Voorstel van wet
Brontekst
Versie c865ef0bcd5488cd · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202536 706Wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001om een tegenbewijsregeling te introduceren bijhet bepalen van het belastbare inkomen uitsparen en beleggen (Wet tegenbewijsregelingbox 3)Nr. 2 VOORSTEL VAN WET Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden,Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om eentegenbewijsregeling te introduceren bij het bepalen van het belastbareinkomen uit sparen en beleggen op grond van de Wet inkomstenbelasting2001;Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van Stategehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedge-vonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:ARTIKEL I De Wet inkomstenbelasting 2001 wordt als volgt gewijzigd: AAan hoofdstuk 5 wordt een afdeling toegevoegd, luidende:AFDELING 5.6. TEGENBEWIJSREGELING Artikel 5.25. Tegenbewijsregeling 1. Indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat het werkelijkerendement van bezittingen en schulden lager is dan het voordeel uitsparen en beleggen, wordt het belastbare inkomen uit sparen en beleggenin afwijking van artikel 5.1 gesteld op het werkelijke rendement vanbezittingen en schulden, verminderd met de persoonsgebonden aftrek(hoofdstuk 6).2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt het werkelijke rendementvan bezittingen en schulden ten minste op nihil gesteld. kst-36706-2ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 21 3. Het werkelijke rendement van bezittingen en schulden van eenminderjarig kind wordt overeenkomstig artikel 2.15 toegerekend aan deouder of ouders.4. Indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde partnerheeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebbengehad, wordt het aan hem toegerekende gedeelte van het gezamenlijkewerkelijke rendement van bezittingen en schulden bij hem in aanmerkinggenomen als het werkelijke rendement van bezittingen en schulden. Dezetoerekening geschiedt naar rato van de voor de bepaling van het voordeeluit sparen en beleggen toegepaste toerekening van de gezamenlijkegrondslag sparen en beleggen.5. Het gezamenlijke werkelijke rendement van bezittingen en schulden ishet werkelijke rendement van bezittingen en schulden van de belasting-plichtige en zijn partner tezamen.Artikel 5.26. Werkelijk rendement 1. Het werkelijke rendement van bezittingen en schulden is hetgezamenlijke bedrag van alle voordelen die worden behaald metbezittingen en schulden.2. De voordelen bestaan uit:a. de reguliere voordelen die worden getrokken uit bezittingen enschulden; enb. de vermogensaanwas van bezittingen en schulden.3. Bij het bepalen van het werkelijke rendement van bezittingen enschulden zijn de artikelen 5.3, derde lid, onderdeel f, en 5.13 niet vantoepassing.Artikel 5.27. Reguliere voordelen 1. Tot de reguliere voordelen behoren in ieder geval genoten:a. rente;b. huur;c. pacht;d. dividend;e. winstuitkering;f. vergoeding voor het verstrekken van kapitaal;g. licentievergoeding;h. gebruiksvergoeding.2. Negatieve reguliere voordelen zijn door de belastingplichtigeverschuldigde renten ter zake van:a. een door hem aangegane schuld;b. een banktegoed als bedoeld in artikel 5.2, derde lid, of een door hemverstrekte geldlening.3. Indien bij een niet onder zakelijke omstandigheden geslotenovereenkomst voorwaarden zijn bedongen die afwijken van voorwaardendie in het economische verkeer door onafhankelijke partijen zouden zijnovereengekomen, worden de reguliere voordelen bepaald alsof laatstbe-doelde voorwaarden zijn overeengekomen.Artikel 5.28. Vermogensaanwas 1. De vermogensaanwas van bezittingen en schulden bestaat uit hetverschil tussen de waarde aan het einde van het kalenderjaar van hetsaldo van bezittingen en