Brief van de tijdelijke commissie Grondrechten en Constitutionele toetsing over een advies over het wetsvoorstel Wijziging van de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding in verband met de permanentmaking van die wet en enkele andere wijzigingen
Brontekst
Versie 6d803b6cdb3df155 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 918Wijziging van de Tijdelijke wet bestuurlijkemaatregelen terrorismebestrijding in verbandmet de permanentmaking van die wet en enkeleandere wijzigingenNr. 6 BRIEF VAN DE TIJDELIJKE COMMISSIE GRONDRECHTEN ENCONSTITUTIONELE TOETSING Aan de LedenDen Haag, 21 mei 2026De tijdelijke commissie Grondrechten en constitutionele toetsing (hierna:de tijdelijke commissie) heeft tijdens haar procedurevergadering van2 april 2026 besloten, gelet op het dictum en het advies van de Afdelingadvisering van de Raad van State, een adviestraject te starten voor hetwetsvoorstel Wijziging van de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelenterrorismebestrijding in verband met de permanentmaking van die wet enenkele andere wijzigingen (36 918). De vaste commissie voor commissievoor Justitie en Veiligheid is hierover geïnformeerd met een brief van2 april 2026 (2026Z06971).Inhoud wetsvoorstelDe Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding (Twbmt)regelt dat de Minister van Justitie en Veiligheid preventieve vrijheidsbe-perkende maatregelen kan opleggen aan personen die op basis van hungedragingen in verband kunnen worden gebracht met terrorisme. DeMinister heeft daarbij de keuze uit een meldplicht, een gebiedsverbod, eencontactverbod en een uitreisverbod. De huidige tijdelijke wet komt in 2027te vervallen. Om dit te voorkomen, stelt de regering in het onderhavigewetsvoorstel voor om de Twbmt permanent te maken. De Twbmt stamt uit20171 en is in 2022 – na het uitvoeren van een evaluatie2 – al eens1Kamerstukken II, 2025/16, 34 359, nr. 2.2B. van Gestel e.a., Evaluatie Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding,WODC (2020). kst-36918-6ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 918, nr. 61 verlengd tot 2027.3 Ook voorafgaand aan het huidige wetsvoorstel is eenevaluatie uitgevoerd.4De huidige Twbmt bevat – naast de hierboven opgesomde maatregelen –ook de mogelijkheid om een aanvraag voor een subsidie, vergunning,ontheffing of erkenning af te wijzen of in te trekken. Omdat dezebevoegdheid in de praktijk niet is ingezet en organisaties uit het veilig-heidsdomein geen meerwaarde zien in deze bevoegdheid, kiest deregering ervoor om deze bevoegdheid in het huidige wetsvoorstel te latenvervallen.De verhouding van de Twbmt tot grondrechtenDe tijdelijke commissie signaleert dat de maatregelen uit de Twbmt rakenaan verschillende grondrechten die zijn opgenomen in de Grondwet, hetEuropees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en het Handvestvan de Grondrechten van de Europese Unie (Handvest). Zo volgt uit hetrecht op leven dat er positieve verplichtingen op overheden rusten ommensen te beschermen tegen levensbedreigende situaties zoals terro-risme.5 Ook het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM)onderstreept dat het van belang is dat overheden in een positie verkerenwaarin zij effectief kunnen optreden tegen terrorisme.6 Daarbij geldt datgrondrechten één geheel vormen en dat de verschillende grondrechtenonderling afhankelijk en met elkaar verweven zijn.7 Dat betekent datwetgeving voor het voorkomen en bestrijden van terrorisme – en detoepassing daarvan in de praktijk – in overeenstemming moet zijn met(andere) grondrechten.In dit geval geldt dat de meldplicht, het gebiedsverbod en het uitreis-verbod raken aan het recht op bewegingsvrijheid8 en het vrij verkeer vanpersonen.9 Hieruit volgt onder meer dat iedereen het recht heeft om zichvrij te verplaatsen of ergens te verblijven, zonder inmenging van deoverheid. Voor