Kabinetsreactie op het IOB-rapport 'Grip door Begrip'
Brontekst
Versie 3cb0c125ae77e48a · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202536 600 VVaststelling van de begrotingsstaat van hetMinisterie van Buitenlandse Zaken (V) voor hetjaar 2025Nr. 71 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 16 mei 2025Hierbij bied ik u, zoals ik de Kamer informeerde in december 20241, dekabinetsreactie aan horende bij het rapport «Grip door begrip», waarin deDirectie Internationaal Onderzoek en Beleidsevaluatie (IOB) van hetMinisterie van Buitenlandse Zaken (BZ) aanbevelingen doet op basis vaneen onafhankelijke evaluatie over de effectiviteit van de NederlandseEU-beleidsbeïnvloeding in de periode 2016–2023.2Deze kabinetsreactie dient tevens als reactie op de periodieke rapportagein bijlage van de IOB over artikel 3 van de Buitenlandse Zaken-begroting,Europese Samenwerking. Een periodieke rapportage is een syntheseon-derzoek gebaseerd op eerder uitgevoerde evaluaties van de IOB,waaronder het IOB-rapport Grip door begrip. Gezien de inhoudelijkoverlap tussen de periodieke rapportage en het evaluatierapport Gripdoor begrip heeft het kabinet ervoor gekozen om middels één reactie opbeide te reageren. De kabinetsreactie volgt hierbij de inhoudelijke lijn vande evaluatie Grip door begrip. Om te voldoen aan de vereisten voor eenPeriodieke Rapportage volgens de Regeling Periodiek Evaluatieonderzoek(RPE) sluit de kabinetsreactie af met een paragraaf over eventuelebeleidsopties indien er 20% minder financiële middelen beschikbaarzouden zijn. Artikel 3 behelst voor het overgrote deel (meer dan 99,9%) dejuridische verplichte EU-afdrachten en juridisch verplichte bijdrages aanandere internationale organisaties. Aangezien slechts een zeer klein deelvan de uitgaven horende bij artikel 3 van de BZ-begroting niet juridischverplicht is, is het niet realistisch om op beleidsartikel 3 een besparing van20% te realiseren. Voor nadere toelichting verwijs ik u naar de periodiekerapportage.1Kamerbrief aanbieding IOB-rapport «Grip door Begrip» en uitstel beleidsreactie, Kamerstuk36 600 V, nr. 562IOB – Grip door begrip, De Nederlandse invloed in de Europese Unie (2016-2023), Bijlage bijKamerstuk 36 600 V, nr. 56 kst-36600-V-71ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 V, nr. 711 Het rapport Grip door begripHet kabinet wil allereerst zijn waardering uitspreken voor de analyse en deaanbevelingen die IOB heeft gepresenteerd. Het rapport biedt een goedinzicht in de Nederlandse inzet om EU-dossiers te beïnvloeden en bevatdiverse aanbevelingen om de effectiviteit van de NederlandseEU-beïnvloeding te verbeteren. Het IOB-rapport stelt drie centrale vragen:(1) In hoeverre is er sprake geweest van invloed die kan worden toege-schreven aan Nederland, in welke mate waren andere factoren vaninvloed?; (2) In hoeverre beschikte de rijksoverheid over de voorwaardenvoor effectieve beïnvloeding van de beleidsagenda, beleidsvorming en/ofbesluitvorming in de EU in de periode 2016–2023?; (3) Welke lessen zijn erte trekken voor de toekomst? IOB constateert dat Nederland invloedrijk isgeweest in de onderzochte periode, maar dat het geen gegeven is dat datzo blijft. IOB doet daarom aanbevelingen om de Nederlandse invloed tebestendigen en te verbeteren.In deze appreciatie wordt eerst de context geschetst; worden historischeadviezen aangehaald en wordt de invloed van de huidige taakstellingtoegelicht. Vervolgens wordt er ingegaan op de verschillende aanbeve-lingen uit het rapport. Tot slot volgt een tabel met een reactie peraanbeveling.ContextHet IOB-rapport is verschenen op een belangrijk moment in de Europesesamenwerking. Door een sterk veranderende internationale politiekecontext zal de Europese Unie zich moeten aanpassen aan nieuwe politiekeen economische realiteiten. Daarom hebben we een krachtigere enweerbaardere Unie nodig, die onze belangen in de wereld behartigt, dievan betekenis is voor Nederland en die werkt voor onze burgers. Meerdan ooit geldt dat we samen sterker staan, en dat we ons moeten inzettenvoor Europese eenheid en stabiliteit.Het kabinet heeft een ambitieuze EU-agenda geformuleerd vanuit eenscherp nationaal belang. Naast de drie prioriteiten die in het Regeerpro-gramma zijn opgenomen (migratie, landbouw en het meerjarig financieelkader), onderschrijft het kabinet de brede ambitie van de EU.3 Onderandere verbetering van het concurrentievermogen, een diepere eneerlijkere interne markt, het verlagen van regeldruk, aanpak van migratie,groene groei, sterkere Europese defensiesamenwerking en de onvermin-derde steun aan Oekraïne vragen om een brede en blijvende inzet vanNederland in Brussel. Met de toenemende geopolitieke spanningen en deuitdagingen die hier voor de Europese Unie