KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een schriftelijk overleg over verzamelbrief moties en toezeggingen primair en voortgezet onderwijs (Kamerstuk 31293-777)

24 apr 2025 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 2a504838a6df82c9 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202531 293Primair Onderwijs31 289Voortgezet OnderwijsNr. 800 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 24 april 2025 De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft eenaantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Staatssecretaris vanOnderwijs, Cultuur en Wetenschap over de brief van 19 december 2024inzake de verzamelbrief moties en toezeggingen primair en voortgezetonderwijs (Kamerstukken 31 293 en 31 289, nr. 777).De vragen en opmerkingen zijn op 5 maart 2025 aan de Staatssecretarisvan Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voorgelegd. Bij brief van 24 april2025 zijn de vragen beantwoord.De voorzitter van de commissie,BrometAdjunct-griffier van de commissie,Arends kst-31293-800ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 8001 InhoudIVragen en opmerkingen uit de fracties2•Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie2•Inbreng van de leden van de VVD-fractie7•Inbreng van de leden van de NSC-fractie7•Inbreng van de leden van de D66-fractie8•Inbreng van de leden van de BBB-fractie9IIReactie van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur enWetenschap10 I Vragen en opmerkingen uit de fracties Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieKnelpunten Samen naar School in het Voortgezet OnderwijsDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben gelezen op welkemanier het kabinet de aangenomen motie van het lid Westerveld c.s.1uitvoert die oproept om Samen naar Schoolklassen in het vo2 verder testimuleren. De motie vraagt om een analyse te maken van de knelpuntenen een plan te maken om deze weg te nemen, waaronder de benodigdeaanpassingen in wet- en regelgeving, en dit plan voor het eind van hetjaar naar de Kamer te sturen. De Staatssecretaris schrijft na de analyse dater wettelijke belemmeringen zijn en belemmeringen in de praktijk en dater nog veel ruimte is voor verbetering om leerlingen met een beperkingregulier vo te laten volgen. De Staatssecretaris gaat komende periodehierover in gesprek met het veld om te kijken wat nodig is en informeertde Kamer in 2025. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn teleurge-steld over deze uitvoering. Het dictum van de motie vraagt heel duidelijkom een analyse te maken van de knelpunten, waaronder de benodigdeaanpassingen in wet- en regelgeving, en voor het einde van het jaar eenplan hiervoor naar de Kamer te sturen. De Staatssecretaris heeft echteralleen de analyse gemaakt en géén plan naar de Kamer gestuurd voor heteinde van het jaar om de knelpunten (waaronder in wet- en regelgeving)aan te pakken. Kan de Staatssecretaris uitleggen waarom zij dit gedeeltevan de motie niet heeft uitgevoerd? Wanneer zal dit plan wél komen?Nader informeren in 2025 is een breed begrip, kan de Staatssecretaristoezeggen met dit plan met concrete stappen te komen vóór het volgendecommissiedebat Passend onderwijs?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie ontvangen daarnaast zorgwek-kende signalen over Samen naar Schoolklassen die dreigen te verdwijnenvanwege ontoereikende financiering vanuit het samenwerkingsverband.Het gaat dan onder meer om Stichting Kanz. Kent de Staatssecretaris dezesignalen en is de Staatssecretaris het met deze leden eens dat dit zeeronwenselijk is, helemaal als het gaat om kwalitatief goede projectenwaarbij het dreigt te gebeuren dat leerlingen weer thuis komen te zitten?Zijn er meer scholen of projecten die juist bijdragen aan inclusiefonderwijs en die dreigen te verdwijnen die bekend zijn bij het Ministerievan Onderwijs, Cultuur en Wetenschap? Zo ja, op welke manier grijpt deStaatssecretaris in? Hoe gaat de Staatssecretaris voorkomen dat derge-lijke vormen van onderwijs, waarvan ook de Kamer al verschillende kerenexpliciet heeft aangegeven dit te willen bevorderen, verdwijnen vanwegefinancieringstekorten of samenwerkingsverbanden die onvoldoendemedewerking verlenen?1Kamerstuk 31 497, nr. 4872vo: voortgezet onderwijsTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 8002 Toegankelijkheid van digitale leermiddelenDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie erkennen de waarde van eennulmeting voor toegankelijke digitale leermiddelen. Elke leerling moetgebruik kunnen maken van digitale diensten in het onderwijs. De manierwaarop dergelijke technologie is ontworpen, mag nooit een drempel zijnvoor welke leerling dan ook. Deze leden dringen bij het kabinet erop aandat de toegankelijkheid van dienstverlening, zorg en onderwijs eenpublieke taak is. Zij zien het als een kabinetsverantwoordelijkheid omervoor te zorgen dat de technologie die in het onderwijs wordt gebruiktgeen leerlingen uitsluit. Hoe ziet de Staatssecretaris zelf haar rol voorzich? Op welke manier is het kabinet betrokken bij het bepalen van destandaarden, normen en richtlijnen voor de toegankelijkheid van digitaleleermiddelen? Is het kabinet in positie om van leveranciers af te dwingendat zij toegankelijke digitale leermiddelen maken? Is de Staatssecretarisvoornemens om de VN-Toegankelijkheidsakte ook toe te passen op hetonderwijs, en zou dit ook digitale leermiddelen betreffen? Als leerlingen,docenten of ouders/ verzorgers merken dat digitale leermiddelen niettoegankelijk zijn, waar kunnen zij dan terecht om dit te melden? Welkeonafhankelijke organisatie(s) zien toe op de toegankelijkheid van digitaleleermiddelen en kunnen mensen daar terecht om een klacht in te dienen?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie erkennen het nut van eennulmeting voor de toegankelijkheid van digitale leermiddelen maarhebben zorgen over de breedte van het onderzoek. Zij verwachten datzo’n brede onderzoeksvraag kan leiden tot onduidelijke resultaten. Als deuitkomst is dat nader onderzoek nodig is, zijn deze leden van mening datde Staatssecretaris geen stap verder is in het nemen van de nodige acties.Wat is precies het doel van de nulmeting? Op welke manier gaan deuitkomsten haar helpen om actie te ondernemen?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zien de vrije keuze tussenfysieke en digitale leermiddelen als een onderdeel van toegankelijkheid.Het is aan leerlingen, leraren en schoolbesturen om zelf te bepalen watvoor soort leermiddelen het best bij hun onderwijs past. Niet elke leerlingzal makkelijk gebruik kunnen maken van digitale leermiddelen en viceversa. Uit de praktijk blijkt echter dat in sommige gevallen fysiekeleermiddelen alleen aangeboden worden als verlengstuk van een digitaleversie. Door dit soort verplichte combipakketten beperken uitgevers dekeuzevrijheid van scholen en worden er onnodige kosten gemaakt. Watkan de Staatssecretaris doen om te garanderen dat uitgevers een vrijekeuze bieden aan scholen? Hebben uitgevers een financieel belang in hetvoornamelijk aanbieden van digitale leermiddelen, omdat drukkosten enleverkosten worden vermeden? Welk inzicht kan de Staatssecretaris gevenin de winstmarges van uitgevers van leermiddelen? Zijn de winstmargesop digitale leermiddelen aanzienlijk hoger dan de marges op fysiekeleermiddelen? Welke inzichten verwacht de Staatssecretaris van hetaangekondigde ACM3 onderzoek naar de (digitale) leermiddelenmarkt?4De leden zijn van mening dat meer transparantie over de (digitale)leermiddelenmarkt goed is voor de concurrentie en keuzevrijheid vanscholen en kwaliteitsverbeteringen aanjaagt. Welke rol kan de Staatssecre-taris spelen om deze transparantie te vergroten? Is het mogelijk om eenopenbaar platform te ontwikkelen waarop onafhankelijke informatie overde kwaliteit en toegankelijkheid van digitale leermiddelen te vinden is?3ACM: Autoriteit Consument & Markt4ACM gaat onderzoek doen naar leermiddelenmarkt – Kennisnet (17 februari 2025)Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 8003 Reactie Kamermotie over tracking en Big Tech in het onderwijsDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie uiten hun grote zorgen over detotale afhankelijkheid die dreigt te ontstaan van Amerikaanse techbe-drijven in alle sectoren, met in het bijzonder overheid, zorg en onderwijs.In dit onvoorspelbare geopolitieke klimaat moeten we voorbereid zijn ophet ergste; in dit geval zou het betrekken van digitale diensten in eenhandelsoorlog geïnstigeerd door de regering-Trump kunnen leiden totonbeheersbare kostenstijgingen in het onderwijs. Bovendien achten dezeleden de afhankelijkheid van Big Tech een risico voor de privacy en(data)veiligheid van leerlingen, met de kennis dat Amerikaanse wetgevinggeforceerde toegang tot data toestaat en de privacy-afspraken tussen deEU en de VS (EU-VS Data Privacy Framework) juridisch wankel zijn. Deleden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben de Staatssecretaris vanBinnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties gevraagd dit risico te onder-zoeken in het kader van de overheids-ICT. Welke gevolgen heeft het voorhet onderwijs als het EU-VS Data Privacy Framework onrechtmatig wordtverklaard? Ziet de Staatssecretaris dit als een reden om de onderwijs-sector met vaart minder afhankelijk te maken van Amerikaanse techgi-ganten? Vindt de Staatssecretaris het nodig dat onderwijsinstellingen eenexitstrategie paraat hebben als zij diensten afnemen van Big Tech? Kan deStaatssecretaris een tijdlijn geven van de acties en onderzoeken die nogvolgen voor de uitvoering van de motie van het lid Kathmann5? Voelt deStaatssecretaris de urgentie om deze acties te versnellen? Kan deStaatssecretaris op korte termijn geschikte Nederlandse en Europesealternatieven in kaart brengen voor de diensten die in het onderwijs nuhet meeste worden afgenomen van Big Tech en hierbij het recente rapportover de EuroStack6 betrekken?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben ook zorgen over de dataprotection impact assessments (DPIA’s) en verwerkersovereenkomsten diescholen met dataverwerkers moeten afsluiten. Dit is volgens deze ledeneen grote verantwoordelijkheid om neer te leggen bij scholen die krapbezet zijn en scherp moeten prioriteren. Desondanks is het noodzakelijkvoor het beschermen van de gegevens van (oud-)leerlingen. Hoe wordterop toegezien dat DPIA’s worden nageleefd? Hoe helpt de Staatssecre-taris scholen die nog geen DPIA hebben uitgevoerd of moeite hebben omdeze na te leven? Is bij u bekend of alle scholen conform het beleid eenverwerkersovereenkomst hebben afgesloten? Heeft de Staatssecretarisinzicht in de dekkingsgraad van deze overeenkomsten met derden? Hoewordt erop toegezien dat verwerkersovereenkomsten worden nageleefd?Welke rol heeft de Staatssecretaris om scholen hierin te ondersteunen?