Lijst van vragen en antwoorden over het MIRT Overzicht 2025 (Kamerstuk 36600-A-4)
Brontekst
Versie 92210ff6bfebae87 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202536 600 AVaststelling van de begrotingsstaat van hetMobiliteitsfonds voor het jaar 2025Nr. 20 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDENVastgesteld 25 november 2024 De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat heeft een aantalvragen voorgelegd aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat overde brief van 17 september 2024 over het MIRT Overzicht 2025 (Kamerstuk36 600 A, nr. 4).De Minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 21 november2024. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.De voorzitter van de commissie,P. de GrootAdjunct-griffier van de commissie,Koerselman kst-36600-A-20ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 201 Vraag 1Hoe zijn naar aanleiding van de aangenomen motie-Olger van Dijk c.s.1aspecten van brede welvaart meegewogen in het afweegkader vaninfrastructuurbeslissingen voor investeringen in het MeerjarenprogrammaInfrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT)?Antwoord 1Op Prinsjesdag jl. is de Kamer geïnformeerd over het analyse-instrumentMobiliteitsfonds2. Met het analyse-instrument MF kan de beschikbarebeslisinformatie over mogelijke investeringsopties en andere maatregelenmet betrekking tot het MF worden verzameld, gestructureerd en geanaly-seerd. Mede naar aanleiding van de motie-Olger van Dijk c.s. hebbenbrede welvaart, de Mobiliteitsvisie 2050 en «Elke Regio Telt!» een plekgekregen in het instrument. Meer concreet wordt bij nieuwe investeringenbijvoorbeeld ook getoetst in hoeverre deze verschillen tussen regio’sverkleint. Het instrument is een hulpmiddel voor de politieke afwegingover investeringsbeslissingen waarover in de Bestuurlijke OverleggenMIRT (BO’s MIRT) afspraken worden gemaakt.Vraag 2Hoe zijn naar aanleiding van de aangenomen motie-Olger vanDijk/Vedder3 grensoverschrijdende effecten meegenomen in de Werkwijzemaatschappelijke kosten- en batenanalyse (MKBA) bijMIRT-verkenningen?Antwoord 2De aanbevelingen van het Centraal Planbureau en het Planbureau voor deLeefomgeving over het meenemen van welvaart elders in de maatschap-pelijke kosten-baten analyse (MKBA) worden in de nieuwe werkwijzerMKBA bij MIRT overgenomen. In de nieuwe werkwijzer wordt gevraagdde grensoverschrijdende effecten te benoemen in het MKBA-rapport, dezewaar mogelijk te kwantificeren en in geld uit te drukken, met name als hetgaat om de effecten op buurlanden en ontwikkelingslanden. Als degrensoverschrijdende effecten naar verwachting groot zijn, wordt ergevraagd om ook een MKBA vanuit internationaal perspectief op testellen.Vraag 3Kan in een overzichtelijk schema weergegeven worden welkeMIRT-projecten er zijn op het gebied van ov-infra en wat hiervoor de nugeraamde budgetten zijn, hoeveel hiervan reeds beschikbaar is enhoeveel budget er per project nog nodig is om tot een volgende fase overte gaan?Antwoord 3Het MIRT-overzicht 2025 bevat een projectenkaart Spoorwegen enOpenbaar Vervoer (pagina 30), waarop de MIRT-projecten op het gebiedvan ov-infra zijn ingetekend. Het MIRT-overzicht bevat daarnaast perproject een projectblad waarop onder het kopje «financiën» en «project-budget» de budgettaire informatie is weergegeven. Relevante ontwikke-lingen worden, onder meer via de MIRT-brieven gerapporteerd aan deKamer.Vraag 41Kamerstuk 36 410 A, nr. 372Kamerstuk 36 600 A, nr. 53Kamerstuk 36 410 A, nr. 56Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 202 Op welke wijze wordt besloten of voor een specifiek vraagstuk metbetrekking tot weg, spoor of water tot een MIRT-onderzoek kan wordenovergegaan?Antwoord 4Rijk en decentrale overheden kunnen opgaven agenderen voor onderzoek.Het BO MIRT besluit in gezamenlijkheid welke van de geagendeerdeopgaven onderzocht dienen te worden en welke niet. De selectie van teonderzoeken opgaven is een politiek-bestuurlijke afweging waarvoor geenvastomlijnde en harde criteria gelden.De MIRT-spelregels4 beschrijven uitgebreid het hele proces dat eenMIRT-opgave in de vorm van een project/programma doorloopt van deonderzoeksfase tot en met de aanlegfase.Vraag 5Wanneer wordt direct tot een MIRT-verkenning overgegaan en hoe wordtbesloten dat hier dan toe wordt overgegaan?Antwoord 5De voorbereidingsfase in het MIRT-proces voorafgaand aan eenMIRT-verkenning is vormvrij. Deze kan worden overgeslagen zonderMIRT-onderzoek, wanneer er naar het oordeel van het BO MIRT (of hetbevoegd gezag) voldoende informatie beschikbaar is voor het nemen vaneen startbeslissing. Voor het nemen van de startbeslissing gelden eenaantal vereisten (waaronder 75% zicht op financiering). Deze zijnuitgebreid beschreven in de MIRT-spelregels5.Vraag 6Gezien het feit dat er 320 miljoen euro nodig is om de N36 verkeersveiligte maken en er nu 125 miljoen beschikbaar is gesteld: hoe wordt de N36met het beschikbare budget toch verkeersveilig gemaakt?Antwoord 6Bij de totstandkoming van het plan van aanpak voor de N36 in 2023 werdduidelijk dat voor een rijbaanscheiding over de volledige lengte van deN36 de middelen ontoereikend zijn. De totale kosten zijn geraamd tussende € 240 en € 330 miljoen (+/- 40%), afhankelijk van het wel of nietmeenemen van gelijkvloerse oversteken. Momenteel wordt de aanpak vande N36 verder uitgewerkt op basis van het beschikbare budget. Daarbijwordt ingezet op het realiseren van rijbaanscheiding over een zo grootmogelijk aantal kilometers. Daarover is de Kamer in 2023 geïnformeerd6.Met een aantal beoordelings- en selectiecriteria wordt de keuze gemaaktvoor welke deeltrajecten het beste aangepakt kunnen worden om deverkeersveiligheid effectief te verbeteren. Deze keuze kan naarverwachting begin 2025 worden gemaakt. De resterende veiligheids-opgave op de N36 en aanvullende wensen vanuit de regio wordenmeegenomen in de bredere afweging binnen het Mobiliteitsfonds, in hetvoorjaar 2025.Vraag 7Wanneer kunt u concrete informatie delen over de rondweg inMariënheem? Graag in het antwoord meenemen wat de huidige planningis en wanneer dit project afgerond gaat zijn.Antwoord 74Kamerstuk 36 200 A, nr. 45Kamerstuk 36 200 A, nr. 46Kamerstuk 36 200 A, nr. 78Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 203 De rondweg Mariënheem is onderdeel van de MIRT-verkenning N35Wijthmen–Nijverdal. Met het amendement-Heutink c.s.7 heeft de TweedeKamer de regering verzocht om deze verkenning uit te zonderen van deschuif van aanleg naar instandhouding. De werkzaamheden zijn daarnadoorgezet en daarmee is het project niet gepauzeerd.De huidige planning is dat de verkenning in 2025 wordt afgerond. Deafgelopen maanden is gewerkt aan het uitwerken van de alternatieven envarianten in de ontwerpen. Onderdeel van deze uitwerking is de rondwegMariënheem, waarmee de leefbaarheid (oversteekbaarheid) en verkeers-veiligheid worden verbeterd. Voor de rondweg Mariënheem worden tweevarianten onderzocht: een rondweg ten noorden van het