mee gepaard gaan, groeit ookhet belang van beïnvloeding in Brussel om de Nederlandse belangengoed te borgen. Hierbij kiest het kabinet voor een integrale benadering,waarbij Rijksambtenaren zich goed verhouden tot alle Nederlandsebestuurslagen – gemeenten, provincies en uitvoerende organisaties om zode afstand tussen overheid en burger te verkleinen.Daarnaast vervult Nederland in 2029 voor een half jaar het Voorzitterschapvan de Raad van de Europese Unie. In de voorbereiding daarop is nu hetmoment om de juiste keuzes te maken, zodat er tegen die tijd voldoendemensen met EU-kennis, ervaring en met een relevant netwerk beschikbaarzijn in Den Haag en op de Permanente Vertegenwoordiging vanNederland in Brussel (PVEU). Tevens moet er toegewerkt worden naarmeer Nederlanders op relevante posities binnen de EU-instellingen.3Kamerbrief Staat van de Unie 2025, Kamerstuk 36 715, nr. 1Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 V, nr. 712 Adviezen uit het verleden blijven relevantDe voorliggende adviezen van de IOB zijn relevant maar tegelijkertijd ookniet nieuw. Het belang van goede sturing, voldoende capaciteit enbetrokkenheid van alle maatschappelijke actoren is eerder benadrukt. Hettoenemend belang van de Europese Unie voor Nederland is daarin derode draad. Zo constateerde de Wetenschappelijke Raad voor Regerings-beleid al in 1986 dat «de Nederlandse overheid en politiek zich meerbewust kan worden van het bestaan van de (toenmalige) EuropeseGemeenschap als «vierde bestuurslaag».4 In 2005 deed de GemengdeCommissie «Sturing EU-aangelegenheden» een soortgelijke oproep. Zijconstateerde dat er op het vlak van de ontwikkeling van EU-kennis envaardigheden «de indruk bestaat dat er ruimte is voor verbetering»5.Diezelfde Commissie constateerde ook dat er meer ingezet moest wordenop een Rijksbreed EU-personeelsbeleid en riep op tot tijdige politiekesturing van de inzet in onderhandelingen met grote gevolgen voorNederland. In het recente rapport van de IOB «Tactisch en Praktisch» uit2021 werden soortgelijke constateringen gedaan.6Er zijn op basis van deze eerdere adviezen ook al veel goede stappengezet. Zo is o.a. geïnvesteerd in de personele capaciteit voor de interde-partementale EU-coördinatie en zijn er e-learnings over EU-processenontwikkeld om de kennis bij Rijksmedewerkers te verhogen. Tegelijkertijdtoont de continuïteit in de advisering aan dat er een blijvende noodzaakbestaat om te investeren in, aandacht te besteden aan, en de juisterandvoorwaarden te creëren voor de Nederlandse EU-beïnvloeding enEU-coördinatie. De juiste middelen moeten aanwezig zijn om een scherpgeformuleerde EU-inzet, ingegeven vanuit het Nederlands belang,effectief te realiseren.Invloed taakstellingEffectieve beïnvloeding van de Europese beleidsvorming vergt voldoendecapaciteit. Grote geopolitieke veranderingen en de uitdagingen die dit deEuropese Unie biedt, doen het belang toenemen van effectievebeïnvloeding ten behoeve van het Nederlands belang. Tegelijkertijd heeftdit kabinet de ambitie om de overheid toekomstbestendig te maken en hetaantal ambtenaren te verlagen7. Dit vergt zorgvuldige keuzes voor de inzetvan schaarse middelen. Waar nodig en mogelijk zal het kabinet zich extrainzetten ten behoeve voor de geprioriteerde onderdelen van dit Neder-lands belang, in de wetenschap dat de financiële ruimte beperkt is.Bovendien zal in het kader van het Nederlandse voorzitterschap van deRaad in de tweede helft 2029 moeten worden geïnvesteerd in extraformatieplekken bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de vakdepar-tementen in Den Haag en bij de PVEU in Brussel.De aanbevelingen van het IOB-RapportDe aanbevelingen van de IOB vallen uiteen in drie onderdelen:1)Vergroot het bewustzijn en de kennis van de EU als vierde bestuurs-laag.2)Investeer in netwerken en relaties in eigen land en binnen de EU.3)Zet in op ambtelijke en politieke sturing.4Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid – De onvoltooide Europese Integratie – 1986.5Gemengde Commissie «Sturing EU-aangelegenheden»: p. 366IOB-rapport Tactisch & Praktisch, Bijlage bij Kamerstuk 21 501-20, nr. 17597Regeerprogramma 13 september 2024, p. 92, Kamerstuk 36 471, nr. 97Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 V, nr. 713 Voor deze drie categorieën wordt hieronder een algemene reactiegegeven, waarna de reactie op individuele aanbevelingen uit het rapportwordt uitgewerkt in tabel I.1. Vergroot het bewustzijn en de kennis van de EU als vierdebestuurslaag Voldoende Rijksbrede EU-kennis en ervaring is cruciaal om het bewustzijnvan de EU als vierde bestuurslaag te vergroten en is daarmee van belangvoor de effectiviteit van Nederland in Europa. Op vier manieren probeerthet kabinet de EU-kennis binnen de