Verslag van een commissiedebat, gehouden op 10 september 2025, over Versterking lokaal bestuur
Brontekst
Versie 617b4389a0cbf7b2 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 800 VIIVaststelling van de begrotingsstaten van hetMinisterie van Binnenlandse Zaken enKoninkrijksrelaties (VII) voor het jaar 2026Nr. 10 VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBATVastgesteld 2 oktober 2025 De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken heeft op 10 september 2025overleg gevoerd met de heer Rijkaart, Minister van Binnenlandse Zakenen Koninkrijksrelaties, over:−de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Konink-rijksrelaties d.d. 18 juni 2025 inzake waardevol politiek ambt(Kamerstuk 36 600 VII, nr. 143);−de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Konink-rijksrelaties d.d. 17 april 2025 inzake evaluatierapportgrenscorrectie gemeente Dijk en Waard (Kamerstuk 28 750,nr. 86);−de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Konink-rijksrelaties d.d. 2 april 2025 inzake evaluatierapport functio-neren gemeente Maashorst (Kamerstuk 35 619, nr. 14);−de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Konink-rijksrelaties d.d. 1 april 2025 inzake nadere analyse toerei-kendheid juridische en beleidsmatige kaders bij gemeentelijkeafschaling (Kamerstuk 28 750, nr. 85);−de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Konink-rijksrelaties d.d. 17 maart 2025 inzake rapport Staat van hetBestuur 2024 (Kamerstuk 36 600 VII, nr. 133);−de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Konink-rijksrelaties d.d. 17 maart 2025 inzake onderzoek naar hetdalende aantal sollicitanten voor burgemeestersvacatures(Kamerstuk 36 600 VII, nr. 132);−de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Konink-rijksrelaties d.d. 27 september 2024 inzake quickscan naarervaringen van gemeenteambtenaren en professionals bij hetomgaan met mensen die zich soeverein verklaren (Kamerstuk30 821, nr. 238);−de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Konink-rijksrelaties d.d. 22 december 2023 inzake vernietiging vanbesluit gemeenteraad Utrecht tot wijziging van de Verordeningkwijtschelding gemeentelijke belastingen en heffingengemeente Utrecht (Kamerstuk 24 515, nr. 736). kst-36800-VII-10ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VII, nr. 101 Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijkverslag uit.De voorzitter van de commissie,De VreeDe griffier van de commissie,HonsbeekTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VII, nr. 102 Voorzitter: De VreeGriffier: Van der HaasAanwezig zijn zes leden der Kamer, te weten: Buijsse, Chakor, Inge vanDijk, Koops, De Vree en Wijen-Nass,en de heer Rijkaart, Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksre-laties.Aanvang 17.02 uur.De voorzitter:Goedemiddag. Welkom bij de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken.Het onderwerp van het commissiedebat van vanmiddag is de versterkingvan lokaal bestuur. Ik heet speciaal welkom de nieuwe Minister vanBinnenlandse Zaken, Minister Rijkaart, die pas drie dagen in bedrijf is. Ikverzoek de Kamerleden om daar toch enigszins rekening mee te houdenen hem dus niet flink onder vuur te nemen. Als ik daarbij iemand specifiekaankijk, is dat per toeval; mijn blik bleef rusten op ... Misschien is het leukom daar een klein beetje rekening mee te houden. De spreektijd isvijf minuten. Heb ik verder nog iets huishoudelijks wat ik mede moetdelen?Mevrouw Inge van Dijk (CDA):Ik vind het wel netjes om even te melden dat ik iets eerder weg moetvanwege een rondetafel over de hersteloperatie.De voorzitter:Waarvan akte. Dan denk ik dat ik in de eerste termijn met meneer Buijssebegin. Hij heeft het woord.De heer Buijsse (VVD):Dank u wel, voorzitter. Welkom aan de nieuwe Minister. Leuk om u hier temogen ontmoeten. Laten we er een goed debat van maken.Voorzitter. Allereerst wil ik in dit debat mijn waardering uitspreken voor aldie volksvertegenwoordigers en bestuurders in ons land. Die dank ik voorhun inzet, volharding en motivatie om Nederland steeds weer wat verderte brengen, ondanks de werkdruk en de onveiligheid waar dit werk somsmee gepaard gaat. We mogen dat niet uit het oog verliezen.Voorzitter. Dan meer naar de inhoud van dit debat: de versterking van hetlokaal bestuur. De VVD staat voor een kleine en efficiënte overheid.Inwoners en ondernemers denken niet vanuit de grenzen van degemeente, maar willen simpel en eenvoudig geholpen worden bij dedienstverlening van de overheid, zoals bij het aanvragen van eenvergunning, toeslag, subsidie of paspoort, bij het opgeven van eengeboorte of bij een huwelijk.Er is wat de VVD betreft veel te betrekken bij dit debat, maar in hetbijzonder wil ik vandaag stilstaan bij de bureaucratie die het lokaalbestuur in de weg zit. Minder bureaucratie kan in onze ogen het lokaalbestuur versterken. Ik wil dit kracht bijzetten met een aantal voorbeelden.Allereerst: hoewel het goed is dat het Rijk doorpakt op belangrijkeopgaven zoals woningbouw, verduurzaming van onze economie en debescherming van bodem en water, kan dit soms ook tot een lokaalonbestuurbare situatie leiden voor de gemeente en de provincie. Helaas isdit de situatie in Moerdijk, waar ik onlangs een werkbezoek aan hebgebracht. Door de stapeling van rijksopgaven dreigt het dorp letterlijkonleefbaar te worden, of, in het slechtste geval, van de kaart te wordengeveegd. De gemeente en de provincie zitten met de handen in het haarwat betreft hoe dit aan te pakken. Klimaatambities, woningbouwambitiesTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VII, nr. 103 en ambities die de agrarische sector raken: de procedures en papierenrompslomp stapelen zich op en de inwoner is uiteindelijk de dupe.Wat de VVD betreft moet de rijksoverheid oog houden voor de lokalebestuurbaarheid bij dit type grote vraagstukken. Graag een reflectie vande Minister hierop. Welke stappen wil de Minister nemen om die teverbeteren en om deze zaken in de toekomst te voorkomen?Voorzitter. Daarnaast een tweede voorbeeld uit het sociale domein.De voorzitter:Voordat u het tweede voorbeeld noemt, heeft u een interruptie vanmevrouw Van Dijk. De knop van mijn microfoon werkt niet goed, dus ikdoe mijn best om die zo goed mogelijk ingedrukt te houden.Mevrouw Inge van Dijk (CDA):Natuurlijk zijn het heel herkenbare punten. Minder bureaucratie, wie wildat nou niet? Ik vind het terecht dat de vraag wordt gesteld aan deMinister. Maar ik was ook benieuwd naar de eigen ideeën van de VVDhierover.De heer Buijsse (VVD):Even vooropgesteld: het is een reflectieve vraag. Maar waar het soms ookwel aan schort – ik verwijs dan even naar het werkbezoek dat ik onlangsaan Moerdijk heb gebracht – is het empathische vermogen van derijksoverheid om in het proces om te gaan met dilemma’s die lokaal leven.Soms gaat het ook gewoon om de vraag of de rijksoverheid eigenlijk welhoort wat die lokale inwoner of ondernemer nou echt dwarszit. Of dendertde rijksoverheid werkelijk als een trein over die individuele persoon heen?Ik herken dat gevoel. Ik heb ook eerder een werkbezoek gebracht aanBorssele. Daar speelt datzelfde gevoel. We moeten met elkaar wel demenselijke maat in de gaten houden, hoe belangrijk de ambities die wemet elkaar hebben afgesproken ook zijn, en hoe belangrijk het ook is omprocedures met elkaar te doorleven.De voorzitter:Gaat u verder.De heer Buijsse (VVD):Een tweede voorbeeld gaat, zoals ik al aangaf, over het sociaal domein.Ook daarbij regeert de bureaucratie bij vele lokale regelingen. Eenvoorbeeld: voor inwoners met een kleine beurs maakt het veel uit in welkegemeente je woont en van welke armoederegelingen er gebruikgemaaktkan worden. Dat verschil kan wel oplopen tot € 200 per gezin per maand;dat is € 2.400 per jaar. Er zijn te veel en te grote verschillen tussengemeenten. Inwoners zien door de bomen het bos niet meer. Wat de VVDbetreft mag van zulke grote verschillen geen sprake zijn en moet er meerharmonisatie komen. Dat is goed voor de eenduidigheid naar inwoners enleidt tot minder bureaucratie, wat de druk op de uitvoeringsorganisatie enhet lokaal bestuur verlaagt. Hoe kan die verbeterd worden en welkestappen wil de Minister nemen op dit vlak?Voorzitter. Als laatste wil ik de bureaucratie voor onze volksvertegenwoor-digers benoemen in mijn bijdrage. Het punt dat ik hierbij wil maken, is datzij te vaak te maken hebben met het tekenen-bij-het-kruisjefenomeen.Natuurlijk moeten raadsleden niet beroerd zijn om veel papierwerk telezen. Maar het moet ook niet doorslaan. Je moet als raadslid niet hetgevoel hebben dat je veel stukken moet lezen, maar dat je inbreng,ongeacht welke inbreng je hebt, er eigenlijk niet toe doet, bijvoorbeeldomdat de wethouder aangeeft dat iets geregeld moet worden in de regio,of dat het geld geoormerkt is vanuit Den Haag. Het gaat daarbij overGR’en, centrumregelingen of andere vormen van besluitvorming waarvolksvertegenwoordigers vaak mee te maken hebben.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VII, nr. 104 Alles bij elkaar leidt dit tot veel werkdruk. Denk aan de taken in deveiligheidsregio om criminelen op te sporen. Inwoners en raadsledendenken graag mee, maar welke ruimte voor beïnvloeding hebben ze nouwerkelijk op het beleid van die veiligheidsregio? Hetzelfde geldt voor demate waarin onze raadsleden bijvoorbeeld kunnen bijdragen aan beleidvoor de gezondheidszorg die de GGD levert. Het is allemaal heel goed enhet beleid is vaak heel sterk, maar toch is puntje bij paaltje de mate vaninvloed van raadsleden beperkt.Vaak zijn deze zaken complex voor de inwoners en voor onze volksverte-genwoordigers. Het is lastig om die dossiers te doorgronden. Ik ga er nietvoor pleiten dat deze niet belangrijk zouden zijn, maar voor raadsleden isde ruimte voor beïnvloeding erg klein ten opzichte van de enormepapieren lading en de complexiteit ervan. Het schaadt het gevoel vandemocratische legitimiteit en raakt aan de intrinsieke motivatie van heelveel volksvertegenwoordigers. Hoe beoordeelt de Minister dit en kunnenwe hier wellicht samen een stap in zetten?Dat was mijn bijdrage, voorzitter. Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel. U heeft nog een interruptie van mevrouw Chakor.Mevrouw Chakor (GroenLinks-PvdA):Ik werd wel getriggerd toen de heer Buijsse het had over autonomie. Datis wat ik u hoor zeggen. U mag me corrigeren, maar wat ik eruit begrijp, isdat de raadsleden inderdaad ook willen meedenken en de autonomiewillen hebben om zelf te bepalen hoe ze uitvoering willen geven aanbepaalde wetten, bijvoorbeeld over de ruimte. Ze hebben steeds meer hetgevoel dat ze een verlengstuk van de uitvoering vanuit het Rijk aan hetworden zijn. Dat is in ieder geval wat ik hoor. U vraagt: wat kunnen we ersamen aan doen? Ik denk dat het juist heel goed is dat we gezamenlijkbekijken hoe we zorg kunnen dragen voor het behouden van deautonomie van onze lokale bestuurder. Heeft u ideeën over welke actieswe daarop zouden kunnen ondernemen?De heer Buijsse (VVD):Ik waardeer de vraag van mevrouw Chakor in dezen. Het is ook eenlichtelijk filosofische vraag. Je kunt wat mij betreft teruggaan in de tijd. Ikkom erop terug in mijn antwoord, mevrouw Chakor. We zij ooit begonnenmet die GR’en en centrumregelingen. Toen waren die er heel erg op geëntom voor de gemeente de uitvoering eenvoudiger, goedkoper enefficiënter te maken, omdat je de uitvoering vaak beter kan organiserenover meerdere gemeenten heen. Wat er gebeurd is, is dat er daarna heelveel beleidsvorming in die regelingen terecht is gekomen, terwijl dat nietde oorspronkelijke opzet van een GR of een centrumregeling was. Diewaren eigenlijk bedoeld voor de uitvoering.Denk aan milieu. Ik ben ook veel met milieu en de omgevingsdienstenbezig. Aanvankelijk zouden de inspecties, de milieu-inspecteurs, vanuit degemeente en in de GR’en, in de omgevingsdiensten, hun werk gaan doen.Maar wat doen we tegenwoordig in de omgevingsdiensten? Het is niet datik het per definitie veroordeel, maar er is ook beleid bij gekomen. Erkomen dus allerlei beleidsambtenaren in die GR’en. Ik zou er nog weleensover willen nadenken of dat misschien een richting is waarlangs we ditvoor raadsleden, vanuit het oogpunt van democratische legitimiteit, beterkunnen organiseren.Mevrouw Wijen-Nass (BBB):Een verduidelijkende vraag. Ik ben zelf ook bijna tien jaar gemeente-raadslid geweest in een kleine gemeente. Ik kan me de decentralisatiesvan die tijd nog heel goed herinneren. Ik zie al geknik naast me, dus deheer Buijsse ook. Wat we als raad in die tijd vooral dachten, was dat weTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VII, nr. 105 steeds meer op ons bordje kregen. Er waren steeds meer vraagstukken. Ikhoor de heer Buijsse nu zeggen dat raadsleden meer autonomie zoudenmoeten hebben. Maar is de heer Buijsse het ook met mij eens dat er ineen aantal jaren heel veel taken zijn overgeheveld naar de gemeente-raden, terwijl die raden daar wellicht helemaal niet op zaten te wachten ener ook niet de tijd en de capaciteit voor hebben?De heer Buijsse (VVD):Ik herken het gevoel heel sterk. U stelt dat er steeds meer taken naar degemeenten zijn gegaan naar aanleiding van de decentralisatie. In diedecentralisatie hebben we als gemeenten – u zult dat ook meegemaakthebben, denk ik – vooral in het sociaal domein centrumregelingenopgetuigd. Dus hoewel het naar de gemeenten kwam, zijn we vervolgensin een reflex met gemeenten in onze regio gaan samenwerken. Wehebben centrumgemeenten aangewezen. Vervolgens is er vanuit ijverheel veel beleidsvorming in de centrumregelingen en bij die centrumge-meenten terecht gekomen. Als de voorstellen dan terugkomen naar deindividuele gemeenteraad, heeft het raadslid het gevoel van: welke ruimteheb ik eigenlijk om echt iets te kunnen