spoor en tenzuiden van het spoor. Een rondweg ten noorden van het spoor is reeds inde analysefase als niet kansrijk aangemerkt. Daarmee is de rondweg omMariënheem ten zuiden van het spoor de enige variant van een rondwegdie in de komende periode wordt beoordeeld, van kostenraming wordtvoorzien en wordt betrokken bij de milieueffectrapportage.Uiteindelijk neemt de Minister een voorkeursbeslissing of wordt eenbestuurlijke voorkeur vastgesteld. Of een voorkeursbeslissing kan wordenvastgesteld is afhankelijk of met de bestaande middelen een oplossinggerealiseerd kan worden. Na het vaststellen van de voorkeursbeslissingkan afhankelijk van de randvoorwaarden voor capaciteit en stikstof deplanning en studie starten.Vraag 8Welke concrete stappen neemt het Rijk om het ontstane tekort van 1,84miljard euro voor de ov-verbinding Amsterdam–Haarlemmermeer aan tevullen?Antwoord 8Om de voorkeursbeslissing voor de OV-verbinding Amsterdam–Haarlemmermeer te kunnen nemen (volgens huidige planning eind 2026)dienen budget en kostenraming met elkaar in balans te zijn. Hoeveelbudget er precies nodig is, zal moeten blijken als het voorkeursalternatiefen bijbehorende beslisinformatie bekend is.Vraag 9Wat is de tijdlijn voor het nemen van een voorkeursbesluit voor deov-verbinding Amsterdam–Haarlemmermeer en op welke termijn vangende werkzaamheden aan?Antwoord 9Volgens de huidige planning kan eind 2026 de voorkeursbeslissingworden genomen. Om de voorkeursbeslissing voor de OV-verbindingAmsterdam–Haarlemmermeer te kunnen nemen dienen budget enkostenraming met elkaar in balans te zijn. Op dit moment zijn er te veelonzekerheden om te kunnen zeggen wanneer de realisatiefase start. Ditzal volgens huidige inschatting op zijn vroegst in 2029/2030 kunnen zijn.Vraag 10Hoe gaat het ministerie om met de financieringstekorten in het Zuidasdok-project en wat is de tijdlijn voor het oplossen van dit tekort?Antwoord 10Rijk en regio zijn in gesprek over het tekort voor het project Zuidasdok. Zehebben afgesproken hierover uiterlijk in de tweede helft van 2025 eenbesluit te nemen.7Kamerstuk 36 410 A, nr. 27Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 204 Vraag 11Op welke concrete wijze worden de zeventien gepauzeerdeMIRT-projecten hervat?Antwoord 11Van alle gepauzeerde projecten wordt een analyse gemaakt van debenodigde vergunningsruimte, financiële middelen en personeel, waarnaal dan niet wordt begonnen met het opstarten van een paar projecten. Dewens van IenW is om ieder jaar één gepauzeerd project op te starten, mitswordt voldaan aan de benodigde vergunningsruimte, financiële middelenen personeel. Onder voorbehoud van de integrale weging is er circa € 200miljoen beschikbaar voor de herstart van projecten in 2025.Vraag 12Worden er alternatieve financieringsmethoden onderzocht voor dedekking van de tekorten op het investeringspakket van de metropoolregioAmsterdam? Zo ja, welke?Antwoord 12Eerder hebben partijen in het kader van het project OV-verbindingAmsterdam–Haarlemmermeer mogelijkheden bekeken in het kader vanalternatieve bekostiging. Dit rapport is aan uw Kamer gezonden8.Vraag 13Welke MIRT-projecten hebben prioriteit en zullen het eerste wordenaangevangen?Antwoord 13Er kan nog niet worden aangegeven welke MIRT-projecten prioriteithebben en/of niet langer kunnen wachten. In de meest recente MIRT-brief9is uw Kamer geïnformeerd over de nog te maken prioriteringen enafwegingen bij MIRT-projecten binnen het Mobiliteitsfonds. Deze briefgeeft aan op welke wijze er invulling gegeven wordt aan de toezeggingaan het lid Van Dijk om een (her)prioritering aan te brengen in deMIRT-projecten en welke afwegingen daarbij een rol spelen. Bij deuitvoering hiervan wordt de motie van de leden Stoffer en Grinwis10betrokken.De eerste stap hiervoor is om criteria/aspecten vast te stellen aan de handwaarvan de weging plaats zal vinden. In willekeurige volgorde betreft hetde volgende criteria/aspecten:•de benodigde personele en financiële middelen,•de bijdrage aan de woningbouwopgave,•de fase waarin het MIRT-project zich bevindt (realisatie, planning- enstudies, verkenning of onderzoek),•de mate waarin het MIRT-project bijdraagt aan maatschappelijkeopgaven op terrein van bereikbaarheid, (verkeers)veiligheid, leefbaar-heid en duurzaamheid,•de mate waarin het project bijdraagt aan het functioneren vaninternationale, nationale of regionale netwerken,•de mate waarin sprake is van cofinanciering door andere overheden ofpartijen,•de regionale verdeling,•het zicht op de vergunbaarheid (stikstofruimte).8Kamerstuk 29 984, nr. 1185, bijlage «eindrapportage over alternatieve bekostiging SchipholHaarlemmermeer».9Kamerstuk 36 600 A, nr. 1610Kamerstuk 36 600 XII, nr. 49Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 205 De te maken keuzes moeten – naast de vergunbaarheid en maakbaarheid– passen in de budgettaire kaders. Grote projecten die in het Regeerpro-gramma expliciet zijn genoemd, kunnen alleen een stap verder wordengebracht door het bestaande MIRT-programma erbij te betrekken enintegraal met elkaar af te wegen. Deze scherpe keuzes moeten daarnaastook hand in hand gaan met het verbeteren van de beheersing. In de briefstaat ook dat er voor het maken van afwegingen een zorgvuldig enordentelijk proces nodig is. Dit kost tijd. De integrale afweging vanMIRT-projecten en prioritering kan pas plaatsvinden bij de Voorjaarsbe-sluitvorming.Vraag 14Heeft het pauzeren van de zeventien MIRT-projecten negatieve gevolgengehad voor de algehele staat van de infrastructuur in Nederland?Antwoord 14De gepauzeerde projecten blijven belangrijk, omdat de onderliggendeopgaven niet zijn verdwenen. Uit de landelijke netwerkanalyse 11 blijkt dathet pauzeren van de wegenprojecten lokaal, op specifieke plekken op hethoofdwegennet op termijn veel effect heeft. Om de negatieve gevolgen(qua doorstroming) van het pauzeren te verzachten hebben Rijk en regiobij de BO’s MIRT 2024 afspraken gemaakt over mitigerende maatregelen-(pakketten) met een totale omvang van € 206 mln. Ook zitten in degepauzeerde projecten instandhoudingsopgaven, waarvan enkele urgentzijn. Daar waar er binnen de gepauzeerde projecten sprake is van urgenteinstandhoudingsopgaven worden deze door RWS ingepast in de huidigeprogrammering. Vanwege de maakbaarheid zorgt dit voor verdringingt.o.v. andere werkzaamheden.Vraag 15Hoe gaat de bezuiniging op de brede doeluitkering voorkomen worden? Iser een tijdlijn te geven van het aankomende jaar?Antwoord 15Samen met de vervoerregio’s, de koepels en het Ministerie van BZK zijnde gevolgen van de maatregel in beeld gebracht. De budgetkorting heeftgevolgen voor de tarieven en het OV-voorzieningenniveau in stad- enstreekvervoer. De komende periode wordt het gesprek hierover met debetrokken partijen voortgezet. Na de Voorjaarsbesluitvorming zal deKamer worden geïnformeerd over de uitkomsten.Vraag 16Hoe beïnvloedt de voorgenomen bezuiniging op de brede doeluitkeringde investeringskracht van de metropoolregio Amsterdam en de regio DenHaag–Rotterdam, in