rijksoverheid te versterken. Ten eerstewordt gewerkt aan versterking van de EU-expertise door het brederbeschikbaar te stellen van bestaande EU-trainingen door BuitenlandseZaken, nieuw te ontwikkelen trainingen en door deze een prominentere rolte geven in de opleidingen van ambtenaren. Hiermee wordt de EU-kennisbinnen alle departementen versterkt. Ook binnen vakdepartementen is alveel aandacht voor EU-kennis via opleidingsprogramma’s. Ten tweedetreedt Buitenlandse Zaken als coördinerend ministerie voor Europeseaangelegenheden faciliterend op om andere departementen te assisterenin het EU-beleidsproces. Buitenlandse Zaken stelt expertise terbeschikking en departementen kunnen een beroep doen op het postennetom bijvoorbeeld een goed beeld te vormen van het Europese krach-tenveld. Dit werkt aanvullend op de reeds beschikbare ervaring en kennisvan alle ministeries. Ten derde is het bevorderen van de bewustwordingen prioritering van de EU-dimensie in de dagelijkse werkpraktijk vanbelang. Ten vierde wordt regelmatig op diverse ambtelijke niveausbesproken wat er nodig is voor een optimale inbreng in EU-processen. Zowordt halfjaarlijks op het niveau van Secretaris-Generaal gesproken overde EU-beleidsvorming (SGO-EU) en ook op directeursniveau vinden erregelmatig vergelijkbare overleggen plaats. Hiernaast is er uiteraard opwerkvloerniveau ook intensieve ambtelijke samenwerking op EU-dossiers.2. Investeer in netwerken en relaties in eigen land en binnen deEU Het opbouwen en onderhouden van een effectief Europees netwerk, zowelambtelijk als politiek, is noodzakelijk en een cruciale succesfactor voorbeïnvloeding om het Nederlands belang te dienen. Het kabinet hechteraan dat Rijksmedewerkers op alle niveaus, ook in tijden van taakstelling,de ruimte behouden om actief contact te onderhouden met collega’s uitandere lidstaten en bij de Europese instellingen. Daarbij is het van belangom tijdig aanwezig zijn in het beïnvloedingsproces en ook om tijdig dekennis van de PVEU en de EU-hoofdsteden te gebruiken bij de Neder-landse standpuntbepaling. Uw Kamer benadrukte al eerder in het rapport«Op tijd is te laat» het belang van tijdig investeren in relaties.8 Nederlandheeft het voordeel dat de fysieke afstand tot Brussel klein is, wat hetinvesteren in de relaties met zowel de Commissie als collega’s uit anderelidstaten vergemakkelijkt.Goed contact tussen Nederlandse ambtenaren en Nederlanders bij deEU-instellingen is een belangrijke succesfactor. Zij kunnen een goed beeldgeven van het Brusselse krachtenveld, en van de huidige en toekomstigeagenda’s. Daarom vindt het kabinet het belangrijk dat er geïnvesteerdblijft worden in de goede banden tussen Nederlanders bij deEU-instellingen, PVEU en Den Haag.Ook binnenlands zet het kabinet zich in om tijdens Europese besluitvor-mingsproces met zoveel mogelijk actoren gezamenlijk tot een gedragenNederlands standpunt te komen. Hierbij worden onder meer medeover-8Op tijd is te laat, Kamerstuk 28 632, nr. 1Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 V, nr. 714 heden, uitvoerings- en handhavingsorganisaties en sociale partners actiefbetrokken.3. Zet meer in op politieke en ambtelijke sturing Het kabinet onderschrijft het belang van adequate politieke en ambtelijkesturing. Het kabinet constateert met de IOB dat EU-dossiers complexerworden en steeds vaker meerdere departementen raken, wat de noodzaaktot sturing nog groter maakt. De kracht van de Nederlandse EU-inzet enbeïnvloeding ligt in een duidelijke afstemming, zodat Nederland in Brusselsteeds met één mond spreekt. Dit vergt zorgvuldige interdepartementalecoördinatie en een goed geëquipeerd ambtelijk apparaat in Den Haag enin Brussel. Ambtelijk worden strategische EU-dossiers voorbereid in deHoogambtelijke Commissie EU-aangelegenheden (HCEU), waaraan alledepartementen deelnemen. Op politiek niveau worden strategischeEU-onderwerpen besproken in de Raad Europese Aangelegenheden (REA)en uiteindelijk vastgesteld in de ministerraad. Bij aantreden van ditkabinet is ook de Stuurgroep Tactiek en Timing opgericht. Deze stuur-groep richt zich op de wijze, de timing en het niveau van de Nederlandseinzet voor die prioriteiten in relatie tot elkaar en in relatie tot de bredereEuropese agenda. Naast deze strategische afstemmingsgremia wordeninstructies voor de PVEU afgestemd (PV-I), nieuwe beleidsvoorstellen vande Europese Commissie gewogen (BNC) en wordt de voorbereiding vanEuropese vakraden, non-papers en BNC-fiches interdepartementaalgecoördineerd (Coco). Hiernaast vinden er nog thematische interdeparte-mentale overleggen plaats op werkvloerniveau (IDO’s).Het kabinet zet bij die interdepartementale afstemming in op een coherentafgestemde EU-strategie waarin alle departementale belangen wordengewogen. Daarbij