Verslag van een schriftelijk overleg over de uitvoering van het amendement van de leden Stoffer en Rooderkerk over het verhogen van het bedrag voor het Nationaal Onderwijsmuseum (Kamerstuk 36800-VIII-77) (Kamerstuk 36800-VIII-149)
Brontekst
Versie 3a0530c480f9256f · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 800 VIIIVaststelling van de begrotingsstaten van hetMinisterie van Onderwijs, Cultuur enWetenschap (VIII) voor het jaar 2026Nr. 172 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 18 juni 2026 De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft eenaantal vragen en opmerkingen voorgelegd over de brief van de Staatsse-cretaris van 24 april 2026 inzake de uitvoering van het amendement vande leden Stoffer en Rooderkerk over het verhogen van het bedrag voorhet Nationaal Onderwijsmuseum1 (Kamerstuk 36 800-VIII, nr. 149).De vragen en opmerkingen zijn op 29 mei 2026 aan de Staatssecretarisvan Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voorgelegd. Bij brief van 18 juni2026 zijn de vragen beantwoord.De voorzitter van de commissie,KoorevaarAdjunct-griffier van de commissie,Bosnjakovic1Kamerstuk 36 800-VIII, nr. 77 kst-36800-VIII-172ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1721 InhoudIVragen en opmerkingen uit de fracties2Inbreng van de leden van de D66-fractie2Inbreng van de leden van de VVD-fractie3Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie3Inbreng van de leden van de CDA-fractie4Inbreng van de leden van de BBB-fractie4Inbreng van de leden van de SGP-fractie4IIReactie van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuuren Wetenschap6 I Vragen en opmerkingen uit de fracties Inbreng van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de brief van deStaatssecretaris over de uitvoering van het amendement van de ledenStoffer en Rooderkerk over het Nationaal Onderwijsmuseum. Deze ledenhebben zorgen over de keuze om slechts voor incidentele, en niet vooreens structurele dekking te zorgen. Ook gezien de eveneens eerderaangenomen motie van het lid Rooderkerk c.s.2 die daartoe oproept enniet is uitgevoerd.De leden van de D66-fractie merken op dat het Nationaal Onderwijs-museum een unieke collectie beheert over 150 jaar onderwijsgeschie-denis. De PO-Raad, de VO-raad, oud-ministers en Nobelprijswinnaarshebben zich uitgesproken voor het voortbestaan ervan en deze ledendelen die zorg. Op 24 maart 2026 heeft een ruime meerderheid van deTweede Kamer, 101 zetels, het amendement aangenomen met alsuitdrukkelijk doel de subsidie aan het Nationaal Onderwijsmuseumstructureel voort te zetten en te verhogen naar € 945.000. Toch is erbesloten het amendement slechts gedeeltelijk uit te voeren: wel deincidentele verhoging in 2026, maar niet de structurele voortzetting diehet amendement uitdrukkelijk beoogt. Deze leden vragen de Staatssecre-taris of zij van plan is om alsnog structurele dekking te vinden. Welkeconcrete stappen onderneemt zij om bij de eerstvolgende begrotingsbe-handeling alsnog structurele dekking te vinden?De leden van de D66-fractie vragen welke mogelijkheden de Staatssecre-taris ziet, gezien het brede maatschappelijke en parlementaire draagvlak,om samen met de Kamer, het onderwijsveld, het Nationaal Onderwijs-museum te komen tot een structurele oplossing voor behoud van hetmuseum, bijvoorbeeld via vormen van cofinanciering en samenwerking.Tevens vragen de leden van de D66-fractie hoe de Staatssecretaris depositie van het Nationaal Onderwijsmuseum beziet in het licht van debredere ambitie van het ministerie om cultureel erfgoed te beschermen,mede gezien het feit dat het museum de enige nationale voorziening voorhet Nederlandse onderwijserfgoed vormt. Hoe wordt vanaf vandaag en inde toekomst het verzamelbeleid van de onderwijsgeschiedenis uitge-voerd, onderzocht en bewaard voor volgende generaties?Voorts vragen de leden van de D66-fractie hoe de Staatssecretaris aankijkttegen de oproep van Ewald van Vliet om het Nationaal Onderwijsmuseumverder te ontwikkelen tot een eigentijdse «nationale werkplaats» vooronderwijsgeschiedenis en maatschappelijk onderwijsdebat, gecombi-neerd met aanvullende inkomstenbronnen vanuit het museum zelf, mitsdaar een stabiele basisfinanciering tegenover staat.2Kamerstuk 32 820, nr. 550Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1722 De leden van de D66-fractie vragen tevens in hoeverre de Staatssecretarisvan mening is dat de genoemde registratieachterstanden en organisato-rische kwetsbaarheid van het museum mede samenhangen met jarenlangbeperkte indexering en een relatief kleine personele bezetting, en welkemogelijkheden ziet zij om hierin gezamenlijk verbetering aan te brengen.De leden van de D66-fractie vragen – gezien de naderende datum van1 januari 2027, de krappe arbeidsmarkt en het feit dat in het najaar hetmerendeel van het personeel een andere baan kan hebben gevonden – ofde Staatssecretaris zo spoedig mogelijk tot een oplossing kan komen voorstructurele financiering voor het museum om te voorkomen dat eencollectie van 325.000 objecten en de geschiedenis van ons onderwijs, dietoegankelijk is gemaakt voor het publiek, verdwijnt.Inbreng van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie danken de Staatssecretaris voor het toesturenvan de brief omtrent de uitvoering van het amendement van de ledenStoffer en Rooderkerk over het verhogen van het bedrag voor hetNationaal Onderwijsmuseum. Deze leden hebben een aantal vragen.De leden van de VVD-fractie vragen wat de bezoekersaantallen van hetNationaal Onderwijsmuseum over de afgelopen tien jaar zijn. Tevensvragen deze leden hoeveel procent van de bezoekers (over de afgelopentien jaar) groepen waren zoals schoolreisjes etc. Voorts vragen de ledenwat de financiële resultaten zijn van het Nationaal Onderwijsmuseum overde afgelopen tien jaar. Zij vragen wat het museum zelf heeft gedaan in deafgelopen tien jaar om financiële middelen aan te trekken. Tot slot vragenzij wat de begroting is van het Nationaal Onderwijsmuseum voor dekomende vijf jaar.Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met verbazing kennisge-nomen van de onderhavige brief. Het was een ruime Kamermeerderheiddie op 24 maart 2026 met steun van de GroenLinks-PvdA-fractie hetamendement van de leden Stoffer en Rooderkerk3 heeft aangenomen ende intentie was ondubbelzinnig gericht op het afwenden van het gevaardat het voortbestaan van het Onderwijsmuseum en wees op de noodzaakvan een structurele jaarlijkse rijksbijdrage, maar de brief van de Staatsse-cretaris heeft nu als kernboodschap dat het kabinet weigert om desubsidie structureel voort te zetten en zij zó het museum laat sluiten.Waarom heeft het kabinet de wens van de Kamer niet gerespecteerd? Kande Staatssecretaris ook toelichten wat het kabinet de Kamer vlak vooraanbreken meireces met dit briefje wilde bereiken?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hechten aan goed onderwijs enzij menen dat dit ermee gediend is dat betrokkenen de gelegenheidkrijgen om te reflecteren op de onderwijspraktijk. Hoewel zij onderkennendat bezoekers zelf mogen weten wat hen tot een museumbezoekmotiveert en wat zij erin waarderen, zien deze leden de meerwaarde vaneen onderwijsmuseum niet zozeer in nostalgie of een toeristischeattractie, maar vooral in kennisname van de onderwijsgeschiedenis, metalle dwaalwegen en stappen vooruit, die hierbij werden gezet. DoordatNederland een rijke onderwijsgeschiedenis kent, met dwaalwegen enstappen vooruit, biedt een Nationaal Onderwijsmuseum juist eenwaardevolle kans om lessen te trekken uit ons onderwijsverleden. Inhoeverre het kabinet deze visie? Hoe past zijn visie bij een keuze om hetvoortaan maar te doen zonder een onderwijsmuseum?3Kamerstuk 36 800 VIII, nr. 77.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1723 De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat de «afbouw» vanhet Nationaal Onderwijsmuseum, die de Staatssecretaris voor ogen staat,niet alleen betekent dat dit museum binnen afzienbare tijd verdwijnt, maartevens op termijn een afbouw van de collectie van dit museum zodat dezeverloren gaat. Deze leden vrezen dat zo definitief iets waardevols verlorengaat wat moeilijk meer valt te herstellen. Hoe weegt het kabinet ditverlies? Wat blijft er alles welbeschouwd van de collectie nog over met detoegezegde eenmalige projectsubsidie voor de afbouw van de collectie in2027?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat de Staatssecre-taris haar keuze verklaart om de subsidie niet structureel voort te zetten endeze niet te verhogen naar € 945.000, met de «flinke taakstelling» op hetdepartement, waar zij nog steeds niet omheen zou kunnen. Deze ledenkunnen moeilijk geloven dat er op een OCW-begroting van € 57 miljardecht nergens het benodigde bedrag te vinden zou zijn. Heeft het kabinetwel serieus gezocht, vóórdat het concludeerde dat het geld niet gevondenkon worden? Welke posten zijn dan zoal bij het kabinet in beeld geweesten waarom moest het elk van deze mogelijkheden afwijzen? Bovendienwijzen de leden de Staatssecretaris erop dat de Kamer zich niet gebondenacht aan het financieel kader van het coalitieakkoord4, zodat deze hetkabinet meer ruimte biedt dan gesuggereerd. Heeft het kabinet ook dezemogelijkheid voldoende serieus overwogen?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat de Staatssecre-taris haar desbetreffende brief aan het Nationaal Onderwijsmuseumbeëindigde met het uitspreken van het vertrouwen «dat de gesprekkenover de afbouw op een constructieve manier kunnen worden voort-gezet».5 Kan de Staatssecretaris toelichten wat zij zich precies voorstelt bijzo’n constructieve afbouw?Tot slot vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hoe het kabinetalsnog de structurele en verhoogde subsidie aan het Nationaal Onderwijs-museum denkt te gaan regelen omdat er nu eenmaal een Kamermeer-derheid vóór is.Inbreng van de leden van de CDA-fractieDe leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de brief over deuitvoering van het amendement van de leden Stoffer en Rooderkerk overhet verhogen van het bedrag voor het Nationaal Onderwijsmuseum. Opdit moment hebben deze leden geen aanvullende vragen.Inbreng van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben de brief over de uitvoering van hetamendement van de leden Stoffer en Rooderkerk over het verhogen vanhet bedrag voor het Nationaal Onderwijsmuseum gelezen en zij hebbendaarover vooralsnog geen vragen.Inbreng van de leden van de SGP-fractieDe leden van de SGP-fractie hebben met verbazing kennisgenomen vande brief van de Staatssecretaris, waarin voorbijgegaan wordt aan dekennelijke bedoeling van de Kamer om het museum structureel van4De Kamer heeft immers de motie van het lid Klaver c.s. (Kamerstuk 36 848, nr. 34) aange-nomen.5Brief naar aanleiding van aangenomen amendement voor voortzetting subsidie Onderwijs-museum (Kamerstuk 36 800-VIII, nr. 149)Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1724 toereikende bekostiging te voorzien. Deze leden vinden het belangrijk datspoedig duidelijkheid ontstaat over de manier waarop het Onderwijs-museum op basis van toereikende middelen een toekomstbestendigepositie kan krijgen, conform de bedoeling van het amendement van deleden Stoffer en Rooderkerk.De leden van de SGP-fractie vinden het opmerkelijk dat de Staatssecre-taris van OCW in korte tijd opnieuw pogingen doet om afbreuk te doenaan een duidelijke uitspraak van de Kamer. Zo al gesproken wordt van eenonwenselijk precedent, zoals in de beslisnota benoemd, dan is het dat hetbudgetrecht van de Kamer wordt genegeerd. Deze leden vragen allereerstof de Staatssecretaris onderkent dat de dekking in amendementen slechtshet betreffende begrotingsjaar kan betreffen en dat dit als zodanig niet alsverwijt aan de Kamer kan worden tegengeworpen. Bovendien vinden deleden het opmerkelijk dat wordt vermeld dat geen sprake zou zijn van eenjuiste dekking omdat het amendement de Staatssecretaris zou noodzakentot scherpe keuzes. Kan de Staatssecretaris bevestigen