projecten van zowel lokaal, als regionaal als nationaalbelang?Antwoord 16Zie antwoord op vraag 15.Vraag 17Op welke manier is het Rijk voornemens om de projecten die volgens hetregeerakkoord van bijzonder nationaal belang zijn, zoals de verbindingAmsterdam–Haarlemmermeer, de Lelylijn, Nedersaksenlijn en deverdieping van de vaargeul van de IJsel, prioriteit te geven om deze zosnel mogelijk tot uitvoering te brengen?Antwoord 1711Kamerstuk 36 410 A, nr. 21Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 206 Het kabinet vindt de genoemde projecten belangrijk. Het kabinet spantzich daarom in om voor deze projecten stappen te zetten. Daarnaast moeter ook naar de realiteit gekeken worden, waarbij niet alles tegelijkertijdkan en de schaarse financiële middelen in het mobiliteitsfonds ook vraagtom keuzes te maken. De aangenomen motie Stoffer/Grinwis12 roept ookop om hier inzicht in te geven. In de meest recente MIRT-brief13 wordtaangegeven hoe hier invulling aan gegeven wordt.In het verlengde van de invulling hierover het volgende: over de Lelylijnen de Nedersaksenlijn is in het BO MIRT Noord 2024 besproken dat er nunog geen besluit voor het starten van een MIRT-verkenning genomen kanworden. Rijk en regio zetten het gesprek dit jaar voort, in lijn met deaangehouden moties Grinwis14 en De Hoop15. De MIRT-verkenningOV-verbinding Amsterdam–Haarlemmermeer loopt en er wordt toege-werkt naar het nemen van een voorkeursbeslissing eind 2026. Om devoorkeursbeslissing voor de OV-verbinding Amsterdam–Haarlemmermeerte kunnen nemen dienen budget en kostenraming met elkaar in balans tezijn. Voor de bevaarbaarheid van de IJssel wordt een pakket aan maatre-gelen bezien met het programma Ruimte voor de Rivier 2.0.Vraag 18Wat is de status en het verwachte tijdpad voor de implementatie van hetEuropean Rail Traffic Management System (ERTMS) op de «OV Schiphol–Amsterdam–Almere–Lelystad (OV SAAL)»-corridor om de ov-capaciteitvoor woningbouw in de regio te ondersteunen?Antwoord 18ERTMS is noodzakelijk om hoogfrequent te kunnen rijden op deSAAL-corridor. Begin 2024 is duidelijk geworden dat de beoogde mijlpaalvan indienststelling 2030 niet meer kan worden gehaald16. In 2025 wordtde herijking van het programma ERTMS afgerond en wordt duidelijk hoeimplementatie van ERTMS op SAAL-corridor daarin een plek krijgt.Uitgangspunt is dat in 2033 de SAAL-corridor voorzien is van ERTMS envanaf dat moment dus extra treinen mogelijk zijn zodat de bereikbaarheidvan nieuwe en bestaande woningen kan worden verbeterd.Vraag 19In hoeverre kunnen Europese «Connecting Europe Facility (CEF)»-geldenworden ingezet voor projecten, zoals de Zuidasdok, de Noord-Zuidlijn ofde IJmeerverbinding?Antwoord 19Om in aanmerking te komen voor Europese «Connecting Europe Facility(CEF)-gelden dienen projecten op het trans-Europees vervoersnetwerk(TEN-T) te liggen en bij te dragen aan de doelstellingen van het TEN-T. Dekansen op de resterende CEF-gelden voor de periode 2021–2027 tenbehoeve van harde infrastructuur zijn nihil gezien dit budget reeds isuitgeput. De omvang van een volgend CEF is nog onbekend en wordt bijde vaststelling van het volgend EU Meerjarig Financieel Kader (MFK)bekend. Nederland zal ook de toekomstige CEF gebruiken voor mogelijkemedefinanciering van projecten op het TEN-T netwerk.Vraag 2012Kamerstuk 36 600 XII, nr. 4913Kamerstuk 36 600 A, nr. 1614Kamerstuk 36 600 XII, nr. 5215Kamerstuk 29 984, nr. 121116Kamerstuk 33 652, nr. 92Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 207 Hoeveel is het tekort voor de Merwedelijn en hoeveel kan er bijgedragenworden vanuit het MIRT?Antwoord 20In de MIRT-verkenning OV en Wonen in Utrecht – waarin de Merwedelijnwordt onderzocht – is de afgelopen jaren onderzoek gedaan om tot eenvoorkeursalternatief te komen. Daarbij is uitgegaan van € 1,3 miljardgereserveerd budget, waarvan € 905 miljoen van het Rijk (gecorrigeerdnaar prijspeil 2024). Niet alle uitgewerkte varianten passen binnen datbudget of dragen voldoende bij het verkleinen van de bereikbaarheids-opgave. Om een voorkeursalternatief te kunnen vaststellen dienenkostenraming en budget in balans te zijn. Daartoe is een verdiepingsfasevan de MIRT-verkenning OV en Wonen (waarin de Merwedelijn onder-zocht wordt) afgesproken. Het is de bedoeling om in 2025 een voorkeursa-lternatief vast te stellen.Vraag 21Zijn er MIRT-projecten die vanwege leefbaarheid en veiligheid niet langerkunnen wachten?Antwoord 21Zie antwoord op vraag 13, vraag 14 en vraag 22.Vraag 22Welk belang weegt zwaarder in de hypothetische situatie dat een acuuthoog risico voor de veiligheid, doordat een infrastructuurobject niet tijdigis hersteld, en de geldende stikstofnorm in strijd zijn met elkaar?Antwoord 22Reguliere instandhoudingswerkzaamheden, waarbij kunstwerken gewoon1 op 1 worden vervangen of gerenoveerd zijn niet vergunningsplichtig. Indie gevallen zijn er dus geen strijdige belangen. In het eventuele (zeeruitzonderlijke) geval van acute veiligheidsrisico’s mag en zal RWS altijdbeheersmaatregelen nemen om te zorgen dat de veiligheid voor(vaar)weggebruikers geborgd blijft. Voorbeelden daarvan zijn massa- ofsnelheidsbeperkingen op bruggen of, in uitzonderlijke gevallen, (tijdelijke)afsluiting.Vraag 23Op welke wijze wordt het forse tekort gedekt van maximaal 800 miljoendat ten aanzien van de Zuidasdok is vastgesteld?Antwoord 23Er is geen nog geen besluit genomen over de wijze waarop het tekort zoukunnen worden opgelost. Rijk en regio zijn hierover in gesprek. Ze hebbenafgesproken hierover uiterlijk in de tweede helft van 2025 een besluit tenemen. Op de uitkomsten hiervan kan niet worden vooruitgelopen.Vraag 24Zijn er mogelijkheden om het budget te verhogen, indien nodig?Antwoord 24Zie antwoord op vraag 23.Vraag 25Heeft de apparaattaakstelling invloed op het MIRT? Zo ja, welke projectenzullen als eerst gepauzeerd en/of geannuleerd worden als gevolg hiervan?Antwoord 25Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 208 De apparaatstaakstelling uit het hoofdlijnenakkoord heeft als uitgangspuntdat de uitvoering ontzien wordt. Binnen IenW vindt momenteel besluit-vorming plaats over de wijze waarop de taakstelling wordt ingevuld,waarbij de uitgangspunten uit het HLA leidend zijn. Over deze uitkomstenwordt de Kamer bij Voorjaarsnota geïnformeerd.Vraag 26Indien de apparaattaakstelling uit de vorige vraag concrete invloed heeftop de uitvoerbaarheid van MIRT-projecten, worden projecten zoals deZuidasdok, met een tekort van maximaal 800 miljoen, dan op grond vande financiën gepauzeerd, dan wel geschrapt?Antwoord 26Zie antwoord vraag 25Vraag 27Op grond van welke aspecten wordt herprioritering bepaald?Antwoord 27Zie antwoord op vraag 13.Vraag 28In hoeverre worden de financiën en personeelsbezetting extra belast,indien besloten wordt om de aanleg van de fysieke scheiding op de N36 intwee fasen te doen?Antwoord 28Momenteel werkt het Ministerie van IenW aan het realiseren van eenfysieke rijbaanscheiding over een zo groot mogelijk deel van de N36,binnen