Herijking van het fiscale bodem(voor)recht
Brontekst
Versie 1db5fa5685cb6063 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2023–202431 066BelastingdienstNr. 1424 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 16 september 2024Hierbij informeer ik uw Kamer over het onderzoek naar de herijking vanhet fiscale bodem(voor)recht. Op 15 juni 2023 is uw Kamer voor het laatstgeïnformeerd over de herijking van het fiscale bodem(voor)recht.1Het fiscale bodem(voor)recht is een belangrijk invorderingsinstrumentvoor de Belastingdienst. Met het fiscale bodem(voor)recht wordt gedoeldop zowel het bodemvoorrecht als het bodemrecht. In beginsel komt hetfiscale voorrecht van de Belastingdienst na het hypotheek- en pandrecht.Als sprake is van een bezitloos pandrecht dat door de andere schuldeiseris gevestigd op een zaak die zich op de bodem van de belastingschuldigebevindt, een zogenaamde bodemzaak, dan gaat het voorrecht van deBelastingdienst voor het pandrecht (het bodemvoorrecht). Voorts heeft deBelastingdienst de mogelijkheid om onder voorwaarden verhaal te nemenop zaken die zich op de bodem van de belastingschuldige bevinden, maareigendom zijn van een derde (het bodemrecht).HorizonbepalingTijdens de parlementaire behandeling van de Invorderingswet 1990(hierna: IW 1990) is het herijken van het fiscale bodem(voor)recht ook tersprake gekomen. Het toenmalige kabinet heeft destijds te kennen gegevendat het fiscale bodem(voor)recht ten principale diende te worden herzienin het kader van de totstandkoming van een nieuw Burgerlijk Wetboek(hierna NBW). De invoering van het NBW liep echter vertraging op,waardoor tijdens de parlementaire behandeling van de IW 1990 nog nietduidelijk was welke rangorde van voorrang van privaatrechtelijke enpubliekrechtelijke vorderingen – onder andere de positie van de Belasting-dienst – zou moeten gelden. Aangezien de toenmalige Kamer bezwarenhad tegen het opnemen van het fiscale bodem(voor)recht in de IW 1990zonder herijking, is destijds een horizonbepaling in de IW 1990opgenomen. Door het opnemen van deze horizonbepaling zou moeten1Kamerstukken II 2022/23, 31 066, nr. 1242, p. 3. kst-31066-1424ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 066, nr. 14241 worden voorkomen dat het fiscale bodem(voor)recht zonder meergehandhaafd zou blijven.In 1992 is een wetsvoorstel ingediend met hierin onder andere eendefinitieve regeling omtrent het fiscale bodem(voor)recht.2 Hetwetsvoorstel is in 2022 ingetrokken, omdat de inhoud daarvan achter-haald is.3 De Minister voor Rechtsbescherming heeft hierbij uw Kamermedegedeeld dat het onderzoek naar de werking van en eventuelealternatieven voor het fiscale bodem(voor)recht wordt gecontinueerd.InternetconsultatieEen eventuele herijking van het fiscale bodem(voor)recht is niet enkelrelevant voor de Belastingdienst. Wijzigingen in of afschaffing van hetfiscale bodem(voor)recht kunnen (aanzienlijke) gevolgen hebben vooronder meer ondernemers, banken, leasemaatschappijen en curatoren. Alsgevolg hiervan acht het kabinet het wenselijk om die betrokken partijenintensief bij het vraagstuk te betrekken. Het Ministerie van Financiën,Ministerie van Justitie en Veiligheid en de Belastingdienst hebben daaromde afgelopen decennia meermaals met de betrokken partijen hierover vangedachten gewisseld.De gedachtewisseling met de betrokken partijen, het eerder ingediendewetsvoorstel en rapporten van verschillende commissies hebben nog nietgeleid tot een finale reactie op de vraag of, en zo ja, op welke wijze hetfiscale bodem(voor)recht moet worden herijkt. In dat kader heeft hetkabinet drie beleidsrichtingen geconsulteerd. Het consulteren van dezedrie beleidsrichtingen biedt belangstellenden de mogelijkheid om actief tereageren op (de uitwerking van) één of meerdere beleidsrichtingen diestaan beschreven in het consultatiedocument. Daarmee kan het kabineteen zorgvuldige afweging maken bij de keuze voor het nader uitwerkenvan een bepaalde beleidsrichting.In het consultatiedocument zijn vijf randvoorwaarden opgenomen die inacht worden genomen bij de herijking van het fiscale bodem(voor)recht.Het gaat hierbij om de uitvoerbaarheid, complexiteit, regiemogelijkheid,positie van de curator en het budgettaire belang. Bij elke beleidsrichtingzijn er een aantal algemene en specifieke vragen opgenomen. Tot slotworden belangstellenden gewezen op enkele (eerste) aandachtspunten,die bij het formuleren van de beleidsrichtingen zijn gesignaleerd.Drie beleidsrichtingenHet kabinet heeft