dat het aange-geven dekkingsartikel ook vanaf 2027 hoog genoeg is om het benodigdebedrag beschikbaar te kunnen stellen? Zo ja, waarom zou deze bewustekeuze van de Kamer als een onjuiste dekking getypeerd mogen worden?De leden van de SGP-fractie constateren dat het Onderwijsmuseummomenteel eigenlijk de enige plek is waar de kennis van en zorg voor deonderwijsgeschiedenis gestalte krijgt, een functie die ook voor deontwikkeling van het onderwijs en het onderwijsbeleid relevant is. Dezeleden vragen hoe de Staatssecretaris naar deze functies kijkt en hoe zijdeze richting de toekomst of toereikende wijze zou willen waarborgen,waar mogelijk in samenwerking met de onderwijssector en andereinstellingen. Hoe weegt zij hierbij dat dit museum reeds sinds 1895subsidie ontvangt en daarmee altijd een vaste plaats in de begroting heeftingenomen, zoals onderstreept is door opeenvolgende bewindspersonenvan het departement van OCW? Waarom zou een radicale breuk nutoelaatbaar zijn?De leden van de SGP-fractie vragen waarop de Staatssecretaris de stellingbaseert dat het Onderwijsmuseum voor de grootte van het museumrelatief weinig bezoekers trekt. Hoe verhoudt de situatie van het museumzich tot andere musea, waaronder musea die rijksbekostiging ontvangen,en hoe wordt daarin rekening gehouden met het beperkte subsidiebedragdat het Onderwijsmuseum ontving en de beperkte personele bezetting?Welke verwachtingen zijn reëel voor de toekomst als het gaat ombezoekersaantallen en gaat de Staatssecretaris hierover het gesprek aanmet het museum?De leden van de SGP-fractie vragen of de Staatssecretaris in een tabel kanweergeven welke bedragen in de afgelopen tien jaren zijn uitgekeerd aanhet Onderwijsmuseum. Deze leden vragen om daarbij ook aan te gevenhoe deze bedragen zich verhouden tot de ontwikkeling van de inflatie enlonen en de ontwikkeling van de vergoedingen die binnen de cultuurpor-tefeuille aan musea zijn uitgekeerd. Hoe reageert zij op de kritiek dat devergoedingen juist tien jaar lang niet zouden zijn geïndexeerd en dat ditde stabiele basis van het museum onder druk heeft gezet? Klopt het datde extra bedragen die OCW heeft uitgekeerd tezamen nog steeds minderbedragen dan het bedrag dat bij indexatie door het museum zou zijnontvangen?De leden van de SGP-fractie vragen welke routes de Staatssecretarismogelijk en wenselijk acht om in lijn met de bedoeling van hetamendement samen met het museum een solide plan voor de toekomst-bestendige exploitatie te verzekeren. Deze leden vragen in hoeverre eenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1725 positionering van het Onderwijsmuseum onder het begrotingsartikelcultuur, mogelijk als Rijksmuseum, daaraan dienstbaar kan zijn. Ookvragen de leden om een vergelijking met de positie van de diversedefensiemusea binnen de begroting Defensie. Hoe kan gewerkt wordenaan een beleidskader dat meer stabiliteit biedt dan in de afgelopen jarenhet geval was en dat ook richting kan bieden om gezamenlijke inhoude-lijke ambities vorm te geven? Op welke wijze wordt de onderwijssectorhierbij betrokken?De leden van de SGP-fractie vragen of de Staatssecretaris in beeld heeftwelk risico bestaat dat delen van de collectie van het Onderwijsmuseumvernietigd kunnen worden indien niet tijdig voldoende middelen terbeschikking zijn. Onderkent de Staatssecretaris dat vernietiging een reelrisico is voor onderdelen van de collectie die nog niet zijn geregistreerd endie ook niet verkocht kunnen worden? Vindt zij ook dat, gezien dehistorische betekenis, vernietiging in geen geval aan de orde mag zijnzonder dat een inhoudelijke beoordeling heeft plaatsgevonden en opwelke wijze wil zij erop laten toezien dat dit scenario zich niet voltrekt?De leden van de SGP-fractie vragen of er een plan is en welkevoorwaarden zouden gelden als het museum zou besluiten de collectieaan te bieden aan de Staat om vernietiging te voorkomen. Aan welkeverplichtingen, bijvoorbeeld op grond van de Erfgoedwet, zou hetmuseum moeten voldoen en welke middelen zouden dan minimaal nodigzijn?De leden van de SGP-fractie vragen waarop de Staatssecretaris baseertdat de eenmalige projectsubsidie van € 300.000 voor een jaar toereikendzou zijn om de specifieke collectie van het Onderwijsmuseum opverantwoorde wijze te registreren en elders onder te brengen. Kan zijinzichtelijk maken hoe dit bedrag is opgebouwd en in hoeverre dit berustop het karakter van de collectie en gesprek met het Onderwijsmuseum?De leden van de SGP-fractie vragen hoe de Staatssecretaris aankijkt tegende suggestie om het Nationaal Onderwijsmuseum verder te ontwikkelentot een eigentijdse «nationale werkplaats» voor onderwijsgeschiedenis enmaatschappelijk onderwijsdebat, op grond van een stabiele financieringvanuit het Rijk en een gezonde basis van eigen inkomsten.De leden van de SGP-fractie vragen of de Staatssecretaris ruim voor hetzomerreces duidelijkheid kan bieden richting het museum over de wijzewaarop de toekomst kan worden vormgegeven, waarmee ook tijdigduidelijkheid voor het personeel en de vele vrijwilligers ontstaat.II Reactie van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur enWetenschap Beantwoording inbreng van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie vragen of de Staatssecretaris van plan is omalsnog structurele dekking te vinden, en welke concrete stappen zijonderneemt om bij de eerstvolgende begrotingsbehandeling alsnogstructurele dekking te vinden. Welke mogelijkheden ziet de Staatssecre-taris, gezien het brede maatschappelijke en parlementaire draagvlak, omsamen met de Kamer, het onderwijsveld, het Nationaal Onderwijs-museum te komen tot een structurele oplossing voor behoud van hetmuseum, bijvoorbeeld via vormen van cofinanciering en samenwerking.