schulden en de waarde aan het begin van hetkalenderjaar van het saldo van bezittingen en schulden, verminderd metde stortingen en vermeerderd met de onttrekkingen.2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt:a. een afname van een negatief saldo van bezittingen en schulden alseen positieve vermogensaanwas in aanmerking genomen;Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 22 b. een toename van een negatief saldo van bezittingen en schulden alseen negatieve vermogensaanwas in aanmerking genomen.Artikel 5.29. Stortingen 1. Een storting is een positieve waardemutatie van het saldo vanbezittingen en schulden die het directe gevolg is van:a. het tot de bezittingen gaan behoren van een vermogensbestanddeel;ofb. het niet langer tot de schulden behoren van een schuld.2. Als storting wordt mede aangemerkt een positieve waardemutatie diehet directe gevolg is van een uitbreiding of verbetering van een bezittingvoor zover die waardemutatie niet reeds een storting is op grond van heteerste lid.3. In afwijking van het eerste en tweede lid is een positieve waardemu-tatie die voortvloeit uit een uitbreiding of verbetering van een woninggeen storting.4. In afwijking van het eerste lid is een positieve waardemutatie dievoortvloeit uit onderhoud van een bezitting geen storting.5. Stortingen worden in aanmerking genomen tegen de waarde ten tijdevan de storting.Artikel 5.30. Onttrekkingen 1. Een onttrekking is een negatieve waardemutatie van het saldo vanbezittingen en schulden die het directe gevolg is van:a. het niet langer tot de bezittingen behoren van een bezitting; ofb. het tot de schulden gaan behoren van een verplichting.2. Onttrekkingen worden in aanmerking genomen tegen de waarde tentijde van de onttrekking.Artikel 5.31. Waardering bezittingen en schulden 1. De waarde van bezittingen en schulden wordt bepaald met overeen-komstige toepassing van afdeling 5.4 en de daarop berustendebepalingen, met dien verstande dat de waarde van een woning wordtbepaald op basis van het tweede tot en met vijfde lid.2. De waarde van een woning:a. aan het begin van het kalenderjaar: wordt gesteld op de op grond vanartikel 5.20, eerste of tweede lid, voor die woning voor het kalenderjaarvastgestelde waarde;b. aan het einde van het kalenderjaar: wordt gesteld op de op grond vanartikel 5.20, eerste of tweede lid, voor die woning voor het daaropvol-gende kalenderjaar vastgestelde waarde of, indien het derde lid vantoepassing is, op de waarde die op grond van het derde lid aan het eindevan het kalenderjaar in aanmerking wordt genomen;c. op een ander tijdstip in het kalenderjaar: wordt gesteld op de waarde,bedoeld in onderdeel a, vermeerderd met een tijdsevenredige waardemu-tatie die wordt berekend door het verschil tussen de waarde, bedoeld inonderdeel b, en de waarde, bedoeld in onderdeel a, te delen door hettotale aantal dagen van het kalenderjaar en te vermenigvuldigen met hetaantal dagen dat op dat tijdstip is verstreken sinds het begin van hetkalenderjaar.3. Indien artikel 18, derde lid, onderdeel b, van de Wet waarderingonroerende zaken vanwege een uitbreiding of verbetering van eenwoning wordt toegepast of op overeenkomstige wijze wordt toegepast bijhet bepalen van de op grond van artikel 5.20, eerste of tweede lid, voorhet daaropvolgende kalenderjaar vastgestelde waarde, wordt als waardeaan het einde van het kalenderjaar in aanmerking genomen de waarde diezonder die uitbreiding of verbetering van de woning op grond vanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 23 artikel 5.20, eerste of tweede lid, zou zijn vastgesteld voor het daaropvol-gende kalenderjaar.4. Artikel 5.20, derde lid, is van overeenkomstige toepassing, met dienverstande dat:a. de betreffende waarde van de woning wordt gesteld op hetpercentage, bedoeld in artikel 5.20, derde