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben ook nog enkele vragenen zorgen over volgsystemen van leerlingen. Niet alleen Big Tech doetaan tracking van leerlingen, maar in het digitale onderwijs is er ook sprakevan surveillance, zoals in de COVID-periode pijnlijk duidelijk werd. Welkevormen van leerling-tracking worden gebruikt in Nederland, los vanBig Tech-platforms? Wordt naast de gevolgen voor de privacy vanleerlingen, ook de pedagogische impact van dit soort tracking onderzocht?Zo ja, hoe? Denk met name aan de gevolgen voor de mentale gezondheiden prestatiedruk ervaren door leerlingen. Hoe zorgt de Staatssecretariservoor dat scholen zich bewust zijn van de brede gevolgen voor leerlingenen kritisch omgaan met de inzet van volgsystemen? Vindt de Staatssecre-taris het nodig om over de inzet van leerlingvolgsystemen (scherpere)afspraken te maken met het onderwijs?5Kamerstuk 32 761, nr. 2776EuroStack (februari 2025)Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 8004 De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie wijzen erop dat het informeleonderwijs ook een cruciale rol speelt in het bevorderen van digitalevaardigheden voor volwassenen. Er zijn Nederlandse non-profit organi-saties die digitaal cursusmateriaal maken over hoe overheidsdienstenwerken. Dergelijke diensten worden door vrijwel alle gemeenten gebruiktin het lokale cursusaanbod van openbare bibliotheken, gefinancierd vialandelijke inkoop door de bibliotheeksector. Deze middelen zijn onzeker,niet structureel en ontoereikend, waardoor de continuïteit en opschalingvan het aanbod onder druk staan. Het is een uitgesproken ambitie van ditkabinet om de digitale overheid toegankelijk te maken voor iedereen. Dezeleden benadrukken dat het aanbod van non-profit organisaties als deStichting Digisterker en Oefenen.nl bijdragen aan deze ambitie. Op13 november 2024, in het debat over laaggeletterdheid7, merkte deStaatssecretaris op dat organisaties zoals Oefenen.nl in één jaar65.000 mensen heeft bereikt. Deze organisatie ontvangt echter geenmiddelen van het ministerie. Is dit bij de Staatssecretaris bekend? Volgensde leden van de GroenLinks-PvdA-fractie moeten deze non-profitorganisaties kunnen rekenen op publieke financiering, omdat zij eenonmisbare rol spelen in het verbeteren van digitaal burgerschap. Met eenkleine financiële bijdrage kan de Staatssecretaris de continuïteit, kwaliteiten toegankelijkheid van deze diensten verzekeren. Is de Staatssecretarisbereid om ketenpartijen zoals Stichting Digisterker, Oefenen.nl ensoortgelijke organisaties te voorzien van een financiële bijdrage? Erkentde Staatssecretaris dat structurele publieke financiering deze partijenhelpt om nu en in de toekomst goed lesmateriaal te ontwikkelen dat breedwordt afgenomen en bijdraagt aan kabinetsdoelen? Welke beschikbaremiddelen kan de Staatssecretaris hiervoor inzetten, zoals middelen vanuitde Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) of de middelen voor LevenLang Ontwikkelen (LLO)? Is de Staatssecretaris bereid om een deel vandeze middelen beschikbaar te maken voor het non-formele onderwijs datdigitale vaardigheden bevordert? Welke organisaties ontvangen reedslandelijke financiering voor het bevorderen van digitale vaardigheden?Deze leden zijn bezorgd over het gebrek aan digitale vaardigheden onderjongeren. Het onderwijs slaagt er vaak niet in om leerlingen voor tebereiden op het zakendoen met de digitale overheid, waardoor zij na hun18e niet op de hoogte zijn van hun plichten en rechten (onder andere hetdoen van inkomstenbelasting, het aanvragen van studiefinanciering, hetontvangen van zorgtoeslag). Dit raakt vooral jongeren die geen sociaalvangnet hebben om op terug te vallen. Hierdoor dreigt digitalisering dekloof tussen jongeren mét en zónder vangnet te vergroten, met negatievegevolgen voor de kansengelijkheid in Nederland. Deelt de Staatssecretarisde mening dat het aanleren van praktische digitale vaardigheden, gerichtop zogenaamde «life skills», thuishoort in het formele onderwijs? Vindt deStaatssecretaris dat dit nu voldoende is geborgd in het curriculum? Kande Staatssecretaris dit belang benadrukken in de opdracht aan bijvoor-beeld de Stichting Leerplan Ontwikkeling (SLO) voor het ontwikkelen vanhet curriculum? Kan dit ook gedaan worden in gesprekken met het mbo8?De leden wijzen erop dat de versnippering van beleid over de Ministeriesvan OCW, BZK, SZW en EZ tot gevolg heeft dat er geen centrale regie isop het verbeteren van digitale vaardigheden. In een steeds meer digitalesamenleving is het van groot belang dat mensen de weg naar de digitaleoverheid weten te vinden. Kan de Staatssecretaris uitleggen met welkecollega-bewindspersonen zij verantwoordelijk is voor het verbeteren vandigitale vaardigheden? Welke bewindslieden stellen hier middelen voorbeschikbaar? Welke organisaties ontvangen nu subsidie?7Kamerstuk 28 760, nr. 1248mbo: middelbaar beroepsonderwijsTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 8005 Tot slot op dit punt vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieaandacht voor de onmisbare rol van de Informatiepunten DigitaleOverheid (IDO’s) in het toegankelijk maken van de overheid en hetaanbieden van cursussen voor digitale vaardigheden. Deze leden vragende Staatssecretaris en haar collega’s om spoedig met een plan te komenom de dienstverlening van deze loketten volwaardig door te zetten, ook nade bezuiniging van tien procent en het verdwijnen van de SPUK9-middelen. Vindt de Staatssecretaris het op peil houden van het cursus-aanbod waar IDO’s naar verwijzen een onderdeel van het op peil houdenvan de IDO-dienstverlening, wat haar collega van BZK heeft toegezegd? Isde Staatssecretaris bereid om de financiële situatie van cursusaanbiedersook te betrekken in de lopende gesprekken over het op peil houden vanIDO’s?LeerlingenvervoerDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben de resultaten van detwee peilingen en monitor van het leerlingenvervoer gelezen. Deze ledenzijn niet verbaasd over de resultaten, aangezien zij nog steeds veelsignalen krijgen van ouders en leerlingen dat het leerlingenvervoer nietop orde is. Ook de grote verschillen tussen gemeenten is niet nieuw. Dezeleden zien in deze brief echter vooral constateringen van de Staatssecre-taris, maar weinig uitleg over vervolgacties naar aanleiding van dezepeilingen en monitor. Hoe verhouden die zich tot de constatering van deStaatssecretaris in het vragenuur van 17 oktober 2023 (alweer anderhalfjaar geleden) dat «Het tempo (van de verbeteringen) te laag ligt»?10 Watzijn de acties die volgen uit deze peilingen en monitor? De Staatssecre-taris gaat in gesprek met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten(VNG), wanneer zal dat gesprek plaatsvinden? Kan zij de Kamer vóór hetcommissiedebat over passend onderwijs een stand van zakenbrief sturenover deze gesprekken met de VNG over het leerlingenvervoer? Hoe staathet met de verbeteragenda doelgroepenvervoer, die getrokken wordt doorde Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport? Wat is de rolen de betrokkenheid van de VNG bij deze aanpak? Deze leden lezen ookdat 81 procent van de gemeenten geen onderscheid kan maken naar dereden van vervoer en dat 50 procent van de gemeenten niet weet hoe langkinderen onderweg zijn. Hoe kunnen gemeenten deze monitoringverbeteren? En hoe kunnen gemeenteraden beter in positie wordengebracht om de controle uit te voeren op doelgroepenvervoer en specifiekleerlingenvervoer? De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie wijzen hierbijuitdrukkelijk op internationale verdragen, zoals het Internationaal Verdragvoor de Rechten van het Kind en het VN-Verdrag Handicap en vragen hetkabinet of zij met deze leden delen dat uit beide verdragen de verplichtingvoor het kabinet volgt om maatregelen te nemen zodat kinderen met eenbeperking naar school kunnen en belemmeringen worden weggenomen.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat er ook betergebruik gemaakt kan worden van alternatieven, zoals het reguliereopenbaar vervoer en (aangepaste) fietsen, mits passend bij de leeftijd enzelfstandigheid van leerlingen. Ook zijn er trainingen voorhanden omleerlingen te leren zelfstandig te reizen. In hoeverre wordt dit aange-boden? Zijn er belemmeringen zoals bijvoorbeeld kosten voor ouders?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of het kabinet bekend ismet regio’s die hebben besloten om een eigen vervoersdienst te startenzoals de regio Gooi- en Vechtstreek.11 Klopt het dat deze manier van9SPUK: Subsidies Specifieke uitkeringen10Handelingen II, vergaderjaar 2023/24, nr. 13, item 4, blz. 1.11Downloads | Vervoer Regio Gooi & VechtstreekTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 8006 organiseren in deze regio heeft gezorgd voor kwalitatief goed doelgroe-penvervoer en zo ja, is dit iets om als voorbeeld te delen met andereregio’s?Daarnaast ontvangen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zorgwek-kende signalen over leerlingenvervoer dat bij een (spoed)uithuisplaatsingvaak niet goed is geregeld. Deelt het kabinet de mening van deze ledendat het voor kinderen die uit huis worden geplaatst belangrijk is om (tenzijhier goede redenen voor zijn) naar de eigen school te blijven gaan om zocontact met de eigen leraren en klasgenoten te blijven houden en tevoorkomen dat er onderwijsachterstanden worden opgelopen? Bij wie ligtde verantwoordelijkheid om in het geval van een spoeduithuisplaatsing tezorgen voor passend leerlingenvervoer? Kan het kabinet al deze vragen ende stand van zaken met de Verbeteragenda Doelgroepenvervoermeenemen in de brief vóór het commissiedebat Passend onderwijs?Inbreng van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van deVerzamelbrief moties en toezeggingen primair en voortgezet onderwijs enhebben daarover nog enkele vragen.Voortgang subsidie Impuls en Innovatie BewegingsonderwijsVoor de leden van de VVD-fractie is een stevig fundament voor voldoendeen goed bewegingsonderwijs belangrijk. Zij hebben met interessekennisgenomen van de uitwerking van de motie van het lid RudmerHeerema12 en kijken uit naar de evaluatie van de subsidieregeling. Zijvragen of de Staatssecretaris vooruitlopend op de evaluatie kan aangevenof het po13-scholen lukt om te voldoen aan de urennorm bewegingson-derwijs. Heeft de Staatssecretaris het idee dat scholen zich voldoendehebben kunnen aanpassen aan de nieuwe urennorm? Wordt er op allepo-scholen voldaan aan de 90 minuten bewegingsonderwijs?Identiteitsverklaringen in het onderwijsDe leden van de VVD-fractie zijn blij te lezen dat de Staatssecretaris deeltdat identiteitsverklaringen die de sociale veiligheid van onder anderelhbtiq+-leerlingen onder druk zetten, onacceptabel zijn. Voor deze leden isessentieel dat iedereen welkom is op school. Zij vragen verder in te gaanop welke instrumenten de Wet vrij en veilig onderwijs biedt om deeventuele discriminatie die voortvloeit uit het ondertekenen van identi-teitsverklaringen aan te pakken. Blijft het voor scholen mogelijk om vanleerlingen te eisen om een identiteitsverklaring te ondertekenen? Blijft hetop basis daarvan mogelijk voor scholen om leerlingen te weigeren? Hoeziet de Staatssecretaris dit? Deze leden vragen welke verdere maatregelende Staatssecretaris voor zich ziet om discriminatie op scholen te tackelen.Inbreng van de leden van de NSC-fractieDe leden van de NSC-fractie hebben kennisgenomen van de Verzamelbriefmoties en toezeggingen primair en voortgezet onderwijs en hebben op ditmoment geen vragen of opmerkingen.12Kamerstuk 35 570 VIII, nr. 4213po: primair onderwijsTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 8007 Inbreng van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van deverzamelbrief. Zij hebben enkele vragen met betrekking tot de bezuini-gingen op gymlessen, de veiligheid van data van scholieren en dezorgelijke ontwikkelingen op het gebied van leerlingenvervoer.De leden van de D66-fractie willen graag weten wat de