het contactverbod geldt dat dit raakt aan het recht opeerbiediging van het privé, familie- en gezinsleven.10 Dit recht omvatonder meer de vrijheid tot het leggen en onderhouden van contacten metanderen, zowel in de privé als in de werksfeer. Tot slot kunnen demeldplicht, het gebiedsverbod en het contactverbod ook raken aan devrijheid van godsdienst11 en de vrijheid van vergadering en vereniging.12Deze rechten omvatten onder meer de vrijheid om verenigingen,gebedshuizen of geestelijk leiders te bezoeken.3Kamerstukken II 2021/22, 35 917, nr. 2.4Evaluatie van de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding «Nood zoektwet» (2024), Kamerstukken II, 2023/24, 29 754, nr. 730 en bijlage 1157274. Hierna: Evaluatie-rapport «Nood zoekt wet».5Zoals volgt uit artikel 2 EVRM en onder meer uiteengezet in EHRM 18 september 2017(Tagayeva and Others v. Russia). Het gaat dan om specifieke omstandigheden waarin (i)autoriteiten wisten of behoorden te weten (ii) van een reëel levensbedreigend gevaar (iii) vooreen individualiseerbare persoon of groep personen en (iv) de staat heeft nagelaten omredelijke maatregelen te treffen teneinde dat gevaar te neutraliseren. Deze positieve verplich-tingen strekken niet zover dat hierdoor een onmogelijke of onevenredige taak rust op lidstaten.6EHRM 19 januari 2023, no. 24203/16 (Pagerie t. Frankrijk), r.o. 148.7Idem, r.o. 149.8Zoals opgenomen in artikel 2 van het Vierde Protocol bij het EVRM en artikel 2, vierde lid vande Grondwet.9Zoals opgenomen in artikel 21 van het Verdrag Betreffende de Werking van de Europese Unieen artikel 45, eerste lid, van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.10Zoals opgenomen in artikel 8 van het EVRM en artikel 10 van de Grondwet.11Zoals opgenomen in artikel 9 van het EVRM en artikel 6 van de Grondwet.12Zoals opgenomen in artikel 11 van het EVRM en artikel 8 en 9 van de Grondwet.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 918, nr. 62 De tijdelijke commissie merkt op dat de bovengenoemde rechten nietabsoluut zijn en onder voorwaarden kunnen worden ingeperkt. In datgeval moet een inperking gebaseerd zijn op een duidelijke wettelijkebasis, die toegankelijk en voorzienbaar is. Ook moet de inperkingplaatsvinden met het oog op een legitiem doel, zoals de bescherming vande nationale of openbare veiligheid. Tevens moet de inperking noodza-kelijk zijn in een democratische samenleving. Hieruit volgt onder meer dater een fair balance moet bestaan tussen het algemene belang dat met demaatregel wordt beschermd en de individuele belangen die daarbij in hetgeding zijn. Concreet betekent dit dat de noodzaak en proportionaliteit vaneen maatregel overtuigend moeten worden gemotiveerd. Tot slot dienener waarborgen tegen willekeur te zijn en hebben betrokkenen recht opeffectieve rechtsbescherming, wanneer er een maatregel wordt opgelegd.In dit kader benadrukt de tijdelijke commissie dat de (nationale) wetgevereen belangrijke rol heeft om ervoor te zorgen dat wetgeving die hetopleggen van dergelijke maatregelen mogelijk maakt, voldoet aan dezevoorwaarden.De motivering van de noodzaak van permanente maatregelenTen aanzien van het onderhavige wetsvoorstel merkt de Raad van Stateop dat de noodzaak van permanente Twbmt-maatregelen niet overtuigendkan worden gemotiveerd. De Raad van State verwijst kortheidshalve naarde twee eerder uitgebrachte adviezen over dit onderwerp – over deinvoering van de Twbmt in 2017 en over de verlenging van de Twbmt in2022 – waarin wordt geadviseerd om van het wetsvoorstel af te zienwanneer de noodzaak ervan niet dragend kan worden gemotiveerd. Indeze eerdere adviezen wees de Raad van State erop dat de noodzaak vande Twbmt-maatregelen zou zijn gelegen in de bescherming van denationale veiligheid tegen gevaar dat met strafrechtelijke maatregelen(nog) niet kan worden weggenomen.13 Voor de toepassing