lid, eerste zin, van de mettoepassing van het tweede lid berekende waarde van de woning;b. de berekening van dat percentage wordt gebaseerd op de hoogte vande huur of de pacht zoals die geldt op het tijdstip waarvoor de betreffendewaarde geldt.5. Artikel 5.20, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing, met dienverstande dat de met toepassing van het tweede lid berekende waardevan de woning wordt verminderd met de waarde van de erfpachtcanon,bedoeld in artikel 5.20, vierde lid.Artikel 5.32. Vrijstelling groene beleggingen 1. Voor de toepassing van deze afdeling behoren groene beleggingenuitsluitend tot de bezittingen, indien de waarde van de groene beleg-gingen aan het begin van het kalenderjaar hoger is dan het in artikel 5.13,eerste lid, eerstvermelde bedrag. In dat geval wordt een deel van hetwerkelijke rendement van die groene beleggingen niet in aanmerkinggenomen. Dit deel wordt berekend door het werkelijke rendement van degroene beleggingen te vermenigvuldigen met het quotiënt van het inartikel 5.13, eerste lid, eerstvermelde bedrag en de waarde van de groenebeleggingen aan het begin van het kalenderjaar. Hierbij wordt hetwerkelijke rendement van de groene beleggingen bepaald met overeen-komstige toepassing van de artikelen 5.26 tot en met 5.31, 5.33 en 5.34.2. Ingeval de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde partnerheeft of voor de toepassing van artikel 2.17 geacht wordt te hebbengehad, wordt het eerste lid toegepast op de gezamenlijke groenebeleggingen van de belastingplichtige en zijn partner, met dien verstandedat daarbij het in artikel 5.13, eerste lid, als tweede vermelde bedragwordt toegepast.Artikel 5.33. Vermogensaanwas bij ontstaan of einde binnen-landse belastingplicht 1. Indien de belastingplichtige bij het begin van het kalenderjaar nogniet binnenlands belastingplichtig is, wordt bij de toepassing vanartikel 5.28 voor het begin van het kalenderjaar gelezen: het begin van debinnenlandse belastingplicht.2. Indien de binnenlandse belastingplicht gedurende het kalenderjaareindigt, wordt bij de toepassing van artikel 5.28 voor het einde van hetkalenderjaar gelezen: het einde van de binnenlandse belastingplicht.Artikel 5.34. Tijdstip genieten en aftrek 1. Reguliere voordelen behoren tot het werkelijke rendement in hetkalenderjaar waarin zij zijn:a. ontvangen;b. verrekend;c. ter beschikking gesteld;d. rentedragend geworden; ofe. vorderbaar en inbaar geworden.2. Negatieve reguliere voordelen behoren tot het werkelijke rendementin het kalenderjaar waarin zij zijn:a. betaald;b. verrekend;c. ter beschikking gesteld; ofTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 24 d. rentedragend geworden. BAan artikel 7.7 wordt een lid toegevoegd, luidende:5. Indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat het met overeen-komstige toepassing van afdeling 5.6 berekende werkelijke rendementvan de bezittingen in Nederland en van de schulden in verband met diebezittingen in Nederland per saldo lager is dan het voordeel uit sparen enbeleggen in Nederland, wordt het belastbare inkomen uit sparen enbeleggen in Nederland in afwijking van het eerste lid gesteld op hetwerkelijke rendement van die bezittingen en schulden.ARTIKEL II De Wet inkomstenbelasting 2001 wordt met ingang van 1 januari 2026als volgt gewijzigd: AAan artikel 5.27, eerste lid, wordt, onder vervanging van de punt aan hetslot van onderdeel h door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd,luidende:i. voordeel uit het voor eigen gebruik ter beschikking staan van eenonroerende zaak of een deel daarvan. BNa artikel 5.27 wordt een artikel ingevoegd, luidende:Artikel 5.27a. Waardering voordeel uit eigen gebruik van eenonroerende zaak 1. Het voordeel uit het voor eigen gebruik ter beschikking staan van eenonroerende zaak of