impact is van hetbezuinigen op de subsidieregeling Impuls en Innovatie Bewegingson-derwijs. Deze leden willen graag weten van de Staatssecretaris hoeveelbanen hierdoor verdwijnen en of het kabinet inzichtelijk kan maken welken hoeveel extra werk hierdoor bij leraren komt te liggen. Deze ledenmerken op dat scholen wettelijk verplicht zijn om minimaal 1,5 uur perweek bewegingsonderwijs aan te bieden. In dat kader vinden zij hetbijzonder vreemd dat het kabinet ervoor kiest om deze subsidieregelingweg te halen, zeker gezien maar een derde van de scholen aan dezeverplichting voldoet. Vindt de Staatssecretaris dit niet ook tegenstrijdig?Deze leden vragen hoe scholen geacht worden om deze wettelijke doelente behalen zonder de middelen daarvoor. Moeten zij dit vanuit delumpsum gaan financieren, zo vragen deze leden. In algemene zin vragende leden van de D66-fractie wat het kabinet gaat doen om de wettelijkeverplichting te behalen.De leden van de D66-fractie lezen dat de Staatssecretaris haar consta-tering herhaalt dat de huidige EU-regelgeving al een voldoende effectiefinstrument is om publieke waarden te borgen. Deze leden zijn het nieteens met deze constatering en stellen dat er meer nodig is, zeker geziende vijandigheid van Elon Musk en Mark Zuckerberg richting de Europesedigitale dienstenverordening. Hoe ziet de Staatssecretaris dit? Bovendienvragen deze leden hoe veilig de data van Nederlandse kinderen is inAmerikaanse handen. Veel scholen gebruiken de werkomgevingen vanGoogle, Microsoft of Apple. Maar de VS lijkt de afspraak met de EU teschenden, onder andere doordat president Trump het Privacy and CivilLiberties Oversight Board (PCLOB) effectief buiten werking heeft gesteld.Vindt de Staatssecretaris dat de data van kinderen nog steeds veilig isopgeslagen? Welke gevolgen heeft het buiten werking stellen van hetPCLOB voor het gebruik van Amerikaanse digitale diensten in hetonderwijs? Is de Staatssecretaris van mening dat er opnieuw een DPIAuitgevoerd moet worden voor Amerikaanse digitale diensten die gebruiktworden in het onderwijs?De leden van de D66-fractie vragen wat de Staatssecretaris concreet gaatdoen ten aanzien van het leerlingenvervoer. Uit het onderzoek blijkenzorgelijk grote verschillen tussen gemeenten. Een kwart van de leerlingenkan regelmatig niet goed meedoen in de les door het vervoer. Deze ledenvinden het zeer zorgelijk dat het recht op onderwijs van leerlingengeschonden wordt. De Staatssecretaris verzoekt de gemeenten hunverantwoordelijkheid te nemen en spreekt allerlei verwachtingen uit, maarverbindt daar geen concrete acties aan naast «gesprekken». Welke actiesneemt de Staatssecretaris als systeemverantwoordelijke voor het stelselvan leerlingenvervoer concreet? Hoe gaat het kabinet het recht oponderwijs van deze kinderen beschermen? Bovendien merken deze ledenop dat dit kabinet gemeenten kort met 2,4 miljard euro structureel. Zijvragen hoe gemeenten geacht kunnen worden om hun vervoer op orde tebrengen als gemeenten fors moeten bezuinigen op hun dienstverlening.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 8008 Inbreng van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de Verzamelbriefmoties en toezeggingen primair en voortgezet onderwijs. De ledenhebben hier enkele vragen en opmerkingen over.In de paragraaf Knelpunten Samen naar School in het VoortgezetOnderwijs lezen de leden van de BBB-fractie dat sommige scholen ervanuitgaan dat binnen een onderwijsniveau hooguit één keer gedoubleerdzou mogen worden, maar dat dit niet zo in de wet staat. Deze ledenvragen hoe dit misverstand ontstaan is en wat kan worden gedaan om ditduidelijker te maken voor de scholen. Bij de paragraaf Leerlingenvervoerconstateren de leden van de BBB-fractie dat zowel de brief als de monitorniet ingaat op de oorzaken van klachten terwijl de brief wel spreekt overde oplossingsrichtingen voor problematiek. Deze leden hebben hierbij devraag of personeelstekorten met betrekking tot het leerlingenvervoer hierook in meegenomen worden.De leden van de BBB-fractie lezen dat een gemeente het vervoer van deleerlingen meestal uitbesteedt aan een vervoersbedrijf en dat vanwege deomvang van het leerlingenvervoer de meeste gemeenten verplicht zijn omeen Europese aanbestedingsprocedure te doorlopen. Deze vervoerderverzorgt op grond van de gestelde eisen in het contract het vervoer. Dezeleden willen dat er strengere eisen komen aan de uitbesteding vanleerlingenvervoer, om malafide vervoerders tegen te gaan. Het verontrustdeze leden dat een kwart van de gemeenten aangeeft niet te weten of ereisen rondom kwaliteit zijn gesteld bij de aanbesteding. Deze ledenvragen dan ook hoe dit beter onder de aandacht van gemeenten kanworden gebracht. Het valt deze leden op dat aan de vervoerder gesteldekwaliteitseisen uiteenlopend zijn. Zo heeft slechts de helft van degemeenten eisen rondom het aantal wisselende chauffeurs en het aantalleerlingen in het busje. Deze leden vragen hierbij of meer uniformeaanbestedingen mogelijk kunnen bijdragen in de strijd tegen malafidevervoerders.Bij de paragraaf Publicatie evaluatie van het Besluit uitwisseling leer- enbegeleidingsgegevens constateren de leden van de BBB-fractie datongeveer een derde van de basisscholen naar eigen zeggen niet weetwelke gegevens er wettelijk gezien wel en niet mogen worden overge-dragen aan de middelbare school. Het gaat hierbij om gegevens oververzuimhistorie, sociaal-emotionele ontwikkeling en gedrag of extrabegeleiding of ondersteuning. Deze leden vragen op welke wijze ergewerkt gaat worden aan de verdere bewustwording van deze basis-scholen. Ook lezen deze leden dat het voor scholen op onderdelenonduidelijk is hoe zij ouders dienen te betrekken bij overdrachtsdossiers.Zo wordt het correctierecht van ouders ruim geïnterpreteerd. De ledenvan de BBB-fractie vragen hoe ook hierover de kennis binnen scholen kanworden verbeterd. Daarnaast vragen deze leden hoe kan wordenvoorkomen dat gegevens over nationaliteit en herkomst in het dossierworden opgenomen, aangezien dit niet mag. Tot slot over dit punt lezenzij dat een deel van de scholen zich niet houdt aan de wettelijke bewaar-termijn van de dossiers. Deze leden vragen of mogelijkheden om dossiersautomatisch te verwijderen meer kunnen worden benut.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 8009 II Reactie van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur enWetenschap Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieKnelpunten Samen naar School in het Voortgezet OnderwijsDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben gelezen op welkemanier het kabinet de aangenomen motie van het lid Westerveld c.s.14uitvoert die oproept om Samen naar Schoolklassen in het vo15 verder testimuleren. De motie vraagt om een analyse te maken van de knelpuntenen een plan te maken om deze weg te nemen, waaronder de benodigdeaanpassingen in wet- en regelgeving, en dit plan voor het eind van hetjaar naar de Kamer te sturen. De Staatssecretaris schrijft na de analyse dater wettelijke belemmeringen zijn en belemmeringen in de praktijk en dater nog veel ruimte is voor verbetering om leerlingen met een beperkingregulier vo te laten volgen. De Staatssecretaris gaat komende periodehierover in gesprek met het veld om te kijken wat nodig is en informeertde Kamer in 2025. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn teleurge-steld over deze uitvoering. Het dictum van de motie vraagt heel duidelijkom een analyse te maken van de knelpunten, waaronder de benodigdeaanpassingen in wet- en regelgeving, en voor het einde van het jaar eenplan hiervoor naar de Kamer te sturen. De Staatssecretaris heeft echteralleen de analyse gemaakt en géén plan naar de Kamer gestuurd voor heteinde van het jaar om de knelpunten (waaronder in wet- en regelgeving)aan te pakken. Kan de Staatssecretaris uitleggen waarom zij dit gedeeltevan de motie niet heeft uitgevoerd? Wanneer zal dit plan wél komen?Nader informeren in 2025 is een breed begrip, kan de Staatssecretaristoezeggen met dit plan met concrete stappen te komen vóór het volgendecommissiedebat Passend onderwijs?Samen naar School-klassen (SNS-klassen) kunnen een belangrijke rolspelen in het zorgen voor onderwijs aan een kwetsbare groep leerlingenop een plek dichtbij huis. Ik vind het dan ook positief dat het aantalSNS-klassen steeds verder stijgt. Tegelijkertijd blijkt het in het voortgezetonderwijs nog lastig om een SNS-klas te starten. In 2024 is er daarom,naar aanleiding van de motie Westerveld (GroenLinks-PvdA), gewerkt aanhet in kaart brengen van de knelpunten die er zijn voor het opstarten vande SNS-klassen in het voortgezet onderwijs. Dit is gedaan met mensen uithet veld. Het kabinet heeft u in december 2024 per brief geïnformeerdover de geconstateerde knelpunten. De komende periode wordt samenmet het veld gekeken wat er nodig is om deze knelpunten weg te nemenen wordt hier een plan voor gemaakt. De oplossingen zijn vaak complexen liggen niet alleen bij het Ministerie van OCW, maar ook bij anderepartijen, zoals de samenwerkingsverbanden Passend Onderwijs, scholenen gemeenten. Na de zomer wordt uw Kamer hierover geïnformeerd.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie ontvangen daarnaast zorgwek-kende signalen over Samen naar Schoolklassen die dreigen te verdwijnenvanwege ontoereikende financiering vanuit het samenwerkingsverband.Het gaat dan onder meer om Stichting Kanz. Kent de Staatssecretaris dezesignalen en is de Staatssecretaris het met deze leden eens dat dit zeeronwenselijk is, helemaal als het gaat om kwalitatief goede projectenwaarbij het dreigt te gebeuren dat leerlingen weer thuis komen te zitten?Zijn er meer scholen of projecten die juist bijdragen aan inclusiefonderwijs en die dreigen te verdwijnen die bekend zijn bij het Ministerievan Onderwijs, Cultuur en Wetenschap? Zo ja, op welke manier grijpt de14Kamerstuk 31 497, nr. 48715vo: voortgezet onderwijsTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 80010 Staatssecretaris in? Hoe gaat de Staatssecretaris voorkomen dat derge-lijke vormen van onderwijs, waarvan ook de Kamer al verschillende kerenexpliciet heeft aangegeven dit te willen bevorderen, verdwijnen vanwegefinancieringstekorten of samenwerkingsverbanden die onvoldoendemedewerking verlenen?Ieder kind heeft recht op het volgen van onderwijs. Daarom is het de taakvan samenwerkingsverbanden passend onderwijs te zorgen voor eendekkend netwerk van onderwijs en ondersteuningsvoorzieningen.SNS-klassen kunnen hierin een belangrijke rol spelen. Het aantalSNS-klassen stijgt landelijk gezien steeds verder. Toch kan het voorkomendat binnen een samenwerkingsverband wordt gekozen voor het biedenvan onderwijs aan deze groep kinderen via een andere weg, bijvoorbeeldbinnen een school voor cluster 4 van het gespecialiseerd onderwijs. Ditkan betekenen dat de financiering voor de SNS-klas wordt stopgezet. DeInspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) houdt toezicht op hetzorgen voor een dekkend netwerk van voorzieningen binnen eensamenwerkingsverband. Als hier tekortkomingen zijn dan kan de inspectieeen herstelopdracht geven.Toegankelijkheid van digitale leermiddelenDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie erkennen de waarde van eennulmeting voor toegankelijke digitale leermiddelen. Elke leerling moetgebruik kunnen maken van digitale diensten in het onderwijs. De manierwaarop dergelijke technologie is