KamerkringInloggen
Kamerstuk

Lijst van vragen en antwoorden over het ontwerpbesluit tot wijziging Wet op de huurtoeslag (verlaging van het bedrag waarmee de normhuur wordt verhoogd tot de basishuur)

11 okt 2016 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie a7b326d4d0302f1f · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2016–2017 27 926Huurbeleid Nr. 269 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN Vastgesteld 11 oktober 2016 De algemene commissie voor Wonen en Rijksdienst heeft een aantal vragen voorgelegd aan de Minister voor Wonen en Rijksdienst over de brief van 20 september 2016 inzake het ontwerpbesluit tot wijziging van de Wet op de huurtoeslag (verlaging van het bedrag waarmee de normhuur wordt verhoogd tot de basishuur) (Kamerstuk 27 926, nr. 267). De Minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 10 oktober 2016. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt. De voorzitter van de commissie,Geurts De griffier van de commissie,Van der Leeden kst-27926-269ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2016Tweede Kamer, vergaderjaar 2016–2017, 27 926, nr. 2691 Vraag 1 Wanneer en waarom is ooit gekozen voor een opslag op de normhuur? Antwoord: De opslag op de normhuur is in juli 2004 ingevoerd en maakte onderdeel uit van een breed pakket aan maatregelen gericht op herstel van de Nederlandse economie. De toenmalige regering was van oordeel dat het beslag van de huursubsidie (huurtoeslag) op de zogenoemde publieke middelen (destijds circa € 1,7 mld.) in het kader van deze bezuinigingsoperatie niet buiten beschouwing kon worden gelaten. In het Hoofdlijnenakkoord waarin vervolgens een versobering van de huursub-sidie werd aangekondigd, is een taakstelling opgenomen, inhoudende dat de huursubsidie-uitgaven structureel moesten worden beperkt. Die bezuinigingsreeks werd gerealiseerd door een verhoging van het gedeelte van de rekenhuur dat voor rekening van de huurder blijft. Er is bewust gekozen voor een zo generiek mogelijke maatregel, een opslag, waarbij de «pijn» van de bezuinigingen door alle huursubsidiehuishoudens in gelijke mate wordt gedeeld. Vraag 2 Wat zijn de kosten als de opslag in zijn geheel wordt afgeschaft en hoeveel huurders kunnen daarvan huurtoeslag ontvangen? Antwoord: Indien het resterende deel van de opslag op de normhuur ook wordt afgeschaft leidt dit, uitgaande van de resterende opslag van € 16,94 per maand tot een extra verhoging van de uitgaven huurtoeslag met structureel € 250 mln. Het afschaffen van de opslag op de normhuur leidt niet tot extra instroom van huurtoeslagontvangers. De huidige ca. 1,4 mln. huurtoeslagont-vangers profiteren hier wel allemaal van. Vraag 3 Bij welke huishoudens zijn er geen of lagere positieve inkomenseffecten van 10,50 euro per maand? Antwoord: Alleen voor huishoudens van wie, vanwege de hoogte van het inkomen de som van de (inkomensafhankelijke) normhuur en opslag boven de kwaliteitskortingsgrens uitkomt is het effect beperkter dan € 10,50 per maand (vanwege het effect van de daar geldende kwaliteits-korting). Het gaat om ongeveer 3% van de huurtoeslagontvangers. De overige huurtoeslagontvangers hebben het gehele positieve inkomens-effect van € 10,50 per maand. Vraag 4 Waar is de precieze dekking van de 150 miljoen euro gevonden binnen het koopkrachtplaatje? Antwoord: In de uiteindelijke keuzes over de begroting heeft het kabinet de balans gezocht tussen de drie pijlers uit het regeerakkoord (Kamerstuk 33 410, nr. 15). Met het perspectief op een overschot binnen