KamerkringInloggen
Kamerstuk

Lijst van vragen over herijking sturing funderend onderwijs (Kamerstuk 31293-727)

30 sep 2024 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie f6219b284f1dd216 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202531 293Primair Onderwijs31 289Voortgezet OnderwijsNr. 750 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDENVastgesteld 30 september 2024 De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft eenaantal vragen voorgelegd aan de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuuren Wetenschap over de brief van 5 april 2024 inzake Herijking sturingfunderend onderwijs (Kamerstuk 31 293, nr. 727).De Staatssecretaris heeft deze vragen beantwoord bij brief van30 september 2024. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.De voorzitter van de commissie,BrometAdjunct-griffier van de commissie,Huls kst-31293-750ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 7501 Vragen en antwoorden1Op basis van welke (wetenschappelijke) onderzoeken ofrapporten concludeert u dat herijking van de sturing deproblemen in het onderwijs gaat oplossen?Antwoord: Zoals aangegeven in mijn brief over de herijking is op basisvan wetenschappelijke evidentie of vanuit bestuurlijk perspectief niet tezeggen of een centralere sturing vanuit de overheid of een decentralesturing leidt tot betere uitkomsten.1 Beide modellen, zouden kunnenwerken, zolang de vier basiselementen uit het IBO «Koersen op kwaliteiten kansengelijkheid» (hierna: IBO) op orde zijn.2 Het gaat dan om heldereen gedragen doelen, zicht op prestaties, de juiste prikkels vanuit beleid envoldoende toegeruste actoren. Daarnaast stelt het IBO ook dat deoverheid onduidelijk en inconsistent stuurt. Daardoor kan niet hetmaximale uit het onderwijs worden gehaald. Dit leidt tot onvrede en staathet effectief werken aan verbeteringen in het onderwijs in de weg. Voor deherijking heb ik daarom met veel verschillende personen en partijengesproken (zie hierna bij vraag 2) over wat er nu niet goed (genoeg) gaaten welke verbeterpunten er zijn. Ook in deze gesprekken kwam de wensvoor een consistente, voorspelbare en eenduidige sturing met duidelijkeen herkenbare doelen op de lange termijn naar voren. De herijking van hetsturingsmodel, gecombineerd met het beleid dat zich specifiek richt ophet aanpakken van de dalende onderwijskwaliteit, het lerarentekort en dekansenongelijkheid, zou er zo voor moeten zorgen dat op deze thema’sverbetering is te zien.2Wanneer en hoe heeft het fundamentele gesprek met het onder-wijsveld plaatsgevonden over een eventuele herijking van desturing? Is dat breder opgepakt dan een aantal bestuurlijkegesprekken?Antwoord: Het fundamentele gesprek met het onderwijsveld is gevoerd inde periode november 2023 tot en met maart 2024 en is breder opgepaktdan alleen gesprekken met vertegenwoordigers van de sociale partners.Zo zijn er in januari en februari drie fysieke regiobijeenkomsten geweestwaar iedereen werkzaam of betrokken bij het onderwijs aan kondeelnemen. Er is gesproken met leraren, onderwijsondersteuners, ledenvan de (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad, schoolleiders,ouders, bestuurders en leden van het intern toezicht. Ook zijn er tweedigitale bijeenkomsten geweest die open stonden voor geïnteresseerden,waarbij één specifiek was voor onderwijspersoneel en één open stondvoor iedereen werkzaam of betrokken bij het onderwijs. In totaal zijn errond de 200 mensen aanwezig geweest deze bijeenkomsten.Daarnaast is er een «whole-system-in-the-room»-gesprek geweest,waarvoor een leerling, leraar, ouder, lid van de medezeggenschapsraad,lid van de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad, schoolleider,bestuurder, onderwijsinspecteur en iemand vanuit DUO waren uitge-nodigd. En in november 2023 ging het om verschillende gesprekken metde vertegenwoordigers van intern toezichthouders, bestuurders,schoolleiders, leraren, leerlingen, ouders en vakverenigingen. Zijvertegenwoordigden 20 organisaties.31Kamerstuk 31 293, nr. 7272Rapport IBO Koersen op kwaliteit en kansengelijkheid, december 2022Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 7502 In het IBO wordt gesteld dat artikel 23 «geen belemmering [is]voor het Rijk om een sterkere regierol op zich te nemen». Deelt udeze analyse? Waarom (niet)? En op welke gronden?Antwoord: Ik deel de conclusie uit het IBO dat artikel 23 van de Grondwetin de basis geen belemmering hoeft te zijn, omdat dit artikel, naast devrijheid van onderwijs, ook een plicht aan de overheid oplegt om zorg tedragen voor kwalitatief goed onderwijs. Daarbij laat de historischeanalyse van artikel 23 van de Grondwet zien dat de mate van sturing doorde overheid over de tijd heeft verschild. Ten aanzien van iedere te nemenmaatregel zal overigens nog wel moeten worden beoordeeld hoe dezezich verhoudt tot de eisen die artikel 23 van de Grondwet stelt.4Hoe reageert u op de kritiek in de brief van de Onderwijsraad dateen fundamentele bestelwijziging met betrekking tot de sturingop het funderend onderwijs geen passend antwoord is op deuitdagingen waar het onderwijs momenteel voor staat?3Antwoord: Ik deel de opvatting van de Onderwijsraad dat wijzigingen inde sturing niet moeten afleiden van de grote uitdagingen in het onderwijswaar iedereen momenteel hard aan werkt.Er zijn echter ook verschillen met de Onderwijsraad. De Onderwijsraadroept bijvoorbeeld expliciet op om de rol die schoolbesturen in het bestelhebben te respecteren, terwijl ik ook gekeken heb of de rol die eeniederheeft nog passend en wenselijk is. Ik kom tot de conclusie dat de leraar enschoolleider meer invloed zouden moeten hebben op de onderwijs-kundige invulling dan dat nu het geval is op sommige scholen. Over deovereenkomsten en verschillen hebben de Onderwijsraad en hetministerie met elkaar gesproken in een constructief ambtelijk gesprek.5Wat is de reden dat bij het verkennen van sturingsmodellen nietuitdrukkelijk andere juridische constructen verkend zijn, zoalscoöperaties, die juist dienstbaar kunnen zijn aan de doelen die uin uw brief beschrijft (sterkere rol schoolleiders, beslissingendichter bij grondvlak etc.)?Antwoord: De meeste schoolorganisaties zijn bijzondere scholen4 enworden overwegend in stand gehouden door een privaatrechtelijkerechtspersoon.5 De wet vereist dat het gaat om een rechtspersoon zonderwinstoogmerk.6 Een coöperatie, mag anders dan een stichting ofvereniging, wel een winstoogmerk hebben.Gegeven de eis voor bijzondere scholen om geen winstoogmerk tehebben en gegeven de keuzevrijheid voor privaatrechtelijke rechtsper-sonen om hun eigen rechtsvorm te kiezen, is er in deze brief niet naderingegaan op de specifieke keuze voor een rechtsvorm door deschoolorganisatie.6Welke kengetallen kunt u noemen van de ontwikkeling van dekansen(on)gelijkheid gedurende de afgelopen jaren?Antwoord: In de begroting en verantwoording van het Ministerie vanOCW wordt inzicht gegeven in de voortgang van de beleidsprioriteiten3Onderwijsraad, 14 mei 2024, «Een duidelijke positie voor schoolbesturen»4https://www.cbs.nl/nl-nl/cijfers/detail/03753?dl=3D0735Minder voorkomend is een bijzondere school in stand gehouden door een natuurlijk persoon.6Artikel 55 WPO, artikel 4.1 lid 2 WVO 2020 en artikel 57 WEC.