gekozen voor drie beleidsrichtingen, waarbij elkebeleidsrichting zijn eigen vertrekpunt heeft. Deze beleidsrichtingen zijnniet tot in detail uitgewerkt. Hierdoor wordt voorkomen dat in dit stadiumde nadruk komt te liggen op één beleidsrichting zonder dat voldoendeduidelijk is of dat de wenselijke en uitvoerbare oplossing is.Beleidsrichting 1: modernisering van het fiscale bodem(voor)rechtBij de eerste beleidsrichting geldt als vertrekpunt dat het fiscale bodem-(voor)recht wordt gehandhaafd, onder de voorwaarde dat dit wordtgemoderniseerd. In het consultatiedocument wordt voorgesteld om hetfiscale bodem(voor)recht onder andere te moderniseren door wijzigingenaan te brengen in de reikwijdte, meldingsregeling en rechtsbescherming.2Kamerstukken II 1992/93, 22 942, nr. 2 (wetsvoorstel Voorrang van vorderingen en vereenvou-digde afwikkeling faillissement).3Kamerstukken II 2021/22, 22 942, nr. 11.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 066, nr. 14242 Door deze wijzigingen zou het fiscale bodem(voor)recht voorspelbaarderen vereenvoudigd worden.Bij een modernisering blijft het fiscale bodem(voor)recht dus op hoofd-lijnen gelijk. De Belastingdienst behoudt zijn voorrecht ten aanzien van degoederen die zich bij de belastingschuldige bevinden die zijn verpand ofhet eigendom zijn van een derde, waarbij het «alles of niets» karakter vanhet fiscale bodem(voor)recht niet verandert. Bij het bestendigen van debevoorrechte positie van de Belastingdienst zal uiteraard ook oog zijnvoor de belangen van de andere betrokken partijen. Eventuele aanpas-singen moeten niet enkel voor de Belastingdienst resulteren in eenvoorspelbaarder en minder complex systeem.Beleidsrichting 2: het fiscale bodem(voor)recht vervangen door een nieuwbijzonder verhaalsrecht voor de BelastingdienstDe tweede beleidsrichting heeft als vertrekpunt dat het fiscale bodem-(voor)recht wordt vervangen door een nieuw bijzonder verhaalsrecht voorde Belastingdienst. In het consultatiedocument wordt bij deze beleids-richting voorgesteld om het fiscale bodem(voor)recht te vervangen dooreen nieuw bijzonder verhaalsrecht waarbij de Belastingdienst het rechtkrijgt op een percentage van de opbrengst van een goed. Dit geldt zowelvoor de situatie dat de Belastingdienst het goed uitwint alsmede desituatie dat de pandhouder het goed uitwint. Het nieuwe verhaalsrecht zietook op goederen waarvan een derde het eigendom heeft, vergelijkbaarmet het huidige bodemrecht. Hiermee wordt een gelijkwaardig speelveldgewaarborgd. Bij het nieuwe verhaalsrecht zal de Belastingdienst − net alsbij het huidige fiscale bodem(voor)recht – reëel eigendom in beginselontzien.Beleidsrichting 3: het fiscale bodem(voor)recht afschaffen en andereinvulling positie BelastingdienstBij de derde beleidsrichting vervalt het fiscale bodem(voor)recht, zonderdat wordt voorzien in een nieuw verhaalsrecht. Het (financiële) belang vande Belastingdienst zal op een andere wijze moeten worden gewaarborgd.Hiervoor kunnen flankerende maatregelen worden getroffen. Het belangvan de Belastingdienst kan mogelijk worden gewaarborgd door deBelastingdienst de mogelijkheid te geven faillissement aan te vragenzonder dat daarvoor een steunvordering voor nodig is in combinatie meteen strenger invorderingsbeleid. Het voorgaande zou het (mogelijke)financiële verlies van het fiscale bodem(voor)recht wellicht kunnencompenseren, maar dat dient te worden afgewogen tegen de nadelen dieaan die maatregelen kleven.VervolgAan de hand van de reacties op het consultatiedocument wordt beslotenwelke beleidsrichting − al dan niet met specifieke elementen uit eenandere beleidsrichting − verder zal worden uitgewerkt. De keuze om driebeleidsrichtingen te consulteren betekent niet dat een beleidsrichtinggeheel op zichzelf moet worden bezien. Het is denkbaar dat de specifiekeelementen uit een beleidsrichting worden betrokken bij de uitwerking vaneen andere beleidsrichting.Het kabinet wenst de eerder betrokken stakeholders actief te betrekken bijde verdere uitwerking. Het voornemen is om later dit jaar met dezeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 066, nr. 14243 stakeholders opnieuw in gesprek te gaan. Uw Kamer zal in de eerste helftvan 2025 worden geïnformeerd over de uitkomst van de internetconsul-tatie en de nadere uitwerking van een beleidsrichting.De Staatssecretaris van Financiën,F.L. IdsingaTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 066, nr. 14244
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.