dient de uitvoerbaarheid en haalbaarheid van deNederlandse inzet een continu aandachtspunt te zijn. Hiernaast is politiekeaanwezigheid bij Raadsvergaderingen in Brussel van groot belang om ookpolitieke doorzettingsmacht te tonen en een relevant politiek netwerk opte bouwen ter effectieve beïnvloeding.IOB doet richting het ambtelijk apparaat verschillende aanbevelingengericht op het vergroten van het aantal Nederlanders werkzaam bij de EU.Het kabinet onderschrijft dat het aantal Nederlanders bij deEU-instellingen niet op het gewenste niveau is9. Het kabinet wil daarominzetten op een verhoging van het aantal Nederlanders bij deze instel-lingen. Meer Nederlanders bij de EU-instellingen betekent ook dat deNederlandse afwegingen beter geïncorporeerd worden binnen deinstellingen. Uw Kamer heeft middels de motie Van Wijngaarden10 deambitie benadrukt om het aantal Nederlanders te verhogen bij deEU-instellingen. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken zal de komendeperiode zich dan ook extra inzetten om sturing te geven aan een strate-gisch EU-personeelsbeleid. De urgentie om nu hiervoor extra in tespannen correspondeert met de aanloop naar het NederlandsEU-voorzitterschap in de tweede helft van 2029. Nu investeren in kennis,vaardigheden en netwerken zal, met de juiste strategie, resulteren in meerNederlanders op strategische plekken tijdens het EU-voorzitterschap enzodoende bijdragen aan de effectiviteit van de NederlandseEU-beïnvloeding. Deze doelstelling vraagt om extra capaciteit eninvesteringen, wat op gespannen voet kan staan met de huidigetaakstelling.9Slechts 2,9% van het personeelsbestand van de Europese Instellingen is Nederlands, terwijlNederlanders 3,9% van de Europese bevolking uitmaken.10Motie van Wijngaarden, 25 mei 2023, Kamerstuk 36 259, nr. 2Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 V, nr. 715 ConclusieHet kabinet dankt de IOB voor het gedegen en tijdige rapport «Grip doorbegrip» en is van mening dat de Nederlandse belangen, onze waarden enonze vrijheden, gediend zijn bij een efficiënte en effectieve beïnvloeding inde EU. Nederland is één van de meest open en internationaal verbondenlanden ter wereld en dat is onze grote kracht. Juist daarom profiteertNederland van een sterke EU. Daarbij is een goede beïnvloeding doorNederland met afgewogen belangen, een tijdige, strategische en werkbareinzet, een goede vertegenwoordiging van Nederlanders bij deEU-instellingen, effectieve inzet van de PVEU, en voldoende EU-kennis en-ervaring bij ambtenaren onmisbaar. In de komende periode zal erinterdepartementaal aan de opvolging van deze aanbevelingen gewerktworden.De Minister van Buitenlandse Zaken,C.C.J. VeldkampTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 V, nr. 716 Tabel I – Overzicht aanbevelingen IOB en bijhorende reacties van het KabinetAanbevelingWat is de eerste reactie op de aanbeveling? Hoezouden we de aanbeveling in kunnen richten?Deel 1: Vergroot het bewustzijn en de kennis van de EU als vierde bestuurslaag1.1 Bepaal hoe de Nederlandse prioritei-ten zich verhouden tot de bevoegdhedenen verbredende agenda van de EU. Gadaarbij in op de haalbaarheid van deNederlandse EU-prioriteiten in hetEU-krachtenveld, de middelen die nodigzijn om deze prioriteiten binnen te halenen ten koste van welke andere dossiersdit gaat.Het kabinet constateert dat EU-dossiers complexerworden en steeds vaker meerdere departementenraken. Het kabinet blijft daarom waken voor eencoherent afgestemde EU-strategie per dossier en inden brede waarin alle departementale belangenworden meegenomen. Ambtelijk worden strategi-sche EU-dossiers voorbereid in de HoogambtelijkeCommissie EU-aangelegenheden (HCEU), waaraanalle departementen deelnemen. Op politiek niveauworden strategische EU-onderwerpen besproken inde Raad Europese Aangelegenheden (REA) enuiteindelijk vastgesteld in de ministerraad.Om goed zicht te blijven houden op de tijdslijn enop belangrijke beslismomenten rond de Europesehoofdprioriteiten van het kabinet (migratie,landbouw en het Meerjarig Financieel Kader) is bijaantreden van dit kabinet de Stuurgroep Tactiek enTiming opgericht. Deze stuurgroep richt zich op dewijze, de timing en het niveau van de Nederlandseinzet voor die prioriteiten in relatie tot elkaar en inrelatie tot de bredere Europese agenda. Bezoeken,raadsvergaderingen, gesprekken en initiatieven tenaanzien van de Nederlandse prioriteiten worden inde stuurgroep nauw met elkaar afgestemd. Daarbijdient via de HCEU en de REA de relatie met debredere EU-inzet van het kabinet te wordengeborgd.Op ambtelijk- (HCEU) en politiek niveau (REA)worden afwegingen over prioritering van dossiersgemaakt.1.2 Overweeg voor managers bij het Rijkvanaf de schalen 15 om (I) EU-kennis en-ervaring