Vervolgpakket Nederland van het slot
Brontekst
Versie 117d22b763d94950 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202635 334Problematiek rondom stikstof en PFASNr. 413 BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, VISSERIJ, VOEDSEL-ZEKERHEID EN NATUUR Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 16 september 2025Het kabinet werkt al geruime tijd aan stappen voor economie en natuur-herstel. Daarbij wordt ook de inbreng van medeoverheden, maatschappe-lijke partners en kennisinstellingen benut om zo tot een aanpak te komenvoor Nederland. Uw Kamer heeft bij herhaling het belang hiervanonderstreept en met moties verzocht om voor Prinsjesdag te komen metnadere plannen. De uitspraken van de Raad van State1 in december 2024over intern salderen en de daaropvolgende ontwikkelingen warendaarvoor mede aanleiding, en hebben de urgentie benadrukt om tewerken aan het vraagstuk natuurherstel en economie voor Nederland. Datraakt de bouw, verduurzaming, infrastructuur, de industrie, agrarischeondernemers en de paraatheid van defensie.Met het startpakket «Nederland van het slot» heeft het kabinet op 25 april2de éérste stappen gezet om Nederland weer vooruit te helpen enondernemers perspectief te bieden. De afgelopen periode is hard gewerktaan de uitvoering van de maatregelen uit dit startpakket, zodat de eersteresultaten concreet geboekt worden. Álle concrete afspraken uit datstartpakket krijgen inmiddels vorm, in de bijlage wordt dat uiteengezet.Het kabinet ziet de urgentie om vervolgstappen te zetten om Nederlandvan het slot te halen. Daarom kiest het kabinet ervoor om nu, ondankshaar demissionaire status en mede op aansporing van uw Kamer3 en demoties Grinwis en Vedder4, om te komen met een richtinggevendvervolgpakket gericht op emissiereductie en natuurherstel: nu en in detoekomst. Ook kiest het kabinet ervoor om de borging van de aanpak1Uitspraak 202201311/1/R2 – Raad van State (Rendac) en Uitspraak 202200383/1/R2 – Raad vanState (Amercentrale).2Kamerstuk 35 334, nr. 362.3Kenmerk 2025Z13820 (betreft het verzoek van het lid Grinwis in het debat van 1 juli 2025 omhet maatregelenpakket naar de Kamer te sturen).4Kamerstuk 35 334, nr. 388. kst-35334-413ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 334, nr. 4131 verder vorm te geven. Dit vervolgpakket bouwt voort op de architectuurvan het startpakket en biedt ook houvast en richting voor de vervolg-stappen die hierna nog nodig zullen zijn. Voor het vervolgpakket reser-veert het kabinet in de miljoenennota incidenteel € 2,6 mld. en structureel€ 287,5 miljoen, waarbij verfijning en uitwerking plaats zal vinden in dekomende periode, ook met betrokken partners.Bij het opstellen van dit vervolgpakket en de verdere uitwerking van deborging zijn nadrukkelijk alle overwegingen van uw Kamer betrokken, inhet bijzonder de toezeggingen en moties, en is zo goed als mogelijkverbinding gezocht met medeoverheden en maatschappelijke partijen.Ook zijn de reflecties van het kennisconcortium (PBL, Deltares, RIVM,WUR) en uitvoeringspartijen benut bij de vormgeving van de aanpak,evenals bij de verdere uitwerking. Dat geldt ook voor het eerdere adviesvan de Landsadvocaat en de adviezen van de Raad van State. De motieVedder c.s.5 en de motie van Campen en Grinwis6 beschouw ik hiermeeals afgedaan. De reflectie van het kennisconsortium is op een eerdermoment al met de Kamer gedeeld7. De adviezen van de uitvoeringsorga-nisaties zijn als bijlage bij de huidige brief aan de Kamer verzonden.Omdat het kabinet veel waarde hecht aan de informatiebehoefte aan deKamer, zijn ook alle geagendeerde stukken die in de afgelopen periodehebben voorgelegen in de MCEN/onderraad, voor zover niet eerdergepubliceerd, als bijlage bij deze brief aan de Kamer verstuurd.De komende periode gaat het kabinet hard aan de slag om het vervolg-pakket verder uit te werken en ten uitvoer te brengen, tezamen met destappen uit het startpakket. Ook bij de realisatie van deze maatregelenblijft de betrokkenheid van medeoverheden en maatschappelijke partijenonverminderd belangrijk. Het kabinet blijft met hen in gesprek en gebruiktde input van de partijen bij de verdere uitwerking van de vervolgstappen.Uw Kamer zullen we regelmatig blijven informeren over de voortgang.In deze brief komen achtereenvolgens de volgende onderdelen aan bod:1.Vervolgpakket «Nederland van het slot»: financiën en maatregelen2.Borging van de aanpak3.Betrokken reflecties, adviezen en voorstellen4.VervolgOok worden de volgende documenten als bijlage bij deze brief aan deKamer verstuurd:I.UitvoeringsagendaII.Adviezen uitvoeringsorganisatiesIII.MCEN-stukken afgelopen periode1. Vervolgpakket «Nederland van het slot»: financiën enmaatregelen Net als met het startpakket zet het kabinet met het richtinggevendevervolgpakket in op emissiereductie en natuurherstel, in combinatie meteen verbeterde borging van de aanpak. Sommige maatregelen waren alonderdeel van het startpakket, en worden nu met het vervolgpakketverder uitgebreid. Andere maatregelen in het vervolgpakket zijn nieuw.Aan het vervolgpakket zijn zowel financiele als inhoudelijke elementenverbonden.5Kamerstuk 35 334, nr. 386.6Kamerstuk 35 334, nr. 308.7Kamerstuk 35 334, nr. 409.