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1726 Het vinden van dekking bij een amendement is aan de Kamer. Hetstopzetten van de subsidie vanuit OCW betekent daarnaast niet per se dathet museum ook dicht moet. Er is ruim twee jaar van tevoren aange-kondigd dat de subsidie zou stoppen, om het museum tijd te gevenalternatieve financiering te vinden of zorgvuldig af te bouwen.In de afgelopen periode heb ik her en der gehoord dat partijen uit desector hebben aangegeven zelf verantwoordelijkheid te willen nemenvoor de toekomst van het museum. Als dat zo is, dan staan de Minister enik welwillend tegenover een dergelijk initiatief. Juist omdat de betrok-kenheid in de sector groot is, is het waardevol om serieus te verkennenwelke mogelijkheden er zijn om vanuit die verantwoordelijkheid tot eenduurzame toekomst te komen. Daarom is het ministerie bereid om dekomende periode met betrokken partijen in gesprek te gaan en teverkennen welke perspectieven er zijn voor de toekomst van het museumen de collectie.Het is daarbij wel belangrijk om realistisch te zijn. Het museum staat allangere tijd voor aanzienlijke organisatorische en financiële uitdagingen.Ook is sprake van een omvangrijke collectie waarvan een substantieeldeel nog niet volledig geregistreerd is. Dat maakt de situatie complex enheeft het de afgelopen jaren niet altijd eenvoudig gemaakt.Juist daarom is het van belang dat eventuele vervolgstappen gebaseerdzijn op een realistisch plan, heldere verantwoordelijkheden en eenduurzame organisatorische basis. Ook is het goed om aan te merken datwe op daarbij voor de lange termijn geen rol voor OCW zien weggelegd.Tevens vragen de leden van de D66-fractie hoe de Staatssecretaris depositie van het Nationaal Onderwijsmuseum beziet in het licht van debredere ambitie van het ministerie om cultureel erfgoed te beschermen,mede gezien het feit dat het museum de enige nationale voorziening voorhet Nederlandse onderwijserfgoed vormt. Hoe wordt vanaf vandaag en inde toekomst het verzamelbeleid van de onderwijsgeschiedenis uitge-voerd, onderzocht en bewaard voor volgende generaties?Allereerst goed om in deze context te benoemen dat het museum eenaanzienlijk deel van de collectie op dit moment nog niet goed in kaartheeft vanwege registratieachterstanden, ondanks herhaald aansturendaarop vanuit mijn ministerie. Het Nationaal Onderwijsmuseum beheertdaarnaast geen Rijkscollectie. Daarmee is er formeel geen verantwoorde-lijkheid voor de Minister voor deze instelling op basis van de collectie diezij in beheer heeft. Dat laat onverlet dat het van belang is om op eenzorgvuldige wijze met deze collectie om te gaan, vanuit de algemenestelselverantwoordelijkheid die de Minister heeft voor het museale bestel.Die stelselverantwoordelijkheid bestaat uit de inzet van de Minister voorde museumsector als geheel door middel van haar beschikbare instru-menten en organisaties (Erfgoedwet, Mondriaan Fonds, RCE, Cultuurcon-venanten etc) ten behoeve van het behoud, beheer en toegankelijk makenvan collecties.Verder beheert het Nationaal Archief het archief van OCW, inclusiefmateriaal dat relevant is voor de geschiedenis van het onderwijsbeleid.Ook is er relevant historisch materiaal over de onderwijsgeschiedenis inde KB en andere (regionale) archieven.Voorts vragen de leden van de D66-fractie hoe de Staatssecretaris aankijkttegen de oproep van Ewald van Vliet om het Nationaal Onderwijsmuseumverder te ontwikkelen tot een eigentijdse «nationale werkplaats» vooronderwijsgeschiedenis en maatschappelijk onderwijsdebat, gecombi-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1727 neerd met aanvullende inkomstenbronnen vanuit het museum zelf, mitsdaar een stabiele basisfinanciering tegenover staat.Vanwege de stevige personele en subsidietaakstelling op het departementmoeten scherpe keuzes gemaakt worden in waar mensen en middelenwel of niet op ingezet kunnen worden. Deze oproep vraagt juist om eenverdere intensivering van beide, ook vanwege de (financieel) kwetsbaresituatie van het museum in de huidige situatie met onder andere groteachterstanden in de registratie van de collectie. Daar kan ik, in de contextvan de taakstellingen, nu niet voor kiezen.Wel staan de Minister en ik er zoals aangegeven voor open om metbetrokken partijen in het veld te verkennen welke perspectieven er zijnvoor de toekomst van het museum en de collectie. Daarbij blijft staan datwij hierbij voor de lange termijn geen rol voor OCW zien weggelegd.De leden van de D66-fractie vragen in hoeverre de Staatssecretaris vanmening is dat de genoemde registratieachterstanden en organisatorischekwetsbaarheid van het museum mede samenhangen met de jarenlangbeperkte indexering en een relatief kleine personele bezetting, en welkemogelijkheden de Staatssecretaris ziet om hierin gezamenlijk verbeteringaan te brengen.Subsidies vanuit de Rijksoverheid worden niet standaard geïndexeerd. Desubsidie ontvangende partij kan dan ook niet uitgaan van een standaard-indexatie. Daarnaast is het vooral aan het museum zelf om, naastsubsidies, voldoende eigen inkomsten te genereren om organisatorischekwetsbaarheid en registratieachterstanden te voorkomen. Daarover zijndan ook al vanaf het moment dat het museum in Dordrecht is gevestigd(2015) gesprekken gevoerd met het museum.De leden van de D66-fractie vragen – gezien de naderende datum van1 januari 2027, de krappe arbeidsmarkt en het feit dat in het najaar hetmerendeel van het personeel een andere baan kan hebben gevonden – ofde Staatssecretaris zo spoedig mogelijk tot een oplossing kan komen voorstructurele financiering voor het museum om te voorkomen dat eencollectie van 325.000 objecten en de geschiedenis van ons onderwijs, dietoegankelijk is gemaakt voor het publiek, verdwijnt.Het amendement wordt uitgevoerd volgens de in het amendementaangegeven dekking. Dat betekent dat de subsidie loopt tot januari 2027.Het museum ontvangt daarnaast in 2026 bovenop het reguliere subsidie-bedrag 350.000 euro extra, zoals geregeld in het amendement. Daarbijkomt potentieel, een aanvullende eenmalige projectsubsidie van 300.000euro in de eerste helft van 2027 voor de registratie en afbouw van decollectie, mits er een goed onderbouwd plan hiertoe ligt.Beantwoording inbreng van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie vragen de Staatssecretaris wat de bezoekers-aantallen van het Nationaal Onderwijsmuseum over de afgelopen tienjaar, hoeveel procent van de bezoekers over de afgelopen tien jaar warengroepen zoals schoolreisjes etc was en wat de financiële resultaten vanhet Nationaal Onderwijsmuseum over de afgelopen tien jaar waren.Zie het overzicht in de tabel hieronder.