ontworpen, mag nooit een drempel zijnvoor welke leerling dan ook. Deze leden dringen bij het kabinet erop aandat de toegankelijkheid van dienstverlening, zorg en onderwijs eenpublieke taak is. Zij zien het als een kabinetsverantwoordelijkheid omervoor te zorgen dat de technologie die in het onderwijs wordt gebruiktgeen leerlingen uitsluit. Hoe ziet de Staatssecretaris zelf haar rol voorzich? Op welke manier is het kabinet betrokken bij het bepalen van destandaarden, normen en richtlijnen voor de toegankelijkheid van digitaleleermiddelen? Is het kabinet in positie om van leveranciers af te dwingendat zij toegankelijke digitale leermiddelen maken? Is de Staatssecretarisvoornemens om de VN-Toegankelijkheidsakte ook toe te passen op hetonderwijs, en zou dit ook digitale leermiddelen betreffen? Als leerlingen,docenten of ouders/ verzorgers merken dat digitale leermiddelen niettoegankelijk zijn, waar kunnen zij dan terecht om dit te melden? Welkeonafhankelijke organisatie(s) zien toe op de toegankelijkheid van digitaleleermiddelen en kunnen mensen daar terecht om een klacht in te dienen?Het is belangrijk dat digitale leermiddelen voor alle leerlingen toegankelijkzijn. Bij de totstandkoming van de Europese Toegankelijkheidsakte, deEuropean Accessability Act (EEA), voor producten en diensten zijne-boeken meegenomen maar digitale leermiddelen niet, omdat ditinteractieve producten zijn. Hierdoor is het niet mogelijk om een automa-tische doorvertaling te maken in, in onze eigen wet- en regelgeving.Daarom wordt de komende periode in kaart gebracht welke knelpunten erzijn op het gebied van toegankelijkheid van leermiddelen en hoe we diekunnen verhelpen. Daarbij wordt ook gekeken of het nodig is omstandaarden, normen of richtlijnen te ontwikkelen. Er is geen specifiekmeldpunt voor ontoegankelijke digitale leermiddelen, maar in deonafhankelijke verkenning die momenteel wordt uitgevoerd naar devorming van een kwaliteitsalliantie voor leermiddelen, neem ik toeganke-lijkheid mee.Op dit moment verstrekt OCW al wel subsidies aan organisaties zoalsDedicon en Stichting Toegankelijke Informatie om leermiddelen toegan-kelijk te maken. Daarnaast wordt in het programma Impuls OpenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 80011 Leermateriaal gewerkt aan het verbeteren van de toegankelijkheid. Samenmet scholen, leraren en experts wordt er een rijke verzameling leermate-riaal ontwikkeld die vrij toegankelijk, aanpasbaar en direct inzetbaar is,ook in het gespecialiseerd onderwijs. Om tot slot uitgevers te helpen hetlesmateriaal vanaf de bron toegankelijk te maken, zijn diverse tools enhandreikingen ontwikkeld, die beschikbaar zijn op inclusiefpubliceren.nl.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie erkennen het nut van eennulmeting voor de toegankelijkheid van digitale leermiddelen maarhebben zorgen over de breedte van het onderzoek. Zij verwachten datzo’n brede onderzoeksvraag kan leiden tot onduidelijke resultaten. Als deuitkomst is dat nader onderzoek nodig is, zijn deze leden van mening datde Staatssecretaris geen stap verder is in het nemen van de nodige acties.Wat is precies het doel van de nulmeting? Op welke manier gaan deuitkomsten haar helpen om actie te ondernemen?Het onderzoek naar de toegankelijkheid van (digitale) leermiddelen moetin kaart brengen in welke mate er sprake is van (on)toegankelijkheid,hoeveel leermiddelen ontoegankelijk zijn en wat de oorzaak van deontoegankelijkheid is. Onder (digitale) leermiddelen verstaan we al hetlesmateriaal zoals methodes, toetsmateriaal en overige leermiddelenzoals platforms en registratieapplicaties16. Wanneer dit in kaart isgebracht zal gekeken worden in hoeverre de EAA al handvatten biedt voorhet eventueel ontwikkelen van standaarden, normen, en richtlijnen.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zien de vrije keuze tussenfysieke en digitale leermiddelen als een onderdeel van toegankelijkheid.Het is aan leerlingen, leraren en schoolbesturen om zelf te bepalen watvoor soort leermiddelen het best bij hun onderwijs past. Niet elke leerlingzal makkelijk gebruik kunnen maken van digitale leermiddelen en viceversa. Uit de praktijk blijkt echter dat in sommige gevallen fysiekeleermiddelen alleen aangeboden worden als verlengstuk van een digitaleversie. Door dit soort verplichte combipakketten beperken uitgevers dekeuzevrijheid van scholen en worden er onnodige kosten gemaakt. Watkan de Staatssecretaris doen om te garanderen dat uitgevers een vrijekeuze bieden aan scholen? Hebben uitgevers een financieel belang in hetvoornamelijk aanbieden van digitale leermiddelen, omdat drukkosten enleverkosten worden vermeden? Welk inzicht kan de Staatssecretaris gevenin de winstmarges van uitgevers van leermiddelen? Zijn de winstmargesop digitale leermiddelen aanzienlijk hoger dan de marges op fysiekeleermiddelen? Welke inzichten verwacht de Staatssecretaris van hetaangekondigde ACM17 onderzoek naar de (digitale) leermiddelenmarkt?18De leden zijn van mening dat meer transparantie over de (digitale)leermiddelenmarkt goed is voor de concurrentie en keuzevrijheid vanscholen en kwaliteitsverbeteringen aanjaagt. Welke rol kan de Staatssecre-taris spelen om deze transparantie te vergroten? Is het mogelijk om eenopenbaar platform te ontwikkelen waarop onafhankelijke informatie overde kwaliteit en toegankelijkheid van digitale leermiddelen te vinden is?Scholen hebben de ruimte en verantwoordelijkheid om lesmateriaal tekiezen dat past bij hun onderwijsvisie en leerlingen. Flexibiliteit eninteroperabiliteit van het aanbod stellen hen in staat om lesmateriaal vanverschillende aanbieders te selecteren. Leraren kunnen hiermee eenoptimale leeromgeving creëren die leerlingen motiveert en betrokken16Bij een platform kan gedacht worden aan de locatie waar de leerling de diverse lesmethodeskan vinden en bij een registratieapplicatie kan gedacht worden aan de app waarin de leerlingwerkstukken uploadt en toetsuitslagen kan vinden.17ACM: Autoriteit Consument & Markt18ACM gaat onderzoek doen naar leermiddelenmarkt – Kennisnet (17 februari 2025)Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 80012 houdt. Het is belangrijk dat scholen kunnen kiezen uit een breed aanbodvan kwalitatief goede en betaalbare leermiddelen. Ik ondersteun scholenhierbij door verschillende activiteiten die bijdragen aan meer transpa-rantie over de kwaliteit, het aanbod en de prijs van lesmateriaal. Eenkwartiermaker verkent de mogelijkheden voor het instellen van eenkwaliteitsalliantie en de uitwerking van een kwaliteitskader. Daarbij wordtconform de aangenomen motie van het lid Kisteman (VVD) verkend hoeleraren en schoolleiders antwoorden kunnen krijgen op vragen overlesmethodes- en materialen, alsmede een database waarin bijgehoudenwordt welke methodes en materialen evidence-informed zijn. Het reedsbestaande Koppelpunt Catalogusinformatie van Kennisnet biedt scholeninzicht in het aanbod van leermiddelen van uitgeverijen en geselecteerdopen lesmateriaal. SIVON en Kennisnet werken met aanbieders aan hetaanleveren van de juiste informatie om het inzicht voor scholen tevergroten.Verder heeft KMPG onderzoek gedaan naar de prijsontwikkeling vanleermiddelen. De uitkomsten van dit onderzoek zijn gedeeld met uwKamer. De onderzoekers van KPMG zijn gevraagd om inzicht te geven inde prijzen en kostenstructuur van leermiddelen. Ze zijn daarvoorafhankelijk van informatie van de uitgevers. KPMG heeft op dit niveaugeen inzicht gekregen in de informatie, waardoor er geen uitspraakgedaan kan worden over de winstmarge van uitgevers op lesmethodes.Ook een goede vergelijking tussen de kostenstructuur van digitaal enpapieren (folio) lesmateriaal is om dezelfde reden niet mogelijk. Aan hetdigitaal aanbieden van lesmateriaal zitten voordelen voor de uitgevers,maar vraagt ook investeringen. Het onderzoek biedt geen uitputtendinzicht in de balans tussen de kosten en baten.De prijsontwikkeling van leermiddelen kan niet losgezien worden van dedynamiek tussen vraag en aanbod op de markt. Ik wacht het onderzoekvan de Autoriteit Consument en Markt (ACM) naar de werking van deleermiddelenmarkt met belangstelling af. Zij zal eventuele knelpunten inde marktwerking in beeld brengen en oplossingen aandragen. Gelijktijdigvoer ik samen met het Ministerie van EZ een evaluatie van de Wet GratisSchoolboeken uit en vraag ik onderzoekers in kaart te brengen welke rolde overheid en andere publieke partijen kunnen spelen om structureleknelpunten in samenhang aan te pakken en te komen tot een beterewerking van de leermiddelenmarkt in termen van kwaliteit, prijsvorming,pluriformiteit van het aanbod en keuzevrijheid. Om te borgen dat beideonderzoeken elkaar zo goed mogelijk aanvullen vindt constructief overlegplaats tussen de Ministeries van OCW, EZ en de ACM, met respect voor deonafhankelijkheid van de ACM.Reactie Kamermotie over tracking en Big Tech in het onderwijsDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie uiten hun grote zorgen over detotale afhankelijkheid die dreigt te ontstaan van Amerikaanse techbe-drijven in alle sectoren, met in het bijzonder overheid, zorg en onderwijs.In dit onvoorspelbare geopolitieke klimaat moeten we voorbereid zijn ophet ergste; in dit geval zou het betrekken van digitale diensten in eenhandelsoorlog geïnstigeerd door de regering-Trump kunnen leiden totonbeheersbare kostenstijgingen in het onderwijs. Bovendien achten dezeleden de afhankelijkheid van Big Tech een risico voor de privacy en(data)veiligheid van leerlingen, met de kennis dat Amerikaanse wetgevinggeforceerde toegang tot data toestaat en de privacy-afspraken tussen deEU en de VS (EU-VS Data Privacy Framework) juridisch wankel zijn. Deleden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben de Staatssecretaris vanBinnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties gevraagd dit risico te onder-zoeken in het kader van de overheids-ICT. Welke gevolgen heeft het voorTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 80013 het onderwijs als het EU-VS Data Privacy Framework onrechtmatig wordtverklaard? Ziet de Staatssecretaris dit als een reden om de onderwijs-sector met vaart minder afhankelijk te maken van Amerikaanse techgi-ganten? Vindt de Staatssecretaris het nodig dat onderwijsinstellingen eenexitstrategie paraat hebben als zij diensten afnemen van Big Tech? Kan deStaatssecretaris een tijdlijn geven van de acties en onderzoeken die nogvolgen voor de uitvoering van de motie van het lid Kathmann19? Voelt deStaatssecretaris de urgentie om deze acties te versnellen? Kan deStaatssecretaris op korte termijn geschikte Nederlandse en Europesealternatieven in kaart brengen voor de diensten die in het onderwijs nuhet meeste worden afgenomen van Big Tech en hierbij het recente rapportover de EuroStack20 betrekken?De producten van grote techbedrijven worden niet alleen in het onderwijsgebruikt, maar in de hele samenleving. Dat heeft goede redenen. Dezeproducten kennen een groot gebruiksgemak, een goede prijs-kwaliteit-verhouding en zijn makkelijk te integreren met andere producten. Publiekewaarden als autonomie, privacy en keuzevrijheid moeten bij het gebruikvan digitale producten geborgd zijn, ook in het onderwijs. Daar werken wijmet elkaar hard aan.Voorop staat dat deze producten in het onderwijs moeten voldoen aanEU-regelgeving, zodat de privacy van leerlingen en onderwijspersoneelgeborgd is. Daarom worden in het onderwijs gezamenlijk scherpe DPIA’suitgevoerd en op basis hiervan afspraken gemaakt met deze bedrijven. Enmeer EU-regelgeving is in werking getreden om het gebruik van dezeproducten te binden aan onze publieke waarden.Ook in het funderend onderwijs zelf zetten we relevante stappen. Zowerken we met het programma Edu-V aan een keurmerk voor digitaleproducten. Daarnaast starten we dit jaar met een pilot voor een OpenSource Program Office (OSPO) in het funderend onderwijs. Het OSPO zalhet doel hebben om overzicht aan te brengen in de bestaande opensource toepassingen die relevant zijn voor het onderwijs. Ik voer eenonderzoek uit naar de ontwikkeling van alternatieven voor de productenvan grote techbedrijven in het onderwijs, waarvan de resultaten na dezomer beschikbaar komen. Hierbij zal ik ook het rapport over de EuroStackbetrekken. Voor het Data Privacy Framework geldt dat er als alternatiefook de mogelijkheid bestaat om gebruik te maken van standaard-contractbepalingen (SCC’s). In veel DPIA’s worden deze contractbepa-lingen al toegepast.Tegelijkertijd voel ik, net als de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie, deurgentie die volgt uit de recente geopolitieke ontwikkelingen. We moetenons, ook in het onderwijs, minder afhankelijk maken van deze producten.Maar het vraagstuk is complex. Dit vergt samenwerking op zowelnationaal als internationaal vlak. De komende periode ga ik hierover ingesprek met relevante partijen. Op basis hiervan moet duidelijker wordenwat er allemaal nodig is, mocht onverhoopt een situatie ontstaan waarinscholen geen gebruik meer kunnen maken van deze producten.