bijdragen? Ik zoek met u naarruimte om raadsleden toch weer beter in positie te kunnen brengen. Ikconstateer daarbij dat het aanvankelijk de bedoeling was van de decentra-lisatie dat de uitvoering in een centrumregeling zou landen, maar niet perse de beleidsvorming daaromtrent. Dat zou meer vanuit de gemeentenmoeten komen. Dus ik zit te zoeken. Ik zeg niet dat ik gelijk heb of dat ikhet allemaal weet. Ik weet het ook allemaal niet. Maar ik zoek naar deruimte waardoor die raadsleden toch weer wat meer in hun rol gezetworden op dat vlak.Mevrouw Wijen-Nass (BBB):Nog één vervolgvraag. Van decentralisatie kwam centralisatie. Daardoorontstonden er grote gemeenschappelijke regelingen waarbij uiteindelijkde stad het weer voor het zeggen had. Die hebben de grootste porte-monnee. Zo werkt het nu eenmaal bij dat soort regelingen. Hebben deheer Buijsse en de VVD ook een concreet idee over hoe je de raad in eengemeente meer recht, meer stemrecht, meedenkrecht, of hoe je het ookwilt formuleren, zou kunnen geven?De heer Buijsse (VVD):Ik heb nog geen concreet idee; laat ik dat vooropstellen. Maar waar ik welpositieve energie uit haal, is dat wij een aantal jaren geleden de Wetgemeenschappelijke regelingen hebben herzien. Er hebben een aantalwijzigingen plaatsgevonden waardoor raadsleden een betere positiehebben gekregen. Ik hoor uit het veld terug dat dit enthousiast isontvangen. Ik hoor eigenlijk geen geluiden dat dit niet goed is uitgewerkt,of dat het negatief valt. Ik zoek eigenlijk naar zo’n type verbeterslag die weopnieuw zouden kunnen doen, om de GR’en en centrumregelingen beterte laten functioneren, zodat de positie van het raadslid gewoon sterkerwordt.De voorzitter:Dan ga ik naar mevrouw Wijen-Nass.Mevrouw Wijen-Nass (BBB):Dank u wel, meneer de voorzitter. Allereerst welkom aan de nieuweMinister van Binnenlandse Zaken. Hij toont verantwoordelijkheid door dierol op zich te nemen. Namens mijn fractie, de BBB-fractie, wens ik hemheel veel succes toe.Vorig jaar presenteerde BBB met trots het hoofdlijnenakkoord en later hetregeerprogramma. Dat ging ook over de regio’s en de lokale democratie.Dat zijn onderwerpen die voor BBB van groot belang zijn en waar we ookTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VII, nr. 106 graag aandacht voor blijven vragen. Mijn eerste vraag aan de Minister isdan ook of de regio’s en de lokale democratie voor hem een hogeprioriteit hebben binnen dit kabinet, ook nu dit een demissionaire statusheeft. Hoe gaat dit er in de praktijk uitzien?Voorzitter. Dan de lokale democratie. Het is een samenspel vanwethouders, raadsleden en burgemeesters. Maar die democratie staatonder druk, want het wordt steeds moeilijker om kandidaten te vindenvoor gemeenteraden. Ik heb dat zelf ook meegemaakt. Het blijkt ooksteeds lastiger om geschikte en beschikbare wethouders en burge-meesters te vinden. Onder andere werkdruk en politieke verruwingschrikken mensen af. Ondertussen naderen de gemeenteraadsverkie-zingen van maart 2026. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten heeftinmiddels een speciaal programma opgestart om het enthousiasme tevergroten. Het is belangrijk en goed dat dat gebeurt, maar Den Haag mager niet aan voorbijgaan. Daarom vraag ik de Minister welke concretestappen hij wil zetten om het wethouderschap en burgemeesterschapaantrekkelijker en beter uitvoerbaar te maken. Hoe wil hij voorkomen datkleine gemeenten straks geen kandidaten meer kunnen vinden en delokale democratie daardoor verschraalt? Is de Minister bereid om samenmet gemeenten en politieke partijen te kijken naar ondersteuning enscholing voor lokale bestuurders en volksvertegenwoordigers? Kan hijtoezeggen dat ook in deze demissionaire periode het versterken van delokale democratie niet stil komt te liggen?Er bestaan inmiddels waardevolle instrumenten, zoals de handreikingintegriteitstoetsing en de weerbaarheidschecks voor politieke ambts-dragers. Mijn vraag aan de Minister is hoe hij ervoor gaat zorgen dat dezeook daadwerkelijk gebruikt worden door lokale partijen. Is hij bereid omdat proces actief te begeleiden?Dan heb ik ook nog een vraag naar aanleiding van een brief van deambtsvoorganger van de Minister. Dat is de brief van 18 juni. Daarinwordt aangekondigd dat er sprake is van een verkenning en een voorbe-reiding ter aanpassing van «de staffel van de (grootste) gemeenteraden».Ik vraag me af of daarmee ook specifiek bedoeld wordt dat er sprake isvan het aanpassen van de staffel van de grootste gemeenten. Als dat zois, waarom dan? Is deze Minister het met mij eens dat kleine gemeente-raden ook moeten worden meegenomen in deze verkenning en eventueleaanpassing? Er wordt vaak vergeten hoeveel werk het is om in een kleinegemeenteraad te zitten.Voorzitter. Laat ik afsluiten met dit beeld. De democratie speelt zich nietalleen af hier in Den Haag, maar juist in de raadzalen en gemeentehuizen.Daar wordt het verschil gemaakt voor inwoners. Als we daar geenraadsleden, wethouders of burgemeesters meer vinden, valt hetfundament onder ons bestel weg. Daarom roep ik de Minister op om dekomende tijd niet stil te zitten, maar handen en voeten te geven aan hetversterken van de lokale democratie, want alleen als die sterk staat, kanonze landelijke democratie overeind blijven.Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel. U heeft een interruptie van de heer Koops.De heer Koops (NSC):Ik heb een vraag aan mevrouw Wijen-Nass naar aanleiding van haargloedvolle betoog, want dat was het. We zijn het grotendeels eens. Ik komeven terug op de raadsleden in kleine gemeenten, want ik weet nueenmaal dat dit lid daar veel van afweet. Misschien snijd ik mezelf in devingers door dit te zeggen, maar: hoe groter een gemeente, hoe meerraadsleden en hoe kleiner een gemeente, hoe minder raadsleden. Ik zouzeggen dat dit zo is omdat de werkdruk gelijk moet zijn voor raadsleden inkleine gemeenten en raadsleden in grote gemeenten. Mijn vraag terTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VII, nr. 107 verduidelijking aan mevrouw Wijen-Nass is: is dat zo? En als dat niet zo is,wat is daar dan niet goed aan?Mevrouw Wijen-Nass (BBB):Het is een veelomvattende vraag. Ik denk ook niet dat dit voor alleraadsleden gelijk te beantwoorden is. Best een tijdje geleden, een aantaljaren geleden, heeft eenzelfde soort discussie gespeeld rondom devergoeding voor raadsleden in kleinere gemeenten. Toen is op enigmoment ervoor gekozen om die raadsvergoeding gelijk te trekken tot eenbepaald aantal inwoners. Dus dat is één. Het is heel goed dat dat destijdsis gebeurd. Ik denk ook dat dit zeker terecht is. Ik was zelf raadslid in degemeente Gulpen-Wittem. Wij waren een gemeente waar dat ook speeldeen waar onze vergoeding omhoog is gegaan. Ik kan u uit eigen ervaringvertellen dat ik nooit in de politiek heb gezeten voor mijn vergoeding,maar het was wel een heel mooie waardering voor het werk dat je doet.Iedereen die een functie heeft gehad in het lokale bestuur, weet hoeveeltijd daarin gaat zitten.Dan uw andere vraag: hoe zit het met de verdeling van het aantalraadsleden? Het gaat om het aantal inwoners. Dus inderdaad, hoe grotereen stad of dorp, hoe meer raadsleden je hebt. Als je meer raadsledenhebt, kun je het werk veel beter verdelen. Of het nou om de Wmo gaat ineen kleine gemeente of in een heel grote gemeente, je moet op de hoogtezijn van alle complexe wet- en regelgeving die daaromheen hangt. Danmaakt het feitelijk niet zo heel veel uit of je dat in Gulpen-Wittem doet ofbijvoorbeeld in Den Bosch. Natuurlijk is het wel zo dat er in groteregemeenten meer geld mee gemoeid is. Het gaat dus over veel groterebedragen. Maar ik denk wel dat het goed is om nog even kritisch te kijkennaar hoe we het hebben geregeld met die vergoeding voor raadsleden.Vandaar mijn punt daarover.De voorzitter:Dan ga ik naar mevrouw Chakor.Mevrouw Chakor (GroenLinks-PvdA):Dank, voorzitter. Welkom aan de nieuwe Minister.Iedere dag werken in ons land en in Caribisch Nederland duizenden lokalepolitici, wethouders, burgemeesters en ambtenaren voor onze gemeentes,provincies en waterschappen. Ze doen dit vaak zichtbaar, maar ook heelvaak onzichtbaar – dat moet ook gezegd worden – om oplossingen tevinden voor ingewikkelde ruimtelijke vraagstukken, sociale vraagstukkenen alle andere vraagstukken die er zijn. Ze zijn vaak ook aanspreekbaar,dicht bij mensen. Zonder hun inzet functioneert de lokale democratiegewoon niet. Toch krijgen ze vaak te weinig waardering en steun, ookvanuit Den Haag. Dat hoorde ik net ook van mijn collega’s.GroenLinks-PvdA vindt dat we daar verandering in moeten brengen. Ik ziedat het kabinet nu komt met onderzoeken, campagnes en kleine stapjes.Natuurlijk is kennis ontzettend belangrijk, maar raadsleden en Statenledenhebben nu behoefte aan concrete oplossingen om hun werk goed tekunnen doen. Ze vormen de ruggengraat van onze democratie. Daar zijnwe het volgens mij allemaal over eens. Als we niet oppassen, hakensteeds meer mensen af. Dat kunnen we ons in deze tijd van politiekeafkeer en wantrouwen echt niet veroorloven.Er gaat nu jaarlijks 1 miljoen euro extra naar raadsleden en bestuurders-verenigingen, las ik, en € 400.000 naar kennispunten voor lokaal bestuur.Ik denk dat dat een heel goede stap is. Ik vraag me wel af hoe dit geldprecies wordt ingezet. Is het genoeg om het verschil te maken? Ik hoorgraag een reactie daarop van de Minister.De afgelopen maanden heb ik samen met collega’s gesproken met raads-en Statenleden. Dat was trouwens namens de commissie van Binnen-landse Zaken. We hebben de opdracht gekregen om op te halen hoe hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VII, nr. 108 nou gaat met de positie van onze raads- en Statenleden. Zij vertelden onswat er goed gaat, maar ook waar ze vastlopen. Ik wil daar enkele puntenvan uitlichten. De brief is al gestuurd. De Minister heeft die ookontvangen. Hij zal morgen in de procedurevergadering ook kort toegelichtworden.Ik noem ten eerste de verlofregelingen. Veel raads- en Statenledenervaren dat de verlofregeling te star is. Het combineren van dit belangrijkewerk met een baan en een gezin is bijna onmogelijk. Het AdviescollegeRechtspositie Politieke Ambtsdragers heeft daarom uitbreiding geadvi-seerd. De Kamer heeft eerder ook al een motie van Inge van Dijk en mijaangenomen, bijna unaniem, maar ik zie nog niet echt stappen. Herkentde Minister dat er meer flexibiliteit nodig is, zodat volksvertegenwoor-digers dit werk beter kunnen combineren? Ik heb eerder al een debatgehad met de vorige Minister, die aangaf dat ze wel bereid is om het op tepakken voor de bestuurders, maar niet voor de raadsleden. Ik ben heel ergbenieuwd hoe deze Minister ernaar kijkt. Dat heeft mij ook gemotiveerdom met initiatieven bezig te gaan om het wel te fiksen voor onzevolksvertegenwoordigers.Dan kom ik op het tweede punt: werkdruk en het democratisch tekort.Vraagstukken worden steeds complexer. Raadsleden voelen zich ooksteeds vaker uitvoerders van landelijk beleid in plaats van lokale vertegen-woordigers. Vooral in kleinere gemeenten is de werkdruk enorm. Hetgevolg kan zijn dat cruciale democratische controle tekort gaat schieten. Inde brief van 18 juni staat dat alleen gekeken wordt naar een aanpassingvan de omvang van gemeenteraden in gemeenten met meer dan200.000 inwoners. Ik vraag me echt af waarom die grens er is. Juist dekleine gemeenten lopen vast. In andere EU-landen zijn gemeenteradenvaak groter en beter uitgerust. Graag hoor ik van de Minister waarom datin Nederland niet zo is en waarom we dat niet gewoon goed aanpakkenvoor zowel kleine als grote gemeenten, zonder een scheidslijn te maken.Dan kom ik bij het derde punt: de ondersteuning van fracties. We krijgenveel signalen over de ondersteuning van lokale fracties. Vooral kleinefracties kunnen hun werk lastig doen. Vooral het systeem van commissie-leden werkt niet helemaal goed. De vergoedingen zijn laag en het werk iszwaar omdat ze vaak moeten invallen. Ook fractievergoedingen zijn inveel gemeenten beperkt of te bureaucratisch. Het is voor fracties lastig omdaarmee te werken. Ik denk dat die democratische controle niet alleenmaar mag afhangen van vrijwilligerswerk of goedwillendheid. Je wil hetgoed organiseren met elkaar. Ik denk dat het onderzoek naar vergoe-dingen ook de hoogte moet meenemen, ook voor commissieleden. Ik vinddat echt een vergeten groep. Ik hoor graag een toezegging van deMinister hierop. Let ook op die commissieleden, een belangrijke groep.Dan ga ik naar de samenhang van uitkeringen. Ik heb eerder al een vraaggesteld over het bekende probleem en al eerder aandacht gevraagd voorraadsleden die een uitkering hebben. Zij worden financieel gestraft omdathun vergoeding verrekend wordt. Dat schrikt mensen af om zichverkiesbaar te stellen. Ik denk dat representatie ontzettend belangrijk is.Dit probleem moeten we toch met elkaar kunnen oplossen. Kan deMinister toezeggen om hier iets mee te doen bij de volgende gemeente-raadsverkiezingen of hiernaar te kijken?Dan kom ik bij diversiteit in het bestuur. Als ik kijk naar ons openbaarbestuur, vind ik dat nog geen afspiegeling van onze samenleving. Als jekijkt naar het aantal vrouwen, het aantal mensen met een migratieachter-grond of het aantal mensen met een beperking dat burgemeester,commissaris van de Koning, wethouder, dijkgraaf – noem het maar op –is, dan zie je dat dat achter blijft lopen. Er zijn allerlei programma’s,gelukkig ...De voorzitter:Wilt u gaan afronden?