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1728 JaarBezoekersPercentage educatievegroepen (schoolreisjesetc)Financiële resultaat201629.12213,4% (3.895)€ 67.547201725.16916,6% (4.170)€ 67.710201820.32339,5% (8.026)– € 14.411201930.56324,5% (7.499)– € 39.191202015.964 (corona)Niet bekend+ € 40.153202112.440 (corona)17,9% (2.221)€ 0202225.32425,5% (6.460)– € 65202332.75122,8% (7.468)– € 58.381 (gedekt dooraanvullende subsidieOCW)202433.54321,5% (7.205)– € 69.759 (gedekt dooraanvullende subsidieOCW)202530.99316,6% (5.153)– € 174.994 (gedekt dooraanvullende subsidieOCW & gemeenteDordrecht)2026Nog onbekendNog onbekendNog onbekend De leden van de VVD-fractie vragen daarnaast wat het museum zelf heeftgedaan in de afgelopen tien jaar om financiële middelen aan te trekken.Het museum geeft aan over de periode 2015 – 2025 4.720.746 euro aaneigen inkomsten te hebben gegenereerd, ongeveer 500.000 euro perkalenderjaar na compensatie van de lagere inkomsten tijdens decoronajaren. Zij omschrijven dat totaalbedrag over de afgelopen jaren alsredelijk stabiel dankzij een strategisch breed commercieel beleid; naastinkomsten uit entree genereert het museum inkomsten uit verkopen in demuseumwinkel, de horeca en via zalenverhuur. Alle drie deze commer-ciële activiteiten worden in eigen beheer geëxploiteerd. Ook ontvangt hetmuseum bijdragen uit fondsen en uit sponsoring. Zo heeft het museum in2024 via een internationale samenwerking een Europese subsidieontvangen. Waar mogelijk detacheert het museum zijn personeel insamenwerkingsprojecten, voor het merendeel binnen de onderwijssector.Het museum geeft aan dat de jaarlijkse inkomsten van een half miljoeneuro min of meer gelijk zijn aan de rijkssubsidie van 550.000 euro per jaarover diezelfde periode. Daarbovenop ontvangt het museum nog eensubsidie van 400.000 euro van de gemeente Dordrecht.Als laatste vragen de leden van de VVD-fractie wat de begroting van hetNationaal Onderwijsmuseum voor de komende vijf jaar is.Het museum geeft aan dat de subsidie vanuit het Rijk die op jaarbasiswordt toegekend een beperkende factor is voor het genereren van meereigen inkomsten. Het geeft aan dat het niet mogelijk is naast de huidigeuiterst krappe personele bezetting (7,3 fte) een relatie- en fondsenma-nager aan te trekken die het potentieel aan fondsbijdragen en sponsoringkan realiseren en de warme banden met de onderwijssector en devriendenclub met aandacht weet te continueren. Ook is een marketing-budget van structureel minder dan 50.000 euro per jaar te laag om eenlandelijke bekendheid op te bouwen van buiten de randstad en voldoendeslagkracht te genereren richting meer bezoekers aan het museum en eenuitgebreid publieksprogramma. Het museum ziet de potentie om naar50.000 bezoekers door te groeien in Dordrecht, maar mist de basisinves-tering om deze stap te maken. Het museum geeft aan met het door deTweede Kamer aangenomen amendement van een jaarlijkse rijkssubsidievan 950.000 euro per jaar de benodigde middelen te hebben om deze«groeibriljant en potentie in de komende drie tot vijf jaren te realiseren».En dat het op basis hiervan een meerjarenbegroting kan opmaken waarbijTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1729 de expertise in het team wordt aangevuld met publieksprogrammering,marketing en fondsen- en sponsorwerving.Het museum geeft verder mee dat van belang is «te onderkennen dat deomvangrijke nationale collectie die het museum beheert, maar ook hetveelvuldige contact met de onderwijssector over het gebruik van diecollectie, vele uren in uitvoering en aandacht vraagt vanuit demedewerkers». Ook de 25 collectievrijwilligers verbonden aan hetmuseum zijn hierin volgens het museum van bijzondere waarde. Het metde onderwijssector in cofinanciering gezamenlijk ontwikkelen van(digitale) collectie, georiënteerde onderzoeks- en lesprogramma’s ziet hetmuseum als tweede «groeibriljant» in de begroting 2025–2030. Met dehuidige krappe bezetting is het museum niet in staat deze inhoudelijkeaansluiting met de sector te maken. Zo geeft het museum aan gesprekkente zijn gestart met het Nederlands Onderwijsinstituut om de rijkehistorische collectie online te ontsluiten en korte inspirerende verhalenzichtbaar te maken via de digiborden in de scholen van Nederland, via deeigen website en in e-nieuwsbrieven. Ook ziet het museum een kans omhistorische Schooltv weer te laten terugkeren in de klaslokalen. Maar hetmuseum geeft aan dat een begroting 2026–2030 op dit moment nietvoorhanden is, maar enkel in alle redelijkheid samengesteld kan wordenop basis van een meerjarige subsidierelatie en continuïteit vanuit deRijksoverheid en de gemeente Dordrecht.Beantwoording inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen waarom het kabinet dewens van de Kamer niet heeft gerespecteerd en wat het kabinet vlak vooraanbreken van het meireces met dit briefje wilde bereiken.De dekking van het amendement was geregeld voor het begrotingsjaar2026. Het amendement wordt uitgevoerd volgens die dekking. Zoalstoegelicht moet ik vanwege de taakstellingen op mijn departement keuzesmaken in waar ik mijn mensen en middelen op inzet, en dat doe ik tengoede van goed onderwijs en voldoende leraren. Dat maakt dat ik geenmogelijkheid zie de keuze te maken om de subsidie, ondanks hetontbreken van dekking, toch structureel uit te voeren.Het ontbreken van structurele dekking bij het amendement maakte dat erenige tijd nodig was voor het nemen van een besluit over de uitvoeringervan. Desondanks wilde ik de Kamer maar ook het museum zo spoedigmogelijk informeren en daarmee niet wachten tot na het reces.