Verslag van een schriftelijk overleg over de kabinetsreactie op bericht dat gemeenten steeds strenger worden met het toekennen van pgb-budgetten (Kamerstuk 25657-379)
Brontekst
Versie 8af5a8bd1b62fd9d · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202625 657Persoonsgebonden BudgettenNr. 381 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 16 juni 2026 De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft eenaantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister vanLangdurige Zorg, Jeugd en Sport over de brief van 2 maart 2026 over dekabinetsreactie op bericht dat gemeenten steeds strenger worden met hettoekennen van pgb-budgetten (Kamerstuk 25 657, nr. 379).De vragen en opmerkingen zijn op 3 april 2026 aan de Minister vanLangdurige Zorg, Jeugd en Sport voorgelegd. Bij brief van 16 juni 2026zijn de vragen beantwoord.De voorzitter van de commissie,MohandisAdjunct-griffier van de commissie,Heller kst-25657-381ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 657, nr. 3811 InhoudsopgaveI.Vragen en opmerkingen vanuit de fracties2Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie2Vragen en opmerkingen van de leden van deGroenLinks-PvdA-fractie3Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie4Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie5Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie5Vragen en opmerkingen van de leden van deChristenUnie-fractie6Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie7Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie8Vragen en opmerkingen van de leden van de GroepMarkuszower10II.Reactie van de Minister10 I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de kabinetsre-actie op het bericht dat gemeenten steeds strenger worden met hettoekennen van pgb-budgetten.In de kabinetsreactie staat dat de Minister geen signalen heeft ontvangenvan het strenger worden van gemeenten in de toekenning vanpgb-budgetten. Uit het onderzoek van Pointer blijkt dat een grotemeerderheid van de clientondersteuners van stichting MEE (83 procent)ziet dat de gemeenten de afgelopen twee jaar strenger zijn geworden inhet toekennen van pgb-budgetten. Hoe verklaart de Minister dezeervaringen uit het veld?Daarnaast wijzen de leden van de D66-fractie op de mogelijke ongelijkheidtussen gemeenten. Door de beleidsvrijheid binnen de Jeugdwet kunnenverschillen ontstaan in de toekenning van pgb-budgetten, waardoorgezinnen afhankelijk zijn van hun woonplaats voor de mate van onder-steuning die zij ontvangen. Deze leden vragen in hoeverre de Ministerdeze verschillen in kaart heeft en hoe er wordt gezorgd dat overal aan eenbepaald voorzieningenniveau wordt voldaan.Tot slot constateren de leden van de D66-fractie dat de Minister in dereactie voornamelijk wijst op bestaande uitgangspunten en verantwoorde-lijkheden van gemeenten. Deze leden vragen of de Minister van mening isdat deze voornamelijk faciliterende en decentrale aanpak toereikend is,gezien de geschetste signalen uit de praktijk. Voorziet de Ministermogelijkheden om, waar nodig, aanvullende maatregelen te treffen, zoalshet versterken van landelijke kaders, betere monitoring of gerichtertoezicht, om te waarborgen dat gezinnen tijdig passende ondersteuningontvangen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 657, nr. 3812 Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van dekabinetsreactie op het bericht dat gemeenten steeds strenger worden methet toekennen van pgb-budgetten. Zij hebben hier nog enkele vragen enopmerkingen over.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen in de reactie dat deMinister geen signalen heeft ontvangen dat gemeenten strenger zijngeworden in het toekennen van pgb-zorg. Deze leden wijzen echter op hetartikel en de uitzending van Pointer, waarin ook verwezen wordt naar deposition paper van Ieder(in) «Toch (niet) te veel gevraagd?», waarinouders en cliëntondersteuners wel degelijk aangeven dat zij ervaren datgemeenten strenger zijn geworden met het toekennen van pgb-budgetten.Hoe rijmt dat met de constatering van de Minister dat zij geen signalenheeft ontvangen? Is er inmiddels contact geweest met Ieder(in) en PerSaldo over deze signalen? Zo nee, waarom niet en is de Minister bereidalsnog in gesprek te treden met hen? Zo ja, wat is er voortgekomen uit ditcontact? Zou gereflecteerd kunnen worden op de gevolgen die hetstrenger omgaan met het toekennen van pgb-budgetten heeft voorgezinnen met een kind met een zorgvraag?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat gemeenten aan zet zijnom invulling te geven aan de visie uit het VN-verdrag Handicap doormiddel van hun lokale inclusiebeleid. Hoeveel gemeenten hebbeninmiddels een eigen inclusiebeleid, conform de principes van hetVN-Verdrag Handicap, vastgesteld? Welke rol ziet de Minister voor zichzelfin het aanjagen van lokale inclusiebeleid? Welke rol ziet de Minister voorzichzelf in het bewaken van de vrije keuze voor het pgb? Genoemde ledenlezen daarnaast ook dat de overheid, waaronder gemeenten, op basis vanhet VN-verdrag Handicap verplicht is om het mogelijk te maken datmensen met een beperking zoveel mogelijk mee kunnen doen. Kan nadertoegelicht worden welke concrete verplichtingen voor enerzijdsgemeenten en anderzijds provincies er vanuit het VN-Verdrag voort-vloeien? Kan tevens toegelicht worden in hoeverre lagere overheden,zoals gemeenten en provincies, zich voldoende bewust zijn van hunplichten ten opzichte van het VN-Verdrag Handicap? Welke rol ziet deMinister voor zichzelf in het handhaven van het naleven van de verplich-tingen uit het verdrag, in het bijzonder op het lokale en provincialeniveau?De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA zouden graag aandachtwillen vragen voor de problemen met onvoldoende toereikende pgbtarieven. Zij ontvangen signalen dat het regelmatig voorkomt datbudgethouders niet uitkomen met de opgelegde tarieven, met als gevolgdat ze daardoor in de knel komen of zelfs niet verder kunnen met het pgb.Dit is ook herhaaldelijk aangekaart door budgethouders en hun belangen-behartiger, Per Saldo. Genoemde leden erkennen dat er sinds 2024 eenhandreiking bestaat voor toereikende pgb-tarieven voor het sociaaldomein. Sindsdien is echter herhaaldelijk geconstateerd dat het gebruikvan de handreiking te vrijblijvend is en daardoor onvoldoende of nietgoed wordt toegepast. Herkent het kabinet dit beeld? Zo nee, waaromniet? Zo ja, welke concrete maatregelen zullen er genomen worden omerop toe te zien dat de handreiking vaker correct toegepast wordt? Dezeleden willen ook graag opmerken dat een soortgelijke handreikingontbreekt voor de Wet langdurige zorg (Wlz) en Zorgverzekeringswet(Zvw). Zij zien echter zeker de toegevoegde waarde hiervan. Is de Ministerbereid een soortgelijke handreiking te ontwikkelen voor de Wlz en Zvw?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 657, nr. 3813 De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich tevens zorgen overhet voortbestaan van ouderinitiatieven wegens onder andere ontoerei-kende tarieven. Zij vragen de Minister of stappen gezet zijn om samen metouderinitiatieven in kaart te brengen waar zij tegen aan lopen ten aanzienvan de financiering en te bekijken wat een passende oplossing zoukunnen zijn.Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractieDe leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de kabinetsre-actie op het bericht dat gemeenten steeds strenger worden met hettoekennen van pgb-budgetten. Deze leden vinden dat ouders van kinderenmet een levenslange en levensbrede beperking goed geholpen moetenworden en niet vermalen mogen raken tussen beleid, procedures enfinanciële afwegingen van gemeenten. De Minister schrijft dat zij geensignalen heeft ontvangen dat gemeenten strenger zijn geworden in hettoekennen van pgb-zorg, terwijl de kabinetsreactie juist is opgesteld naaraanleiding van een artikel en onderliggend onderzoek waarin dergelijkesignalen naar voren komen. De leden van de PVV-fractie hebben daaromde volgende vragen.Deze leden vragen hoe de Minister kan stellen geen signalen te hebbenontvangen dat gemeenten strenger zijn geworden met de toekenning vanpgb-zorg, terwijl het artikel van Pointer en het onderliggende rapport vanIeder(in), gebaseerd op signalen van ouders en cliëntondersteuners, juistaanleiding vormden voor deze kabinetsreactie. De leden van dePVV-fractie vragen of de Minister deze signalen niet als serieuze signalenbeschouwt.Ook vragen deze leden op welke bronnen de Minister haar stelling baseertdat zij geen signalen heeft ontvangen. Deze leden vragen de Minister ofdit actief is uitgevraagd bij ouders, cliëntondersteuners, belangenorgani-saties en onafhankelijke deskundigen, of dat zij zich hierbij vooral baseertop informatie van gemeenten.De leden van de PVV-fractie vragen daarnaast op welke wijze signalen vanouders, cliëntondersteuners en belangenorganisaties zijn betrokken bij debeoordeling van de Minister dat gemeenten niet strenger zijn gewordenbij het toekennen van pgb-zorg. Kan de Minister toezeggen hierover inoverleg te treden met Per Saldo?De leden van de PVV-fractie vragen de Minister te bevestigen dat signalenvan ouders en cliëntondersteuners voor haar even zwaar moeten wegenals signalen van gemeenten, juist omdat zij in de praktijk direct ervaren ofgezinnen in de knel komen. Deze leden vragen de Minister verder hoe inde praktijk wordt getoetst of gemeenten bij de beoordeling van dezogenoemde eigen kracht daadwerkelijk zorgvuldig kijken naar dedraagkracht en draaglast van gezinnen en hoe wordt voorkomen datouders structureel overvraagd worden.De leden van de PVV-fractie vragen de Minister of zij bereid is nader teonderzoeken of gemeenten de laatste jaren strenger zijn geworden bij hettoekennen van pgb-zorg, zodat niet alleen gemeenten zelf, maar juist ookouders en cliëntondersteuners gehoord worden.Tot slot vragen deze leden of de Minister kan aangeven welke mogelijk-heden ouders hebben wanneer zij vinden dat hun gezin door eengemeente ten onrechte wordt overvraagd of wanneer noodzakelijke zorgniet of onvoldoende wordt toegekend.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 657, nr. 3814 De leden van de PVV-fractie zien met belangstelling uit naar de beant-woording.Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractieDe leden van de CDA-fractie maken graag van de mogelijkheid gebruikenige aanvullende en verduidelijkende vragen te stellen naar aanleidingvan de brief van de Minister en het onderzoek door Pointer naaraanleiding van de position paper van Ieder(in) «Toch (niet) te veelgevraagd?!»De Minister stelt in de reactie op het onderzoek van Pointer, dat in deJeugdwet is opgenomen dat ouders zelf een rol hebben in deze zorg. Dezogenoemde «eigen kracht». Gemeenten kijken naar wat realistisch enhaalbaar is voor het gezin. Dit principe begrijpen en ondersteunen deleden van de CDA-fractie.Hoeveel gemeenten werken er op dit moment met de modelverordeningvan de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG)? Klopt het dat dezeverordening van VNG meer zorg dan voorheen als normale zorg, die jenormaliter aan je kind geeft, beschouwd? In hoeverre wordt er rekeninggehouden dat kinderen met een lichamelijke en/of verstandelijkebeperking meer zorg nodig hebben dan gebruikelijke zorg?Gemeenten moeten na de aanvraag toetsen wat realistisch en haalbaar isvoor het gezin dat de aanvraag heeft gedaan. De Minister stelt in haarbrief dat er gekeken moet worden naar draagkracht en draaglast van hetgezin. Betekent dat dit maatwerk voor elk gezin voor elk kind anders uitkan werken? Is geregeld hoe een dergelijke toets eruit moet zien?Er is een noodzaak om inhoudelijke en deskundige medewerkers bij detoegang en in de hulpverlening de zorg te laten toetsen. Is er voldoendedeskundigheid over deze groep kinderen bij de lokale teams? Zo nee, watkan de Minister doen om deze deskundigheid te bevorderen?Hoe weegt de Minister het feit dat een aantal ouders (vaak moeders) diewerken naast de zorg voor hun kind met een beperking, dat opgevenomdat het persoonsgebonden budget – de zorg – niet worden toegekend?Tenslotte vragen de leden van de CDA-fractie de Minister of met de komstvan de Reikwijdtewet deze groep kinderen voldoende in beeld is en blijft.Is bekend hoe groot de groep kinderen is die van de Jeugdwet overgaannaar de Wlz?Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractieDe leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van de kabinetsre-actie. Zij stellen hierover de volgende vragen.De leden van de SGP-fractie verbazen zich over de opmerking van deMinister dat zij geen signalen heeft ontvangen dat gemeenten strengerzijn geworden in het toekennen van pgb-zorg. Kan zij dit nader onder-bouwen?De leden van de SGP-fractie vragen de Minister om nader in gesprek tegaan met cliëntorganisaties zoals Ieder(in) en Per Saldo over signalen diezij krijgen over het beperken van pgb-zorg. De leden van de SGP-fractievragen zich af hoe het kan dat de Minister er blijkbaar niet mee bekend isdat ouders al jaren moeten vechten op passende ondersteuning te krijgenvia een pgb, en dat zodra de keuze voor het pgb wordt gemaaktTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 657, nr. 3815 gemeenten ineens zeer terughoudend zijn om een toekenning af te geven.Kan zij dat toelichten?De leden van de SGP-fractie herinneren de Minister aan afspraken in deHervormingsagenda Jeugd met betrekking tot de keuzevrijheid voornaturazorg en pgb voor jeugdigen met een levenslange en levensbredebeperking. Hoe staat het met de uitvoering van deze afspraken? Hoe rijmtde Minister dit met de signalen die worden ontvangen door cliëntorgani-saties dat kinderen geen pgb meer toegekend krijgen om passendeondersteuning te regelen?De leden van de SGP-fractie vragen de Minister of zij bekend is met hetonderzoek naar de daling van pgb’s jeugdhulp uit 2020 (uitgevoerd doorJ.B. Lorenz Consultancy) en de reactie van Per Saldo op het onderzoek? Isde Minister ermee bekend dat in de eerste vijf jaar na de decentralisatie ereen daling van het aantal jeugd pgb’s plaatsvond van bijna vijftig procent?Wat vindt zij hiervan?Heeft de Minister de indruk dat het aantal pgb’s jeugd en Wet maatschap-pelijke ondersteuning (Wmo) sinds 2020 stabiel is gebleven, toegenomenis of juist gedaald? Kan zij dit nader toelichten? Zo niet, dan vragen deleden van de SGP-fractie of de Minister bereid is om aanvullendonderzoek te laten uitvoeren naar het aantal pgb’s Wmo en jeugd voor deperiode vanaf 2020 tot heden.De leden van de SGP-fractie vragen of de Minister bekend is met deactuele modelverordening van de VNG voor de Jeugdwet. Deze modelver-ordening wordt door veel gemeenten gebruikt bij wijzigingen van delokale verordeningen jeugd. In de modelverordening zijn significanteaanscherpingen opgenomen die extra drempels opwerpen voor hettoekennen van zorg via een persoonsgebonden budget. Is de Ministerhiermee bekend en hoe kijkt zij hiernaar?De leden van de SGP-fractie zien dat de Minister, net als in de modelveror-dening van de VNG, nu gebruikmaakt van de termen «draagkracht endraaglast». Deze termen komen niet terug in de Jeugdwet (en ook niet inde Wmo). In die wetten wordt gesproken over «eigen kracht». Kan deMinister aangeven of er een verschil zit tussen «draagkracht en draaglast»en «eigen kracht» of dat de Minister van mening is dat deze nieuwe terminwisselbaar is voor de «oude» term «eigen kracht»?Kan de Minister schetsen hoe gemeenten cliënten (inwoners) betrekkenbij het opstellen van beleid ten aanzien van pgb’s? Is zij van mening datdit nu voldoende gebeurt zodat perspectieven vanuit de dagelijks praktijkvan gezinnen voldoende in het beleid en regelgeving worden meege-nomen?Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractieDe leden van de ChristenUnie-fractie maken van de gelegenheid gebruikom vragen te stellen over de kabinetsreactie op het bericht dat gemeentensteeds strenger worden met het toekennen van pgb-budgetten.De leden van de ChristenUnie-fractie maken zich er zorgen over of deMinister de ernst van de situatie wel begrijpt. Ieder(in) waarschuwt datouders worden klemgezet. Ouders moeten óf hun inkomen opgeven, óf deveiligheid en ontwikkeling van hun kind op het spel zetten. De Ministerschrijft dat ouders uiteraard niet in de knel moeten komen en geeft aangeen signalen te ontvangen dat gemeenten strenger zijn geworden in hettoekennen van pgb-zorg. In het rapport van Ieder(in), waar de Minister ookTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 657, nr. 3816 naar verwijst, staat echter dat de organisatie veel zorgwekkende signalenkrijgt. Deze leden vragen hoe het kan dat de Minister stelt geen signalen tehebben ontvangen. Beschouwt de Minister het rapport wel als signaal?Staat de Minister ervoor open om signalen te ontvangen en is de Ministerbereid om actief op zoek te gaan naar deze signalen?De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in het rapport van Ieder(in) dathet langetermijnperspectief centraal staat. Welke stappen gaat de Ministerondernemen om een goed langetermijnperspectief voor ouders tegaranderen?De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in de brief dat de Minister hettoetsen van «eigen kracht» een goed uitgangspunt vindt. Deze leden zijnook van mening dat de eerste zorg voor kinderen bij het gezin ligt.Wanneer het echter niet meer realistisch en haalbaar is voor een gezin omhet hoofd boven water te houden, is het van belang dat de maatschappijen overheid te hulp schieten. De leden van de ChristenUnie-fractie ziendat gezinnen met kinderen met een levenslange en levensbrede beperkinghulp behoeven, en juichen het bestaan van het persoonsgebonden budgettoe. Er zijn echter duidelijke signalen dat het persoonsgebonden budgetop deze wijze niet toereikend is. Ouders luidden de noodklok, zo blijkt ookuit het rapport van Ieder(in). Kan de Minister een beeld schetsen van degevolgen van de toenemende druk op ouders, tegelijk met verminderingvan hulp en ondersteuning? Heeft de Minister zicht op de oorzaken voorde ontwikkeling dat gemeenten steeds meer uitgaan van de eigen krachtvan een gezin? Zijn deze bijvoorbeeld financieel ingegeven, omdat er teweinig gemeentelijk budget is, of is dit inhoudelijk gedreven?De leden van de ChristenUnie-fractie zijn blij dat de regering hetVN-verdrag Handicap heeft ondertekend en dat in het coalitieakkoordstaat dat deze wordt uitgevoerd. Deze leden zien ook de aanbevelingenvan het VN-comité, waaruit blijkt dat er nog veel stappen moeten wordengezet om hier volledig aan te voldoen. Hoe rijmt de Minister het strengerworden van de toekenning van het persoonsgebonden budget met deaanbeveling van het VN-Comité? Welke verantwoordelijkheid ligt hiervoor het Rijk?De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in de brief dat gemeenten aanzet zijn om invulling te geven. Deze leden vragen de Minister wat voorhaar hier de ondergrens zou zijn. Welke kansen ziet de Minister omgemeenten te ondersteunen, of zijn er juist punten om gemeenten op aante spreken? In de eerste vijf jaar na de decentralisatie is er bij dejeugd-pgb een daling geweest van bijna vijftig procent. Welke oorzakenheeft dit volgens de Minister? Deze leden zien dat er wel een enormetoename is van het aantal jeugdhulpaanvragen. Hoe sluiten dezegegevens op elkaar aan volgens de Minister? Welke stappen gaat deMinister zetten om de jeugdhulpaanvragen zo goed mogelijk te beant-woorden, en de jeugdhulpaanvragen te verminderen?De leden van de ChristenUnie-fractie zien dat er aanpassingen nodig zijnom het persoonsgebonden budget houdbaar te houden. Deze leden zijndan ook blij in het coalitieakkoord te lezen dat het doorgeslagen indicatie-circus wordt stopgezet. Hoe gaat de Minister hier invulling aan geven, enwelke kansen ziet de Minister om gemeentes hierbij te ondersteunen?Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractieDe leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de kabinetsreactieop bericht dat gemeenten steeds strenger worden met het toekennen vanpgb-budgetten. Zij hebben hierover nog enkele vragen en opmerkingen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 657, nr. 3817 De leden van de SP-fractie lezen dat de Minister zegt geen signalen heeftontvangen «dat gemeenten strenger zijn geworden in het toekennen vanpgb-zorg». Heeft de Minister de berichtgeving van Pointer niet gelezen?Dat is toch overduidelijk een signaal dat gemeenten strenger zijngeworden? Is zij bereid om zich beter te laten informeren over wat hierspeelt, door in gesprek te gaan met ouders, cliëntondersteuners en hunvertegenwoordigers?De leden van de SP-fractie herinneren de Minister eraan dat de Kamer in2023 de motie-Futselaar/Dijk1 aannam, waarin werd uitgesproken «dat hetuitvoeren van complexe medische handelingen, zoals het geven vansondevoeding, stomazorg of het monitoren van beademing tijdens denacht, niet behoort tot normale ouderlijke zorg». Hoe verhoudt de praktijkdie blijkt uit het Pointer-onderzoek zich tot deze Kameruitspraak?De leden van de SP-fractie benadrukken dat gezinnen niet in de knelmogen komen door slecht beleid door gemeenten als het gaat om hettoekennen van pgb’s. Wat gaat de Minister doen om ervoor te zorgen datouders niet worden gedwongen om zware zorgtaken, die niet vallenbinnen de gebruikelijke ouderlijke zorg, gratis te verlenen aan hunkinderen, waardoor zij onder zware druk komen te staan?Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de kabinetsre-actie op bericht dat gemeenten steeds strenger worden met hettoekennen van pgb-budgetten. Deze leden hebben de volgende vragenaan de Minister.Genoemde leden merken op dat in de kabinetsreactie op het bericht overstrengere pgbtoekenning wordt gesteld dat er geen signalen zijn datgemeenten strenger zouden zijn geworden, terwijl tegelijkertijd uitonderzoeken, mediaberichten en uitvoeringspraktijk blijkt dat gezinnenregelmatig knelpunten ervaren, onder andere door een zware invullingvan het criterium «eigen kracht». Hoe verklaart de Minister deze discre-pantie tussen de signalen die ouders en belangenorganisaties melden ende constatering dat er geen aanwijzing zou zijn voor strengeretoekenning? Is de Minister bereid inzichtelijk te maken hoe gemeenten detoets op eigen kracht uitvoeren en of deze toets daadwerkelijk proporti-oneel wordt toegepast, ook in situaties van langdurige of levensbredezorgbehoefte? Kan de Minister bevestigen dat bij de beoordeling vandraagkracht en draaglast niet alleen gekeken moet worden naar theore-tische zelfredzaamheid, maar ook naar de praktische uitvoerbaarheid enbelasting voor gezinnen?Verder merken de leden van de BBB-fractie op dat budgethouders vaak incomplexe werkgeversrollen worden geplaatst, zelfs wanneer zij uitsluitendinformele zorgverleners inzetten. Zij vragen zich af waarom ondanksjarenlang aandringen vanuit budgethouders, professionals en uitvoerings-instanties vereenvoudiging van het pgbstelsel niet meer prioriteit krijgt. Isde Minister bereid de administratieve lasten bij budgethouders substan-tieel te verlagen door harmonisatie van regelgeving, het schrappen vandubbele verantwoordingsplichten en het bevorderen van risicogerichttoezicht? Op welke wijze wordt geborgd dat het pgb-portaal daadwerkelijkleidt tot vermindering van administratieve druk en niet tot digitaliseringvan bestaande complexiteit? Kan de Minister aangeven of mantelzorgersstructureel kunnen worden ondersteund via een vergoeding die hen uit de1Kamerstuk 34 104, nr. 387Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 657, nr. 3818 werkgeversrol haalt, zodat zij zich kunnen richten op zorg in plaats vanadministratie?Ook lezen de leden van de BBB-fractie dat het pgb regelmatig wordtingezet als vangnet wanneer passende zorg in natura ontbreekt. Dezeleden constateren dat dit voor veel budgethouders niet leidt tot keuze-vrijheid, maar tot gedwongen administratieve lasten zodat noodzakelijkezorg überhaupt geleverd kan worden. Hoe beoordeelt de Minister signalendat mensen een pgb krijgen omdat zorg in natura onvoldoendebeschikbaar is, terwijl dit niet de bedoeling van het instrument is? Hoewordt voorkomen dat de tekorten in wijkverpleging, jeugdzorg enWmo-voorzieningen worden afgewenteld op budgethouders die geenbewuste keuze voor het pgb hebben gemaakt? Is de Minister bereidinzichtelijk te maken hoeveel pgb-aanvragen plaatsvinden wegensonvoldoende beschikbaarheid van zorg in natura?Daarnaast constateren de leden van de BBB-fractie dat in de stukken overde jeugdzorg en langdurige zorg opnieuw duidelijk wordt dat gezinnenvaak meerdere jaren achtereen moeten aantonen dat een levenslangebeperking nog steeds aanwezig is. Deze leden vinden dit disproportioneelen in strijd met de menselijke maat. Kan de Minister toelichten waaromouders en budgethouders nog altijd jaarlijks bewijs moeten leveren vanaandoeningen waarvan het permanente karakter evident is? Is de Ministerbereid tot een stelselwijziging waarbij langdurige, niet-veranderlijkebeperkingen niet jaarlijks opnieuw hoeven te worden aangetoond?Voorts merken de leden van de BBB-fractie op dat vele signalen wijzen optoenemende druk op professionals door gescheiden wettelijke kaders,hoge registratielast en gebrekkige gegevensuitwisseling. Deze ledenvragen hoe de Minister regie gaat nemen om hier daadwerkelijk verbe-tering in te brengen, gelet op eerdere toezeggingen. Is de Minister bereidom, in samenwerking met uitvoeringsorganisaties, gemeenten, zorgkan-toren en beroepsgroepen, te komen tot één samenhangende vereenvoudi-gingsagenda voor het pgb en verwante zorgwetten? Hoe wordt geborgddat professionals voldoende tijd en ruimte krijgen om maatwerk televeren zonder voortdurend geconfronteerd te worden met ingewikkeldeprocedureregels?Ook zien de leden van de BBB-fractie dat de wachttijden in de ggz,wijkverpleging en huisartsenzorg leiden tot verschuiving van zorgpro-blemen naar gezinnen. Zij constateren dat, zolang wachttijden oplopen,pgb-aanvragen toenemen en gezinnen zwaardere taken dragen, wat nietduurzaam is. Erkent de Minister dat oplopende wachttijden indirect leidentot een zwaardere druk op pgb-gebruik? Welke maatregelen neemt deMinister om te voorkomen dat knelpunten in de reguliere zorg recht-streeks worden afgewenteld op burgers, al dan niet via het pgb?Verder constateren de leden van de BBB-fractie dat uit meerdere stukkenblijkt dat het huidige stelsel tot verschillen tussen gemeenten en regio’sleidt, waardoor burgers afhankelijk zijn van postcode in plaats vanbehoefte. Zij benadrukken dat gelijke situaties tot gelijke uitkomstenmoeten leiden. Is de Minister bereid om te werken aan landelijkeminimumnormen voor de uitvoering van pgb-procedures, zodat rechtson-gelijkheid tussen gemeenten wordt beperkt? Kan de Minister aangevenhoe gemeenten worden ondersteund om hun beoordeling en uitvoeringbeter te uniformeren?Tot slot constateren de leden van de BBB-fractie dat in veel documentenwordt gesproken over «vertrouwen», «toegankelijkheid» en «menselijkemaat», maar dat deze uitgangspunten in de praktijk niet altijd wordenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 657, nr. 3819 ervaren. Hoe gaat de Minister ervoor zorgen dat deze uitgangspunten nietslechts beleidsmatige intenties blijven, maar concreet merkbaar wordenvoor ouders, mantelzorgers, budgethouders en professionals? Is deMinister bereid om een brede pilot te starten waarin pgb-proceduresworden ingericht vanuit het principe van maximale eenvoud envertrouwen, met als doel succesvolle elementen landelijk te implemen-teren?Vragen en opmerkingen van de leden van Groep MarkuszowerDe leden van de Groep Markuszower hebben met verbazing kennisge-nomen van de vrij summiere kabinetsreactie op het bericht datgemeenten steeds strenger worden met het toekennen van pgb-budgettenen hebben daarover nog enkele vragen en opmerkingen.De leden van de Groep Markuszower vragen hoe het kan dat de Ministergeen signalen heeft ontvangen dat gemeenten strenger zijn geworden inhet toekennen van pgb-zorg, terwijl deze signalen er wel degelijk zijn, zoblijkt uit het Pointer artikel gebaseerd op het rapport van Ieder(in). Hoekan het dat deze signalen de Minister niet bereiken?De Minister is niet op de hoogte dat gemeenten noodzakelijke onder-steuning vanuit de Jeugdwet steeds vaker afwijzen onder het mom «eigenkracht». Uit het Pointer onderzoek blijkt dat het tegendeel waar is. Vooralde groep ouders van een kind met een levenslange beperking dieintensieve zorg nodig heeft, komt in de knel. Is de Minister bereid ditnader te onderzoeken? Zo nee, waarom niet?Is de Minister bereid om contact op te nemen met de cliëntondersteunersen de ouders uit het Ieder(in)-onderzoek? Zo nee, waarom niet?Is de Minister het met de leden van de Groep Markuszower eens dat hetstrenger worden met het toekennen van pgb-budgetten heel veel wegheeft van de meldingen van ouders vanuit de Zorgverzekeringswet,waarin zorgverzekeraars ook onder het mom «eigen kracht» bepalen datouders steeds meer zorgtaken zelf kunnen gaan uitvoeren en steedsstrenger worden in het toekennen van pgb-budgetten? Hoe gaat deMinister ervoor zorgen dat ouders die hun kind dagelijks intensieve zorggeven, niet gaan vastlopen door strengere eisen onder het mom «eigenkracht»?II. Reactie van de Minister Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractieIn de kabinetsreactie staat dat de Minister geen signalen heeft ontvangenvan het strenger worden van gemeenten in de toekenning vanpgb-budgetten. Uit het onderzoek van Pointer blijkt dat een grotemeerderheid van de clientondersteuners van stichting MEE (83 procent)ziet dat de gemeenten de afgelopen twee jaar strenger zijn geworden inhet toekennen van pgb-budgetten. Hoe verklaart de Minister dezeervaringen uit het veld?De toets op eigen kracht staat sinds 2015 in de Jeugdwet en de Wetmaatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Deze toets op eigenkracht houdt in dat eerst gekeken wordt naar eigen mogelijkheden en hetprobleemoplossend vermogen van het individu of de jeugdige, zijnouders en hun sociale omgeving. Diverse gemeenten hebben inmiddelsde beoordeling van eigen kracht uitgewerkt in afwegingskaders. Dezeafwegingskaders zijn opgenomen in de lokale verordening, zoalsopgedragen door de wet.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 657, nr. 38110 Deze afwegingskaders voor eigen kracht verduidelijken wat inwonerskunnen verwachten aan hulp en ondersteuning. Een doel van dedecentralisatie in 2015 was namelijk te komen tot een beter passendlokaal aanbod. Daarbij moet worden afgewogen wat de eigen verantwoor-delijkheid en de eigen mogelijkheden zijn. Het kan zijn dat clientonder-steuners van de stichting MEE verschillen tussen gemeenten ervaren. Endat kan als strenger worden ervaren. Maar omdat er altijd sprake is vaneen individuele afweging, is vergelijken niet goed mogelijk. Bovendienhebben inwoners van gemeenten invloed op het gemeentelijk beleid. Zomoeten de afwegingskaders via een democratisch proces in de verorde-ningen worden opgenomen en vastgesteld. Daarbij is ook inspraak opbeleid georganiseerd.Daarnaast wijzen de leden van de D66-fractie op de mogelijke ongelijkheidtussen gemeenten. Door de beleidsvrijheid binnen de Jeugdwet kunnenverschillen ontstaan in de toekenning van pgb-budgetten, waardoorgezinnen afhankelijk zijn van hun woonplaats voor de mate van onder-steuning die zij ontvangen. Deze leden vragen in hoeverre de Ministerdeze verschillen in kaart heeft en hoe er wordt gezorgd dat overal aan eenbepaald voorzieningenniveau wordt voldaan.Uitgangspunt van de wet uit 2015 is dat gemeenten een goed beeldhebben van de lokale situatie en zij het aanbod goed kunnen latenaansluiten op lokale behoeften van individuen, gezinnen en kinderen.Juist omdat de gemeente een bredere rol speelt in en om individuen engezinnen kunnen zij de bredere sociale context (verbinding met hetonderwijs, wonen of zorg) goed meewegen in het vormgeven van hetlokale aanbod. De verschillende behoefte aan en invulling van eeneventueel pgb kan inderdaad verschillen in aanbod per gemeenteveroorzaken. Er is geen landelijk beeld van hoe gemeenten hun lokaleverordeningen en aanbod precies invullen. Het doel van de wet is juist omte voorzien in meer lokaal beter passende hulp.Verder helpen landelijke wettelijke kaders om gemeenten richting tegeven aan hun beleid. Deze kaders zorgen voor kleinere verschillen tussengemeenten. Het wetsvoorstel Reikwijdte (dat in internetconsultatie isgeweest) verduidelijkt bijvoorbeeld de reikwijdte van de jeugdhulpplichtvan gemeenten om beter te borgen dat er passende jeugdhulp wordtingezet. Het wetsvoorstel regelt ook een afwegingskader voor de inzet vanaanvullende jeugdhulp aan de hand waarvan wordt beoordeeld welkehulp van ouders en de sociale omgeving verwacht mag worden. Hetwetsvoorstel voorziet in een helder en eenduidig afwegingskader zodatgemeenten over duidelijkere handvatten beschikken om deze afweging temaken.Er wordt onder de werkagenda VN-verdrag Handicap een afwegingskadervoor de Jeugdwet en Wmo2015 ontwikkeld, met als doel de verschillentussen gemeenten te verkleinen. Gemeenten kunnen dit gebruiken om hetwegen van eigen kracht nader in te vullen in hun lokale verordening.Hierover wordt uw Kamer binnenkort geïnformeerd.Tot slot constateren de leden van de D66-fractie dat de Minister in dereactie voornamelijk wijst op bestaande uitgangspunten en verantwoorde-lijkheden van gemeenten. Deze leden vragen of de Minister van mening isdat deze voornamelijk faciliterende en decentrale aanpak toereikend is,gezien de geschetste signalen uit de praktijk. Voorziet de Ministermogelijkheden om, waar nodig, aanvullende maatregelen te treffen, zoalshet versterken van landelijke kaders, betere monitoring of gerichtertoezicht, om te waarborgen dat gezinnen tijdig passende ondersteuningontvangen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 657, nr. 38111 Er zijn sinds de decentralisatie diverse handreikingen voor gemeentenontwikkeld om hen te helpen het aanbod zo goed mogelijk vorm te geven.Daarnaast zijn er diverse ondersteunings- en leernetwerken ingericht.VNG heeft een modelverordening ontworpen die gemeenten kunnengebruiken als uitgangspunt in hun beleid. Voor de inkoop en organisatie isrecent de wet Verbetering beschikbaarheid zorg voor jeugdigen vastge-steld dat de nodige verplichtende kaders biedt voor de (boven)regionaleorganisatie en inkoop van (hoog)specialistische jeugdhulp. Vanuit deHervormingsagenda Jeugd lopen diverse trajecten om het stelsel teverbeteren op onder andere monitoring en toezicht. Het aanbod van zorgin natura moet dusdanig zijn dat mensen die dit willen hier een beroep opkunnen doen en niet noodgedwongen voor een pgb kiezen. Pgb is eengoed instrument voor mensen die eigen regie kunnen voeren en hierbewust voor kiezen.Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen in de reactie dat deMinister geen signalen heeft ontvangen dat gemeenten strenger zijngeworden in het toekennen van pgb-zorg. Deze leden wijzen echter op hetartikel en de uitzending van Pointer, waarin ook verwezen wordt naar deposition paper van Ieder(in) «Toch (niet) te veel gevraagd?», waarinouders en cliëntondersteuners wel degelijk aangeven dat zij ervaren datgemeenten strenger zijn geworden met het toekennen van pgb-budgetten.Hoe rijmt dat met de constatering van de Minister dat zij geen signalenheeft ontvangen?De toets op eigen kracht staat sinds 2015 in de Jeugdwet en de Wetmaatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Deze toets op eigenkracht houdt in dat eerst gekeken wordt naar eigen mogelijkheden en hetprobleemoplossend vermogen van het individu of de jeugdige, zijnouders en hun sociale omgeving. Een doel van de Jeugdwet en de Wmo2015 is het versterken van de eigen kracht. Diverse gemeenten hebbeninmiddels de beoordeling van eigen kracht uitgewerkt in afwegingskaders.Deze afwegingskaders zijn opgenomen in de lokale verordening, zoalsopgedragen door de wet.Deze afwegingskaders voor eigen kracht verduidelijken wat inwonerskunnen verwachten aan hulp en ondersteuning. Een doel van dedecentralisatie in 2015 was namelijk te komen tot een beter passendlokaal aanbod. Daarbij moet worden afgewogen wat de eigen verantwoor-delijkheid en de eigen mogelijkheden zijn. Het kan zijn dat clientonder-steuners van de stichting MEE verschillen tussen gemeenten ervaren. Endat kan als strenger worden ervaren. Maar omdat er altijd sprake is vaneen individuele afweging, is vergelijken niet goed mogelijk. Bovendienhebben inwoners van gemeenten invloed op het gemeentelijk beleid. Zomoeten de afwegingskaders via een democratisch proces in de verorde-ningen worden opgenomen en vastgesteld. Daarbij is ook inspraak opbeleid georganiseerd.Is er inmiddels contact geweest met Ieder(in) en Per Saldo over dezesignalen? Zo nee, waarom niet en is de Minister bereid alsnog in gesprekte treden met hen? Zo ja, wat is er voortgekomen uit dit contact? Zougereflecteerd kunnen worden op de gevolgen die het strenger omgaanmet het toekennen van pgb-budgetten heeft voor gezinnen met een kindmet een zorgvraag?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 657, nr. 38112 VWS heeft regulier overleg met Ieder(in) en Per Saldo. In die overleggenpassen signalen over pgb. In 2023 en 2024 heeft VWS samen met PerSaldo gesprekken met gemeenten in het hele land gevoerd. In diegesprekken is uitgebreid over het beleid van de diverse gemeentengesproken en eventueel ervaren knelpunten zijn aan de orde gekomen.Gemeenten gaven aan, dat zij vanaf de decentralisatie meer zicht kregenop het zorglandschap. Daardoor konden gemeenten een passenderaanbod van zorg in natura en ondersteuning inkopen, waardoor er mindervoor pgb werd gekozen. «Strenger worden» kwam niet als signaal naarboven. Zo gaven gemeenten aan baat te hebben bij de toets oppgb-vaardigheid. Dergelijke instrumenten en landelijke handreikingengebruiken gemeenten in het verbeteren van de dienstverlening. Welgaven gemeenten aan het belangrijk te vinden om kennis en kunde overpgb op peil te houden. Per Saldo heeft daarna – gefinancierd door VWS –het project «toerusting» uitgevoerd waarin zowel budgethouders alsconsulenten van gemeenten werden ondersteund. Op dit moment ben ikmet Per Saldo in overleg over of en hoe er vervolg kan worden gegevenaan de uitkomsten van dit project «toerusting». Daarbij bespreken we metIeder(in) en Per Saldo hoe we vervolg geven aan de signalen dievoortkomen uit de Pointeruitzending.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat gemeenten aan zet zijnom invulling te geven aan de visie uit het VN-verdrag Handicap doormiddel van hun lokale inclusiebeleid. Hoeveel gemeenten hebbeninmiddels een eigen inclusiebeleid, conform de principes van hetVN-Verdrag Handicap, vastgesteld? Welke rol ziet de Minister voor zichzelfin het aanjagen van lokale inclusiebeleid? Welke rol ziet de Minister voorzichzelf in het bewaken van de vrije keuze voor het pgb? Genoemde ledenlezen daarnaast ook dat de overheid, waaronder gemeenten, op basis vanhet VN-verdrag Handicap verplicht is om het mogelijk te maken datmensen met een beperking zoveel mogelijk mee kunnen doen. Kan nadertoegelicht worden welke concrete verplichtingen voor enerzijdsgemeenten en anderzijds provincies er vanuit het VN-Verdrag voort-vloeien? Kan tevens toegelicht worden in hoeverre lagere overheden,zoals gemeenten en provincies, zich voldoende bewust zijn van hunplichten ten opzichte van het VN-Verdrag Handicap? Welke rol ziet deMinister voor zichzelf in het handhaven van het naleven van de verplich-tingen uit het verdrag, in het bijzonder op het lokale en provincialeniveau?Er zijn op specifieke terreinen een aantal concrete verplichtingenvastgelegd voor gemeenten en provincies. Deze wetten biedengemeenten en provincies de mogelijkheid om bewust werk te maken vaninclusie en toegankelijkheid. Dit is ook wat ik verwacht van hen. Zo bevatde Kieswet een bepaling over de toegankelijkheid van stemlokalen,waaraan gemeenten uitvoering geven zodat mensen met een beperkinghun stem zelfstandig kunnen uitbrengen. Ook het Tijdelijk besluit digitaletoegankelijkheid overheid verplicht alle overheden, waaronder gemeentenen provincies, om hun websites en applicaties digitaal toegankelijk temaken en houden voor mensen met een beperking. Ook staat in deParticipatiewet, de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning2015 (Wmo 2015) de verplichting voor gemeenten om een periodiek planop te stellen om uitvoering te geven aan het VN-Verdrag Handicap, dezogenoemde Lokale Inclusie Agenda (LIA).22Artikel 8d Participatiewet, artikel 2.2, tweede lid onder f. Jeugdwet en artikel 2.1.2, tweede lidonder h. Wmo2015Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 657, nr. 38113 Op dit moment hebben 213 gemeenten een LIA en zijn 58 gemeentenbezig met de ontwikkeling ervan. Voor gemeenten zonder LIA heb ik metde VNG de afspraak gemaakt dat ze via bestuurlijke inzet extra energiezetten op het opstellen van een LIA. De VNG stimuleert dat het opstellenvan een LIA in samenspraak met ervaringsdeskundige inwoners gebeurt.De VNG ontvangt projectsubsidie vanuit het Ministerie van VWS omkennis te verspreiden, samenwerking te bevorderen en de toepassing vanhet VN-Verdrag Handicap in de praktijk op lokaal niveau te stimuleren. Deuitvoering van het VN-verdrag Handicap is een gezamenlijke opgave vanministeries, maatschappelijke partners en gemeenten. Met de eersteWerkagenda VN-Verdrag Handicap 2025–2030 zetten we hierin stappen.Hiervoor overleg ik jaarlijks met de VNG omdat veel maatregelen rakenaan gemeenten. Op termijn wordt het IPO mogelijk toegevoegd aan ditoverleg. In de jaarlijkse voortgangsbrief over de Werkagenda ga ik tevensin op de voortgang.