KamerkringInloggen
Kamerbrief

Opheffen handhavingsmoratorium

6 sep 2024 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie a03ae10eb6d7f941 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2023–202431 311Zelfstandig ondernemerschapNr. 263 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN EN DEMINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 6 september 2024In deze brief informeren de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit enBelastingdienst en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,mede namens de Minister van Economische Zaken, uw Kamer over hunzienswijze op de afschaffing van het handhavingsmoratorium per1 januari 2025.Dit kabinet zet zich in voor zekerheid en meedoen op de arbeidsmarkt. Inhet Hoofdlijnenakkoord 2024–2028 Hoop, Lef en Trots (bijlage bijKamerstuk 36 471, nr. 37) staan bestaanszekerheid en koopkracht niet voorniets als eerste hoofdpunt genoemd. Meer specifiek met betrekking totwerken met en als zelfstandige(n) is opgenomen dat zekerheid op dearbeidsmarkt wordt gestimuleerd, bijvoorbeeld voor echte zelfstandigen(zzp’ers) in het zelfstandigenbeleid. Ook is opgenomen dat de wetsbehan-deling van de Wet verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties enrechtsvermoeden (VBAR) wordt voortgezet.1Dit kabinet wil door het herstellen van de balans op de arbeidsmarkt hetwerken met en als zelfstandige(n) toekomstbestendiger maken. Om dit tebereiken zet het kabinet in op drie lijnen: het realiseren van een gelijkerspeelveld tussen contractvormen (lijn 1), een betere werking van dearbeidsmarkt, waaronder meer duidelijkheid over de vraag wanneergewerkt wordt als werknemer dan wel als zelfstandige (lijn 2) en verbe-tering van handhaving op schijnzelfstandigheid (lijn 3). Daarbij geldt: devoortgang op de ene lijn kan niet wachten op de andere; elk van de drie isurgent om stappen op te zetten.2 Dit kabinet zet in op maatregelen diegericht zijn op zekerheid en meedoen op de arbeidsmarkt. In de briefwordt ook ingegaan op de voortgang van de drie lijnen en het vervolghierop door dit kabinet.1Hoofdlijnenakkoord tussen de fracties van PVV, VVD, NSC en BBB | Publicatie | Kabinetsfor-matie (kabinetsformatie2023.nl), p. 3.2Kamerstukken II 2023/24, Aanhangsel Handelingen, nr. 2030. kst-31311-263ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 311, nr. 2631 Op 2 juli 2024 heeft de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgele-genheid in de procedurevergadering verzocht om een zienswijze van hetkabinet op het opheffen van het handhavingsmoratorium. Met deze briefvoldoet het kabinet aan dit verzoek.Hoofdboodschap van de briefVeel zelfstandigen kiezen bewust voor het ondernemerschap en leverendaarmee een belangrijke bijdrage aan onze economie. De mogelijkhedendie de Nederlandse arbeidsmarkt biedt om als zelfstandige te werken, zijndan ook van groot belang voor zowel werkenden als werkgevenden en diemoeten ook blijven bestaan. Daarbij moet worden opgemerkt dat degroep zelfstandigen zeer divers is: zij werken onder uiteenlopendeomstandigheden en hebben verschillende persoonlijke voorkeuren metbetrekking tot werk.Toch kent de snelle groei van het aantal zelfstandigen ook een keerzijde. Insommige gevallen is er sprake van schijnzelfstandigheid, waarbijwerkenden zich in een kwetsbare positie bevinden omdat risico’s wordenafgewenteld op de schijnzelfstandige. Voor schijnzelfstandigen met eenbeperkte onderhandelingsmacht is het moeilijk hun rechten op te eisen,bijvoorbeeld met betrekking tot pensioen, ontslagbescherming enarbeidsongeschiktheid.Daarnaast kan de inzet van (schijn)zelfstandigen leiden tot oneerlijkeconcurrentie op arbeidsvoorwaarden, zowel tussen werkenden als tussenwerkgevers. Hoewel de verschillen in behandeling tussen werknemers enechte zelfstandige ondernemers tot op zekere hoogte logisch en terechtvaardigen zijn, zet het toenemende aantal schijnzelfstandigen-contracten de solidariteit binnen het sociale en fiscale stelsel onder druk.Als voor een grote groep werkenden, die feitelijk als werknemers zoudenmoeten worden beschouwd, niet wordt meebetaald aan de werknemers-verzekeringen (zoals de ww en wia-verzekering) ontstaat er een scheveverdeling van de lasten. De Commissie Borstlap heeft ook indringendgeadviseerd een tweedeling op de arbeidsmarkt tegen te gaan. Daarnaastkan ook de solidariteit tussen werkenden onder druk komen te staan dooreen ongelijke verdeling van het werk op de werkvloer, bijvoorbeeld bijadministratieve verplichtingen.Het kabinet wil de balans op de arbeidsmarkt herstellen en regels rondomhet werken met en als zelfstandige(n) toekomstbestendiger te maken. Omdit te bereiken zet het kabinet in op drie lijnen.In deel 2 van deze brief wordt ingegaan op de voortgang van de lijnen 1en 2. Het realiseren van die lijnen is randvoorwaardelijk voor het beoogdeherstel. De voortgang op lijn 3 kan hier echter niet op wachten.In het eerste deel van de brief gaan we daarom in op de voortgang oplijn 3 en de besluitvorming over het opheffen van het handhavingsmora-torium. Het doel is de handhaving op de kwalificatie van arbeidsrelaties tenormaliseren. Dit betekent dat de handhaving op de kwalificatie van dearbeidsrelatie weer vorm krijgt binnen de reguliere handhavingsplannen.Een belangrijk onderdeel daarvan is het opheffen van het handhavings-moratorium per 1 januari 2025. Het is begrijpelijk dat dit voor werkge-venden en werkenden spannend is. Bedrijven en organisaties zullen zichmisschien zorgen maken dat ze niet langer voldoende werkenden kunnenaantrekken. Zelfstandigen zullen zich afvragen wat dit voor hen betekent.Het kabinet heeft dit besluit dan ook niet lichtvaardig genomen. Verderuitstel van het normaliseren van de handhaving brengt echter grotereTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 311, nr. 2632 risico’s met zich mee. In de markt leeft bij sommige partijen de perceptiedat de Belastingdienst onder het handhavingsmoratorium niet handhaaftop de kwalificatie van de arbeidsrelatie. Dat leidt tot een afwachtendehouding bij werkgevenden en werkenden om met het onderwerp aan deslag te gaan. De markt zal naar verwachting minder uit zichzelf inbeweging komen als het handhavingsmoratorium blijft bestaan. Opnieuwuitstel leidt tot verlies van het «momentum». Het kabinet ziet dat veelwerkgevenden nu al anticiperen op de opheffing van het handhavingsmo-ratorium en hun bedrijfsvoering met de wet- en regelgeving in lijnbrengen. Zo werken verschillende organisaties in de sectoren