het beschikbare budget. Indien daarna middels een tweede faseverder wordt gegaan om te komen tot een middenrijbaanscheiding overde volledige lengte, dan vraagt dit naar inschatting nog eens € 115miljoen tot € 205 miljoen aan extra middelen (afhankelijk van het wel ofniet meenemen van gelijkvloerse oversteken). Deze middelen zijn op ditmoment niet beschikbaar. Een tweede fase zal ook een langere inzet vanhet projectteam vragen. Dat is nu niet voorzien en zal mogelijk concur-reren met andere (instandhoudings)opgaven.Vraag 29Indien de fysieke scheiding op de N36 in twee fasen wordt aangelegd,heeft dit dan concrete gevolgen voor de stikstofuitstoot? Zo ja, wat zijnhier de gevolgen van in vergelijking met de andere scenario’s?Antwoord 29Dat is op dit moment niet bekend. RWS werkt nu aan de planning enstudie, waarbij nog in afstemming met de regio een keuze gemaakt moetworden welke deeltrajecten binnen het beschikbare budget gerealiseerdkunnen worden. Voor die deeltrajecten wordt in beeld gebracht of en inwelke mate er sprake is van een stikstofopgave. Mocht er zicht komen opaanvullende financiering, dan kunnen de eventuele implicaties in relatietot stikstof verder in beeld worden gebracht. Daar kan niet op vooruitge-lopen worden.Vraag 30Kunt u de Kamer een uitputtende lijst doen toekomen met het aantalprojecten dat in kalenderjaar 2025 afgerond zal zijn?Antwoord 30De Kamer wordt jaarlijks op Prinsjesdag geïnformeerd over de afgerondeprojecten tussen 1 juli en 30 juni van de periode daarvoor. HetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 209 MIRT-overzicht biedt geen uitputtende vooruitblik naar projecten die in hetkomende jaar afgerond zullen worden. Wel wordt per MIRT-project eenplanning weergeven, waarin (indicatief) het verwachte jaar van afrondingis opgenomen. Zo wordt volgens de huidige planning van RWS in iedergeval de A1 Apeldoorn – Azelo: fase 1 en fase 2a, A16 Rotterdam en deSelectieve onttrekking Zeesluis IJmuiden afgerond in 2025. Daarnaastwordt de afronding van diverse deelprojecten als onderdeel van eenbreder programma onder de betreffende programmabladen vermeld.Vraag 31Wanneer wordt weer bekeken of er geld en menskracht beschikbaar zijnvoor het onderhoud van de fietswegen die op eigen gronden van IenWliggen?Antwoord 31Uw Kamer wordt naar verwachting medio 2025 geïnformeerd over devoortgang.Vraag 32Kan er een overzicht worden gegeven van de bestedingen en de daarmeegerealiseerde doelen van de beschikbare bedragen voor het ProgrammaFiets?Antwoord 32Over de stand van zaken van de doorfietsroutes en de bestemming van dewoningbouwgelden voor fietsinfra is de Kamer geïnformeerd in de meestrecente MIRT-brief17.Vraag 33Welke criteria zijn er nader samen uitgewerkt door het Rijk en de regiovoor de verdeling van de beschikbare gelden die geïnvesteerd dienen teworden in doorfietsroutes?Antwoord 33De Rijksbijdrage bedraagt maximaal € 1,5 miljoen per project, maximaaltwee projecten kunnen per provincie/ vervoerregio worden gehonoreerden de doorfietsroutes moeten tussen 2025 en 2028 tot aanleg komen. Deselectie wordt gemaakt op basis van de projecten die het best scoren opde volgende criteria:•Verbetering combinatie van fiets met het openbaar vervoer of hetverminderen van drukte in het openbaar vervoer.•Verbetering van de verkeersveiligheid.•Overstappers van auto naar fiets.Vraag 34Kan zo concreet mogelijk worden aangegeven voor welke MIRT-projectenu geld uittrekt uit de extra woningbouwmiddelen om nieuwbouwpro-jecten te ontsluiten?Antwoord 34Het kabinet heeft momenteel nog geen besluit genomen over de toedelingvan de € 2,5 miljard voor het ontsluiten van woningbouw. De Ministeriesvan VRO en IenW stemmen de gebiedsgerichte investeringen voor nieuwewoningbouw (onderdeel van de € 5 miljard) en de investeringen inbijbehorende infrastructuur (€ 2,5 miljard) op elkaar af. De verwachting isom komend voorjaar bij de Bestuurlijke Overleggen Leefomgeving (BOL’s)2025 en de Bestuurlijke Overleggen MIRT (BO’s MIRT) 2025 afspraken temaken over concrete projecten.17Kamerstuk 36 600 A, nr. 16Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 2010 Vraag 35Kan onderbouwd worden waar de 2,5 miljard euro die het huidige kabinetextra uittrekt, op gebaseerd is? Welke onderliggende gegevens liggen tengrondslag aan dit bedrag?Antwoord 35Dit bedrag is het resultaat van het geheel aan onderhandelingen tussenPVV, VVD, NSC en BBB bij de kabinetsformatie.Vraag 36Klopt het dat de aanleg van infrastructuur voor nieuwbouw van woningenin laaggelegen gebieden relatief duurder is, omdat hier extra kostengemaakt moeten worden voor klimaatadaptieve maatregelen, zodat deinfrastructuur ook bij bijvoorbeeld piekbuien gebruikt kan worden?Antwoord 36De aanleg van nieuwe wegen en spoor in laaggelegen delen vanNederland vragen over het algemeen hogere investeringen door deaanwezige veen- en kleibodems, die een groter risico op verzakkingenvormen dan de zandbodems in hoger gelegen delen van het land. Ook bijhet ontwerp en aanleg van klimaatadaptieve infrastructuur moet rekeninggehouden worden met deze geografische verschillen. De ervaring wijst uitdat additionele investeringen in klimaatadaptieve maatregelen extraonderhoud, verminderde bereikbaarheid en veiligheid, of dure recon-structies van infrastructuur voorkomen. Dit geldt voor infrastructuur voorde ontsluiting van woningbouw en voor de hoofdnetwerken. Ook zijn erminder problemen te verwachten aan aangrenzende infrastructuur zoalsriolering of warmtenetten of kosten die burgers en bedrijven moetenmaken voor het overbruggen van niveau verschillen met gebouwen.Vraag 37Wat is de stand van zaken met betrekking tot de verlening van de derdetranche van de investeringsimpuls Verkeersveiligheid aan medeover-heden en hoe is daarbij uitwerking gegeven aan de aangenomenmotie-Grinwis c.s.18?Antwoord 37De Kamer is op 28 maart jl. geïnformeerd over de doorontwikkeling vande investeringsimpuls19. Beoogd is de regeling voor de derde tranchebinnenkort vast te stellen. Op basis van die regeling kunnen medeover-heden in het eerste kwartaal van 2025 een aanvraag doen voor cofinan-ciering van bewezen effectieve verkeersveiligheidsmaatregelen. Dezeregeling is op 14 november 2024 bij uw Kamer voorgehangen, omdatdeze subsidie voortkomt uit het Mobiliteitsfonds en meer dan € 10miljoen bedraagt voor het jaar 202520.De Kamer heeft het kabinet met de motie Grinwis c.s. verzocht om zich inte spannen om het aantal drukke schoolroutes zonder vrijliggend fietspadop 80- en 50-kilometerwegen terug te dringen. De Minister van IenW heeftdaarop de wegbeheerders tijdens het bestuurlijk overleg van 27 maartjongstleden aangemoedigd om gebruik te maken van de toekomstigederde tranche van de investeringsimpuls. De menukaart voor de derdetranche (waarop de subsidieerbare verkeersveiligheidsmaatregelen tevinden zijn) bevat meerdere maatregelen waarmee wegbeheerderskunnen voorkomen dat schoolroutes via 80- en 50-kilometerwegen lopen.18Kamerstuk 29 398, nr. 109619Kamerstuk 29 398, nr. 