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 7503 met beleidsindicatoren. Eén van de prioriteiten is gelijke kansen opontwikkelpotentieel. Er zijn vijf beleidsindicatoren voor deze prioriteitgeformuleerd die in ontwikkeling zijn of reeds gepubliceerd worden opocwincijfers.nl.7 Zo zijn er kengetallen beschikbaar voor de verschillen inde positie tussen groepen leerlingen, in de behaalde opleiding tussengroepen leerlingen en met betrekking tot thuiszittende kinderen.Daarnaast is er op ocwincijfers.nl ook een landelijk dashboard gelijkekansen dat inzicht biedt in de onderwijsloopbaan van verschillendegroepen leerlingen en studenten en daarmee in de ontwikkeling vangelijke kansen in het onderwijs.8 Het regionale dashboard gelijke kansenis beschikbaar voor scholen en gemeenten. Het biedt inzicht in kansenge-lijkheidsvraagstukken in de regio.9 Daarnaast worden de maatregelen vanhet Ministerie van OCW op het gebied van kansengelijkheid gemonitorden geëvalueerd zoals in de landelijke monitor School en omgeving en deStrategische Evaluatie Agenda kansengelijkheid. Uw Kamer ontvangt inhet najaar de rapportages van deze onderzoeken.7Waarover bestaat er bij de schoolbesturen zoal onvrede over desturing vanuit de besturen? In hoeverre wijst dit op een onver-mogen van de besturen tot gedragsverandering?Antwoord: In het IBO wordt geconcludeerd dat er onvrede heerst bijleraren, schoolleiders en besturen over de sturing vanuit de overheid, danwel vanuit de besturen. In de Kamerbrief Herijking sturing funderendonderwijs wordt benoemd dat leraren, ouders en leerlingen, school-leiders, bestuurders en intern toezichthouders in sommige gevallen een tegrote afstand tot elkaar ervaren. Hierdoor komt het goede gesprek tussende verschillende actoren niet altijd goed op gang en kunnen er waarde-volle geluiden gemist worden. Dit draagt bij aan het gevoel van onvrede.Het voeren van het goede gesprek vraagt dat elke actor weet wat diens rolis en beschikt over de tijd, kennis, middelen en vaardigheden om deze rolwaar te maken. Als ook aangegeven in de Kamerbrief is er bij alle actoren,inclusief bestuurders, nadere professionalisering nodig om dit goed tekunnen doen. Ik vind het daarbij positief dat de beroepsgroep bestuurdersbezig is om een accreditatiestelsel voor bestuurders op te zetten.Bestuurders laten daarmee zien dat ze gemotiveerd zijn om aan hun eigenprofessionalisering te werken, wat een belangrijke randvoorwaarde is omtot daadwerkelijk ander gedrag te komen.8Wat is de reden dat in het IBO en de beleidsreactie de wezenlijkonderscheiden posities van leerlingen, ouders en personeel nietafzonderlijk aan de orde zijn gesteld en gewogen in het kader vaneen herijking van de sturing?Antwoord: In de herijking is integraal gekeken naar het systeem vansturing vanuit de gedachte dat elke actor (intern toezicht, bestuur,schoolleiders, onderwijspersoneel, ouders en leerlingen) een belangrijkerol speelt binnen de schoolorganisatie. Zoals ook uiteen is gezet in vraag2, is hiervoor met alle actoren los en gezamenlijk gesproken. Er is dus ookmet leraren, leerlingen en ouders, alsmede vertegenwoordigers van dezegroepen, gesproken. In deze gesprekken kwam, net als vastgesteld werdbij het onderzoek «Breed gesprek governance en (mede)zeggenschap»,naar voren dat er geen wens is tot grote aanpassingen in het governance-7Beleidsindicatoren Primair en Voortgezet Onderwijs | Begroten en verantwoorden | OCW incijfers8Kansengelijkheid | Thema’s | OCW in cijfers9Kansengelijkheid | Thema’s | OCW in cijfersTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 7504 systeem. Wel was er de wens om dit systeem beter te benutten zodatonder andere de (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad beterdiens rol kan vervullen, dat de schoolleider door middel van het manage-mentstatuut een stevige rol in de onderwijsorganisatie krijgt en dat deleraar via het professioneel statuut een stevigere inhoudelijke rol kanpakken.9Welke concrete opbrengsten in termen van het aantoonbaarterugbrengen van het lerarentekort hebben de onderwijsregio’s,die een goed voorbeeld van de nieuwe sturingsaanpak wordengenoemd, tot nu toe opgeleverd?Antwoord: Zoals aangegeven in mijn herijkingsbrief staan we voor eenbetrokken overheid die dicht bij de scholen staat. Het vormen van deonderwijsregio’s om de bestaande regionale structuren te vereenvou-digen en schoolbesturen aan te zetten tot samenwerking is hier een goedvoorbeeld van. De 29 voorlopers zijn vorig jaar gestart en hebben dit jaarsubsidie ontvangen voor de uitvoering van plannen. Uitgegaan wordt vaneen lerende aanpak: al doende leren en leren van elkaar om zo deregionale samenwerking vorm te geven in de komende jaren. We vindenhet belangrijk om te weten of en op welke manier de onderwijsregio’sbijdragen aan het oplossen van de tekorten. Daarom investeren we veel inhet monitoren van de effecten en zijn er twee monitoringsonderzoekenopgezet. In de grootste vier gemeenten (de G4) en Almere wordt al langerregionaal samengewerkt en geeft onderzoek aan dat de samenwerkingbijdraagt aan de aanpak van de tekorten.10 Voorbeelden zijn gezamenlijkeinzet op zijinstroom en het maken van afspraken aangaande stagevergoe-dingen.10Welke wettelijke bepalingen dwingen ertoe dat onderwijswet-geving zich telkens richt op de bevoegd gezagen en niet op deindividuele scholen die functioneren onder die bevoegdegezagen? Is er een grondwetswijziging noodzakelijk om hierinverandering te brengen?Antwoord: Zoals is aangegeven bij vraag 5, zijn de meeste schoolorgani-saties privaatrechtelijke rechtspersonen. In de onderwijswetgeving wordtde betreffende rechtspersoon aangeduid als «het bevoegd gezag».11 Dezerechtspersoon (of het bevoegd gezag) kan één of meerdere scholen instand houden, maar «de school» als zodanig is géén eigenstandigejuridische entiteit. Anders (en in juridische termen) gezegd: een school isals zodanig geen rechtssubject en kan daarom ook geen drager zijn vanrechten en verplichtingen. Wél rechtssubjecten zijn rechtspersonen ennatuurlijke personen. Mitsdien richten de verplichtingen uit de wet zich tothet bevoegd gezag. Een grondwetswijziging kan hier dus geen veran-dering in aanbrengen. Het voorgaande wil echter niet zeggen dat er geenregels gesteld kunnen worden over het organen of personen binnen hetbevoegd gezag. Dat gebeurt ook veelvuldig in de onderwijswetgeving. Ziebijvoorbeeld de regels over de bekwaamheid van leraren, over het interntoezicht, of over de schoolleider. De verplichting tot de naleving van dezeregels berust bij het bevoegd gezag. De inspectie kan toezien op denaleving ervan.10Eindrapportage: Evaluatie convenanten lerarentekort primair onderwijs in de G5. | Rapport |Aanpak Lerarentekort11Zie bijvoorbeeld de definitie van «bevoegd gezag» in artikel 1 WPO, artikel 1 WVO en artikel 1WEC.