kinder-opvang, onderwijs, zorg en cultuur aan het voorkomen van schijnzelfstan-digheid in hun organisaties en werken bedrijven in de beveiligings-branche niet meer met zelfstandigen wanneer er eigenlijk sprake is vaneen dienstverband.3Om de markt voor te bereiden op het opheffen van het handhavingsmora-torium worden ondersteunende maatregelen genomen. Zo komt erpubliekscommunicatie, werkt het marktteam van de Belastingdienstsamen met sectoren en fiscaal dienstverleners om hen voor te bereidenop de situatie per 1 januari 2025 en worden de modelovereenkomstenuitgefaseerd. Het kabinet realiseert zich dat dit voor veel sectoren,werkenden en de overheid een inspanning vraagt. Die inspanning is nodigom schijnzelfstandigheid effectief tegen te gaan.Deze brief bevat achtereenvolgens:Deel 1: voortgang lijn 31)Een nadere toelichting op de noodzaak en het besluit tot opheffenvan het handhavingsmoratorium;2)de uitvoeringstoets van de Belastingdienst over het opheffen van hethandhavingsmoratorium;3)de impactanalyse van UWV en Arbeidsinspectie;4)de bevindingen uit de MKB-toets;5)een overzicht van de ondersteunende maatregelen om de markt zogoed mogelijk voor te bereiden op het opheffen van het handha-vingsmoratorium per 1 januari 2025; enDeel 2: voortgang lijnen 1 en 26)de voortgang van de overige lijnen om de balans op de arbeidsmarkt,het werken met en als zelfstandige(n), toekomstbestendiger te maken.Deel 1: Voortgang lijn 31) HandhavingsmoratoriumHierna wordt allereerst de achtergrond van het handhavingsmoratoriumtoegelicht. Vervolgens wordt beschreven waarom het noodzakelijk is omhet handhavingsmoratorium op te heffen en op welke wijze het handha-vingsmoratorium wordt opgeheven.Achtergrond handhavingsmoratoriumIn 2016 werd de Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties (DBA)(Ka-merstuk 34 036) ingevoerd waarmee de zogenoemde Verklaring arbeidsre-laties werd afgeschaft. Deze wet, die juist destijds werd ingevoerd omschijnzelfstandigheid beter tegen te kunnen gaan, leverde vanaf het beginveel onrust en discussie op, in de maatschappij en in het parlement.43Kamerstukken II 2022/23, 29 544, nrs. 1198; Kamerstukken II 2023/24, 29 544, nr. 1233;https://www.werkenbijg4s.nl/ZZP-beveiliger.4Zie kabinetsreactie op de rapporten van de Algemene Rekenkamer (ARK) en de Auditdienst Rijk(ADR) van 24 juni 2022 (Kamerstuk 31 066, nr. 1094).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 311, nr. 2633 Opdrachtgevers waren huiverig zelfstandigen in te huren en zelfstandigenwaren bang hun opdrachten kwijt te raken. Dit leidde tot zorgen enonzekerheid over werk en inkomen. Daarom besloot het kabinet doormiddel van de opschorting van de (repressieve) handhaving de opdracht-gevers en de zelfstandigen een overgangsperiode te bieden. Dit leidde in2016 tot een door het kabinet ingesteld handhavingsmoratorium voor deBelastingdienst. Dit hield in dat de Belastingdienst bij opdrachtgevers nietnaar het verleden toe kon corrigeren op de kwalificatie van de arbeidsre-latie voor de loonheffingen, behalve als er sprake was van evidentekwaadwillendheid. Voor opdrachtnemers bestaat er geen handhavings-moratorium. Dit betekent dat voor de inkomensheffing en omzetbelastingwel op reguliere wijze kan worden gehandhaafd bij werkenden.Gedurende de afgelopen jaren heeft het kabinet het handhavingsmora-torium een aantal keren aangepast:•Vanaf 1 juli 2018 vindt repressieve handhaving niet langer alleen bij deernstigste gevallen van kwaadwillendheid plaats, maar ook bij anderekwaadwillenden. Vanaf 1 januari 2020 kan de Belastingdienst ookcorrigeren wanneer opdrachtgevers aanwijzingen van de Belasting-dienst niet (of in onvoldoende mate) binnen een redelijke termijnopvolgen. Als de Belastingdienst zich op het standpunt stelt dat dekwalificatie van de arbeidsrelatie voor de loonheffingen niet inovereenstemming is met de huidige wetgeving, dan geeft de Belas-tingdienst aanwijzingen. Als later blijkt dat de opdrachtgever deaanwijzingen niet (of in onvoldoende mate) opvolgt en dus de wijzevan werken niet aanpast, kan de Belastingdienst repressief, tot hetmoment dat de aanwijzing gegeven is, handhaven.•De Belastingdienst heeft in dat kader het Handhavingsplan arbeidsrela-ties opgesteld. Dit gebeurt in drie tranches. In tranche 2023 van hethandhavingsplan is ingegaan op het versterken en verbeteren van dehandhaving. Tranche 2024 bevat de beschrijving van de handhaving inaanloop naar het opheffen van het handhavingsmoratorium en intranche 2025 zal worden ingegaan op handhaving zonder handha-vingsmoratorium. Vanaf 2026 moet de handhaving op het onderwerp«genormaliseerd» zijn binnen de reguliere klantbehandeling. Dit houdtin dat de handhaving op dit thema weer vorm krijgt binnen dereguliere handhavingsplannen. Inmiddels is tranche 2023 afgerond enloopt tranche 2024.•In het kader van de motie Palland wordt in de bijlage de voortgang vande handhaving op arbeidsrelaties door de Belastingdienst in de vormvan ingezette uren en gerealiseerde producten over het eerste half jaarvan 2024 weergegeven.5 In januari 20246 is over de voortgang van dehandhaving gerapporteerd over de periode tot en met 2023. Zoalstoegezegd in de brief aan de Kamer van 24 juni 20197, heeft deBelastingdienst voor 2023 de beoogde inzet van 80 FTE gehaald. Voor2024 loopt de inzet van 80 FTE volgens planning.Noodzaak opheffing handhavingsmoratorium per 1 januari 2025Het vorig kabinet heeft mede in de voortgangsbrief werken met en alszelfstandige van 16 december 2022 (Kamerstuk 31 311, nr. 246) deopheffing van het handhavingsmoratorium per uiterlijk 1 januari 2025aangekondigd. Het huidig kabinet houdt vast aan dat voornemen. Devolgende argumenten hebben bij dit besluit de doorslag gegeven:5Deze motie gaat over het rapporteren aan de Tweede Kamer over de voortgang van dehandhaving op de arbeidsrelatie (Kamerstuk 29 544, nr. 935).6Brief 24 januari 2024 inzake Voortgangsbrief werkprogramma PNIL, januari 2024 (Kamerstuk29 544, nr. 1233).7Kamerstukken II 2018/19, 31 066, nr. 515.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 311, nr. 2634 •De opheffing van het moratorium per 1 januari 2025 past binnen deambitie van het hoofdlijnenakkoord. Daartoe wordt de wetsbehande-ling van onder meer de Wet VBAR voortgezet. Het opheffen van hethandhavingsmoratorium staat niet op zichzelf maar is onderdeel vande drie-lijnenaanpak. Daarbij geldt dat de voortgang op de ene lijn nietkan wachten op de andere; elk van de drie is urgent om stappen op tezetten.