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 334, nr. 4132 FinanciënDe vervolgstappen worden financieel gedekt uit het restant van delandbouwenveloppe die bij het hoofdlijnenakkoord beschikbaar is gesteldvoor het LVVN-domein en krijgt de komende tijd verdere verfijning enuitwerking. Zodoende ziet het vervolgpakket enkel op maatregelen gerichtop landbouw en natuur. De middelen voor deze maatregelen zijn bij deaugustusbesluitvorming overgeheveld naar de begroting van LVVN(artikel 51), zoals toegelicht in de miljoenennota. Daarmee is de gehelelandbouwenveloppe uit het hoofdlijnenakkoord beschikbaar gekomen opde LVVN-begroting. In de uitwerking en implementatie zal met betrokkenpartijen gewerkt worden aan verdere precisering en verfijning, bijvoor-beeld rondom de sluitende uitvoeringsaanpak. Vervolgens zullenmiddelen via budgettaire besluitvormingsmomenten nader wordenverdeeld en worden overgeheveld naar de specifieke beleidsartikelen.Met deze financiële aanpak is overigens niet voorzien in de dekking vanalle benodigde maatregelen om de reductiedoelstellingen voor 2035 voorindustrie (waarvoor extra middelen ten behoeve van de aanpak wordenvoorzien), mobiliteit (waarvoor in dit pakket geen nieuwe middelenworden voorzien) en landbouw volledig te bereiken. Besluitvorming overadditionele maatregelen en bijbehorende dekking is ook aan een volgendkabinet.Tabel 1: Beschikbaar gestelde incidentele en structurele middelen voor de aanpak«Nederland van het slot»: startpakket, vervolgpakket (art. 51 begrotingsstaat LVVN)en totaal. De middelen in de vervolgaanpak betreffen een richtinggevende verdeling,hier zal nog vervolgbesluitvorming over plaatsvinden.Type maatregelStartpakketapril 2025,in miljoenen(reeds besloten invoorjaarsnota)Vervolgpakketseptember 2025,in miljoenen(richtinggevend)Aanpak totaal,in miljoenen(startpakket +vervolgpakketrichtinggevend)Incidentele maatregelenBrede vrijwillige beëindigings-regeling7503751.125Aanpak piekbelasters industrie8383Extensivering627627Mest250250Natuur1004001500Innovatie442442Doelsturing2008421.042Ondersteunend en Flankerend216216Overige besluitvorming VJN2473473Veluwe en de Peel600600Gebiedsgerichte aanpak(economische) regio’s242242Totaal incidenteel3.0002.6005.600Structurele maatregelenAgrarisch natuurbeheer200275475Natuurmonitoring12,512,525Totaal structureel per jaar212,5287,55001 Waarvan € 50 miljoen is voorzien voor natuurherstelmaatregelen rondom de RotterdamseHaven als onderdeel van de Gebiedsgerichte aanpak (economische) regio’s.2 Dit zijn VJN-middelen voor o.a. Aerius vervanging, dierwaardigheid, Ketenaanpak,PAS-melders, verdienvermogen ecoregeling, HCU, Visserij, Voedselbeleid, Voedseleducatie enschoolfruit, robotisering. InhoudDe inhoud van het vervolgpakket zal verder verfijnd en uitgewerkt wordenen richt zich op de volgende onderdelen: a) Maatregelen landbouwTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 334, nr. 4133 b) Maatregelen natuur en ANB; c) Gebiedsgerichte aanpak (economische)regio’s d) Maatregelen ondersteunend en flankerend beleid.Ook voor die maatregelen werkt het kabinet samen met betrokken partijenen medeoverheden ten behoeve van definitieve vormgeving en finan-ciering. De richting wordt hieronder nader toegelicht.a) LandbouwMet de aanvullende gereserveerde middelen gericht op de landbouw-sector, kan een volgende stap gezet worden in het reduceren van deemissies in de landbouw en het bieden van perspectief voor ontwikkeling.Het kabinet en de Kamer hebben nadrukkelijk gekozen voor een strate-gische inzet op doelsturing, zodat boeren zelf vanuit hun eigen expertiseen ondernemerschap op doelen kunnen sturen. Daarom zijn er extramiddelen voorzien voor de verdere ontwikkeling en uitrol van het systeemvoor doelsturing. Hiermee kan de onderliggende KPI-systematiek wordendoorontwikkeld, dat geldt ook voor het opzetten van het data- enmonitoringssysteem, het inrichten van het toezicht- en handhavings-regime en de bekostiging van de implementatie van het systeem. In deontwikkeling van de doelsturingssystematiek worden ook mogelijkhedenvoor publiek-private samenwerkingsvormen voorzien, waaronder voor hetbeheer van data waarmee ondernemers kunnen aantonen dat zij aan degeldende normen voldoen. Het vormgeven van een agrarische autoriteitkan daarin ook een nuttige rol spelen.Een ander belangrijk onderdeel van de voorgenomen richting opdoelsturing zijn aanvullende maatregelen gericht op de toepassing vandoelsturing op het boerenerf. Dit is een uitwerking van de afspraak uit hetHoofdlijnenakkoord om voor de landbouw toe te werken naar bedrijfsspe-cifieke emissiedoelen. Deze aanpak moet ervoor zorgen dat, vooruit-lopend op de invoering van afrekenbare bedrijfsemissienormen in 2035,ook de komende jaren al een substantiële reductie van ammoniakemissieswordt behaald, zoals is aangegeven in de kamerbrief StartpakketNederland van het slot. Het gaat bijvoorbeeld om de volgende maatre-gelen:•Het mogelijk maken van (juridisch zekere) innovatieve technieken;•Onderzoek, (door)ontwikkeling en toepassing van voer- en manage-mentmaatregelen;•Het subsidiëren van bedrijfsplanvouchers waarmee veehoudersonafhankelijke adviseurs een bedrijfsplan laten opstellen voor reductievan ammoniak- en broeikasgasemissies