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VII, nr. 109 Mevrouw Chakor (GroenLinks-PvdA):... maar hoe werken die? Hoeveel stroomt er echt door in het openbaarbestuur? Ik vraag de Minister om met cijfers te komen om te laten zienwat er wordt gedaan om diversiteit en inclusie ook in het openbaarbestuur te realiseren.Tot slot heb ik nog een laatste vraag over de kwijtscheldingsnormen. Vorigjaar is er een motie van ons en NSC aangenomen om de mogelijkheden teonderzoeken om kwijtschelding van gemeentelijke belastingen gelijk testellen aan de vermogensnormen in de Participatiewet. Dit probleemspeelt nog steeds. Wij vragen ons af wanneer het voorstel komt om dekwijtscheldingsnormen te verhogen.Dank.De voorzitter:Dank u wel. U heeft een interruptie van de heer Buijsse.De heer Buijsse (VVD):Ik sla even aan op het diversiteitspunt dat mevrouw Chakor probeert temaken, of niet «probeert te maken», heeft gemaakt. Het is toch ook vaakaan de raden om zelf wethouders aan te wijzen en voor te dragen? Ikvraag me af hoe mevrouw Chakor aankijkt tegen de mogelijkheden die deMinister dan zou kunnen hebben. Ik denk dat die beperkt zijn, eerlijkgezegd.Mevrouw Chakor (GroenLinks-PvdA):Over meer vrouwen aan de top krijgen hebben we natuurlijk ook gewoonafspraken gemaakt. Je kan er natuurlijk wel afspraken over maken.Natuurlijk staat kwaliteit voorop. Maar het is wel belangrijk dat derepresentatie er is. We zien gewoon dat het in de praktijk daaraan schort.Mijn vraag is: hoe komt dit, hoe kan dat? Er zijn nu allerlei klasjes. Vanuithet Nederlandse Genootschap van Burgemeesters is er een klasje voorzij-instromers om burgemeester te worden. Hoeveel stroomt er noueigenlijk door? Helpt dat of moeten we wat anders proberen om te zorgenvoor die representatie van de samenleving, zodat diversiteit en inclusie eroveral aan tafel is?Dan is uiteraard nog steeds de keuze aan de raad, maar je moet welzorgen dat die mensen een kans krijgen, dat ze gevraagd worden. Ikbedoel dat we er in ieder geval iets meer voor doen. Ik kan me voorstellendat als je nooit in aanraking bent geweest met politiek en het eenver-van-je-bedshow is, het dan ontzettend lastig is om te denken dat jedaar mogelijk onderdeel van kan zijn. Ik weet dat ook uit ervaring; het isniet van huis uit heel dichtbij. Je moet het hebben van iemand die iets injou ziet en zegt: zou dit iets voor jou kunnen zijn? Daardoor durf je die stapte nemen. Er moet een gelijk speelveld zijn voor mensen die niet diekruiwagens hebben en mensen die wel het juiste netwerk hebben ofmakkelijke toegang hebben. Daar pleit ik voor. Ik denk dat het ontzettendbelangrijk is om daarop toe te zien om te zorgen dat we het vertrouwen inde democratie herstellen, omdat mensen dan ook zichzelf erin herkennen,in plaats van dat het altijd – met alle respect – dezelfde mensen zijn die debesluiten nemen voor het grote gros in Nederland. Dat is geen afspie-geling van onze samenleving. Die is veel kleurrijker dan wat we nu zienaan tafel waar de besluiten genomen worden.De voorzitter:Mevrouw Van Dijk.Mevrouw Inge van Dijk (CDA):Dank je wel, voorzitter. Aansluitend op de laatste discussie over diver-siteit: ik weet dat mijn buurvrouw daar een warm pleitbezorger voor is.Dan vind ik het toch even leuk om weer te vertellen dat ik in mijn vorigeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VII, nr. 1010 leven wethouder was in een volledig vrouwelijk wethouderscollege. Dushet kan wel!Ik wens deze Minister veel succes en vooral ook heel veel daadkracht,want dat hebben we nodig voor het behoud van legitimiteit en veiligheidvan de lokale democratie. Dat is namelijk echt van groot belang. Daarvoormoeten burgers zich gehoord en vertegenwoordigd voelen, moeten lokalepolitici veilig hun werk kunnen doen en moeten gemeenteradenvoldoende kracht, tijd en middelen hebben om echt invloed uit te kunnenoefenen op beleid. Daar maakte de collega van de VVD ook een punt over.Voorzitter. Een raadslid dat de raadzaal niet meer in durft, een wethouderdie ’s nachts wakker ligt van bedreigingen die ook zijn gezin raken, engisteren het bericht dat soevereinen spraken over een aanslag met eenautobom op de woning van burgemeester Buma en over een kogeltjedoor het raam. Dat zijn geen uitzonderingen meer. Het komt helaastegenwoordig regelmatig voor. Dat mogen we nooit normaal gaan vinden.Intimidatie dus. Uit onderzoek blijkt dat bijna de helft van onze lokalebestuurders hiermee te maken krijgt. Dat is een verdubbeling over deafgelopen tien jaar. Slechts 6% doet hiervan aangifte. Stel je eens voor datbij brand maar 6 van de 100 mensen 112 zouden bellen: 94 brandenblijven onzichtbaar, risico’s stapelen zich op en vertrouwen in veiligheidbrokkelt af, want «waarom wordt er niet ingegrepen», vragen inwonerszich af. Dat zouden we hier in de Kamer nooit accepteren. Waaromaccepteren we dit dan wel in onze democratie, is mijn vraag. En waaromdoen deze mensen geen meldingen meer?Bestuurders krijgen zo vaak scheldpartijen, agressieve mails of intimide-rende reacties dat ze het zelf niet meer als ernstig genoeg ervaren omaangifte te doen. «Het hoort erbij», hoor ik vaak terug. «En», zeggensommigen, «als ik dan aangifte doe, komt het in de media en loop ik ooknog het risico weggezet te worden als overgevoelig of klagerig.» Ook hoorik vaak terug: «De politie of het OM kan toch weinig doen of heeft echt weliets beters te doen.»Mevrouw Chakor (GroenLinks-PvdA):Agressie en bedreigingen is inderdaad een ontzettend belangrijk punt. Ikkwam daar net niet aan toe; precies, dan doen we het samen. We hebbenhierover vragen gesteld. Dank voor de beantwoording van onze schrifte-lijke vragen. Ik weet niet of mevrouw Van Dijk de beantwoording heeftgezien. Ik was wel lichtelijk teleurgesteld. Inderdaad, 6% doet aangifte. Inhet onderzoek van RTV Noord zegt een jong raadslid al jaren wekelijksintimiderende mails te ontvangen en zelfs in de raadszaal lastig gevallente worden. Op het moment dat zij aangifte doet, wordt de zaak gesepo-neerd: niet bedreigend genoeg. Ze leeft nu met een noodknop. Wat mijbetreft is dat onacceptabel. Ik maak mij net zoals u en misschien welmeerdere collega’s zorgen. Welke stappen zouden we met elkaar kunnenzetten om ervoor te zorgen dat op het moment dat je aangifte doet, jeserieus genomen wordt en gekeken wordt hoe de cirkel kan wordendoorbroken? Want dit is niet normaal gedrag; dit mag je nooit normali-seren. Ik ben benieuwd hoe u daarnaar kijkt. Welke verwachtingen heeft uvan de Minister? Ik ben in ieder geval niet gerustgesteld door de beant-woording van onze vragen.Mevrouw Inge van Dijk (CDA):Daarom vraag ik de Minister: hoe gaat de Minister de aangiftebereidheidverhogen en onze lokale bestuurders steunen in deze zorgelijke ontwik-keling? Ik had namelijk hetzelfde gevoel, zo van: oké, we constateren heten we vinden het allemaal niet oké, maar steken we er wel voldoendeenergie in met elkaar? Vandaar dat ik het belangrijk vond om deze vraagnogmaals te stellen. Er zit nu een nieuwe Minister. Wellicht deelt hij onzepassie om hiervan stevig werk te maken. Zo niet, hebben we vast welmiddelen om hem te vragen dat wél te doen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VII, nr. 1011 De voorzitter:U heeft een interruptie van de heer Koops.De heer Koops (NSC):Mijn interruptie gericht aan mevrouw Van Dijk heeft met hetzelfdeonderwerp te maken, ook in aanvulling op wat al eerder is gezegd overintimidaties. Kijk, zo’n bericht over meneer Buma is uitermate veront-rustend en afschuwelijk; dat is het echt. Tegelijktijdig denk ik – maar dat ismisschien mijn vorige leven buiten de politiek – dat dit echt iets is voorhet Openbaar Ministerie. Moet ik het betoog nou zo begrijpen dat u vindtdat dit lokaal beter moet worden afgestemd in de driehoek of ietsdergelijks, of denkt u juist dat er nationaal beleid moet worden gemaakt?Bij dat laatste zou ik zelfs een suggestie hebben, namelijk dat op hetmoment dat een bedreiging of intimidatie direct samenhangt met defunctie van een lokaal vertegenwoordiger, de politie extra prioriteit moetgeven aan oppakken, in plaats van seponeren. Zou dat een oplossing zijn?Mevrouw Inge van Dijk (CDA):Dank u wel voor de vraag. Volgens mij begint het met ervoor zorgen datmensen überhaupt aangifte doen. Op het moment dat we niet echt wetenwat er speelt en het alleen maar hebben van horen zeggen of uitenquêtes, dan is het logisch dat de urgentie iets lager ligt dan wanneer zebij het OM en de politie zien: dit is een hele verontrustende trend waar weiets mee moeten. Volgens mij moeten we daarmee beginnen. Aangiftedoen is niet zwak, je bent geen klager, je hebt gewoon een terecht punt enhet is helemaal terecht dat je het meldt, ook om het boven tafel te krijgen.Als we die stap kunnen zetten, moeten we er vervolgens ook voor zorgendat dit serieus wordt opgepakt in plaats van seponeren of niet oppakken.Dat deel ik. Of dat meer prioriteit moet krijgen, vind ik een hele ingewik-kelde vraag. Dan vraag je mij namelijk om misdaden of bedreigingen tewegen. Is een vrouw die lastiggevallen wordt op straat dan minder erg?Dat vind ik ingewikkeld. Volgens mij begint het met ervoor zorgen dat weecht gaan melden, aangifte gaan doen, goed in beeld krijgen wat er speelten vervolgens aan deze Minister vragen om regelmatig in gesprek teblijven met onder andere het OM over hoe we ervoor zorgen dat dieklachten goed worden afgehandeld.De voorzitter:Gaat u verder.Mevrouw Inge van Dijk (CDA):Voorzitter. Dan wil ik het hebben over nog een paar randvoorwaarden diebeter moeten. We zien wethouders uitvallen door werkdruk, raadsledendie moeite hebben met het combineren van werk en gezin en mensen,vaak mensen met een beperking, die afhaken omdat bijvoorbeeld hunuitkering in gevaar komt. Het CDA vindt dat de raadsleden en wethoudershun werk goed moeten kunnen doen. Daarom heb ik een aantal totaalverschillende vragen, die wel op hetzelfde neerkomen, namelijk opondersteuning.Er komt een voorstel over raadsgrootte en uitbreiding van verlofmogelijk-heden naar de Kamer; mijn collega wees er zojuist ook al op. Hoe zorgt deMinister dat ook uitkeringsgerechtigden zonder drempels politiek actiefkunnen zijn? Deze vragen zijn overigens al heel vaak gesteld en er wordtiedere keer te gemakkelijk overheen gefietst door bewindspersonen.Daarmee doen we onze mensen echt geen recht. Daarom stel ik de vraagweer. Als je me tegelijk vraagt naar een oplossing, zeg ik: ik weet dat erregels zijn, dus naar die regels moeten we kijken, maar het zit er voor mijook voor een stukje in om die mensen te helpen. We moeten ze aan devoorkant helpen: wat betekent het op het moment dat je zo’n functieaanvaardt, welke risico’s heb je en hoe kunnen we die met elkaarTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VII, nr. 1012 mitigeren? Wat gaat de Minister structureel doen om de werkdruk vanwethouders te verlagen? Wederom pleit ik daarbij voor de fulltimewet-houder, omdat bestuurder zijn nooit parttime is. Zou het een idee zijn omwethoudersklasjes te faciliteren, bijvoorbeeld via de provincie, zoals erook burgemeestersklasjes zijn? In 2026 gaan we vast weer veel nieuwewethouders zien. Dat is heel mooi, maar verdienen zij ook niet gewoonstructureel bij aanvang een opleiding? Veel landelijke partijen faciliterendit voor hun wethouders, maar we hebben ook heel veel wethouders vanlokale partijen. Die zouden we ook graag willen helpen het vak goed onderde knie te krijgen en een netwerk op te bouwen.Voorzitter. Dan de verhoudingen tussen Rijk en gemeenten. We hebbenhet vaak over rust, reinheid en regelmaat voor onze ondernemers. Ookgemeenten hebben behoefte aan voorspelbaarheid en betrouwbaarheid:geen stapels regels en verantwoording, maar vertrouwen en ruimte. Alshet Rijk gemeenten taken geeft, moeten die uitvoerbaar zijn. Graag hoor ikvan de Minister welke meetlat hij gebruikt om te bepalen of taken,middelen en uitvoeringskracht in balans zijn en hoe hij borgt datgemeenten bij nieuwe taken automatisch en tijdig gecompenseerdworden, zoals de wet voorschrijft.Ten slotte. Wij hier in Den Haag zijn heel druk met de aankomendeverkiezingen, maar zo’n vier maanden later zijn de gemeenteraadsverkie-zingen. Er gaan komende weken vast allerlei oproepen komen vanuit hetRijk om te gaan stemmen. Ik vraag me af of er koppelkansen zijn om ookaandacht te vragen voor het belang van lokaal stemmen. Ik wil niet hetrisico lopen dat mensen met 4% vertrouwen in ons, landelijke politici,stemmoe worden, waardoor men daar vervolgens lokaal last van heeft.Dank je wel, voorzitter.De voorzitter:Dank u wel. Meneer Koops.De heer Koops (NSC):Dank u, meneer de voorzitter. Ik ben geen VVD’er. Dat ben ik ook nooitgeweest. Ik heb ook nooit gestemd op de VVD. Het spijt me, mevrouwVan Dijk, ik heb ook nooit gestemd op het CDA. Dat is nu eenmaal hoe hetis in mijn leven. Dat zeg ik omdat ik moet denken aan een raadslid van deVVD die ik bij naam wil noemen: meneer Rogier Bruin, militair,woonachtig in Den Helder. Hij zit nu een jaar of acht in de gemeenteraaden weet dat te combineren met zijn werk als militair. Daar besteedt hijongelofelijk veel energie aan. Ik herinner mij hoe hij bij de huizenlangsging om de verhalen op te halen over de problemen die er in deverschillende wijken in Den Helder leefden. Een heel groot gedeelte vanzijn inspanningen valt te kwalificeren als vrijwilligerswerk. Er staat geenenkele vorm van beloning, bezoldiging tegenover. Hij doet het gewoonom zijn echte werk als raadslid goed te kunnen doen. Ik heb daar altijd hetgrootst mogelijke respect voor gehad en dat heb ik nog steeds. Dat geldtniet voor die man in zijn geheel, maar dat geldt wel voor iedereen die zichblootstelt aan kritiek en discussies in het lokale bestuur. Het maakt mij nietuit of dat nou is als wethouder of als raadslid.Ik ben nu de laatste spreker en ik hoor ditzelfde geluid terug van iedereendie hier aan deze tafel zit: wij willen allemaal dat het lokale bestuur wordtversterkt, wordt verstevigd. Het is alleen maar te prijzen dat er hetafgelopen jaar heel veel initiatieven zijn ontplooid, dat er ook echt dingenzijn