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 7505 11Wat is de reden dat ervoor is gekozen om voor het verhogen vande onderwijskwaliteit en kansengelijkheid alleen te richten opsturingsthema’s, zoals bekostiging, zeggenschap en arbeidsvoor-waarden?Antwoord: Zoals aangegeven in mijn antwoord bij vraag 1 moet deherijking ervoor zorgen dat een ieder weet wat van hem of haar verwachtwordt. Dit voorkomt dat beleid onbedoeld tegen elkaar in werkt. Deherijking zou samen met het beleid dat zich specifiek richt op hetaanpakken van de dalende onderwijskwaliteit, het lerarentekort en dekansenongelijkheid, er voor moeten zorgen dat op deze thema’s verbe-tering is te zien. In het masterplan basisvaardigheden is er daarom sprakevan een langjarige aanpak met bijbehorende beleidsdoelen. Daarnaast zijner ook via de brede Agenda Kansengelijkheid en de lerarenstrategie12langetermijnaanpakken geformuleerd voor kansengelijkheid en leraren.Inmiddels is er in het hoofdlijnenakkoord ook een Herstelplan aange-kondigd, waarmee ook wordt beoogd de onderwijskwaliteit te verhogen.Dat in de herijking specifiek wordt gekeken naar bekostiging zeggenschapen arbeidsvoorwaarden, is aangekondigd in de kabinetsreactie op hetIBO.13 Voor de bekostiging waren de voor- en nadelen van de lumpsumnog niet in volle omvang bekeken in het IBO en was er ook politiekbehoefte om grondig verder te kijken, getuige de motie Beertema14 enmotie Kwint15. Voor zeggenschap is aangegeven dat goed onderwijsvraagt dat binnen de onderwijsorganisatie iedereen – van intern toezicht-houder tot onderwijspersoneel – weet welke rol en verantwoordelijkheidzij draagt. En dat er teveel onvrede is bij zowel besturen, schoolleiders,docenten, ouders als leerlingen, wat het effectief werken aan verbete-ringen in het onderwijs in de weg kan staan. Daarom wordt geconclu-deerd dat daar stappen voor nodig zijn.16 Naar arbeidsvoorwaarden-vorming is onder meer gekeken naar aanleiding van de motie VanMeenen17 en om te bezien of de huidige rolverdeling bij de arbeids-voorwaardenvorming passend is bij een overheid die betrokken is bij hetonderwijs. Zoals ik in mijn Kamerbrief schreef is daarnaast ook het thema«samenwerking en concurrentie» toegevoegd. Dit thema kwam nadruk-kelijk naar voren in de gesprekken die ik met het veld heb gevoerd enomdat dit thema sterk samenhangt met sturing heb ik dit thema ookverder onderzocht.12Werden ook de vakinhoudelijke verenigingen betrokken bij deregiobijeenkomsten en/of de «whole system in the room»-bijeenkomst? Zo nee, welke overwegingen lagen hieraan tengrondslag?Antwoord: Ja, vakinhoudelijke verenigingen zijn betrokken geweest bij deregiobijeenkomsten en bij de gesprekken met veldpartijen, zoals uiteen-gezet in vraag 2. Tijdens de gesprekken in november 2023 waren ledenvan de Federatie van Onderwijsvakorganisaties (FvOV) aanwezig. Bij deFvOV zijn de volgende vakverenigingen aangesloten: Begeleiders inOnderwijs (BIOND), Vakbond voor Beroepsonderwijs (BO), KoninklijkeVereniging voor Lichamelijke Opvoeding (KVLO), Landelijke Beroepsgroepvoor Begeleiders in het Onderwijs (LBBO), Levende Talen, Nederlandse12Zie voor de laatste brief: Kamerstuk 27 923, nr. 49213Kamerstuk 31 293 VIII, nr. 66914Kamerstuk 36 200 VIII, nr.7015Kamerstuk 31 293, nr. 55616Kabinetsreactie IBO _Koersen op kwaliteit en kansengelijkheid_.pdf dd 18 april 202317Kamerstuk 36 200 VIII, nr. 87Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 7506 Vereniging voor Logopedie en Foniatrie (NVLF), Nederlandse Verenigingvan Pedagogen en Onderwijskundigen (NVO), Nederlandse Verenigingvoor het Onderwijs in de Natuurwetenschappen (NVON), NederlandseVereniging voor Onderwijspersoneel (NVOP), Nederlandse Verenigingvoor de Ontwikkeling van RekenWiskundeOnderwijs (NVORWO),Nederlandse Vereniging van Wiskundeleraren (NVvW), Vereniging LerarenSchoolmuziek (VLS) en Vereniging Onderwijs Kunst en Cultuur (VONKC).13Wat is de reden dat er niet voor is gekozen om wetenschappers/onderzoekers te betrekken bij de totstandkoming van denkrich-tingen en scenario’s?Antwoord: De herijkingsbrief bouwt voort op een aantal onderzoekenwaarbij wetenschappers zijn betrokken en waarin wetenschappelijkeinzichten zijn vergaard. In het IBO is breed onderzocht, op basis vanwetenschappelijke inzichten en feiten, hoe echt impact kan wordengemaakt op de belangrijkste thema’s in het onderwijs: onderwijskwaliteit,kansengelijkheid en het lerarentekort. Daarvoor zijn er gesprekkengevoerd met verschillende wetenschappers en heeft ResearchNed dewetenschappelijke literatuur over sturing op onderwijskwaliteit in beeldgebracht.18 Verder is er voor zeggenschap in 2023 een onderzoek geweestvan Regioplan in samenwerking met CAOP en Leeuwendaal: het «Breedgesprek governance en (mede)zeggenschap». Ook de Onderwijsraadad-viezen «Een duidelijke positie voor schoolleiders» en «Inzicht in enverantwoording van onderwijsgelden» zijn nadrukkelijk benut voor dezeKamerbrief. Ten slotte zijn ook eerdere Onderwijsraadadviezen enwetenschappelijk literatuur meegenomen in de totstandkoming van deherijking.14Kunt u aangeven of er mogelijkheden zijn om subsidieregelingenmeer uniform te maken en het aantal te verkleinen, aangezien hetwerken met deze regelingen zorgt voor extra administratie- enverantwoordingslasten, omdat elke regeling een eigen procedureen verantwoording kent?Antwoord: Zoals in de Kamerbrief toegelicht vind ik het wenselijk datstructurele taken ook zoveel mogelijk structureel bekostigd worden.Subsidies die een incidenteel karakter hebben, kunnen het maken vanbeleid dat gericht is op de lange termijn bemoeilijken. Een teveel aanincidentele middelen is daarmee niet wenselijk, zoals ook de Onder-wijsraad constateert. Subsidieregelingen zorgen daarbij ook voor extraadministratieve lasten en verantwoordingslasten. Het werken metsubsidieregelingen maakt het daarentegen wel mogelijk om voorwaardente stellen, en daarmee te sturen op bestedingen. Dat is nu nog nietmogelijk in de bekostiging. Met het nieuwe financieringsinstrument wordthet wel mogelijk om verplichtingen te stellen aan de aanvullendebekostiging. Ik heb daartoe reeds het wetsvoorstel gerichte bekostiging inontwikkeling. Het lijkt passend om gerichte bekostiging beperkt in tezetten zodat het effectief blijft en er niet te hoge administratieve enverantwoordingslasten voor scholen ontstaan. De eerste toepassing vangerichte bekostiging is voorzien voor de middelen voor het verbeterenvan basisvaardigheden vanaf 1 januari 2027.15Hoe verklaart u dat de huidige jaarverslagregels een abstractie-niveau toelaten, dat materieel een carte blanche voor het bestuur18ResearchNed (2022). Pre-fase IBO Sturing op onderwijskwaliteitTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 7507 betekent? Is deze situatie historisch gegroeid of ligt er eenbewuste afweging aan ten grondslag?Antwoord: Besturen hebben geen carte blanche voor het uitgeven vanmiddelen. De bekostiging die onderwijsorganisaties ontvangen moetbinnen de kaders van de sectorwetten worden besteed. Daarbij heeft demedezeggenschapsraad adviesrecht op de vaststelling of wijziging van dehoofdlijnen van het meerjarig financieel beleid van de school en is het aanhet intern toezicht en de accountant om te controleren of de middelenrechtmatig en doelmatig zijn besteed. De inspectie houdt bovendien ooktoezicht op de rechtmatigheid van de besteding van middelen en op ofonderwijsmiddelen kosten- en doelbewust zijn aangewend (doelma-tigheid).De jaarverslagregelgeving is vastgelegd in het Burgerlijk Wetboek (BW,boek 2) en geldt voor alle rechtspersonen in Nederland. Dit geldt ook voorde Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving (RJ) van de Raad voor deJaarverslaggeving, waarin voor het onderwijs een specifiek hoofdstuk isopgenomen, gebaseerd op de Regeling jaarverslaggeving onderwijs (Rjo).Met deze regeling heeft de Minister van OCW de mogelijkheid om voorjaarverslaggeving onderwijs nadere regels te stellen.De jaarverslaggevingsregels schrijven echter niet voor