110020Kamerstuk 29 398, nr. 1132Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 2011 De Kamer zal na elk aanvraagtijdvak van de derde tranche geïnformeerdworden over de voortgang die provincies, gemeenten en waterschappenvia de rijksbijdragen van de investeringsimpuls boeken om het aantaldrukke schoolroutes zonder vrijliggend fietspad terug te dringen.Vraag 38Is al bekend welke financiële bijdrage de gemeente Oude IJsselstreek zalleveren aan het N18-project, en hoe staat die bijdrage in verhouding tot deopmerking dat het financiële tekort voor dat project is opgelost doormiddel van een amendement?Antwoord 38In december 2022 is een amendement21 aangenomen dat binnen hetMobiliteitsfonds € 7 miljoen beschikbaar stelt voor het dekken vanfinanciële tekorten op lopende verkeersveiligheidsprojecten op de N18.Op het moment dat het amendement aangenomen werd, was er alleennog een tekort van € 1,2 miljoen bij Traverse Lievelde. Dit tekort isinmiddels gedekt. De resterende middelen na overleg met de regiogeïnvesteerd in de huidige verkeersveiligheidsaanpak op de N18. Met hetoog op deze optimalisatie investeert IenW een Rijksbijdrage van € 5,8miljoen.Het is nog niet bekend welke bijdrage de gemeente Oude IJsselstreek zalleveren aan het N18-project. De regio heeft aangegeven te faciliteren in deplanstudie en realisatie van deze maatregelen en is daarmee verantwoor-delijk voor de uitvoering. Alle meerkosten zijn voor de Regio (vertegen-woordigd door de gemeente Oude-IJsselstreek). De exacte kosten voordeze maatregelen moeten blijken uit een gedetailleerde raming, maarmomenteel wordt nog over de uitvoeringsvariant gesproken met Regio.Vraag 39Welke risicofactoren zijn er nog die eventueel vertraging opleveren voorde start van het personenvervoer Coevorden–Bad Bentheim?Antwoord 39De inzet is dat deze treindienst zonder vertraging van start gaat. Binnen ditproject zijn er risico’s die altijd bij dergelijke projecten gelden. Er is eenaantal specifieke risicofactoren te onderscheiden. De eerste risicofactorligt in de juridische status van het spoor zoals ook beschreven in deintentieverklaring uit 2022. De tweede risicofactor ligt in de toelating vanhet materieel. Door betrokken partijen wordt volop gewerkt om dezerisico’s te beheersen.Vraag 40Wat is de actuele planning van de ingebruikname van de lijnBad–Nieuweschans–Leer? En wanneer kan volgens de huidige planningde rechtstreekse Wunderline Groningen–Bremen van start gaan? Welkemiddelen zijn hiervoor nog benodigd en welke belemmeringen moetenpraktisch nog opgelost worden?Antwoord 40Volgende de huidige planning wordt de verbinding Groningen–Leer ingebruik genomen rond de zomer van 2025. Voor de rechtstreekseverbinding Groningen–Bremen wordt momenteel een definitieve invullingvan een vervolgstap onderzocht. Bij het in beeld brengen van debenodigde maatregelen voor een vervolgstap van de Wunderline, zal ookgekeken worden naar de kosten van die maatregel.Vraag 4121Kamerstuk 36 200 A, nr. 55Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 2012 Hoe is de passage uit het regeerprogramma «Er komt een voorstel voorgrensoverschrijdend spoorvervoer, inclusief de aansluiting van vijftreinstations op stations van de hogesnelheidslijnen net over de grens»(p. 43) precies verwerkt in het MIRT en hoe verhoudt zich dit voornementot het MIRT?Antwoord 41Momenteel wordt conform het hoofdlijnenakkoord door IenW gewerktaan een voorstel voor grensoverschrijdend spoorvervoer. Dit voorstel zalin de eerste helft van 2025 aan uw Kamer worden verzonden. Pas daarnakan deze visie ook doorwerken in een nieuw MIRT-overzicht. Gegeven deactuele situatie van het Mobiliteitsfonds zal het ingewikkeld zijn om tebesluiten tot aanvullende investeringen in internationale verbindingen.Vraag 42Zijn er plannen om de lijn Weert–Hamont te heractiveren? Zo ja, wat is ernodig om deze lijn te heractiveren en wat is de concrete planning voor dereactivering van deze lijn?Antwoord 42In overleg met onze Belgische collega’s wordt al een aantal jarenonderzoek gedaan naar de mogelijkheden om de lijn Weert–Hamont teheractiveren. Inmiddels is er een kostenraming gemaakt. Zowel aanNederlandse als aan Belgisch zijde ontbreken echter tot op heden demiddelen om te kunnen besluiten tot heractivering van deze lijn.Vraag 43Kan voor alle grensoverschrijdende trajecten in een schema weergegevenworden welke komende langere onderhoudsperioden er zijn (dusonderhoudsperioden die langer zijn dan een periodieke sluiting van eenweekend of een week wegens reguliere onderhoudswerkzaamheden)?Antwoord 43In de beheerplannen en de addenda op de beheerplannen van ProRailwordt, conform de afspraken die zijn gemaakt n.a.v. de aangenomenmotie Tjeerd de Groot22, aangegeven welke werkzaamheden er in dekomende periode zijn die een grote impact hebben op de treindienst.ProRail legt deze ingewikkelde puzzel altijd twee jaar voorafgaande aanhet jaar, maar moet ook rekening houden met onvoorziene omstandig-heden.Vraag 44Stopt de bijdrage aan de financiering van de lijn Venlo–Düsseldorf na2025? En zo ja, wat betekent dit concreet voor de verbinding tussen Venloen Duitsland?Antwoord 44Samen met het Duitse Verkehrsverbund Rhein-Ruhr (VRR) werken we aande totstandkoming van de treindienst Eindhoven–Düsseldorf. Oorspron-kelijk zou deze treindienst in december 2025 gaan rijden. De startdatum isomwille van de procedure van de aanbesteding van de concessie een jaarnaar achter geschoven. VRR is ook verantwoordelijk voor de exploitatievan de huidige verbinding tot Venlo, die een jaar langer zal blijven rijden.Op dit moment zijn nog geen afspraken met VRR gemaakt over deoverbruggingsperiode die is ontstaan. Dit is richting de start van denieuwe dienstverlening een van de punten die om nadere invulling vraagt.Vraag 4522Kamerstuk 35 925 XII, nr. 22Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 2013 Wat is de actuele planning wanneer de intercity Eindhoven–Düsseldorfkan gaan rijden? Welke financiële middelen zijn hiervoor nog benodigd enwelke praktische belemmeringen moeten nog weggenomen worden?Antwoord 45Inzet is dat de IC gaat rijden vanaf eind 2026. De benodigde investeringenworden gedekt vanuit het Mobiliteitsfonds. Meerdere praktische belem-meringen dienen weggenomen te worden en zijn beoogd gereed te zijnvóór start van de dienstregeling. Op emplacement Eindhoven Oostworden wisselverbindingen aangepast. Tussen Eindhoven en Venloworden maatregelen voor overwegbeveiliging en perronverbredinggetroffen. In Venlo wordt het perron verlengd en een spanningssluisgerealiseerd ten behoeve van de wisseling van de voedingsspanning.Vraag 46Is het ticketsysteem voor treinen naar Duitsland en België nu niettoegankelijk en klantgericht?Antwoord 46In deze passage in het MIRT-overzicht is bedoeld dat het ticketsysteemnog voor verbetering vatbaar is. Het is weliswaar mogelijk om online envia ticketautomaten tickets te kopen naar Duitsland en België, maar degebruiksvriendelijkheid blijft achter vergeleken met nationale