uitgerold en dat er geld is vrijgemaakt of dat er is aangekondigd dat ergeld wordt vrijgemaakt. Ik wil vooraf zeggen dat we het daar met z’n allenover eens zijn en we hier dus bepaald niet zitten om elkaar vliegjes af tevangen of iets dergelijks. Dat is niet aan de orde.Tegen die achtergrond hebben we natuurlijk kennisgenomen van destukken die bij de agenda zitten van dit verhaal. Ik kom op een aantalconcrete punten en vragen. Het komt mij en Nieuw Sociaal Contract voorTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VII, nr. 1013 dat lokaal beleid uitvoerbaar moet worden gemaakt en betrokken moetworden bij beslissingen die lokaal worden genomen. Dan hebben we hetover de randvoorwaarden voor raadsleden en wethouders. Ik heb erzojuist ook iedereen over gehoord dat die randvoorwaarden dik in ordemoeten zijn. Tot slot hebben we het over diversiteit en veiligheid. Hierstaat «bij burgemeesters», maar ik bedoel in z’n algemeenheid, indatzelfde bestuur.De Staat van het Bestuur is uitgebracht. We zien dat gemeentes steedsvaker klem zitten. We zien dat middelen achterblijven en dat er steedsmeer taken bij komen. Dat laatste is verontrustend. Dat kan ook perongeluk gebeuren. In onze gemeenschappelijke wijsheid kunnen we totbeslissingen komen om grotere verantwoordelijkheden neer te leggen bijde gemeenten. We stellen er dan alleen niet ook de budgetten voor terbeschikking en doen niks aan de hoeveelheid mensen, de capaciteit diedie problemen dan vervolgens op z’n bordje krijgt. Dat is waarom we hiernu met z’n allen zitten.Dan hebben we het over de Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden,de UDO. Dat zou een antwoord moeten zijn om op realistische wijzetakenpakketten bij de gemeentes neer te leggen. Daar hoort de volgendevraag bij: kan de Minister een toelichting geven op het aantal wetten enbesluiten waarbij die UDO’s daadwerkelijk hebben geleid tot verande-ringen van die wetsvoorstellen? Het gaat dan om een test die bijvoorbeeldnegatief uitpakt en waarin wordt gewaarschuwd «doe dit nou niet».Kortom, kan de Minister hier nu iets over zeggen? Of wil hij toezeggen omhier later iets over te zeggen als hij dat vandaag niet kan? Hij is namelijknog maar net begonnen. Dit is een belangrijk onderwerp. Heeft die UDOnu in de praktijk al verschil gemaakt? Als dat niet zo is, wat moeten weverbeteren? Als het wel zo is, dan ontvang ik graag een toelichtingdaarop.Daarmee kom ik aan het openbaar en doorzoekbaar register van dieUDO’s, zodat we niet het werk telkens opnieuw moeten gaan doen. Ik zitveel meer in de commissie voor Justitie en Veiligheid. Dan zie je bepaaldethema’s decennium na decennium opnieuw oprispen. We hebben daar nueen Minister die zelf Kamerlid is geweest in een vorig decennium. Diemoet bepaalde thema’s dus nu opnieuw gaan behandelen waar hij zichindertijd al over opwond. Dat moeten we bij het lokale bestuur alhelemaal voorkomen, want dan loop je veel te gemakkelijk het risico dat jehet wiel opnieuw moet uitvinden. Kortom, de vraag is of er eenUDO-register komt.In hetzelfde verband is er een afwegingskader toegezegd om te bepalenwanneer je wat laat doen door de gemeentes. Ik kon het niet vinden. Ikheb alleen maar zien staan dat het is toegezegd. De vraag is dus of kanworden gezegd wanneer dat ding komt. Ik probeer me niet onparle-mentair uit te drukken, maar soms vergis ik me nog.Dan over geld dat apart is gezet, de subsidieregeling voor beroepsvereni-gingen. Dat is 3,7 miljoen per jaar. Noem mij naïef, maar is het opleidings-niveau van raadsleden en wethouders nou werkelijk het probleem? Is datecht zo? Is dat wat ertoe leidt dat het bestuur minder aantrekkelijk isgeworden? Dus, kortom, wat is nu het verband tussen de aantrekkelijkheidvan een functie in het lokale bestuur en in de lokale politiek versus dieopleidingstrajecten? Ik zie wel dat het nuttig is dat mensen een opleidingkrijgen, maar is het niet bestaan van die opleiding nou de reden dat hetenthousiasme voor participatie vermindert?De voorzitter:Wilt u gaan afronden?De heer Koops (NSC):Nee, meneer de voorzitter. Maar ik moet wel, dat weet ik. Ik zal de rest danpuntsgewijs gaan doen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VII, nr. 1014 Ik moet een opmerking maken over de samenloop van bezoldigingen voorraadsleden en uitkeringen. Ik weet dat daar een motie over is ingediend,maar die motie is niet beantwoord. Misschien kan de Minister daar nu ietsover zeggen of kan hij er alsnog een toezegging op doen. Hoeveeluitkeringsgerechtigde mensen in de raden zijn er?Tot slot, meneer de voorzitter. Waarom is er een verschil in de manierwaarop Statenleden een bezoldiging krijgen en gemeenteraadsleden eenbezoldiging krijgen? Waarom bestaat dat verschil? Dat terwijl gemeentesen provincies net zo veel van elkaar verschillen, onderling gesproken.Daar laat ik voorlopig even mijn inbreng bij. Dank u voor uw welwil-lendheid.De voorzitter:Dank u wel. U heeft nog een interruptie van mevrouw Van Dijk.Mevrouw Inge van Dijk (CDA):Ik heb natuurlijk ook een punt gemaakt over uitkeringsgerechtigden. Hoezou u het graag willen zien?De heer Koops (NSC):Op zichzelf is het zo dat als je afhankelijk bent van een uitkering, jebehoort tot de kwetsbaren van deze maatschappij. Die moeten een rolspelen in het lokale bestuur. Dat is essentieel. We moeten het dus zoregelen dat uitkeringsgerechtigden gewoon meedoen. Zelf heb ik daar hetvolgende idee bij. Op dit moment wordt de bezoldiging voor eenraadslidmaatschap afgetrokken van de uitkering. Kortom, dat is bepaaldniet uitnodigend en is ook echt een verschil met mensen die daarnaasteen baan hebben, waarbij die aftrek natuurlijk niet geldt. Ik zou zeggen:zeker voor mensen die beginnen als raadslid, zou die aftrek niet moetengelden. Je zou het wel kunnen opschuiven: eerst mag je 100% houden,daarna mag je 50% houden als je nog steeds met een uitkering zit. Danwordt er een soort van staffel in gemaakt. Dat lijkt mij het werk vooruitkeringsgerechtigden veel aantrekkelijker maken binnen het landsbe-stuur. Ook moeten we nadenken over hoe participatie wordt bevorderd alsje een rol en een invloed hebt in de lokale politiek.De voorzitter:U heeft nog een interruptie van meneer Buijsse.De heer Buijsse (VVD):Misschien begrijp ik de heer Knoops verkeerd ...De heer Koops (NSC):Koops! Er zijn verschillen, meneer Buijsse!De heer Buijsse (VVD):Koops! Sorry. Excuses, excuses, via de voorzitter. Stel dat het om eenwerkloos iemand gaat of om iemand in de bijstand die dan raadslid wordt.Dan hoeft diegene de korting niet te tellen en wordt diegene niet gekortop de bijstand. Hij of zij krijgt dat geld erbij. Maar dan wordt ... Denkt udan niet ook met mij dat dan misschien heel veel werklozen of mensen inde bijstand ineens in de raad willen?De heer Koops (NSC):Ik snap de vraag buitengewoon goed en ik snap ook dat die door de VVDwordt gesteld. Ik moet me inhouden om daar geen nadere opmerkingenover te gaan maken. We zijn hier bezig om samen te zorgen dat dat lokalebestuur wordt versterkt. Om te beginnen is het knap lastig om vast testellen wat de oorzaken zijn waarom iemand in een uitkering terechtkomt,of dat nou de WW is, een ziekte, een situationele arbeidsongeschiktheid,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VII, nr. 1015 noem maar op. Daar moet je wat mij betreft dus geen onderscheid inmaken. Je moet gewoon van buitenaf vaststellen dat iemand die uitkeringheeft. Dan denk ik: op het moment dat de bezoldiging als raadslid in hetbegin losgekoppeld wordt van de uitkering, maakt dat die plek in de raadaantrekkelijker voor uitkeringsgerechtigden. Een van de problemen die uitde stukken blijkt is juist dat het raadslidmaatschap niet aantrekkelijk isvoor die gehele grote groep mensen die ook vertegenwoordigd moetenworden in het lokaal bestuur. Ik zit zelf te denken: hoe kunnen we hier eenoplossing voor vinden? Ik zou bijna zeggen: een glijdende schaal. Jebegint gewoon en behoudt die bezoldiging, maar als je er na een jaar nogsteeds in zit en dan nog steeds van een uitkering afhankelijk bent, danmoet je dat misschien gaan herevalueren en dan wel gedeeltelijk ofgeheel in mindering brengen op die uitkering. Zo kan je dat zien; zo staatmij dat vooralsnog voor ogen.De heer Buijsse (VVD):Goed dat er toelichting komt, maar u begon uw betoog met te zeggen dathet opvalt dat het van de VVD komt. Dat wil ik toch even bestredenhebben en ook echt gewoon rechtgezet hebben. Ik stel een simpele vraag,meneer Koops. U moet niet de kwalificatie eraan geven die u er net aangaf. Dank u wel.De voorzitter:Meneer Koops, in reactie hierop.De heer Koops (NSC):Daar heeft de heer Buijsse gewoon gelijk in. Soms moet ik op mijn tongbijten en iets niet zeggen wat ik wel denk.De voorzitter:Een filosofische opmerking. Ik ga naar mevrouw Wijen-Nass.Mevrouw Wijen-Nass (BBB):Ik heb ook nog een vraag op dit punt. De heer Koops betoogt dat mensenmet een uitkering niet meer gekort zouden moeten worden op hunuitkering en dat erbij zouden moeten krijgen. Dan ben ik ook heelbenieuwd hoe de heer Koops naar het volgende kijkt. Het is denk ik ookheel belangrijk dat de werkende klasse ook vertegenwoordigd wordt in degemeenteraad. Die mensen doen dat vaak nog naast een fulltimebaan,zeker als het gaat over de kleinere gemeenten. Die mensen moeten vandie vergoeding ook een behoorlijk deel afdragen aan de belasting. Ik beneigenlijk wel benieuwd hoe NSC daarnaar kijkt.De heer Koops (NSC):Hier wordt de kern geraakt van iets waarmee de lokale politiek kanworden versterkt, namelijk simpelweg dat de vergoeding in verhoudingstaat tot de enorme inspanningen die worden geleverd. Of dat nou is ineen kleine of een grote gemeente maakt wat mij betreft minder uit. Ermoet een verhouding zijn tussen de tijdsinspanning en het fanatisme ener moet ook in worden onderkend dat een gedeelte echt vrijwilligerswerkis en ook als zodanig bedoeld is en gerespecteerd moet worden. Inantwoord op de vraag van mevrouw Wijen-Nass: mij gaat het er vooralom dat mensen die van een uitkering afhankelijk zijn, niet om die redenondervertegenwoordigd worden in gemeenteraden. Dat is het dingwaarvan ik hoop dat wij daar met z’n allen gelijkelijk over denken. Hetmoet niet leiden tot voordeeltjes, maar er moet wel een soort van gelijkspeelveld zijn. Dat beoogde ik aan de orde te stellen.Mevrouw Chakor (GroenLinks-PvdA):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VII, nr. 1016 Ik ben ontzettend blij dat deze discussie er is. We hebben eerder vragenhierover gesteld, ook om te kijken hoe je dat nou kan vormgeven, ooknaar aanleiding van het onderzoek dat de raadsledenvereniging heeftgedaan naar de situatie van uitkeringsgerechtigden en de raadsver-goeding. Uit gesprekken die we hebben gevoerd is gebleken dat er heelveel onzekerheid bij zit. Op het moment dat je wilt bijdragen ... Dit geldtjuist voor mensen met een uitkering. Een uitkering moet je breder trekken.Het gaat ook om arbeidsongeschikten. Het is echt heel breed. Dan krijg jedus een zetel en ga je erheen, maar je weet niet voor impact en effect datheeft op jouw uitkering. Je moet je dan bijvoorbeeld bij het UWV melden.Het wordt verrekend. Als je een uitkering bij de gemeente hebt, moet jedaar weer afspraken gaan maken. Je kunt dus ook weer gekort worden enje moet alles weer opnieuw aanvragen.Wat Buijsse zei, raakte mij heel erg. Hij vroeg – sorry, maar ik vond dat eenniet heel erg menselijke vraag – of dat betekent dat straks allerleiuitkeringsgerechtigden in onze raden gaan zitten. Dan denk ik: ja, datbetekent dat mensen die een bijdrage willen leveren aan onze democratie,een bijdrage gaan leveren. Ik vind dat je dan niemand, maar ook echtniemand, moet tegenhouden die dat wil gaan doen. En dat doen we nuwel, door die onzekerheid, doordat de situatie niet helder is voor hen: watbetekent dit nou eigenlijk, word ik opnieuw gekeurd? Er zijn zo veelonzekerheden. Vaak weten ze het pas achteraf. Doordat je een bijdragelevert, kan dat betekenen dat je een herkeuring krijgt of dat je uitkeringstopgezet wordt. Dit heeft zo veel impact en effect.Ik ben ook nog steeds in afwachting van het antwoord op de vragen diewe eerder hebben gesteld om juist ook stappen met elkaar te zetten, zovan: hoe kunnen we nou die lacune die er is ... Ik ga uit van die goedeintentie en ik geloof ik dat we willen dat iedereen een bijdrage levert,maar dan moeten we wel zorgen dat mensen er niet de dupe van zijn. Zemoeten van tevoren weten: als je met een uitkering, welke uitkering danook, een bijdrage levert in onze Staten of als raadslid, is dit wat je kanverwachten en is dit hoe we je kunnen ondersteunen; er zijn dan welmogelijkheden, knoppen waaraan je kan draaien om te zorgen dat je eenzachtere landing hebt. Je kunt daar afspraken over maken. Ik ben heel blijdat NSC hier ook voorstander van is. Ik denk dat we met z’n alleninderdaad wachten op de beantwoording van de Minister. Mocht deMinister zeggen «daar ga ik helemaal niks mee doen», zullen wij dan dehandschoen oppakken om daar iets mee te doen, om het makkelijker inplaats van moeilijker te maken voor mensen met een uitkering die graagraadslid of Statenlid willen worden?De heer Koops (NSC):In dit betoog zit aan het eind eigenlijk een vrij eenvoudige vraag. Dievraag kan ik beantwoorden met: ja, leuk, gaan we doen. Maar daarvoorzat in het betoog iets waarvan ik eraan hecht om dat te benadrukken. Kijk,de moeilijkheden die je hebt bij het stellen van de hoogte van eenuitkering en de wijze waarop je wordt getoetst en zo ... Ik verwacht dat demensen die zich opwerpen voor het lokaal bestuur en voor de lokalepolitiek, competent zijn. Dat is namelijk waarom ze volksvertegenwoor-diger willen worden. Dit is niet iets wat te maken heeft met een opleiding-sniveau, hè. Het zijn mensen die worden gedreven door