elke kostenpostvoor tot in welk detail deze uitgesplitst dient te worden. Uitganspunt vande regelgeving is namelijk dat de belanghebbenden op basis van hetjaarverslag een goed beeld kunnen krijgen over de rechtmatige inzet vanbekostiging en verleende subsidies en dat het jaarverslag, net als dat voorandere rechtspersonen geldt, een getrouw beeld geeft van de gang vanzaken gedurende het verslagjaar. De instellingsaccountant geeft hierbijjaarlijks een controleverklaring af.Als nieuw kabinet gaan we nog een extra stap zetten, zoals aangekondigdin het hoofdlijnenakkoord komen er normen voor de besteding vanonderwijsmiddelen aan het primaire proces en overhead. In het voorjaarvan 2025 informeer ik u hier nader over.16Welke belemmeringen staan in de weg dat bij de verlening vansubsidie in het kader van het Masterplan Basisvaardigheden alsvoorwaarde geldt dat de middelen worden uitgegeven aaninterventies die duurzaam effect hebben op het verbeteren vanbasisvaardigheden en de subsidie niet wordt gebruikt voor hettijdelijk aannemen van extra personeel in of om de klas?Antwoord: Schoolorganisaties ontvangen vanuit de basisbekostigingmiddelen voor basisvaardigheden. Daarbovenop ontvangen zij subsidievoor het uitvoeren van één of meer evidence-informed interventies om debasisvaardigheden van leerlingen te verbeteren. Met deze interventieswillen we bereiken dat de basisvaardigheden van leerlingen duurzaamworden verbeterd. We vragen dan ook aandacht aan scholen voor deborging van de activiteiten, nadat de periode waarin activiteiten kunnenworden uitgevoerd is afgelopen. Schoolorganisaties kunnen met de extramiddelen die zij ontvangen personeel aannemen in en om de klas. Het isaan de schoolorganisatie hoe zij de middelen besteden, waarbij scholenzich wel aan de gestelde voorwaarden in de regeling moeten houden.Naast het aannemen van extra personeel kunnen schoolorganisaties demiddelen ook besteden aan het verder professionaliseren van bestaandpersoneel, of leergebiedoverstijgende interventies, zoals formatiefevalueren of het verbeteren van het analyseren van leerlingresultaten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 7508 Er is een wetsvoorstel in de maak om schoolorganisaties vanaf 1 januari2027 middelen te doen toekomen voor het verbeteren van basisvaardig-heden middels gerichte bekostiging. Het doel is om de extra middelenvoor verbetering basisvaardigheden structureel uit te keren via debekostiging, waarbij er in de eerste jaren voorwaarden kunnen wordengesteld aan schoolorganisaties. Hiermee komen we tegemoet aan debreed gedeelde wens om structurele taken van scholen zoveel mogelijkstructureel te bekostigen.17Welke specifieke redenen zijn er dat, ondanks alle mechanismenvoor verantwoording, nog onvoldoende transparantie zou zijnover de besteding van de bekostiging? Is het wantrouwen inbesturen gegrond als blijkt dat meer dan 80 procent van debekostiging wordt besteed aan personele lasten?Antwoord: Het overgrote deel van de middelen die schoolbesturenontvangen wordt uitgegeven aan personeel terwijl het beeld soms bestaatdat middelen onvoldoende bij het personeel belanden. Vanuit dejaarverslagen weten we dat personeel 81% van de totale lasten uitmaaktover de periode 2017 – 2022. Het jaarverslag en de controleverklaring vande accountant geven de al dan niet rechtmatige inzet van de bekostigingen het getrouwe beeld weer. De informatie wordt echter niet per activiteitof functiegroep tot in detail opgenomen in het jaarverslag. Dit kan totnadere vragen over de bestedingen leiden. Zoals ook in het hoofdlijnenak-koord aangekondigd, ben ik voornemens om normen te stellen aan debesteding van onderwijsmiddelen aan primair proces en overhead.18Kunt u aangeven of er algemene kaders beschikbaar zijn waarinde ruimte, die de (eindverantwoordelijke) schoolleider heeft,staan beschreven, nu deze schoolleider een te beperkte formeleverantwoordelijkheid in het governancesysteem heeft en werktonder de verantwoordelijkheid van het bestuur, waardoor deprofessionele ruimte die hij/zij heeft, afhankelijk is van de ruimtedie het bestuur geeft?Antwoord: De ruimte die een schoolleider heeft volgt in zijn algemeenheiduit de wet (zowel het BW als de onderwijswetgeving), de codes goedbestuur en bijvoorbeeld ook de beroepsstandaarden van schoolleiders.Voor de wet geldt dat de schoolleider een werknemer is en als zodanig opbepaalde onderdelen bescherming geniet vanuit de werkgever, bijvoor-beeld ten aanzien van aansprakelijkheid. Maar daarbij geldt ook dat deschoolleider niet een zelfstandige eindverantwoordelijkheid vanuit dewetgever kan krijgen. Het bestuur is immers, op grond van het BW,eindverantwoordelijk voor het functioneren van de rechtspersoon en denaleving van de wet. Dit neemt niet weg dat de wetgever de schoolleiderwel een stevige rol kan geven. Zoals ook vastgelegd is in artikel 29 WPO,waarin staat dat aan elke school een of twee directeuren verbonden zijn,bij wie onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag de onderwijs-kundige, organisatorische en huishoudelijke leiding berust.19Onder welke voorwaarden kan het bestuur adviezen van de(G)MR19 zoal naast zich neerleggen? Welke juridische mogelijk-heden bestaan er om deze (mogelijke) willekeur aan banden teleggen?19(G)MR: (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraadTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 7509 Antwoord: De medezeggenschapsraad kan een instemmings- of eenadviesrecht hebben. Een schoolbestuur mag gemotiveerd afwijken vaneen adviesrecht, maar moet wel (i) indien het wil afwijken van het advies,nogmaals met de medezeggenschapsraad overleggen voordat het eendefinitief besluit neemt en (ii) de medezeggenschapsraad informeren overhoe er invulling aan het advies wordt gegeven. Bij een instemmingsrechtmag het schoolbestuur het voorgenomen besluit zonder de instemmingvan de medezeggenschapsraad in principe niet ten uitvoer brengen.Wanneer er onenigheid is tussen de medezeggenschapsraad en hetschoolbestuur, kunnen beiden bij de Geschillencommissie terecht. Hetschoolbestuur kan hier bijvoorbeeld om toestemming vragen om ondankshet ontbreken van instemming van de medezeggenschapsraad hetvoorgenomen advies toch ten uitvoer te brengen. En een medezeggen-schapsraad kan bijvoorbeeld vragen dat het schoolbestuur toch gehoudenwordt aan hun advies als zij menen dat het schoolbestuur onvoldoendegemotiveerd heeft waarom het schoolbestuur wil afwijken van dit advies.20Kunt u aangeven uit welke onderzoeken in algemene zin zoublijken dat de sturing binnen schoolorganisaties onvoldoendegeborgd zou zijn? Hoe ernstig is de problematiek en hoe groot isde onvrede die wordt ervaren?Antwoord: Regioplan heeft in 2023 in samenwerking met CAOP enLeeuwendaal het «Breed gesprek governance en (mede)zeggenschap»uitgevoerd. Voor het onderzoek is gesproken met o.a. 363 onderwijsbe-stuurders, intern toezichthouders, (gemeenschappelijke) medezeggen-schapsraadsleden, schoolleiders, leraren en ondersteuners. Heteindrapport Breed gesprek governance en (mede)zeggenschap ismeegenomen als input voor de herijkingsbrief, zoals ook uiteengezet is invraag 1 en 13. Daarnaast is, zoals uiteengezet in vraag 2, in het herijkings-traject met verschillende individuen gesproken. Op basis daarvan isgeconstateerd dat 1) de directeur of rector een te beperkte formeleverantwoordelijkheid