ticketsys-temen en ook vergeleken met de het boeken van vluchten23. Met namehet zoeken en boeken van multimodale reizen – bijvoorbeeld met de treinen de bus – blijft achter. Systemen zijn niet goed met elkaar geïntegreerd.Vraag 47Wat gebeurt er concreet in de pilot voor het «klantgerichte ticket-systeem»? En wat is de reden dat er een pilot nodig is om ticketsystemenklantgericht te maken? Op wie zijn deze systemen nu gericht?Antwoord 47Deze pilot was onderdeel van het programma MaaS. Dit programma wasgericht op het opdoen van leerervaringen om condities te creëren vooreen gezonde marktontwikkeling van MaaS. De specifieke pilot in Limburgis gericht op het stimuleren van grensoverschrijdende duurzamemobiliteit en is na de formele afronding van het MaaS-programma in 2022doorgezet. In de pilot wordt gewerkt aan het koppelen van verschillendetariefsystemen zodat een reiziger met één app (multimodaal) internati-onaal kan reizen. Het is de bedoeling dat dit een open systeem is, zodatverschillende MaaS-aanbieders ook gebruik kunnen maken van dezefunctionaliteit. Op deze manier kunnen reizigers met de eigen vertrouwdeapp internationaal reizen met de trein, bus, tram en deelmobiliteit, zondersteeds een andere app te hoeven downloaden. De pilot is niet op éénspecifieke doelgroep gericht: het moet voor alle (potentiële) reizigersmakkelijk worden om grensoverschrijdend multimodaal te reizen.Er wordt daarnaast gewerkt aan nieuwe faciliteiten om reizen met hetopenbaar vervoer nog eenvoudiger te maken. Zo is het sinds kort mogelijkom in Limburg en in de verbindingen naar Duitsland te reizen doorlocatiebepaling op de telefoon. Een ander groot voordeel van dit systeemis dat er geen hardware (zoals incheckpaaltjes) vereist is, wat opschalingmogelijk maakt.Vraag 4823Zie ook IRP Fourth Progress Report, https://www.netherlandsandyou.nl/web/pr-eu-brussels/irp-fourth-progress-reportTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 2014 Hoe verhoudt de opgave die er is voor het herstellen van de spoordijkenzich tot het MIRT en de MIRT-budgetten?Antwoord 48ProRail beoordeelt het huidig gebruik van de spoordijken als veilig.Nieuwe ontwikkelingen, zoals plannen voor meer treinverkeer of de komstvan langere perioden met regen, kunnen betekenen dat op sommigetrajecten maatregelen aan de spoordijken nodig zijn. Daarvoor doetProRail onderzoek en de resultaten daarvan zullen per baanvakbeschikbaar komen. De Kamer zal hierover via de desbetreffende brievenworden geïnformeerd. Op dit moment is binnen het MIRT budgetgereserveerd voor eventuele maatregelen aan spoordijken op de corridorsuit het Programma Hoogfrequent Spoorvervoer, onder de post «Spoorca-paciteit 2030».Vraag 49Kan een actuele stand van zaken gegeven worden voor de herstelwerk-zaamheden aan de hogesnelheidslijn (HSL)? Wat is de planning voor hetopheffen van de tijdelijke snelheidsbeperkende maatregelen?Antwoord 49Zoals onlangs aan uw Kamer gemeld24 kan er onderscheid gemaaktworden tussen het herstel van betonschade en het herstel van constructie-fouten in tien viaducten in de noordsectie van de HSL, tussen de TunnelGroene Hart en Hoofddorp. Op een deel van deze locaties geldt op ditmoment een snelheid van 80 km/u. Na tijdelijk herstel van de betonschadekan de snelheid worden verhoogd naar 120 km/u. Dit herstel is beoogdvoor 15 december 2024, zodat per dienstregeling 2025 120 km/u geredenkan worden. Het behalen van deze deadline is, ondanks enkele risico’s,nog steeds in zicht. Herstel van de constructiefouten in de viaducten isnodig om de snelheid verder te kunnen verhogen naar 300 km/u. Ermoeten nieuwe ontwerpen komen voor de tien viaducten waarin deconstructiefouten zijn geconstateerd. De plannen daarvoor betreffenmaatwerk en worden op dit moment uitgewerkt. Daarnaast speelt bij hetviaduct Zuidweg bij Rijpwetering ook de zettingsproblematiek waarvoorherstelmaatregelen getroffen moeten worden. Herstel van de constructie-fouten kan op zijn vroegst plaatsvinden in 2026, volgens de huidigeinzichten van ProRail.Vraag 50Wat betekent de oplevering in 2028 van het project Programma Hoogfre-quent Spoorvervoer (PHS) Tractie Energievoorziening concreet? Is hetspoornetwerk dan voldoende in staat om de te verwachte groei van hetaantal treinen voor het komende decennium op te vangen?Antwoord 50Het deelprogramma Tractie-energievoorziening binnen het ProgrammaHoogfrequent Spoorvervoer voorziet in de bouw van nieuwe enuitbreiding van bestaande onderstations. Met het afronden van hetdeelprogramma is het spoornetwerk – wat betreft tractie-energievoorziening – voldoende uitgerust voor de reeds ingevoerde ennog in te voeren frequentieverhogingen op de verschillendePHS-corridors. PHS bevat daarnaast veel andersoortige maatregelen omdiezelfde frequentieverhogingen mogelijk te maken zoals overweg-,geluid- en transfermaatregelen.Daarnaast voorziet het programma Spoorcapaciteit 2030 ook in nieuwe enuitbreiding van bestaande onderstations. Die zijn in principe vooral nodig24Kamerstuk 32 404, nr. 125Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 2015 voor intensivering van de treindienst buiten het PHS-programma – medeom nieuwe woningbouwlocaties te ontsluiten. Dat kunnen al geplande«zelfstandige» frequentieverhogingen zijn, maar ook verlenging van detreinen of de instroom van nieuw materieel.Vraag 51Gelet op het de uitspraak «Het totaal aantal mogelijk te bouwen woningenbedraagt 60.000 – 70.000, waarvan in totaal 15.250 – 26.800 woningen inde grootschalige A12-zone en 22.500 – 25.000 woningen in Rijnenburg.»,welke harde afspraken zijn gemaakt over woningbouw? Hoe hard zijn dieafspraken over woningbouw in Rijnenburg (zowel tot 2030 als daarna)?Welke aantallen zijn afgesproken en bestuurlijk vastgelegd voor wanneer?Antwoord 51In het BO MIRT Noordwest 2022 is afgesproken dat er in Utrecht GrootMerwede tot en met 2030 25.500 woningen worden gerealiseerd. Daarbijis aangegeven dat er de potentie is om na 2030 nog eens 34.500 – 44.500woningen te realiseren, waarvan in totaal 15.250 – 26.800 woningen in degrootschalige A12-zone en 22.500 – 25.000 woningen in Rijnenburg.De realisatie van de 25.500 woningen in Groot Merwede is gekoppeld aande gereserveerde middelen voor Woningbouw en Mobiliteit (WoMo) van€ 600 miljoen voor ontsluiting van Groot Merwede.Over de potentieel nog te realiseren woningen in de A12-zone enRijnenburg zijn geen afspraken gemaakt. In het MIRT-onderzoek A12-zoneen Rijnenburg wordt integraal onderzoek gedaan naar benodigdeingrepen (Hoofdwegennet, Onderliggend Wegennet, fietspaden,Openbaar Vervoer, energie, groen) om verstedelijking van deze schaal indit gebied mogelijk te maken.Vraag 52Gezien de Noordelijke Randweg Utrecht (NRU) samenhangt met besluit-vorming over het alternatief Ring Utrecht (ARU), en we recent in een briefvan u lazen dat het ARU volgens u in feite geen alternatief is voor hetTracébesluit dat nog door de Raad van State wordt beoordeeld: ziet uwministerie mogelijkheden om de NRU zo snel mogelijk weer op te starten?Welke «hobbels» moeten er worden genomen op het gebied van stikstof,personeel en financiën om de NRU weer op te starten?Antwoord 52Zoals aangegeven in het regeerprogramma wordt een analyse uitgevoerdvan de gepauzeerde projecten. De NRU maakt onderdeel uit van dezeanalyse. De uitkomst van deze analyse is nog niet beschikbaar. De intentieis om één gepauzeerd project per jaar op te starten.Vraag 53Uitgaande van een positief oordeel in de uitspraak van de Raad van Stateover Tracébesluit A27, hoe ziet dan de planning eruit voor de realisatievan dit Tracébesluit en wat is de inschatting van het totale financiëlebeeld?Antwoord 53Voor het project is € 1.773 miljoen gereserveerd. De Raad van State heefteen zitting gepland op 19, 20 en 21 november. Het is daarna niet bekendwanneer de Raad van State uitspraak zal doen. Pas na de uitspraak kaneen inschatting worden gemaakt van de planning en het totale financiëlebeeld.Vraag 54Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 2016 Hoe staat het met zo spoedig mogelijk alternatieve maatregelen nemen ophet onderliggend wegennet om de verkeersveiligheid te waarborgen,waaronder de op- en afritten van de A2, naar aanleiding van de aange-nomen motie-Grinwis/Olger van Dijk25?Antwoord 54In het BO MIRT Zuid van 6 november 2024 is door Rijk en regio ingestemdmet een uitgebreid mitigerend maatregelenpakket voor het gepauzeerdewegverbredingproject A2 Deil–Vught. Hier wordt door het Rijk € 54miljoen vanuit het restbudget van de A2 Deil–Vught voor ingezet waarmeeinvulling wordt gegeven aan de motie. De regio legt eenzelfde bedrag in.Vraag 55Wat is er nodig om het project A67/A73 knooppunt Zaarderheiken inuitvoering te brengen? Wanneer kan dit knooppunt opengesteld worden?Antwoord 55IenW en provincie Limburg zijn in goed overleg over het knooppunt. Zoalsop het BO MIRT afgesproken, is de eerste stap de actualisatie van destikstofberekeningen. Zodra het kan, wordt het tracébesluit zo spoedigmogelijk geactualiseerd. Daarna kan de realisatie plaatsvinden, maar hieris nu nog geen jaartal aan te verbinden.Vraag 56Kunt u een overzicht geven van de ongevallen op/rond het wegvakA67/A73 knooppunt Zaarderheiken? Hoe borgt u tot het moment vanoplevering de veiligheid op dit wegvak? Is de geluidshinder van deze wegop orde en voldoet het Rijk aan de gestelde regels?Antwoord 56De verkeersveiligheid van het traject A73 tussen knooppunt Tiglia enknooppunt Zaarderheiken, wordt uitgedrukt in een risicocijfer. Hetrisicocijfer op dit traject is 1,09 en valt binnen het bereik (0,6–1,4) dat alsgemiddeld risico wordt gezien.Met het project A67/A73 verbetert de doorstroming en vermindert de kansop een kop-staartbotsing. In de huidige situatie zijn geen aanvullendeverkeersveiligheidsmaatregelen gerealiseerd.Bij knooppunt Zaarderheike is sprake van overschrijding van het vastge-stelde geluidsplafond. Deze overschrijding wordt aangepakt met deuitvoering van het project.Vraag 57Hoe is geborgd dat de intercity (IC) Eindhoven–Düsseldorf in december2026 zijn dienstregeling kan starten? Zijn de perrons in Venlo dan tijdigverlengd? Is het station in Eindhoven daarop ingericht? Is de nieuwespanningsluis tijdig vernieuwd?Antwoord 57Inzet is dat de IC gaat rijden vanaf eind 2026. De benodigde inframaatre-gelen worden uitgewerkt en voorbereid. Aanpassingen in de wisselverbin-dingen in Eindhoven en maatregelen op het baanvak Eindhoven Venloworden naar verwachting tijdig opgeleverd. De maatregelen in Venlowaaronder de perronverlenging en de spanningsluis zijn naar verwachtingin 2028 gereed. ProRail onderzoekt de mogelijkheden voor een tijdelijkeoplossing. Samen het Duitse Verkehrsverbund Rhein-Ruhr (VRR) wordtgesproken over de maatregelen en de tijdige indienststelling.25Kamerstuk 36 410 A, nr. 40Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 2017 Vraag 58Hoe is geborgd dat de IC Eindhoven–Aken kan gaan rijden?Antwoord 58Voor het kunnen rijden van de Intercity Eindhoven – Aken gedurende degehele dag is het noodzakelijk capaciteitsmaatregelen te nemen op stationEindhoven (zijperrons en ongelijkvloerse spoorkruising ten oosten vanstation Eindhoven) en veiligheidsmaatregelen op diverse overwegentussen Eindhoven en Aken. De capaciteitsmaatregelen worden onderzochtin de verkenning naar station Eindhoven en ook de overwegveiligheids-maatregelen vragen om nader onderzoek.Een IC Eindhoven – Aken in de dagranden blijkt juridisch en financieelingewikkelder dan gedacht. Daarom is op voorspraak van de provincieLimburg in de stuurgroep IC Aken besloten om de aandacht primair terichten op een volwaardige IC-verbinding.Vraag 59Is de MIRT-verkenning zo ingericht dat de gewenste beslisinformatie metbetrekking tot vereiste aanpassingen van station Eindhoven daaruit naarvoren komt?Antwoord 59Ja. De MIRT-verkenning voor de spoorknoop Eindhoven levert naarverwachting volgend jaar beslisinformatie op voor een voorkeursalter-natief, waarvoor de kosten en effecten nader worden onderzocht.Vraag 60Welke Europese middelen zijn al zeker gesteld voor IC Eindhoven–Aken?Hoe ziet het proces eruit om deze middelen tijdig te verkrijgen?Antwoord 60Er zijn geen Europese middelen zeker gesteld. Er moet nog een afwegingplaatsvinden of dit kansrijk is. Inzet is om bij toekomstige besluitvormingover de maatregelen bij het financieringsvraagstuk de mogelijkheden voorEuropese middelen te betrekken.Vraag 61In hoeverre is de tijdige oplevering van de aanpassingen in Eindhovengoed afgestemd op de grote woningbouwambities in o.a. Helmond,Eindhoven, Weert en Venlo die in 2030 opgeleverd moeten zijn?Antwoord 61In de verkenning van de spoorknoop Eindhoven worden onder andere deinzichten uit de Adaptieve Ontwikkelstrategie Toekomstvast SpoorZuidoost Nederland vergeleken met actuele vervoersprognoses. Eind ditjaar worden naar aanleiding daarvan nieuwe inzichten verwacht in desamenhang tussen de verschillende stappen van het project spoorknoopEindhoven en de woningbouwambities in de regio.Vraag 62Gelet op uw opmerking in eerdere Kamerbrieven dat aanpassing vanstation Eindhoven zeker niet in 2030 klaar zal zijn, wanneer zal aanpassingvan station Eindhoven wel opgeleverd kunnen worden?Antwoord 62De afronding van de werkzaamheden voor spoorknoop Eindhoven isafhankelijk van het uiteindelijke voorkeursalternatief en het vinden vanfinanciële dekking. Komend jaar wordt met de regio over mogelijkhedenhiervoor gesproken. Na het nemen van een voorkeursbeslissing zullen deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 2018 planning- en studiefase en de uitvoering, afhankelijk van de gekozenoplossing en fasering, nog 7 tot 12 jaar in beslag nemen.Vraag 63Wanneer kan de Kamer het voorstel voor grensoverschrijdend spoor-vervoer tegemoetzien? Is in dat voorstel ook een uitvoeringsparagraafinclusief dekking voorzien?Antwoord 63Momenteel wordt door IenW conform het hoofdlijnenakkoord gewerktaan een voorstel voor grensoverschrijdend spoorvervoer. Dit voorstel zalin de eerste helft van 2025 aan uw Kamer worden verzonden.Vraag 64Wat