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben ook zorgen over de dataprotection impact assessments (DPIA’s) en verwerkersovereenkomsten diescholen met dataverwerkers moeten afsluiten. Dit is volgens deze ledeneen grote verantwoordelijkheid om neer te leggen bij scholen die krapbezet zijn en scherp moeten prioriteren. Desondanks is het noodzakelijkvoor het beschermen van de gegevens van (oud-)leerlingen. Hoe wordt19Kamerstuk 32 761, nr. 27720EuroStack (februari 2025)Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 80014 erop toegezien dat DPIA’s worden nageleefd? Hoe helpt de Staatssecre-taris scholen die nog geen DPIA hebben uitgevoerd of moeite hebben omdeze na te leven? Is bij u bekend of alle scholen conform het beleid eenverwerkersovereenkomst hebben afgesloten? Heeft de Staatssecretarisinzicht in de dekkingsgraad van deze overeenkomsten met derden? Hoewordt erop toegezien dat verwerkersovereenkomsten worden nageleefd?Welke rol heeft de Staatssecretaris om scholen hierin te ondersteunen?SURF en SIVON, de ICT-coöperaties in het onderwijs, ondersteunenschoolbesturen en instellingen met DPIA’s en verwerkersovereenkomsten.Zij voeren op centraal niveau DPIA’s uit op software die in het onderwijsveel gebruik wordt. Schoolbesturen hoeven dan niet zelf het volledigeDPIA-proces te doorlopen, maar dienen nog wel een lokale DPIA uit tevoeren. Daarin bekijken ze of de bevindingen uit de centrale DPIA ook vantoepassing zijn op hun organisatie. Aanvullend op de centraal uitgevoerdeDPIA’s biedt Kennisnet via het programma Digitaal Veilig Onderwijs deDienst Verwerkersovereenkomsten aan. Deze dienst stimuleert hetafsluiten van verwerkersovereenkomsten en maakt dit proces voor zowelschoolbesturen als voor leveranciers van digitale producten eenvoudiger.De Dienst Verwerkersovereenkomsten wordt momenteel door 87 procentvan alle besturen in het funderend onderwijs gebruikt en 115 leveranciersbieden inmiddels hun verwerkersovereenkomsten aan via de dienst. HetMinisterie van OCW heeft geen zicht op scholen die zelf verwerkersover-eenkomsten afsluiten, maar alleen op de centrale voorziening. Over dedekkingsgraad is pas iets te zeggen als alle besturen en het merendeelvan de leveranciers binnen het funderend onderwijs de dienst gebruiken.Daar werkt Kennisnet, in samenwerking met andere organisaties, hardaan. Het blijft de verantwoordelijkheid van schoolbesturen om te voldoenaan privacywetgeving en het is dus van belang dat scholen verwerkers-overeenkomsten afsluiten en lokale DPIA’s uitvoeren. De AutoriteitPersoonsgegevens is toezichthouder en ziet toe op de naleving van deregels voor de bescherming van persoonsgegevens.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben ook nog enkele vragenen zorgen over volgsystemen van leerlingen. Niet alleen Big Tech doetaan tracking van leerlingen, maar in het digitale onderwijs is er ook sprakevan surveillance, zoals in de COVID-periode pijnlijk duidelijk werd. Welkevormen van leerling-tracking worden gebruikt in Nederland, los van BigTech-platforms? Wordt naast de gevolgen voor de privacy van leerlingen,ook de pedagogische impact van dit soort tracking onderzocht? Zo ja,hoe? Denk met name aan de gevolgen voor de mentale gezondheid enprestatiedruk ervaren door leerlingen. Hoe zorgt de Staatssecretariservoor dat scholen zich bewust zijn van de brede gevolgen voor leerlingenen kritisch omgaan met de inzet van volgsystemen? Vindt de Staatssecre-taris het nodig om over de inzet van leerlingvolgsystemen (scherpere)afspraken te maken met het onderwijs?Het volgen van leerlingen, de Nederlandse vertaling van het woord«tracking», heeft in de praktijk verschillende betekenissen. In eenleerlingvolgsysteem houdt de school de voortgang van ontwikkeling vanhun leerlingen bij. Dit gebruiken leerkrachten om het onderwijsaanbod zogoed mogelijk af te stemmen op de onderwijsbehoeften van de indivi-duele leerling en de groep, zodat leerlingen in hun ontwikkeling wordengestimuleerd. De minimale vereiste daarbij is dat bij groep 3 tot 8 in iedergeval de resultaten voor Nederlandse taal en rekenen-wiskunde bijge-houden met een leerlingvolgsysteem dat door het College van Toetsen enExamens (CvTE) is erkend. Scholen mogen zelf bepalen met welk erkendleerlingvolgsysteem zij werken, en of zij daarnaast nog andere instru-menten willen gebruiken. Ook mogen zij zelf bepalen welke LVS-toetsen zijgebruiken, hoe vaak en bij welke groepen zij dat doen en welke informatieTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 80015 zij opslaan. In het voortgezet onderwijs geldt voor scholen geenverplichting om een leerlingvolgsysteem te gebruiken.De gezondheid en het mentale welzijn van scholieren wordt onderzocht inhet HBSC (Health Behaviour in School-aged Children). Dat is een breed,internationaal onderzoek naar de gezondheid en het welzijn vanscholieren. In HBSC-Nederland werkt het Trimbos-instituut samen met deUniversiteit Utrecht en het Sociaal en Cultureel Planbureau. Het HBSClevert kennis voor preventie en jeugdbeleid en zorgt ervoor dat Nederlandkan worden vergeleken met andere landen. Daarbij wordt ook gekekennaar factoren die mogelijk invloed hebben. Zo wordt bijvoorbeeld nietalleen onderzocht of leerlingen stress hebben, maar ook of dit samen-hangt met schoolkenmerken. Het HBSC-onderzoek vormt de basis voornieuw beleid en rapporten die een beeld schetsen van de gezondheid vande Nederlandse jeugd. Zo heeft het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) hierrecent gebruik van gemaakt om inzicht te krijgen in de ervaren presta-tiedruk onder scholieren. Ook rapporteert de Inspectie van het Onderwijsjaarlijks in de Staat van het Onderwijs over het welzijn van scholieren enverschijnt regelmatig wetenschappelijk onderzoek naar dit onderwerp. Hetminiserie van OCW houdt de signalen die hieruit voortkomen nauwlettendin de gaten om die mee te nemen in beleid.Het huidige wettelijke kader rondom leerlingvolgsystemen biedt scholende ruimte om leerlingvolgsystemen zo te gebruiken dat het leerproces vanhun leerlingen er het beste mee is gediend. Het is belangrijk dat scholendie ruimte benutten. Vooralsnog is het Ministerie van OCW geenvoorstander van het vastleggen van (scherpere) afspraken met hetonderwijs betreffende het gebruik van het leerlingvolgsysteem. Dit zou deflexibiliteit voor scholen kunnen beperken en er zo voor kunnen zorgendat leerlingvolgsystemen minder effectief worden ingezet. Er looptmomenteel een verkenning ten aanzien van leerlingvolgsystemen in deonderbouw van het voortgezet onderwijs. Op basis van deze verkenningzal nadere besluitvorming plaatsvinden.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie wijzen erop dat het informeleonderwijs ook een cruciale rol speelt in het bevorderen van digitalevaardigheden voor volwassenen. Er zijn Nederlandse non-profit organi-saties die digitaal cursusmateriaal maken over hoe overheidsdienstenwerken. Dergelijke diensten worden door vrijwel alle gemeenten gebruiktin het lokale cursusaanbod van openbare bibliotheken, gefinancierd vialandelijke inkoop door de bibliotheeksector. Deze middelen zijn onzeker,niet structureel en ontoereikend, waardoor de continuïteit en opschalingvan het aanbod onder druk staan. Het is een uitgesproken ambitie van ditkabinet om de digitale overheid toegankelijk te maken voor iedereen. Dezeleden benadrukken dat het aanbod van non-profit organisaties als deStichting Digisterker en Oefenen.nl bijdragen aan deze ambitie. Op13 november 2024, in het debat over laaggeletterdheid21, merkte deStaatssecretaris op dat organisaties zoals Oefenen.nl in één jaar65.000 mensen heeft bereikt. Deze organisatie ontvangt echter geenmiddelen van het ministerie. Is dit bij de Staatssecretaris bekend? Volgensde leden van de GroenLinks-PvdA-fractie moeten deze non-profitorganisaties kunnen rekenen op publieke financiering, omdat zij eenonmisbare rol spelen in het verbeteren van digitaal burgerschap. Met eenkleine financiële bijdrage kan de Staatssecretaris de continuïteit, kwaliteiten toegankelijkheid van deze diensten verzekeren. Is de Staatssecretarisbereid om ketenpartijen zoals Stichting Digisterker, Oefenen.nl ensoortgelijke organisaties te voorzien van een financiële bijdrage? Erkentde Staatssecretaris dat structurele publieke financiering deze partijen21Kamerstuk 28 760, nr. 124Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 80016 helpt om nu en in de toekomst goed lesmateriaal te ontwikkelen dat breedwordt afgenomen en bijdraagt aan kabinetsdoelen? Welke beschikbaremiddelen kan de Staatssecretaris hiervoor inzetten, zoals middelen vanuitde Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) of de middelen voor LevenLang Ontwikkelen (LLO)? Is de Staatssecretaris bereid om een deel vandeze middelen beschikbaar te maken voor het non-formele onderwijs datdigitale vaardigheden bevordert? Welke organisaties ontvangen reedslandelijke financiering voor het bevorderen van digitale vaardigheden?Voor het aanbieden van cursussen basisvaardigheden aan volwassenenverstrekt het Ministerie van OCW financiering aan gemeenten, via dezogeheten WEB-middelen. Gemeenten hebben een coördinerende rolvoor het beleid omtrent basisvaardigheden van volwassenen en kunnendeze middelen gebruiken voor taal, rekenen én digitale vaardigheden. Hetzijn de gemeenten die kunnen bepalen om een deel van dat geld tegebruiken voor de diensten van organisaties als Stichting Digisterker,Oefenen.nl of anderen. In de praktijk zien we dat veel gemeenten al voloplesmateriaal en non-formele opleidingen digitale vaardigheden terbeschikking stellen, al dan niet via de bibliotheek. Via de WEB-middelenkomt het aanbod voldoende tot stand. De stichting Lezen en Schrijvenontvangt vanuit OCW een instellingssubsidie om gemeenten te onder-steunen op hun beleid