heeft in het governancesysteem; 2) het huidigemedezeggenschapsysteem niet altijd tot gedragen beslissingen op schoolleidt en 3) de rolvastheid en professionaliteit van intern toezicht, besturen,schoolleiders, leraren en (G)MR beter moet. Dat alles heeft geleid tot deconclusie dat de sturing binnen de onderwijsorganisaties onvoldoendegeborgd is. De mate van onvrede die wordt ervaren kan sterk verschillentussen scholen en schoolorganisaties, en hangt ook af aan welke groepbinnen de schoolorganisatie (onderwijspersoneel, schoolleiders,bestuurders, ouders of leerlingen) het gevraagd wordt. Het algemenebeeld uit de gesprekken die gevoerd zijn met sociale partners enindividuen na het verschijnen van de herijkingsbrief is echter dat erherkenning is op de probleemanalyse.21Waaruit blijkt dat veel schoolleiders ontevreden zouden zijn methun huidige positie binnen de schoolorganisatie? Heeft de AVS20gepleit voor een andere positie van de schoolleider?Antwoord: Een van de aanbevelingen uit het hiervoor genoemdeeindrapport Breed gesprek governance en (mede)zeggenschap, is om depositie van de schoolleider te versterken. Zoals ook aangegeven in deprobleemanalyse in de herijkingsbrief heeft de directeur of rector nu eente beperkte formele verantwoordelijkheid in het governancesysteem. In de20AVS: Academie Vakvereniging SchoolleidersTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 75010 brief die de AVS aan uw Kamer heeft gestuurd, onderschrijft de AVS denoodzaak om de strategische positie van de schoolleider te versterken.2122Noopt de kritiek op het functioneren van de medezeggenschaps-structuur en het ervaren gebrek aan vertegenwoordiging enbetrokkenheid niet tot een fundamentele heroverweging van dehuidige medezeggenschapsstructuur? Hoort dat niet bij uitstekbij de thematiek van sturing?Antwoord: Het functioneren van de medezeggenschapstructuur wasinderdaad onderdeel van de herijking. Uit gesprekken gevoerd gedurendede herijking en uit het onderzoek Breed gesprek governance en(mede)zeggenschap is naar voren gekomen dat de huidige medezeggen-schapsstructuur in theorie goed in elkaar zit, maar in de praktijk somsknelt, zoals ook uiteengezet is in de Kamerbrief: 1) het bestuur betrekt de(G)MR niet altijd voldoende; 2) het bestuur kan adviezen naast zichneerleggen; 3) leden hebben op persoonlijke titel zitting in de (G)MR; 4)onderwerpen sluiten niet altijd goed aan bij de kennis en interesse van de(G)MR-leden; 5) de organisatiecultuur kan soms onveilig aanvoelen voor(G)MR-leden, waardoor zij zich niet uitspreken; 6) ook kan meespelen datbetrokkenen soms onvoldoende inhoudelijke kennis hebben over hoe hetmedezeggenschapsysteem werkt. In het veld is er vooral behoefte aanmeer kennis en kunde rondom medezeggenschap en procedureleondersteuning aan de medezeggenschapsraad om zo deze knelpunten opte lossen en de potentie die in het medezeggenschapssysteem zit beter tebenutten. Er is minder behoefte om het systeem zelf fundamenteel aan tepassen, zoals ook aangegeven in vraag 8.23Kunt u voorbeelden geven van beleidskeuzes die door deoverheid zijn gemaakt, die hebben geleid tot het sterk gevoeldbeeld dat er te veel ruimte is voor concurrentie in het huidigesysteem?Antwoord: Concurrentie is een containerbegrip en kent veel verschillendeoorzaken. Zo zijn er in het huidige systeem verschillende beleidskeuzesgemaakt, die een onderliggende rationale kennen, maar die in de contextvan demografische krimp en arbeidsmarkttekorten ruimte bieden aanconcurrentie om de leerling en/of de leraar. Een voorbeeld hiervan is dekleinescholentoeslag in het basisonderwijs, die in samenhang met deopheffingsnormen en de regels rondom gemiddelde schoolgrootte, voorconcurrentie om de leerling én de leraar zorgt. Dit speelt vooral in dedrukbevolkte gebieden. Zo worden in de G4 relatief veel kleine basis-scholen met deze toeslag in stand gehouden. Er is in de grote steden watdit betreft voldoende schoolaanbod terwijl er ook een lerarentekort én eenhuisvestingsprobleem is. Binnen die context zorgt een dergelijke toeslagvoor een gevoel van concurrentie. Een dergelijke toeslag is passend voorde instandhouding van kleine basisscholen in dunbevolkte gebieden,maar niet in de steden. Daarom heb ik in de Kamerbrief mijn voornemenuitgesproken om de kleinescholentoeslag om te vormen naar eendunbevolktheidstoeslag. In de Kamerbrief staan, naast de kleinescholen-toeslag in het basisonderwijs, nog drie andere problemen rondomconcurrentie verder toegelicht.24Kunt u aangeven hoeveel basisscholen in de G4 met de kleinescholentoeslag in stand worden gehouden?21AVS, Brief aan de vaste Kamercommissie Onderwijs, 18 juli 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 75011 Antwoord: Er zijn 62 scholen binnen de G4 waarvoor het schoolbestuurkleine scholentoeslag ontvangt.25Kunt u enkele (desnoods geanonimiseerde) voorbeelden noemenvan het belang van een individuele instelling dat prevaleerdeboven de maatschappelijke opdracht van het onderwijs?Antwoord: We zien verschillende spanningsvelden die, zeker in tijden vanschaarste, zorgen voor extra druk op de lerarentekorten. Neem jebijvoorbeeld bovenformatief leraren aan als je weet dat de buurschoolmet een tekort zit? Ben je bereid om leraren op te leiden voor de regio inplaats van alleen voor je eigen school? Dat zijn ingewikkelde vragen enafwegingen.26Hoe verhoudt de voorlopige keuze voor een versterking van depositie van de schoolleider zich tot de wens dat juist meer opbestuurlijk niveau moet worden samengewerkt? Op welke wijzezou dan geborgd zijn dat de externe samenwerkingsafspraken inhet onderwijsbeleid van de scholen doorvertaald worden?Antwoord: In de Kamerbrief beschrijf ik dat afhankelijk van de aard vaneen probleem het juiste niveau voor de oplossing gekozen moet worden.Voor scenario B is dit als volgt uitgewerkt:–De school (de schoolleider en het onderwijsteam) is aan zet vooronderwijskundige vraagstukken. Het onderwijspersoneel werkt immerselke dag met de leerling en ziet wat de leerling nodig heeft.–Het bestuur ontlast de school door zorg te dragen voor alle voorwaar-den die nodig zijn, zodat de school zich kan richten op die onderwijs-kundige vraagstukken. Dit doet het bestuur door administratie, ICT,financiën en HR (bovenschools) te organiseren. Daarnaast blijft hetbestuur verantwoordelijk voor onder andere het inrichten van hetkwaliteitszorgsysteem en het voldoen aan de wettelijke vereisten.