en verbetering van dewaterkwaliteit;•Het opzetten en uitvoeren van praktijkleernetwerken voor kennisover-dracht en -verspreiding rond doelsturing;•Het ondersteunen van veehouders die tot 2035 stapsgewijs deemissies verminderen richting de wettelijke bedrijfsemissienormen in2035;Met deze aanvullende maatregelen worden ondernemers geprikkeld omde komende jaren bewust met de verdere verbetering van de mineralenef-ficiëntie te realiseren en uitgedaagd om via doelsturing ammoniak- enbroeikasgasemissies stapsgewijs verder te verlagen. Door de combinatievan deze maatregelen en het invoeren van afrekenbare bedrijfsemissie-normen vanaf 2035 kunnen managementmaatregelen een belangrijkebijdrage leveren aan emissiereductie van ammoniak en broeikasgassen enwaterkwaliteit. Er is een aanzienlijk potentieel om op relatief korte termijnammoniakemissies te verminderen met managementmaatregelen, vooralin de melkveehouderij. Dit is nodig om uiteindelijk per 2035 te kunnenvoldoen aan de wettelijke bedrijfsemissienormen voor doelsturing.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 334, nr. 4134 Een deel van deze middelen kan worden ingezet voor de uitvoering van deaangenomen motie Grinwis c.s.8. Daarin wordt het kabinet gevraagd omsectorpartijen in de melkveehouderij uit te nodigen op korte termijn eenemissiereductieplan op te stellen dat gericht is op een reductie van deammoniakemissie op melkveebedrijven met 30% in 2030 en wordtgevraagd aan het kabinet om hierbij te ondersteunen.Ook zou een deel van de middelen kunnen worden betrokken bij deuitvoering van de motie van Campen9.Tot slot kunnen er in het aanvullende maatregelen binnen doelsturingmiddelen worden voorzien voor innovatie en verbetering vanemissiearme stallen. Dit richt zich op onderzoek en ontwikkeling vannieuwe en verbeterde emissiearme stalsystemen en -technieken dieintegraal zowel ammoniak als andere milieu emissies sterk verminderen.Ook kunnen deze middelen gereserveerd worden voor het versnellen vanhet innovatieproces door het adresseren en wegnemen van risico’s bijinnovatie en door stappen te zetten naar een geborgde meetketen, omemissies van ammoniak, fijnstof, geur en broeikasgassen op termijncontinu te kunnen meten op bedrijfsniveau.In het vervolgpakket heeft het kabinet ook aanvullende middelen voorzienvoor een bredere inzet op kansrijke resultaten via landbouwinnovatie. Ditdraagt bij aan de kennisontwikkeling en innovatie die essentieel zijn vooreen toekomstbestendige en sterke land- en tuinbouwsector, zoals ookwordt verzocht in de motie van der Plas10 die ziet op het belang van eenweerbare agrarische sector. Met effectief innovatiebeleid worden debestaande financiële, organisatorische, institutionele én cultureledrempels (markt- en systeemfalen) aangepakt, op alle niveaus in hetinnovatieproces. Zo wordt bijvoorbeeld ingezet op het realiseren van eenlandsdekkend netwerk van experimenteerlocaties. Deze maatregelendragen effectief en goed bij aan het verminderen van stikstofemissies,maar ook aan de verbetering van water-, bodem- en luchtkwaliteit; zoworden koppelkansen verzilverd.Ook worden er extra middelen voorzien voor de reeds aangekondigdevrijwillige beëindigingsregeling veehouderijlocaties. Deze regeling biedtondernemers de mogelijkheid om op vrijwillige basis met financiële steunvan de overheid hun veehouderijlocatie te beëindigen. In deze regelingwordt voorrang gegeven aan veehouderijlocaties binnen 1.000 meterrondom overbelaste stikstofgevoelige Natura-2000 gebieden. Voorlocaties die verder van deze gebieden af liggen, geldt dat er bij hettoekennen van subsidies zal worden gerangschikt op kosteneffectiviteit(euro subsidie per kilogram ammoniakemissie). Door aanvullend budgette reserveren kunnen meer ondernemers gebruik maken van dezeregeling. Met deze regeling wordt de ammoniakemissie vanuit deveehouderij blijvend verminderd. Dit verlaagt tevens de opgave voor deblijvende veehouders. Over de voortgang van de Vbr, en de Subsidiere-geling extensivering melkveehouderij zal ik uw Kamer blijven informeren.Los van bovenstaande stappen wordt steeds bezien in hoeverre anderestappen mogelijk zijn om emissiereductie te realiseren. Zo geeft hetkabinet bij de aanwending van spuiwaters uit mestverwerking enureum-kunstmest (zonder urease-remmers) vorm aan een verplichting totde emissiearme toepassing daarvan per 2027 met als effect 1,2 kTonreductie in de NH3 uitstoot. Wordt dit effect niet gerealiseerd, dan neemthet kabinet alternatieve maatregelen met hetzelfde effect.8Kamerstuk 28 973, nr. 273.9Kamerstuk 30 252, nr. 165.10Kamerstuk 35 334, nr. 345.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 334, nr. 4135 b) Natuur en ANBOm Nederland van het slot te krijgen is het van belang om verder te kijkendan alleen de reductie van stikstofemissie en álle drukfactoren aan tepakken. Dit komt ook naar voren in de reflectie van het kennisconsortium.Het kabinet richt zich daarom met een brede aanpak op alle drukfactorenen op natuurherstel. Hiervoor wordt met de start- en vervolgpakkettentezamen € 500 miljoen voor voorzien.De gereserveerde middelen voor natuurherstel worden ingezet vooreffectieve maatregelen om verslechtering tegen te gaan in gebieden waardit het hardst nodig is. Het kabinet kiest voor een integrale aanpak vannatuurherstel gericht op alle drukfactoren, in lijn met de Natuurherstelver-ordening (NHV). Een integrale aanpak leidt tot een effectiever natuur-herstel, waarbij stikstofreductie en andere natuurmaatregelen elkaarversterken. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om maatregelen gericht ophydrologie, zoals het verhogen van het waterpeil om verdroging tegen tegaan, of het herstellen van de dynamiek in bijvoorbeeld drooggevallenbeken.Daarnaast voorziet het kabinet een extra reservering van jaarlijks€ 275 mln. in agrarisch natuurbeheer (ANB). Hiermee wordt het agrarischnatuurbeheer uitgebreid en kunnen agrariërs meer en zwaarder agrarischnatuurbeheer uitvoeren. Dat is nodig om te kunnen voldoen aan deopgaven voor natuur, water en klimaat in het agrarisch gebied. Hiermeewordt gewerkt aan natuurherstel. Dankzij deze middelen kunnen instru-menten worden voorzien én kan het beheer groeien van 100.000 hectarenaar ongeveer 280.000 hectare. Ook kunnen aan boeren beter passendevergoedingen geboden worden. ANB blijft een belangrijk middel omlandbouw perspectief te bieden, vooral in gebieden met grote opgaven.c) Ondersteunend en flankerendHet kabinet is ervan doordrongen dat onderdelen van de aanpak eenbehoorlijke sociale, maatschappelijke en economische impact kunnenhebben, en veel vragen van agrarische ondernemers. Zonder ondersteu-nende en flankerende maatregelen van de overheid is de haalbaarheid endraagbaarheid van de maatregelen beperkt. Daarom zet het kabinet in opmaatregelen ten behoeve van uitvoerbaarheid, sociaaleconomischevitaliteit en perspectief voor de agrarische ondernemer. Hier wordtgekeken naar zaakbegeleiding om ondernemers te ondersteunen bijkeuzes over de toekomst van hun bedrijf en het ondersteunen vangemeenten op gebied van ruimtelijke ordening. Ook kijkt het kabinet naargerichte sociaaleconomische investeringen, en maatregelen gericht op hettoekomstperspectief voor jonge agrarische ondernemers, waarbij onderandere wordt gedacht aan inzet op vestigingssteun.d) Gebiedsgerichte aanpak (economische) regio’sVeel van de natuurvraagstukken zijn regio- en gebiedsspecifiek. Dat is dereden waarom in het startpakket en in dit vervolgpakket (naast eenlandelijke aanpak) nadrukkelijk ook wordt ingezet op een effectievegebiedsgerichte aanpak, samen met partners. Dat is ook een waardevollereflectie van de kennisinstellingen. Die aanpak zal (waar nodig) ook in detoekomst verder invulling moeten krijgen. Het kabinet heeft er bij hetstartpakket voor gekozen om voor de Peel en de Veluwe een specifiekeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 334, nr. 4136 maatwerkaanpak uit te werken, daarmee beschouw ik de motie Holmanen van Campen11 als afgedaan.Daarnaast zijn er verschillende regio’s met veel (economische) activiteit,waar de vergunningverlening momenteel serieus wordt geraakt. Dit speeltnadrukkelijk ook in de regio’s rond Rotterdam, Eindhoven en in hetGroene Hart. Het kabinet is van plan om onder coördinatie van LVVN,specifiek voor deze gebieden, te starten met een aanpak om (econo-mische) activiteiten weer mogelijk te maken. Hierdoor wordt de vergun-ningverlening voor economische activiteiten, voor activiteiten gericht opde verdere ontwikkeling naar een duurzame industrie, en voor mobiliteits-en woningbouwprojecten vergemakkelijkt.Voor deze gebieden is € 242 mln. voorzien in het vervolgpakket. De inzetis om hier gebiedsprocessen te starten, gericht op het in kaart brengenvan de lokale situaties en mogelijke gebiedsoplossingen samen metbestaande ondernemers, medeoverheden en sectoren, conform de motievan Campen c.s.12. De middelen zullen ten goede komen aan de ontwik-keling van de landbouw; bijvoorbeeld doordat boeren in deze regio’s eenextra impuls krijgen om emissiereductie mogelijk te maken.Specifiek voor de Rotterdamse haven wordt daarnaast richtinggevendvoorzien om nog € 50 mln. voor natuurmaatregelen te reserveren, omdatde gebiedspartijen daar hebben aangegeven dat er juist met dezemaatregelen op het gebied van natuur, het beste gewerkt kan worden aanhet aantonen van additionaliteit. Dit bedrag van € 50 mln. maakt deel uitvan de € 400 mln. die binnen het vervolgpakket voor natuur richting-gevend is voorzien.2. Borging van de aanpak Essentieel om Nederland van het slot te krijgen – en om de inspanningenvan veel ondernemers ook op de langere termijn te laten lonen – is datgeborgd wordt dat de beoogde stikstofreductie ook daadwerkelijkoptreedt en dat natuurbehoud en -herstel plaatsvindt. Uw Kamer en hetkabinet hebben, ook in lijn met de reflectie van het kenisconsortium,steeds onderstreept te willen werken aan de borging van maatregelen.Tegen die achtergrond wordt daarop in deze brief als eerste ingegaan.Alleen als er (blijvend) voldoende maatregelen worden genomenwaarmee voor de Natura 2000-gebieden verslechtering wordt voorkomenof gestopt en er zicht blijft op het behalen van de gunstige staat vaninstandhouding, is het mogelijk om additionaliteit te kunnen aantonen enzo stappen te zetten om vergunningverlening weer mogelijk te makenbinnen het huidig juridisch stelsel; dat blijkt uit eerdere juridischeadviezen van de Landsadvocaat, en ook uit de reflecties van de kennisin-stellingen (PBL, Deltares, RIVM, WUR).In het startpakket en het vervolgpakket zijn maatregelen voorzienwaarmee een bijdrage wordt geleverd om Nederland van het slot tekrijgen. Het type maatregelen en de vormgeving ervan doen ertoe. Uit dejurisprudentie blijkt dat vooral concreetheid over tijdpad, uitvoering,toezicht en handhaving bepalend is voor de borging. Hoe concreter demaatregelen, hoe beter ze kunnen worden gebruikt bij vergunningver-lening en hoe duidelijker de richting voor iedereen.11Kamerstuk 35 334, nr. 341.12Kamerstuk 35 334, nr. 382.