•Uitstel van opheffing moratorium leidt tot verlies van het «momen-tum». Het kabinet ziet dat bedrijven en organisaties anticiperen op deopheffing van het handhavingsmoratorium per 1 januari 2025 en hunbedrijfsvoering met de wet- en regelgeving in lijn brengen.•Door het opheffen van het handhavingsmoratorium ervaren opdracht-gevers die werken met schijnzelfstandigen een verhoogde gepercipi-eerde pakkans. Het gevoel van rechtvaardigheid neemt in dat gevalook toe. Dit zorgt naar verwachting voor betere regelnaleving. In demarkt leeft bij sommige partijen soms nog de perceptie dat deBelastingdienst onder het handhavingsmoratorium niet handhaaft opde kwalificatie van de arbeidsrelatie. Dat leidt tot een afwachtendehouding bij opdrachtgevers en opdrachtnemers om er mee aan de slagte gaan. De markt zal naar verwachting niet of minder uit zichzelf inbeweging komen als het moratorium blijft bestaan. Oneerlijkeconcurrentie op arbeidsvoorwaarden is een urgent probleem in dehuidige, krappe arbeidsmarkt. Voorkomen moet worden dat bedrijvenen organisaties voordeel kunnen halen uit de inzet van schijnzelfstan-digen, terwijl anderen in de markt die zich wel aan de regels houdende nadelige gevolgen ondervinden.•Herstel van de handhaving draagt bij aan het voorkomen dat werken-den in een kwetsbare positie worden ingezet als schijnzelfstandigen.•Hoewel er nu wettelijk nog niets veranderd is ten opzichte van desituatie van 2016, geldt dat er naast de voorgenomen wettelijkeverduidelijking inmiddels nog meer duidelijkheid is over de relevanteelementen in relatie tot de kwalificatie van arbeidsrelaties (dewebmodule, handboek loonheffingen en jurisprudentie). Het kabinetzal deze regels ook duidelijker gaan communiceren via Rijksbredepubliekscommunicatie.•Het PNIL-werkprogramma loopt al twee jaar in de (semi-) publiekesectoren, zoals de kinderopvang, het onderwijs, de zorg en de culturelesector. Hierdoor bestaat er in deze sectoren al veel aandacht voor hettegengaan van schijnzelfstandigheid.8•De markt heeft er behoefte aan dat het kabinet zo snel mogelijkduidelijkheid biedt over het opheffen van het handhavingsmoratorium,zodat deze zich hierop (verder) kan voorbereiden.•De Belastingdienst ligt op schema met de voorbereidingen vooruitlo-pend op het opheffen van het handhavingsmoratorium.•Het Herstel- en Veerkrachtplan (HVP) kent een mijlpaal in de vorm vanhet opheffen van het handhavingsmoratorium in Q1 2025.9 Het niethalen van deze mijlpaal kan forse financiële consequenties hebbenvoor Nederland.Alles afwegende is het kabinet daarom gekomen tot het besluit om hethandhavingsmoratorium per 1 januari 2025 op te heffen.Wijze opheffen handhavingsmoratoriumHet kabinet wil de handhaving op de kwalificatie van de arbeidsrelatiesvoor de loonheffingen door de Belastingdienst weer zo veel als mogelijknormaliseren. Het opheffen van het handhavingsmoratorium dat in 20168Kamerstukken II 2022/23, 29 544, nr. 1198 en Kamerstukken II 2023/24, 29 544, nr. 1233.9Link naar Raaduitvoeringsbesluit, p. 58.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 311, nr. 2635 van kracht is geworden draagt daaraan bij. Het volledig opheffen van hethandhavingsmoratorium per 1 januari 2025 betekent het volgende:•Met ingang van 1 januari 2025 gelden voor de Belastingdienst bij dehandhaving op de kwalificatie van de arbeidsrelatie voor de loonheffin-gen weer de normale regels voor het opleggen van correctieverplich-tingen, naheffingsaanslagen en boetes. Dit houdt onder andere in dater niet meer eerst een aanwijzing hoeft te worden gegeven. Voorcorrecties die niet gerelateerd zijn aan het handhavingsmoratoriumverandert er niets. Daarvoor gelden de reguliere regels voor hetopleggen van de correctieverplichting. De reguliere regel is dat deBelastingdienst tot maximaal vijf jaar terug correcties kan opleggen.•De focus binnen de handhaving op arbeidsrelaties is primair gericht opde loonheffingen bij de opdrachtgevers. De Belastingdienst houdtvanaf 1 januari 2025 wel rekening met het eerdere handhavingsmora-torium en zal dus alleen met terugwerkende kracht corrigeren tot dedatum van de opheffing, te weten 1 januari 2025.•Met betrekking tot de periode vóór 1 januari 2025 geldt dat Belasting-dienst – met inachtneming van de vijfjaarstermijn – alleen correctieskan opleggen indien sprake is van kwaadwillendheid of als een eerdergegeven aanwijzing niet in voldoende mate is opgevolgd. In diegevallen kan er worden gecorrigeerd en nageheven tot het momentwaarop sprake was van kwaadwillendheid met een maximum vanvijf jaren dan wel tot het moment dat de Belastingdienst de aanwijzingheeft gegeven.2) Uitvoeringsgevolgen opheffing handhavingsmoratoriumHierna wordt toegelicht welke gevolgen van het opheffen van hetmoratorium worden verwacht. Allereerst wordt ingegaan op de uitvoe-ringstoets van de Belastingdienst over het opheffen van het handhavings-moratorium, daarna op de verwachtingen van het UWV en de Neder-landse Arbeidsinspectie, vervolgens de bevindingen uit de MKB-toets entot slot worden de ondersteunende maatregelen om risico’s die voort-vloeien uit het opheffen van het handhavingsmoratorium te beperkentoegelicht.10Uitvoeringstoets BelastingdienstDe Belastingdienst heeft een tussentijdse uitvoeringstoets gedaan op deopheffing van het handhavingsmoratorium uitgaande van twee scena-rio’s: een scenario waarin er onrust op de arbeidsmarkt ontstaat verge-lijkbaar met 2016 en een scenario waarin er weinig onrust ontstaat.Parallel aan deze uitvoeringstoets is gewerkt aan het uitwerken van eenaantal ondersteunende maatregelen waarmee het opheffen van hethandhavingsmoratorium zal worden begeleid. Deze tussentijdse uitvoe-ringstoets wordt herijkt en aangepast aan de te verwachten effecten vande ondersteunende maatregelen. De herijkte uitvoeringstoets zal ditnajaar met uw Kamer gedeeld worden.Uit de tussentijdse uitvoeringstoets blijkt dat het opheffen van hethandhavingsmoratorium niet noodzakelijkerwijs betekent dat de Belas-tingdienst vaker gaat handhaven, maar dat de inzet/keuze van dehandhavingsinstrumenten wel kan wijzigen. Er zal bijvoorbeeld meernadruk gelegd worden op voorlichting en bewustwording. Dit kanbetekenen dat werkzaamheden opnieuw geprioriteerd moeten worden.Zoals bijvoorbeeld het uitvoeren van minder bedrijfs- en boekenonder-zoeken omdat verzoeken vooroverleg en beschikking verzekeringsplichtvoorrang krijgen. Dit zal de problematiek op de arbeidsmarkt niet10Aanhangsel Handelingen II 2023/24, nr. 1882.