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA zouden graag aandachtwillen vragen voor de problemen met onvoldoende toereikende pgbtarieven. Zij ontvangen signalen dat het regelmatig voorkomt datbudgethouders niet uitkomen met de opgelegde tarieven, met als gevolgdat ze daardoor in de knel komen of zelfs niet verder kunnen met het pgb.Dit is ook herhaaldelijk aangekaart door budgethouders en hun belangen-behartiger, Per Saldo. Genoemde leden erkennen dat er sinds 2024 eenhandreiking bestaat voor toereikende pgb-tarieven voor het sociaaldomein. Sindsdien is echter herhaaldelijk geconstateerd dat het gebruikvan de handreiking te vrijblijvend is en daardoor onvoldoende of nietgoed wordt toegepast. Herkent het kabinet dit beeld? Zo nee, waaromniet? Zo ja, welke concrete maatregelen zullen er genomen worden omerop toe te zien dat de handreiking vaker correct toegepast wordt? Dezeleden willen ook graag opmerken dat een soortgelijke handreikingontbreekt voor de Wet langdurige zorg (Wlz) en Zorgverzekeringswet(Zvw). Zij zien echter zeker de toegevoegde waarde hiervan. Is de Ministerbereid een soortgelijke handreiking te ontwikkelen voor de Wlz en Zvw?De handreiking voor toereikende pgb-tarieven is pas eind 2024 afgerond.De handreiking is vooral gericht op formele tarieven. Ten tijde van dehandreiking kwamen er verschillende uitspraken over pgb-tarieven van deCentrale Raad van Beroep (CRvB). In 2023 oordeelde de CRvB dat voorhulp uit het sociaal netwerk minimaal het tarief uit de cao VVT moetworden vergoed. In 2025 kwam de CRvB op dat oordeel terug. De CRvBoordeelde dat gemeenten zorg uit het sociaal netwerk wel met hetminimumloon mogen vergoeden. De uitspraken gaan niet over het tariefvoor beroepsmatige zorgverleners met een mbo-zorgopleiding oflangjarige vergelijkbare praktijkervaring. De uitspraken staan een hogertarief voor deze groep niet in de weg. Omdat ik een hoger tarief voor dezorgverleners uit deze groep wenselijk vind, zal ik gemeenten oproepenhier gevolg aan te geven. Deze recente ontwikkelingen zijn en wordengecommuniceerd naar gemeenten. Het zorgvuldig opnemen hiervan ingemeentelijke verordeningen vraagt tijd en inzet van gemeenten. Die tijdmoeten gemeenten ook krijgen.Ik zie geen noodzaak voor een dergelijke handreiking voor de Wlz en Zvw:in de Wlz is recentelijk het pgb op maat ingevoerd. Dit verplicht zorgkan-toren bij vaststelling van de zorgovereenkomst samen met de budget-houder te bezien welk budget nodig is voor de in te kopen zorg. Hetpgb-tarief in de Zvw maakt deel uit van een private overeenkomst tussenbudgethouder en verzekeraar.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 657, nr. 38114 De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich tevens zorgen overhet voortbestaan van ouderinitiatieven wegens onder andere ontoerei-kende tarieven. Zij vragen de Minister of stappen gezet zijn om samen metouderinitiatieven in kaart te brengen waar zij tegen aan lopen ten aanzienvan de financiering en te bekijken wat een passende oplossing zoukunnen zijn.Er bestaat een verscheidenheid aan ouderinitiatieven, variërend in aard enopzet. Zo zijn er verschillen in het aantal bewoners, de budgetten (Wlzen/of Wmo 2015) en de wijze waarop de zorg wordt georganiseerd. Ditalles heeft invloed op de kosten en de mate waarin een initiatief uitkomtmet het beschikbare budget. Er is goed contact en overleg met (vertegen-woordigers van) ouderinitiatieven, ook over de knelpunten en mogelijkeoplossingen in de financiering van het ouderinitiatief. Zo is in samen-werking met Per Saldo een masterclass zelf werkgeverschap georgani-seerd. Bij zelfwerkgeverschap neemt een ouderinitiatief de zorgverlenerszelf in dienst. Dit leidt tot minder overheadkosten en meer regie over dezorg. Ik blijf in gesprek en zal signalen nauwlettend volgen.Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractieDeze leden vragen hoe de Minister kan stellen geen signalen te hebbenontvangen dat gemeenten strenger zijn geworden met de toekenning vanpgb-zorg, terwijl het artikel van Pointer en het onderliggende rapport vanIeder(in), gebaseerd op signalen van ouders en cliëntondersteuners, juistaanleiding vormden voor deze kabinetsreactie. De leden van dePVV-fractie vragen of de Minister deze signalen niet als serieuze signalenbeschouwt.Ook vragen deze leden op welke bronnen de Minister haar stelling baseertdat zij geen signalen heeft ontvangen. Deze leden vragen de Minister ofdit actief is uitgevraagd bij ouders, cliëntondersteuners, belangenorgani-saties en onafhankelijke deskundigen, of dat zij zich hierbij vooral baseertop informatie van gemeenten.De leden van de PVV-fractie vragen daarnaast op welke wijze signalen vanouders, cliëntondersteuners en belangenorganisaties zijn betrokken bij debeoordeling van de Minister dat gemeenten niet strenger zijn gewordenbij het toekennen van pgb-zorg. Kan de Minister toezeggen hierover inoverleg te treden met Per Saldo?De leden van de PVV-fractie vragen de Minister te bevestigen dat signalenvan ouders en cliëntondersteuners voor haar even zwaar moeten wegenals signalen van gemeenten, juist omdat zij in de praktijk direct ervaren ofgezinnen in de knel komen.VWS heeft regulier overleg met Ieder(in) en Per Saldo. In die overleggenpassen signalen over pgb. In 2023 en 2024 heeft VWS samen met PerSaldo gesprekken met gemeenten in het hele land gevoerd. In diegesprekken is uitgebreid over het beleid van de diverse gemeentengesproken en eventueel ervaren knelpunten zijn aan de orde gekomen.Gemeenten gaven aan, dat zij vanaf de decentralisatie meer zicht kregenop het zorglandschap. Daardoor konden gemeenten een passenderaanbod van zorg in natura en ondersteuning inkopen, waardoor er mindervoor pgb werd gekozen. «Strenger worden» kwam niet als signaal naarboven. Zo gaven gemeenten aan baat te hebben bij de toets oppgb-vaardigheid. Dergelijke instrumenten en landelijke handreikingengebruiken gemeenten in het verbeteren van de dienstverlening. Welgaven gemeenten aan het belangrijk te vinden om kennis en kunde overpgb op peil te houden. Per Saldo heeft daarna – gefinancierd door VWS –Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 657, nr. 38115 het project «toerusting» uitgevoerd waarin zowel budgethouders alsconsulenten van gemeenten werden ondersteund. Op dit moment ben ikmet Per Saldo in overleg over of en hoe er vervolg kan worden gegevenaan de uitkomsten van dit project «toerusting». Daarbij bespreken we metIeder(in) en Per Saldo hoe we gevolg geven aan de signalen die voort-komen uit de Pointeruitzending.Deze leden vragen de Minister verder hoe in de praktijk wordt getoetst ofgemeenten bij de beoordeling van de zogenoemde eigen kracht daadwer-kelijk zorgvuldig kijken naar de draagkracht en draaglast van gezinnen enhoe wordt voorkomen dat ouders structureel overvraagd worden.De toets op eigen kracht staat sinds 2015 in de Jeugdwet en de Wetmaatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Deze toets op eigenkracht houdt in dat eerst gekeken wordt naar eigen mogelijkheden en hetprobleemoplossend vermogen van het individu of de jeugdige, zijnouders en hun sociale omgeving. Een doel van de Jeugdwet en de Wmo2015 is het versterken van de eigen kracht. Diverse gemeenten hebbeninmiddels de beoordeling van eigen kracht uitgewerkt in afwegingskaders.Deze afwegingskaders zijn opgenomen in de lokale verordening, zoalsopgedragen door de wet.Deze afwegingskaders voor eigen kracht verduidelijken wat inwonerskunnen verwachten aan hulp en ondersteuning. Een doel van dedecentralisatie in 2015 was namelijk te komen tot een beter passendlokaal aanbod. Daarbij moet worden afgewogen wat de eigen verantwoor-delijkheid en de eigen mogelijkheden zijn. Het kan zijn dat clientonder-steuners van de stichting MEE verschillen tussen gemeenten ervaren. Endat kan als strenger worden ervaren. Maar omdat er altijd sprake is vaneen individuele afweging, is vergelijken niet goed mogelijk. Bovendienhebben inwoners van gemeenten invloed op het gemeentelijk beleid. Zomoeten de afwegingskaders via een democratisch proces in de verorde-ningen worden opgenomen en vastgesteld. Daarbij is ook inspraak opbeleid georganiseerd.De leden van de PVV-fractie vragen de Minister of zij bereid is nader teonderzoeken of gemeenten de laatste jaren strenger zijn geworden bij hettoekennen van pgb-zorg, zodat niet alleen gemeenten zelf, maar juist ookouders en cliëntondersteuners gehoord worden.VWS heeft regulier overleg met Ieder(in) en Per Saldo. In die overleggenpassen signalen over pgb. In 2023 en 2024 heeft VWS samen met PerSaldo gesprekken met gemeenten in het hele land gevoerd. In diegesprekken is uitgebreid over het beleid van de diverse gemeenten eneventueel ervaren knelpunten aan de orde gekomen. Gemeenten gavenaan, dat zij vanaf de decentralisatie meer zicht kregen op het zorgland-schap. Daardoor konden gemeenten een passender aanbod van zorg innatura en ondersteuning inkopen, waardoor er minder voor pgb werdgekozen. «Strenger worden» kwam niet als signaal naar boven. Zo gavengemeenten aan baat te hebben bij de toets op pgb-vaardigheid. Dergelijkeinstrumenten en landelijke handreikingen gebruiken gemeenten in hetverbeteren van de dienstverlening. Wel gaven gemeenten aan hetbelangrijk te vinden om kennis en kunde over pgb op peil te houden. PerSaldo heeft daarna – gefinancierd door VWS – het project «toerusting»uitgevoerd waarin zowel budgethouders als consulenten van gemeentenwerden ondersteund. Op dit moment ben ik met Per Saldo in overleg overof en hoe er vervolg kan worden gegeven aan de uitkomsten van ditproject «toerusting». Daarbij bespreken we met Ieder(in) en Per Saldo hoegevolg te geven aan de signalen die voortkomen uit de Pointeruitzending.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 657, nr. 38116 Tot slot vragen deze leden of de Minister kan aangeven welke mogelijk-heden ouders hebben wanneer zij vinden dat hun gezin door eengemeente ten onrechte wordt overvraagd of wanneer noodzakelijke zorgniet of onvoldoende wordt toegekend.Als ouders vinden dat zij overvraagd worden en dus onvoldoende zorgkrijgen toegekend, dan kunnen zij bezwaar maken en uiteindelijk beroepindienen tegen de gemeente. Gemeenten zijn verplicht bij het nemen vaneen beslissing over een pgb een zorgvuldig proces te doorlopen en optransparante wijze een afweging te maken. Daarnaast hebben inwonersvan gemeenten invloed op het gemeentelijk beleid. Zo moeten deafwegingskaders via een democratisch proces in de verordeningenworden opgenomen en vastgesteld. Daarbij is ook inspraak op beleidgeorganiseerd.Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractieHoeveel gemeenten werken er op dit moment met de modelverordeningvan de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG)? Klopt het dat dezeverordening van VNG meer zorg dan voorheen als normale zorg, die jenormaliter aan je kind geeft, beschouwd? In hoeverre wordt er rekeninggehouden dat kinderen met een lichamelijke en/of verstandelijkebeperking meer zorg nodig hebben dan gebruikelijke zorg?Het is niet bekend hoeveel gemeenten met de modelverordening van deVNG werken. Vaststellen wat normale zorg is voor een kind is lastig.Kinderen met een lichamelijke en/of verstandelijke beperking hebben vaakmeer zorg nodig. Als meer zorg nodig is, moeten gemeenten een passendaanbod bieden. Het afwegingskader van gemeenten helpt om tot eengoede onderbouwing te komen voor het bepalen van de benodigde zorg.Als gemeenten er zelf niet uitkomen, kunnen zij expertise van professi-onals inschakelen -op het gebied van lichamelijke en verstandelijkebeperking- om te komen tot een goede onderbouwing voor het bepalenvan de benodigde zorg.Gemeenten moeten na de aanvraag toetsen wat realistisch en haalbaar isvoor het gezin dat de aanvraag heeft gedaan. De Minister stelt in haarbrief dat er gekeken moet worden naar draagkracht en draaglast van hetgezin. Betekent dat dit maatwerk voor elk gezin voor elk kind anders uitkan werken? Is geregeld hoe een dergelijke toets eruit moet zien?In overleg met de ouders bekijken gemeenten wat ouders zelf kunnendoen. Hierbij kijken gemeenten naar wat realistisch en haalbaar is voorhet gezin. Na het toetsen van deze «eigen kracht» bepaalt de gemeentewelke zorg vanuit de Jeugdwet betaald moet worden. Dit kan betekenendat maatwerk voor elk kind er anders uitziet. Gemeenten zijn vrij om zelfeen afwegingskader te ontwikkelen, maar kunnen in de toekomst ookgebruik maken van het afwegingskader en de handreiking gebruikelijkehulp dat momenteel vanuit de werkagenda VN-verdrag Handicap wordtontwikkeld.Ik vind deze werkwijze een goed uitgangspunt. Op deze manier borgengemeenten dat passende zorg en ondersteuning wordt geboden.Uiteraard moeten ouders niet in de knel komen. Gemeenten moetendaarom goed kijken naar de draagkracht en draaglast van het gezin en ditzorgvuldig wegen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 657, nr. 38117 Er is een noodzaak om inhoudelijke en deskundige medewerkers bij detoegang en in de hulpverlening de zorg te laten toetsen. Is er voldoendedeskundigheid over deze groep kinderen bij de lokale teams? Zo nee, watkan de Minister doen om deze deskundigheid te bevorderen?Het is inderdaad belangrijk dat er een goede toetsing plaatsvindt in detoegang en in de hulpverlening. Om te waarborgen dat de juiste professi-onals worden ingezet, geldt binnen de Jeugdwet de norm van verant-woorde werktoedeling. Daarnaast zijn bij algemene maatregel van bestuureisen gesteld aan de deskundigheid. Gemeenten hebben in het convenantStevige Lokale Teams aanvullende afspraken gemaakt om de benodigdeexpertise te betrekken om tot een zorgvuldige beoordeling te komen.Hiervoor kunnen zij afspraken maken met specialistische aanbieders.Daarnaast wordt vanuit de organisatie Kwaliteit en Blijvend gekeken opwelke manier medewerkers in de toegang zelf beter kunnen wordentoegerust. Hierbij wordt onder andere samengewerkt met VNG en deOndersteuningslijn Stevige Lokale Teams van het OndersteuningsteamZorg voor Jeugd (OZJ.Hoe weegt de Minister het feit dat een aantal ouders (vaak moeders) diewerken naast de zorg voor hun kind met een beperking, dat opgevenomdat het persoonsgebonden budget – de zorg – niet wordt toegekend?Tenslotte vragen de leden van de CDA-fractie de Minister of met de komstvan de Reikwijdtewet deze groep kinderen voldoende in beeld is en blijft.Is bekend hoe groot de groep kinderen is die van de Jeugdwet overgaannaar de Wlz?Gemeenten mogen niet eisen dat een ouder stopt met werken om de zorgvoor het kind op zich te nemen. Het komt wel voor dat ouders zelf dezebeslissing nemen. In het conceptwetsvoorstel Reikwijdte is aandacht voorde doelgroep jeugdigen met een levenslange, levensbrede beperking enhet belang om oog te hebben voor de chronische aard van de proble-matiek en wat dit doet met kind en gezin. Een deel van deze groep gaatinderdaad over naar de Wlz. Op dit moment maakt een groep van ruim8.000 jeugdigen onder de 18 jaar gebruik van een pgb uit de Wlz: circa5.000 jongens en 3.000 meisjes.Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractieDe leden van de SGP-fractie verbazen zich over de opmerking van deMinister dat zij geen signalen heeft ontvangen dat gemeenten strengerzijn geworden in het toekennen van pgb-zorg. Kan zij dit nader onder-bouwen?De toets op eigen kracht staat sinds 2015 in de Jeugdwet en de Wetmaatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Deze toets op eigenkracht houdt in dat eerst gekeken wordt naar eigen mogelijkheden en hetprobleemoplossend vermogen van het individu of de jeugdige, zijnouders en hun sociale omgeving. Een doel van de Jeugdwet en de Wmo2015 is het versterken van de eigen kracht. Diverse gemeenten hebbeninmiddels de beoordeling van eigen kracht uitgewerkt in afwegingskaders.Deze afwegingskaders zijn opgenomen in de lokale verordening, zoalsopgedragen door de wet.Deze afwegingskaders voor eigen kracht verduidelijken wat inwonerskunnen verwachten aan hulp en ondersteuning. Een doel van dedecentralisatie in 2015 was namelijk te komen tot een beter passendlokaal aanbod. Daarbij moet worden afgewogen wat de eigen verantwoor-delijkheid en de eigen mogelijkheden zijn. Het kan zijn dat clientonder-steuners van de stichting MEE verschillen tussen gemeenten ervaren. EnTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 657, nr. 38118 dat kan als strenger worden ervaren. Maar omdat er altijd sprake is vaneen individuele afweging, is vergelijken niet goed mogelijk. Bovendienhebben inwoners van gemeenten invloed op het gemeentelijk beleid. Zomoeten de afwegingskaders via een democratisch proces in de verorde-ningen worden opgenomen en vastgesteld. Daarbij is ook inspraak opbeleid georganiseerd.De leden van de SGP-fractie vragen de Minister om nader in gesprek tegaan met cliëntorganisaties zoals Ieder(in) en Per Saldo over signalen diezij krijgen over het beperken van pgb-zorg. De leden van de SGP-fractievragen zich af hoe het kan dat de Minister er blijkbaar niet mee bekend isdat ouders al jaren moeten vechten op passende ondersteuning te krijgenvia een pgb, en dat zodra de keuze voor het pgb wordt gemaaktgemeenten ineens zeer terughoudend zijn om een toekenning af te geven.Kan zij dat toelichten?VWS heeft regulier overleg met Ieder(in) en Per Saldo. In die overleggenpassen signalen over pgb. In 2023 en 2024 heeft VWS samen met PerSaldo gesprekken met gemeenten in het hele land gevoerd. In diegesprekken is uitgebreid over het beleid van de diverse gemeenten eneventueel ervaren knelpunten aan de orde gekomen. Gemeenten gavenaan, dat zij vanaf de decentralisatie meer zicht kregen op het zorgland-schap. Daardoor konden gemeenten een passender aanbod van zorg innatura en ondersteuning inkopen, waardoor er minder voor pgb werdgekozen. «Strenger worden» kwam niet als signaal naar boven. Zo gavengemeenten aan baat te hebben bij de toets op pgb-vaardigheid. Dergelijkeinstrumenten en landelijke handreikingen gebruiken gemeenten in hetverbeteren van de dienstverlening. Wel gaven gemeenten aan hetbelangrijk te vinden om kennis en kunde over pgb op peil te houden. PerSaldo heeft daarna – gefinancierd door VWS – het project «toerusting»uitgevoerd waarin zowel budgethouders als consulenten van gemeentenwerden ondersteund. Op dit moment ben ik met Per Saldo in overleg overof en hoe er vervolg kan worden gegeven aan de uitkomsten van ditproject «toerusting». Daarbij bespreken we met Ieder(in) en Per Saldo hoegevolg te geven aan de signalen die voortkomen uit de Pointeruitzending.De leden van de SGP-fractie herinneren de Minister aan afspraken in deHervormingsagenda Jeugd met betrekking tot de keuzevrijheid voornaturazorg en pgb voor jeugdigen met een levenslange en levensbredebeperking. Hoe staat het met de uitvoering van deze afspraken? Hoe rijmtde Minister dit met de signalen die worden ontvangen door cliëntorgani-saties dat kinderen geen pgb meer toegekend krijgen om passendeondersteuning te regelen?Keuzevrijheid voor zorg in natura en pgb is opgenomen in de Jeugdwetals ook in de Wmo 2015. Als ouders vinden dat zij onterecht een afwijzingvoor passende ondersteuning krijgen, kunnen zij in bezwaar en beroepgaan. De rechter toetst de onderbouwing van de beschikking aan de handvan de verordening van de gemeente.De leden van de SGP-fractie vragen de Minister of zij bekend is met hetonderzoek naar de daling van pgb’s jeugdhulp uit 2020 (uitgevoerd doorJ.B. Lorenz Consultancy) en de reactie van Per Saldo op het onderzoek? Isde Minister ermee bekend dat in de eerste vijf jaar na de decentralisatie ereen daling van het aantal jeugd pgb’s plaatsvond van bijna vijftig procent?Wat vindt zij hiervan?Heeft de Minister de indruk dat het aantal pgb’s jeugd en Wet maatschap-pelijke ondersteuning (Wmo) sinds 2020 stabiel is gebleven, toegenomenis of juist gedaald? Kan zij dit nader toelichten? Zo niet, dan vragen deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 657, nr. 38119 leden van de SGP-fractie of de Minister bereid is om aanvullendonderzoek te laten uitvoeren naar het aantal pgb’s Wmo en jeugd voor deperiode vanaf 2020 tot heden.Het onderzoek naar de daling van pgb’s jeugdhulp is uitgevoerd vlak nade decentralisatie van de Jeugdwet. In de beginperiode moest het nieuwestelsel zich nog vormen. Daarbij was er een overgangsperiode voorbestaande cliënten uit de Awbz. Gemeenten zijn in de loop der jarensteeds passender zorg gaan inkopen en zijn beter in staat maatwerk televeren binnen zorg in natura. Ook zijn er door veranderende (arbeids-)wetgeving meer lasten en plichten bij budgethouders belegd. Het isverklaarbaar dat hierdoor cliënten vaker kiezen voor zorg in natura en/ofoverstappen naar zorg in natura. Het aantal pgb’s in de Jeugdwet en deWmo 2015 is daardoor gedaald. Daarbij is de Wlz opengesteld voordoelgroepen die voorheen ondersteuning vanuit de Wmo 2015 kregen,waardoor daling in het aantal pgb’s in de Wmo 2015 heeft plaatsge-vonden. Daling in het aantal pgb’s is dus verklaarbaar. Ik start geenaanvullend onderzoek naar deze aantallen. In de Monitor Langdurige Zorgstaan namelijk ook cijfers over de ontwikkeling van het aantal pgb’s in deJeugdwet en de Wmo 2015.De leden van de SGP-fractie vragen of de Minister bekend is met deactuele modelverordening van de VNG voor de Jeugdwet. Deze modelver-ordening wordt door veel gemeenten gebruikt bij wijzigingen van delokale verordeningen jeugd. In de modelverordening zijn significanteaanscherpingen opgenomen die extra drempels opwerpen voor hettoekennen van zorg via een persoonsgebonden budget. Is de Ministerhiermee bekend en hoe kijkt zij hiernaar?De aangescherpte modelverordening sluit aan op de doelen van deJeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).De toets op eigen kracht staat sinds 2015 in de Jeugdwet en de Wetmaatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Deze toets op eigenkracht houdt in dat eerst gekeken wordt naar eigen mogelijkheden en hetprobleemoplossend vermogen van het individu of de jeugdige, zijnouders en hun sociale omgeving. Een doel van de Jeugdwet en de Wmo2015 is het versterken van de eigen kracht. Diverse gemeenten hebbeninmiddels de beoordeling van eigen kracht uitgewerkt in afwegingskaders.Deze afwegingskaders zijn opgenomen in de lokale verordening, zoalsopgedragen door de wet.Deze afwegingskaders voor eigen kracht verduidelijken wat inwonerskunnen verwachten aan hulp en ondersteuning. Een doel van dedecentralisatie in 2015 was namelijk te komen tot een beter passendlokaal aanbod. Daarbij moet worden afgewogen wat de eigen verantwoor-delijkheid en de eigen mogelijkheden zijn. Het kan zijn dat clientonder-steuners van de stichting MEE verschillen tussen gemeenten ervaren. Endat kan als strenger worden ervaren. Maar omdat er altijd sprake is vaneen individuele afweging, is vergelijken niet goed mogelijk. Bovendienhebben inwoners van gemeenten invloed op het gemeentelijk beleid. Zomoeten de afwegingskaders via een democratisch proces in de verorde-ningen worden opgenomen en vastgesteld. Daarbij is ook inspraak opbeleid georganiseerd.De leden van de SGP-fractie zien dat de Minister, net als in de modelveror-dening van de VNG, nu gebruikmaakt van de termen «draagkracht endraaglast». Deze termen komen niet terug in de Jeugdwet (en ook niet inde Wmo). In die wetten wordt gesproken over «eigen kracht». Kan deMinister aangeven of er een verschil zit tussen «draagkracht en draaglast»Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 657, nr. 38120 en «eigen kracht» of dat de Minister van mening is dat deze nieuwe terminwisselbaar is voor de «oude» term «eigen kracht»?Gemeenten kunnen de term «eigen kracht» operationaliseren met determen draagkracht en draaglast. Bij draagkracht wordt gekeken watouders/sociaal netwerk zelf kan. Bij draaglast wordt gekeken naar debelasting bij het gezin zoals zorg voor andere kinderen en/of ontbrekenvan sociaal netwerk. Als de draaglast groter is dan de draagkrachtontstaat er overbelasting. Gemeenten moeten daarom goed beoordelenof een gezin niet overbelast wordt.Het wetsvoorstel Reikwijdte verduidelijkt de reikwijdte van de jeugdhulp-plicht van gemeenten om beter te borgen dat er passende jeugdhulpwordt ingezet. Het wetsvoorstel regelt ook een afwegingskader voor deinzet van aanvullende jeugdhulp waarin wordt vastgelegd welke hulp vanouders en de sociale omgeving verwacht mag worden. Het wetsvoorstelvoorziet in een helder en eenduidig afwegingskader zodat gemeentenover duidelijkere handvatten beschikken om deze afweging te maken.Kan de Minister schetsen hoe gemeenten cliënten (inwoners) betrekkenbij het opstellen van beleid ten aanzien van pgb’s? Is zij van mening datdit nu voldoende gebeurt zodat perspectieven vanuit de dagelijks praktijkvan gezinnen voldoende in het beleid en regelgeving worden meege-nomen?Gemeenten moeten -vanuit de Jeugdwet en vanuit Wmo 2015- inwoners,waaronder cliënten of hun vertegenwoordigers betrekken bij de uitvoeringvan de wet. De wijze waarop gemeenten dit beleid vormgeven leggen zijlokaal vast in hun verordening en/of beleidsregels. Bij het vormgeven vanhun beleid vragen gemeenten inwoners om input te leveren. Sommigegemeenten hebben hiervoor een adviesraad ingesteld, waarin burgers enprofessionals meedenken over (de uitwerking van) beleid. Een overzichtvan hoe gemeenten deze inspraak vormgeven, is er niet.Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractieDe leden van de ChristenUnie-fractie maken zich er zorgen over of deMinister de ernst van de situatie wel begrijpt. Ieder(in) waarschuwt datouders worden klemgezet. Ouders moeten óf hun inkomen opgeven, óf deveiligheid en ontwikkeling van hun kind op het spel zetten. De Ministerschrijft dat ouders uiteraard niet in de knel moeten komen en geeft aangeen signalen te ontvangen dat gemeenten strenger zijn geworden in hettoekennen van pgb-zorg. In het rapport van Ieder(in), waar de Minister ooknaar verwijst, staat echter dat de organisatie veel zorgwekkende signalenkrijgt. Deze leden vragen hoe het kan dat de Minister stelt geen signalen tehebben ontvangen. Beschouwt de Minister het rapport wel als signaal?Staat de Minister ervoor open om signalen te ontvangen en is de Ministerbereid om actief op zoek te gaan naar deze signalen?De toets op eigen kracht staat sinds 2015 in de Jeugdwet en de Wetmaatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Deze toets op eigenkracht houdt in dat eerst gekeken wordt naar eigen mogelijkheden en hetprobleemoplossend vermogen van het individu of de jeugdige, zijnouders en hun sociale omgeving. Een doel van de Jeugdwet en de Wmo2015 is het versterken van de eigen kracht. Diverse gemeenten hebbeninmiddels de beoordeling van eigen kracht uitgewerkt in afwegingskaders.Deze afwegingskaders zijn opgenomen in de lokale verordening, zoalsopgedragen door de wet.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 657, nr. 38121 Deze afwegingskaders voor eigen kracht verduidelijken wat inwonerskunnen verwachten aan hulp en ondersteuning. Een doel van dedecentralisatie in 2015 was namelijk te komen tot een beter passendlokaal aanbod. Daarbij moet worden afgewogen wat de eigen verantwoor-delijkheid en de eigen mogelijkheden zijn. Het kan zijn dat clientonder-steuners van de stichting MEE verschillen tussen gemeenten ervaren. Endat kan als strenger worden ervaren. Maar omdat er altijd sprake is vaneen individuele afweging, is vergelijken niet goed mogelijk. Bovendienhebben inwoners van gemeenten invloed op het gemeentelijk beleid. Zomoeten de afwegingskaders via een democratisch proces in de verorde-ningen worden opgenomen en vastgesteld. Daarbij is ook inspraak opbeleid georganiseerd.VWS heeft regulier overleg met Ieder(in) en Per Saldo. In die overleggenpassen signalen over pgb. In 2023 en 2024 heeft VWS samen met PerSaldo gesprekken met gemeenten in het hele land gevoerd. In diegesprekken is uitgebreid over het beleid van de diverse gemeenten eneventueel ervaren knelpunten aan de orde gekomen. Gemeenten gavenaan, dat zij vanaf de decentralisatie meer zicht kregen op het zorgland-schap. Daardoor konden gemeenten een passender aanbod van zorg innatura en ondersteuning inkopen, waardoor er minder voor pgb werdgekozen. «Strenger worden» kwam niet als signaal naar boven. Zo gavengemeenten aan baat te hebben bij de toets op pgb-vaardigheid. Dergelijkeinstrumenten en landelijke handreikingen gebruiken gemeenten in hetverbeteren van de dienstverlening. Wel gaven gemeenten aan hetbelangrijk te vinden om kennis en kunde over pgb op peil te houden. PerSaldo heeft daarna – gefinancierd door VWS – het project «toerusting»uitgevoerd waarin zowel budgethouders als consulenten van gemeentenwerden ondersteund. Op dit moment ben ik met Per Saldo in overleg overof en hoe er vervolg kan worden gegeven aan de uitkomsten van ditproject «toerusting». Daarbij bespreken we met Ieder(in) en Per Saldo hoegevolg te geven aan de signalen die voortkomen uit de Pointeruitzending.De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in het rapport van Ieder(in) dathet langetermijnperspectief centraal staat. Welke stappen gaat de Ministerondernemen om een goed langetermijnperspectief voor ouders tegaranderen?Sinds 2023 wordt door Rijk, gemeenten, professionals en vertegenwoor-digers van cliënten gewerkt aan de uitvoering van de HervormingsagendaJeugd om onze jeugd veilig, weerbaar en kansrijk te laten opgroeien,indien nodig tijdig passende en kwalitatief goede hulp te kunnen biedenen het jeugdzorgstelsel houdbaar te maken voor de toekomst. Lang nietaltijd is jeugdzorg de goede oplossing. Kinderen zijn gebaat bij de hulpvan mensen die dicht bij ze staan: thuis, op school, bij een vereniging of inde buurt. We zetten in op meer collectieve interventies in plaats vanindividuele maatwerktrajecten daar waar dit passend is. We versterken desociale basis om het gezin heen en zetten in op stevige lokale teams dielaagdrempelig hulp bieden en breed kijken. Het wetstraject Reikwijdtewaarmee we de beweging naar stevige lokale teams borgen en naderekeuzes maken in de afbakening, toeleiding en de inzet op (bewezen)effectieve zorg wordt dit jaar verder gebracht. Als specialistischejeugdhulp nodig is, dan streven we naar liefdevolle zorg, passend bij dezorgvraag, in een zo thuis mogelijke omgeving.De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in de brief dat de Minister hettoetsen van «eigen kracht» een goed uitgangspunt vindt. Deze leden zijnook van mening dat de eerste zorg voor kinderen bij het gezin ligt.Wanneer het echter niet meer realistisch en haalbaar is voor een gezin omhet hoofd boven water te houden, is het van belang dat de maatschappijTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 657, nr. 38122 en overheid te hulp schieten. De leden van de ChristenUnie-fractie ziendat gezinnen met kinderen met een levenslange en levensbrede beperkinghulp behoeven, en juichen het bestaan van het persoonsgebonden budgettoe. Er zijn echter duidelijke signalen dat het persoonsgebonden budgetop deze wijze niet toereikend is. Ouders luidden de noodklok, zo blijkt ookuit het rapport van Ieder(in). Kan de Minister een beeld schetsen van degevolgen van de toenemende druk op ouders, tegelijk met verminderingvan hulp en ondersteuning? Heeft de Minister zicht op de oorzaken voorde ontwikkeling dat gemeenten steeds meer uitgaan van de eigen krachtvan een gezin? Zijn deze bijvoorbeeld financieel ingegeven, omdat er teweinig gemeentelijk budget is, of is dit inhoudelijk gedreven?De toets op eigen kracht staat sinds 2015 in de Jeugdwet en de Wetmaatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Deze toets op eigenkracht houdt in dat eerst gekeken wordt naar eigen mogelijkheden en hetprobleemoplossend vermogen van het individu of de jeugdige, zijnouders en hun sociale omgeving. Een doel van de Jeugdwet en de Wmo2015 is het versterken van de eigen kracht. Diverse gemeenten hebbeninmiddels de beoordeling van eigen kracht uitgewerkt in afwegingskaders.Deze afwegingskaders zijn opgenomen in de lokale verordening, zoalsopgedragen door de wet.Deze afwegingskaders voor eigen kracht verduidelijken wat inwonerskunnen verwachten aan hulp en ondersteuning. Een doel van dedecentralisatie in 2015 was namelijk te komen tot een beter passendlokaal aanbod. Daarbij moet worden afgewogen wat de eigen verantwoor-delijkheid en de eigen mogelijkheden zijn. Het kan zijn dat clientonder-steuners van de stichting MEE verschillen tussen gemeenten ervaren. Endat kan als strenger worden ervaren. Maar omdat er altijd sprake is vaneen individuele afweging, is vergelijken niet goed mogelijk. Bovendienhebben inwoners van gemeenten invloed op het gemeentelijk beleid. Zomoeten de afwegingskaders via een democratisch proces in de verorde-ningen worden opgenomen en vastgesteld. Daarbij is ook inspraak opbeleid georganiseerd.Sinds 2023 wordt door Rijk, gemeenten, professionals en vertegenwoor-digers van cliënten gewerkt aan de uitvoering van de HervormingsagendaJeugd om onze jeugd veilig, weerbaar en kansrijk te laten opgroeien,indien nodig tijdig passende en kwalitatief goede hulp te kunnen biedenen het jeugdzorgstelsel houdbaar te maken voor de toekomst. Lang nietaltijd is jeugdzorg de goede oplossing. Kinderen zijn gebaat bij de hulpvan mensen die dicht bij ze staan: thuis, op school, bij een vereniging of inde buurt. We zetten in op meer collectieve interventies in plaats vanindividuele maatwerktrajecten daar waar dit passend is. We versterken desociale basis om het gezin heen en zetten in op stevige lokale teams dielaagdrempelig hulp bieden en breed kijken. Het wetstraject Reikwijdtewaarmee we de beweging naar stevige lokale teams borgen en naderekeuzes maken in de afbakening, toeleiding en de inzet op (bewezen)effectieve zorg wordt dit jaar verder gebracht. Als specialistischejeugdhulp nodig is, dan streven we naar liefdevolle zorg, passend bij dezorgvraag, in een zo thuis mogelijke omgeving.De leden van de ChristenUnie-fractie zijn blij dat de regering hetVN-verdrag Handicap heeft ondertekend en dat in het coalitieakkoordstaat dat deze wordt uitgevoerd. Deze leden zien ook de aanbevelingenvan het VN-comité, waaruit blijkt dat er nog veel stappen moeten wordengezet om hier volledig aan te voldoen. Hoe rijmt de Minister het strengerworden van de toekenning van het persoonsgebonden budget met deaanbeveling van het VN-Comité? Welke verantwoordelijkheid ligt hiervoor het Rijk?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 657, nr. 38123 De toets op eigen kracht staat sinds 2015 in de Jeugdwet en de Wetmaatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Deze toets op eigenkracht houdt in dat eerst gekeken wordt naar eigen mogelijkheden en hetprobleemoplossend vermogen van het individu of de jeugdige, zijnouders en hun sociale omgeving. Een doel van de Jeugdwet en de Wmo2015 is het versterken van de eigen kracht. Diverse gemeenten hebbeninmiddels de beoordeling van eigen kracht uitgewerkt in afwegingskaders.Deze afwegingskaders zijn opgenomen in de lokale verordening, zoalsopgedragen door de wet.Deze afwegingskaders voor eigen kracht verduidelijken wat inwonerskunnen verwachten aan hulp en ondersteuning. Een doel van dedecentralisatie in 2015 was namelijk te komen tot een beter passendlokaal aanbod. Daarbij moet worden afgewogen wat de eigen verantwoor-delijkheid en de eigen mogelijkheden zijn. Het kan zijn dat clientonder-steuners van de stichting MEE verschillen tussen gemeenten ervaren. Endat kan als strenger worden ervaren. Maar omdat er altijd sprake is vaneen individuele afweging, is vergelijken niet goed mogelijk. Bovendienhebben inwoners van gemeenten invloed op het gemeentelijk beleid. Zomoeten de afwegingskaders via een democratisch proces in de verorde-ningen worden opgenomen en vastgesteld. Daarbij is ook inspraak opbeleid georganiseerd.Uitgangspunt van de wet uit 2015 is dat gemeenten een goed beeldhebben van de lokale situatie en zij het aanbod goed kunnen latenaansluiten op lokale behoeften van individuen, gezinnen en kinderen.Juist omdat de gemeente een bredere rol speelt in en om individuen engezinnen kunnen zij de bredere sociale context (verbinding met hetonderwijs, wonen of zorg) goed meewegen in het vormgeven van hetlokale aanbod. Dit veroorzaakt inderdaad verschillen in aanbod pergemeente en vervolgens ook een verschillende behoefte aan en invullingvan een eventueel pgb. Er is geen landelijk beeld van hoe gemeenten hunlokale verordeningen en aanbod precies invullen. Het doel van de wet isjuist om te voorzien in meer lokaal beter passende hulp en dat kanbetekenen dat er verschillen zijn tussen gemeenten.Verder helpen landelijke wettelijke kaders om gemeenten richting tegeven aan hun beleid. Deze kaders zorgen voor kleinere verschillen tussengemeenten. Het wetsvoorstel Reikwijdte verduidelijkt de reikwijdte van dejeugdhulpplicht van gemeenten om beter te borgen dat er passendejeugdhulp wordt ingezet. Het wetsvoorstel regelt ook een afwegingskadervoor de inzet van aanvullende jeugdhulp aan de hand waarvan wordtbeoordeeld welke hulp van ouders en de sociale omgeving verwacht magworden. Het wetsvoorstel voorziet in een helder en eenduidig afwegings-kader zodat gemeenten over duidelijkere handvatten beschikken om dezeafweging te maken.Er wordt onder de werkagenda VN-verdrag Handicap een afwegingskadervoor de Jeugdwet en Wmo2015 ontwikkeld waarmee mogelijk ook deverschillen tussen gemeenten verkleind worden. Gemeenten kunnen ditgebruiken om het wegen van eigen kracht nader in te vullen in hun lokaleverordening. Hierover wordt uw Kamer binnenkort geïnformeerd.De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in de brief dat gemeenten aanzet zijn om invulling te geven. Deze leden vragen de Minister wat voorhaar hier de ondergrens zou zijn. Welke kansen ziet de Minister omgemeenten te ondersteunen, of zijn er juist punten om gemeenten op aante spreken? In de eerste vijf jaar na de decentralisatie is er bij dejeugd-pgb een daling geweest van bijna vijftig procent. Welke oorzakenheeft dit volgens de Minister? Deze leden zien dat er wel een enormeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 657, nr. 38124 toename is van het aantal jeugdhulpaanvragen. Hoe sluiten dezegegevens op elkaar aan volgens de Minister? Welke stappen gaat deMinister zetten om de jeugdhulpaanvragen zo goed mogelijk te beant-woorden, en de jeugdhulpaanvragen te verminderen?Sinds 2023 wordt door Rijk, gemeenten, professionals en vertegenwoor-digers van cliënten gewerkt aan de uitvoering van de HervormingsagendaJeugd om onze jeugd veilig, weerbaar en kansrijk te laten opgroeien,indien nodig tijdig passende en kwalitatief goede hulp te kunnen biedenen het jeugdzorgstelsel houdbaar te maken voor de toekomst. Lang nietaltijd is jeugdzorg de goede oplossing. Kinderen zijn gebaat bij de hulpvan mensen die dicht bij ze staan: thuis, op school, bij een vereniging of inde buurt. We zetten in op meer collectieve interventies in plaats vanindividuele maatwerktrajecten daar waar dit passend is. We versterken desociale basis om het gezin heen en zetten in op stevige lokale teams dielaagdrempelig hulp bieden en breed kijken. Het wetstraject Reikwijdtewaarmee we de beweging naar stevige lokale teams borgen en naderekeuzes maken in de afbakening, toeleiding en de inzet op (bewezen)effectieve zorg wordt dit jaar verder gebracht. Als specialistischejeugdhulp nodig is, dan streven we naar liefdevolle zorg, passend bij dezorgvraag, in een zo thuis mogelijke omgeving.De leden van de ChristenUnie-fractie zien dat er aanpassingen nodig zijnom het persoonsgebonden budget houdbaar te houden. Deze leden zijndan ook blij in het coalitieakkoord te lezen dat het doorgeslagen indicatie-circus wordt stopgezet. Hoe gaat de Minister hier invulling aan geven, enwelke kansen ziet de Minister om gemeentes hierbij te ondersteunen?Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar de kamerbrief voor hetpgb- debat van 23 juni 2026. In deze brief presenteer ik plannen om hetpgb toekomstbestendig te maken en te houden.Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractieDe leden van de SP-fractie lezen dat de Minister zegt geen signalen heeftontvangen «dat gemeenten strenger zijn geworden in het toekennen vanpgb-zorg». Heeft de Minister de berichtgeving van Pointer niet gelezen?Dat is toch overduidelijk een signaal dat gemeenten strenger zijngeworden? Is zij bereid om zich beter te laten informeren over wat hierspeelt, door in gesprek te gaan met ouders, cliëntondersteuners en hunvertegenwoordigers?VWS heeft regulier overleg met Ieder(in) en Per Saldo. In die overleggenpassen signalen over pgb. In 2023 en 2024 heeft VWS samen met PerSaldo gesprekken met gemeenten in het hele land gevoerd. In diegesprekken is uitgebreid over het beleid van de diverse gemeenten eneventueel ervaren knelpunten aan de orde gekomen. Gemeenten gavenaan, dat zij vanaf de decentralisatie meer zicht kregen op het zorgland-schap. Daardoor konden gemeenten een passender aanbod van zorg innatura en ondersteuning inkopen, waardoor er minder voor pgb werdgekozen. «Strenger worden» kwam niet als signaal naar boven. Zo gavengemeenten aan baat te hebben bij de toets op pgb-vaardigheid. Dergelijkeinstrumenten en landelijke handreikingen gebruiken gemeenten in hetverbeteren van de dienstverlening. Wel gaven gemeenten aan hetbelangrijk te vinden om kennis en kunde over pgb op peil te houden. PerSaldo heeft daarna – gefinancierd door VWS – het project «toerusting»uitgevoerd waarin zowel budgethouders als consulenten van gemeentenwerden ondersteund. Op dit moment ben ik met Per Saldo in overleg overof en hoe er vervolg kan worden gegeven aan de uitkomsten van ditTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 657, nr. 38125 project «toerusting». Daarbij bespreken we met Ieder(in) en Per Saldo hoegevolg te geven aan de signalen die voortkomen uit de Pointeruitzending.De leden van de SP-fractie herinneren de Minister eraan dat de Kamer in2023 de motie-Futselaar/Dijk3 aannam, waarin werd uitgesproken «dat hetuitvoeren van complexe medische handelingen, zoals het geven vansondevoeding, stomazorg of het monitoren van beademing tijdens denacht, niet behoort tot normale ouderlijke zorg». Hoe verhoudt de praktijkdie blijkt uit het Pointer-onderzoek zich tot deze Kameruitspraak?Gemeenten gebruiken steeds vaker afwegingskaders voor het toetsen vande benodigde zorg. Dit is een goede zaak omdat dit een objectieve toetsbevordert. Complexe medische handelingen vallen niet onder normaleouderlijke zorg. Mijn indruk is dat de meeste gemeenten hier rekeningmee houden. Als dat niet zo is, kunnen ouders in bezwaar en beroep gaan.De leden van de SP-fractie benadrukken dat gezinnen niet in de knelmogen komen door slecht beleid door gemeenten als het gaat om hettoekennen van pgb’s. Wat gaat de Minister doen om ervoor te zorgen datouders niet worden gedwongen om zware zorgtaken, die niet vallenbinnen de gebruikelijke ouderlijke zorg, gratis te verlenen aan hunkinderen, waardoor zij onder zware druk komen te staan?Het wetsvoorstel Reikwijdte verduidelijkt de reikwijdte van de jeugdhulp-plicht van gemeenten om beter te borgen dat er passende jeugdhulpwordt ingezet. Het wetsvoorstel regelt ook een afwegingskader voor deinzet van aanvullende jeugdhulp waarin wordt vastgelegd welke hulp vanouders en de sociale omgeving verwacht mag worden. Het wetsvoorstelvoorziet in een helder en eenduidig afwegingskader zodat gemeentenover duidelijkere handvatten beschikken om deze afweging te maken.Per Saldo heeft – gefinancierd door VWS – het project «toerusting»uitgevoerd waarin zowel budgethouders als consulenten van gemeentenwerden ondersteund. Doel van dit project is het op peil houden van kennisen kunde over pgb. Op dit moment ben ik met Per Saldo in overleg overof en hoe er vervolg kan worden gegeven aan de uitkomsten van ditproject «toerusting». Daarbij bespreken we met Ieder(in) en Per Saldo hoegevolg te geven aan de signalen die voortkomen uit de Pointeruitzending.Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractieGenoemde leden merken op dat in de kabinetsreactie op het bericht overstrengere pgb-toekenning wordt gesteld dat er geen signalen zijn datgemeenten strenger zouden zijn geworden, terwijl tegelijkertijd uitonderzoeken, mediaberichten en uitvoeringspraktijk blijkt dat gezinnenregelmatig knelpunten ervaren, onder andere door een zware invullingvan het criterium «eigen kracht». Hoe verklaart de Minister deze discre-pantie tussen de signalen die ouders en belangenorganisaties melden ende constatering dat er geen aanwijzing zou zijn voor strengeretoekenning? Is de Minister bereid inzichtelijk te maken hoe gemeenten detoets op eigen kracht uitvoeren en of deze toets daadwerkelijk proporti-oneel wordt toegepast, ook in situaties van langdurige of levensbredezorgbehoefte? Kan de Minister bevestigen dat bij de beoordeling vandraagkracht en draaglast niet alleen gekeken moet worden naar theore-tische zelfredzaamheid, maar ook naar de praktische uitvoerbaarheid enbelasting voor gezinnen?3Kamerstuk 34 104, nr. 387Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 657, nr. 38126 De toets op eigen kracht staat sinds 2015 in de Jeugdwet en de Wetmaatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Deze toets op eigenkracht houdt in dat eerst gekeken wordt naar eigen mogelijkheden en hetprobleemoplossend vermogen van het individu of de jeugdige, zijnouders en hun sociale omgeving. Een doel van de Jeugdwet en de Wmo2015 is het versterken van de eigen kracht. Diverse gemeenten hebbeninmiddels de beoordeling van eigen kracht uitgewerkt in afwegingskaders.Deze afwegingskaders zijn opgenomen in de lokale verordening, zoalsopgedragen door de wet.Deze afwegingskaders voor eigen kracht verduidelijken wat inwonerskunnen verwachten aan hulp en ondersteuning. Een doel van dedecentralisatie in 2015 was namelijk te komen tot een beter passendlokaal aanbod. Daarbij moet worden afgewogen wat de eigen verantwoor-delijkheid en de eigen mogelijkheden zijn. Het kan zijn dat clientonder-steuners van de stichting MEE verschillen tussen gemeenten ervaren. Endat kan als strenger worden ervaren. Maar omdat er altijd sprake is vaneen individuele afweging, is vergelijken niet goed mogelijk. Bovendienhebben inwoners van gemeenten invloed op het gemeentelijk beleid. Zomoeten de afwegingskaders via een democratisch proces in de verorde-ningen worden opgenomen en vastgesteld. Daarbij is ook inspraak opbeleid georganiseerd.Gemeenten kunnen de term «eigen kracht» operationaliseren met determen draagkracht en draaglast. Bij draagkracht wordt gekeken watouders/sociaal netwerk zelf kan. Bij draaglast wordt gekeken naar debelasting bij het gezin zoals zorg voor andere kinderen en/of ontbrekenvan sociaal netwerk. Als de draaglast groter is dan de draagkrachtontstaat er overbelasting. Gemeenten moeten daarom goed beoordelenof een gezin niet overbelast wordt.Het wetsvoorstel Reikwijdte verduidelijkt de reikwijdte van de jeugdhulp-plicht van gemeenten om beter te borgen dat er passende jeugdhulpwordt ingezet. Het wetsvoorstel regelt ook een afwegingskader voor deinzet van aanvullende jeugdhulp waarin wordt vastgelegd welke hulp vanouders en de sociale omgeving verwacht mag worden. Het wetsvoorstelvoorziet in een helder en eenduidig afwegingskader zodat gemeentenover duidelijkere handvatten beschikken om deze afweging te maken.Verder merken de leden van de BBB-fractie op dat budgethouders vaak incomplexe werkgeversrollen worden geplaatst, zelfs wanneer zij uitsluitendinformele zorgverleners inzetten. Zij vragen zich af waarom ondanksjarenlang aandringen vanuit budgethouders, professionals en uitvoerings-instanties vereenvoudiging van het pgbstelsel niet meer prioriteit krijgt. Isde Minister bereid de administratieve lasten bij budgethouders substan-tieel te verlagen door harmonisatie van regelgeving, het schrappen vandubbele verantwoordingsplichten en het bevorderen van risicogerichttoezicht? Op welke wijze wordt geborgd dat het pgb-portaal daadwerkelijkleidt tot vermindering van administratieve druk en niet tot digitaliseringvan bestaande complexiteit? Kan de Minister aangeven of mantelzorgersstructureel kunnen worden ondersteund via een vergoeding die hen uit dewerkgeversrol haalt, zodat zij zich kunnen richten op zorg in plaats vanadministratie?Ik ben het met de leden van de BBB-fractie eens dat de administratievelasten in het pgb hoog zijn en dat het prettiger zou zijn als de uitvoeringvan het pgb eenvoudiger was. De complexiteit van het stelsel bemoeilijktechter een effectieve aanpak. Zo kan vermindering van administratievelasten bij budgethouders bijvoorbeeld leiden tot vergroting van lasten bijuitvoerders. Dit maakt het stellen van prioriteiten ingewikkeld. DaarnaastTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 657, nr. 38127 slokt nieuwe wetgeving rond het arbeidsrecht alle aandacht en capaciteitop bij de partijen die nodig zijn om iets aan te doen aan de ervarenregeldruk. Om deze last te verminderen, verken ik samen met de Ministervan SZW mogelijkheden om de werkgeverschapslasten voor budget-houders te verminderen. Hier kom ik op een later moment per brief aanuw Kamer op terug.Op dit moment maken 14 gemeenten gebruik van het PGB Portaal. Wewerken aan het overbrengen van alle budgethouders vanuit Jeugdwet enWmo 2015. Budgethouders worden in het gebruiksvriendelijke PGBPortaal digitaal ondersteund bij de uitvoering van de pgb-administratie.Binnen de wettelijke kaders worden zaken zoveel mogelijk eenvoudigergemaakt. Het invullen van een zorgovereenkomst gaat bijvoorbeeld veelmakkelijker in het PGB Portaal. Dit wordt ook zeer gewaardeerd doorbudgethouders: bij het laatste waarderingsonderzoek scoorde het PGBPortaal een 8,1.Ook lezen de leden van de BBB-fractie dat het pgb regelmatig wordtingezet als vangnet wanneer passende zorg in natura ontbreekt. Dezeleden constateren dat dit voor veel budgethouders niet leidt tot keuze-vrijheid, maar tot gedwongen administratieve lasten zodat noodzakelijkezorg überhaupt geleverd kan worden. Hoe beoordeelt de Minister signalendat mensen een pgb krijgen omdat zorg in natura onvoldoendebeschikbaar is, terwijl dit niet de bedoeling van het instrument is? Hoewordt voorkomen dat de tekorten in wijkverpleging, jeugdzorg enWmo-voorzieningen worden afgewenteld op budgethouders die geenbewuste keuze voor het pgb hebben gemaakt? Is de Minister bereidinzichtelijk te maken hoeveel pgb-aanvragen plaatsvinden wegensonvoldoende beschikbaarheid van zorg in natura?Ik heb geen zicht hoe vaak mensen genoodzaakt zijn om zorg in pgb tenemen, terwijl zij een voorkeur voor zorg in natura hebben. Wel krijg iksignalen dat gemeenten gerichter inkopen en meer maatwerk leveren. Datvind ik een positieve ontwikkeling. Een gedwongen keuze voor een pgbomdat er geen zorg in natura is, moet vermeden worden. Inwonersmoeten bewust kiezen voor een pgb. Daarom wil ik dit onderwerp dekomende tijd oppakken, onder andere door verstrekkers en aanbieders testimuleren meer gevarieerd aanbod van zorg in natura te bieden.Daarnaast constateren de leden van de BBB-fractie dat in de stukken overde jeugdzorg en langdurige zorg opnieuw duidelijk wordt dat gezinnenvaak meerdere jaren achtereen moeten aantonen dat een levenslangebeperking nog steeds aanwezig is. Deze leden vinden dit disproportioneelen in strijd met de menselijke maat. Kan de Minister toelichten waaromouders en budgethouders nog altijd jaarlijks bewijs moeten leveren vanaandoeningen waarvan het permanente karakter evident is? Is de Ministerbereid tot een stelselwijziging waarbij langdurige, niet-veranderlijkebeperkingen niet jaarlijks opnieuw hoeven te worden aangetoond?In 2023 en 2024 heeft VWS samen met Per Saldo gesprekken metgemeenten in het hele land gevoerd. In die gesprekken is uitgebreid overhet beleid van de diverse gemeenten en eventueel ervaren knelpuntenaan de orde gekomen. Gemeenten zijn er op gewezen meerjarig tebeschikken als cliënten een levenslange beperking hebben. Gemeentengaven aan, dat zij vanaf de decentralisatie meer zicht kregen op hetzorglandschap. Daardoor konden gemeenten een passender aanbod vanzorg in natura en ondersteuning inkopen, waardoor er minder voor pgbwerd gekozen. «Strenger worden» kwam niet als signaal naar boven. Zogaven gemeenten aan baat te hebben bij de toets op pgb-vaardigheid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 657, nr. 38128 Dergelijke instrumenten en landelijke handreikingen gebruikengemeenten in het verbeteren