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 334, nr. 4137 Gemaakte keuzesVanaf de start is door de MCEN gekeken naar een adequate invulling vande borging, waarbij ook al stappen zijn gezet voor alle sectoren. In hetstartpakket heeft het kabinet daarom reeds enkele belangrijke hoofdlijnenvastgesteld, zoals:•Maatregelen worden, waar passend, vastgelegd in wet- en regelge-ving.•De maatregelen en afspraken daarover worden vastgelegd in een(wettelijk verplicht) Rijksprogramma met een precisering van effecten,timing, vormgeving, monitoring en bijsturing. In dit kader heeft tot enmet 24 augustus een internetconsultatie voor het conceptwetsvoorstel«spoedwet vervangen omgevingswaarde stikstof» opengestaan.•Financiering: de maatregelen die onderdeel zijn van het startpakket zijnvoorzien van financiële dekking. Dit geldt ook voor de maatregelen uithet vervolgpakket.•Effectieve monitoring: de maatregelen waartoe het kabinet reeds heeftbesloten, zullen vanaf 2027 in elk geval elke twee jaar gemonitordworden op effectiviteit en impact.•Met medeoverheden worden bestuurlijke afspraken gemaakt over hoewe samenwerken aan het realiseren van de opgaven in het landelijkgebied, en wie daarin wat doet.•Generieke maatregelen worden zoveel mogelijk gericht opdatmaximale effectiviteit wordt bewerkstelligd.•De sectorale milieunormering voor NOx binnen de industrie wordt opEuropees en nationaal niveau geborgd en gehandhaafd.•De sectorale emissiereductiedoelstelling binnen de landbouw wordtbetrokken bij de haalbare bedrijfsspecifieke emissienormen.•De sectorale emissienormen voor NOx binnen de mobiliteit zijn enworden op Europees niveau geborgd en gehandhaafd.Aanvullende stappenDe borging is ondertussen verder geconcretiseerd en aangevuld, metinput van juridische adviezen, kennisinstellingen en maatschappelijkepartijen. Belangrijk uitgangspunt van het kabinet is steeds geweest datálle sectoren evenwichtig bijdragen en dat ook bij de borging eenvergelijkbare mate van zekerheid moet bestaan. Om die reden wordt vooralle sectoren een emissiereductieopgave voor 2035 vastgelegd in hetwettelijk programma bij de «spoedwet vervangen omgevingswaardestikstof», die thans wordt voorbereid.Voor het jaar 2030 neemt het kabinet in dat programma concretestreefwaarden op voor alle sectoren op sectorniveau. Hieronder in dezebrief wordt per sector borging verder toegelicht, en is ook handhavingsin-strumentarium toegelicht.Reductiedoelen en streefwaardenDe landbouw heeft in de afgelopen jaren al serieuze resultaten laten zienop emissiereductie (ten opzichte van 2019). Die lijn zetten we voort opweg naar een einddoel in 2035 waarin we 42–46% emissiereductierealiseren voor de sector, in combinatie dan met bindende bedrijfsspeci-fieke doelen voor de landbouw via doelsturing die we in 2026 vaststellen.Voor de sectoren industrie en mobiliteit realiseren we een emissiereductievan 50% in 2035 ten opzichte van 2019. Voor landbouw en industrie gaathet daarbij om een NH3-doel. Met het hanteren van deze reductiedoelengeeft het kabinet ook invulling aan de motie Grinwis en van Campen13.13Kamerstuk 35 334, nr. 340.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 334, nr. 4138 Voor 2030 nemen we in het op te stellen programma bij de «spoedwetvervangen omgevingswaarde stikstof» (waarin ook de omschakeling naaremissiebeleid wordt vormgegeven) concrete streefwaarden op voor allesectoren op sectorniveau. Op die wijze is de aanpak van de programma-tische invulling via de Omgevingswet ook wettelijk geborgd. We bezien opbasis van de monitoring (de eerste keer in 2027 en daarna in elk geval elketwee jaar) de stand van zaken.Borging industrieDe voorziene NOx-emissiereductie in de industrie wordt sterk geborgd viahet klimaat- en milieubeleid, waarbij het dwingende emissiehandels-systeem EU-ETS een belangrijke rol speelt. Het aantal beschikbareuitstootrechten binnen ETS kent immers een hard plafond dat afloopt,waardoor alle ETS-plichtige bedrijven de maatregelen moeten treffen omnetto nul CO2-uitstoot in 2040 te bereiken en waarbij NOX-uitstootmeeloopt. Ook is er de energiebesparingsplicht die bedrijven wettelijkverplicht om alle energiebesparende maatregelen te nemen die ze binnen5 jaar terug kunnen verdienen. In 2027 zal deze verplichting wordenopgehoogd, zodat bedrijven verplicht zijn om alle maatregelen te treffenmet een terugverdientijd onder de 7 jaar. In aanvulling op deze instru-menten worden er subsidies zoals de SDE++, VEKI en DEI+ ingezet, dieleiden tot de voor de klimaat- en energiedoelen noodzakelijke verduur-zaming. Het milieubeleid is recent verder aangescherpt door een nieuweEU-richtlijn