–Het bestuur is aan zet voor bestuurlijke samenwerking rondom demaatschappelijke opdracht. Er zijn maatschappelijke en regionalevraagstukken, zoals het lerarentekort, die besturen alleen in samenwer-king met elkaar effectief kunnen aanpakken. Dit moet dus boven- ofinterbestuurlijk georganiseerd worden. Onderwijsregio’s of samenwer-kingsverbanden passend onderwijs zijn een logische plek om dezesamenwerking vorm te geven.Vanuit de vertegenwoordiging van schoolleiders, de AVS, is hieroveraangegeven dat zij de maatschappelijke opdracht juist als taak voor deschoolleider zien. En met beide opvattingen ben ik het eens. Demaatschappelijke opdracht, vraagt immers inspanning en medewerkingvan iedereen. Het bestuur is aan zet om hier afspraken over te maken,maar de invulling en uitwerking van die afspraken kan niet tot standkomen zonder de bijdrage van een ieder werkzaam in het onderwijsveld.Zonder de steun en inhoudelijke invulling van het onderwijspersoneel ishet een loze afspraak, en zonder het bestuur mist de slagkracht om totschooloverstijgende afspraken te komen. Een stevige schoolleider kandaarbij het bestuur ondersteunen om tot goede inhoudelijke afspraken tekomen, en kan vervolgens de onderwijsvisie en uitwerking van desamenwerkingsafspraken doorvertalen naar het niveau van de school. Deschoolleider heeft daarmee een sleutelpositie en dient dan ook over eenvoldoende stevige positie te beschikken om aan het onderwijskundigleiderschap van de school invulling te kunnen geven.27Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 75012 Heeft u in uw overwegingen ook de mogelijke benaderingbetrokken van de «bestuurlijke gemeenschap» (bestuur enschoolleiders) als geheel en het creëren van interne cohesiebinnen en tussen scholen, zoals gedocumenteerd omschrevendoor Martijn Nolen?22 Zo nee, waarom niet?Antwoord: In het artikel waar naar verwezen wordt gaat dhr. Nolen in ophet Onderwijsraadadvies «Een duidelijke positie voor besturen», waarbijhij vanuit een ondernemingsrechtelijke bril kijkt naar de aanbevelingenvan de Onderwijsraad. Hij merkt onder meer op dat: «Het belang van hetbinnen een onderwijsorganisatie samen projectmatig werken aanonderwijsverbetering komt echter vrijwel niet in beeld [in het Onder-wijsraad advies]. Terwijl juist daar – zo laat door NRO verzameld praktijk-en beleidsgericht onderzoek goed zien – samenwerking tussen scholentoegevoegde waarde brengt en veel ruimte zit voor onderwijsverbeteringin het funderend onderwijs en voor onderwijsinnovatie. Juist voor datprojectmatig werken geldt dat niet subsidiariteit het eerste richtsnoerbehoort te zijn, maar gelijkwaardige beginselen als interne solidariteit,effectiviteit en duurzame waardecreatie. De focus van de Onderwijsraadop het negatieve, noninterventiekarakter van subsidiariteit ondermijntdaarmee de eigen oproep tot meer interne verbinding. Die oproep totinterne verbinding is nu immers eenzijdig gericht op het bestuur, daarwaar misschien wel de kracht van de onderwijsorganisatie als collectiefhad kunnen worden benadrukt.»Dhr. Nolen gaat hierbij uit van de kracht van samenwerking tussen deschoolleiding en het bestuur en binnen de schoolorganisatie zelf. Dat sluitaan bij de visie dat elke actor een waardevol rol in het onderwijsbestelheeft, zoals ook uiteengezet in het antwoord op vraag 8, alsmede dat deschoolleider een sleutelpositie heeft, zoals ook aangegeven bij de vorigevraag.28Kunt u aangeven voor hoeveel nieuwe scholen de wet Meerruimte voor nieuwe scholen23 na inwerkingtreding heeft scholengezorgd?Antwoord: Vanaf de start van de wet zijn er drie volledige aanvraagrondesgeweest. In augustus 2023 zijn de eerste scholen (die in de eersteaanvraagronde zijn goedgekeurd) daadwerkelijk gestart. Het betreft 14nieuwe po-scholen, 10 verzelfstandigingen van bestaande po-dislocatiesen 2 nieuwe vo-scholen. Uw Kamer is op 17 juni jl. over de cijfers en devergelijking tussen de aanvraagrondes geïnformeerd.24 Deze brief bevataanvullende informatie.29Kunt u aangeven hoeveel nieuwe scholen, die dankzij de wetMeer ruimte voor nieuwe scholen tot stand zijn gekomen, in deproblemen zijn geraakt?Antwoord: De Inspectie van het Onderwijs (hierna: inspectie) heeft deafgelopen maanden alle nieuwe scholen bezocht. De inspectie finaliseertmomenteel de rapporten en zal deze op haar website plaatsen. Uw Kamerwordt in november 2024, met de jaarlijkse brief over de bekostigingsaan-vragen voor nieuwe scholen, over deze resultaten geïnformeerd.22M. Nolen, «Een verduidelijking van de positie van het bestuur van onderwijsorganisaties»,School en Wet 2024/42.23Stb. 2020, nr. 16024Kamerstuk 35 050, nr. 57Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 75013 30Kunt u de nadelen specificeren die werknemers(organisaties) bijde arbeidsvoorwaardenvorming ervaren van de ongelijkheid inpositie tussen werkgeversorganisaties en werknemers-organisaties, ten faveure van de werkgevers?Antwoord: Uit de veldconsultatie kwam naar voren dat de ongelijkeinformatiepositie aan de cao-onderhandelingstafel van vakbonden tenopzichte van de werkgevers, afbreuk doet aan het onderlinge vertrouwentussen cao-partijen. De vakbonden gaven aan dat het gevolg van deongelijke informatiepositie kan zijn dat het accent in decao-onderhandelingen teveel op de hoogte van de loonruimte ligt, inplaats van op inhoudelijke onderwerpen zoals lesuren en werkdruk,professionalisering en loopbaanontwikkeling.31Op basis van welke (wetenschappelijke) onderzoeken ofrapporten concludeert u dat meer regie door de overheidbijdraagt aan het oplossen van de problemen in het onderwijs?Antwoord: Zie voor het antwoord op deze vraag de beantwoording vanvraag 1.32Kunt u toelichten hoe meer centrale sturing vanuit de overheidgaat leiden tot betere prestaties op klas- en leerlingniveau?Antwoord: Zie voor het antwoord op deze vraag de beantwoording vanvraag 1.33Waarop baseert u de conclusie dat de overheid hoe dan ook meerregie moet nemen? Is de eerste conclusie op basis van het IBOniet dat de overheid duidelijker in plaats van meer regie moetnemen?Antwoord: Het IBO roept de overheid inderdaad op om duidelijk en ookvooral consistent te zijn, maar schetst ook dat regie vanuit de overheidonvermijdelijk is. De overheid heeft immers de grondwettelijke plicht omzorg te dragen voor het onderwijs. In het IBO wordt benoemd dat erverschillende vraagstukken zijn waarop actieve bijsturing vanuit deoverheid noodzakelijk is, zoals de beleidsterreinen kansengelijkheid, hetlerarentekort en passend onderwijs. Op basis van deze oproep vanuit hetIBO en de probleemanalyse vanuit de herijking, meen ik dat meer (envooral consistentere en duidelijkere) regie passend is.34Hoe verhoudt uw conclusie dat het wenselijk lijkt om voorstructurele taken structurele bekostiging te verstrekken tot dekeuze voor een nieuwe subsidieregeling voor de onderwijsre-gio’s?Antwoord: Zoals in de herijkingsbrief is geschetst is het wenselijk om voorstructurele taken zoveel als mogelijk structureel bekostiging teverstrekken, zodat het onderwijs stabiliteit en duidelijkheid heeft om aande langjarige doelen te werken. Het is dan ook het streven om op termijnde onderwijsregio’s te bekostigen. Op de korte termijn biedt het subsidie-instrument echter voordelen boven de bekostiging. Op dit momentworden de Onderwijsregio’s middels een lerende aanpak vormgegeven envinden er nog aanpassingen plaats in wat de vereisten en taken zijn. EenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 75014 subsidieregeling geeft de mogelijkheid om daar op in te spelen en geeftook de flexibiliteit om het voortschrijdende inzicht mee te nemen. In devormgeving van de subsidieregeling wordt er ook rekening meegehouden met het streven om de onderwijsregio’s op termijn te bekos-tigen. Om over te kunnen gaan tot structurele bekostiging van deOnderwijsregio’s is het daarbij wenselijk dat er een landelijk dekkendnetwerk is en dat wettelijk is verankerd hoe de bekostiging van deonderwijsregio’s wordt vormgegeven. Het wetstraject dat daarvoor nodigis kost tijd. Voorgaande maakt dat een subsidieregeling op dit moment hetmeest geschikte instrument is.35Welke middelen zijn beschikbaar voor het stimuleren vansamenwerking in krimpgebieden?Antwoord: In het voortgezet onderwijs loopt de subsidieregeling«Incidentele Middelen voor