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen in hoeverre het kabinetde visie herkent dat, doordat Nederland een rijke onderwijsgeschiedeniskent, met dwaalwegen en stappen vooruit, een Nationaal Onderwijs-museum juist een waardevolle kans biedt om lessen te trekken uit onsonderwijsverleden. En hoe de visie van het kabinet past bij een keuze omhet voortaan maar te doen zonder een Onderwijsmuseum.Allereerst goed om te vermelden dat het hier niet gaat om een Rijkscol-lectie. Daarnaast betekent, zoals aangegeven, het stopzetten van desubsidie vanuit OCW niet automatisch dat het museum ook dicht moet ofde collectie verloren gaat. Er is twee jaar van tevoren aangekondigd datde subsidie zou stoppen, om het museum tijd te geven alternatievefinanciering te vinden of zorgvuldig af te bouwen en de te collectiebehouden en als nodig over te dragen. Welke optie het uiteindelijk wordtis een keuze aan het museum zelf. Los daarvan wordt relevant historischTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 17210 materiaal over de onderwijsgeschiedenis beheerd door het NationaalArchief, de Koninklijke Bibliotheek en in andere (regionale) archieven.Omdat ik net als u de grote betrokkenheid bij het museum bemerk, ookvanuit de onderwijssector, is het ministerie wel bereid om de komendeperiode met betrokken partijen in gesprek te gaan en te verkennen welkeperspectieven er zijn voor de toekomst van het museum en de collectie.Zoals aangegeven zien wij daarbij echter voor de lange termijn geen rolvoor OCW weggelegd.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat de «afbouw» vanhet Nationaal Onderwijsmuseum, die de Staatssecretaris voor ogen staat,niet alleen betekent dat dit museum binnen afzienbare tijd verdwijnt, maartevens op termijn een afbouw van de collectie van dit museum zodat dezeverloren gaat. Deze leden vrezen dat zo definitief iets waardevols verlorengaat wat moeilijk meer valt te herstellen. De leden vragen zich af hoe hetkabinet dit verlies weegt. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragenzich af wat er alles welbeschouwd overblijft van de collectie met detoegezegde eenmalige projectsubsidie voor de afbouw van de collectie in2027.De projectsubsidie is bedoeld om te komen tot een zorgvuldige afbouwvoor in totaal twee jaar. Het is zoals gezegd aan het museum te kijken naarde mogelijkheden voor andere financieringsbronnen. Het museum ishiermee tijdig in staat gesteld te anticiperen op het beëindigen van definancieringsbron en daarmee te bepalen wat dat betekent voormedewerkers en voor de collectie.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat de Staatssecre-taris haar keuze verklaart om de subsidie niet structureel voort te zetten endeze niet te verhogen naar € 945.000, met de «flinke taakstelling» op hetdepartement, waar zij nog steeds niet omheen zou kunnen. Deze ledenkunnen moeilijk geloven dat er op een OCW-begroting van € 57 miljardecht nergens het benodigde bedrag te vinden zou zijn. Heeft het kabinetwel serieus gezocht, vóórdat het concludeerde dat het geld niet gevondenkon worden? Welke posten zijn dan zoal bij het kabinet in beeld geweesten waarom moest het elk van deze mogelijkheden afwijzen? Bovendienwijzen de leden de Staatssecretaris erop dat de Kamer zich niet gebondenacht aan het financieel kader van het coalitieakkoord6, zodat deze hetkabinet meer ruimte biedt dan gesuggereerd. Heeft het kabinet ook dezemogelijkheid voldoende serieus overwogen?Het vinden van dekking bij een amendement is aan de Kamer. Zoalsgezegd voel ik mij, omdat ik het met minder mensen en middelen moetdoen op mijn departement, genoodzaakt keuzes te maken in wat wel enniet meer kan. Daarbij is de inzet op het primaire proces van het onderwijsleidend: kwalitatief goed onderwijs en voldoende en goede leraren.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat de Staatssecre-taris haar desbetreffende brief aan het Nationaal Onderwijsmuseumbeëindigde met het uitspreken van het vertrouwen «dat de gesprekkenover de afbouw op een constructieve manier kunnen worden voort-gezet».7 Kan de Staatssecretaris toelichten wat zij zich precies voorstelt bijzo’n constructieve afbouw?6De Kamer heeft immers de motie van het lid Klaver c.s. (Kamerstuk 36 848, nr. 34) aange-nomen.7Brief naar aanleiding van aangenomen amendement voor voortzetting subsidie Onderwijs-museum (Kamerstuk 36 800-VIII, nr. 149)Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 17211 In mijn brief aan het Onderwijsmuseum heb ik de wens uitgesprokenconstructief in gesprek te blijven met het museum, zodat de afbouw opzorgvuldige manier kan worden voortgezet, zoals die een jaar geleden zijngestart.Tot slot vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hoe het kabinetalsnog de structurele en verhoogde subsidie aan het Nationaal Onderwijs-museum denkt te gaan regelen omdat er nu eenmaal een Kamermeer-derheid vóór is.Zoals aangegeven wordt het amendement uitgevoerd volgens de gegevendekking, maar zijn de Minister en ik wel bereid met betrokken partijen uitde onderwijssector te verkennen welke perspectieven er zijn voor detoekomst van het museum en collectie.Beantwoording inbreng van de leden van de SGP fractieDe leden van de SGP-fractie vinden het opmerkelijk dat de Staatssecre-taris van OCW in korte tijd opnieuw pogingen doet om afbreuk te doenaan een duidelijke uitspraak van de Kamer. Zo al gesproken wordt van eenonwenselijk precedent, zoals in de beslisnota benoemd, dan is het dat hetbudgetrecht van de Kamer wordt genegeerd. Deze leden vragen allereerstof de Staatssecretaris onderkent dat de dekking in amendementen slechtshet betreffende begrotingsjaar kan betreffen en dat dit als zodanig niet alsverwijt aan de Kamer kan worden tegengeworpen. Bovendien vinden deleden het opmerkelijk dat wordt vermeld dat geen sprake zou zijn van eenjuiste dekking omdat het amendement de Staatssecretaris zou noodzakentot scherpe keuzes. Kan de Staatssecretaris bevestigen dat het aange-geven dekkingsartikel ook