van de dienstverlening.Uit die gesprekken werd duidelijk dat het verstandig is in gesprek teblijven met (ouders van) cliënten met een levenslange beperking.Bijvoorbeeld om in de gaten te houden of de zorgbehoefte veranderd is ofomdat er door innovaties of veranderingen in het zorglandschap eenpassender alternatief is. Het is dan wel zaak om te voorkomen datbekende zaken opnieuw worden uitgevraagd. Hiervoor zijn alerteuitvoeringsorganisaties nodig en geen stelselwijzigingen.Wel gaven gemeenten aan het belangrijk te vinden om kennis en kundeover pgb op peil te houden. Per Saldo heeft daarna – gefinancierd doorVWS – het project «toerusting» uitgevoerd waarin zowel budgethoudersals consulenten van gemeenten werden ondersteund. Op dit moment benik met Per Saldo in overleg over of en hoe er vervolg kan worden gegevenaan de uitkomsten van dit project. Daarbij bespreken we met Ieder(in) enPer Saldo hoe gevolg te geven aan de signalen die voortkomen uit dePointeruitzending.Voorts merken de leden van de BBB-fractie op dat vele signalen wijzen optoenemende druk op professionals door gescheiden wettelijke kaders,hoge registratielast en gebrekkige gegevensuitwisseling. Deze ledenvragen hoe de Minister regie gaat nemen om hier daadwerkelijk verbe-tering in te brengen, gelet op eerdere toezeggingen. Is de Minister bereidom, in samenwerking met uitvoeringsorganisaties, gemeenten, zorgkan-toren en beroepsgroepen, te komen tot één samenhangende vereenvoudi-gingsagenda voor het pgb en verwante zorgwetten? Hoe wordt geborgddat professionals voldoende tijd en ruimte krijgen om maatwerk televeren zonder voortdurend geconfronteerd te worden met ingewikkeldeprocedureregels?In de kamerbrief voor het pgb-debat van 23 juni 2026 ga ik in op plannenvoor de toekomst van pgb. Daarin is ook aandacht voor verbeteringen inhet pgb-stelsel. Dit stelsel is complex, vanwege de verankering in vierverschillende zorgwetten. Binnen dit gegeven kader zal altijd een zekerecomplexiteit blijven bestaan. Ik wil inzetten op het verminderen vancomplexiteit langs twee beleidsmatige actielijnen:–Het pgb -in een gezamenlijke uitwerking van de term«voorliggendheid»-nadrukkelijker positioneren als een bewuste keuzevoor eigen regie;–Het vereenvoudigen van het werkgeverschap.Meer focus op een bewuste en positieve keuze voor een pgb, reduceertcomplexiteit en ontlast het ondersteunend apparaat.Ook zien de leden van de BBB-fractie dat de wachttijden in de ggz,wijkverpleging en huisartsenzorg leiden tot verschuiving van zorgpro-blemen naar gezinnen. Zij constateren dat, zolang wachttijden oplopen,pgb-aanvragen toenemen en gezinnen zwaardere taken dragen, wat nietduurzaam is. Erkent de Minister dat oplopende wachttijden indirect leidentot een zwaardere druk op pgb-gebruik? Welke maatregelen neemt deMinister om te voorkomen dat knelpunten in de reguliere zorg recht-streeks worden afgewenteld op burgers, al dan niet via het pgb?Ik ben het met de vraagstellers eens dat het pgb geen instrument is omeen eind te maken aan lange wachtlijsten. Daarvoor wil ik een gevari-eerder aanbod van zorg in natura bevorderen, waarbij maatwerk wordttoegepast indien nodig. In de kamerbrief voor het pgb-debat van 23 juni2026 ga ik in op mijn plannen voor de toekomst van pgb. Het is mijn doelhet pgb te reserveren voor de groep zorgvragers waarvoor het pgb eenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 657, nr. 38129 meerwaarde heeft en die er mee wil en kan omgaan. Daardoor wordt dekeuze voor pgb een bewuste keuze.Verder constateren de leden van de BBB-fractie dat uit meerdere stukkenblijkt dat het huidige stelsel tot verschillen tussen gemeenten en regio’sleidt, waardoor burgers afhankelijk zijn van postcode in plaats vanbehoefte. Zij benadrukken dat gelijke situaties tot gelijke uitkomstenmoeten leiden. Is de Minister bereid om te werken aan landelijkeminimumnormen voor de uitvoering van pgb-procedures, zodat rechtson-gelijkheid tussen gemeenten wordt beperkt? Kan de Minister aangevenhoe gemeenten worden ondersteund om hun beoordeling en uitvoeringbeter te uniformeren?De toets op eigen kracht staat sinds 2015 in de Jeugdwet en de Wetmaatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Deze toets op eigenkracht houdt in dat eerst gekeken wordt naar eigen mogelijkheden en hetprobleemoplossend vermogen van het individu of de jeugdige, zijnouders en hun sociale omgeving. Een doel van de Jeugdwet en de Wmo2015 is het versterken van de eigen kracht. Diverse gemeenten hebbeninmiddels de beoordeling van eigen kracht uitgewerkt in afwegingskaders.Deze afwegingskaders zijn opgenomen in de lokale verordening, zoalsopgedragen door de wet.Deze afwegingskaders voor eigen kracht verduidelijken wat inwonerskunnen verwachten aan hulp en ondersteuning. Een doel van dedecentralisatie in 2015 was namelijk te komen tot een beter passendlokaal aanbod. Daarbij moet worden afgewogen wat de eigen verantwoor-delijkheid en de eigen mogelijkheden zijn. Het kan zijn dat clientonder-steuners van de stichting MEE verschillen tussen gemeenten ervaren. Endat kan als strenger worden ervaren. Maar omdat er altijd sprake is vaneen individuele afweging, is vergelijken niet goed mogelijk. Bovendienhebben inwoners van gemeenten invloed op het gemeentelijk beleid. Zomoeten de afwegingskaders via een democratisch proces in de verorde-ningen worden opgenomen en vastgesteld. Daarbij is ook inspraak opbeleid georganiseerd.Uitgangspunt van de wet uit 2015 is dat gemeenten een goed beeldhebben van de lokale situatie en zij het aanbod goed kunnen latenaansluiten op lokale behoeften van individuen, gezinnen en kinderen.Juist omdat de gemeente een bredere rol speelt in en om individuen engezinnen kunnen zij de bredere sociale context (verbinding met hetonderwijs, wonen of zorg) goed meewegen in het vormgeven van hetlokale aanbod. Dit veroorzaakt inderdaad verschillen in aanbod pergemeente en vervolgens ook een verschillende behoefte aan en invullingvan een eventueel pgb.Verder helpen landelijke wettelijke kaders om gemeenten richting tegeven aan hun beleid. Deze kaders zorgen voor kleinere verschillen tussengemeenten. Het wetsvoorstel Reikwijdte verduidelijkt de reikwijdte van dejeugdhulpplicht van gemeenten om beter te borgen dat er passendejeugdhulp wordt ingezet. Het wetsvoorstel regelt ook een afwegingskadervoor de inzet van aanvullende jeugdhulp aan de hand waarvan wordtbeoordeeld welke hulp van ouders en de sociale omgeving verwacht magworden. Het wetsvoorstel voorziet in een helder en eenduidig afwegings-kader zodat gemeenten over duidelijkere handvatten beschikken om dezeafweging te maken.Er wordt onder de werkagenda VN-verdrag Handicap een afwegingskadervoor de Jeugdwet en Wmo2015 ontwikkeld, met als doel de verschillentussen gemeenten te verkleinen. Gemeenten kunnen dit gebruiken om hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 657, nr. 38130 wegen van eigen kracht nader in te vullen in hun lokale verordening.Hierover wordt uw Kamer binnenkort geïnformeerd.Tot slot constateren de leden van de BBB-fractie dat in veel documentenwordt gesproken over «vertrouwen», «toegankelijkheid» en «menselijkemaat», maar dat deze uitgangspunten in de praktijk niet altijd wordenervaren. Hoe gaat de Minister ervoor zorgen dat deze uitgangspunten nietslechts beleidsmatige intenties blijven, maar concreet merkbaar wordenvoor ouders, mantelzorgers, budgethouders en professionals? Is deMinister bereid om een brede pilot te starten waarin pgb-proceduresworden ingericht vanuit het principe van maximale eenvoud envertrouwen, met als doel succesvolle elementen landelijk te implemen-teren?PGB is een middel om burgers eigen regie te geven. Dat is een belangrijkewaarde. In de gesprekken met gemeenten kwamen gemeenten ook metvoorbeelden van (terugkerende) fraude door pgb-aanbieders. Gemeentenmerken daarom dat voorwaarden van belang zijn om fraude te vermin-deren. Het voorstel van BBB voor een pilot gebaseerd op vertrouwenneem ik daarom niet over. Budgethouders mogen niet het slachtofferworden van zorgfraude. Gemeenten moeten hen daarbij beschermen.Vragen en opmerkingen van de leden van Groep MarkuszowerDe leden van de Groep Markuszower vragen hoe het kan dat de Ministergeen signalen heeft ontvangen dat gemeenten strenger zijn geworden inhet toekennen van pgb-zorg, terwijl deze signalen er wel degelijk zijn, zoblijkt uit het Pointer artikel gebaseerd op het rapport van Ieder(in). Hoekan het dat deze signalen de Minister niet bereiken?De Minister is niet op de hoogte dat gemeenten noodzakelijke onder-steuning vanuit de Jeugdwet steeds vaker afwijzen onder het mom «eigenkracht». Uit het Pointer onderzoek blijkt dat het tegendeel waar is. Vooralde groep ouders van een kind met een levenslange beperking dieintensieve zorg nodig heeft, komt in de knel. Is de Minister bereid ditnader te onderzoeken? Zo nee, waarom niet?Is de Minister bereid om contact op te nemen met de cliëntondersteunersen de ouders uit het Ieder(in)-onderzoek? Zo nee, waarom niet?De toets op eigen kracht staat sinds 2015 in de Jeugdwet en de Wetmaatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Deze toets op eigenkracht houdt in dat eerst gekeken wordt naar eigen mogelijkheden en hetprobleemoplossend vermogen van het individu of de jeugdige, zijnouders en hun sociale omgeving. Een doel van de Jeugdwet en de Wmo2015 is het versterken van de eigen kracht. Diverse gemeenten hebbeninmiddels de beoordeling van eigen kracht uitgewerkt in afwegingskaders.Deze afwegingskaders zijn opgenomen in de lokale verordening, zoalsopgedragen door de wet.Deze afwegingskaders voor eigen kracht verduidelijken wat inwonerskunnen verwachten aan hulp en ondersteuning. Een doel van dedecentralisatie in 2015 was namelijk te komen tot een beter passendlokaal aanbod. Daarbij moet worden afgewogen wat de eigen verantwoor-delijkheid en de eigen mogelijkheden zijn. Het kan zijn dat clientonder-steuners van de stichting MEE verschillen tussen gemeenten ervaren. Endat kan als strenger worden ervaren. Maar omdat er altijd sprake is vaneen individuele afweging, is vergelijken niet goed mogelijk. Bovendienhebben inwoners van gemeenten invloed op het gemeentelijk beleid. Zomoeten de afwegingskaders via een democratisch proces in de verorde-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 657, nr. 38131 ningen worden opgenomen en vastgesteld. Daarbij is ook inspraak opbeleid georganiseerd.VWS heeft regulier overleg met Ieder(in) en Per Saldo. In die overleggenpassen signalen over pgb. In 2023 en 2024 heeft VWS samen met PerSaldo gesprekken met gemeenten in het hele land gevoerd. In diegesprekken is uitgebreid over het beleid van de diverse gemeentengesproken en eventueel ervaren knelpunten aan de orde gekomen.Gemeenten gaven aan, dat zij vanaf de decentralisatie meer zicht kregenop het zorglandschap. Daardoor konden gemeenten een passenderaanbod van zorg in natura en ondersteuning inkopen, waardoor er mindervoor pgb werd gekozen. «Strenger worden» kwam niet als signaal naarboven. Zo gaven gemeenten aan baat te hebben bij de toets oppgb-vaardigheid. Dergelijke instrumenten en landelijke handreikingengebruiken gemeenten in het verbeteren van de dienstverlening. Welgaven gemeenten aan het belangrijk te vinden om kennis en kunde overpgb op peil te houden. Per Saldo heeft daarna – gefinancierd door VWS –het project «toerusting» uitgevoerd waarin zowel budgethouders alsconsulenten van gemeenten werden ondersteund. Op dit moment ben ikmet Per Saldo in overleg over of en hoe er vervolg kan worden gegevenaan de uitkomsten van dit project «toerusting». Daarbij bespreken we metIeder(in) en Per Saldo hoe gevolg te geven aan de signalen die voort-komen uit de Pointeruitzending.Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de organisatie, uitvoering en hettoezicht op de zorg en ondersteuning in het Sociaal Domein. Hetfunctioneren van de lokale organisaties wordt gemonitord door de lokalegemeenteraden. Ik ga hier daarom geen onderzoek naar doen. In hetregulier overleg met Ieder(In) en Per Saldo kunnen signalen aan de ordekomen.Is de Minister het met de leden van de Groep Markuszower eens dat hetstrenger worden met het toekennen van pgb-budgetten heel veel wegheeft van de meldingen van ouders vanuit de Zorgverzekeringswet,waarin zorgverzekeraars ook onder het mom «eigen kracht» bepalen datouders steeds meer zorgtaken zelf kunnen gaan uitvoeren en steedsstrenger worden in het toekennen van pgb-budgetten? Hoe gaat deMinister ervoor zorgen dat ouders die hun kind dagelijks intensieve zorggeven, niet gaan vastlopen door strengere eisen onder het mom «eigenkracht»?Kinderen met een levenslange en levensbrede beperking blijven jarenlangafhankelijk van zorg en dit vraagt, indien de ouders zelf voor de zorgver-lening verantwoordelijk zijn, veel van de ouders en andere gezinsleden.Uiteraard moeten deze kinderen en hun ouders de zorg en ondersteuningkrijgen daar waar zij die nodig hebben. De meldingen van ouders vanuitde Zorgverzekeringswet dat zorgverzekeraars steeds strenger worden inhet toekennen van Zvw-pgb-budgetten, zijn mij niet bekend. Wellicht tenovervloede merk ik op dat de Zorgverzekeringswet op het punt vanZvw-pgb geen overeenkomstige bepaling kent als in de Jeugdwet waarinis opgenomen dat ouders zelf een rol hebben in die zorg die »eigenkracht» wordt genoemd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 657, nr. 38132
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.