zijn de totale kosten die de aanwezigheid van dassen op/rond hetproject verbreding A2 in Limburg met zich meebrengt?Antwoord 64Voor de verbreding van de A2 in Limburg plaats kan vinden dienen dedassen(burchten) op het tracé te worden verplaatst. Het betreffen eengroot aantal burchten waarvoor reeds maatregelen getroffen zijn.Daarnaast wordt getracht de terugkeer van de dassen te ontmoedigen/onmogelijk te maken. Deze maatregelen hebben tot nu toe ongeveer€ 700.000 gekost en voor de gehele bouwperiode is in totaal € 2 miljoengereserveerd.Vraag 65Op welke wijze heeft Rijkswaterstaat voorzien dat de bereikbaarheidtijdens de uitvoering van het project verbreding A2 in Limburg isgeregeld? Is de facilitering daarvan in het projectbudget voorzien? Lopende afspraken met de regio hierover goed en hebben de gemeenten enprovincie de vereiste middelen om de bereikbaarheid te borgen?Antwoord 65Tijdens de bouw is hinder voor de weggebruiker niet te voorkomen. Debereikbaarheid van Limburg en de doorstroming op de A2 wordt geborgddoor het feit dat de snelweg gedurende de uitvoeringsperiode met 3rijstroken per rijrichting open blijft met een snelheidsbeperking van 90km/uur. Er zijn echter gedurende een bouwperiode van 3 jaar een aantalweekenden dat de A2 tussen de knooppunten «Het Vonderen» en«Kerensheide» geheel is afgesloten voor werkzaamheden.Naast de hindercommunicatie die RWS zelf inzet zal de samenwerkingworden opgezocht met «Zuid Limburg Bereikbaar» en «Midden LimburgBereikbaar». De afstemming met regionale partners loopt al en de matevan intensiteit hangt af van de planning van de aannemer. Hinderaanpakis onderdeel van de werkwijze binnen RWS en is daarmee in het project-budget voorzien. Er kunnen geen uitspraken gedaan worden over debeschikbare middelen van gemeenten en provincie.Vraag 66Wordt er gesproken over herstart van het gepauzeerde project N35Wijthmen–Nijverdal en specifiek de aanpak van de verkeersveiligheidspro-blematiek van Mariënheem?Antwoord 66Zie antwoord vraag 7.Vraag 67Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 2019 Op welke wijze wordt exact invulling gegeven aan de motie-Veltman c.s.26waarmee is verzocht met voorrang te kijken naar het traject rondomMariënheem en allereerst te beginnen met het aanleggen van eenringweg rond Mariënheem, zodra dit stikstoftechnisch mogelijk is en watis de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van de motie, ookgelet op de uitspraak «Bij afronding van de verkenning worden derandvoorwaarden (financiën, capaciteit en stikstof) opnieuw bezien» enhet amendement-Heutink c.s.27, waarmee de Kamer begin 2024 heeftverzocht de aanpak van de N35 te herprioriteren?Antwoord 67In de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD), die in maart jl. is gepubli-ceerd, is opgenomen dat leefbaarheid de eerste prioriteit van deN35-verkenning is. De voorziene oplossing om de leefbaarheid inMariënheem te verbeteren is de realisatie van de rondweg. Dit onderdeelvan het gehele traject wordt dan ook separaat onderzocht binnen deverkenning, zodat dit van een losse raming en stikstofopgave kan wordenvoorzien en daarmee eventueel gefaseerd uitgevoerd kan worden. Of enwanneer de rondweg gerealiseerd kan worden, is afhankelijk van derandvoorwaarden financiën, personele capaciteit en stikstof. Zie voor deuitgebreidere toelichting ook de beantwoording van vraag 7.Vraag 68Kan een actueel beeld worden gegeven van de planning van de Lelylijn?Antwoord 68De volgende fase in het MIRT-proces voor de Lelylijn is deMIRT-verkenning. Voor het starten van deze MIRT-verkenning zijn tweezaken noodzakelijk: een gedragen beeld over de opgave en oplossings-richtingen en zicht op 75% financiering. In het BO MIRT Noord-Nederlandzijn de rapportages – en daarmee de opgave en oplossingsrichtingen –vastgesteld, maar is ook geconstateerd dat er nog geen zicht is op debenodigde financiering. Binnen het Rijk en met de regio wordt voor heteinde van 2024 gesproken over mogelijke vervolgstappen. De verwachtingis dat er voor de verkenning Lelylijn minimaal 3 jaar nodig is. Daarna volgteen planning- en studiefase waar naar verwachting minimaal 8 jaar voornodig is, gezien het lange tracé. De realisatie zal waarschijnlijk zo’n 10 jaarduren, waarna nog een testfase van minimaal 1 jaar volgt. Daarmee zoude Lelylijn bij positieve besluitvorming ongeveer rond 2050 kunnen rijden.Vraag 69Kan een actuele stand van zaken worden gegeven van het taakstellendbudget en de aanvullende post voor de Lelylijn?Antwoord 69Voor de Lelylijn staat nu ruim € 3,4 miljard op de aanvullende postgereserveerd; dit is op dit moment ook het beschikbare en dustaakstellend budget.Vraag 70Kan een actueel beeld worden gegeven van de planning van deNedersaksenlijn?Antwoord 70De volgende fase in het MIRT-proces voor de Nedersaksenlijn is deMIRT-verkenning. Voor het starten van deze MIRT-verkenning zijn tweezaken noodzakelijk: een gedragen beeld over de inhoud en zicht op 75%26Kamerstuk 36 410 XII, nr. 3427Kamerstuk 36 410 A, nr. 27Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 2020 financiering. In het BO MIRT Noord-Nederland zijn de rapportages – endaarmee de opgave en oplossingsrichtingen – vastgesteld, maar is ookgeconstateerd dat er nog geen zicht is op de benodigde financiering.Binnen het Rijk en met de regio wordt voor het einde van 2024 gesprokenover mogelijke vervolgstappen. De verwachting is dat er voor deverkenning Nedersaksenlijn minimaal 2 jaar nodig is. Daarna volgt eenplanning- en studiefase waar naar verwachting minimaal 3 jaar voornodig is. De realisatie zal waarschijnlijk zo’n 8 jaar duren, waarna nog eentestfase van 1 jaar volgt. Daarmee zou de Nedersaksenlijn bij positievebesluitvorming ongeveer rond 2040 kunnen rijden.Vraag 71Kan een actuele stand van zaken worden gegeven van het taakstellendbudget voor de Nedersaksenlijn?Antwoord 71Voor de Nedersaksenlijn zijn alleen voor de eerste fase – Veendam–Stadskanaal – middelen gereserveerd. Hiervoor staat nu € 87 miljoen opde begroting van IenW gereserveerd. Voor de andere trajectdelen zijn noggeen middelen gereserveerd.Vraag 72In hoeverre wordt bij het onderzoek naar de tracémogelijkheden tussenStadskanaal en Emmen ook de locatie van de stations bekeken en kan hiereen toelichting op worden gegeven?Antwoord 72In het MIRT-onderzoek worden nog geen keuzes gemaakt over tracé ofstations. Pas in een verkenningsfase wordt toegewerkt naar een voorkeur-salternatief, waarbij ook keuzes over bijvoorbeeld de locatie van destations aan de orde komen.Vraag 73In hoeverre zijn de Duitse aangrenzende regio’s betrokken bij de planuit-werking van de Nedersaksenlijn?Antwoord 73De Nedersaksenlijn bevindt zich in de MIRT-onderzoeksfase en niet in deplanning- en studiefase. In het MIRT-onderzoek is vanuit het projectveelvuldig contact met de Duitse aangrenzende regio’s; deze partijenworden in het vervolg ook weer betrokken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 A, nr. 2021
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.