van hetstrafrecht is een verdenking van (voorbereidingshandelingen voor)strafbare feiten nodig.14 In dit verband merkte de Raad van State op dathet lastig is om situaties voor te stellen waarin er nog géén sprake is vaneen dergelijke strafrechtelijke verdenking, maar waarin wel wordt voldaanaan de voorwaarden op basis waarvan de Twbmt-maatregelen kunnenworden opgelegd.15 In het advies over het onderhavige wetsvoorstel geeftde Raad van State aan geen aanleiding te zien of af te wijken van deeerdere adviezen. In dit kader wijst de Raad van State ook op het meestrecente evaluatierapport uit 2024 over de Twbmt.In dit evaluatierapport wordt geconcludeerd dat de noodzaak van deTwbmt niet overtuigend kan worden onderbouwd. Zo wordt erop gewezendat de Twbmt-maatregelen in de praktijk zeer beperkt zijn toegepast.16Wanneer de Twbmt werd toegepast, gebeurde dit bovendien vaak inaanvulling op een strafrechtelijk traject.17 Op basis hiervan wordt gestelddat de Twbmt kennelijk niet in een werkelijke behoefte voorziet, omdat in13Kamerstukken II 2021/22, 35 917 nr. 4, p. 5.14Opmerking verdient bovendien dat de inzet van het strafrecht gepaard gaat met specifiekewaarborgen ter bescherming van de rechten van verdachten, zoals de onschuldpresumptie,het zwijgrecht en het recht om niet te hoeven meewerken aan de eigen veroordeling. Zie in ditkader onder meer: College voor de Rechten van de Mens, Inbreng verslag wijziging van detijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding d.d. 21 april 2026.15Kamerstukken II, 2015/16, 34 359, nr. 4, p. 4.16Concreet zijn er in de periode van 2017 tot en met juni 2024 dertien maatregelen opgelegd aannegen personen. Aan vier personen werden meerdere maatregelen opgelegd. De meldplicht ishet meest opgelegd; namelijk aan acht van de negen personen. Verder is aan twee personeneen gebiedsverbod opgelegd en aan twee personen een uitreisverbod. Het contactverbod isaan één persoon opgelegd. WODC, p. 9.17Dit was het geval bij acht van de negen personen aan wie een Twbmt-maatregel is opgelegd.Evaluatierapport «Nood zoekt wet», p. 109.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 918, nr. 63 de praktijk veelal de voorkeur wordt gegeven aan andere straf- ofbestuursrechtelijke maatregelen die geschikter en/of eenvoudiger wordengevonden.18 Ook wordt erop gewezen dat het strafrecht sinds 1 januari2023 nieuwe mogelijkheden kent om gedragsbeïnvloedende en/ofvrijheidsbeperkende maatregelen op te leggen aan personen die zijnveroordeeld wegens een terroristisch misdrijf of de voorbereiding ofvergemakkelijking van een terroristisch misdrijf.19 In het evaluatierapportwordt daarom de vraag opgeroepen of de «vangnetfunctie» van de Twbmt– voor situaties waarin het strafrecht geen oplossing biedt – niet heel kleinis geworden.20In reactie op het advies van de Raad van State en het evaluatierapport,geeft de regering aan tot een andere conclusie te komen over denoodzaak van de Twbmt. Hoewel de regering begrip heeft voor de puntendie in de evaluatie naar voren worden gebracht, is de relevantie van deTwbmt volgens de regering gelegen in die gevallen waarin het nietmogelijk is om andere maatregelen te nemen, bijvoorbeeld op basis vanhet strafrecht.21 De regering wijst er in dit verband op dat de beperkteinzet van de Twbmt-maatregelen geen goede graadmeter is voor hetbeoordelen van de noodzaak. Het gaat erom dat deze bevoegdhedenkunnen worden ingezet wanneer dat noodzakelijk is. De regeringonderstreept daarbij dat de gevolgen groot kunnen zijn wanneer er géénpassende maatregelen worden genomen tegen mogelijke terroristischeactiviteiten. Ook kan de beperkte inzet van Twbmt-maatregelen volgens deregering voortkomen uit de relatieve onbekendheid van de huidigetijdelijke wet. De regering wil daarom inzetten op meer voorlichting overde mogelijkheden die de Twbmt biedt, zoals ook is verzocht