vanaf 2027 hoog genoeg is om het benodigdebedrag beschikbaar te kunnen stellen? Zo ja, waarom zou deze bewustekeuze van de Kamer als een onjuiste dekking getypeerd mogen worden?In het amendement wordt 350.000 euro extra geregeld vanuit art. 8(Internationaal Beleid) in 2026. De overige 600.000 euro stond in 2026 algereserveerd op artikel 1 (Primair Onderwijs), overige subsidies. Zowel de350.000 euro als de 600.000 euro staan na 2026 niet meer gereserveerd bijInternationaal Beleid of Primair Onderwijs. De 350.000 euro die ditamendement regelt is in 2026 voldoende voor voortzetting van hetmuseum, vanaf 2027 zijn echter meer middelen benodigd voor voort-zetting, nl. ruim 900.000 euro per jaar. Dit amendement regelt dezemiddelen vanaf 2027 niet. Deze middelen zijn vanaf 2027 niet op deOCW-begroting beschikbaar, omdat het amendement hier niet in voorziet.Voor de inzet van die middelen zijn op dit moment al andere keuzesgemaakt, met focus op het primaire proces: steengoed onderwijs.De leden van de SGP-fractie constateren dat het Onderwijsmuseummomenteel eigenlijk de enige plek is waar de kennis van en zorg voor deonderwijsgeschiedenis gestalte krijgt, een functie die ook voor deontwikkeling van het onderwijs en het onderwijsbeleid relevant is. Dezeleden vragen hoe de Staatssecretaris naar deze functies kijkt en hoe zijdeze richting de toekomst of toereikende wijze zou willen waarborgen,waar mogelijk in samenwerking met de onderwijssector en andereinstellingen. Hoe weegt zij hierbij dat dit museum reeds sinds 1895subsidie ontvangt en daarmee altijd een vaste plaats in de begroting heeftingenomen, zoals onderstreept is door opeenvolgende bewindspersonenvan het departement van OCW? Waarom zou een radicale breuk nutoelaatbaar zijn?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 17212 Allereerst goed om te vermelden dat het hier niet gaat om een Rijkscol-lectie. Daarnaast betekent, zoals aangegeven, het stopzetten van desubsidie vanuit OCW niet automatisch dat het museum ook dicht moet ofde collectie verloren gaat. Er is ruim twee jaar van tevoren aangekondigddat de subsidie zou stoppen, om het museum tijd te geven alternatievefinanciering te vinden of zorgvuldig af te bouwen en de collectie tebehouden of als nodig over de dragen. Welke optie het uiteindelijk wordtis een keuze aan het museum zelf.De leden van de SGP-fractie vragen waarop de Staatssecretaris de stellingbaseert dat het Onderwijsmuseum voor de grootte van het museumrelatief weinig bezoekers trekt. Hoe verhoudt de situatie van het museumzich tot andere musea, waaronder musea die rijksbekostiging ontvangen,en hoe wordt daarin rekening gehouden met het beperkte subsidiebedragdat het Onderwijsmuseum ontving en de beperkte personele bezetting?Welke verwachtingen zijn reëel voor de toekomst als het gaat ombezoekersaantallen en gaat de Staatssecretaris hierover het gesprek aanmet het museum?Het museum trekt jaarlijks zo’n 30.000 bezoekers, ten opzichte van hetzichzelf in jaarplannen ten doel gestelde aantal van 40.000. Ook in deverantwoording is meermaals aangegeven dat het aantal bezoekers lagerwas dan vooraf verwacht. Daarnaast zijn de eigen inkomsten die hetmuseum genereert, onder andere vanuit bezoekers, lager dan gemiddeldten opzichte van andere musea (in 2023 40,9% ten opzichte van 49,3%gemiddeld en in 2024 32,6% ten opzichte van 49,2% gemiddeld). Anderemusea in Nederland die geen Rijkscollectie beheren ontvangen geenstructurele bekostiging van het Rijk, daardoor is deze vergelijking nietgoed te maken.De leden van de SGP-fractie vragen of de Staatssecretaris in een tabel kanweergeven welke bedragen in de afgelopen tien jaren zijn uitgekeerd aanhet Onderwijsmuseum. Deze leden vragen om daarbij ook aan te gevenhoe deze bedragen zich verhouden tot de ontwikkeling van de inflatie enlonen en de ontwikkeling van de vergoedingen die binnen de cultuurpor-tefeuille aan musea zijn uitgekeerd. Hoe reageert zij op de kritiek dat devergoedingen juist tien jaar lang niet zouden zijn geïndexeerd en dat ditde stabiele basis van het museum onder druk heeft gezet? Klopt het datde extra bedragen die OCW heeft uitgekeerd tezamen nog steeds minderbedragen dan het bedrag dat bij indexatie door het museum zou zijnontvangen?Zie tabel hieronder.Het klopt dat de subsidie niet jaarlijks is geïndexeerd. Subsidies die deRijksoverheid verstrekt worden niet automatisch geïndexeerd. Desubsidie-ontvangende partij kan dan ook niet uitgaan van een standaard-indexatie. Omdat er vanuit de Rijksoverheid geen standaardindexatiedoorgevoerd wordt op subsidies, kan geen vergelijking gemaakt wordenhoe zich deze verhoudt tot de extra bedragen die OCW heeft uitgekeerd.JaarBedragLoonbijstellingalgemeenPrijsbijstellingalgemeenLoonbijstellingRijksmusea(publieksacti-viteiten)Prijs bijstellingRijksmusea(publieksactivi-teiten)2017€ 550.0002,63%0,20%2,040%1,470%2018€ 550.0002,60%1,60%2,658%1,590%2019€ 550.0003,13%1,45%3,237%1,447%Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 17213 JaarBedragLoonbijstellingalgemeenPrijsbijstellingalgemeenLoonbijstellingRijksmusea(publieksacti-viteiten)Prijs bijstellingRijksmusea(publieksactivi-teiten)2020€ 550.000 +€ 111.400coronagelden3,45%1,75%3,379%1,753%2021€ 550.000 +€ 114.157coronagelden2,32%1,96%2,110%1,958%2022€ 550.0002,96%4,09%3,550%4,088%2023€ 550.000 +€ 58.381vanwegevoorziennegatiefresultaat5,71%5,90%6,426%5,896%2024€ 572.000 +€ 69.759vanwegevoorziennegatiefresultaat6,04%2,91%6,078%2,915%2025€ 594.881 +€ 87.497vanwegevoorziennegatiefresultaat5,17%2,91%5,168%0%2026€ 595.0004,10%2,57%4,1%2,566% De leden van de SGP-fractie vragen welke routes de Staatssecretarismogelijk en wenselijk acht om in lijn met de bedoeling van hetamendement samen met het museum een solide plan voor de toekomst-bestendige exploitatie te verzekeren. Deze leden vragen in hoeverre eenpositionering van het Onderwijsmuseum onder het begrotingsartikelcultuur, mogelijk als Rijksmuseum, daaraan dienstbaar kan zijn. Ookvragen de leden om een vergelijking