via een plaatsing bij de PV EUof bij één van de EU-instellingen,-organen of -agentschappen totonderdeel van het ABD-loopbaanbeleidte maken en (II) te sturen op EU-beleidals vast onderdeel van leergangen bij hetRijk over publiek leiderschap, van hetABD-kandidatenprogramma en tijdensbijeenkomsten voor ambtelijk leidingge-venden en topmanagement.Het kabinet onderstreept dat op hoogambtelijkniveau EU-kennis en -ervaring van steeds groterbelang wordt. Het kabinet onderzoekt daarom hoebinnen de Algemene Bestuursdienst (ABD)EU-kennis en – ervaring structureler geborgdworden als onderdeel van de leergangen onderambtelijke professionaliteit en de (talent) ontwikkel-programma’s, waaronder het kandidatenpro-gramma.Het kabinet ziet echter geen mogelijkheid om eenplaatsing bij de PVEU EU-instellingen, -organen of-agentschappen (verplicht) onderdeel te maken vanhet ABD-loopbaanbeleid. De verantwoordelijkheidvoor loopbaanontwikkeling en sollicitaties ligt bijindividuele medewerkers en vacaturehouders.Vacaturehouders zullen worden aangemoedigd omhet selectiecriterium EU-ervaring opnemen voor eenindividuele vacature. Daarnaast kunnen bij hetkandidatenprogramma en in de individueleloopbaangesprekken plekken bij de EU beter onderde aandacht worden gebracht.1.3 Faciliteer een plaatsing bij de EU alseen onderdeel van het Rijkstraineeprogramma.Het kabinet moedigt ministeries aan om tijdens hetRijkstraineeprogramma een plaatsing bij deEU-instellingen, de PVEU of een EU-directie/afdelingbinnen een ministerie te bevorderen. Daarnaast kande EU beter onder de aandacht worden gebrachtvan Rijkstrainees middels een verbetering van devoorlichting over werken bij de EU en het intensive-ren van de EU-component binnen het opleidings-aanbod van het Rijkstraineeprogramma.Het kabinet acht het echter niet uitvoerbaar, endaarmee ook niet realistisch, om een verplichteplaatsing bij de EU of de PVEU onderdeel van hetRijkstrainee programma te laten zijn. Het Rijkstrai-neeprogramma is een generalistisch programma eneen verplichte plaatsing bij de EU past niet binnendeze insteek.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 V, nr. 717 AanbevelingWat is de eerste reactie op de aanbeveling? Hoezouden we de aanbeveling in kunnen richten?Deel 1: Vergroot het bewustzijn en de kennis van de EU als vierde bestuurslaag1.4 Overweeg om in Functiegebouw Rijk(FGR) het element «EU-ervaring» uit tewerken in verschillende typen ervarin-gen, zodat er eenduidiger op kan wordengestuurd bij de werving en selectie vannieuwe medewerkers.Het kabinet staat positief tegenover deze aanbeve-ling en zal onderzoeken of en hoe het element«EU-ervaring» uitgewerkt kan worden in Functiege-bouw Rijk, rekening houdend met de beleidsdivisieFGR.1.5 Overzie welke ontwikkelingen in deEU raken aan dossier(s) en hoe enwanneer vakinhoudelijke kennis het bestkan worden ingebracht in hetEU-beleidsproces. Benut de EU-expertisevan internationale directies/EU-directies,PV EU en/of BZ voor advies.Het kabinet onderstreept het belang van overzichtvoor hoe ontwikkelingen raken aan dossiers en datde relevante stakeholders worden betrokken.Zie voor de strategische sturing tussen ontwikkelin-gen in de EU en dossiers de reactie op aanbeveling1.1 en voor het benutten van EU-expertise vanrelevante stakeholders de reactie op aanbeveling2.1.1.6 Werk vaker met kaderinstructies diegoed zijn afgestemd met de PV EU, enzorg voor een zo constructief mogelijkeboodschap, heldere strategische doelenen rode lijnen.Het kabinet constateert dat de agenda van deEuropese Commissie zich verbreedt. Kaderinstruc-ties kunnen een rol spelen bij departementoverstijgende dossiers. Steeds vaker publiceert deCommissie brede pakketten met mededelingen envoorstellen. Mede voor dit soort brede pakkettenkan een kaderinstructie, gebaseerd op het BNC-fiche, duidelijke meerwaarde bieden. Tegelijkertijdblijven er technische voorstellen door de Commissiegepubliceerd worden die vragen om meergedetailleerde instructies.Het gebruik van kaderinstructies vraagt om eengebalanceerde benadering tussen een scherpe inzetop de hoofdprioriteiten en anderzijds flexibiliteit opdetails die pas later in het onderhandelingsprocesduidelijk worden. Pas dan kan ook op de details eeninhoudelijke afweging worden gemaakt. De bredepakketten vragen dus zowel om duidelijkheid op degrote lijnen als ook om flexibiliteit wat de nadereinvulling betreft. Op die manier kan Nederland meteen constructieve boodschap, heldere strategischedoelen en waar nodig ook rode lijnen, het verschilmaken bij de onderhandelingen, steeds in samen-spraak tussen Den Haag en de PVEU.1.7 Bereid samen met de AcademieInternationale Betrekkingen de onlineEU-module uit met een sessie over hetEuropees parlement. De PV EU enEU-directies