Leerlingendaling». Deze subsidieregelingstimuleert samenwerking rondom leerlingdaling doordat de aanvragerssamen een regionaal plan uitvoeren. Deze subsidieregeling stond openvan 2020–2021 en loopt tot en met 2025. Er kunnen dus geen nieuweaanvragen meer worden gedaan. Daarnaast wordt er in het po en het votijdelijk aanvullende bekostiging verstrekt wanneer scholen fuseren totéén school. Voorts wordt in de Kamerbrief toegelicht dat de kleinescholen-toeslag wordt omgevormd naar een dunbevolktheidstoeslag. Dezeherziening vindt momenteel plaats in samenhang met een herziening vanhet stelsel van instandhouding en opheffing.Overigens geldt voor openbare en bijzondere scholen die hun identiteitwillen behouden sinds 2018 de wet «Samen sterker door vereenvoudigingsamenwerkingsschool». Deze wet maakt het makkelijker voor eenopenbare school en een school met een denominatie om een samenwer-kingsschool te worden, indien een van deze twee scholen zich onder deopheffingsnorm bevindt.36Betekenen professionaliseringsactiviteiten die «nog te vaakgericht zijn op een specifieke actor» dat u de werkgeverszeggenschap wilt geven bij de keuzes die leraren maken om bijde lerarenbeurs een bepaalde opleiding naar eigen voorkeur tegaan volgen?Antwoord: Op grond van de subsidieregeling «Lerarenbeurs» wordengeen eisen gesteld aan het vakgebied waarop de studie betrekking heeft.Het moet enkel gaan om een geaccrediteerde bachelor/master ofdeficiëntieopleiding. De leraar vraagt de subsidie voor studiekosten aan,het bevoegd gezag vraagt subsidie aan voor vervanging van de leraartijdens studieverlof. Tegelijkertijd vragen veel uitdagingen waar scholenvoor staan, zoals het versterken van basisvaardigheden of het omgaanmet nieuwe technologieën als AI, om een schoolbrede aanpak. Professio-nalisering is dus niet alleen een individuele aangelegenheid maar ook vanhet schoolteam en passend binnen de onderwijsvisie van de school.37Waarom zijn er in «Scenario A: Besturen aan zet» nauwelijksvoorwaarden onder de bestedingsvoorwaarden in de bekostiging?Antwoord: Binnen dit scenario is de overheid terughoudend in hetverstrekken van opdrachten en aanvullende bestedingsvoorwaarden aanhet schoolbestuur omdat het bestuur zelf verantwoordelijk is voor deinvulling en vormgeving van het onderwijs. Dat neemt niet weg dat desectorwetten nog altijd een kader geven voor waar de middelen aanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 75015 besteed mogen worden en dat er controlemechanismen zijn om mee tekijken of dit rechtmatig en doelmatig is gebeurd, zoals ook uiteengezet inhet antwoord op vraag 15.38Kunt u landen in Europa noemen waar scenario’s A, B en C in dedagelijkse onderwijsbestuurspraktijk gangbaar zijn?Over het algemeen kennen Europese landen verschillende gradaties vancentralisatie en decentralisatie in hun onderwijsstelsel. Sommige landenhebben een meer gecentraliseerd systeem waarbij de nationale overheideen grotere rol speelt, terwijl andere landen meer autonomie geven aanlokale overheden, schoolbesturen of individuele scholen. De bestuurlijkeverhoudingen hebben in elk land vaak unieke kenmerken die nietéén-op-één overeenkomen met de scenario’s uit de herijkingsbrief. Ingrote lijnen zou je kunnen stellen dat het bestuurlijk model in veel landenhet meest overeenkomt met scenario B, waarbij er een samenspel is vanbestuur en schoolleider. Als je preciezer kijkt zijn de verantwoordelijk-heden tussen bestuur en schoolleider echter steeds anders ingevuld: er ismij ook geen land bekend dat de precieze verantwoordelijkheidsverdelingvolgt die in scenario B is beschreven (bestuur verantwoordelijk voor demaatschappelijke opdracht en scholen meer aan zet voor onderwijs-kundige vraagstukken).2539Met welk scenario komt het besturingssysteem van het onderwijsin Finland het meeste overeen? Of zou overname van het onder-wijsbesturingssysteem in Finland wellicht een vierde scenariobetekenen?Finland heeft een sterk gedecentraliseerd onderwijssysteem dat nietaansluit bij een van de beschreven scenarío’s. In Finland ligt veelbeslissingsbevoegdheid bij lokale overheden en scholen. Gemeenten zijnverantwoordelijk voor de financiering van het primair en voortgezetonderwijs. Naast eigen middelen krijgen zij hiervoor middelen van denationale overheid. Gemeenten zijn formeel ook werkgevers van lerarenen ander onderwijspersoneel. Hoewel er een nationaal curriculum is,hebben de gemeenten bovendien de vrijheid dit naar behoefte aan tepassen. Gemeenten zijn ook verantwoordelijk voor de kwaliteit op descholen.26 Het Finse onderwijsbeleid heeft wel verschillende inzichtenopgeleverd voor het Nederlandse onderwijsbeleid. Bijvoorbeeld inzichtenop het terrein van het jonge kind en de meerwaarde van taal- en rekenon-derwijs dat meer integraal wordt aangeboden.40Kunt u nader toelichten welk wetenschappelijk bewijs er iswaaruit blijkt dat scenario B en C leiden tot betere onderwijskwa-liteit en meer kansengelijkheid?Antwoord: Zie voor het antwoord op deze vraag de beantwoording vanvraag 1.41Kunt u toelichten op welke wijze de samenwerking tussenbesturen wordt verbeterd (een van de denkrichtingen) in scenarioB en C?25Voor een gedetailleerde vergelijking van onderwijsstelsels in Europa zie https://eurydice.eacea.ec.europa.eu/26https://eurydice.eacea.ec.europa.eu/national-education-systems/finland/overviewTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 75016 Antwoord: De scenario’s schetsen op hoofdlijnen wie welke rol heeft in deverschillende sturingsmodellen, zodat daarna rolvast gehandeld kanworden. In zowel scenario B als C worden besturen nadrukkelijk door deoverheid aangesproken om de maatschappelijke opdracht vorm te geven;om gezamenlijk te zorgen voor goed onderwijs voor elk kind en omsamen te werken om het leraren- en schoolleiderstekort tegen te gaan.Door deze taak helder te beleggen, is die beter uitvoerbaar. Daarbij moetwel worden opgemerkt dat, zoals ik ook in mijn brief schreef, in scenario Chet aantal besturen fors toeneemt. Daarmee is er ook een toename vanhet aantal gesprekspartners, wat het samenwerken in de regio moeilijkermaakt.42Wat zijn de verwachte gevolgen bij scenario B en C voor deoverhead en de hoogte van de reserves van scholen, ook opmacroniveau?Antwoord: In scenario B zullen de reserves en de overhead van schoolbe-sturen op macroniveau naar verwachting ongeveer gelijk blijven, gelet opdat dit scenario niet voorziet in een wijziging van het aantal onderwijs-instellingen.In scenario C zullen de reserves van schoolbesturen en de overhead naarverwachting toenemen. Omdat het aantal zelfstandige onderwijs-instellingen fors toeneemt, zal het totaal van de reserves waarschijnlijkook toenemen. Elke school zal immers een eigen reserve gaan aanhoudenom mogelijke financiële tegenvallers op te vangen waarbij de optie omtegenvallers met een grotere groep op te vangen vervalt. Net alsmogelijke schaalvoordelen voor het grootschalig inkopen van productenof diensten, zoals hierna uiteengezet bij vraag 45.43Waar (in binnen- of in buitenland) is – wetenschappelijk – aange-toond dat méér centrale sturing door de overheid (zoals bedoeldin de scenario’s B en C) leidt tot hogere onderwijskwaliteit?Antwoord: Zie voor het antwoord op deze vraag, de beantwoording vanvraag 1.44Hoe kunnen in scenario B schoolbesturen eindverantwoordelijkworden gemaakt voor de onderwijskwaliteit, terwijl ze