Reactie op de discussiepaper van het Tinbergeninstituut over het effect van windturbines op huizenprijzen
Brontekst
Versie 49d50b9c9c3664e9 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2014–2015 33 612Structuurvisie Windenergie op land Nr. 48 BRIEF VAN DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Den Haag, 20 maart 2015 Tijdens het algemeen overleg Leefomgeving op 6 november jl. (Kamerstuk 30 175, nr. 205), met de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, heeft het lid Madlener (PVV) gevraagd naar een reactie op de discussiepaper «Renewable Energy and Negative Externalities: The Effect of Wind Turbines on House Prices», van het Tinbergen Instituut (TI 2014–124/VIII). Hierbij doe ik u mijn reactie toekomen. In het onderzoek van het Tinbergen Instituut zijn woningtransacties tussen 1985 en 2011 onderzocht. Bij 80.000 woningen is in die periode binnen een straal van 2 kilometer een windmolen geplaatst. Geconcludeerd wordt dat de woningprijs is gedaald met gemiddeld 1,4% tot 2,3%, ten opzichte van vergelijkbare woningen zonder windmolen in de buurt. Er is geen verschil geconstateerd tussen het plaatsen van 1 of meerdere windmolens. Zoals ik bij de behandeling van de Structuurvisie windenergie op land (SvWOL) op 24 april 2014 (Kamerstuk 33 612, nr. 45) heb gezegd, wil ik voor windenergieprojecten vasthouden aan de bestaande regels voor planschade (Hoofdstuk 6 van de WRO). Deze regels zijn ook van toepassing op schade als gevolg van de bouw van windturbines. Een eigenaar van een woning kan een schadeclaim indienen bij de gemeente die het bestemmingsplan vaststelt dat de bouw van windturbines toelaat. In het debat over de SvWOL heb ik ook aangegeven dat ik het heel belangrijk vind om de omgeving bij plannen te betrekken. Een zorgvuldige participatieaanpak is heel belangrijk en kan planschade in de ontwerpfase verminderen door bijvoorbeeld aanpassing van het projectontwerp. Op 3 september 2014 hebben de windenergiesector (NWEA) en natuur- en milieuorganisaties de «Gedragscode draagvlak en participatie wind op land» vastgesteld, die de Minister van Economische Zaken u bij brief van 7 november 2014 heeft toegezonden (Kamerstuk 33 612, nr. 47). Deze code bevat een aantal goede uitgangspunten voor planparticipatie en gaat ook in op mogelijkheden voor financiële participatie. De Nederlandse kst-33612-48ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2015Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 33 612, nr. 481 Vereniging van Omwonenden Windenergie (NLVOW) heeft zich niet kunnen vinden in de uitgangspunten van de gedragscode. De Minister van Economische Zaken heeft alle betrokken partijen daarom opgeroepen op dit punt met elkaar in gesprek te blijven en verantwoordelijkheid te nemen in het vinden van een goede verdeling van lusten en lasten van windpro-jecten tussen exploitant, grondeigenaar en omwonenden. Hoe de partijen dit organiseren is voor een belangrijk deel maatwerk. Ik zie in het onderzoek van het Tinbergeninstituut geen reden nadere maatregelen te nemen in aanvulling op de bestaande planschaderegeling en de bovengenoemde oproep van de Minister van Economische Zaken. De Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas GeesteranusTweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 33 612, nr. 482
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.