voor het verbeteren van basisvaardigheden bijvolwassenen, digitale vaardigheden vallen hier expliciet onder. Voor deaanpak van basisvaardigheden van volwassenen zijn er geen organisatiesdie specifiek financiering ontvangen voor het bevorderen van alleendigitale vaardigheden.Het Netwerk Mediawijsheid heeft als doel «iedereen mediawijs». Datomvat het geheel aan kennis, vaardigheden en mentaliteit om mee tekunnen komen met de sterk gemedialiseerde samenleving. Jaarlijksfinanciert de Minister van OCW dit netwerk van meer dan 1.200 partnersvoor zo’n € 1,8 miljoen euro per jaar.Deze leden zijn bezorgd over het gebrek aan digitale vaardigheden onderjongeren. Het onderwijs slaagt er vaak niet in om leerlingen voor tebereiden op het zakendoen met de digitale overheid, waardoor zij na hun18e niet op de hoogte zijn van hun plichten en rechten (onder andere hetdoen van inkomstenbelasting, het aanvragen van studiefinanciering, hetontvangen van zorgtoeslag). Dit raakt vooral jongeren die geen sociaalvangnet hebben om op terug te vallen. Hierdoor dreigt digitalisering dekloof tussen jongeren mét en zónder vangnet te vergroten, met negatievegevolgen voor de kansengelijkheid in Nederland. Deelt de Staatssecretarisde mening dat het aanleren van praktische digitale vaardigheden, gerichtop zogenaamde «life skills», thuishoort in het formele onderwijs? Vindt deStaatssecretaris dat dit nu voldoende is geborgd in het curriculum? Kande Staatssecretaris dit belang benadrukken in de opdracht aan bijvoor-beeld de Stichting Leerplan Ontwikkeling (SLO) voor het ontwikkelen vanhet curriculum? Kan dit ook gedaan worden in gesprekken met het mbo22?Praktische digitale vaardigheden zijn essentieel in een gedigitaliseerdewereld. De nieuwe kerndoelen digitale geletterdheid vormen de basisvoor leerlingen om hen goed voor te bereiden op leren, leven en werkenin de 21e eeuw. Er wordt momenteel gewerkt aan de vernieuwing van hetcurriculum in het primair en voortgezet onderwijs. Het nieuwe leergebieddigitale geletterdheid wordt – net als alle leergebieden – wettelijkverankerd in het curriculum. Praktische ICT-vaardigheden is één van dedeelgebieden van digitale geletterdheid, waarvoor kerndoelenopgenomen wordt in het curriculum. SLO heeft de fase van beproeven op22mbo: middelbaar beroepsonderwijsTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 80017 scholen afgerond als het gaat om de conceptkerndoelen digitale gelet-terdheid. Digitale geletterdheid en digitale vaardigheden zijn geen aparteleergebieden in het mbo. Aspecten van digitale vaardigheden komen welaan bod bij de generieke vakken Nederlands, rekenen en burgerschap. Zokomen bij Nederlands bijvoorbeeld het kunnen omgaan met digitaleteksten en het benutten van digitale middelen bij schrijven aan bod. Bijburgerschap leren studenten hoe zij zich kritisch kunnen bewegen in eensteeds meer digitale wereld.De leden wijzen erop dat de versnippering van beleid over de Ministeriesvan OCW, BZK, SZW en EZ tot gevolg heeft dat er geen centrale regie isop het verbeteren van digitale vaardigheden. In een steeds meer digitalesamenleving is het van groot belang dat mensen de weg naar de digitaleoverheid weten te vinden. Kan de Staatssecretaris uitleggen met welkecollega-bewindspersonen zij verantwoordelijk is voor het verbeteren vandigitale vaardigheden? Welke bewindslieden stellen hier middelen voorbeschikbaar? Welke organisaties ontvangen nu subsidie?Samen met de Staatssecretaris van Koninkrijksrelaties en digitalisering ende Minister van Justitie en Veiligheid span ik me in voor de digitaleveiligheid en weerbaarheid van Nederland. Via verschillende initiatievenworden middelen beschikbaar gesteld om te werken aan passendedigitale vaardigheden. Het Ministerie van OCW richt zich op het verbe-teren van digitale vaardigheden van leerlingen en leraren. Via hetMinisterie van BZK worden andere doelgroepen bereikt, zoals senioren enlaaggeletterden. Vanuit het Ministerie van J&V wordt ingezet op hetverhogen van de weerbaarheid van burgers/jongeren tegen digitalevormen van criminaliteit. Organisaties die subsidie ontvangen voor hetverbeteren van digitale vaardigheden zijn o.a. Kennisnet, SLO, KoninklijkeBibliotheek, Beeld & Geluid, ECP, Stichting Lowercase en het Centrumvoor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV).Tot slot op dit punt vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieaandacht voor de onmisbare rol van de Informatiepunten DigitaleOverheid (IDO’s) in het toegankelijk maken van de overheid en hetaanbieden van cursussen voor digitale vaardigheden. Deze leden vragende Staatssecretaris en haar collega’s om spoedig met een plan te komenom de dienstverlening van deze loketten volwaardig door te zetten, ook nade bezuiniging van tien procent en het verdwijnen van de SPUK23-middelen. Vindt de Staatssecretaris het op peil houden van het cursus-aanbod waar IDO’s naar verwijzen een onderdeel van het op peil houdenvan de IDO-dienstverlening, wat haar collega van BZK heeft toegezegd?Nee, het op peil houden van het cursusaanbod waar IDO’s naar verwijzenis geen onderdeel van de toezegging van mijn collega, de Staatssecretarisvan Koninkrijksrelaties en Digitalisering. Dit aanbod valt niet onderIDO-dienstverlening. Regulier bibliotheekwerk wordt gefinancierd doorgemeenten en het is daarom aan gemeenten om afspraken te maken metde lokale bibliotheek over het aanbod. Mijn collega zet in op de instand-houding van lokale, laagdrempelige en empathische ondersteuning, zoalsgeboden door IDO-dienstverlening.Is de Staatssecretaris bereid om de financiële situatie van cursusaan-bieders ook te betrekken in de lopende gesprekken over het op peilhouden van IDO’s?23SPUK: Subsidies Specifieke uitkeringenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 80018 De desbetreffende middelen zijn nodig om lokale, laagdrempelige enempathische ondersteuning, zoals IDO-dienstverlening, op peil te houden.Deze middelen zijn niet toereikend om ook het cursusaanbod waar IDO’snaar verwijzen, te financieren. De financiële situatie van cursusaanbiedersvormt daarom ook geen onderdeel van de gesprekken die mijn collega, deStaatssecretaris van Koninkrijksrelaties en Digitalisering, voert.LeerlingenvervoerDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben de resultaten van detwee peilingen en monitor van het leerlingenvervoer gelezen. Deze ledenzijn niet verbaasd over de resultaten, aangezien zij nog steeds veelsignalen krijgen van ouders en leerlingen dat het leerlingenvervoer nietop orde is. Ook de grote verschillen tussen gemeenten is niet nieuw. Dezeleden zien in deze brief echter vooral constateringen van de Staatssecre-taris, maar weinig uitleg over vervolgacties naar aanleiding van dezepeilingen en monitor. Hoe verhouden die zich tot de constatering van deStaatssecretaris in het vragenuur van 17 oktober 2023 (alweer anderhalfjaar geleden) dat «Het tempo (van de verbeteringen) te laag ligt»?24 Watzijn de acties die volgen uit deze peilingen en monitor? De Staatssecre-taris gaat in gesprek met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten(VNG), wanneer zal dat gesprek plaatsvinden? Kan zij de Kamer vóór hetcommissiedebat over passend onderwijs een stand van zakenbrief sturenover deze gesprekken met de VNG over het leerlingenvervoer? Hoe staathet met de verbeteragenda doelgroepenvervoer, die getrokken wordt doorde Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport? Wat is de rolen de betrokkenheid van de VNG bij deze aanpak? Deze leden lezen ookdat 81 procent van de gemeenten geen onderscheid kan maken naar dereden van vervoer en dat 50 procent van de gemeenten niet weet hoe langkinderen onderweg zijn. Hoe kunnen gemeenten deze monitoringverbeteren? En hoe kunnen gemeenteraden beter in positie wordengebracht om de controle uit te voeren op doelgroepenvervoer en specifiekleerlingenvervoer? De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie wijzen hierbijuitdrukkelijk op internationale verdragen, zoals het Internationaal Verdragvoor de Rechten van het Kind en het VN-Verdrag Handicap en vragen hetkabinet of zij met deze leden delen dat uit beide verdragen de verplichtingvoor het kabinet volgt om maatregelen te nemen zodat kinderen met eenbeperking naar school kunnen en belemmeringen worden weggenomen.De uitkomst van de peilingen en de monitor laten zien dat het onderwijslast heeft van het gebrek aan goed leerlingenvervoer. Leerlingen komen telaat of überhaupt niet op school. Zodoende is het van groot belang datgemeenten het leerlingenvervoer, waar dat nu niet goed gaat, verbeteren.Het Rijk heeft daartoe een verbeteragenda doelgroepenvervoer opgesteldonder leiding van het Ministerie van VWS. Bij de uitvoering van deverbeteragenda is ook de VNG aangesloten. De afgelopen periode hebbenverschillende gesprekken met de VNG plaatsgevonden en dezegesprekken blijven we voeren. Ik zal het tempo van de verbeteragendaopnieuw onder de aandacht brengen van het Ministerie van VWS. Ditvoorjaar, vóór het commissiedebat over passend onderwijs, ontvangt uwKamer de voortgangsrapportage van de verbeteragenda doelgroepen-vervoer.Waar het gaat om de monitoring van gemeenten, heeft het Kabinet eerderbenadrukt dat het van belang is dat gemeenten hierin hun verantwoorde-lijkheid nemen en is met de VNG gesproken over het ondersteunen vangemeenten hierin. Onder meer door periodieke monitoring uit te voerenen de resultaten hiervan te delen met de gemeenteraad wordt de24Handelingen II, vergaderjaar 2023/24, nr. 13, item 4, blz. 1.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 80019 gemeenteraad in staat gesteld haar controlerende taak uit te voeren. Erzijn gemeenten waarin dit goed functioneert, zoals Breda en Utrecht. Ik zalde VNG vragen om deze goede voorbeelden opnieuw onder de aandachtte brengen.Leerlingenvervoer is een voorziening die ook zo in de wet is opgenomen.Het is aan gemeenten om dat beleid zo vorm te geven dat leerlingen diedaar voor in aanmerking komen, goed vervoerd worden. De tekorten aanchauffeurs maken dit echter uitdagend. Dat geldt voor leerlingenvervoer,maar ook voor andere vormen van doelgroepenvervoer. Zodoende zet hetkabinet in op het verbeteren van het doelgroepenvervoer in den brede,juist ook omdat oplossingen vaak gevonden worden in integraal aanbe-steden of het combineren van typen doelgroepenvervoer.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat er ook betergebruik gemaakt kan worden van alternatieven, zoals het reguliereopenbaar vervoer en (aangepaste) fietsen, mits passend bij de leeftijd enzelfstandigheid van leerlingen. Ook zijn er trainingen voorhanden omleerlingen te leren zelfstandig te reizen. In hoeverre wordt dit aange-boden? Zijn er belemmeringen zoals bijvoorbeeld kosten voor ouders?De leerlingenvervoersvoorziening bestaat niet alleen uit taxivervoer. Erzijn verschillende vormen van leerlingenvervoer mogelijk, zoals eenreiskostenvergoeding voor eigen vervoer, een vergoeding voor openbaarvervoer en (hulp bij) fietsvervoer. Bij de toekenning van leerlingenvervoeris het van belang dat gemeenten het type vervoer laten aansluiten bij demogelijkheden van leerlingen. Zo kan, voor sommige leerlingen,openbaar vervoer of fietsvervoer een uitkomst bieden. Dit kan leerlingenhelpen in het vergroten van hun zelfstandigheid en zelfredzaamheid – ookals voorbereiding op zelfstandigheid in latere levensfasen. Het is aangemeenten om te beoordelen of dit bij de leerling past, in de praktijk zijnhier goede voorbeelden van, maar daar zijn geen cijfers van beschikbaar.Er zijn ons geen signalen bekend dat hier belemmeringen voor zijn, zoalskosten voor ouders voor het volgen van trainingen of andere vormen vanvervoer door gemeenten.