kunnen helpen met deaandacht vestigen op de beschikbaarheidvan de online EU-modules bij hunachterban.Het kabinet heeft naar aanleiding van het vorigeIOB-rapport «Tactisch en Praktisch» een drietale-learningmodules ontwikkeld om de EU-kennisbinnen ministeries te versterken op gebied vanbasiskennis over EU-processen en de interdeparte-mentale afstemmingsprocessen hieromtrent. Dezemodules worden kosteloos beschikbaar gesteld aanRijksmedewerkers en de ervaringen met het gebruikervan zijn positief.Een aparte e-learningmodule over het Europeesparlement is op dit moment nog niet beschikbaar,maar het kabinet onderschrijft de analyse van deIOB over de meerwaarde hiervan. Daarom zal hetkabinet een vierde module over het Europeesparlement ontwikkelen en deze beschikbaar stellenaan alle departementen. Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 V, nr. 718 Deel 2: Investeer in netwerken en relaties in eigen land en binnen de EU2.1 Investeer in voldoende tijd voorrelatieopbouw met counterparts inEU-lidstaten – ook de niet voor de handliggende – en in EU-instellingen. Overlegmet Nederlandse bedrijven en (overheids-)organisaties die nieuwe wetgevingmoeten uitvoeren de haalbaarheid vanhet Nederlandse standpunt waarover deonderhandelingen worden gevoerd enneem deze input mee in de afweging overde Nederlandse onderhandelingsinzet inBrussel.Het kabinet benadrukt dat een brede afstemmingmet alle betrokken actoren er voor zorgt datNederland met één stem spreekt in Brussel. Ditgeldt zowel voor ambtelijke als politieke inzet inBrussel. Het Ministerie van Buitenlandse Zakenheeft als procesbewaker van de EU-besluitvormingde taak om te zorgen dat alle belangen op tafelkomen, de strategische positie van Nederland inhet EU-krachtenveld wordt bewaakt en het procesin de richting een werkbaar besluit wordt geleid.Goede interdepartementale afstemming kan alplaats vinden vóórdat een Brussels voorstelformeel verschijnt, bijvoorbeeld via een non-paperof in de consultatiefase. Gedurende het heleEuropese besluitvormingsproces zet het kabinetzich in om met zoveel mogelijk actoren gezamenlijktot een gedragen Nederlands standpunt te komen.Hierbij worden onder meer ook medeoverheden,uitvoerings- en handhavingsorganisaties en socialepartners actief betrokken. Bij de formulering vanelk BNC-fiche zijn de VNG, het IPO als de Unie vanWaterschappen altijd betrokken. Ook is een goedesamenwerking tussen PVEU en departementen inDen Haag cruciaal.2.2 Maak tijd vrij om op bezoek te gaan bijcounterparts van EU-lidstaten ofEU-instellingen en investeer in de relatie.Stimuleer bewindspersonen, maar ookmedewerkers hetzelfde te doen. Wees jebewust van je voorbeeldfunctie.Het is van groot belang om voldoende tijd teinvesteren in relatieopbouw met collega’s inEU-lidstaten. Het kabinet hecht er daarom waardeaan dat medewerkers de ruimte behouden omactief contact te onderhouden met collega’s uitandere lidstaten.2.3 Zorg voor eenduidig eigenaarschapvan het Nederlands strategischEU-personeelsbeleid. Zorg dat er regie isop en overzicht van taken en verantwoor-delijkheden die helder zijn belegd. Stelduidelijke doelstellingen op over watNederland wil bereiken met de inzet ophet EU-personeelsbeleid en zorg voorindicatoren op basis waarvan deeffectiviteit van de inzet kan wordengeëvalueerd.Het kabinet onderstreept het belang van eenduidigeigenaarschap van het strategischEU-personeelsbeleid.BZ is eerstverantwoordelijk voor het strategischEU-personeelsbeleid en treedt hierin op alsfaciliterend, aanjagend en regisserend alscoördinerend departement zonder daarbij afbreukte doen aan de autonomie van departementen.BZ stelt in overleg met alle departementen eenoverkoepelend strategisch EU-personeelsbeleid opmet daarbij horende indicatoren, waarbij deuitvoering belegd is bij de departementen zelf. HetMinisterie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijks-relaties (BZK) blijft, als verantwoordelijke voorRijksambtenaren in het buitenland, aan de lat staanvoor het interdepartementale detacheringsbeleid.Het is belangrijk om te benadrukken dat strategischEU-personeelsbeleid een gedeelde verantwoorde-lijkheid is voor alle departementen en dat van alledepartementen inspanning wordt verwacht.2.4 Blijf gebruik maken van interministeri-ële overleggen voor de sectoroverstij-gende EU-dossiers, zodat keuzes insamenhang gemaakt worden en er in deEU met één stem wordt gesproken. Begindaar vroegtijdig mee. Betrek organisatiesdie te maken krijgen met de uitvoering viaeen interbestuurlijk overleg of viacommunities of practice op gezettemomenten om elkaars expertise tebenutten. Benut de expertise en ervaringvan collega’s op de posten in deEU-hoofdsteden en de PV EU voor goedzicht op de Brusselse werkelijkheid.Het kabinet hecht grote waarde aan interdeparte-mentale afstemming om ervoor te zorgen dat ertijdig keuzes worden gemaakt en dat Nederland inde EU met één stem spreekt. Om dit zo soepelmogelijk te laten verlopen blijft het Ministerie vanBuitenlandse Zaken investeren in een robuusteinterdepartementale afstemmingsstructuur en –met de vakdepartementen – in een solide samen-werking waarin de belangen van alle departemen-ten meegewogen worden.Zie ook reactie op aanbevelingen 1.1 en 2.1.