overtuiging enook een vorm van ambitie. Het zijn mensen die denken dat ze een positiefverschil kunnen gaan maken. Zelf verwacht ik eigenlijk, meer ook in hetalgemeen, dat die categorie mensen een heel eind moet komen in hetinkaderen van risico’s die bestaan voor de hoogte van de uitkering of deconsequenties van een uitkering of de consequenties van een herkeuring.Maar dat is een soort van filosofische gedachte, dat ik dat als het ware zoverwacht.Dit laat onverlet dat de samenloop van die uitkering en die bezoldiginggewoon tot problemen leidt. Ik kijk de Minister nu gewoon aan in zijnTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VII, nr. 1017 ambt. De Minister heeft al toegezegd om met deze gegevens te komen.Dat is niet een voornemen dat opeens gewijzigd gaat worden, lijkt mij zo,nu we in deze samenstelling hier zo zitten. Uit alles blijkt dat de Ministerde gegevens over de samenloop van uitkeringsgerechtigdheid en eenraadslidmaatschap net zozeer interesseren als de Tweede Kamer diegegevens interesseren. Alleen, de gegevens liggen nog niet op tafel. Datis de reden voor die vraag. Op de eerste vraag is het antwoord eenvolmondig ja. Ik ga graag met u in overleg hoe we de positie van diemensen kunnen verbeteren.Mevrouw Chakor (GroenLinks-PvdA):Nog even een korte reactie op de uitspraak van de heer Koops dat hijervan uitgaat dat het competente mensen zijn die zelf wel even kunnenuitzoeken hoe het zit. Maar ik kan u vertellen – het is misschien ook handigom het rapport van de Vereniging voor Raadsleden even te lezen en om tespreken met een aantal mensen die de keuze hebben gemaakt omraadslid te worden en die daar achteraf toch voor beboet zijn – dat hetontzettend complex is. We hebben het niet makkelijk gemaakt voormensen om bij te dragen. Ik denk dat we het simpeler en laagdrempeligermoeten maken door vooraf helder te hebben wat het betekent. Op hetmoment dat mensen met wat voor uitkering dan ook een bijdrage willenleveren aan onze democratie, moeten we ook afspraken maken over watvoor impact en effect dat kan hebben. Aan de voorkant en aan deachterkant moet die duidelijkheid er zijn. Dat is wat ik veel van mensenhoor. Ik hoor helemaal niet dat ze zeggen: ik wil de vergoeding houden.Mensen willen gewoon duidelijkheid en helderheid en willen weten waarze aan toe zijn. Ik vind dat het onze taak is als overheid om ervoor tezorgen dat dit helder is en dat mensen niet verrast worden. We moeten erzorg voor dragen dat als er te lastige drempels zijn, we die verlagen inplaats van verhogen. We moeten inderdaad ook nadenken over wat hetbetekent als mensen met een uitkering willen bijdragen. We moeten hetdebat hebben over de vraag of zij een volledige vergoeding moetenhebben, ja of nee. Maar dat is dus ook de vraag die we hebben gesteld.Die vraag heb ik volgens mij in mei gesteld. We zijn nu vele maandenverder, maar er is nog steeds geen antwoord. Dat geeft voor mij aan dathet zo complex is en zo moeilijk is dat er geen antwoord kan wordengegeven op de vragen die wij als Kamer stellen.De heer Koops (NSC):Hier wordt aan een problematiek geraakt die vanzelfsprekend veel groteris dan de positie van raadsleden. Dat zal mevrouw Chakor ook met mijeens zijn. We hebben het hier over de verhouding van het ambtelijkapparaat tot de burger, gewoon hoe de communicatie loopt tussen dietwee partijen in de zin van: welke regels zijn er, hoe leg je ze uit, hoe krijgje zekerheid en hoe verdwaal je niet in een woud aan regels waarin je jedus kan vergissen en dus onverhoopt op boetes of korting terecht kankomen, zoals zojuist wordt beschreven? Ik ben het er roerend mee eensdat we in ieder geval die vorm van helderheid moeten nastreven met z’nallen. Hoe dat nou precies vorm moet gaan krijgen, weet ik nog even niet.Maar ik denk wel dat de Nederlandse overheid gewoon verplicht is om tezorgen dat regels begrijpelijk en gemakkelijk zijn en eenduidig wordentoegepast, zodat je weet waar je aan toe bent, ook wanneer je de raadingaat en een politiek ambt vervult. Dat ben ik gewoon eens met u. Ik vinddat we dat moeten betrekken bij hoe we die positie moeten verbeteren.Dat is gewoon zo.De heer Buijsse (VVD):Ik ben even in de war. Gaat het nou om het verschaffen van duidelijkheidin dit deel van de discussie of gaat het ook om het aanpassen van deregelingen om raadslid te kunnen zijn? Ik ben even kwijt waar het nouTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VII, nr. 1018 over gaat. Ik heb het gevoel dat het sowieso om de duidelijkheid gaat;daarover bestaat volgens mij veel overeenstemming. In alle eerlijkheid: ikkan me er ook wel iets bij voorstellen dat je je in een woud van regelsbevindt als je recht hebt op uitkeringen en raadslid wilt worden. Daar kanik me iets bij voorstellen. Ik heb gewoon wat meer twijfel over hetaanpassen van regelingen voor mensen die raadslid willen worden, wantdan kom ik ook bij het speelveld van andere vrijwilligersbijdragen enonkostenvergoedingen uit. Ik zit daar nog op een wat behoudender spoor,in alle eerlijkheid. Maar dat heeft u wel gemerkt.De heer Koops (NSC):Dank voor de vraag van de heer Buijsse, want die geeft mij meteen degelegenheid om te zeggen dat ik hem er op geen enkel moment explicietof impliciet van beschuldig anders dan constructief hier aan tafel te zitten.Als ik die suggestie heb gewekt, dan was dat per ongeluk; dat moet evenduidelijk zijn.Maar tegen die achtergrond: ik denk dus inderdaad dat het om beide gaat.We moeten niet afdwalen naar een hele discussie over de helderheid vanregels, maar ik krijg uit de stukken en uit het rapport dat zojuist doormevrouw Chakor werd aangehaald, wel degelijk de indruk dat de regels,als je ze correct toepast, niet alleen tot vormen van onzekerheid leiden,maar ook echt tot een achterstand voor uitkeringsgerechtigden, dus toteen ongelijk speelveld. Als dat werkelijk zo is – en daar gaat de informatievan de Minister een rol in spelen – dan moeten we dat dus aanpakken,want dat gelijke speelveld is wat ik hier op tafel leg als nastrevenswaardig.De voorzitter:Daarmee komen we aan het einde van de eerste termijn van de kant vande commissie. Ik kijk naar de Minister voor de schorsing. Hoeveel tijdheeft u nodig om de vragen te kunnen beantwoorden?Minister Rijkaart:Allereerst dank voor u aller zeer betrokken inbreng. Ik proef dat u allenzeer begaan bent met het lokale bestuur. Dat vooropgesteld. Er zijn watvragen die ik even uit moet zoeken. Ik gok dat we met drie kwartier aardiguitkomen. Hebben we nog een eetpauze? Ik hoor mevrouw Chakordaarover beginnen. Ik laat me ook even leiden – ik ben voor het eerst tegast – door de orde van uw vergadering wat betreft hoe het gaat met eeneetpauze en dergelijke.De voorzitter:Dat klopt inderdaad, maar hoeveel tijd u nodig heeft om de vragen tebeantwoorden is natuurlijk ook belangrijk. Maar u kunt met drie kwartieruit de voeten en ik denk dat de commissie dat ook kan. Dan schors ik tot18.45 uur.De vergadering wordt van 18.01 uur tot 18.48 uur geschorst.De voorzitter:Ik heropen deze vergadering. Ik ga voor de beantwoording in eerstetermijn naar de Minister.Minister Rijkaart:Dank u wel, voorzitter. Allereerst is het ontzettend fijn om hier te mogenzijn als Minister. Het is voor mij een eer om hier te zijn en een genoegenom dit eerste debat in dit nieuwe ambt te mogen gaan voeren met u. Hetgaat meteen over het openbaar bestuur, dat mij ook persoonlijk nogal aanhet hart gaat. Mijn geschiedenis strekt zich uit van commissielid, ook nogeens in een kleine gemeente, via het raadslidmaatschap tot gedeputeerdeop provinciaal niveau en uiteindelijk mag ik me dan hier Minister vanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VII, nr. 1019 Binnenlandse Zaken noemen. In die hoedanigheid ben ik met heel veelvan wat hier vandaag ter tafel is gekomen in aanraking gekomen. Soms,of ik moet eigenlijk zeggen bijna altijd, was dat heel mooi, maar somsherken ik ook wel een beetje de negatieve aspecten die u hierop tafel heeftgelegd van deze toch altijd mooie functies.Laat ik vooropstellen: als kabinet waarderen wij onze lokale bestuurdersnatuurlijk enorm. Zij nemen toch altijd maar de verantwoordelijkheid omnaar voren te stappen voor de zeer serieuze opgaven die er altijd maarliggen in de samenleving. Daar mogen wij ze dan ook wel voldoende inondersteunen. We mogen het nooit als vanzelfsprekend beschouwen,zeker niet als ze ook nog eens te maken krijgen met de negatieve aspectenvan het werk, die toch steeds meer op ze afkomen. Passende onder-steuning daarvoor is dus van waarde. We hebben een brief gestuurd,waardevol ambt, op 18 juni jongstleden, waarin een aantal maatregelenuiteen worden gezet. Ik maak me niet de illusie dat die alles oplossen –zeker niet, want er moet continu aan gewerkt worden – maar ze dragenwel zeker bij.Er zijn diverse vragen gesteld. Die ga ik in vier blokken proberen zo goedmogelijk te beantwoorden. U zult begrijpen dat dat soms een voordragenuit de overlevering is, maar zoals de voorzitter net even buiten devergadering sprak: we slaan ons er wel doorheen. De blokjes zijn: lokaledemocratie en de aantrekkelijkheid van de ambten, de uitvoerbaarheidvan het bestuur, de rechtspositie en nog wat overige vragen.Laat ik eerst maar inspringen op de actualiteit. Als Minister keur ik het tenzeerste af wat er gebeurd is rondom burgemeester Buma. Daar werdenwe vanochtend toch door opgeschrikt. Het geeft maar weer eens aan hoeje als politiek persoon in de openbare ruimte toch een doelwit kan zijn vanbedreiging en intimidatie. We zullen proberen de burgemeester daar zogoed mogelijk in te ondersteunen. Maar laat heel duidelijk zijn: wat dezeMinister betreft kunnen bedreiging en intimidatie vanuit de samenlevingnaar alle vormen van politieke ambtsdragers natuurlijk nooit de bedoelingzijn. Dat is een stelling die ik daarin zeker inneem.Ik borduur daar even op voort. Er waren wat zorgen geuit over deaangiftebereidheid onder de diverse politieke ambtsdragers. Die herken ikwel. Je ziet eigenlijk her en der in de samenleving ook wel meer gebeuren– je ziet het ook vaak in de zorg gebeuren – dat mensen het normaal gaanvinden. Maar het mag dus nooit normaal worden; laat ik dat ook duidelijkstellen. Wij blijven via de diverse gremia dan ook actief uitdragen dataangifte en in ieder geval melding doen wel terdege zou moetenbijdragen. Dat het dan niet altijd leidt tot een vervolging is dan natuurlijkaan de overwegingen van het Openbaar Ministerie, maar alles begint bijmelding en aangifte doen. Daar blijven wij dan ook op inzetten. Daarhebben wij het Ondersteuningsteam Weerbaar Bestuur voor opgericht.Dat gaat in 2026 en 2027 ook door met zijn rondgang. Daar zal het dan ookde aandacht voor blijven vragen. Ik ga nog wel in gesprek met mijncollega van Justitie en Veiligheid over de politie en het OpenbaarMinisterie, om die vooral te stimuleren om de opvolging en de communi-catie rondom aangiftes te verbeteren.De voorzitter:Ik onderbreek u voor een interruptie van meneer Koops.De heer Koops (NSC):Ik had bijna voor mijn beurt een interruptie aangekondigd, want dezevraag zal nu gericht zijn op die laatste zin, over het contact met Justitie. Isde Minister van oordeel dat er bij het opnemen van aangiftes eenuitzonderingspositie moet worden gemaakt voor deelnemers aan hetlokale bestuur? Ik vraag dit omdat we allemaal weten dat we in tijden vanschaarste en krapte en van capaciteitsgebrek bij de politie en dergelijkeleven. Ik heb de vraag zojuist ook al besproken aan deze kant van de tafel.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VII, nr. 1020 Ik ben gewoon echt benieuwd wat de Minister daarvan vindt en of hijdenkt dat dat een goed idee is of niet.Minister Rijkaart:Daar moet ik echt nog even goed over nadenken, want als je iedereen eenuitzonderingspositie geeft, dan is uiteindelijk niemand meer belangrijk.Maar laat ik wel vooropstellen dat ik gewoon wel met de politie en het OMin gesprek ga om te kijken wat we nu specifiek voor deze laag doen. Mijnindruk is wel dat men dat intrinsiek graag op wil pakken. Ik wil nog weleven terugkomen op een klein voorbeeld dat gegeven werd over deveiligheid. Ik ken de casus niet, maar iemand werd echt bedreigd tot in degemeenteraadszaal zelf. Daar ligt natuurlijk wel een verantwoordelijkheidom de burgemeester in te schakelen om daar de nodige maatregelentegen te nemen; die verantwoordelijkheid heeft de burgemeester ook.Overigens gaan wij ook met de gemeenten in gesprek om te kijken hoe weze nu kunnen versterken zodat die taak echt veilig uitgevoerd kan worden,maar daar kom ik zo nog even op terug.De voorzitter:Gaat u verder.Minister Rijkaart:Dank u wel, voorzitter. Dan komt het kopje lokale democratie en deaantrekkelijkheid van de politieke ambten, zoals ik dat al even aankon-digde.De vraag van BBB, van mevrouw Wijen-Nass – zij komt trouwens uit eenmooie gemeente; ik ben er onlangs op vakantie geweest – was of deMinister van BZK kan toezeggen dat ook in deze demissionaire periodehet versterken van de lokale democratie niet stil komt te liggen. Jazeker. Ikblijf daar aandacht voor houden, want, zoals ik al zei, is de lokaledemocratie mij zeer lief. Ook in de brief over het waardevol ambt doen wedaar een aantal uitspraken over. We moeten ook wel een brede dialoogaangaan over de manier waarop we dit in de toekomst aantrekkelijk gaanhouden. Persoonlijk vind ik het heel aantrekkelijk, maar ik ken de zorgenwel die er zijn over het aantrekkelijk houden ervan. We moeten dewaardering daarvoor blijven uitspreken en hooghouden vanuit desamenleving.In navolging daarvan: de versterking van regio’s en lokale democratie zijnvan groot belang; hebben de regio’s en lokale democratie ook prioriteit?Jazeker. Wij werken aan het programma Elke regio telt! Juist voor delokale regio’s hebben we aandacht voor lokaal maatwerk en de verschillentussen de diverse regio’s. Daar worden de decentrale volksvertegenwoor-digers dan ook bij betrokken. Ik heb u gisteren een brief gestuurd over delaatste stand van zaken daarvan. Op 2 oktober hebben we daar volgensmij ook nog een commissiedebat over, dus dan kunnen we daaroververder spreken.Welke concrete stappen wil de Minister zetten om het wethouderschap enhet burgemeesterschap aantrekkelijker en beter uitvoerbaar te maken? Opzich is uit onderzoek gebleken dat het wethouderschap en het burgemees-terschap als aantrekkelijk ervaren worden. Die hebben een goedewaardering in cijfers, maar cijfers drukken niet altijd alles uit. Ik trek mijwel aan dat het onder druk staat. In de brief kom ik daar ook even opterug. Die schaduwkant herken ik wel. Het mag uiteindelijk niet zo zijn datde cijfers gaan dalen omdat die schaduwkant de overhand krijgt. Weproberen te investeren in betere opleidings- en ontwikkelingsmogelijk-heden. We kijken natuurlijk naar de norm voor het aantal wethouders. Webereiden wel wetsvoorstellen voor, maar de eerlijkheid gebiedt me ook tezeggen: voordat het eenmaal zover is dat het wetsvoorstel over dewethoudersnorm er werkelijk is, zal dat, door de hele systematiek,waarschijnlijk aan een nieuw kabinet zijn. Dat is wel een eerlijk antwoord.