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of het kabinet bekend ismet regio’s die hebben besloten om een eigen vervoersdienst te startenzoals de regio Gooi- en Vechtstreek.25 Klopt het dat deze manier vanorganiseren in deze regio heeft gezorgd voor kwalitatief goed doelgroe-penvervoer en zo ja, is dit iets om als voorbeeld te delen met andereregio’s?Het kabinet is bekend met het initiatief in de regio Gooi- en Vechtstreek.Over de positieve effecten hiervan is gerefereerd in de voortgangsrap-portage van de verbeteragenda doelgroepenvervoer, zoals aan uw Kamerverstuurd op 28 mei 2024. Ik vraag de VNG dit voorbeeld nog eens onderde aandacht te brengen bij andere gemeenten.Daarnaast ontvangen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zorgwek-kende signalen over leerlingenvervoer dat bij een (spoed)uithuisplaatsingvaak niet goed is geregeld. Deelt het kabinet de mening van deze ledendat het voor kinderen die uit huis worden geplaatst belangrijk is om (tenzijhier goede redenen voor zijn) naar de eigen school te blijven gaan om zocontact met de eigen leraren en klasgenoten te blijven houden en tevoorkomen dat er onderwijsachterstanden worden opgelopen? Bij wie ligtde verantwoordelijkheid om in het geval van een spoeduithuisplaatsing tezorgen voor passend leerlingenvervoer? Kan het kabinet al deze vragen en25Downloads | Vervoer Regio Gooi & VechtstreekTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 80020 de stand van zaken met de Verbeteragenda Doelgroepenvervoermeenemen in de brief vóór het commissiedebat Passend onderwijs?Ook bij (spoed)uithuisplaatsingen is het vanzelfsprekend van belang datleerlingenvervoer goed geregeld is, zodat – waar dat mogelijk is –leerlingen naar de eigen school kunnen gaan. Gemeenten zijn ervoorverantwoordelijk dat het leerlingenvervoer ook in dit geval goed geregeldis. Hier zijn geen landelijke kaders of richtlijnen voor, maar er zijn welgoede voorbeelden bij gemeenten. Zo zijn in de regio Noordoost Brabantregionale afspraken gemaakt over bij welke gemeente de verantwoorde-lijkheid ligt bij (spoed)uithuisplaatsing over gemeentegrenzen heen. Ik zalde VNG vragen gemeenten te wijzen op het belang van zulke regionaleafspraken.Inbreng van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van deVerzamelbrief moties en toezeggingen primair en voortgezet onderwijs enhebben daarover nog enkele vragen.Voortgang subsidie Impuls en Innovatie BewegingsonderwijsVoor de leden van de VVD-fractie is een stevig fundament voor voldoendeen goed bewegingsonderwijs belangrijk. Zij hebben met interessekennisgenomen van de uitwerking van de motie van het lid RudmerHeerema26 en kijken uit naar de evaluatie van de subsidieregeling. Zijvragen of de Staatssecretaris vooruitlopend op de evaluatie kan aangevenof het po27-scholen lukt om te voldoen aan de urennorm bewegingson-derwijs. Heeft de Staatssecretaris het idee dat scholen zich voldoendehebben kunnen aanpassen aan de nieuwe urennorm? Wordt er op allepo-scholen voldaan aan de 90 minuten bewegingsonderwijs?Ongeveer twee derde van de scholen lukt het om te voldoen aananderhalf klokuren bewegingsonderwijs per week. Dat is ook te zien aanhet onderzoek van het Mulier Instituut.28 Dit is een stijging ten opzichtevan het jaar 2020/2021. Toen voldeed iets minder dan de helft van descholen aan anderhalf uur bewegingsonderwijs per week. Een deel van descholen ervaart nog knelpunten om de urennorm te halen. Dat kan zijndoor het gebrek aan een bevoegde leerkracht, een gebrek aan geschikteaccommodaties of een te vol lesrooster. Om dit type knelpunten aan tepakken, konden scholen de subsidieregeling «Impuls en InnovatieBewegingsonderwijs» gebruiken voor de aanstelling van een procesbege-leider die de school hielp bij de organisatie van het bewegingsonderwijs.De evaluatie van deze subsidieregeling wordt nu afgerond en voor dezomer aan de Tweede Kamer gestuurd. In de tussentijd blijf ik in gesprekmet onder andere de Koninklijke Vereniging voor Lichamelijke Opvoeding(KVLO), Vereniging Sport en Gemeenten (VSG), PO-Raad en Academievoor Lichamelijke Opvoeding (ALO NL) om te zien hoe we goedevoorbeelden kunnen blijven delen die scholen helpen drempels weg tenemen.26Kamerstuk 35 570 VIII, nr. 4227po: primair onderwijs28Mulier Instituut (2024). Van wet naar werkelijkheid, via https://www.mulierinstituut.nl/publicaties/28142/van-wet-naar-werkelijkheid/Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 80021 Identiteitsverklaringen in het onderwijsDe leden van de VVD-fractie zijn blij te lezen dat de Staatssecretaris deeltdat identiteitsverklaringen die de sociale veiligheid van onder anderelhbtiq+-leerlingen onder druk zetten, onacceptabel zijn. Voor deze leden isessentieel dat iedereen welkom is op school. Zij vragen verder in te gaanop welke instrumenten de Wet vrij en veilig onderwijs biedt om deeventuele discriminatie die voortvloeit uit het ondertekenen van identi-teitsverklaringen aan te pakken. Blijft het voor scholen mogelijk om vanleerlingen te eisen om een identiteitsverklaring te ondertekenen? Blijft hetop basis daarvan mogelijk voor scholen om leerlingen te weigeren? Hoeziet de Staatssecretaris dit? Deze leden vragen welke verdere maatregelende Staatssecretaris voor zich ziet om discriminatie op scholen te tackelen.Scholen hebben een zorgplicht ten aanzien van de sociale, psychische enfysieke veiligheid van leerlingen. Zij dienen in ieder geval veiligheids-beleid te voeren, zoveel mogelijk te voorkomen dat de veiligheid in hetgedrang komt en in te grijpen als het toch fout gaat. Daarnaast vereist dewettelijke burgerschapsopdracht dat scholen zorgdragen voor eenomgeving waarin leerlingen en personeel zich veilig en geaccepteerdweten, ongeacht bijvoorbeeld hun godsdienst of seksuele gerichtheid. Inrelatie tot identiteitsverklaringen betekent dit dat als een school eenspecifieke visie heeft op het huwelijk, zij nog meer dan anders deverantwoordelijkheid heeft ervoor te zorgen alle leerlingen zich veiligvoelen, ook als die een opvatting hebben die afwijkt van de visie van deschool. De inspectie houdt toezicht op de naleving van deze verplich-tingen. Het wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs geeft op een aantalonderdelen een nadere inkleuring en verduidelijking van de zorgplichtvoor de veiligheid. Zo wordt het verplicht veiligheidsincidenten,waaronder discriminatie, te registreren. Ook worden scholen verplicht eeninterne en externe vertrouwenspersoon aan te wijzen die leerlingen,ouders en personeel kan bijstaan wanneer zij onveiligheid ervaren.Daarnaast worden scholen verplicht jaarlijks hun veiligheidsbeleid teevalueren.Scholen hebben vanuit de burgerschapsopdracht ook de plicht omleerlingen te leren over de basiswaarden van de democratische rechts-staat en over de regels die binnen de Nederlandse samenleving gelden.Daarnaast staat het scholen vrij om een specifieke visie te geven opbijvoorbeeld het huwelijk, mits deze visie niet indruist tegen de genoemdewaarden en regels. Binnen ditzelfde kader en voor zover wordt voldaanaan de vereisten die de Algemene Wet Gelijke Behandeling (AWGB)daaraan stelt (zie artikel 7, tweede lid, AWGB), is het bijzondere scholentoegestaan om ouders en leerlingen te vragen om een identiteitsver-klaring te ondertekenen bij de aanmelding van een leerling. Hierin brengthet wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs geen verandering. Daar waaridentiteitsverklaringen wettelijke regels overschrijden, kan de inspectiemomenteel al handhavend optreden. Als een school een leerlingbijvoorbeeld het recht ontzegt om eigen keuzes te maken of er eigenopvattingen op na te houden en deze te uiten, zal de inspectie, afhanke-lijke van de precieze situatie, handhavend optreden. Identiteitsverkla-ringen waartegen handhavend moet worden opgetreden, treft deinspectie nauwelijks aan. Zoals aangegeven in mijn brief van 19 december202429 kom ik voor de zomer van 2025 bij uw Kamer terug op hetonderwerp identiteitsverklaringen en eventuele verdere maatregelen.29Kamerstukken 31 293 en 31 289, nr. 777,Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 80022 Inbreng van de leden van de NSC-fractieDe leden van de NSC-fractie hebben kennisgenomen van de Verzamelbriefmoties en toezeggingen primair en voortgezet onderwijs en hebben op ditmoment geen vragen of opmerkingen.Inbreng van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van deverzamelbrief. Zij hebben enkele vragen met betrekking tot de bezuini-gingen op gymlessen, de veiligheid van data van scholieren en dezorgelijke ontwikkelingen op het gebied van leerlingenvervoer.De leden van de D66-fractie willen graag weten wat de impact is van hetbezuinigen op de subsidieregeling Impuls en Innovatie Bewegingson-derwijs. Deze leden willen graag weten van de Staatssecretaris hoeveelbanen hierdoor verdwijnen en of het kabinet inzichtelijk kan maken welken hoeveel extra werk hierdoor bij leraren komt te liggen. Deze ledenmerken op dat scholen wettelijk verplicht zijn om minimaal 1,5 uur perweek bewegingsonderwijs aan te bieden. In dat kader vinden zij hetbijzonder vreemd dat het kabinet ervoor kiest om deze subsidieregelingweg te halen, zeker gezien maar een derde van de scholen aan dezeverplichting voldoet. Vindt de Staatssecretaris dit niet ook tegenstrijdig?Deze leden vragen hoe scholen geacht worden om deze wettelijke doelente behalen zonder de middelen daarvoor. Moeten zij dit vanuit delumpsum gaan financieren, zo vragen deze leden. In algemene zin vragende leden van de D66-fractie wat het kabinet gaat doen om de wettelijkeverplichting te behalen.Met de subsidieregeling konden scholen procesbegeleiders inhuren ofaanstellen die hen hielp met het halen van de urennorm voor bewegings-onderwijs of om meer bewegen door de dag heen te implementeren. Dezesubsidieregeling is er op verzoek van de Tweede Kamer gekomen.30 Metde bezuiniging waar u naar verwijst, wordt geen bestaande regelinggeschrapt, maar wordt ingeleverd op budgettaire ruimte die er in denbrede voor bewegingsonderwijs was, mede omdat de subsidieregelingwas afgelopen.De opdracht van de procesbegeleiders binnen de subsidieregeling wastijdelijk van aard. Er verdwijnen met het inleveren op de budgettaireruimte geen banen en er komen ook geen extra taken bij leraren te liggen.Uit de evaluatie van de subsidieregeling moet blijken in hoeverre hetinstrument van de procesbegeleider effectief is geweest. De TweedeKamer wordt voor de zomer geïnformeerd over deze evaluatie.Uit het onderzoek van het Mulier Instituut blijkt dat niet een derde maartwee derde van de scholen voldoet aan de wettelijke verplichting van90 minuten bewegingsonderwijs per week, gegeven door een bevoegd(vak)leerkracht. Ik verwacht van alle scholen dat ze voldoen aan dewettelijke verplichtingen die gelden voor het onderwijs, inclusief deurennorm voor bewegingsonderwijs. Scholen en gemeenten hebben zichdrie jaar kunnen voorbereiden op deze norm, die er tevens op uitdrukke-lijke wens van de Tweede Kamer is gekomen.Een deel van de scholen ervaart nog knelpunten om de urennorm tehalen. Dat kan zijn door het gebrek aan een bevoegde leerkracht, eengebrek aan