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 311, nr. 2636 zelfstandig oplossen, maar is één van de maatregelen van een breedpakket dat daaraan bijdraagt. De Belastingdienst kan geen zekerheidgeven door al vóórdat partijen een arbeidsrelatie aangaan een oordeel tegeven over de kwalificatie van de arbeidsrelatie. De juiste kwalificatie isafhankelijk van hoe in de praktijk wordt gewerkt. De juiste kwalificatie vande arbeidsrelatie is de gezamenlijke verantwoordelijkheid van deopdrachtgever en opdrachtnemer. In het geval veel opdrachtgevers enopdrachtnemers vooraf goedkeuring bij de Belastingdienst gaan vragen,vraagt dit (te) veel capaciteit van de Belastingdienst en biedt dat slechtsvoorwaardelijke zekerheid.De uitvoeringstoets concludeert dat verder uitstel van het handhavings-moratorium niet gewenst is, mede omdat dit grote nadelige gevolgenheeft voor de markt en voor de handhaving van wet- en regelgeving. Deaankondiging van het kabinet in 2022 dat het handhavingsmoratorium per1 januari 2025 zal worden beëindigd is overwegend op goede wijzeopgepikt door de markt. Nieuw uitstel leidt tot verlies van het«momentum». Het handhavingsmoratorium zal op enig moment moetenworden opgeheven. Dat zal hoe dan ook leiden tot een reactie in de markt.In de uitvoeringstoets zijn twee scenario’s getoetst: rust en onrust. Voor detwee scenario’s wordt geconcludeerd dat:•Het voorstel uitvoerbaar is in het scenario rust met inachtneming vande hierna genoemde risico’s, waaronder de mogelijkheid dat het nodigkan zijn dat de Belastingdienst andere handhavingskeuzes moetmaken. Dit kan betekenen dat werkzaamheden opnieuw geprioriteerdmoeten worden, zoals bijvoorbeeld minder bedrijfs- en boekenonder-zoeken omdat verzoeken vooroverleg en beschikking verzekerings-plicht behandeld moeten worden.•Het scenario onrust mogelijk leidt tot een grote stroom vragen,verzoeken om vooroverleg, modelovereenkomsten en beschikkingenverzekeringsplicht die de Belastingdienst niet met de beschikbarepersoneelscapaciteit in de loonheffingen, maar ook niet met te wervenextra capaciteit kan opvangen.Daarnaast levert het voorstel in beide scenario’s ook tijdelijk extrawerkzaamheden op in de omzetbelasting en inkomensheffing. DeBelastingdienst verwacht deze tijdelijke extra werkzaamheden in deomzetbelasting als zelfstandigen door opheffing van het handhavingsmo-ratorium (al dan niet vrijwillig) in groten getale in korte tijd in loondienstgaan en zich niet correct afmelden voor de omzetbelasting. Zij komen danterecht in de zogeheten verzuimbehandeling. Ook in de inkomensheffingworden tijdelijk aanvullende werkzaamheden verwacht. Zo moetenbijvoorbeeld stakingsaangiften worden beoordeeld en bronbeoordelingenplaatsvinden. Als dit alles in korte tijd veel gebeurt, is het de vraag of debenodigde tijdelijke extra capaciteit tijdig beschikbaar is en kan wordengeworven en opgeleid. Dit geldt voor beide scenario’s, maar in het eerstescenario vanzelfsprekend veel minder. Het kabinet zal dit risico monitorenen zo nodig aanvullende maatregelen treffen.Beoordeeld wordt in hoeverre door in te zetten op de ondersteunendemaatregelen het verwachte grote beroep op de capaciteit van deBelastingdienst is in te perken, dan wel op te vangen. De in te zettenondersteunende maatregelen betreffen activiteiten op het gebied vanverbeteren van de samenwerking met de markt, zorgdragen vooradequate communicatie, bekendmaking van praktijkvoorbeelden,vooroverleg en het geleidelijk afbouwen van modelovereenkomsten.Zoals bovenstaand is vermeld wordt de uitvoeringstoets momenteelherijkt. Bij de herijking van de uitvoeringstoets wordt beoordeeld of hetTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 311, nr. 2637 mogelijk is om de scenario’s rust/onrust samen te voegen tot één scenarioop basis van een inschatting van de meest realistische verwachtingenover de reacties van de markt. In deze herijking worden ook de effectenvan de ondersteunende maatregelen verwerkt en bevat daarmee eeninschatting of de ondersteunende maatregelen leiden tot minder onrustdan in 2016, en dus tot minder onrust dan scenario 2 van uitgaat. Indienherijking leidt tot incidentele meerkosten voor de uitvoering (boven eerdergemaakte structurele jaarlijkse reserveringen vanaf 2025), dan wordendeze kosten gedekt door het Ministerie van Financiën en het Ministerievan SZW.De daadwerkelijke reactie van de markt op de opheffing van het handha-vingsmoratorium is echter vooraf niet te voorspellen. De Belastingdienstzal in het tweede kwartaal 2025 evalueren of er meer onrust is ontstaandan is ingeschat in het eerste scenario rust, of het scenario dat volgt uit deherijkte uitvoeringstoets. Op dat moment kan worden bezien of naderemaatregelen nodig zijn.3) Impactanalyse UWV en Nederlandse arbeidsinspectieHet UWV verwacht als gevolg van het per 1 januari 2025 opheffen van hethandhavingsmoratorium door de Belastingdienst wel enig extra werk,zoals extra te beoordelen verzoeken verzekeringsplicht en verzoeken omcorrecties arbeidsverleden. Vooralsnog is de inschatting dat het aantalverzoeken beperkt zal zijn. Mocht dit in de praktijk anders blijken te zijn,dan kan dit mogelijk effect hebben op de afhandeltermijnen van het UWV.De Nederlandse Arbeidsinspectie onderzoekt arbeidsrelaties om tebeoordelen of sprake is van een werkgever/werknemer-relatie en zo ja, ofde arbeidswetten (zoals de Wet minimumloon en de Arbeidsomstandighe-denwet) worden nageleefd. Indien van een overtreding van de arbeids-wetgeving sprake is, dan handhaaft de Arbeidsinspectie daarop. Zijhandhaaft dus niet op schijnzelfstandigheid.Vanuit haar risicogerichte toezicht richt de Arbeidsinspectie zich vooral opde onderkant van de arbeidsmarkt (zoals werkenden die rond hetminimumloon krijgen betaald en laaggeschoold werk doen, veelal inflexcontracten); daar is sprake van een stapeling van arbeidsrisico’s vanoneerlijk, ongezond en onveilig werk.11 Afschaffing van het moratoriumvoor de Belastingdienst en handhavingskeuzes kunnen een positieveinvloed hebben op het voorkomen van arbeidsrechtelijke en fiscaleconstructies, en in die zin dus ook op het werk van de Arbeidsinspectie.Daarbij zullen echter ook andere factoren van belang zijn, zoals de(gepercipieerde) pakkans, de hoogte van sancties en de beschikbarehandhavingscapaciteit.De Arbeidsinspectie merkt nog op dat de arbeidswetten een ruimerwerkgeversbegrip kennen dan het bestaan van de arbeidsovereenkomst(loon, arbeid, gezag). Zo is bijvoorbeeld op grond van de Arbeidsomstan-dighedenwet iemand ook werkgever als diegene een ander onder zijngezag arbeid doet verrichten; er hoeft dus niet sprake te zijn van loon. DeArbeidsinspectie en Belastingdienst doen dus uitspraken op basis vanverschillende wettelijke definities. Het afschaffen van het moratorium voorde Belastingdienst brengt hier geen verandering in.11Arbeidsinspectie, Staat van eerlijk werk, 2019.