enkele jaren en een overheidsschuld die op dezelfde termijn onder de grens van 60 procent van het bbp zal komen, acht het kabinet het verantwoord extra middelen beschikbaar te stellen voor maatschappelijke prioriteiten en koopkrachtmaatregelen, waaronder de huurtoeslag. De budgettaire ruimte voor deze maatschappelijke prioriteiten heeft het kabinet gevonden door aanpassing van het uitgavenkader en het inkomstenkader. Vraag 5 Betreft de 150 miljoen euro extra geld of betreft dit het schrappen van een eerder aangekondigde besparing? Tweede Kamer, vergaderjaar 2016–2017, 27 926, nr. 2692 Antwoord: De € 150 mln. is een structurele verhoging van het huurtoe-slagbudget als onderdeel van het pakket voor koopkrachtmaatregelen. Daarnaast is structureel € 418 mln. aan de begroting van Wonen en Rijksdienst toegevoegd, ter dekking van de tekorten op de huurtoeslag. Vraag 6 Is ten aanzien van dit ontwerpbesluit een uitvoeringstoets voor de Belastingdienst uitgevoerd? Zo ja, wat betekent dit voor de Belasting-dienst? Antwoord: De voorgestelde wijziging betreft een wijziging van de parameters, die jaarlijks uiterlijk 15 oktober aan de Belastingdienst worden verstrekt. Wijzigingen van parameters behoeven geen uitvoe-ringstoets door de Belastingdienst. Vraag 7 Heeft de voorgestelde wijziging directe consequenties voor het verplicht passend toewijzen door woningcorporaties? Zo ja, welke? Antwoord: De voorgestelde wijziging heeft geen effect op het verplicht passend toewijzen, omdat de wijziging effect heeft op de te betalen eigen bijdrage en niet op de hoogte van de huur. Vraag 8 Zijn er bezwaren geuit ten aanzien van de voorgestelde wijziging, en zo ja, welke? Antwoord: Ten aanzien van de inhoud van de voorgestelde wijziging heb ik geen bezwaren vernomen. Vraag 9 Kan uiteen gezet worden hoe de structurele verhoging met 150 miljoen euro onderdeel is van het koopkrachtpakket van 1,1 miljard euro? Antwoord: In de Miljoenennota (Kamerstuk 34 550, nr. 1, blz. 65) is aangegeven dat van de € 1,1 mld. voor koopkrachtmaatregelen € 0,6 mld. structureel naar de huurtoeslag gaat. Deze € 0,6 mld. bestaat uit een bedrag van € 418 mln. ter dekking van de tekorten bij de huurtoeslag, en een bedrag van € 150 mln. voor een structurele verhoging van het huurtoeslagbudget. Vraag 10 Deelt u de conclusie het niet een aandeel van 570 miljoen euro in de koopkrachtreparatie betreft, maar slechts 150 miljoen euro, omdat 420 miljoen euro het niet door laten gaan van de aan het begin van de kabinetsperiode aangekondigde bezuiniging van 215 miljoen euro en de al eerder voorziene (en bij de Voorjaarsnota al toegegeven) «tegenvaller» van 205 miljoen euro betreft? Antwoord: Van het pakket van 1,1 mld. voor koopkrachtmaatregelen, wordt € 150 mln. gebruikt om het budget voor de huurtoeslag te verhogen en € 418 mln. om de bij Voorjaarsnota gemelde tekorten van te dekken, tezamen € 568 mln. structureel. Deze € 418 mln. betreft niet de bij Voorjaarsnota 2012 gemelde tegen-valler bij de huurtoeslag, oplopend tot € 214 mln. in 2017. Deze is destijds reeds grotendeels gedekt buiten de begroting van Wonen en Rijksdienst. Deze tegenvaller is voor een deel (€ 60 mln.) gedekt door een bezuiniging op de huurtoeslag vanaf 2013. Voor het resterende deel is destijds dekking gevonden vanuit de algemene middelen. De € 568 mln. staat hier los van. De € 418 mln. is ter voorkoming van noodzakelijke bezuinigingen om Tweede Kamer, vergaderjaar 2016–2017, 27 926, nr. 2693 (eerdere) tekorten op de huurtoeslag te dekken. In die zin is