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VII, nr. 1021 Hoe willen we voorkomen dat kleine gemeenten geen kandidaten meerkunnen vinden? Dat is een zeer herkenbaar probleem, zeg ik als voormaligraadslid uit een kleine gemeente. Probeer de mensen maar eens te vindenen probeer dan bijvoorbeeld ook nog maar eens jongeren te vinden en diete enthousiasmeren. Ik denk dat iedereen zal herkennen dat je vaak ofiemand uit het netwerk moet kennen, of een keer ergens op Facebookreageert en meteen wordt uitgenodigd. Toch zou 15% van de mensen alsze gevraagd worden het zeker overwegen om een politieke functie tebekleden. Ik denk wel dat wij de komende maanden de communicatieover de mooie kanten van het politieke ambt kunnen versterken, om zotoch te kijken of wij mensen kunnen enthousiasmeren om in de politiekactief te worden. Mentornetwerken of ondervertegenwoordigde groepenzou je daar natuurlijk ook graag een positie in willen geven, maar ik hebook wel gehoord dat het vaak aan de politieke partijen zelf is om daarstappen in te zetten, ook al zou het heel mooi zijn. Zeker als we hethebben over het aanstellen in een politieke functie, geldt: als de politiekepartij dat van belang vindt, genieten die natuurlijk de voorkeur, natuurlijkbij gelijke geschiktheid, of het liefst bij betere geschiktheid.Er was een vraag of er wethoudersklasjes zijn. Ja, die zijn er dus. DeWethoudersvereniging organiseert wethoudersklasjes. Wij ondersteunende Wethoudersvereniging daar dus ook in, maar wellicht is dat nog watonderbelicht. Maar ze zijn er dus wel degelijk, net als de burgemeesters-klasjes. Of dat echt direct leidt tot meer wethouders en meer burge-meesters, is een zorg die ik dan nog wel heb.Wat gaan we doen om de werkdruk van wethouders te verlagen? Devoorbereidingen voor een wetsvoorstel om meer wethouders aan tekunnen laten stellen door gemeenteraden zijn al aangekondigd door mijnvoorganger, mevrouw Uitermark. Uiteindelijk zal, zoals ik al zei, ditvoorstel er pas in een volgende kabinetsperiode liggen, maar we hopenwel dat het dan aan gemeenten de mogelijkheid biedt om de werkdrukvan wethouders te verlagen.Dan kwam nog de vraag over ondersteuning en scholing. Zijn wij bereidom samen met gemeenten en politieke partijen te kijken naar de onder-steuning en scholing van lokale bestuurders en volksvertegenwoordigers?Jazeker. Dat doen wij ook al, want dat is al staand beleid. Maar ik herkenook wel enige schroom om daarin te investeren als je eenmaal in depolitiek zit. Dat komt ook omdat er natuurlijk best veel op je bordje komt.Je kan je tijd maar één keer uitgeven. Toch is het wel van belang dat mendaarin blijft investeren.Het was ook een beetje de vraag van de heer Koops: is er nu eenterughoudendheid of een relatie tussen de opleidingen die aangebodenworden en eventueel het opleidingsniveau en het in een politieke functiestappen? Dat denk ik niet. Ik zie het juist als aanvulling. Omdat dit werk zóspecifiek is, kunnen die opleidingen voor mensen die erin stappen juistvan belang zijn om ze voldoende te faciliteren en op vlieghoogte tebrengen bij alles wat er op je afkomt. Ik kan me als ex-raadslid heel goedindenken dat je niet op de hoogte bent van bijvoorbeeld alle wet- enregelgeving rondom ruimtelijke ordening. Vanuit mijn gemeente en rolwerd ik destijds goed gefaciliteerd. Het heeft mij niet tegengehouden,maar ik had de opleidingen wel nodig en die waren zeer welkom. Onlangshebben we een taskforce voor griffies en rekenkamers opgericht omonder andere ook daarin te investeren. De komende periode ga ik dan ookgraag met politieke partijen en uiteraard ook met gemeenten in gesprek.Dat was meteen ook het antwoord op uw vraag over de relatie met hetopleidingsniveau. Ik hoop althans dat die voldoende beantwoord is.Mevrouw Chakor vroeg naar de middelen voor beroeps- en belangenver-enigingen. Ze vroeg naar de 1 miljoen voor beroeps- en belangenvereni-gingen en de € 400.000 voor het Kennispunt lokale politieke partijen. Hoegaat dat? In het najaar verwacht ik te komen met een nieuwe subsidiere-geling, die daar meer richting aan gaat geven. Voor de beroeps- enTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VII, nr. 1022 belangenverenigingen zal dat onder andere gaan over opleidings- enontwikkelactiviteiten, dus reflectie, intervisie, informatievoorziening,advies en ondersteuning. De vraag is natuurlijk of dat altijd genoeg is,maar vooralsnog lijkt ons dat voldoende inzet om hen voor de komendetijd daarin te bedienen.Hoe gaan we ervoor zorgen dat de integriteitstoets en weerbaarheid-scheck door lokale politieke partijen gebruikt gaan worden? Willen we datbegeleiden? Ja, dat is een heel belangrijk selectieproces voor de gemeen-teraad. Daar moeten we zeker aandacht aan besteden. In maart hebbenwe vanuit het ministerie een brief gestuurd aan alle burgemeesters engriffiers om dit nogmaals onder de aandacht te brengen van alle politiekepartijen. Het is daar dus zeker onder de aandacht gebracht. Wij kregenterug dat het ook zeer gewaardeerd is dat we dat nogmaals onder deaandacht hebben gebracht. We hebben het niet alleen daar gedaan, maarook de bestuurdersverenigingen van politieke partijen, het Kennispuntlokale politieke partijen en de Nederlandse Vereniging voor Raadsledenzijn betrokken geweest in die verzending.Mevrouw Chakor vroeg naar diversiteit en inclusie en zei dat er geenafspiegeling van de samenleving was. Ik heb dat al een beetje behandeld.Ja, het is een goede wens om daar zeker naar te streven. Er zijn in depolitiek inderdaad echt groepen ondervertegenwoordigd. Dat kunnenvrouwen zijn of mensen met een niet-westerse migratieachtergrond, maarprobeer inderdaad ook maar eens jongeren te enthousiasmeren.Natuurlijk is het veel waard om vooral een zo breed mogelijke vertegen-woordiging te hebben in de lokale politiek, maar probeer dat maar eens terealiseren. U vroeg ook nog even om ... Ik hoor een interruptie.De voorzitter:Ja, er is een interruptie, maar het is handiger, denk ik, om dit deel met debeantwoording van mevrouw Chakor af te maken. Dan kom ik daarna bijde heer Koops.Minister Rijkaart:Oké. Natuurlijk zet ik me daarvoor in. Ik probeer zelf ook zo goed mogelijkeen uithangbord te zijn om actief te worden in de politiek, alhoewel ik nietdirect een minderheidsgroep vertegenwoordig, zoals u ziet. Maar u vroegook nog even naar cijfers. Dat is wel wat lastiger. We hebben wel watklassen en oriëntatieprogramma’s. Voor potentiële burgemeesterskandi-daten zijn de groeperingen die u had aangegeven momenteel met eenvertegenwoordiging van 20% tot 25% vertegenwoordigd. Dat percentagemag omhoog – dat moet omhoog, kunnen we ook wel zeggen – maar hetis toch ook vaak aan de mensen zelf om erin te stappen en over diedrempel heen te gaan. We proberen wel meer de doen dan enthousias-meren, maar dat wil niet altijd lukken natuurlijk.De heer Koops (NSC):Over ditzelfde onderwerp, dus diversiteit en inclusie, was een van deconstateringen dat het aantal vrouwelijke burgemeesters onwenselijk laagligt. Dan hebben we het dus niet over de afspiegeling van demaatschappij bij raadsleden en zo, maar diezelfde afspiegeling moetvanzelfsprekend ook onder burgemeesters worden nagestreefd. Kan deMinister kort toelichten of er plannen bestaan om ervoor te zorgen dat deman-vrouwverhouding onder de burgemeesters – laat ik het zo zeggen –goed wordt rechtgetrokken?Minister Rijkaart:Dat komt voornamelijk tot uiting in een selectieproces. Daar zittennatuurlijk meerdere stappen in om te komen tot een burgemeester. Of diedan man of vrouw is, is geen onderdeel van het directe selectieproces. Datzou ook niet wenselijk zijn. Uiteindelijk moet de beste kandidaat hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VII, nr. 1023 worden. We zien wel dat er wat betreft de animo door alle politieke lagenheen een scheefgroei is; daar zitten de burgemeesters dus ook bij. Aanons en aan eenieder, denk ik, de schone taak om vooral ook eenieder op teroepen om zich kandidaat te stellen. Het niveau maakt voor mij daar nietzozeer in uit.Mevrouw Chakor (GroenLinks-PvdA):Dank voor de beantwoording. U gaf net inderdaad terecht aan dat wewillen dat ons bestuur een afspiegeling is van de samenleving. U noemdedaarbij dat het heel lastig is om die cijfers boven tafel te halen. Als erinderdaad klasjes gevolgd worden, hoeveel mensen stromen er dan uit?Hoe zorg je ervoor dat de cijfers wat betreft man-vrouwverhouding,niet-westers en noem het maar op, omhooggaan? We krijgen in het najaareen brief. Zou de Minister daarin ook echt even hierop kunnen inzoomen?Volgens mij hebben wij de wens om ervoor te zorgen dat we de represen-tatie verhogen en vergroten. U zegt: er ligt ook veel verantwoordelijkheidbij mensen om zelf te solliciteren en daarnaast zit het ’m ook in deprocedure. Maar er zijn ook nog wel stappen die je zou kunnen zetten. Wemoeten toch even kijken wat we nou gedaan hebben met elkaar, hoe hetloopt, wat we nu doen en wat we in de toekomst meer zouden kunnendoen om ervoor te zorgen dat we daar grotere stappen in zetten dan wenu doen, want het loopt nog steeds heel erg achter als het gaat om deman-vrouwverhouding, laat staan om mensen met een migratieachter-grond. Ik vraag dus of u daar in de brief die dit najaar komt specifiek opkunt inzoomen, hopelijk ook met cijfers en concrete acties.Minister Rijkaart:Waar we cijfers hebben, wil ik best kijken of we die inderdaad in die briefkunnen verwerken, voor zover die beschikbaar zijn. Als daar heleonderzoeken aan ten grondslag moeten liggen, dan moeten we evenkijken hoe we daar handen en voeten aan gaan geven. Ik herken uw zorg.Wat zijn dan de concrete acties? We zijn, denk ik, allemaal van de concreteacties. Ik kan natuurlijk geen voorkeursbeleid of iets van dien aard uitgaan dragen, maar ik roep alle partijen er wel toe op om er vooralaandacht voor te hebben hoe ze dat zelf indelen. Daar hebben de politiekepartijen een rol in en de mensen zelf natuurlijk ook. Op dit moment is eenderde van de burgemeesters vrouw. Dat is niet direct enthousiast als jekijkt naar de verdeling in de samenleving. Dat mag best wat hoger. Weweten bijvoorbeeld wel dat 20% tot 25% van de deelnemers aan hetoriëntatieprogramma uiteindelijk ook doorstroomt om burgemeester teworden. Dan zie je toch dat die belemmering er is. Men solliciteert wel,maar je ziet ook dat het heel wisselvallig is hoeveel reacties er bijvoor-beeld op een burgemeestersvacature komen. Als er dan in die reacties omburgemeester te worden ook nog een onderverdeling moet zijn om eenbepaalde mate van diversiteit te creëren ... Als je misschien maar 4, 5 of6 kandidaten hebt, tegenover 27, dan is de spoeling soms gewoon heelerg dun voor de raden die er uiteindelijk over gaan om een kandidaat tekiezen. Het is dus wel een zorg. Ik heb uw opmerking gehoord. Ik probeererop terug te komen in de brief.Mevrouw Chakor (GroenLinks-PvdA):Dat is een toezegging.De voorzitter:Dat zou zomaar een toezegging kunnen zijn.Minister Rijkaart:Dat zou zomaar een toezegging kúnnen zijn, ja. Nee, maar met derestrictie «waar mogelijk»: we gaan natuurlijk wat we weten met u delenin de brief.