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 311, nr. 2638 4) MKB-toetsDe MKB-toets heeft op 24 juni jl. plaatsgevonden. Tijdens een panelge-sprek met twaalf afgevaardigden van MKB-ondernemingen hebbenmedewerkers van het Ministerie van Financiën, de Belastingdienst en hetMinisterie van SZW met de deelnemers gesproken over de gevolgen diehet opheffen van het handhavingsmoratorium heeft op MKB-ondernemingen. De deelnemende ondernemingen zijn werkzaam in verschillendebranches of als bemiddelingsbureau en zijn verschillend qua omvang. Dedeelnemende ondernemingen werken veel met zelfstandigen. Aan dedeelnemers van het MKB-panel is toegelicht wat het opheffen van hethandhavingsmoratorium betekent en zijn een aantal vragen voorgelegd.Het doel van deze MKB-toets was om te toetsen of de deelnemers bekendzijn met de voorgenomen opheffing van het handhavingsmoratorium per1 januari 2025, wat voor hun organisatie de positieve en negatieveaspecten van het opheffen van het handhavingsmoratorium zijn en opwelke manier zij bezig zijn om het beleid op het inhuren van zelfstandigenvorm te geven en schijnzelfstandigheid te voorkomen.De meeste deelnemers zijn bekend met de materie. Het opheffen wordtdeels positief en deels negatief ontvangen. Positief, omdat handhaven opde kwalificatie van de arbeidsrelatie voor de loonheffingen een bewegingop gang zet dat minder gebruik wordt gemaakt van (schijn)zelfstandigenin functies die daar volgens de deelnemers niet geschikt voor zijn.Negatief, omdat er meer vraag naar arbeidskrachten is dan aanbod op demarkt en werkenden soms zelf niet in een dienstbetrekking willen werken(werkenden ervaren het als financieel minder aantrekkelijk, mindervrijheid, en gebonden aan maximumaantal uren). De oproep werd gedaanom het (financieel) minder aantrekkelijk te maken om werkzaamheden alszelfstandige uit te voeren.Het beeld is dat MKB-ondernemers anticiperen op het opheffen van hetmoratorium. Dat leidt tot verschillende uitkomsten. Een deel van deaanwezige ondernemers heeft uitgesproken voornemens te zijn geengebruik meer te maken van zelfstandigen. Een aantal MKB-ondernemersgaf aan naar verwachting zelfstandigen te zullen blijven inzetten als zijgeen werknemers kunnen werven en zij accepteren het risico vanhandhaving, omdat anders projecten gevaar lopen. Er zijn ookMKB-ondernemers die werken met een afwegingskader om te beoordelenof een werkende kan kwalificeren als zelfstandige.De bekendheid met de voorgenomen opheffing van het handhavingsmo-ratorium per 1 januari 2025 en het beeld dat de MKB-ondernemers daaropanticiperen betekent dat de markt al in beweging is. Daarnaast zijn vanaf2023 de fiscale maatregelen van lijn 1 ingegaan die het verschil in defiscale behandeling van werknemers en ondernemers in de inkomstenbe-lasting verkleinen, waardoor de financiële prikkel vermindert en vaker dearbeidsrelatie wordt gekozen die past bij de werkzaamheden. Zoalshieronder verder wordt toegelicht zullen de activiteiten van het marktteamvan de Belastingdienst en de inzet van voorlichting en communicatie diebeweging ondersteunen. Als ondernemingen binnen een bepaaldebranche de regels naleven zal daadwerkelijk geen sprake meer zijn vanschijnzelfstandigheid en wordt oneerlijke concurrentie tussen onderne-mingen voorkomen. In de communicatie wordt ook voldoende aandachtgegeven aan de werkenden, omdat het beeld naar voren komt dat zij nietaltijd goed op de hoogte zijn van de regels en risico’s.5) Ondersteunende maatregelenHet kabinet realiseert zich dat het opheffen van het handhavingsmora-torium voor veel partijen in de markt een spannend moment kan zijn.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 311, nr. 2639 Maar dat betekent niet dat zij er alleen voor staan. Anticiperend op derisico’s die volgen uit de uitvoeringstoets is de afgelopen periode parallelhieraan ook een vijftal ondersteunende maatregelen uitgewerkt. Deverwachting is dat in aanloop naar het opheffen van het handhavingsmo-ratorium de behoefte aan zekerheid vooraf in de markt weer zaltoenemen. Zonder ondersteunende maatregelen is de kans groot dat deaanwezige capaciteit bij de Belastingdienst zal moeten worden ingezet opde beantwoording van een sterk toenemende hoeveelheid vragen aan devoorkant, zoals aanvragen vooroverleg en het beoordelen van modelover-eenkomsten. Dit heeft echter beperkt toegevoegde waarde gezien debeoordeling van arbeidsrelaties gebaseerd is op hoe feitelijk wordtgewerkt, waardoor volledige zekerheid vooraf niet te geven is. Daaromwordt op een andere benadering gestuurd. Daartoe worden ondersteu-nende maatregelen ingezet. De ondersteunende maatregelen kunnen nietlos van elkaar worden gezien: zij vormen een geïntegreerd pakket vanelkaar ondersteunende en versterkende maatregelen. Deze maatregelenzijn belangrijk om de markt (werkgevenden en werkenden) voor tebereiden op het opheffen van het handhavingsmoratorium. Het betreft devolgende maatregelen:MarktteamDe opheffing van het handhavingsmoratorium per 1 januari 2025 heeftgrote impact op betrokken partijen. Actieve samenwerking met de marktmoet zo veel mogelijk voorkomen dat een vergelijkbare onrust op dearbeidsmarkt ontstaat als in 2016. Binnen de Belastingdienst bestaatdaarom een marktteam dat actief de samenwerking met de markt (metname koepels, brancheorganisaties en fiscaal dienstverleners) opzoekt omopdrachtgevers en werkenden voor te bereiden op de opheffing van hethandhavingsmoratorium en zich bewust te maken van de eigen verant-woordelijkheden rondom de kwalificatie van de arbeidsrelatie. Ookverkent het marktteam de mogelijkheden om de inzet van handhavingsin-strumenten meer voorspelbaar te maken.BoetebeleidHet kabinet realiseert zich dat de opheffing van het handhavingsmora-torium een spannend moment voor werkgevenden en werkenden kan zijnen inspanning vergt. Daarom wil het kabinet voorkomen dat partijen dieaantoonbaar actief zijn met de juiste kwalificatie van de arbeidsrelatiedirect na de opheffing van het handhavingsmoratorium met vergrijp-boetes worden geconfronteerd. De Belastingdienst zal coulant omgaanmet het opleggen van vergrijpboetes bij partijen die aantoonbaar kunnenlaten zien dat ze aan de slag zijn met het verkleinen van