een deel daarvan wordt gesteld op de economischehuurwaarde per jaar van die onroerende zaak, onderscheidenlijk van datdeel van die onroerende zaak.2. Indien een onroerende zaak of een deel daarvan een gedeelte van hetkalenderjaar voor eigen gebruik ter beschikking staat, wordt het voordeeluit het voor eigen gebruik ter beschikking staan gesteld op de econo-mische huurwaarde per jaar van die onroerende zaak, onderscheidenlijkvan dat deel van die onroerende zaak, gedeeld door het totale aantaldagen in het kalenderjaar en vermenigvuldigd met het aantal dagen in hetkalenderjaar dat die onroerende zaak, onderscheidenlijk dat deel van dieonroerende zaak, de gehele dag voor eigen gebruik ter beschikking staat.3. Een onroerende zaak of een deel daarvan staat in ieder geval nietvoor eigen gebruik ter beschikking voor zover die onroerende zaak,onderscheidenlijk dat deel van die onroerende zaak, wordt verhuurd ofverpacht, in aanbouw is of onbruikbaar is door een brand of eenverbouwing.ARTIKEL III In afwijking van artikel 2.17, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting2001 wordt voor de persoonsgebonden aftrek die voortvloeit uit eenherrekening van het verzamelinkomen over het kalenderjaar 2023 of 2024door toepassing van afdeling 5.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001,aangesloten bij de door de fiscale partners in de aangifte gekozenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 25 verdeling van uitgaven voor specifieke zorgkosten als bedoeld in afdeling6.5 van de Wet inkomstenbelasting 2001 of aftrekbare giften als bedoeld inafdeling 6.9 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Indien de belasting-plichtige tezamen met zijn partner op een andere wijze het extra bedragaan persoonsgebonden aftrek wil verdelen, kunnen zij hiervoor eenverzoek om ambtshalve vermindering indienen bij de inspecteur waarin zijhun gezamenlijke keuze kenbaar maken.ARTIKEL IV De Wet rechtsherstel box 3 wordt als volgt gewijzigd: AArtikel 1 wordt als volgt gewijzigd:1. Onder vernummering van het derde tot en met vijfde lid tot vierde toten met zesde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:3. Deze wet regelt tevens een tegenbewijsregeling op basis van hetwerkelijke rendement, bedoeld in artikel 6a, met betrekking tot deaanslagen, genoemd in het tweede lid, onderdelen a of b.2. Het zesde lid (nieuw) komt te luiden:6. Bij de toepassing van deze wet worden de Wet inkomstenbelasting2001, de daarop berustende bepalingen en het besluit toegepast zoalsdeze luidden in het kalenderjaar waarover het voordeel uit sparen enbeleggen of het werkelijke rendement van bezittingen en schulden wordtvastgesteld, met dien verstande dat:a. afdeling 5.6 van die wet wordt toegepast zoals die luidt op het bijkoninklijk besluit bepaalde tijdstip, bedoeld in artikel V;b. bij de toepassing van artikel 5.27, tweede lid, onderdeel b, van diewet artikel 5.2, derde lid, van die wet wordt toegepast zoals dat luidt ophet bij koninklijk besluit bepaalde tijdstip, bedoeld in artikel V. BIn artikel 5 wordt «de artikelen 2 en 3» vervangen door «de artikelen 2, 3of 6a». CArtikel 6 wordt als volgt gewijzigd:1. In het eerste lid en het tweede lid, onderdeel b, wordt «deze wet»vervangen door «artikel 2».2. Er worden acht leden toegevoegd, luidende:4. Indien het belastbare inkomen uit sparen en beleggen wordt bepaaldmet inachtneming van artikel 6a, vinden het eerste tot en met derde lidgeen toepassing en wordt het besluit toegepast met inachtneming van hetvijfde tot en met elfde lid.5. In afwijking van artikel 23, eerste lid, van het besluit bestaat hetbuitenlandse voordeel uit sparen en beleggen uit het gezamenlijke bedragaan werkelijk rendement van bezittingen in het buitenland en vanschulden in verband met die bezittingen. Daarbij zijn bezittingen in hetbuitenland bezittingen als bedoeld in artikel 23, tweede lid, van het besluitvoor zover de daaruit genoten opbrengsten zijn onderworpen aan eenbelasting naar het inkomen die vanwege de andere Mogendheid waarinde bezittingen zijn gelegen, wordt geheven.