industriële emissies, die verplicht om aan de scherpe kant vande best-beschikbare-techniek schaal te vergunnen. Daarnaast zijndwingende stikstofnormen voor kleinere installaties via het BesluitActiviteiten Leefomgeving verder aangescherpt.Wat betreft de reductie voor NH3 (ammoniak) in de basisindustrie geldtdat deze ook wordt geborgd door het milieubeleid. Daarnaast wordenbindende afspraken gemaakt met verschillende bedrijven in het kader vande Aanpak Piekbelasting Industrie. Deze cijfers zitten voor het grootstedeel nog niet in de laatste PBL-ramingen, maar zijn wel onderdeel van dereflectie die het kennisconsortium voor de MCEN heeft gemaakt vanNH3-reducties in de basisindustrie. Daarnaast voorziet deze richtingge-vende financiele aanpak ook in een intensivering van de Aanpak Piekbe-lasting Industrie van 83 mln. inzet van deze middelen – aanvullend opmiddelen die reeds beschikbaar zijn voor deze aanpak – kan volgens PBLleiden tot 65% reductie (t.o.v. 2019) van NH3 in de basisindustrie.Borging mobiliteitDe NOx-emissiedaling in de mobiliteitssector wordt, net als bij industrie,geborgd door maatregelen uit het klimaat- en luchtkwaliteitsbeleid.Europese en internationale dwingende emissienormen voor nieuwevoertuigen en motoren vormen de drijvende kracht achter de verwachteverdere reductie van de NOX-emissies door de sector mobiliteit. Dezenormen zijn bindend vastgelegd in wet- en regelgeving. Nieuwevoertuigen die niet aan de normen voldoen mogen niet worden verkochtbinnen Europa14. Dit zorgt ervoor dat de reguliere vervanging van ouderevoertuigen en motoren door nieuwere voertuigen en motoren leidt tot eendoorgaande afname van de totale NOX-emissies. Hiermee is geborgd datde NOX-emissies door mobiliteit verder zullen dalen. In de afgelopendecennia zijn de Europese en internationale emissienormen meerderemalen aangescherpt en dat heeft geleid tot een aantoonbare sterke dalingvan de NOX-emissies, ondanks de groei van mobiliteit. De snelheid14Via de Europese typegoedkeuring wordt vastgesteld dat nieuwe type voertuigen aan deEuropese regelgeving voldoen, zie ook: Typegoedkeuringen | RDWTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 334, nr. 4139 waarmee mobiliteit verschoont is mede afhankelijk van bijvoorbeeldeconomische en demografische ontwikkelingen. De emissieontwikkelingwordt nauwgezet gevolgd, onder meer in het kader van de emissieregis-tratie door het RIVM en de emissieramingen van het PBL.Naast de emissiedaling door emissienormen voor nieuwe voertuigen enmotoren, zorgen diverse andere vastgestelde internationale beleidsmaat-regelen voor een zekere (geborgde) verdere daling van de NOX-emissiesdoor mobiliteit. Zo wordt nagenoeg de gehele sector mobiliteitopgenomen in het dwingende Europese emissiehandelsysteem, waarmeede emissies worden begrensd en beprijsd. Europees zijn verderCO2-normen vastgelegd voor wegvoertuigen. Wat betreft scheepvaartheeft de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) van de VN op deNoordzee een zogeheten emissiecontrolegebied voor stikstofoxideningesteld (kortweg NECA, Nitrogen Emission Control Area). Hierdoormoeten nieuwe schepen die vanaf 2021 zijn gebouwd, op de Noordzeeaan de strengere Tier III-emissienormen voldoen. En via Europeseregelgeving is het vanaf 2030 verplicht om walstroomvoorzieningen aante bieden in de grotere zeehavens en is het gebruik daarvan verplicht voorcontainer- en passagiersschepen, wat maakt dat deze schepen hunmotoren uit moeten zetten als ze aan de wal liggen, en daarmee emissiesreduceren.Het nationale beleid, veelal ook aangestuurd vanuit klimaat- of luchtkwali-teitsbeleid, zorgt voor een versnelling van de reductie van NOx-emissiesen kent ook een sterke mate van borging, vanwege de aard van demaatregelen. Het gaat voor een groot deel om fiscale maatregelen: zoalsde invoering van een vrachtwagenheffing, en autobelastingen zoalsbrandstofaccijns, bpm en de MRB, waar onder meer de belastingdienst optoe ziet. Zie voor een volledig overzicht van de maatregelen waarmee debeoogde effecten worden geborgd de bijlage bij de emissieluchtraming15.Indien in het vervolg eventueel gekozen wordt voor aanvullende gebieds-gerichte maatregelen zoals trajectcontroles of milieuzones kan dit zorgenvoor additionele regionale borging en additionele daling van de emissiesuit mobiliteit. Een verduidelijking van de emissiereductieplicht in hetBesluit Bouwwerken Leefomgeving draagt bij aan een betere borging vande beoogde emissiereductie van mobiele werktuigen binnen hetprogramma Schoon en Emissieloos bouwen.LandbouwAls uit de monitoring blijkt dat het realiseren van de streefwaarde voor delandbouw niet gehaald wordt dan besluit het kabinet tot aanvullendemaatregelen, die gericht zullen zijn op de ondernemers die achterblijvenbij de doelen.Zij dienen dan op korte termijn een bedrijfsplan op te stellen en te gaanuitvoeren hoe zij aan hun doelen gaan voldoen, die aansluit bij deprogrammatische aanpak. Dat wordt ook wettelijk verplicht en desystematiek van de omgevingswet is van toepassing. In dat bedrijfsplanmoet aandacht besteed worden aan de verschillende instrumenten enmogelijkheden die de gestelde doelen wel bereiken, bijvoorbeeldinnovatie, extensivering, managementmaatregelen