schijnzelfstan-digheid binnen hun organisatie. In dat geval worden over het eerstekalenderjaar na beëindiging van het handhavingsmoratorium geenvergrijpboetes bij de correcties inzake de kwalificatie van de arbeidsrelatieopgelegd. Dit geldt zowel voor de werkgevenden als voor de werkenden.Er kunnen wel verzuimboetes worden opgelegd.CommunicatieHet kabinet onderkent het belang van goede communicatie rondom hetopheffen van het handhavingsmoratorium en verduidelijking van debeoordeling van arbeidsrelaties. Het kabinet werkt daarom aan eenRijksbrede publiekscommunicatie over werken met en als zelfstandige(n),waarbij trapsgewijs ook meer sectoren doelgroepgericht benaderdworden. De aftrap vindt volgens planning eind september plaats, waarbijzowel gebruik wordt gemaakt van bestaande als nieuwe kanalen. In dezestrategie zal bij zowel werkgevenden als werkenden worden ingezet opTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 311, nr. 26310 bewustwording over het belang van een juiste contractvorm (overeen-komst van opdracht/aanneming van werk of arbeidsovereenkomst), envervolgens op activering om samen de juiste contractvorm te kiezen diehoort bij de feitelijke situatie. Maar er zal ook worden ingezet op eenhelder en duidelijk overzicht om tot de juiste contractkeuze te komen diepast bij hoe feitelijk wordt gewerkt. Er komt onder andere een webpaginawaar de informatie eenvoudig en overzichtelijk wordt weergegeven en erzal op verschillende kanalen advertentieruimte ingekocht worden.Naast de publiekscommunicatie zal de Belastingdienst de communicatierichten op de gevolgen voor de loonheffingen bij de opdrachtgever en demogelijke gevolgen voor de opdrachtnemer in de inkomensheffing enomzetbelasting. De verwachting is dat deze Rijksbrede publiekscommuni-catie zal bijdragen aan een betere naleving en meer helderheid voor demarkt ten aanzien van het belang van de juiste contractvorm. Ook zal hetmeer duidelijkheid bieden voor degenen die twijfelen over welkecontractvorm van toepassing zou moeten zijn en de gevolgen van decontractvorm. Dit moet voorkomen dat er teveel onrust op de arbeids-markt ontstaat, dat opdrachtgevers onzeker worden om opdrachtnemersin te huren en dat de Belastingdienst overstelpt wordt met verzoeken omvooroverleg en beschikking verzekeringsplicht.PraktijkvoorbeeldenZowel in de huidige situatie waarbij het handhavingsmoratorium geldt alsin de situatie na 1 januari 2025 waarin het handhavingsmoratorium isopgeheven, bestaat er voor de markt en voor de medewerkers van deBelastingdienst behoefte om praktijkvoorbeelden te delen in relatie tot dekwalificatie van arbeidsrelaties. Ook deze maatregel moet bijdragen aanhet voorkomen van onrust op de arbeidsmarkt. Het delen vanvoorbeelden uit de praktijk helpt de markt om een goede inschatting temaken hoe een bepaalde arbeidsrelatie moet worden beoordeeld.Daarnaast draagt het delen van voorbeelden bij aan het bewaken vaneenheid van beleid en uitvoering van de Belastingdienst. Ook hetmarktteam arbeidsrelaties zal bij haar overleggen met de markt gebruik-maken van de praktijkvoorbeelden. Het streven is toe te werken naarbekendmaking van een aantal praktijkvoorbeelden.VooroverlegMet het opheffen van het handhavingsmoratorium en het niet meer inbehandeling nemen van nieuwe modelovereenkomsten (zie hieronder)kan de vraag naar vooroverleg met de Belastingdienst toenemen. DeBelastingdienst verwacht een grote stroom verzoeken van opdrachtgeversen opdrachtnemers om vooroverleg. Daarbij zal de Belastingdienst zichrichten op het verbeteren van de kwaliteit van de verzoeken die binnen-komen. De ervaring leert namelijk dat een groot deel van de verzoeken dieworden ingediend niet voldoen aan de voorwaarden. Het afwijzen vandeze verzoeken kost ook veel tijd. Het werkproces wordt hierop aangepast.Daarnaast wordt een werkproces ingericht om de termijn voor het inbehandeling nemen van de verzoeken te verlengen, als dit door deveelheid van verzoeken nodig is. Overigens is het zo dat de Belasting-dienst met vooroverleg slechts voorwaardelijke zekerheid kan geven engeen absolute zekerheid. Dit zal in de communicatie met de marktduidelijk naar voren komen.ModelovereenkomstenModelovereenkomsten hebben beperkte toegevoegde waarde voor dekwalificatie van arbeidsrelaties voor de loonheffingen. Daarom is in hetTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 311, nr. 26311 Handhavingsplan arbeidsrelaties (tranches 2023 en 2024)12 opgenomendat de toekomst van de modelovereenkomst wordt verkend. Deverkenning geeft de volgende inzichten:•Het aan de hand van een toetsing vooraf van (uitsluitend) de schrifte-lijke overeenkomsten zekerheid geven of sprake is van werken buitendienstbetrekking, is moeilijk te verenigen met het door de Hoge Raadgeformuleerde uitgangspunt dat alle omstandigheden van het gevalmoeten worden beoordeeld.13•Of al dan niet sprake is van een dienstbetrekking kan immers pastijdens of achteraf worden bepaald aan de hand van alle feiten enomstandigheden in onderling verband bezien (holistische benadering).•Modelovereenkomsten hebben een beperktere werking dan oorspron-kelijk was beoogd en zorgen voor schijnzekerheid. Nog geen kwart vande voorgelegde overeenkomsten is goedgekeurd en de verkregenzekerheid is voorwaardelijk omdat die zekerheid afhankelijk is van deopvolging in de praktijk.14 Zo gebruikte Deliveroo een algemenemodelovereenkomst, maar oordeelde de rechter dat sprake was vaneen arbeidsovereenkomst.15•Door het opheffen van handhavingsmoratorium wordt het financiëlerisico voor opdrachtgevers groter. Voorkomen moet worden datopdrachtgevers verrast worden door eventuele naheffingen.