KamerkringInloggen
Kamerbrief

Consequenties aanpassen Pensioenwet

19 jun 2024 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie ae5a4676347876ee · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2023–202432 043Toekomst pensioenstelselNr. 652 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR ARMOEDEBELEID, PARTICIPATIEEN PENSIOENEN Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 19 juni 2024Tijdens het tweeminutendebat Pensioenonderwerpen op 30 mei 2024heeft het lid Aartsen (VVD) verzocht wat op hoofdlijnen de financiële enbestuurlijke consequenties zijn van grote aanpassingen van de Pensi-oenwet. Met deze brief kom ik aan deze toezegging tegemoet.Op 1 juli 2023 is de Wet toekomst pensioenen (hierna: Wtp) in werkinggetreden. Sociale partners en pensioenuitvoerders geven sindsdienuitvoering aan de pensioenhervorming die hierin besloten ligt. In dezebrief versta ik onder grote aanpassingen van de Wtp: wettelijke aanpas-singen die materieel van grote invloed zijn op gemaakte afspraken vansociale partners en op de werkzaamheden die uitvoeringspartijen zoalspensioenfondsen, verzekeraars en pensioenuitvoeringsorganisatiesverrichten, omdat de (voorgenomen) wijzigingen op belangrijke onder-delen afwijken van de Wtp. Dit in tegenstelling tot eventuele wettelijkeaanpassingen gericht op het verbeteren van de werkbaarheid van detransitie, en waarbij de wijzigingen in lijn liggen met de Wtp.Impact aanpassingen op lopende afsprakenVoorstellen tot grote wijzigingen van de Wtp, leiden tot onduidelijkheidvoor deelnemers, werkgevers en de pensioenuitvoering. Het uitdenkenvan het voorstel, het onderbouwen daarvan (zoals de noodzakelijkheid enproportionaliteit), het afstemmen met belanghebbenden, het juridischtoetsen van het voorstel en de uiteindelijke parlementaire behandelingnemen tijd in beslag. Specifiek zal duidelijk moeten worden wat dewijzigingsvoorstellen betekenen voor de lopende en afgeronde onderhan-delingen over de nieuwe pensioenregeling en voor de administratiesys-temen die al zijn aangepast naar het nieuwe stelsel. Er moet ook wordennagegaan of de voorstellen kunnen rekenen op een meerderheid in deTweede en Eerste Kamer.Tijdens dit gehele proces is er sprake van onzekerheid voor de pensioen-sector, werkgevers en voor de (gewezen) deelnemers en gepensio-neerden. Wettelijk gezien moeten sociale partners en de uitvoerders de kst-32043-652ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 043, nr. 6521 transitie doorlopen zoals voorgeschreven in de Pensioenwet, terwijl eeneventueel wijzigingsvoorstel hiermee in strijd kan zijn. Zo lang de nieuwewetgeving nog wordt ontwikkeld, kan de sector daarop niet voorsorteren.Zo weten sociale partners niet meer onder welke randvoorwaarden zijonderhandelen over de nieuwe regeling, wat kan leiden tot oneven-wichtige afspraken.Ook geldt dat toezichthouders alleen toezicht kunnen houden opbestaande wet- en regelgeving, niet op nog niet aangenomen wetgeving.Terugwerkende-krachtbepalingen zijn hiervoor geen oplossing. Algenomen besluiten, of besluiten die worden genomen voordat een nieuwwijzigingsvoorstel van kracht zou worden, zijn genomen onder degeldende wetgeving en zijn daarmee niet zondermeer terug te draaien.Budgettaire en financiële consequenties van het wijzigingen vande PensioenwetConsequenties van specifieke wijzigingsvoorstellenAfhankelijk van de inhoud van een eventueel wijzigingsvoorstel, kunnener gevolgen zijn voor de overheidsfinanciën, de werkgeverslasten en hetperspectief op indexatie voor deelnemers in de komende jaren. Dit isbijvoorbeeld het geval als het voorstel invloed heeft op het aantaldeelnemers dat invaart voor het einde van de transitieperiode. Eenwijzigingsvoorstel kan ertoe leiden dat minder fondsen zullen invaren. Dedeelnemers die achterblijven in het FTK moeten worden gecompenseerdvoor de gemiste toekomstige