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VII, nr. 1024 De heer Buijsse (VVD):Ik hoor de Minister zeggen dat 30% van de burgemeesters op dit momentvrouw is. Ik wist het kengetal niet, maar dat valt mij eerlijk gezegd reuzemee. Ik ben het natuurlijk met mevrouw Chakor eens dat we naar eensoort van representatie moeten van de verhouding in de samenleving.Maar als ik dan kijk naar topmensen in het bedrijfsleven, dan is er ook eensoort streefgetal, dat ook op 30% ligt. Dus het streven is dat van het aantaltopbestuurders in het bedrijfsleven 30% vrouw is. Bij burgemeestershebben we dat bereikt. Ik vraag me dan richting de Minister het volgendeaf. Het is goed om het in beeld te hebben, maar we gaan toch niet naareen quotum toe dat scherper is dan wat we nu hebben? Ik zou daarin ooknaar ander instrumentarium kunnen kijken. Ik weet bijvoorbeeld dat inBrabant de laatste jaren best veel vrouwelijke instroom is gekomen vanuitburgemeesters. Daar is, in samenspraak met raden die in die commissieszitten, met vertrouwenscommissies en de commissaris van de Koning,echt wel op gestuurd. Ik vraag me toch even af: wat gaat de Ministerdaarin doen?Minister Rijkaart:Ik moet het iets nuanceren. Het is niet 30% van de burgemeesters, maar30% van de kandidaten die de sollicitatieprocedure ingaan. U refereert aaneen streefgetal. Het streven zou zijn dat het een afspiegeling is van desamenleving. Maar dat kan je altijd uitspreken met elkaar. Of je daardaadwerkelijk toe komt, is natuurlijk een iets lastiger vraagstuk. Wantuiteindelijk kiest een gemeenteraad zijn of haar burgemeester. Daarvolgen wij als kabinet gewoon de procedure in. Het is altijd afwachten watdaaruit komt. Maar het streven om het een afspiegeling te laten zijn,onderschrijf ik.De voorzitter:Gaat u verder.Minister Rijkaart:Dan ben ik meteen bij de vraag van de heer Buijsse over wat de invloed isvan raadsleden. Ik herken wel enigszins dat raadsleden worstelen met devraag: waar gaan wij nu eigenlijk over? In de actieagenda heeft mijnvoorganger de benodigde acties op dat punt genoemd. Er komt ook nogeen rapport van de Raad voor het Openbaar Bestuur over medebewind-staken waarin daar ook op ingegaan wordt. Ik denk ook wel dat hier eentaak ligt voor enerzijds de raadsleden zelf. Die moeten zich vergewissenvan wat hun mogelijkheden zijn. Dan kom je weer terug op investeren indie opleidings- en educatiemogelijkheden. Maar ik wil toch ook welzeggen dat de bestuurderszijde ook tegen een raad zou kunnen zeggen:dit is het moment waarop u uw invloed kunt laten gelden. Dat is toch eenwisselwerking. Dus ik herken wat u zegt, maar dat vereist investeringenvan zowel de raadsleden zelf in het opleidingstraject alsook van debestuurders om hen daarop te wijzen en hen te begeleiden waar datenigszins wegvalt.De heer Buijsse (VVD):Het gaat over het tekenen-bij-het-kruisjefenomeen. Dat bracht ik zo in,omdat menig raadslid inderdaad weleens het gevoel heeft: wat is mijnpositie? Ik vind het op zich wel goed dat u inzet op de bewustwor-dingskant. Misschien moeten we aan de bewustwordingskant, aan deopleidingskant, raadsleden beter uitleggen wat hun positie eigenlijk is. Datneemt niet weg dat die bewegingsruimte at the end of the day ... Wehebben die Wet gemeenschappelijke regelingen aangepast. Dat heeft alwat meer inspraak en positionering van die raadsleden opgeleverd. Maarhet blijft nog steeds krap. Ik snap dat het niet vandaag afgerond zalworden, maar ik zou dus eigenlijk een pleidooi willen houden om ook inTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VII, nr. 1025 de politiek in het algemeen te bekijken hoe we op nieuwe manierenhierover kunnen denken, na die aanpassing van de Wet gemeenschappe-lijke regelingen destijds, zodat raadsleden in die positie toch een sterkeremotivatie kennen voor hun werk. Dat is waarvoor ik zou willen pleiten.Dus dat is meer dan alleen die bewustwordingskant. Dat zou ik deMinister willen vragen.Minister Rijkaart:Enerzijds vraagt u om meer dan de bewustwordingskant, terwijl uanderzijds toch vraagt om meer aan de bewustwordingskant. Ja, diegemeenschappelijke regelingen zijn aangepast. Dat is een stap in derichting die u wenst. Of daar een verdere aanpassing voor nodig is ... Datis niet meer mogelijk. De laatste ronde is inmiddels ingegaan. Dat is tochwel afgesloten. Er blijft wel aandacht voor. In de ontwikkeling van hetbeleidskader decentraal bestuur en diverse andere gremia vragen we daarnog steeds aandacht voor. Ik vergat het net even te noemen, maar het iswel een belangrijke speler in het bestuur; er ligt hier, denk ik, ook eenschone rol voor bijvoorbeeld griffiers om het openbaar bestuur daarin tebegeleiden. Het is dan weliswaar een lekenbestuur, maar juist die mensenhebben we ook ingesteld om daar een rol in te pakken.Dan kom ik bij de laatste vraag van het blokje, voorzitter. GroenLinks-PvdAen BBB hadden het over een aanpassing van de omvang van gemeente-raden. Moeten de kleine gemeenteraden ook meegenomen worden in deverkenning? Jazeker. Het is niet zo dat het alleen over de grote raden gaat.Wel is gebleken dat het bij de grote gemeenten zinvol is om de gemeente-raden uit te breiden, want daar zat de grootste scheefgroei. Maar dat wilzeker niet zeggen dat we de kleine gemeenteraden niet meenemen in deverkenning.Voorzitter. Ik kom bij het blokje bestuurbaarheid en uitvoerbaarheid. Hetterugdringen van bureaucreatie: dat is sympathiek; daar kunnen we nooitop tegen zijn, zou je zeggen. U vraagt eigenlijk om een toezegging dat ikin gesprek ga met de collega’s van Economische Zaken en Klimaat enGroene Groei over de problematiek van Moerdijk en Borssele. Dat gesprekga ik aan. Ik ga ze informeren over het signaal dat u geeft. Natuurlijk isbureaucratie terugdringen een hardnekkig iets. We zeggen weleens: alswe een nieuwe regel verzinnen, laten we dan kijken of we er twee kunnenschrappen. Dat is over het algemeen ook politiek heel sympathiek, maardat blijkt toch heel weerbarstig. Natuurlijk gaan we het wel hebben overonder andere de UDO-toets die we daarbij hebben en die behulpzaam kanzijn. Maar we moeten daar zeker nog hard aan werken; dat ben ik met ueens.Er zijn verschillen tussen gemeenten als het gaat om voorzieningen in hetsociaal domein voor mensen met een kleine beurs. U vroeg hoe we dieverschillen kunnen verkleinen en welke stappen we hier kunnen zetten.Dat gaat over inkomensafhankelijke regelingen. Dat ligt toch echt bij mijncollega van Participatie en Integratie van SZW. Maar er is wel aandachtvoor vanuit diverse programma’s. Ik noem het Nationaal ProgrammaArmoede en Schulden, waar SZW, VNG en Divosa bij betrokken zijn om tekijken hoe dat in te vlechten is in het gemeentelijke armoedebeleid. Lokaalmaatwerk is mogelijk, maar wel zeer beperkt. Dat heeft u zelf ook alonderkend. Maar de Staatssecretaris van SZW zal rapporteren over devoortang hiervan. Dat zal in het voorjaar van 2026 zijn.De heer Buijsse (VVD):De toezegging wordt gedaan om met de collega’s binnen het kabinet overde situatie bij Moerdijk te spreken, waarvoor dank. Zou dat ook alstoezegging op de lijst kunnen, omdat daar aan deze kant van de tafel watverwarring over is?Minister Rijkaart:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VII, nr. 1026 Ik vind dat een hele mooie, maar hoe hoog ligt de drempel van het doenvan toezeggingen, waar ongetwijfeld weer het een en ander aan vastzit? Ikhoop dat u mij erop vertrouwt dat ik dat gesprek gewoon aanga.De voorzitter:U krijgt van meneer Buijsse een toelichting op de drempel.De heer Buijsse (VVD):Ik heb zeer veel vertrouwen in deze Minister; laat ik dat vooropstellen.Minister Rijkaart:Maar controle is beter, vermoed ik!De heer Buijsse (VVD):Kijk, het is een serieuze zaak voor deze inwoners, in het bijzonder inMoerdijk, die ik vandaag gesproken heb. Dat is niet één inwoner, dat zijner niet tien; het gaat over een compleet dorp dat hier zorgen over heeft.Ja, mevrouw Chakor, dat is gewoon zo. Het is een serieuze zaak. Zijervaren toch een gebrek aan empathie waar die ambities zich stapelenvanuit het Rijk, alle goede bedoelingen ten spijt. Ik zou heel graaggeadresseerd en teruggekoppeld zien via een brief wat de bevindingen opdat punt zijn. Dat hoeft niet hoogdravend te zijn, maar ik vind het echt eenheel belangrijke zaak voor de inwoners die het in dit geval betreft. Zijzitten ermee.Minister Rijkaart:Ik herken uw zorg. Laten we dat gewoon op die manier doen. Dat geeftinvulling aan het gewicht dat u hier op tafel legt.De heer Koops (NSC):De UDO-toetsen kwamen net heel kort even langs. Ik had nog een kleinvraagje daaraan vastzitten. Ik hoop tenminste dat ik het zojuist gezegdheb. Ik bedoel het UDO-register. Kan de Minister daar nog even opingaan? Komt dat register er echt? Het leek mij namelijk zo nuttig.Minister Rijkaart:Ik kom zo op uw vraag terug. Die zit in het volgende hoofdstuk en is zekerniet uit het zicht.Voorzitter, ik zal vervolgen. Verschillen tussen gemeenten voor wat betrefthet sociaal domein en mensen met een kleine beurs: die vraag had ikvolgens mij net beantwoord.Dan de uitvoerbaarheid van beleid, de verhouding tussen Rijk engemeente, en rust, reinheid en regelmaat. Welke meetlatmiddelen zijn ermet het oog op balans? Hoe borgt de Minister dat gemeenten bij nieuwetaken automatisch gecompenseerd worden, zoals het hoort? Dat was eenvraag van het CDA. Daar zit onder andere die UDO-toets in. Die isverplicht. De uitkomst daarvan moet boven water komen. Die is overigensopenbaar en zit navolgbaar in het traject om te komen tot een besluit. Datis verwoord in de memorie van toelichting. Het kabinet heeft in 2024/2025ook met de medeoverheden in het overhedenoverleg daarover gesproken.Er moet continu aandacht voor zijn. Er is een interbestuurlijke samenwer-kingsagenda opgesteld voor de meest complexe vraagstukken om tekijken hoe we komen tot een werkbare uitvoering. Mijn ambtsvoorgangerheeft een voortgangsbrief over de Actieagenda Sterk Bestuur naar deKamer gestuurd. Daarover gaan wij in een nader commissiedebat metelkaar in debat, zo is mij verteld.De heer Koops vroeg naar een afwegingskader. We hebben diverseafwegingskaders. Ik probeer ze allemaal maar even af te werken voor u.Het afwegingskader voor de regio komt in de tweede helft van 2026. Hetbeleidskader decentraal en gedeconcentreerd bestuur komt in hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VII, nr. 1027 voorjaar van 2026. Te uwer informatie: deze zijn beide toegezegd in debrief van 27 juni. Dat is de brief over de voortgangsagenda goed bestuur.Dit is een mooie vraag: kunt u aangeven in hoeveel gevallen de UDO heeftgeleid tot het bijstellen van een wetsvoorstel? U vroeg ook even naar eenregister. Er is geen register, maar de UDO’s zijn dus wel openbaar. Ze zijna verplicht en b navolgbaar. We hebben gezegd: twee jaar na inwerking-treding volgt een evaluatie. Ik heb uw vraag gehoord. In 2028 zal dieevaluatie uiteindelijk komen. Momenteel wordt daarvoor een nulmetingontwikkeld. Daarmee kan je wat zeggen over de cijfers die er uiteindelijkuitkomen, want anders weet je de beginsituatie niet. We moeten kijkenwat de effecten zijn op het moment dat de UDO heeft plaatsgevonden enof er dan daadwerkelijk een bijstelling van beleid heeft plaatsgevonden.Wellicht is het aardig voor u om te weten dat er momenteel een zestigtalUDO’s in ontwikkeling zijn. Die zitten in verschillende fases: in ambtelijkevoorbereiding, in consultatie, openbaar, bij de Kamer en afgerond. Dat iswat ik daarover inmiddels kan zeggen.Dan waren er een aantal vragen over de rechtspositie van ambtsdragers.Daar ben ik onder anderen zelf in andere vormen uitgebreid bij betrokkengeweest. De stand van zaken van het wetsvoorstel voor de wijziging vande verlof- en vervangingsregeling voor politieke ambtsdragers wordt in deloop van 2025 – er resteert nog maar een klein deel van dat jaar – inconsultatie gegeven. Daar zitten onder andere uitbreiding van regels voorverlof in voor dagelijks bestuurders en volksvertegenwoordigers enuitbreiding en flexibilisering van de verlofvormen van dagelijksbestuurders. Dat volgt ter consultatie in 2025.U vroeg ook naar de verlof- en vervangingsregeling voor volksvertegen-woordigers: waarom wordt die niet uitgebreid? We gaan de duurflexibiliseren, maar niet uitbreiden. Ik snap de wens op zich wel, maar erzit ook wel een beetje een principiële kant aan. Het zijn van volksvertegen-woordiger heeft toch ook wel een persoonlijk karakter met een kiezers-mandaat. De Grondwet zegt dan dat vervangen mogelijk is als de takenniet kunnen worden uitgevoerd vanwege eigen ziekte, zwangerschap ofbevalling. Ga je dan een hellend vlak op van veel vervangingen enwijzigingen in de samenstelling? Het laatste grondwetsartikel hieroverstamt uit 2006. Dat is in grondwettermen redelijk nieuw. Er is al uitvoeriggesproken over andere verlofvormen, maar de grondwetgever heeft erbewust voor gekozen om deze regeling op deze manier in te richten. Alshet gaat om het verlichten van de werkdruk, moet ik toch even kijken naarandere mogelijkheden. Maar de verlofregeling uitbreiden qua verlof-vormen is niet de koers waarop ik inzet.Dan een vergoeding voor commissieleden. U spreekt met eenex-commissielid. Ik herken mij daar zeer in. Het is een zeer lagevergoeding voor zeer veel uren, die alle betrokken commissieleden opdiverse niveaus toch in hun politieke werk stoppen. Kunnen we toezeggendat we dan ook in het onderzoek de vergoeding van commissieledenmeenemen? Ja, zeker. We moeten dan ook even kijken of dat helecommissiestelsel überhaupt nog aansluit bij de huidige praktijk en hoe datwordt ervaren. Ik neem mijn persoonlijke ervaring natuurlijk ook mee indat onderzoek.Wat verklaart het verschil tussen de raadsvergoeding en de Statenver-goeding? Dat is inderdaad een goede vraag. De Statenvergoeding ismomenteel gelijkgesteld aan de raadsvergoeding van een gemeente van100.000 tot 150.000 inwoners. Momenteel zitten we wel in een heel bredeevaluatieronde. Het ARPA, een adviescollege, komt met een advies overeigenlijk alle politieke bestuurslagen, zowel aan de bestuurszijde als aande publieke zijde, over de impact van het werk en de waardering die eraanvastzit. Ter info: dat is voor raadsleden, Statenleden, maar ook burge-meesters, wethouders en commissarissen van de Koning. Maar ookwaterschapsbestuurders en waterschapsleden van de verenigde verga-dering zijn daarin niet vergeten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VII, nr. 1028 Mevrouw Wijen-Nass (BBB):Eén korte vraag ter verduidelijking. Gaat het onderzoek dan over alle grotegemeenten of is het vanaf een bepaald inwoneraantal?Minister Rijkaart:Nee, de vergoedingen worden echt over de volle breedte meegenomen,dus zowel kleine gemeenten als grote gemeenten zijn erin meegenomen.Hoe weet ik dat? Ik zat zelf in die vergadering. Ik was erbij. Daar is ookruim aandacht gevraagd voor de kleinere gemeenten en de verenigdevergadering van waterschappen.De voorzitter:Mevrouw Wijen-Nass, een vervolgvraag.Mevrouw Wijen-Nass (BBB):Nog één verduidelijkingsvraag. In de brief van 18 juni staat op pagina 11,onder b, best wel duidelijk: «Verkenning en