•De doelstelling is om de handhaving op de kwalificatie van dearbeidsrelaties voor de loonheffingen door de Belastingdienst zoveelals mogelijk te normaliseren. Het goedkeuren van modelovereenkom-sten waarmee slechts voorwaardelijke zekerheid kan worden gegeven,past daar niet bij.De algemene conclusie is dat het huidige gebruik van modelovereen-komsten op basis van de uitkomsten van de verkenning niet langerhoudbaar is. Het kabinet besluit daarom dat het beoordelen vanmodelovereenkomsten door de Belastingdienst wordt beëindigd. Op basisvan de beginselen van behoorlijk bestuur zullen de lopende goedgekeurdemodelovereenkomsten geëerbiedigd worden tot de einddatum van degoedkeuring. De laatste einddatum is in 2029. Op basis van de goedge-keurde lopende modelovereenkomsten kunnen partijen tot de einddatumvan de modelovereenkomst deze nog gebruiken. Deze goedgekeurdelopende modelovereenkomsten bieden overigens alleen zekerheid voorzover opdrachtgever en opdrachtnemer ook daadwerkelijk werken zoals isovereengekomen in de modelovereenkomst.Het kabinet wil in verband met dit besluit een toestroom van aanvragenmodelovereenkomsten voorafgaand aan het stopzetten van degoedkeuring modelovereenkomsten voorkomen. Daarom worden er na dedatum van aankondiging (dagtekening deze brief) geen nieuwe aanvragenof nieuwe verlengingen in behandeling genomen door de Belastingdienst.De Belastingdienst zal de nadruk leggen op fiscale beheersing op basisvan het normenkader van wet en jurisprudentie, in plaats van op hetgeven van voorwaardelijke zekerheid via een modelovereenkomst.Daarnaast kan een indicatie worden verkregen via de webmodule en kangebruikgemaakt worden van vooroverleg en van de praktijkvoorbeelden.Ook kan gebruik gemaakt worden van de ondernemerscheck, met dienverstande dat de vraag of iemand fiscaal kwalificeert als ondernemer nietaltijd wat zegt over de kwalificatie van een specifieke arbeidsrelatie.12https://www.belastingdienst.nl /handhavingsplan-arbeidsrelaties.13Zie Commissie Modelovereenkomsten Eindrapport, november 2016.14Er zijn ruim 8.000 modelovereenkomsten aan de Belastingdienst voorgelegd, waarvan hetovergrote deel door individuele opdrachtgevers en/of opdrachtnemers. Van die voorgelegdeen afgehandelde overeenkomsten is ongeveer 25% goedgekeurd.15Hoge Raad 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:443.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 311, nr. 26312 Met het stopzetten van de beoordeling van modelovereenkomsten wil hetkabinet voorkomen dat schijnzekerheid wordt ontleend aan een dergelijkeovereenkomst. Tevens wordt hiermee voorkomen dat de Belastingdienst,vergelijkbaar met 2016, wordt overstelpt met verzoeken tot hetgoedkeuren van modelovereenkomsten. Het kabinet is van mening datdeze maatregel een positief effect kan hebben op de naleving dooropdrachtgevers en opdrachtnemers. Theorie en praktijk geven aan dat eenmodelovereenkomst niet het juiste toetsingskader is om buiten dienstbe-trekking te werken; het werkt schijnzelfstandigheid in de hand.Hieronder zullen we ingaan op de andere 2 lijnen om de balans op dearbeidsmarkt te herstellen.Deel 2: Voortgang lijnen 1 en 26) De voortgang van de overige lijnen om de balans op dearbeidsmarkt, het werken met en als zelfstandige(n), toekomstbe-stendiger te makenGelijker speelveld tussen contractvormen (lijn 1)De ongelijke behandeling van verschillende contractvormen in hetarbeidsrecht, sociale zekerheid en fiscaliteit kan een oneigenlijke prikkelvormen om werk buiten loondienst te (laten) verrichten. De volgendeeerder aangekondigde maatregelen dragen bij aan een gelijker speelveldtussen werknemers en zelfstandigen:1)fiscale maatregelen: de (versnelde) afbouw van de zelfstandigenaftrek,uitfasering van de fiscale oudedagsreserve (FOR) en de fiscaleverruiming opbouw derde pijler;2)een verder uit te werken verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekeringvoor zelfstandigen;3)mogelijkheden voor collectief onderhandelen voor zelfstandigen (alsgevolg van een Europese verduidelijking hierop); en4)versterking van de positie van zelfstandigen in de SER.Fiscale maatregelenMet het Belastingplan 2023 is invulling gegeven aan de versnelde afbouwvan de zelfstandigenaftrek. De zelfstandigenaftrek wordt in een aantalstappen afgebouwd naar € 900 in 2027. Door deze afbouw wordt defiscale prikkel om werk als zelfstandige te verrichten in plaats van alswerknemer sneller verkleind. Een deel van de zelfstandigen zal naaraanleiding van de maatregel de prijzen verhogen, waardoor de prikkelvoor bedrijven om met zelfstandigen te werken in plaats van metwerknemers afneemt en de concurrentie tussen bedrijven die werknemersin dienst hebben en bedrijven die werken met zelfstandigen sneller meergelijkmatig wordt.Met het Belastingplan 2023 is ook de FOR afgeschaft. Met ingang van1 januari 2023 kan een FOR niet verder meer worden opgebouwd. De toten met 31 december 2022 opgebouwde FOR kan blijven staan of op basisvan de toen geldende regels worden afgewikkeld. Door het afschaffen vande aftrekbaarheid van toevoegingen aan de FOR wordt een meer gelijkefiscale behandeling van werknemers, ondernemers en aanmerkelijkbe-langhouders bereikt. Daarbij wordt ook het gebruik voor belastinguitstelzonder het vormen van een daadwerkelijke oudedagsvoorzieningvoorkomen en kan ervoor worden gezorgd dat reële oudedagsvoorzie-ningen extern (buiten de risicosfeer van de onderneming) wordenondergebracht.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 311, nr. 26313 Naast voorgenoemde maatregelen verlaagt het Belastingplan 2024 deMKB-winstvrijstelling naar 13,31% in 2024 en 12,7% in 2025. Dezemaatregel draagt ook bij aan het verkleinen van het verschil in de fiscalebehandeling van werknemers en ondernemers in de inkomstenbelasting.Met de Wet toekomst pensioenen is de fiscale ruimte voor pensioen-sparen in de derde pijler fors verruimd zodat zelfstandigen vergelijkbarefiscale ruimte voor pensioenopbouw wordt geboden als werknemers.16Daarnaast is het mogelijk gemaakt dat bij wijze van experiment doorzelfstandigen vrijwillig kan worden deelgenomen aan pensioenregelingenin de tweede pijler.17Wetsvoorstel basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigenVan 11 juni tot 23 juli jl. heeft een conceptwetsvoorstel dat een verplichteverzekering tegen inkomensverlies voor zelfstandigen regelt (Wet BAZ),voor consultatie opengestaan. Op deze consultatie zijn 1755 openbarereacties binnengekomen, en 505 niet-openbare reacties. Ook zijnuitvoeringstoetsen en adviezen gevraagd aan UWV, Belastingdienst,Sociale Verzekeringsbank, de Autoriteit Financiële Markten, AutoriteitPersoonsgegevens, Raad voor de Rechtspraak en het Adviescollegetoetsing regeldruk.De Wet BAZ maakt als hervorming onderdeel uit van het HVP. Binnen hetHVP is voor de Wet BAZ als eerste mijlpaal opgenomen: de publicatie vande wetgeving in het Staatsblad in Q1 2025. Dit betekent dat ook de beideKamers het wetsvoorstel moeten hebben aangenomen. Eerder is UwKamer geïnformeerd dat er een aannemelijk risico was dat deHVP-deadline niet gehaald zou worden, vanwege de vertraging in hetproces richting uitvoeringstoetsen en internetconsulatie.18 Niet (tijdig ofvolledig) halen van de mijlpaal heeft financiële gevolgen in de vorm vaneen substantiële korting op de te ontvangen middelen uit de Herstel- enVeerkrachtfaciliteit (max. € 600 mln.).19 De