geschikte accommodaties of een te vol lesrooster. Ik blijf inbrede zin werken aan het terugdringen van het lerarentekort en de30Kamerstuk 35 102, nr. 23Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 80023 actualisatie van het curriculum. Niet alleen vanwege de benodigde tijdvoor sport en bewegen, maar zeker ook vanwege de prioriteit die ik wilgeven aan lezen, schrijven en rekenen. Daarnaast blijf ik in gesprek metonder andere de KVLO, VSG, PO-Raad en ALO NL om te zien hoe wegoede voorbeelden kunnen blijven delen die scholen helpen drempelsweg te nemen.De leden van de D66-fractie lezen dat de Staatssecretaris haar consta-tering herhaalt dat de huidige EU-regelgeving al een voldoende effectiefinstrument is om publieke waarden te borgen. Deze leden zijn het nieteens met deze constatering en stellen dat er meer nodig is, zeker geziende vijandigheid van Elon Musk en Mark Zuckerberg richting de Europesedigitale dienstenverordening. Hoe ziet de Staatssecretaris dit? Bovendienvragen deze leden hoe veilig de data van Nederlandse kinderen is inAmerikaanse handen. Veel scholen gebruiken de werkomgevingen vanGoogle, Microsoft of Apple. Maar de VS lijkt de afspraak met de EU teschenden, onder andere doordat president Trump het Privacy and CivilLiberties Oversight Board (PCLOB) effectief buiten werking heeft gesteld.Vindt de Staatssecretaris dat de data van kinderen nog steeds veilig isopgeslagen? Welke gevolgen heeft het buiten werking stellen van hetPCLOB voor het gebruik van Amerikaanse digitale diensten in hetonderwijs? Is de Staatssecretaris van mening dat er opnieuw een DPIAuitgevoerd moet worden voor Amerikaanse digitale diensten die gebruiktworden in het onderwijs?De digitale dienstenverordening is een onderdeel van een palet aanEU-wetgevingsinstrumenten om publieke waarden te borgen. Een anderbelangrijk instrument is de Algemene Verordening Gegevensbescherming(AVG). De AVG borgt de privacy van leerlingen en docenten. Zoals eerderin de beantwoording ook is aangestipt, kunnen schoolbesturen eninstellingen door de gezamenlijke DPIA’s veilig gebruik maken vanproducten van Google, Microsoft of Apple, mits zij voldoen aan deaandachtspunten zoals SIVON en SURF hebben beschreven op hunwebsites.31 Zoals mijn collega van BZK heeft aangegeven, hebben dehuidige ontwikkelingen met betrekking tot de PCLOB vooralsnog geeninvloed op de afspraken die tussen de VS en de EU gemaakt zijn overdatadoorgifte.32 Een extra DPIA is dus niet nodig, maar tegelijkertijdhouden we hier vinger aan de pols.De leden van de D66-fractie vragen wat de Staatssecretaris concreet gaatdoen ten aanzien van het leerlingenvervoer. Uit het onderzoek blijkenzorgelijk grote verschillen tussen gemeenten. Een kwart van de leerlingenkan regelmatig niet goed meedoen in de les door het vervoer. Deze ledenvinden het zeer zorgelijk dat het recht op onderwijs van leerlingengeschonden wordt. De Staatssecretaris verzoekt de gemeenten hunverantwoordelijkheid te nemen en spreekt allerlei verwachtingen uit, maarverbindt daar geen concrete acties aan naast «gesprekken». Welke actiesneemt de Staatssecretaris als systeemverantwoordelijke voor het stelselvan leerlingenvervoer concreet? Hoe gaat het kabinet het recht oponderwijs van deze kinderen beschermen? Bovendien merken deze ledenop dat dit kabinet gemeenten kort met 2,4 miljard euro structureel. Zijvragen hoe gemeenten geacht kunnen worden om hun vervoer op orde tebrengen als gemeenten fors moeten bezuinigen op hun dienstverlening.Het leerlingenvervoer staat niet op zichzelf maar is onderdeel van hetdoelgroepenvervoer in brede zin, zowel in de uitvoering als qua gemeen-telijke verantwoordelijkheid als in de druk die op het vervoer ligt. Omdat31Alles over de DPIA’s op Google Workspace & ChromeOS – SIVON32Kamerstukken 32 761 en 26 643, nr. 316Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 80024 het leerlingenvervoer zo verbonden is met andere vormen van doelgroe-penvervoer, is het zaak om verbeteringen gezocht worden niet alleen voorhet leerlingenvervoer maar voor het gehele doelgroepenvervoer, ook omeen waterbedeffect te voorkomen. Vandaar dat dit kabinet, onder regievan de Staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg van VWS,werkt aan de verbeteragenda doelgroepenvervoer, in samenwerking methet Ministerie van I&W, de VNG en brancheorganisaties en met betrok-kenheid van OCW. In aanvulling op deze verbeteragenda, is het vanuitmijn rol als Staatssecretaris van OCW mijn taak om de partijen dieverantwoordelijkheid hebben in het vervoer aan te sporen om die ook tepakken. Dit doe ik.Er zijn geen signalen bekend dat de middelen uit het gemeentefondsontoereikend zijn voor het leerlingenvervoer. Uit de laatste Monitorleerlingenvervoer, zoals 19 december 2024 met uw Kamer gedeeld, blijktdat zowel het aantal vervoerde leerlingen als de totale kosten deafgelopen jaren min of meer stabiel zijn. De knelpunten in het leerlingen-vervoer liggen meer in de beschikbaarheid van chauffeurs en deuitvoering, de aanbesteding en de monitoring en evaluatie. Hierdoorervaren gemeenten uitdagingen bij de organisatie van het leerlingen- enander doelgroepenvervoer. Het is daarom belangrijk dat gemeentenkennis uitwisselen en van elkaar kunnen leren. Vandaar dat dit ookonderdeel is van de verbeteragenda doelgroepenvervoer. Het kabinetinformeert uw Kamer in het voorjaar over de voortgang van de verbeter-agenda doelgroepenvervoer.Inbreng van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de Verzamelbriefmoties en toezeggingen primair en voortgezet onderwijs. De ledenhebben hier enkele vragen en opmerkingen over.In de paragraaf Knelpunten Samen naar School in het VoortgezetOnderwijs lezen de leden van de BBB-fractie dat sommige scholen ervanuitgaan dat binnen een onderwijsniveau hooguit één keer gedoubleerdzou mogen worden, maar dat dit niet zo in de wet staat. Deze ledenvragen hoe dit misverstand ontstaan is en wat kan worden gedaan om ditduidelijker te maken voor de scholen.Het is onduidelijk hoe dit misverstand is ontstaan. Wij communiceren,onder andere via het Steunpunt Passend Onderwijs, richting scholen omdit misverstand weg te nemen.Bij paragraaf Leerlingenvervoer constateren de leden van de BBB-fractiedat zowel de brief als de monitor niet ingaat op de oorzaken van klachtenterwijl de brief wel spreekt over de oplossingsrichtingen voor proble-matiek. Deze leden hebben hierbij de vraag of personeelstekorten metbetrekking tot het leerlingenvervoer hier ook in meegenomen worden.Een belangrijke oorzaak van de druk op het leerlingenvervoer ligt in depersoneelstekorten, zoals die ook in veel andere sectoren zijn te zien. Dezetekorten maken dat de problemen niet eenvoudig zijn opgelost. Debeschikbaarheid van chauffeurs vormt daarom ook onderdeel van deverbeteragenda doelgroepenvervoer, die onder regie van het Ministerievan VWS staat. Zoals hierboven al genoemd, wordt uw Kamer binnenkortover de voortgang van de verbeteragenda geïnformeerd.De leden van de BBB-fractie lezen dat een gemeente het vervoer van deleerlingen meestal uitbesteedt aan een vervoersbedrijf en dat vanwege deomvang van het leerlingenvervoer de meeste gemeenten verplicht zijn omTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 80025 een Europese aanbestedingsprocedure te doorlopen. Deze vervoerderverzorgt op grond van de gestelde eisen in het contract het vervoer. Dezeleden willen dat er strengere eisen komen aan de uitbesteding vanleerlingenvervoer, om malafide vervoerders tegen te gaan. Het verontrustdeze leden dat een kwart van de gemeenten aangeeft niet te weten of ereisen rondom kwaliteit zijn gesteld bij de aanbesteding. Deze ledenvragen dan ook hoe dit beter onder de aandacht van gemeenten kanworden gebracht. Het valt deze leden op dat aan de vervoerder gesteldekwaliteitseisen uiteenlopend zijn. Zo heeft slechts de helft van degemeenten eisen rondom het aantal wisselende chauffeurs en het aantalleerlingen in het busje. Deze leden vragen hierbij of meer uniformeaanbestedingen mogelijk kunnen bijdragen in de strijd tegen malafidevervoerders.Het kabinet is van mening dat er meer uniformiteit en focus op kwaliteit inde aanbesteding en het contractmanagement nodig is en dat het devoorkeur geniet als leerlingenvervoer regionaal en integraal wordtaanbesteed. De monitor laat zien dat daar nog winst te behalen is, daarommaakt dit ook deel uit van de verbeteragenda doelgroepenvervoer. Ookwordt hier in de gesprekken met de VNG aandacht voor gevraagd.Bij de paragraaf Publicatie evaluatie van het Besluit uitwisseling leer- enbegeleidingsgegevens constateren de leden van de BBB-fractie datongeveer een derde van de basisscholen naar eigen zeggen niet weetwelke gegevens er wettelijk gezien wel en niet mogen worden overge-dragen aan de middelbare school. Het gaat hierbij om gegevens oververzuimhistorie, sociaal-emotionele ontwikkeling en gedrag of extrabegeleiding of ondersteuning. Deze leden vragen op welke wijze ergewerkt gaat worden aan de verdere bewustwording van deze basis-scholen.Scholen zijn verantwoordelijk voor de inhoud van de dossiers en de juisteomgang met gegevens. Scholen worden hierbij ondersteund door deOverstapservice Onderwijs (OSO). De standaard voor de OSO dossiersdwingt af dat alleen de wettelijk toegestane informatie wordt overge-dragen. Hiermee worden scholen ondersteund bij het veilig en bewustuitwisselen conform AVG van het Onderwijskundig rapport (OKR). Op dewebsite van Kennisnet vinden scholen alle informatie over hoe om tegaan met OSO en o.a. welke gegevens wel en niet kunnen/mogen wordenovergedragen.33 We zullen verkennen hoe we deze informatie nog beterover het voetlicht kunnen brengen.Ook lezen deze leden dat het voor scholen op onderdelen onduidelijk ishoe zij ouders dienen te betrekken bij overdrachtsdossiers. Zo wordt hetcorrectierecht van ouders ruim geïnterpreteerd. De leden van deBBB-fractie vragen hoe ook hierover de kennis binnen scholen kanworden verbeterd. Daarnaast vragen deze leden hoe kan wordenvoorkomen dat gegevens over nationaliteit en herkomst in het dossierworden opgenomen, aangezien dit niet mag.Via het OSO-overstapdossier kan de nationaliteit van leerlingen en oudersniet worden opgevoerd en dus ook niet worden overgedragen. Devalidatie van de OSO dossiers dwingt dat af. Het is niet de bedoeling datin bijlagen bij het OSO overstapdossier gegevens over nationaliteit enherkomst worden opgenomen. We zullen dit extra onder de aandacht vanscholen brengen. Zie verder het antwoord op de vraag over hoe ergewerkt gaat worden aan de bewustwording.33https://www.overstapserviceonderwijs.nl/Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 80026 Tot slot over dit punt lezen zij dat een deel van de scholen zich niet houdtaan de wettelijke bewaartermijn van de dossiers. Deze leden vragen ofmogelijkheden om dossiers automatisch te verwijderen meer kunnenworden benut.Scholen zijn verantwoordelijk voor de inhoud van de dossiers en de juisteomgang met gegevens. De bewaartermijnen van het OKR wordengeregeld binnen de (leerlingadministratie)systemen van scholen die zijafnemen bij hun leveranciers en niet vanuit de dienst OSO. Scholenkunnen hiervoor het beste contact opnemen met de leverancier.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 80027

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 893a1fd08ea67973

14 okt 2026 · 1549d8928d35cc6f

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.