en/of best beschikbaretechnieken.Daarnaast kan het kabinet bijvoorbeeld met extra vrijwillige beëindigings-regelingen komen. Bij eventuele maatregelen wordt nadrukkelijk gekekennaar die ondernemers die achterblijven («geen straf op goed gedrag»).Daarbij zullen ook de flankerende en randvoorwaardelijke stappen15https://www.pbl.nl/publicaties/emissieramingen-luchtverontreinigende-stoffen-2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 334, nr. 41310 gerealiseerd moeten worden (bijvoorbeeld vergunningen voor hetrealiseren van de maatregelen, subsidies, et cetera).De komende periode zal benut worden om in overleg met de gehelesector en bedrijfsleven tot een sluitende uitvoeringsaanpak te komen voorhet realiseren van de concrete streefwaarden; waarbij ook de input vanonder andere medeoverheden,VNO-NCW, LTO, NAJK en Agractie wordtmeegenomen. Het versnellingsplan (d.d. 21 november 2024) en debouwsteen van medeoverheden en LTO/NAJK (d.d. 9 juli 2025) wordendaarbij betrokken.Zoals gezegd hoort bij die aanpak een uitwerking van de borging enhandhaving. Het kabinet werkt daarbij voor de borging en handhaving toenaar doelsturing bij agrarische bedrijven. Dit om ook op langere termijnzeker te zijn van een aanpak in de landbouwsector die echt effect sorteertvoor het reduceren van emissies. Bindende en geborgde emissienormengeven bedrijven een helder en vast langetermijndoel, bieden ruimte voormaatwerk op bedrijfsniveau, en geven zekerheid dat emissiereductie in delandbouw plaatsvindt. De normen worden gebaseerd op een systematiekdie zich leent voor afrekenbaarheid, bijvoorbeeld het fosfaatrecht of eenander wettelijk stelsel. Deze aanpak beloont voorlopers en biedt rechtsze-kerheid.Met het vaststellen van afrekenbare bedrijfsspecifieke normen voor 2035weet elke agrarisch ondernemer waar hij of zij aan moet voldoen. Desystematiek van doelsturing wordt momenteel verder uitgewerkt. Zoalsaangegeven zal het kabinet de bindende bedrijfsspecifieke doelen viadoelsturing voor melkvee-, varkens- en pluimveehouderij in 2026vaststellen.Een noodzakelijk en belangrijk onderdeel van die aanpak is dehandhavings- en sanctiesystematiek voor veehouders die niet aan denormen voldoen (zoals er nu een uitgebreide sanctiesystematiekonderdeel is van de Meststoffenwet). Voor de melkveehouderij wordtonder andere een koppeling aan fosfaatrechten uitgewerkt. Als eenveehouder niet aan de bedrijfsspecifieke norm voldoet, moet hij maatre-gelen nemen om emissies op zijn bedrijf te reduceren, bijvoorbeeld metmanagementmaatregelen, door (tijdelijk) minder dieren te houden ofextra productierechten aan te houden. Als dit niet gebeurt en deveehouder de norm in 2035 niet haalt, volgt een sanctie zoals een boete ofeen last onder dwangsom. Van belang is dat de sanctie proportioneel is inrelatie tot de overtreding. Zo mag het betalen van een boete nietaantrekkelijker zijn dan het nemen van maatregelen. Bij herhaaldelijkeen/of zwaardere overtredingen zijn zwaardere handhavingsinstrumentenpassend. Als zwaarste instrument voorziet het kabinet in exceptionelegevallen van structurele en verwijtbare overschrijding het handhavendsturen op het aantal dieren dat op het bedrijf gehouden mag worden,bijvoorbeeld doordat de benutting van een productierecht (tijdelijk) kanworden bevroren of ingenomen.Het kabinet hecht waarde aan voorspelbaarheid en betrouwbaarheid.Daarom worden de doelsturingsnormen als onderdeel van het reduc-tiedoel in 2035 niet tussentijds aangepast. Het kabinet streeft ernaar dewet- en regelgeving voor doelsturing, inclusief de daarbij behorendesystematiek en de bedrijfsspecifieke normen zo snel mogelijk en uiterlijkin 2026 in procedure te brengen, zodat op korte termijn duidelijk is naarwelke doelen moet worden toegewerkt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 334, nr. 41311 Gebiedsgerichte borgingDe gebiedsgerichte, regionale maatwerkaanpak omvat onder meerdialoog, gebiedsgerichte samenwerking en een aanpak die zich insommige gevallen richt op specifieke gebieden. Deze benadering wordtvastgelegd in bestuurlijke afspraken en samenwerkingsverbanden.Daarnaast wordt de (ruimtelijke) borging ook mogelijk gemaakt via wet-en regelgeving.In (de uitwerking van) de gebiedsgerichte aanpak kunnen provincies enandere medeoverheden per gebied maatwerk leveren. Daarbij heeft hetkabinet toegezegd om, in overleg met provincies, daar waar dit echt nodigis instructieregels op te stellen.3. Betrokken reflecties, adviezen en voorstellen De opgave om Nederland van het slot te halen is complex en zeer urgent,en heeft bovendien grote maatschappelijke en economische implicaties.Het kabinet vindt het daarom van wezenlijk belang dat de maatregelen diehiertoe worden getroffen effectief, doelmatig en uitvoerbaar zijn, én datmedeoverheden en maatschappelijke partijen betrokken worden bij detotstandkoming van het beleid.Bij het samenstellen van het vervolgpakket heeft het kabinet daaromgebruik gemaakt van: a) een reflectie van het kennisconsortium opverschillende maatregelen; b) adviezen van de uitvoeringsorganisateisover de uitvoerbaarheid van beleid; en c) de gesprekken met de verschil-lende medeoverheden en maatschappelijke partijen en de voorstellen diezijn