optie om het HVP te wijzigenbestaat, maar de mogelijkheden voor de wijziging van een hervormings-mijlpaal zijn in de praktijk zeer beperkt, waardoor het ongewis is of dit eenkorting zal kunnen afwenden. Gezien de stand van het wetgevingstraject,acht het kabinet het tijdig halen van deze mijlpaal niet langer realistisch.Na bestudering van consultatie, adviezen en toetsen, wordt Uw Kamergeïnformeerd over de vervolgstappen, inclusief de wijze waarop dievervolgstappen van invloed zijn op (de mijlpalen van) het HVP.Voortgang arbeidsmarktpakket (lijn 2)De kwalificatie van de arbeidsrelatie is primair een arbeidsrechtelijkvraagstuk. Als voldaan is aan de wettelijke vereisten (arbeid, loon enwerken in dienst van), dan is er sprake van een arbeidsovereenkomst. Ditis dwingend recht.In veel gevallen zijn de regels rondom de beoordeling van arbeidsrelatieshelder. Bij een deel van de gevallen is het echter lastiger te concluderen of16Deze verruimingen van de derde pijler zijn met de Wet toekomst pensioenen opgenomen inartikel 3.127 Wet IB 2001.17Voor de fiscaliteit is dit met de Wet toekomst pensioenen opgenomen in artikel 10.11 Wet IB2001.18Kamerstukken II 2023/24, 21 501-07, nr. 2034, p. 4.19De Commissie heeft discretionaire bevoegdheid voor het bepalen van de korting. Op basis vande kortingsmethodologie en precedenten in de toepassing ervan zullen belangrijke mijlpalenals nieuwe wetgeving naar verwachting tot 600 miljoen kosten. Daaropvolgende mijlpalen diezien op de stand van de uitvoering kosten naar verwachting minder. Zie:https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2023/08/30/bijlage-1-grafische-weergave-kortingsmethodologie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 311, nr. 26314 er sprake is van een arbeidsovereenkomst of dat het werk uitgevoerd magworden door een zelfstandige. Dit komt door de open geformuleerdewetgeving. Voor zelfstandigen en hun opdrachtgevers moet duidelijk zijnwelke ruimte zij hebben om een overeenkomst met elkaar te sluiten in devorm die zij willen. Deze wetgeving is echter in de loop der jarenduidelijker geworden door jurisprudentie, zoals het Deliveroo-arrest. Hetkan voor partijen lastig zijn om de jurisprudentie zelf te kennen en tewegen. Daarom is onder andere de webmodule ontwikkeld, het handboekloonheffingen aangevuld en wordt de rijksbrede publiekscommunicatiegestart.Het kabinet zet zich in om de positie van mensen op de arbeidsmarkt teverbeteren. Onderdeel van die inzet is het wetsvoorstel Verduidelijkingbeoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (VBAR). Dit wetsvoorstelcodificeert de eerder genoemde jurisprudentie in een overzichtelijktoetsingskader. Daarnaast introduceert het kabinet in het wetsvoorstel eenrechtsvermoeden van werknemerschap, op basis van een uurtarief. Ditrechtsvermoeden maakt het voor werkenden aan de basis van dearbeidsmarkt makkelijker om aanspraak te maken op een arbeidsovereen-komst. De vorige Minister van SZW heeft het wetsvoorstel VBAR vooradvies naar de Raad van State gestuurd.20 Het wetsvoorstel VBAR maaktals hervorming ook onderdeel uit van het HVP. Binnen het HVP is voor deWet VBAR als mijlpaal opgenomen: de publicatie van de wetgeving in hetStaatsblad in Q1 2025 en inwerkingtreding per 1 januari 2026.SlotIn het commissiedebat zzp, thans gepland op 12 september 2024, gaan wijgraag in gesprek met uw Kamer over het besluit om het handhavingsmo-ratorium per 1 januari 2025 op te heffen en kunnen wij deze brief indiengewenst nader toelichten.Een gelijkluidende brief hebben wij gezonden aan de voorzitter van deEerste Kamer der Staten-Generaal.De Staatssecretaris van Financiën,F.L. IdsingaDe Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,E. van Hijum20Het wetsvoorstel VBAR is geen vervanging van de Wet DBA. De Wet DBA heeft enkel deVerklaring Arbeidsrelatie afgeschaft en kent geen normenkader.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 311, nr. 26315 BijlageInzet van capaciteitIn het kader van de motie Palland wordt hierna de voortgang van dehandhaving op arbeidsrelaties door de Belastingdienst in de vorm vaningezette uren en gerealiseerde producten weergegeven.21In januari 202422 is over de voortgang van de handhaving gerapporteerdover de periode tot en met 2023. Hieronder wordt gerapporteerd over heteerste half jaar 2024. De cijfers 2023 zijn ter vergelijking opgenomen20232024 (t/m juni)TotaalOnderhandenAfgedaanTotaalOnderhandenAfgedaanBedrijfsbezoeken664268396851445406Boekenonderzoeken2431826127022347Aanwijzingen1418Modelovereenkomsten324992251519853Verzoeken verzekeringsplicht3557128419551144 Zoals toegezegd in de brief aan de Kamer van 24 juni 201923, heeft deBelastingdienst voor 2023 de beoogde inzet van 80 FTE gehaald. Voor2024 loopt de inzet van 80 FTE volgens planning.Naast de geregistreerde bedrijfsbezoeken, boekenonderzoeken, gegevenaanwijzingen en afgegeven beschikkingen verzekeringsplicht zijn er meereffecten bereikt die als resultaat kunnen worden gekwalificeerd maar dieniet afzonderlijk geregistreerd worden. Het betreft het geven vaninformatie, uitleg of voorlichting/toelichting door loonheffingen-specialisten tijdens bedrijfsbezoeken met als doel de betrokken opdracht-gever te ondersteunen bij het juist kwalificeren van de arbeidsrelatie(s)door het goed toepassen van de fiscale regels. Hierbij gaat het omcompliante opdrachtgevers die na een bedrijfsgesprek vrijwillig ertoeovergaan de beheersing van hun interne processen op de inhuur vanarbeidskrachten te versterken. Daardoor wordt het risico op het onjuistkwalificeren van de arbeidsrelatie gemitigeerd, mede op grond van hetbesef dat zij daarvoor als eerste verantwoordelijk zijn. Verder betreft hetopdrachtgevers die na een ingesteld bedrijfsbezoek overtuigd zijn datarbeidsrelaties die in eerste aanleg gekwalificeerd werden als werkenbuiten dienstbetrekking, gekwalificeerd dienen te worden als werkenbinnen dienstbetrekking. Zij nemen de betreffende arbeidsrelatiesvervolgens, zonder aanwijzing van de Belastingdienst, in de loonadmini-stratie op.21Deze motie gaat over het rapporteren aan de Tweede Kamer over de voortgang van dehandhaving op de arbeidsrelatie.22Brief 24 januari 2024 inzake Voortgangsbrief werkprogramma PNIL, januari 2024.23Tweede Kamer, vergaderjaar 2018–2019, 31 066, nr. 515.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 311, nr. 26316

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · b23206032775433e

14 okt 2026 · fe6a480cb1c0d856

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.