door deKamer.22De regering wijst bovendien op een aantal recente ontwikkelingen die denoodzaak van de Twbmt-maatregelen ondersteunen. Zo is het dreigings-niveau in Nederland sinds 2023 verhoogd tot substantieel. Het gaat danzowel om dreiging vanuit jihadistische groepen als dreiging vanuitrechts-extremistische hoek. Ook komt er de komende periode een relatiefgroot aantal terrorismeveroordeelden vrij uit detentie, met een hogerdreigingsprofiel dan veroordeelden die eerder zijn vrijgekomen.23 Het gaatdan bijvoorbeeld om Nederlanders die zijn uitgereisd naar Syrië en Irakom zich daar aan te sluiten bij IS.24 Daarbij constateert de tijdelijkecommissie dat de AIVD in verschillende jaarverslagen aangeeft dat debelangrijkste terroristische dreiging voor Nederland voortkomt uit hetjihadisme.25 Daarnaast leiden de recente geopolitieke ontwikkelingen enconflicten tot nieuwe en verhoogde risico’s in Nederland en Europa. Ditvolgt onder meer uit het recente Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland.Vanwege de aanhoudende substantiële dreiging die bovendien snel kanveranderen door internationale ontwikkelingen, is het volgens de regeringvan essentieel belang dat de overheid over een duurzaam en breed18Idem, p. 153.19Idem, p. 152.20Idem.21Kamerstukken II 2023/24, 29 754, nr. 730 (Beleidsreactie regering Evaluatierapport «Nood zoektwet»), p. 3 en Kamerstukken II, 2025/26, 36 918 nr. 3, par. 4.2.1.22Kamerstukken II 2023/24, 29 754, nr. 725 (motie-Michon-Derkzen en Eerdmans).23Kamerstukken II, 2025/26, 36 918 nr. 3, par. 2.2.24Op basis van publieke (afgeronde) cijfers van de AIVD bedraagt het aantal onderkendeNederlandse uitreizigers 300 (stand per 31 januari 2025). Hiervan zijn 90 personen terugge-keerd naar Nederland en 15 personen teruggekeerd naar een ander land. Kamerstukken II,2024/25, 29 754, nr. 745.25Zie in dit kader bijvoorbeeld het AIVD Jaarverslag 2025, par. 2.2.1 en het AIVD Jaarverslag2023, par. 1.1.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 918, nr. 64 wettelijk instrumentarium beschikt om terroristische dreigingen het hoofdte bieden, waaronder de Twbmt-maatregelen.26De tijdelijke commissie merkt op dat er al geruime tijd een (politiek) debatplaatsvindt over de noodzaak van de Twbmt.27 Enerzijds wordt beargu-menteerd dat het om ingrijpende bevoegdheden gaat die raken aanverschillende grondrechten, terwijl er in de praktijk weinig behoefte lijkt tebestaan aan deze bevoegdheden. Gesteld wordt dat dit vragen oproeptover de noodzaak van de Twbmt. Anderzijds wordt beargumenteerd dathet van belang is dat de overheid over een breed en effectief instrumen-tarium beschikt om doeltreffend te kunnen optreden tegen bedreigingenvoor de nationale veiligheid. Gesteld wordt dat het feit dat deze bevoegd-heden in de praktijk slechts beperkt worden ingezet, niet betekent dat zeniet noodzakelijk zijn.Een centraal punt in het debat, is de vraag in hoeverre de Twbmt-maatregelen een vangnetfunctie vervullen. Het gaat dan om situatieswaarin het strafrecht en (andere) bestuursrechtelijke maatregelen géénoplossing bieden of juridisch (nog) niet kunnen worden ingezet, maar deTwbmt-maatregelen wél. In de onderbouwing van het wetsvoorstel wordthieraan in algemene zin aandacht besteed. Ook in de evaluatie wordthieraan aandacht besteed en wordt opgemerkt dat de Twbmt in de praktijkmeestal naast strafrechtelijke bevoegdheden wordt ingezet. Om tebeoordelen in hoeverre de Twbmt daadwerkelijk een (juridische)vangnetfunctie vervult, zou het van toegevoegde waarde zijn om hierovermeer informatie te ontvangen, bijvoorbeeld in de vorm van concretevoorbeelden waarin het strafrecht of bestuursrecht volgens de regeringgeen passend instrument biedt. Deze informatie kan worden gebruikt bijhet maken van de politieke afweging of het permanent maken van deTwbmt noodzakelijk wordt geacht.Met het oog op de