aangedragen.a) Reflectie kennisconsortiumHet kennisconsortium, bestaande uit PBL, Deltares, RIVM en WUR, is doorde MCEN verzocht om een reflectie te geven op een set hiertoe door deMCEN geselecteerde maatregelen. Het PBL heeft de bevindingen van hetkennisconsortium op 1 juli 2025 aan de MCEN gepresenteerd. Debetreffende reflectie heb ik uw Kamer op 28 augustus aangeboden16.Het kabinet heeft alle bevindingen van het kennisconsortium in deafgelopen periode benut bij het samenstellen van het vervolgpakket. Zozijn verschillende maatregelen verder uitgewerkt en geconcretiseerd. Ookzijn bepaalde maatregelen aan de hand van de reflecties verbeterd of isruimtelijke uitwerking nader gespecificeerd. Ten slotte is, zoals aange-geven, ook de borging op basis van de bevindingen en adviezen verderingevuld. Ook bij de verdere uitwerking en uitvoering van de aanpak zalhet kabinet de bevindingen het de reflectie betrekken. Hiermee beschouwik motie Paternotte en Podt17 over het uitvoeren van een impactanalyseop de nieuwe stikstofplannen, en de motie van Campen c.s.18 over hetbetrekken van de analyse van het PBL bij de onderbouwing van hetmaatregelpakket, als afgedaan.b) Adviezen uitvoeringsorganisatiesHet kabinet hecht sterk aan de uitvoerbaarheid van het beleid en heeft indat licht niet alleen de kennisinstellingen gevraagd naar de mogelijkemaatregelen te kijken. Met het oog op de vervolgbesluitvorming en eengoede inrichting van de uitvoeringsfase, is onder meer ook aan RVO,NVWA en Staatsbosbeheer gevraagd om vanuit uitvoerbaarheid te16Kamerstuk 35 334, nr. 409.17Kamerstuk 33 576 nr. 412.18Kamerstuk 35 334, nr. 337.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 334, nr. 41312 reflecteren op het startpakket en de maatregelselectie, zoals deze ook aanhet kennisconsortium is voorgelegd. In de bijlagen staan de reflecties vandeze organisaties.In deze reflecties komen een aantal duidelijk overeenkomende aandachts-punten voor de verdere besluitvorming over maatregelen en de samen-werking rond de uitvoering naar voren. Zij raken ook aan punten die uit dereflectie van het kennisconsortium naar voren kwamen, bijvoorbeeld waarhet gaat om de samenhang tussen bestaande en nieuwe instrumenten. Departijen pleiten bijvoorbeeld voor een zorgvuldige overgang naardoelsturing (met een evaluatiemoment) en vragen om realisme in deverwachtingen ten aanzien van de voorgenomen stappen. Eenaandachtspunt is dat normen op elkaar moeten aansluiten. Verder wordtgeattendeerd op de eventuele impact van verschuivingen in landgebruikwaar veehouderijen stoppen, bijvoorbeeld door ontwikkeling van beleidom te voorkomen dat ongewenste teeltwijzigingen plaatsvinden. Verdereaanbevelingen richten zich op de governance, de monitoring en debijsturing.Het kabinet constateert dat de reflecties van de uitvoeringsorganisaties opde verschillende maatregelen zeer waardevol zijn. De aanbevelingen zijndaarom betrokken bij de samenstelling van en besluitvorming over hetvervolgpakket. Het kabinet vindt het belangrijk dat deze inbreng ook wordtbenut bij de verdere vormgeving en uitvoering van de aanpak.c) Betrokkenheid medeoverheden en maatschappelijke partijenNa de presentatie van het startpakket in april is er in onder anderebestuurlijke overleggen input en reflectie van medeoverheden enmaatschappelijke partijen opgehaald. Ook naar de besluitvorming van hetdeelpakket is er input opgehaald van externe partijen. Zo hebben er op17 juni, 3 juli en 9 september zgn. Catshuissessies plaatsgevonden.Tijdens deze sessies is onder andere het Bouwstenendocument van demedeoverheden en NAJK en LTO toegelicht met daarin concrete stappenvoor de uitvoering van het startpakket, aangevuld met nieuwe voorstellen.Ook partijen die niet deel hebben genomen aan de Catshuissessieshebben plannen gepresenteerd die zijn meegenomen in de besluit-vorming rond het vervolgpakket. Het draagvlak voor zowel het startpakketals het vervolgpakket bij overheden en maatschappelijke partijen is vanbelang voor de verdere uitwerking van de aanpak. Het kabinet hechtdaarom ook aan die blijvende inzet van de partijen, en zal ook dekomende periode samenwerken met die partijen, onder andere met hetoog op verdere vormgeving en aanpak van de uitvoering.4. Vervolg In de vorige brief van april heeft het kabinet de aanpak in de steigers gezeten zijn de eerste besluiten genomen. Met dit vervolgpakket zet het kabinetvervolgstappen met het verder op gang brengen van de vergunningver-lening. Een demissionair kabinet past echter ook bescheidenheid. Ook metdit vervolgpakket kan Nederland nog niet volledig van het slot. Datbetekent dat het werk dus nog niet af is.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 334, nr. 41313 Blijvende inzet is nodig om Nederland helemaal van het slot te krijgen.Ondanks de demissionaire status van het kabinet en de naderendeverkiezingen, blijft dit dossier van groot belang. Het kabinet hoopt, ooksamen met een nieuwe Tweede Kamer, de noodzakelijke stappen teblijven zetten om Nederland verder in beweging te krijgen.De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,F.M. WiersmaTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 334, nr. 41314
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.