60, 61, 62, 63, 64, 72, 73, 74, 101 Markttoegang 18, 20, 53, 97 Marokko 21 Marteling 19, 33 Massavernietigingswapens 7, 15, 17, 30, 37, 40, 44 Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 2106 MATRA 41, 49, 101 MDG 64, 65, 101 Medefinancieringsprogramma 64 Medefinancieringsstelsel 63, 101 Mensenrechten 1, 6, 7, 10, 11, 12, 14, 16, 19, 20, 24, 30, 32, 33, 34, 35, 38, 47, 49, 53, 54, 61, 62, 66, 101 Mensenrechtenbeleid 11, 20, 33 Mensenrechtenfonds 11, 19, 32, 34 Mensenrechtenverdedigers 11, 33, 34 MFS II 63, 64, 65 Midden-Oosten 14, 21, 26, 101 Migratie 14, 15, 20, 24, 25, 26, 37, 46, 54, 76, 77, 78, 79, 101 Migratiebeleid 25 Milieu 8, 23, 30, 52, 68, 69, 70, 71, 72, 73, 75 Milieubeheer 1, 8, 30, 68, 75, 103 Milieubeleid 69, 72 Militaire 15, 16, 27, 37, 39, 42, 101 Millennium Development Goals 60 MKB 21, 54, 57, 101 Mondiaal 22, 53, 62, 70, 73 Multilateraal 20, 34, 64 Multilaterale instellingen 69 MVO 33, 34, 101 Nabuurschapsbeleid 15, 21, 49 Natuurlijke hulpbronnen 68, 69 Natuurrampen 21, 43 NAVO 10, 13, 15, 16, 24, 36, 37, 38, 39, 42, 84, 101 NBSO 57, 101 NCDO 101 Nederland 1, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 29, 30, 31, 32, 33, 34, 36, 37, 38, 39, 40, 41, 42, 43, 46, 47, 48, 49, 50, 51, 52, 53, 54, 56, 57, 58, 60, 61, 62, 63, 64, 66, 68, 69, 70, 71, 72, 73, 74, 75, 76, 77, 78, 79, 80, 81, 82, 83, 84, 85, 86, 91, 99, 100, 101, 102 NGO 33, 43, 56, 65, 66, 70, 72, 73, 85, 100, 101 NIMF 101 NIO 9 Non-proliferatie 17, 37, 40 Non-Proliferatieverdrag 15, 17 Noodhulp 43 Noord-Afrika 21, 26 NPDI 17, 40 NPV 40, 102 Nucleaire wapens 39 NVIS 102 OCW 81, 82, 83, 84, 102 ODA 6, 11, 14, 41, 42, 69, 102 OESO 19, 33, 56, 69, 102 OHCHR 34, 102 Ondernemingsklimaat 10, 22, 53, 57, 94 Onderwijs 8, 14, 18, 20, 23, 30, 41, 56, 60, 61, 62, 63, 67, 70, 82, 102 Onderzoek 2, 6, 8, 18, 23, 27, 30, 34, 54, 61, 62, 63, 65, 66, 67, 79, 102 Ontwapening 7, 17, 30, 40, 44, 100 Ontwikkelingsbeleid 72 Ontwikkelingsdoelstellingen 14 Ontwikkelingssamenwerking 4, 6, 8, 10, 12, 13, 14, 16, 21, 22, 26, 49, 53, 54, 57, 61, 62, 81, 85, 86, 89, 91, 101, 102 OPCW 40 Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 2107 ORET 57, 102 ORIO 57, 102 OVSE 24, 34, 35, 36, 39, 41, 102 Pakistan 72, 73 Partnerlanden 8, 21, 23, 34, 38, 54, 56, 62, 63, 66, 69, 70, 72, 73, 75, 79, 84, 91 Partnerschappen 13, 22, 55, 57, 63, 66, 72, 73, 74 Personenverkeer 1, 9, 15, 25, 31, 76, 77, 79, 80 Piraterij 10, 13, 15, 16, 37, 42 POBB 38, 39, 85 Postennetwerk 10, 11, 12, 13, 23, 27, 28, 29, 33, 34, 39, 48, 50, 52, 54, 89, 90, 91 Pre-accessiesteun 49 Prioritaire sectoren 11, 14, 62 Private sector 8, 10, 11, 14, 22, 23, 30, 52, 53, 54, 56, 57, 58, 64 Programma 4, 6, 11, 14, 15, 22, 23, 27, 35, 38, 39, 40, 41, 42, 43, 49, 50, 53, 54, 55, 56, 57, 58, 61, 62, 63, 64, 66, 67, 69, 70, 71, 72, 73, 75, 80, 81, 83, 84, 85, 86, 94, 95, 96, 100, 102 PSI 57, 66, 102 PSO 64, 102 PSOM 102 Publieksdiplomatie 18, 38, 81, 82, 85 PUM 57, 102 R2P 33, 34, 102 Raad van Europa 7, 9, 24, 35, 47, 49, 51, 102 Rechtsorde 7, 8, 10, 14, 22, 30, 32, 37, 41, 44, 49 Reisdocumenten 77, 78, 79 