pensioenopbouw als gevolg van hetafschaffen van de doorsneesystematiek. Als compensatie niet lukt uit hetpensioenfondsvermogen, zal dit moeten gebeuren vanuit de pensioen-premie. In de budgettaire onderbouwing voor de Wet toekomst pensi-oenen is uitgegaan van 20%-gebruik van de 3%-punt extra premieruimte.Hiervoor is een budgettaire derving van ongeveer € 270 miljoen tot 2037opgenomen. Als er minder wordt ingevaren, zal in die periode een groterberoep worden gedaan op compensatie via de premie. Bij 50%-gebruikleidt dit tot een derving van ongeveer € 675 miljoen per jaar en bij 100% isdit ongeveer € 1,3 miljard per jaar.Een hogere compensatie uit de premie leidt tot hogere lasten voorwerkgevers en minder beschikbare loonruimte voor werknemers, omdatde pensioenpremies in die periode hoger zullen zijn. Voor deelnemerskomt daarbij dat wanneer niet wordt ingevaren of wanneer dit onzeker is,er gedurende de transitieperiode geen gebruik kan worden gemaakt vande versoepelde transitieregels onder het FTK. De afgelopen jaren hebbenveel pensioenfondsen die voornemens zijn in te varen, de pensioenuitke-ringen voor miljoenen deelnemers ruimer kunnen indexeren.Consequenties van een langere transitieperiodeUitstel of vertraging van de pensioentransitie als gevolg van verderewijzigingsvoorstellen, kan betekenen dat de compensatieperiode tenbehoeve van de afschaffing van de doorsneesystematiek evenredig moetworden verlengd. Dat zou leiden tot een derving van jaarlijks circa€ 270 miljoen op de rijksbegroting.Daarnaast heeft een langere transitieperiode gevolgen voor de gemaakteafspraken in het Herstel- en Veerkrachtplan (HVP). Dit plan is doorNederland, in samenspraak met de Tweede Kamer, opgesteld om gebruikte kunnen maken van middelen beschikbaar gesteld met de Herstel- enVeerkrachtfaciliteit (HVF), bedoeld om de economische, sociale enterritoriale cohesie van de EU te verbeteren na de COVID-19 pandemie.Vereiste is dat het HVP de toepasselijke landspecifieke aanbevelingen(LSA’s) adresseert, waaronder de LSA over de pensioenhervorming.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 043, nr. 6522 In de HVP-verordening zijn de mijlpalen voor de transitie naar het nieuwepensioenstelsel vastgelegd.1 De eerstvolgende mijlpaal is het afrondenvan de transitieplannen, met als deadline het eerste kwartaal 2025. Eenandere mijlpaal is dat er voor twee derde van de deelnemers per1 augustus 2026 een goedgekeurd invaarbesluit is, met een invaardatumop uiterlijk 1 januari 2027. Het niet op tijd halen van de mijlpalen kanleiden tot een korting op de HVF-middelen oplopend tot maximaal € 600miljoen per mijlpaal.2 Een aanpassing van de transitietermijn naar hetnieuwe pensioenstelsel zal hiermee tot deze korting kunnen leiden.3Als de pensioenhervorming in zijn geheel niet wordt doorgevoerd of nietin deze vorm wordt doorgevoerd, is het vrijwel zeker dat de desbetref-fende LSA niet adequaat gedekt wordt en het Nederlandse HVP niet meeraan de Europese vereisten voldoet. Het niet nakomen van de afsprakenrondom het HVP zet de gehele voor Nederland gereserveerde€ 5,4 miljard onder druk.4De Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen,C.J. Schouten1Het Nederlandse Herstel- en Veerkrachtplan, p.1932Antwoorden op Kamervragen over aanvullende randvoorwaarde over het invaren vanpensioenen in coronaherstelfonds | Kamerstuk | Rijksoverheid.nl3In het wetsvoorstel Verlenging transitieperiode toekomst pensioenen wordt de uiterstetransitietermijn verschoven naar 1 januari 2028. Dit heeft geen effecten voor de tussenliggendetransitietermijnen.4Voorjaarsnota 2024, https://www.rijksfinancien.nl/voorjaarsnota/2024/2744693Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 043, nr. 6523

Eerdere bronversies

14 okt 2026 · d018884720ca807e

13 okt 2026 · 6d96196e78adb3c6

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.