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 26 6. In afwijking van artikel 24, tweede lid, van het besluit wordt devermindering, bedoeld in het eerste lid van dat artikel, berekend metinachtneming van de inkomstenbelasting die over het belastbare inkomenuit sparen en beleggen na toepassing van artikel 6a, maar vóór devermindering ter voorkoming van dubbele belasting, verschuldigd zouzijn.7. Artikel 24, derde lid, van het besluit blijft buiten toepassing.8. In afwijking van artikel 24, vijfde lid, onderdelen a en b, van hetbesluit wordt verstaan onder:a. het forfaitaire rendement van de rendementsgrondslag in hetbuitenland: het werkelijke rendement van de bezittingen in het buitenland,bedoeld in artikel 23, tweede lid, van het besluit, en de schulden inverband met die bezittingen;b. het noemerinkomen: het belastbare inkomen uit sparen en beleggenzoals dat na toepassing van artikel 6a is vastgesteld.9. Voor de toepassing van het vijfde lid en het achtste lid, onderdeel a,worden het werkelijke rendement van de bezittingen in het buitenland enhet werkelijke rendement van de schulden in verband met die bezittingenbepaald met inachtneming van artikel 6a, tweede lid.10. Voor de toepassing van artikel 25, vierde lid, van het besluit wordtonder het bedrag aan berekende belasting op het belastbaar inkomen uitsparen en beleggen verstaan: het bedrag aan berekende belasting op hetbelastbare inkomen uit sparen en beleggen na toepassing van artikel 6a.11. Bij de toepassing van artikel 25b, vierde lid, van het besluit wordtartikel 6a toegepast bij het bepalen van het belastbare inkomen uit sparenen beleggen. DNa artikel 6 wordt een artikel ingevoegd, luidende:Artikel 6a. Tegenbewijsregeling op basis van werkelijkrendement 1. Indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat het werkelijkerendement van bezittingen en schulden lager is dan het voordeel uitsparen en beleggen dat ingevolge deze wet in aanmerking wordtgenomen, wordt het belastbare inkomen uit sparen en beleggen inafwijking van artikel 5.1 van de Wet inkomstenbelasting 2001 gesteld ophet werkelijke rendement van bezittingen en schulden, verminderd met depersoonsgebonden aftrek.2. Het werkelijke rendement van bezittingen en schulden wordt bepaaldmet toepassing van afdeling 5.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001.3. Indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat het werkelijkerendement van de bezittingen in Nederland en de schulden in verbandmet die bezittingen in Nederland lager is dan het voordeel uit sparen enbeleggen in Nederland, wordt het belastbare inkomen uit sparen enbeleggen in Nederland in afwijking van artikel 7.7, eerste lid, van de Wetinkomstenbelasting 2001 gesteld op het werkelijke rendement van dezebezittingen en schulden. Dit werkelijke rendement wordt berekend metovereenkomstige toepassing van het tweede lid.ARTIKEL V Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalentijdstip, met dien verstande dat:a. de artikelen I en III terugwerken tot en met 1 januari 2023;b. artikel IV terugwerkt tot en met 1 januari 2017.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 27 ARTIKEL VI Deze wet wordt aangehaald als: Wet tegenbewijsregeling box 3.Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst endat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulksaangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.GegevenDe Staatssecretaris van Financiën,Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 706, nr. 28
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.