met de positie van de diversedefensiemusea binnen de begroting Defensie. Hoe kan gewerkt wordenaan een beleidskader dat meer stabiliteit biedt dan in de afgelopen jarenhet geval was en dat ook richting kan bieden om gezamenlijke inhoude-lijke ambities vorm te geven? Op welke wijze wordt de onderwijssectorhierbij betrokken?Het Onderwijsmuseum beheert geen Rijkscollectie en kan dus geenRijksmuseum worden gemaakt. De Erfgoedwet is bedoeld om collectiesdie van nationaal belang zijn te behouden voor het Nederlands cultuur-bezit. Het nationale museumbeleid is er niet op gericht om de structurelerijksverantwoordelijkheid voor collecties of museale stichtingen uit tebreiden, en beschikt niet over de benodigde middelen hiervoor. Zoalsaangegeven wordt het amendement uitgevoerd volgens de dekking en zieik geen ruimte de keuze te maken hier toch structurele invulling aan tegeven.Het Ministerie van Defensie subsidieert ook diverse defensiemuseabinnen haar begroting. Voor deze musea geldt echter dat zij ook Rijkscol-lecties beheren. Dat geldt niet voor het Onderwijsmuseum. Dat maakt desituatie lastig te vergelijken.De leden van de SGP-fractie vragen of de Staatssecretaris in beeld heeftwelk risico bestaat dat delen van de collectie van het Onderwijsmuseumvernietigd kunnen worden indien niet tijdig voldoende middelen terbeschikking zijn. Onderkent de Staatssecretaris dat vernietiging een reelTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 17214 risico is voor onderdelen van de collectie die nog niet zijn geregistreerd endie ook niet verkocht kunnen worden? Vindt zij ook dat, gezien dehistorische betekenis, vernietiging in geen geval aan de orde mag zijnzonder dat een inhoudelijke beoordeling heeft plaatsgevonden en opwelke wijze wil zij erop laten toezien dat dit scenario zich niet voltrekt?Allereerst is het de verantwoordelijkheid van het museum zelf om ervoorte zorgen dat diens collectie geregistreerd is. Vanwege de grote achter-standen die het museum heeft in registratie van collectie, heb ik er in hetafgelopen jaar herhaaldelijk op aangestuurd bij het museum hier metspoed een inhaalslag op te maken. Tot nu toe echter nog met weinigresultaat.Vooralsnog ga ik er echter nog vanuit dat het museum zich inzet ombinnen de gestelde termijn een zorgvuldige afbouw te realiseren of tekijken naar alternatieve mogelijkheden voor financiering. Daarover blijf ikook graag met het museum in gesprek.Ook sta ik er zoals aangegeven voor open om in gesprek te gaan metbetrokken partijen vanuit het onderwijsveld om te kijken welke perspec-tieven er zijn voor de toekomst van het museum en de collectie, waarbij iknogmaals benadruk dat we daar voor de lange termijn geen rol voor OCWzien weggelegd.De leden van de SGP-fractie vragen of er een plan is en welkevoorwaarden zouden gelden als het museum zou besluiten de collectieaan te bieden aan de Staat om vernietiging te voorkomen. Aan welkeverplichtingen, bijvoorbeeld op grond van de Erfgoedwet, zou hetmuseum moeten voldoen en welke middelen zouden dan minimaal nodigzijn?Voor het aanbieden van de collectie aan de Staat zal een zekere mate vanregistratie van de gehele collectie nodig zijn. Dat betekent dat hier nogwerk te doen is. Daarvoor is een projectsubsidie beschikbaar gesteld. Daarheeft het museum voorlopig nog geen plan voor ingediend. Naaanbieding van de collectie zal conform de Erfgoedwet advies wordengevraagd aan de onafhankelijke Commissie Beschermde Cultuurgoederenwelke onderdelen van de collectie onmisbaar en onvervangbaar zijn voorde collectie Nederland. Alleen voor deze zaken heeft de Minister eenaanvaardingsplicht als deze goederen «om niet» en zonder belastendevoorwaarden worden geschonken, mits zij voldoende middelen op haarbegroting heeft om te voorzien in het beheer en behoud van dezecultuurgoederen. Het hangt af van de hoeveelheid cultuurgoederen dieonmisbaar en onvervangbaar zijn welke middelen hiervoor nodig zoudenzijn.De leden van de SGP-fractie vragen waarop de Staatssecretaris baseertdat de eenmalige projectsubsidie van € 300.000 voor een jaar toereikendzou zijn om de specifieke collectie van het Onderwijsmuseum opverantwoorde wijze te registreren en elders onder te brengen. Kan zijinzichtelijk maken hoe dit bedrag is opgebouwd en in hoeverre dit berustop het karakter van de collectie en gesprek met het Onderwijsmuseum?Voor de afbouw is uitgegaan van een periode van twee jaar (mei 2025 –juni 2027), waarvoor in totaal nog 1.200.000 euro aan subsidie werdverleend aan het museum. De eenmalige projectsubsidie van 300.000euro in 2027 maakt hier onderdeel van uit. Deze twee jaar geeft hetmuseum naar mijn inschatting voldoende ruimte om te kijken naaralternatieve financieringsbronnen voor het museum of een zorgvuldigeafbouw vorm te geven.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 17215 De leden van de SGP-fractie vragen hoe de Staatssecretaris aankijkt tegende suggestie om het Nationaal Onderwijsmuseum verder te ontwikkelentot een eigentijdse «nationale werkplaats» voor onderwijsgeschiedenis enmaatschappelijk onderwijsdebat, op grond van een stabiele financieringvanuit het Rijk en een gezonde basis van eigen inkomsten.Dit is een keuze die aan het museum zelf is, waarbij niet voorzien is instructurele financiering vanuit de rijksbegroting.De leden van de SGP-fractie vragen of de Staatssecretaris ruim voor hetzomerreces duidelijkheid kan bieden richting het museum over de wijzewaarop de toekomst kan worden vormgegeven, waarmee ook tijdigduidelijkheid voor het personeel en de vele vrijwilligers ontstaat.Ik heb in mijn brief aan het Onderwijsmuseum naar aanleiding van hetamendement duidelijkheid gegeven dat ik dit amendement uitvoerconform de voorgestelde dekking. Ook op andere momenten heb ik hetmuseum tijdig geïnformeerd over de subsidieverlening, omdat ik erwaarde aan hecht dat het museum hier tijdig op kan anticiperen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 17216
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.