voorbereiding aanpassingstaffel (grootste) gemeenteraden». Daarom sloeg ik daarop aan endaarom heb ik er ook zo specifiek naar gevraagd.Minister Rijkaart:Ik denk dat geduid wordt op het aanpassen van de gemeenteraadsgroottetot grote gemeenten van 200.000, maar dat is wat anders dan waar ik opduid. Ik duid echt op de individuele vergoeding voor de volksvertegen-woordigers in brede zin.Mevrouw Wijen-Nass (BBB):Duidelijk. Naar dat antwoord was ik inderdaad op zoek. Dank.De voorzitter:Dat is positief. Gaat u verder, Minister.Minister Rijkaart:Voorzitter. Voor de combinatie uitkering en raadslidmaatschap is breedaandacht gevraagd. Ik herken ook een beetje de worsteling die zich hiervoor mij voltrok. Natuurlijk moeten uitkeringsgerechtigden ook kunnenmeedoen in de politiek. Daar zijn ook vragen over gesteld, die ik zospoedig mogelijk ga proberen te beantwoorden. Het is primair eenregeling van onder andere SZW, maar er zitten ook belastingtechnischekanten aan. Het is een heel brede vraag die u heeft gesteld. De stelregel isdat voor uitkeringsgerechtigde raadsleden dezelfde kortingsregels geldenals voor uitkeringsgerechtigde werknemers met neveninkomsten. Dat ishoe het nu werkt. Eigenlijk gaat het over waar men te laat mee wordtgeconfronteerd, dus er ligt ook wel een vraag in de voorlichting aan devoorzijde over wat de nu geldende regels zijn en wat die betekenen als jeinstapt. Die zorg herken ik. De geldende regels ga ik nogmaals onder deaandacht brengen, om zo duidelijk te maken, ongeacht op welke politiekefunctie je instapt, wat voor effect dat heeft qua samenloop met eenuitkering.Mevrouw Chakor (GroenLinks-PvdA):Dank dat de Minister onze vragen snel wil beantwoorden. Dat is heel fijn.Ik vind het heel fijn om te horen dat u wil gaan kijken wat er mogelijk is. Ikdenk dat het heel goed is dat raadsleden kunnen vertrouwen op eenveilige regeling zonder zich zorgen te maken over fraude of zonder dat zehun uitkering verliezen na of tijdens het ambt. Dat zie je ook terugkomenin het onderzoek van de Vereniging voor Raadsleden. Kan de Ministeraangeven of hij bereid is om in gesprek te gaan met de Vereniging voorRaadsleden? Dan kunnen we kijken wat daaruit komt en aan welkeknoppen we moeten draaien om te zorgen dat we het in ieder gevalTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VII, nr. 1029 simpeler maken. Kan de Minister ook een brief sturen over de uitkomstenvan het gesprek en kan hij alles even op een rij zetten: welke concretestappen gaan we nu met elkaar zetten om te zorgen dat we dit ook echtfiksen? Ik vind het wel belangrijk dat we dit met elkaar oplossen en dat wezorgen dat deze drempel die er steeds is ... Raadsleden die een uitkeringhebben, twijfelen soms echt of laten het ambt soms zelfs gaan omdat zebang zijn voor onzekerheid tijdens of na het ambt. Dan gaat het vaak omfinanciële afwegingen.Minister Rijkaart:Natuurlijk wil ik in gesprek met de Vereniging voor Raadsleden; dat lijktme heel zinvol. Toch wil ik de verwachtingen een beetje temperen. Deregels zoals ze er nu zijn, zijn er. Op het moment dat we aan knoppengaan draaien, willen andere mensen die een bepaalde taak in het publiekedomein op zich nemen, misschien ook wel bepaalde voordelen daarvanhebben. Dat maakt het wel een beetje lastig. Maar ik ga zeker met deVereniging voor Raadsleden in gesprek om te kijken wat de mogelijk-heden zijn. Als er echt iets uitkomt wat we kunnen doen, dan wil ik daarnatuurlijk naar kijken. Maar zoals ik zeg, temper ik de verwachtingen weleen beetje. Ontegenzeggelijk moet de voorlichting aan de voorzijde oporde zijn. Ik ben er net op ingegaan dat ik daar aandacht voor ga vragen.Ook het UWV heeft daar een voorlichtende taak in. Je wil natuurlijk – datherken ik helemaal – voorkomen dat iemand met veel enthousiasmeinstapt en achteraf geconfronteerd wordt met negatieve effecten.De voorzitter:Dat is al een antwoord op uw vraag voordat die gesteld is, mevrouwChakor.Mevrouw Chakor (GroenLinks-PvdA):Ik wil er toch even op reageren. Ik denk dat het inderdaad belangrijk is datde uitvoeringsorganisaties meegenomen worden in de gesprekken. Diehebben ook een belangrijke taak om te zorgen voor de informatie. Ik werdwel getriggerd doordat de Minister zei: we moeten natuurlijk ook wel deverwachtingen temperen, want het kan ook een soort stimulans zijn om ...Ik weet niet wat hij daarmee bedoelde, maar ik proefde een beetje eensoort zorg van «wat betekent het en wat voor effect heeft het wanneer weaan knoppen gaan draaien?» Maar ik vraag aan de Minister om ervoor tezorgen dat we het, met de uitvoeringsorganisaties, met de vereniging,maar ook met de slachtoffers hiervan, raadsleden die echt noodge-dwongen hebben moeten stoppen of niet eens het ambt durfden aan tegaan, makkelijker voor hen maken. Ik vraag gewoon om ervoor te zorgendat we dit organiseren met elkaar. Het is ook belangrijk dat de Kamer weetwelke acties en stappen er genomen moeten worden, want wij worden erook op bevraagd. Wij krijgen natuurlijk al die signalen en gaan in gesprekmet mensen, dus wij willen dat gewoon heel helder hebben. Zij wetenheel goed wat ze verwachten en wat ze nodig hebben, zonder dat weaannames doen over «zetten we nou de deur open voor allerlei anderegroepen». Daar hebben we het helemaal niet over. We hebben het overdie duidelijkheid en juist het makkelijker en duidelijker maken voormensen.Minister Rijkaart:Wij betrekken ook de diverse uitvoeringsorganisaties. Natuurlijk, er is eenverschil tussen duidelijker maken en makkelijker maken. De regels die weop dit moment hebben, zijn nu eenmaal geldend. Maar ik ben het wel metu eens dat het aan de voorkant duidelijk moet zijn wat die regels zijn enwat de effecten zijn op het moment dat een uitkeringsgerechtigde in eenfunctie in het politieke bestel wil stappen. Ik heb daarvan gezegd dat wehet gesprek aangaan. We betrekken ook de uitvoeringsorganisatiesTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VII, nr. 1030 daarbij. Met «de knoppen waar we aan kunnen draaien» bedoelde ik dat ikme kan indenken dat er een aantal suggesties gaan komen uit het gesprekmet de Vereniging voor Raadsleden. Met «het temperen van de verwach-tingen» bedoelde ik dat het heel makkelijk is om suggesties te doen, maardat het een tweede is om ze ten uitvoer te brengen. Dat bedoelde ik met«het temperen van de verwachtingen»: de conclusie moet niet automa-tisch zijn dat alles wat voorgesteld wordt, ook zo maar even geregeld is.De voorzitter:U heeft een vervolgvraag? Heeft u een vervolgvraag?Mevrouw Chakor (GroenLinks-PvdA):O! Ik dacht dat ik al gevraagd had of we hier ook een terugkoppeling vankrijgen in een brief en wanneer dat dan is.De voorzitter:Een goede vervolgvraag.Minister Rijkaart:Die terugkoppeling kunnen we doen in de beantwoording van de TweedeKamervragen; dat is mijn intentie in ieder geval. Het komt er dus aan.De voorzitter:Gaat u verder.Minister Rijkaart:Dan moet ik wel even mijn administratie op orde hebben, zodat ikniemand vergeet. Er was een vraag van het CDA over het combineren vande campagnes voor de Tweede Kamer en de gemeenteraad. Dat iscommunicatief ietwat onwenselijk. Dan maak je twee dingen belangrijk inéén campagne en dan zijn twee dingen ineens niet meer zo belangrijk.Maar we blijven natuurlijk ten volle inzetten op het belang van de TweedeKamerverkiezingen die eraan komen, eind oktober, en ook op eenpubliekscampagne voor de gemeenteraadsverkiezingen. Beidecampagnes zijn even belangrijk voor de uitstraling en voor de opkomst –want ik herken wat er gezegd is – dus die willen we ook graag individueelde aandacht geven die ze verdienen.Dan bleef over de vraag over de vernietiging van de kwijtscheldingsveror-dening Utrecht, over de kwijtscheldingsnormen. Daar is vorig jaar eenmotie aangenomen om de mogelijkheden voor kwijtschelding vangemeentelijke belastingen gelijk te stellen aan de vermogensnormen in deParticipatiewet. Er loopt momenteel een onderzoek naar de mogelijk-heden daarin. De verwachting is dat dit onderzoek aan het einde van ditjaar wordt opgeleverd. Ik zal de Kamer daar dan over informeren.Voorzitter. Dan ben ik volgens mij door alle vragen heen.Mevrouw Chakor (GroenLinks-PvdA):Misschien heb ik het gemist, maar heeft de Minister de vraag overcommissieleden beantwoord?Minister Rijkaart:Als die vraag ging over het meenemen van de commissieleden in deevaluatie, heb ik die inderdaad beantwoord.De voorzitter:Dank aan de Minister voor de beantwoording in de eerste termijn. Ik ganaar de tweede termijn. U heeft 1 minuut 40. Meneer Buijsse.De heer Buijsse (VVD):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VII, nr. 1031 Voorzitter. Ik wil richting de Minister aangeven dat hij het heel goedgedaan heeft, zo voor de eerste keer; lof daarvoor. Dank voor de beant-woording, die wat mij betreft gewoon goed is geweest.Dat is het effe voor dit moment, voorzitter. Dank je wel.De voorzitter:Dank u wel. Mevrouw Wijen-Nass.Mevrouw Wijen-Nass (BBB):Dank u wel, meneer de voorzitter. Ik zou graag een tweeminutendebatwillen aanvragen. Dank aan de Minister voor de beantwoording. Voor nuheb ik geen verdere bijdrage meer.Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel. Mevrouw Chakor.Mevrouw Chakor (GroenLinks-PvdA):Dank, voorzitter. En dank, Minister, voor de heldere beantwoording. Het isgoed dat u even stilstond bij de verschrikkelijke gebeurtenis richtingburgemeester Buma. Dat moeten we natuurlijk nooit normaliseren. Dat isniet normaal.Ik ben heel blij met bepaalde toezeggingen. We zien bijvoorbeeld deuitbreiding van de omvang van gemeenteraden terug, maar ook decommissieleden. Ik kijk natuurlijk heel erg uit naar de beantwoording vanonze schriftelijke vragen met betrekking tot raadsleden met een uitkering,waarin ook weer terugkomt wat we net hebben besproken.Ik had nog wel een punt met betrekking tot de verlofregeling en deflexibilisering voor volksvertegenwoordigers. Ik vind dat met die knip welwordt gekozen voor bestuurders en niet voor volksvertegenwoordigers. Ikheb het daar eerder ook met uw voorganger over gehad. U gaf aan: dit isniet de koers van deze Minister. Ik vind het een gemiste kans, ook omdatwe daar veel vragen en ook signalen over krijgen van raadsleden ofStatenleden, in ieder geval van volksvertegenwoordigers. Het is altijdgoed om als Kamer ook aan de slag te gaan, bijvoorbeeld met initiatief-wetgeving. Het is natuurlijk een langer traject om dat aan te pakken. Ik benin ieder geval strijdbaar om daar verder mee te gaan.Dank voor de beantwoording.De voorzitter:Dank u wel. Meneer Koops.De heer Koops (NSC):Laat ik het zo zeggen: ik ga mijn zorg nu formuleren in de vorm van eenoproep. Die is heel simpel. De gemeenteraadsverkiezingen komen eraanen zijn ongelofelijk belangrijk. Ik volg de Minister helemaal als hij zegt:twee belangrijke dingen moet je in de vorm van een reclamecampagne ofzo niet gaan samenvoegen; dat moet separaat zijn. Maar omdat diegemeenteraadsverkiezingen al zo snel zijn, in maart, zit er ook een vormvan urgentie achter een aantal heel concrete maatregelen die de Ministerhier al heeft aangekondigd. De oproep is dan ook als volgt. Ik hoop echtdat u zo veel mogelijk voor elkaar krijgt en kan meenemen dat mensenertoe aanspoort om mee te doen, om echt actief van binnenuit mee tedoen aan de volgende verkiezingen en vanaf dat moment een invulling tegeven aan raadslidmaatschap.Tot slot dank ik de Minister heel erg voor zijn inspanningen hier. Het is eentroostrijke en goede gedachte dat de Minister zo veel ervaring heeft in hetlokale bestuur, die volop inzet en daar niet omheen draait. Dat is gewoonfijn. Dank u, dus.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VII, nr. 1032 De voorzitter:Dank u wel. Daarmee komen we aan het einde van de tweede termijn vande kant van de commissie. Ik geef het woord aan de Minister. Ik vermoeddat u niet heel veel schorsingstijd nodig heeft.Minister Rijkaart:Nee, voorzitter. Er zijn geen aanvullende vragen gesteld. Ik wil iedereenbedanken voor de betrokkenheid. Die is mij wel helemaal duidelijk. Ik benook blij dat mijn betrokkenheid bij het lokale bestuur bij u overgekomenis. De complimenten neem ik graag in ontvangst. Ik blijf mij inzetten omiedereen op te roepen om vooral naar die verkiezingen te gaan. Het is eenbelangrijk onderdeel van de democratie die wij hier hebben. We wetenallemaal dat die wereldwijd niet altijd even groot meer is als in Nederland.Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel. Daarmee komen we aan het einde van de tweede termijn,maar nog niet aan het einde van de vergadering. Ik heb een aantaltoezeggingen. Let u goed op.−De Minister zegt toe in een brief over de versterking van het lokalebestuur, die in het najaar volgt, waar mogelijk nader in te gaan opdiversiteit binnen het lokaal bestuur en hoe die te vergroten. Dat is eentoezegging aan mevrouw Chakor.−De Minister zegt toe met EZ en KGG in gesprek te gaan over deproblematiek in Moerdijk en de Kamer hierover zo spoedig mogelijk teinformeren. Dat is een toezegging aan de heer Buijsse.Dan denk ik dat ik alle toezeggingen heb. Uiteraard hebben we genoteerddat mevrouw Wijen-Nass een tweeminutendebat aanvraagt.Daarmee komen we aan het einde van dit commissiedebat. Ik dank uallemaal voor uw aanwezigheid. Ik dank u uiteraard, Minister, voor dezeeerste keer. Dat is toch wel weer eventjes een stap. Het ging u goed af,naar mijn idee. Dat mag de voorzitter misschien ook wel zeggen. Ik komtot het einde van de vergadering. Ik sluit ’m en wens u wel thuis.Sluiting 19.42 uur.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VII, nr. 1033
Gerelateerde bronnen
- Versterking lokaal bestuur
Verslag van een commissiedebat, gehouden op 10 september 2025, over Versterking lokaal bestuur
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.