onderbouwing van de noodzaak van hetpermanent maken van de bevoegdheden uit de Tijdelijke wetbestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding, adviseert detijdelijke commissie de leden om de regering te vragen om –bijvoorbeeld aan de hand van voorbeelden – de vangnetfunctievan deze bevoegdheden te verduidelijken. Het gaat dan omgevallen waarin het strafrecht of bestuursrecht geen passendinstrument bieden, maar de bevoegdheden uit deze wet wel.De tijdelijke commissie merkt daarnaast op dat – bij het onderbouwen vande noodzaak van een wetsvoorstel dat raakt aan grondrechten – ook desubsidiariteitsvraag een rol speelt. Het gaat er dan om of er minderingrijpende alternatieven zijn om het beoogde doel te bereiken. In dit lichtconstateert de tijdelijke commissie dat de regering in de onderbouwingvan de noodzaak van permanente Twbmt-bevoegdheden wijst op eenaantal recente dreigingen. Concreet gaat het om het vrijkomen vanterrorismeveroordeelden met een hoog risicoprofiel en de doorwerkingvan snel veranderende actuele internationale ontwikkelingen inNederland. De tijdelijke commissie merkt in dit verband op dat het voor debeantwoording van de subsidiariteitsvraag van toegevoegde waarde isom meer inzicht te krijgen in de vraag in hoeverre deze recente dreigingenvolgens de regering vragen om permanente maatregelen. Wanneer nietvaststaat dat het blijvende dreigingen betreft, zou er – in het licht van de26Idem, par. 4.2.1.27Zo is het vergelijkbare wetsvoorstel Bestuurlijke maatregelen nationale veiligheid in 2011ingetrokken, omdat de desbetreffende bevoegdheden indertijd niet noodzakelijk werdengeacht. Kamerstukken 112010/11,29 754, nr. 199.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 918, nr. 65 subsidiariteitsvraag – wellicht kunnen worden volstaan met (opnieuw) eentijdelijke verlenging van de Twbmt.Gezien de recente ontwikkelingen die de regering noemt teronderbouwing van de noodzaak van het permanent maken van detijdelijke bevoegdheden, adviseert de tijdelijke commissie deleden daarnaast om de regering te vragen welke minder ingrij-pende alternatieve opties zijn overwogen, zoals wederom eentijdelijke verlenging.De motivering van maatregelen in individuele gevallenUit het grondrechtelijk kader volgt niet alleen dat de noodzaak van hetwetsvoorstel zorgvuldig moet worden onderbouwd, maar dat ook moetworden voorzien in waarborgen om ervoor te zorgen dat de concrete inzetvan de voorgestelde bevoegdheden in individuele gevallen noodzakelijken proportioneel is. De tijdelijke commissie wijst erop dat de motiverings-plicht in dit kader een belangrijke rol speelt. Hieruit volgt dat in een besluittot oplegging van een Twbmt-maatregel steeds moet worden meege-wogen of er sprake is van inmenging in een grondrecht. Wanneer dit hetgeval is, moet overtuigend worden gemotiveerd waarom deze inmengingnoodzakelijk is en in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het(maatschappelijke) belang dat met deze inmenging wordt gediend.28 Detijdelijke commissie merkt op dat er in de evaluatie – mede op verzoek vande Kamer – specifiek aandacht is besteed aan de noodzaak, effecten,proportionaliteit en de voorwaarden waaronder de Twbmt-maatregelenzijn opgelegd.29In het evaluatierapport wordt geconcludeerd dat er in de praktijk weinigaandacht is voor de mogelijke inbreuk die Twbmt-maatregelen maken opgrondrechten.30 Zo wordt opgemerkt dat in geen van de onderzochteTwbmt-besluiten expliciet een overweging is gewijd aan grondrechten.31Ook wordt de noodzaak van de opgelegde maatregelen niet in allegevallen overtuigend onderbouwd en wordt er volgens de onderzoekersweinig aandacht besteed aan de evenredigheid.32 Hierbij gaat het eromdat wordt onderbouwd waarom het opleggen van een maatregel – en deinmenging in de grondrechten van de betrokkenen om wie het gaat – inredelijke verhouding staat tot het