sprake van koopkrachtmaatregelen, omdat hiermee de daarmee gepaard gaande negatieve inkomenseffecten worden voorkomen. Vraag 11 Deelt u de conclusie dat 420 miljoen euro niet kan worden beschouwd als extra geld ten gunste van koopkrachtverbetering, omdat met dit geld sowieso oude gaten in de begroting moesten worden gedicht? Antwoord: Ik deel deze conclusie niet. Omdat ik volgens de geldende begrotingsregels de tekorten bij de huurtoeslag binnen de begroting van Wonen en Rijksdienst zou moeten oplossen, zou dit een bezuiniging op de huurtoeslag hebben betekend, met grote negatieve inkomenseffecten voor de huurtoeslagaanvrager. Vraag 12 Kan een concrete uitwerking worden gegeven van de toename van de huurtoeslag als gevolg van de instroom van vergunninghouders, een lager niet-gebruik en de aanpassing van het heffingsvrije vermogen? In welke mate hebben ze bijgedragen aan de tekorten, en waarom was dat niet te voorzien? Antwoord: Uit de beschikbare administratieve bestanden inzake de huurtoeslag is niet af te leiden welk deel van de overschrijding sinds 2014 is veroorzaakt door instroom van vergunninghouders. In de ramingen van de huurtoeslaguitgaven wordt wel rekening gehouden met toegenomen migratie. Hiervoor is voor het jaar 2016 een bedrag opgenomen van € 23,1 miljoen oplopend naar € 125,7 miljoen in 2021. Hierbij is rekening gehouden met een dempend effect van de nieuwe regeling stimulering huisvesting vergunninghouders. De hoogte van het niet-gebruik is niet exact bekend. Op basis van nadere analyses op het WoOn2006 en WoOn2012 kan geschat worden dat als het niet-gebruik op hetzelfde niveau was gebleven de uitgaven huurtoeslag in 2012 tussen € 100 en € 150 mln. lager hadden kunnen liggen. De aanpassing van het heffingvrije vermogen heeft ertoe geleid dat meer huurders in aanmerking komen voor huurtoeslag. De verwachting is dat de uitgaven huurtoeslag stijgen met structureel € 20 mln. Vanwege de systematiek van de AWIR, waarbij tot twee jaar na afloop van het toeslagjaar nog wijzigingen in de toekenningen kunnen plaatsvinden (het definitief toekennen loopt tot twee jaar na afloop van het toeslagjaar) is een betrouwbaar uitgangspunt voor de raming per definitie enkele jaren oud. De informatie over de groter dan geraamde stijging van het aantal rechthebbenden was daarom pas met vertraging beschikbaar (waardoor hier dus niet snel op geanticipeerd kon worden). Ook hebben zich exogene factoren voorgedaan (zoals bijv. de voornoemde grotere instroom van vergunninghouders, of de wijziging in het belastingstelsel met betrekking tot de hoogte van het heffingvrije vermogen), die niet van tevoren konden worden voorzien in eerdere ramingen. Vraag 13 Is de structurele verhoging met 150 miljoen euro het meest effectief? Zou, met hetzelfde geld, niet een groter effect op de betaalbaarheid bereikt kunnen worden? Antwoord: Met de gekozen invulling, verlagen van de opslag op de normhuur wordt het meest directe effect op de betaalbaarheid bereikt. De verlaging van de eigen bijdrage leidt meteen tot lagere woonlasten. De inzet van de € 150 miljoen via de huurtoeslag betekent dat juist de Tweede Kamer, vergaderjaar 2016–2017, 27 926, nr. 2694 huishoudens met de laagste inkomens, die de grootste betaalrisico’s kennen, worden bereikt. Het is daarmee een zeer effectieve maatregel.Tweede Kamer, vergaderjaar 2016–2017, 27 926, nr. 2695

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · bfaefba9d66fed9a

14 okt 2026 · a44720c6da034d9b

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.