Reproductieve gezondheid 8, 10, 14, 21, 22, 23, 30, 56, 60, 61, 65, 66, 67 Rusland 10, 18, 27, 39, 83, 84 Rwanda 23, 33, 55, 85, 101 Samenhang 5, 6, 15, 16, 20, 25, 28, 39, 42, 53, 88 Samenwerking 6, 7, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 18, 22, 25, 26, 27, 28, 30, 33, 34, 36, 37, 38, 39, 40, 41, 42, 43, 44, 49, 50, 52, 53, 55, 56, 57, 62, 64, 69, 70, 72, 73, 76, 77, 78, 79, 82, 83, 91, 99, 100, 101, 102 Sancties 19 Sanitatie 22, 56, 70, 73, 75 Schengengebied 25, 76 Schuld 17, 55, 56 Schuldenmanagement 56 Schuldverlichtingsinitiatieven 55 SCSL 34, 102 Sectorale 72, 83, 97, 98 SICA 82, 84, 102 SNV 64, 102 Sociale ontwikkeling 67 Soedan 16, 23, 38, 42, 63, 70 SRGR 23, 33, 60, 62, 65, 66, 102 Stabiliteit 1, 7, 9, 10, 11, 12, 14, 15, 16, 17, 19, 20, 21, 22, 24, 26, 30, 36, 38, 39, 43, 53, 61 Stabiliteitsfonds 39, 41 Statuut van Rome 34 Strategische partnerschappen 43 Subsidie 27, 38, 54, 79, 83, 85 Subsidieoverzicht 2, 4, 6 Suriname 72 Terrorisme 7, 15, 16, 20, 30, 37, 39, 40, 44, 46 Terrorismebestrijding 16, 40 Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 2108 Terrorismesancties 36 Uitbreiding 25, 28, 32, 55 Uitbreidingsbeleid 25 UNAIDS 65, 66, 103 UNDP 55, 103 UNESCO 73, 100, 103 UNFPA 65, 66, 103 UN-HABITAT 73, 103 UNICEF 41, 55, 56, 73, 103 Unie 5, 6, 7, 10, 13, 15, 16, 24, 25, 30, 46, 47, 49, 50, 51, 99 Uruzgan 16 Vakbonden 64 Veiligheid 1, 6, 7, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 26, 28, 30, 31, 33, 34, 36, 37, 38, 39, 40, 41, 42, 43, 44, 46, 48, 50, 54, 64, 68, 69, 70, 76, 80, 99, 100, 101, 102 Veiligheidsraad 16, 34, 37, 103 Verdeling 1, 8, 9, 30, 32, 33, 36, 46, 52, 58, 60, 61, 68, 71, 76, 81, 89, 90, 91 Verdrag van Lissabon 25, 49 Verenigde Naties 13, 15, 99, 103 Verenigde Staten 19, 27, 83 Vestigingsklimaat 7, 9, 31, 84, 86 Vietnam 18, 23, 57, 70 Visa 27, 76, 77, 78, 79 Visumaanvragen 76, 77 Visumproces 27 Voedselzekerheid 8, 10, 14, 21, 22, 26, 30, 38, 53, 54, 55, 56, 58, 61, 63, 68, 69, 70, 73 Voorzitterschap 5, 34, 40, 50 Vrede 14, 15, 16, 19, 24, 38, 42, 54, 61, 64, 84, 101 Vredeshandhaving 42 Vredesmissies 42 Vredesopbouw 16, 42, 43 Vredesproces 22 Vrijhandelsakkoorden 58 Vrijheid 6, 7, 10, 11, 12, 13, 19, 20, 21, 23, 24, 28, 30, 33, 34, 46, 48, 50 Vrijwillige bijdragen 12, 14 Vrouwen 8, 11, 16, 19, 22, 23, 30, 33, 37, 38, 42, 60, 61, 62, 64, 67 Wapenbeheersing 7, 30, 40, 44 Wapenexportbeleid 7, 30, 36, 38, 40, 41, 44 Wapenhandelsverdrag 41, 99 Water 1, 8, 10, 14, 18, 21, 22, 26, 30, 31, 38, 53, 56, 61, 63, 68, 69, 70, 72, 73, 74, 75, 82, 101, 103 Waterbeheer 8, 22, 55, 68, 70, 73 Waterschaarste 70 Wederopbouw 16, 21, 38, 41, 64 Welvaart 1, 7, 8, 9, 10, 12, 13, 17, 18, 20, 21, 23, 24, 28, 30, 33, 46, 48, 50, 52, 58, 61 Wereldbank 21, 42, 56, 71, 73 Wereldhandelssysteem 17 WEU 38 WHO 65, 66, 103 WRR 33, 54 WTO 103 Zetelovereenkomst 85 Zuid-Afrika 23, 27, 57, 83Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 V, nr. 2109

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 5b39cb364a4024b5

14 okt 2026 · 0a0bf7663de4ed99

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.