niet aanzet zijn bij onderwijskundige vraagstukken?Antwoord: Dit vraagt goede samenwerking tussen de schoolleider en hetbestuur. Het feit dat het bestuur eindverantwoordelijk blijft voor deonderwijskwaliteit, betekent niet dat het bestuur hier eenzijdig over moetbeslissen. In scenario B wordt het belang van het betrekken van school-leiders en onderwijspersoneel bij onderwijskundige vraagstukkenbenadrukt en versterkt ten opzichte van de huidige situatie. Dit kanbijvoorbeeld door de positie van de schoolleider wettelijk te versterken, deschoolleider een stevige rol te geven in het managementstatuut en decode goed bestuur. Zoals ook uiteengezet is in de beantwoording vanvragen 26 en 27.45Wat zijn de gevolgen van scenario C voor kleine scholen enscholen in krimpgebieden?Antwoord: Wanneer elke school een éénpitter wordt, is iedere school inbestuurlijk opzicht op zichzelf aangewezen. Schaalvoordelen voor hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 75017 werken aan kwaliteitsbeleid, voor het ontlasten van onderwijspersoneelen voor het aantrekken en behouden van ondersteunende functies, zoalsfinanciën, administratie en HR vallen weg. Dit kan zeker in krimpgebiedenextra uitdagend zijn. Daarbij komt dat juist in krimpgebieden samen-werking erg belangrijk is, omdat er te weinig leerlingen kunnen zijn omdoelmatig onderwijs aan te bieden. In scenario C wordt deze samen-werking lastiger, doordat het aantal gesprekspartners toeneemt.Daarnaast worden kleine scholen, zowel in de regio als in de stad, dieonder de opheffingsnorm zitten momenteel vaak in stand gehouden opgrond van de uitzondering «gemiddelde schoolgrootte», waarmeebesturen met meer scholen, scholen in stand houden kunnen houden meteen leerlingaantal onder de opheffingsnorm. Bij invoering van scenario Czou deze uitzonderingsgrond verdwijnen en stopt op grond van bestaandeopheffingsnormen in ieder geval de bekostiging van deze scholen. Zoalsreeds toegelicht bij vraag 35 vindt een herziening van het stelsel vaninstandhouding en opheffing plaats. Uw Kamer wordt daar in het najaarnader over geïnformeerd.46Hoeveel scholen zullen er worden gesloten bij de van invoeringvan scenario C, die nu nog in stand kunnen worden gehoudendoordat ze onderdeel zijn van een groter schoolbestuur?Antwoord: Momenteel is ongeveer 55% van de besturen in het funderendonderwijs een besturenkoepel. In scenario C zullen deze besturenkoepelsontvlochten moeten worden. In hoeverre dit tot sluiting leidt is nietbekend. Het is op dit moment aan schoolbesturen om te bepalen hoe zehun middelen verdelen over scholen en het is niet bekend in welke mategrote schoolbesturen hun bekostiging niet evenredig verdelen over descholen zodat bepaalde scholen in stand kunnen blijven. In het huidigestelsel worden momenteel wel 459 scholen opengehouden op basis vande uitzonderingsgrond «gemiddelde schoolgrootte», waarbij besturen metmeerdere scholen, scholen onder de opheffingsnorm in stand kunnenhouden.47Wat is het effect van scenario C op de administratieve-, controle-en verantwoordingslasten?Antwoord: Zoals bij de beantwoording van vraag 45 is geschetst, zorgtscenario C ervoor dat schaalvoordelen wegvallen. De administratieve-,controle- en verantwoordingslasten zullen naar verwachting toenemen.48Welke nadelen van scenario C, die niet gelden voor scenario B,geven de doorslag tot het oordeel dat scenario B momenteel debeste denkrichting lijkt te bieden?Antwoord: De voordelen van scenario B wegen zwaar mee in mijnvoorkeur. Zo wordt in scenario B de afstand verkleind tussen leraren,ouders en leerlingen en de schoolleider, het schoolbestuur en het interntoezicht en komt er meer zicht en grip op de besteding van onderwijsgeld.Het personeel dat het dichtst bij de onderwijspraktijk staat krijgt meerinvloed, waardoor de waardevolle kennis die zij hebben beter wordtbenut. Het schaalvoordeel, wanneer meerdere scholen in een bestuurverenigd zijn, blijft bestaan: zij kunnen hun uitvoeringstaken efficiëntorganiseren en de administratieve lasten beperkt houden. Besturenkunnen concurrentie tussen de eigen scholen tegengaan en de regioondersteunt de samenwerking.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 75018 Daarnaast gelden voor scenario C, zoals aangegeven in mijn briefverschillende nadelen. Deze stapeling van nadelen maakt dit scenario, inmijn ogen, onwenselijk. Allereerst vraagt scenario C om een funda-mentele reorganisatie van onderwijsorganisaties. Deze reorganisatie leidtaf van de benodigde aandacht voor het onderwijs zelf en daarmee is ereen kans dat dit scenario de huidige problematiek juist versterkt. Daarbijwordt het takenpakket en de gewenste combinatie van competenties vande bestuurder-directeur vergroot, en daarmee ook de werkdruk. Debestuurder-directeur krijgt immers zowel de taken van het bestuur als dievan de schoolleider. Er komt dus veel op het bordje van de schoolleidingte liggen en daarmee ook bij het onderwijsteam. Terwijl we ook te makenhebben met een schoolleiderstekort en we uit onderzoek weten dat deschoolleider zich het beste kan richten op onderwijsinhoudelijke vraag-stukken.27 Ook maakt het, door de toename van het aantal gespreks-partners, samenwerken in de regio moeilijker (voor het tegengaan van hetlerarentekort en de aanpak van andere maatschappelijke opgaven) enontstaat er daarmee risico op meer concurrentie. Omdat het aantalbesturen fors toeneemt, zal het totaal van de reserves waarschijnlijk ooktoenemen. Elke school zal immers een eigen reserve gaan aanhouden ommogelijke financiële tegenvallers op te vangen. Dit staat haaks op mijninspanning om de bovenmatige reserves terug te dringen. Verder brengtdit scenario aanzienlijke uitvoeringslasten met zich mee, onder anderevanwege de noodzaak om schoolorganisaties te ontvlechten. Dit is lastigte absorberen en uit te voeren door scholen, zal een zware operatie voorDUO zijn en zal de controlelast bij accountants en uitvoerders sterkvergroten. Als laatste staat het ontnemen van de cao-rol van de raden opgespannen voet met de collectieve onderhandelingsvrijheid van dewerkgevers en kan de directere politieke betrokkenheid bij de cao –bijvoorbeeld bij wisseling van kabinetten – leiden tot onvoorspelbaarheiden daarmee instabiliteit in de arbeidsvoorwaarden. Al deze nadelengelden niet of niet in dezelfde mate voor scenario B.49Waarom moet scenario C juridisch worden getoetst en geldt datniet voor scenario B?Antwoord: Allereerst geldt dat bij de uitwerking van ieder scenario eenjuridische toets nodig is. Daarnaast heeft scenario C verdergaandejuridische consequenties dan scenario B. Scenario C houdt in dat besturenniet meerdere scholen onder zich kunnen hebben. Dat is een forse ingreepin het huidige onderwijslandschap en specifiek ook een forse ingreep voorschoolorganisaties die nu wel meerdere scholen onder zich hebben. Eendergelijke forse ingreep, vraagt een stevige rechtvaardiging en eengedegen en grondige aanpak. Om die reden is, anders dan bij het minderverstrekkende scenario B, nadrukkelijk opgenomen dat met name scenarioC nader juridisch uitzoekwerk vraagt.27Onderwijsraad, 2018 «Een krachtige rol voor schoolleiders»Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 75019

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 96346ba547416f46

14 okt 2026 · d15918fa38cc1315

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.