beoogde doel van die maatregel. Tevenswordt erop gewezen dat een rechter in meerdere gevallen heeft geoor-deeld dat er onvoldoende onderbouwing was voor het opleggen van eenmaatregel.33In reactie op het evaluatierapport onderschrijft de regering het belang vaneen zorgvuldige motivering wanneer er in de praktijk een Twbmt-maatregel wordt opgelegd. De regering benadrukt hierbij dat goed moetworden gemotiveerd waarom een opgelegde maatregel evenredig is,aangezien in de meeste gevallen sprake is van een beperking van eengrondrecht. De conclusie dat hieraan in de motivering van besluiten te28Evaluatierapport «Nood zoekt wet», p. 140.29Kamerstukken II 2023/24, 29 754, nr. 730 (Beleidsreactie regering Evaluatierapport «Nood zoektwet»), p. 1, Kamerstukken II, 2021/2022, 35 917 nr. 11 (Motie-Koekoek) en Kamerstukken II,2021/2022, 35 917 nr. 15 (Motie-Bikker en Kuik).30Evaluatierapport «Nood zoekt wet», p. 144. De onderzoekers hebben in het kader van deevaluatie toegang gekregen tot de beschikkingen waarin het opleggen van Twbmt-maatregelen wordt gemotiveerd.31Idem, p. 143.32Idem, p. 12 en 144.33Idem, p. 12.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 918, nr. 66 weinig aandacht wordt besteed, neemt de regering dan ook serieus.34 Ookin de memorie van toelichting staat de regering hierbij stil. In dit kaderbenadrukt de regering dat naarmate een inmenging in een grondrechtgroter is, er zwaardere eisen worden gesteld aan de motivering van eenmaatregel.35 Zo wijst de regering op Europese jurisprudentie, waarin hetbelang van een zorgvuldige motivering in individuele gevallen wordtonderstreept.36 Ook benadrukt de regering dat – wanneer er maatregelenworden getroffen vanuit de positieve verplichting die op overheden rustom burgers te beschermen tegen een reële (terroristische) dreiging – deproportionaliteit van die maatregel in het individuele geval zorgvuldigmoet worden onderbouwd.37De tijdelijke commissie merkt op dat de regering in algemene zin hetbelang van een zorgvuldige motivering benadrukt. Uit de evaluatie van deTwbmt blijkt echter dat dit in dit praktijk niet altijd gebeurt. Hoewel deregering in reactie op het evaluatierapport aangeeft deze conclusie serieuste nemen en helder uiteenzet waarom een dergelijke motivering vanuitgrondrechtelijk perspectief van belang is, blijkt uit de beschikbare stukkennog niet welke acties de regering hieraan verbindt. De tijdelijke commissiewijst er in dit verband op dat een zorgvuldige motivering een belangrijkewaarborg is die ervoor zorgt dat het voor betrokkenen inzichtelijk iswaarom en op welke gronden de overheid tot een besluit is gekomen. Ookgeldt dat, wanneer een opgelegde maatregel niet goed wordt gemoti-veerd, dit ertoe kan leiden dat een besluit een rechterlijke toets nietdoorstaat.Omdat uit de evaluatie van de Tijdelijke wet bestuurlijke maatre-gelen terrorismebestrijding blijkt dat er in de motivering vanopgelegde maatregelen niet altijd voldoende aandacht wordtbesteed aan grondrechten, adviseert de tijdelijke commissie deleden om de regering te vragen in hoeverre het wetsvoorstelwaarborgt dat besluiten tot het opleggen van een maatregel in depraktijk zorgvuldig worden gemotiveerd.De hiervoor genoemde punten kunnen betrokken worden bij de verderebehandeling van het wetsvoorstel.De voorzittervan de tijdelijke commissie Grondrechten en Constitutioneletoetsing,BushoffDe griffier van de tijdelijke commissie Grondrechten en Constitutioneletoetsing,Kling34Kamerstukken II 2023/24, 29 754, nr. 730 (Beleidsreactie regering Evaluatierapport «Nood zoektwet»), p. 5.35Kamerstukken II, 2025/26, 36 918 nr. 3, par. 5.36EHRM 19 januari 2023, no. 24203/16 (Pagerie t. Frankrijk), r.o. 193–195.37Kamerstukken II, 2025/26, 36 918 nr. 3, par. 1.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 918, nr. 67
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.