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 V, nr. 719 Deel 2: Investeer in netwerken en relaties in eigen land en binnen de EU2.5 Onderzoek de consequenties, inclusiefde financiële, van de beoogde onderhan-delingsinzet in de EU voor dossiers die inde pijplijn zitten met potentieel grotegevolgen voor Nederland. Zet het verzoekvoor een uitvoeringstoets tijdig, bijvoorkeur in de agenda of beleidsvor-mende fase, uit zodat er tijd is om die terealiseren.Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid is voor hetkabinet een continu punt van aandacht, van beginvan onderhandelingen tot implementatiefase. Bijde formulering van een eerste standpunt via eenBNC-fiche maakt het kabinet al een inschatting vande gevolgen voor de uitvoerbaarheid en handhaaf-baarheid van een voorstel. Tegelijkertijd blijven eraltijd uitdagingen, o.a. door de relatief korte termijnvan het BNC-fiche, alsook door de optredendewijzigingen gaandeweg de onderhandelingen.Momenteel wordt gewerkt aan de nieuweinstellingswet van het Adviescollege Toetsing enRegeldruk (ATR). Onder de nieuwe instellingswetzal dit adviescollege ook adviseren over deregeldruk bij de totstandkoming van BNC-fiches,waarmee onnodige regeldruk in nieuwe regelge-ving moet worden voorkomen. Bovendien vindttijdens onderhandelingen regelmatig overlegplaats met uitvoerings- en handhavingsinstanties,het bedrijfsleven en maatschappelijk middenveld,zowel in Den Haag als in Brussel, over de uitvoer-baarheid en handhaafbaarheid.2.6 Organiseer met regelmaat ontmoetin-gen met Nederlandse Europese ambtena-ren, gedetacheerde Nederlanders bij deinstellingen en EP-staf op de PV EU.Het kabinet hecht waarde aan goed contact tussenNederlandse ambtenaren en Nederlanders bij deEU-instellingen. Zij kunnen een goed beeld gevenvan het krachtenveld en van de huidige entoekomstige agenda’s.Er zal worden gewerkt aan verdere intensiveringvan het contact tussen de medewerkers van de PVEU enerzijds en de Nederlanders in vaste dienstvan de Europese instellingen en de gedetacheer-den bij EU-instellingen anderzijds. Tevens zal hetMinisterie van Buitenlandse Zaken anderedepartementen aansporen om bij delegatiebezoe-ken vanuit Den Haag aan Brussel, van verschillendniveau, meer en structureel contact met deNederlanders bij de instellingen op te nemen.De PVEU heeft reeds initiatieven genomen tenbehoeve van een verdere intensivering van decontacten met de Nederlanders bij de instellingen.Er worden bijvoorbeeld evenementen georgani-seerd voor Nederlandse trainees bijEU-instellingen, er is een jaarlijkse bijeenkomstvoor alle Nederlandse gedetacheerden bij deEU-instellingen, alle (top)managers op EU-vlakworden vanuit Nederland verscheidene keren bijelkaar gebracht en jaarlijks worden alle Nederlan-ders werkzaam bij de EU-instellingen (ongeacht hetcontracttype) uitgenodigd voor een netwerkbijeen-komst2.7 Blijf investeren in het onderlingcontact en bespreek de wederzijdseverwachtingen en samenwerking,inclusief het strategisch meedenken opcomplexe dossiers. Daarbij zou het op tijdsignaleren en oplossen van problemenprioriteit moeten hebben, waarbijflexibele inzet van menskracht enfinanciële middelen gewenst is. Dit kanalleen als iedereen vanuit het kabinet ende rijksoverheid handelt vanuit eengezamenlijk verantwoordelijkheidsgevoel.Het kabinet onderstreept het belang van goedeonderlinge samenwerking en uitwisseling van bestpractices. BZ neemt als coördinerend departementde verantwoordelijkheid om samenwerking opEU-vlak te faciliteren. Alle departementen hebbeneen gedeelde verantwoordelijkheid om actief desamenwerking met elkaar op te zoeken. Dit draagtbij aan een goed afgestemde en effectieveEU-beïnvloeding. Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 V, nr. 7110 Deel 3: Zet in op meer proactieve politieke en ambtelijke sturing3.1 Zorg zoveel als mogelijk voor aanwezig-heid op alle EU-Raadsvergaderingen en speeleen actieve rol tijdens of en marge van devergadering ten behoeve van het Nederlandsbelang.Het kabinet onderstreept het belang vanministeriële aanwezigheid. Het is dan ookgebruikelijk dat Nederland bij Raadsvergade-ringen op politiek niveau vertegenwoordigd is.Raadsvergaderingen bieden een goede kansvoor informele ontmoetingen.3.2 Houd bij het voeren van strategischediscussies zicht op de consequenties van deNederlandse EU-agenda in relatie tot deagenda van EU-instellingen en -lidstatentijdens de Commissieperiode 2024–2029 en inde aanloop naar het NederlandseEU-voorzitterschap in 2029. Stel vast wat deNederlandse ambities betekenen voor deinterdepartementale organisatie vanwege dein toenemende integrale en complexe aardvan EU-dossiers.Het kabinet constateert dat EU-dossierscomplexer worden, ook in relatie tot deNederlandse agenda en de agenda van deEU-instellingen, en waakt daarom dat deEU-strategie afgestemd en coherent blijft. Zieook reactie op aanbeveling 1.1.Het kabinet heeft hierbij ook extra aandachtvoor het Nederlandse EU-voorzitterschap in detweede helft van 2029.3.3 Breng per ministerie in kaart welkestrategische posities bij de EU in Brussel of inde EU-hoofdsteden belangrijk zijn en degewenste timing daarvan, houd ook hier hetNederlands voorzitterschap in het vizier.Bespreek of er overlap is en waar samenge-werkt kan worden tussen ministeries. Denkaan variatie in de plaatsingen: van hoge totlage posities, van staf- tot themadirecties enKabinetten van EU-instellingen,-agentschappen of in een lidstaat dieEU-voorzitter is.Het kabinet is reeds begonnen met het in kaartbrengen van strategische posities voorEU-detacheringen. Het Ministerie vanBuitenlandse Zaken werkt hierbij nauw samenmet alle andere departementen, en in hetbijzonder met het Ministerie van BZK, geziendiens verantwoordelijkheid voor personeel endetacheringen.Zie ook reactie op aanbeveling 2.3.3.4 Creëer flexibiliteit door het snel beschik-baar kunnen maken van middelen om opkansen in te spelen, zoals de bekostiging vaneen strategische detachering of extramenskracht bij voor Nederland zeer complexedossiers.Het kabinet onderstreept het belang van hetsnel beschikbaar kunnen maken van middelenom op kansen in te spelen, zoals strategischedetacheringen. Het kabinet zal onderzoekenhoe middelen voor strategische detacheringenflexibel en tijdig kunnen worden ingezet.Departementen worden ook aangemoedigdom samen te werken op het gebied voorbekostiging van strategische detacheringen,die voor meerdere departementen van belangzijn, zoals een detachering bij een kabinet vaneen Commissaris of bij een horizontale plek bijde Europese Commissie. In de praktijk gebeurtdit al.3.5 Zorg dat tijdelijk gedetacheerden bij eenEU-instelling of EU-lidstaat of de PVEU bijterugkeer naar Den Haag een functie bekledenwaar hun EU-ervaring en -contacten benutworden.Het kabinet onderstreept dat een verbeteringvan de terugkeer van Nederlanders diegedetacheerd waren bij de EU-instellingen,een aandachtspunt is bij strategischEU-personeelsbeleid. Hun succesvolleterugkeer zorgt ervoor dat de EU-ervaring en-contacten van voormalig gedetacheerdenbeter benut worden dan nu het geval is. BZ enBZK werken dan ook samen om de terugkeervan gedetacheerden beter te laten verlopen,ook in nauwe samenwerking met de anderedepartementen. De kennis vanEU-gedetacheerden kan immers van grotemeerwaarde zijn voor ieder departement.3.6 Stimuleer medewerkers proactief huneigen EU-procedurele kennis te vergroten metbehulp van een helder overzicht van beschik-bare (online) cursussen en trainingen en wijshen op beschikbare EU-expertise binnen hetRijk. Internationale afdelingen of EU-directieskunnen hierbij ondersteunen.Zie reactie op aanbeveling 1.7.Het kabinet vindt het belangrijk dat ambtena-ren over voldoende EU-kennis beschikken. Hetkabinet heeft al een drietal e-learningmodulesontwikkeld om het basisniveau van de kennisover EU-processen en gerelateerde afstem-mingstrajecten binnen ministeries te verster-ken en zal een extra e-learning over hetEuropees parlement ontwikkelen.Het kabinet zal zich ook inzetten om eencentraal Rijksbreed overzicht van alleEU-trainingen te creëren. Verder zal hetkabinet dit onderwerp op de agenda blijvenzetten in de relevante gremia.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 V, nr. 7111 Deel 3: Zet in op meer proactieve politieke en ambtelijke sturing3.7 Blijf het initiatief nemen om ideeën vooroverzicht van relevante Nederlandse activitei-ten op EU-dossiers Rijksbreed te agenderen inde HCEU, denk aan geschreven en circule-rende Nederlandse papers, aflopende engewenste strategische detacheringen,aantallen IDO’s, etc. EU-directies vanvakministeries en PVEU kunnen hier actief aanbijdragen vanuit een gezamenlijk verantwoor-delijkheidsgevoel.Het kabinet onderschrijft het belang vanoverzicht van relevante Nederlandse activitei-ten op EU-dossiers Rijksbreed te agenderen inde HCEU en zal hier dan ook actief op blijveninzetten.Zie ook reacties op aanbevelingen 1.1 en 2.4. Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 V, nr. 7112
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.